Besluit Van De Vlaamse Regering van 21 december 2012
gepubliceerd op 22 maart 2013

Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de financiering van de Bijzondere Onderzoeksfondsen aan de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap

bron
vlaamse overheid
numac
2013035244
pub.
22/03/2013
prom.
21/12/2012
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

21 DECEMBER 2012. - Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de financiering van de Bijzondere Onderzoeksfondsen aan de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap


Toelichting aan de Vlaamse Regering bij het besluit betreffende de financiering van de Bijzondere Onderzoeksfondsen aan de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap 1. Situering Elke Vlaamse universiteit beschikt over een Bijzonder Onderzoeksfonds (BOF) voor de financiering van het fundamenteel wetenschappelijk onderzoek.Binnen elke universiteit staat de Onderzoeksraad in voor het beleid inzake het Bijzonder Onderzoeksfonds.

Belangrijkste uitgangspunt van de Bijzondere Onderzoeksfondsen (BOF) is dat de middelen gebruikt dienen te worden om fundamenteel, grensverleggend onderzoek te stimuleren.

BOF is niet enkel een belangrijk financieringsinstrument voor wetenschappelijk onderzoek, maar is ook bij uitstek het instrument om de universiteiten aan te zetten tot het voeren van een eigen onderzoeksbeleid. Daarbij dient de overheid geen inhoudelijke aansturing te geven, maar stimulansen te geven inzake kwaliteitsverhoging en zwaartepuntvorming van het fundamenteel onderzoek.

Tot 31 december 2012 wordt het regelgevend kader voor het BOF gevormd door het Universiteitendecreet van 12 juni 1991 (art. 168 en art. 169bis.1, zoals gewijzigd door het Financieringsdecreet Hoger Onderwijs van 14 maart 2008) en het Besluit van de Vlaamse Regering van 8 september 2000 betreffende de financiering van de Bijzondere Onderzoeksfondsen aan de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap (BOF-besluit).

Sinds 2000 werden 3 grote wijzigingen aan het BOF-besluit doorgevoerd : - 24/01/2003 : publicaties en citaties werden als parameter toegevoegd aan de verdeelsleutel; het programma Bilaterale Wetenschappelijke Samenwerking (BWTS) werd geïncorporeerd in het BOF-besluit; - 08/12/2006 : een diversiteits- en mobiliteitscoëfficiënt werd als parameter toegevoegd aan de verdeelsleutel; het financieren van bijkomende ZAP-posities met onderzoeksopdracht en het instellen van de Methusalemfinanciering voor internationaal toonaangevende onderzoekers. - 12/12/2008 : de telling van enkele parameters (o.m. van de publicaties en doctoraten) werd verfijnd en uitgebreid (o.m. de invoering van het Vlaams Academisch Bibliografisch Bestand voor de Sociale en Humane Wetenschappen (VABB-SHW)) en het tenure track systeem werd ingevoerd.

In 2011 spraken de minister van onderwijs en de minister van wetenschapsbeleid bovendien af om de bevoegdheid over de Bijzondere Onderzoeksfondsen bij één minister, in casu de minister bevoegd voor wetenschapsbeleid, onder te brengen. In begrotingsjaar 2012 werd de verantwoordelijkheid voor de BOF-financiering overgedragen van de minister bevoegd voor onderwijs naar de minister bevoegd voor wetenschapsbeleid.

Het eerste BOF-besluit heeft een vervaldatum op 31 december 2012. Dit nieuwe besluit van de Vlaamse Regering betreffende de financiering van de Bijzondere Onderzoeksfondsen aan de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap treedt in werking op 1 januari 2013, met als decretale basis artikels 63/1-3 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de organisatie en financiering van het wetenschaps- en innovatiebeleid.

In grote lijnen wordt gekozen voor continuïteit binnen de financieringsvoorwaarden voor de bijzondere onderzoeksfondsen. De wijzigingen die via het nieuwe besluit worden aangebracht worden in deze nota verder toegelicht. 2. Vlaams Academisch Bibliografisch Bestand - Sociale en Humane Wetenschappen (artikels 3 t.e.m. 16) Om aan het onderzoek dat in Vlaanderen in de sociale en humane wetenschappen wordt verricht de plaats te geven die het toekomt, werd in 2008 beslist bij de verdeling van de onderzoeksmiddelen hiermee beter rekening te houden. Om die reden werd in 2008 begonnen met de opbouw van het Vlaams Academisch Bibliografisch Bestand - Sociale en Humane Wetenschappen (VABB-SHW).

Deze databank is nu operationeel en in gebruik : de tweede versie van het VABB-SHW is een feit. De ontwikkeling van het VABB-SHW wordt met dit besluit verder gezet.

Ten opzichte van de regelgeving in het vorige BOF-besluit, worden slechts enkele formele wijzigingen of verduidelijkingen aangebracht : 1. Aangezien de integratie van de geacademiseerde opleidingen in universiteiten bij de inwerkingtreding van dit besluit bijna een feit is, worden enkel de publicaties van de universiteiten verzameld in de databank.De publicaties van onderzoekers verbonden aan professionele bacheloropleidingen van hogescholen worden niet opgenomen in het VABB-SHW. De aanlevering van academische publicaties gebeurt dan ook op niveau van de universiteiten en niet meer op associatieniveau. 2. Gezien de inhoud van het VABB-SHW, dragen de universiteiten de leden van het Gezaghebbende Panel voor.De disciplinaire verscheidenheid in de samenstelling van het Panel blijft uiteraard gewaarborgd. Er moet worden gestreefd naar een disciplinaire vertegenwoordiging die breed genoeg is om de SHW-disciplines te dekken. 3. Enkele verduidelijkingen worden aangebracht aan de criteria waaraan de publicaties die in aanmerking komen voor het VABB-SHW, moeten voldoen (art.4). 4. Het VABB-SHW wordt uitgebreid met een nieuw publicatietype, nl. geannoteerde corpora (art. 10, paragraaf 3, 6° ). 3. Voorwaardelijkheid van de BOF-subsidie (artikels 22 t.e.m. 24) Enkele beleidsklemtonen krijgen een prominentere plaats in het BOF-besluit. De financiering voor de Bijzondere Onderzoeksfondsen wordt onderhevig gemaakt aan een aantal voorwaarden, waarbij respect is voor de autonomie van de universiteiten : 1. De universiteiten bereiden vijfjaarlijks een strategisch beleidsplan voor met bijzondere aandacht voor : de kwaliteitszorg en de evaluatie van het onderzoek; de principes van goed bestuur binnen het onderzoeksbeleid; het versterken van de deelname van vrouwen en allochtonen aan het onderzoek; de vorming en de loopbaan van de onderzoekers; de communicatie over het lopende of afgeronde onderzoek. 2. De samenstelling van de onderzoeksraden, selectiecommissies e.a. die BOF-middelen toewijzen, kent een evenwichtige genderverdeling. 3. Het universiteitsbestuur stelt een reglement op voor de interne toewijzing van de BOF-middelen.Dit interne reglement wordt ingebed in hun Charter Goed Bestuur. 4. De universiteiten rapporteren jaarlijks.5. De universiteiten schakelen zich in het Vlaamse wetenschapscommunicatiebeleid in. 4. De BOF-sleutel 4.1. Algemeen De BOF-financiering wordt onder de universiteiten verdeeld via een outputgedreven parametermodel. Doel van de verdeling via parameters is enerzijds een rechtvaardig allocatiemodel voorstellen, anderzijds de universiteiten belonen op basis van hun performantie. Enkele onvolkomenheden en ongewenste neveneffecten uit de verdeelsleutel tot nu toe worden in dit besluit weggewerkt.

De BOF-sleutel omvat zes parameters, gebundeld in een structureel deel en een bibliometrisch deel : Structureel deel : 1. het procentuele aandeel van iedere universiteit in de diplomaparameter (A1);2. het procentuele aandeel van iedere universiteit in de doctoraatsparameter (A2);3. het procentuele aandeel van iedere universiteit in de diversiteitsparameter (A3). Bibliometrisch deel : 1. B1 : Aandeel in het totaal aantal publicaties in Science Citation Index (SCIE) of Social Science Citation Index (SSCI) met een impactfactor Science Citation Index (SCIE) of Social Science Citation Index (SSCI) zonder een impactfactor Arts and Humanities Citation Index (AHCI) Science & Technology Database- en Social Sciences & Humanities Database-proceedings 2.B2 : Aandeel in het aantal publicaties in het Vlaams Academisch Bibliografisch Bestand voor Sociale en Humane Wetenschappen (VABB-SHW); 3. B3 : Aandeel in het totaal aantal citaties. Daarnaast wordt in de BOF-sleutel een gegarandeerd minimumaandeel voor de overheidsbijdragen aan het Bijzondere Onderzoeksfonds ingevoerd voor de Universiteit Hasselt (UHasselt), de Vrije Universiteit Brussel (VUB) en de Universiteit Antwerpen. Dit gegarandeerde minimumaandeel wordt toegepast wanneer het procentuele aandeel van de genoemde universiteiten berekend op basis van de zes parameters lager ligt dan het minimumaandeel. 4.2. Gegarandeerde minimumaandelen (artikels 28 t.e.m. 30) 4.2.1. Rationale De stimulans in het BOF voor een strategisch langetermijnonderzoeksbeleid, houdt een noodzaak in voor een stabiele financiering op het niveau van elke universiteit, zodat zij de nodige engagementen op lange termijn effectief kan aangaan. Deze stabiliteit bleef in het verleden voldoende gegarandeerd door het gebruik van meerjarenperiodes voor de verschillende parameters enerzijds, en door een gegarandeerd minimum voor de kleinste instellingen anderzijds. Op dit moment wordt een sterkere bewaking van de stabiliteit noodzakelijk, door aan de gang zijnde en ingrijpende ontwikkelingen in het Vlaamse onderwijslandschap, en ten gevolge van de toegenomen complexiteit van elkaar beïnvloedende financieringsmechanismen (de opstarting van financiering voor fundamenteel onderzoek op Europees vlak, en nieuwe Vlaamse gerichte kanalen). De uitbreiding van het systeem van een gegarandeerde minimumfinanciering naar de middelgrote universiteiten moet deze stabiliteit verder bewaken.

Grotere universiteiten die door hun omvang ruimer aanwezig zijn bij de verschillende wetenschappelijke financieringskanalen en fora, genieten hogere kansen voor verdere financiering door een betere bekendheid uit voorgaande evaluaties en prestaties, en genieten via die weg ook betere kansen voor het aantrekken van nieuwe vorsers. Met de toenemende financieringsmogelijkheden voor fundamenteel onderzoek op Europees vlak en via specifiek op bepaalde domeinen gerichte financieringskanalen, dringt extra aandacht voor dit effect zich op.

Het nadeel dat hierdoor kan worden ondervonden door de kleine en middelgrote universiteiten, zou met de huidige BOF-sleutel worden versterkt door de sterke focus op onderzoeksprestaties.

De nieuwe gegarandeerde minima zorgen ervoor dat een eventueel financieel nadeel voor de kleine en middelgrote universiteiten begrensd blijft.

Een voldoende gedifferentieerd universitair landschap in Vlaanderen is immers in het algemeen belang, niet in het minst vanwege het regionaal multiplicatoreffect dat de verschillende activiteiten van een universiteit op diverse aspecten van het omringende maatschappelijke en economische weefsel hebben. Het is dan ook belangrijk dat alle universiteiten de zekerheid hebben ook in de toekomst over een voldoende groot deel van de BOF-middelen te kunnen beschikken om een stabiel lange termijn gericht dynamisch onderzoeksbeleid te kunnen voeren.

Om die reden worden voor de UHasselt, de VUB en de Universiteit Antwerpen enerzijds vanaf 2013 als minimumaandeel in de BOF sleutel de behaalde waarden van 2011 (respectievelijk 2,91 %, 10,12 % en 11,75 %) gegarandeerd. Anderzijds zal vanaf 2014 de mogelijkheid van een groeipad naar een maximaal gegarandeerd minimumaandeel in de BOF-sleutel worden geopend tot respectievelijk 4 %, 10,5 % en 13 %.

Voor de UHasselt wordt dit groeipad gekoppeld aan de onderzoekssokkel van de basisfinanciering, voor de VUB en de Universiteit Antwerpen is de realisatie ervan conditioneel aan een overeenstemmende relatieve groei in een gewogen korf van vier elementen van wetenschappelijke output (doctoraten (A2), Web of Science (WoS) publicaties en citaties (B1 en B3) en VABB-SHW publicaties (B2)).

Dit maximaal gegarandeerd minimumaandeel kan voor elke betrokken instelling ten vroegste in 2017 worden gerealiseerd, doch het groeipad naar het hoogst gegarandeerd minimum aandeel kan ook over een langere periode verlopen. Dit nieuwe, verhoogde minimum geldt dan zolang de waarde van de hoger vermelde korf aan outputparameters minstens de waarde die vereist was voor het behalen van het verhoogde minimumaandeel blijft overschrijden. 4.2.2. Implementatie Concreet wordt dit in het besluit als volgt vertaald : 1. Voor deze instellingen die nog groeien in hun capaciteitsopbouw via de onderzoekssokkel in de basisfinanciering (UHasselt), wordt een groeipad gegarandeerd dat vertrekt van hun aandeel in de BOF-sleutel in een referentiejaar waarbij vervolgens - tot een overeengekomen bovengrens bereikt wordt - jaarlijks de nullijn toeneemt met het groeipercentage in de onderzoekssokkel van de basisfinanciering.2. Daarnaast wordt voor de andere middelgrote instellingen, VUB en Universiteit Antwerpen, het principe van (a) een gegarandeerd minimum en (b) een groei naar een streefgrens als bovengrens voor het gegarandeerd minimum ingevoerd.De combinatie van gegarandeerd minimum en groei naar streefgrens verschilt van het principe van de verevening omdat het gekoppeld wordt aan de groei van de absolute onderzoeksoutput van de betrokken instellingen in termen van doctoraten, publicaties (zowel WoS als VABB-SHW) en WoS citaties, zoals berekend volgens de nieuwe BOF-berekeningswijze. Indien de absolute output echter daalt, dan wordt ook de groei pro rata van de daling bijgesteld. Het gegarandeerd minimum vertrekt van een bepaald referentiejaar waaraan een groeipad naar de bovengrens gekoppeld wordt.

De koppeling aan een voorwaarde inzake toenemende onderzoeksprestaties zorgt ervoor dat niet dezelfde aanspraken kunnen worden gemaakt indien de onderzoeksprestaties dalen. Met deze maatregel beschikt ook het BOF over een mechanisme dat een minimumfinanciering garandeert, zoals dit reeds in andere Vlaamse financieringskanalen werd ingevoerd via de daar gepaste mechanismen (werkingsmiddelen, wetenschapscommunicatie, subsidie omkadering jonge onderzoekers). 4.2.3. Algoritmes Volgende algoritmes zijn bij de becijfering van toepassing.

Voor de Universiteit Hasselt : X(ref) is de nullijn (ref = 2011, i.e., het aandeel van de UHasselt in de BOF sleutel voor 2011) 1. POZ(ref) = aandeel van de UHasselt in de onderzoekssokkel van de basisfinanciering in jaar ref = 2011. 2. X(2011) = 2.91 % 3. POZ(t) = aandeel van de UHasselt in de onderzoekssokkel van de basisfinanciering in jaar t, t = 2014, ... 4. Y(t) = [POZ(t) - POZ(ref)]/POZ(ref), t = 2014, ... 5. X(t) = X(ref)[1 + Y(t)], t = 2014, ...

Voor de Vrije Universiteit Brussel en de Universiteit Antwerpen : 1. Startwaarde BOF-aandeel : Aandeel u,2013 = MAX{gegarandeerd minimumaandeel u;berekend aandeel u} (1) Als u = UA, dan is gegarandeerd minimumaandeelu = 11,75 %, zijnde het BOF-aandeel in referentiejaar 2011 voor UA. Als u = VUB, dan is gegarandeerd minimumaandeelu = 10,12 %, zijnde het BOF-aandeel in referentiejaar 2011 voor VUB. Het berekend aandeel u is het aandeel zoals berekend volgens de nieuwe BOF sleutel, voor instelling u, voor jaar 2013. 2. Streefwaarde bovengrens gegarandeerd minimum BOF-aandeel : Aandeel u,s (2) Voor UA bedraagt Aandeel u,s = 13 %. Voor VUB bedraagt Aandeel u,s = 10,5 %. 3. Bouwblokken voor evolutie van gegarandeerd minimum naar streefwaarde : Vier componenten bepalen de evolutie tot de streefwaarde : a.XWoS,u,t zijnde de WoS publicaties geteld in jaar t conform de telnorm in het nieuwe BOF-besluit, en waarvan WWoS,t het gewicht is van de component WoS publicaties in jaar t in de BOF-telregel; b. XVABB, u, t zijnde de VABB-SHW publicaties geteld in jaar t conform de telnorm in het nieuwe BOF-besluit, en waarvan WVABB, t het gewicht is van de VABB-SHW component in jaar t in de BOF-telregel;c. Xcit,u, t zijnde de citaties geteld in jaar t conform de telnorm in het nieuwe BOF-besluit, en waarvan Wcit, t het gewicht is van de citatie-component in jaar t in de BOF-telregel;d. Xphd, u, t zijnde de doctoraten geteld in jaar t conform de telnorm in het nieuwe BOF-besluit, en waarvan Wphd, t het gewicht is van de PhD-component in jaar t in de BOF-telregel. De gewichten WwoS, t WVABB, t Wcit, t en Wphd, t van bovenstaande componenten uit het BOF-besluit worden als volgt genormaliseerd voor gebruik in het berekenen van de groei naar de streefwaarde : VWoS, t = WWoS, tR / (WWoS, t + WVABB, t + Wcit, t + Wphd, t) VVABB,t = WVABB, t / (WWoS, t + WVABB, t + Wcit, t + Wphd, t) Vcit, t = Wcit, t / (WWoS, t + WVABB, t + Wcit, t + Wphd, t) Vphd, t = Wphd, t / (WWoS, t + WVABB, t + Wcit, t + Wphd, t) 4. Startconfiguratie in 2013 : In 2013 vertrekt elke instelling u van het Aandeelu,2013, zie (1). Bij dit aandeel hoort een absolute outputwaarde die conform de nieuwe telnormen in het BOF, als volgt berekend wordt voor het startjaar 2013 : Outputu, 2013 = VWoS, 2013 . XWoS, u, 2013 + VVABB, 2013 . XVABB, u, 2013 + Vcit, 2013 . Xcit, u, 2013 + Vphd, 2013 . Xphd, u, 2013 Met u = UA of VUB. 5. Theoretische groeivoet op basis van streefwaarde : De startconfiguratie voor 2013 wordt bepaald door Aandeelu,2013 en Outputu,2013. Vervolgens wordt ervan uitgegaan dat Aandeelu,s, zie (2), « theoretisch » bereikt wordt over een periode van 4 jaar - dus tegen 2017 - door een gelijke, theoretische groeistap (GROEIu,theor) aan te houden in 2014, 2015, 2016, 2017 voor instelling u (UA of VUB), als volgt bepaald : GROEI u,theor = {Aandeelu,s - Aandeelu,2013} / 4 Zodat : Aandeelu,theor,t = Aandeelu,2013 + (t-2013). GROEIu,theor (met t = 2014 ... 2017) En derhalve in 2017 geldt dat Aandeelu,theor,t = Aandeelu,s. 6. Bepaling van de reële groeivoet : Jaarlijkse absolute output van instelling u, te berekenen conform bovenstaande telregel, leidt tot volgend resultaat in jaar t : Outputu,t = VWoS, t .XWoS,u,t + VVABB, t . XVABB,u,t + Vcit, t . Xcit,u,t + Vphd, t . Xphd,u,t (met t = 2014 ...) De reële groeivoet in jaar t wordt steeds bepaald ten opzichte van het startjaar 2013 van het nieuwe BOF-besluit. Voor instelling u betekent dat : GROEIu,reëel,t = {Outputu,t - Outputu,2013} / Outputu,2013 (met t = 2014, ...) 7. Reëel groeipad : Drie configuraties zijn mogelijk voor instelling u : 1.als de GROEIu,reëel,t < 0, dan geldt het gegarandeerd minimumu en is derhalve GROEIu,t = 0; 2. als de GROEIu,reëel,t |a(t.GROEIu,theor, dan geldt GROEIu,t = |a(t.GROEIu,theor waarbij |a(t = t - 2013, met t = 2014, ..., 2017; eens t > 2017, dan wordt |a(t vastgeklikt op de waarde 4; 3. als de 0 < GROEIu,reëel,t < |a(t.GROEIu,theor dan geldt GROEIu,t = GROEIu,reëel,t waarbij |a(t = t - 2013, met t = 2014, ..., 2017; eens t > 2017, dan wordt |a(t vastgeklikt op de waarde 4.

Op die manier wordt het aandeel van instelling u op het groeipad voor jaar t als volgt berekend : Aandeelu,reëel,t = Aandeelu,2013 + GROEIu,t (3) 4.3. Structureel deel (artikels 31 t.e.m. 34) 4.3.1. Diplomaparameter Masterdiploma's zijn - meer dan bachelordiploma's - een maat voor de capaciteit en de omvang van de instelling en van het potentieel aan instroom van onderzoekers. Door enkel de masterdiploma's te tellen zou echter een feitelijke ongelijkheid kunnen ontstaan tussen instellingen wanneer sommige van die instellingen voor bepaalde richtingen geen masterdiploma kunnen afleveren. Voor die instellingen met bacheloropleidingen waarvoor geen aansluitende masteropleidingen worden aangeboden, worden de relevante bachelordiploma's meegeteld.

De masterdiploma's van de integrerende opleidingen worden geleidelijk mee in rekening genomen in de BOF-verdeelsleutel, zodat vanaf de berekening 2022 deze masterdiploma's volwaardig worden meegeteld. Dit jaartal valt nagenoeg samen met het einde van de periode (2023) tot wanneer de academiseringsmiddelen hun gekleurde bestemming behouden.

Het ingroeischema is als volgt uitgewerkt : Masterdiploma's 2014 : aanrekening à 25 % (vanaf BOF 2016 in vierjarig tijdsvenster) Masterdiploma's 2015 : aanrekening à 50 % Masterdiploma's 2016 : aanrekening à 75 % Masterdiploma's 2017 en volgende : aanrekening à 100 % 4.3.2. Doctoraatsparameter De formulering van het BOF-besluit inzake de telling van de doctoraatsdiploma's wordt verduidelijkt door een expliciete vermelding van deze telwijze : (het aandeel in de niet-gewogen telling * 25 %) + (het aandeel in de gewogen telling * 75 %). 4.3.3. Diversiteitsparameter De mobiliteits- en diversiteitsparameter telde in de vroegere BOF-regelgeving het aandeel van elke universiteit in de eerste ZAP-aanstellingen van mobiele en vrouwelijke onderzoekers. Aangezien deze definiëring leidt tot een telling van relatief kleine aantallen, wordt deze parameter niet als robuust genoeg ervaren. Bovendien telde hij slechts kleine aantallen, waardoor de fluctuaties heel groot kunnen zijn. Daar komt bij dat de parameter enkel berekend kan worden mits een extra gegevensbevraging.

De mobiliteitscomponent wordt nu weggelaten; incentives voor het aansturen van meer mobiliteit van onderzoekers van en naar buitenlandse instellingen, tussen sectoren en tussen de Vlaamse universiteiten zullen worden ingebouwd binnen de autonomie inzake academisch personeels- en onderzoeksbeleid.

Waar de mobiliteitsparameter wegvalt, wordt de diversiteitsparameter robuuster gemaakt en geherdefinieerd als het aandeel vrouwelijke onderzoekers op postdoctoraal en ZAP-niveau (in VTE).

De gewijzigde parameter resulteert in grotere aantallen in absolute cijfers, die jaarlijks minder zullen variëren. De parameter is bovendien van toepassing op het geheel en niet enkel op de aangroei.

Bovendien vervalt door deze aanpassing de aparte bevraging van de universiteiten (de cijfergegevens komen uit de VLIR-Personeelsstatistieken), wat tot een vermindering van de administratieve overlast leidt. 4.4. Bibliometrisch deel (artikels 35 t.e.m. 40) 4.4.1. Publicaties Een grondige kwaliteitscontrole van de telling van de SCIE- en SSCI-publicaties met impactfactor leidde tot een vaststelling van volgende mogelijke neveneffecten, die haaks staan op de doelstellingen van productiviteit, kwaliteit en zichtbaarheid : Onderzoekers worden enkel aangemoedigd beter te presteren dan hun Vlaamse collega's en niet om wereldwijde excellentie na te streven;

Instellingen worden aangemoedigd veeleer in de experimentele wetenschappen te investeren (want hoge impactfactoren) en niet in de brede waaier van disciplines;

Onderzoekers die in een specifieke niche actief zijn met wereldwijd weinig collega-onderzoekers, worden eerder ontmoedigd om te publiceren, omdat de tijdschriften waarin ze publiceren weinig visibiliteit hebben en dus een lage impactfactor krijgen.

De nieuwe regelgeving gaat uit van volgende principes : De telling moet zowel productiviteit als visibiliteit stimuleren;

Internationale kwaliteitsnormen bepalen de excellentiegraad, niet de Vlaamse publicatiecultuur;

Impactfactoren worden enkel toegepast voor het classificeren van groepen tijdschriften, niet voor het beoordelen van individuele publicaties;

De extreme variatie van impactfactoren binnen en tussen disciplines wordt uitgemiddeld;

De telling moet transparant zijn;

De telling kan worden toegepast over alle disciplines heen (disciplineneutraal);

De telling is compatibel met een eventueel telschema van het VABB-SHW. De nieuwe publicatieparameter hanteert een classificatiemodel, waarbij tijdschriften met een impactfactor per subdomein worden opgedeeld in segmenten die over de subdisciplines heen eenzelfde gewicht krijgen.

Dit telschema vereist de volgende technische details : Alle tijdschriften in SCIE en SSCI (dus niet enkel die waarin Vlaamse onderzoekers publiceren) worden gerangschikt in de 68 ECOOM subdomeinen;

Elk van de 68 ECOOM subdomeinen wordt o.b.v. de impactfactoren in twintig delen gesegmenteerd. Hiervoor wordt gewerkt met een gemiddelde impactfactor van 10 jaar; de jaren waarin een tijdschrift geen impactfactor heeft worden niet meegeteld om deze gemiddelde impactfactor te bepalen. Binnen elk subdomein worden de tijdschriften gerangschikt op basis van hun gemiddelde impactfactor. Indien tijdschriften in meerdere subdomeinen voorkomen, wordt het tijdschrift enkel behouden in het subdomein waar het relatief het hoogst gerangschikt staat. Na eliminatie van de tijdschriften die op basis hiervan worden geschrapt, wordt elk van de 68 ECOOM subdomeinen o.b.v. de gemiddelde impactfactoren in twintig delen gesegmenteerd.

Aan elk twintigste wordt een gewicht toegekend, dat gelijk is over alle 68 ECOOM-subdomeinen. Dit garandeert dat toppublicaties in verschillende disciplines even sterk doorwegen.

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

11

12

13

14

15

16

17

18

19

20

10

6

3

2

1

1

1

1

1

1

1

1

1

1

0,5

0,5

0,1

0,1

0,1

0,1


Het aandeel van publicatieparameter B1 van elke universiteit u wordt berekend aan de hand van de volgende formule : B1 = [gPSSI x BSSIu + gPSS x BSSu + gPAH x BAHu + gPR x BPRu], waarbij het volgende geldt : 1° P : het totale aantal publicaties van alle universiteiten;met gewicht 0,5 voor de proceedings; met P = PSSI + PSS + PAH + 0,50 * PR; 2° PSSIu : het totale gewogen aantal publicaties SCIE of SSCI met impactfactor van universiteit u;met PSSI = sigmaj (PSSIj); 3° PSSu : het totale aantal publicaties SCIE of SSCI zonder impactfactor van universiteit u;met PSS = sigmaj (PSSj); 4° PAHu : het totale aantal publicaties AHCI van universiteit u;met PAH = sigmaj (PAHj); 5° PRu : het totale aantal proceedings CPCI-S of CPCI-SSH van universiteit u;met PR = sigmaj (PRj); 6° gPSSI : het gewicht van de parameter PSSI = PSSI / P;7° gPSS : het gewicht van de parameter PSS = PSS / P;8° gPAH : het gewicht van de parameter PAH = PAH / P;9° gPR : het gewicht van de parameter PR = 0,50 * PR / P;10° de sommatie j loopt over alle universiteiten;13° BSSIu, BSSu, BAHu, BPRu : de procentuele aandelen van de universiteit u voor de vier publicatieparameters in onderdeel B1; BSSIu = PSSIu / PSSI; BSSu = PSSu / PSS; BAHu = PAHu / PAH; BPRu = PRu / PR. 4.4.2. VABB-SHW Aangezien het VABB-SHW andere publicatietypes in rekening brengt (bv. boeken en boekhoofdstukken) en aangezien de citaties naar de VABB-SHW publicaties niet voor de citatieparameter kunnen worden geteld, worden de VABB-SHW publicaties beschouwd als een afzonderlijke parameter met een gewicht van 17 % van het bibliometrisch deel. 4.4.3. Citaties Het aandeel van onderdeel citaties (B3) van elke universiteit u wordt berekend als B3 = Cu / sigmaj (Cj), waarbij het volgende geldt : 1° Cu : het totale aantal citaties naar alle publicaties van universiteit u;Cu = Cu_scie+ Cu_ssci; 2° de sommatie j loopt over alle universiteiten; 4.5. Gewichten van de parameters (artikel 41) Gezien het belang dat gehecht wordt aan de stimulering van de academische performantie via de BOF-financiering, wint het outputgerichte luik van de parameters aan belang. Het bibliometrische luik neemt toe (van 36 % naar 40 %) ten koste van de inputparameter masterdiploma's. Ten gevolge van het schrappen van de mobiliteitscomponent in de diversiteitsparameter, wordt het gewicht van deze parameter gehalveerd. De evolutie van de onderlinge gewichten van de parameters wordt hieronder samengevat :

Element/jaar

2013

2014

2015

Vanaf 2016

Luik A Structureel deel

Diplomaparameter A1

25 %

25 %

24 %

23 %

Doctoraatsparameter A2

35 %

35 %

35 %

35 %

Diversiteitsparameter A3

3 %

2 %

2 %

2 %

Totaal Luik A

63 %

62 %

61 %

60 %

Luik B Bibliometrisch deel

WoS Publicaties

15,36 %

15,77 %

16,19 %

16,60 %

VABB-SHW Publicaties

6,28 %

6,46 %

6,62 %

6,80 %

Citaties

15,36 %

15,77 %

16,19 %

16,60 %

Totaal Luik B

37 %

38 %

39 %

40 %


4.6. Aanlevering van de gegevens en tijdschema's (artikels 42 t.e.m. 44) Om de berekening van de BOF-sleutel tijdig te doen plaatsvinden, worden realistische aanlevertijden van de basisdata bepaald : het tijdsvenster voor de parameters uit het bibliometrisch deel wordt met één jaar opgeschoven (tijdsvenster (t-12) - (t-3)) (art. 38); voor de data van het VABB-SHW wordt het tijdsschema voor het proces van aanlevering, verwerking en selectie van bibliografische gegevens met één jaar verbreed (art. 10). 5. Besteding van de middelen (artikels 45 t.e.m. 50) 5.1. BOF-ZAP mandaten Aangezien de vroegere voorwaarden om BOF-ZAP mandaten toe te kennen als te restrictief werden ervaren in het voeren van een flexibel personeelsbeleid, wordt een versoepeling ingevoerd : Om aan een fractie van het ZAP-kader voor langere termijn hoofdzakelijk een onderzoeksopdracht toe te kennen en de integratie van deze mandatarissen in het reguliere ZAP-kader te vergemakkelijken, wordt de maximale termijn voor BOF-ZAP mandaten verlengd voor onbepaalde tijd en dit voor maximaal 25 % van de BOF-ZAP middelen die elke universiteit besteedt.

Om excellente onderzoekers uit het buitenland of uit een andere onderzoeksomgeving te kunnen aantrekken, wordt een minimale aanstellingsgraad van minimaal 50 % voor BOF-ZAP toegelaten voor ten hoogste 15 % van de BOF-ZAP middelen. Deze deeltijdse BOF-ZAP aanstellingen van minimaal 50 % dienen aangevuld te worden tot minimaal 80 % met een opdracht die inhoudelijk aansluit bij het BOF-ZAP mandaat aan de universitaire instelling. Dit kan door een combinatie met een aanstelling bij de Strategische Onderzoekscentra (SOC's), Vlaamse of buitenlandse universitaire ziekenhuizen of andere Vlaamse of buitenlandse universiteiten.

De mogelijkheid om na een 5-jarige aanstelling in een BOF tenure track mandaat een BOF-ZAP aanstelling te bekleden, waarbij de BOF-TT-aanstellingstermijn niet in rekening wordt gebracht voor het bepalen van de BOF-ZAP aanstellingstermijn, wordt expliciet vermeld. 5.2. Voorrangsregeling voor het ondervertegenwoordigde geslacht Gezien de blijvende ondervertegenwoordiging van vrouwen in het academisch personeel, wordt een voorrangsregel ingevoerd bij het invullen van BOF postdoc en BOF-ZAP mandaten.

De volgende uitgangspunten gelden hierbij : 1) De kennelijke ongelijkheid in het academisch kader : hoewel in BOF zelf de balans redelijk te noemen valt, is de ongelijke man-vrouw-balans in het ZAP-kader duidelijk.BOF, en vooral de TT mandaten, vormen een belangrijke toegang tot het ZAP-kader en actie in dat verband is dus te motiveren en te verantwoorden. 2) Doelstelling is een 2/5 t.o.v. 3/5 genderbalans. Dit wordt per wetenschapsgroep bekeken om te kunnen inspelen op onevenwichtige vertegenwoordiging binnen disciplines. 3) Tijdelijke aard : de voorrangsregel dooft uit per eenheid waar de balans bereikt is.4) Er is enkel een voorrang bij gelijke kwalificaties en de voorrang is niet absoluut. Een universiteit stelt bij voorrang een vrouwelijke kandidaat aan, onder de volgende voorwaarden : de mandaten zowel voor vrouwelijke als mannelijke kandidaten worden opengesteld; de vrouwelijke en mannelijke kandidaten minstens over gelijke kwalificaties beschikken; de vrouwelijke kandidaten met een gelijke kwalificatie als hun mannelijke tegenkandidaten geen automatische en onvoorwaardelijke voorrang krijgen; de sollicitaties worden onderworpen aan een objectieve beoordeling, die rekening houdt met de bijzondere persoonlijke situatie van alle kandidaten. 6. Tenure track-financiering (artikels 51 en 52) Sinds 2008 hebben de universiteiten de mogelijkheid om ZAP-leden aan te stellen in een tenure track-stelsel.Bovendien wordt via de bijzondere onderzoeksfondsen sinds 2008 financiering voorzien voor BOF-tenure track mandaten. De bedoeling is dat de invoering van het tenure track-stelsel voor het BOF een hefboom is voor het veralgemeend gebruik van het tenure track-stelsel binnen de universiteiten.

De maximale anciënniteitsvoorwaarde voor het aanstellen van BOF tenure track mandaten, waarbij de kandidaat op het ogenblik van aanstelling minder dan zeven jaar gepromoveerd is, wordt geschrapt. Op die manier worden de BOF tenure track-houders gelijk behandeld met de andere tenure track mandaten en wordt de aanwervingsprocedure vereenvoudigd. 7. Methusalem (artikels 53 t.e.m. 67) In 2006 werd binnen het kader van de Bijzondere Onderzoeksfondsen het Methusalem-programma ingesteld. Het Methusalem-programma biedt de universiteiten de mogelijkheid om langetermijn-financiering toe te kennen aan een beperkt aantal uitmuntende ZAP-leden. Het programma wordt verder gezet, met enkele technische wijzigingen : Aangezien de meta-beoordeling van de internationale wetenschappelijke erkenning van de panelleden door het FWO administratief sterk verzwarend werkt en nauwelijks meerwaarde biedt, wordt ze geschrapt.

Het minimumbedrag voor een Methusalem-project wordt nominatief ingeschreven en verlaagd naar jaarlijks minstens 400.000 euro over de periode van zeven jaar.

De mogelijkheid wordt expliciet ingeschreven dat de universiteit op het einde van de zevenjarige periode na positieve evaluatie de Methusalem-financiering kan aanpassen en zo rekening kan houden met haar budgettaire mogelijkheden.

Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2012 betreffende de financiering van de Bijzondere Onderzoeksfondsen aan de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap.

Brussel, 21 december 2012.

De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding, I. LIETEN

Raad van State afdeling Wetgeving advies 52.281/1 van 8 november 2012 over een ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering 'betreffende de financiering van de Bijzondere Onderzoeksfondsen aan de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap' Op 19 oktober 2012 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Vlaamse minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering 'betreffende de financiering van de Bijzondere Onderzoeksfondsen aan de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap'.

Het ontwerp is door de eerste kamer onderzocht op 8 november 2012. De kamer was samengesteld uit Marnix VAN DAMME, kamervoorzitter, Jo BAERT en Wilfried VAN VAERENBERGH, staatsraden, Lieven DENYS, assessor, en Marleen VERSCHRAEGHEN, toegevoegd griffier.

Het verslag is uitgebracht door Brecht STEEN, auditeur.

Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 8 november 2012. 1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich in hoofdzaak beperkt tot het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan. STREKKING EN RECHTSGROND VAN HET ONTWERP 2. Het om advies voorgelegde ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering strekt ertoe de financiering te regelen van de Bijzondere Onderzoeksfondsen aan de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap.De ontworpen regeling komt in de plaats van die welke is vervat in het besluit van de Vlaamse Regering van 8 september 2000 (1). Deze laatste regeling loopt af op 31 december 2012.

De stellers van het ontwerp hebben geopteerd voor continuïteit op het vlak van de financieringsvoorwaarden voor de Bijzondere Onderzoeksfondsen. Het ontworpen besluit herneemt derhalve het merendeel van de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 september 2000, zij het soms in een meer logische volgorde. De inhoudelijke wijzigingen die het ontwerp beoogt aan te brengen in de regeling van het voornoemde besluit zijn derhalve beperkt en komen onder meer neer op een herziening van sommige parameters en op het inschrijven van gewaarborgde minima voor middelgrote en kleine universiteiten. 3. In het eerste tot het zesde lid van de aanhef van het ontwerp wordt verwezen naar diverse normatieve teksten waarin de stellers blijkbaar rechtsgrond zoeken voor de ontworpen regeling.Op het eerste lid van de aanhef na, waarin wordt gerefereerd aan artikel 20 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 'tot hervorming der instellingen', wordt in geen van die leden melding gemaakt van specifieke bepalingen die het ontwerp tot rechtsgrond zouden kunnen strekken. Het geldt evenwel als een legistieke richtlijn dat de bepalingen die rechtsgrond bieden voor een besluit zo nauwkeurig mogelijk moeten worden aangegeven in de aanhef ervan. (2) De verwijzing naar de rechtsgrond biedende bepalingen in de aanhef van het om advies voorgelegde ontwerp dient derhalve te worden gespecificeerd op de hierna vermelde wijze.

Vooraf echter dient te worden nagegaan of alle normatieve teksten waarvan in de aanhef melding wordt gemaakt effectief rechtsgrond kunnen bieden voor de ontworpen regeling en of met andere woorden de verwijzing naar die teksten in de aanhef wel degelijk moet worden behouden.

Het voornoemde onderzoek naar de rechtsgrond gebeurt met inachtneming van de regelgeving zoals die bestaat op het ogenblik van het uitbrengen van het advies. Dat houdt in dat mogelijk het ontbreken van rechtsgrond moet worden vastgesteld ten aanzien van bepalingen van het ontwerp waarvoor een decretale rechtsgrond wordt voorbereid, maar deze nog niet is tot stand gebracht. Dat is het geval voor de geplande wijzigingen in het decreet van 30 april 2009 'betreffende de organisatie en financiering van het wetenschaps- en innovatiebeleid'. 4. Wat de verwijzing, in het tweede lid van de aanhef van het ontwerp betreft, naar het decreet van 12 juni 1991 'betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap', moeten de rechtsgrond biedende bepalingen worden gespecificeerd met inachtneming van hetgeen hierna volgt. 4.1. Het merendeel van de ontworpen bepalingen vindt naar het zeggen van de gemachtigde rechtsgrond in de artikelen 63/1 tot 63/4 van het al genoemde decreet van 30 april 2009. Deze laatste artikelen dienen evenwel nog te worden ingevoegd in het voornoemde decreet en zijn vervat in een ontwerp van decreet dat nog niet is behandeld, laat staan goedgekeurd door het Vlaams Parlement. (3) In de huidige stand van de regelgeving kan in het decreet van 30 april 2009 derhalve geen rechtsgrond worden gevonden voor de ontworpen regeling.

Wel kan worden vastgesteld dat hetgeen zal worden bepaald in de geplande artikelen 63/1 tot 63/4 van het decreet van 30 april 2009, in ruime mate overeenstemt met hetgeen nu is vervat in de artikelen 168 (bijzondere onderzoeksfondsen) en 169bis1 (methusalemfinanciering) van het decreet van 12 juni 1991. (4) Het zijn derhalve deze laatste twee artikelen van het decreet van 12 juni 1991 die in de huidige stand van de regelgeving mede rechtsgrond bieden voor het ontwerp. 4.2. In artikel 2 van het ontwerp wordt bepaald dat, voor de toepassing van de ontworpen regeling, vanaf het begrotingsjaar 2013 de Katholieke Universiteit Leuven en de Katholieke Universiteit Brussel als één universiteit worden beschouwd. Uit artikel 168 van het decreet van 12 juni 1991 valt evenwel af te leiden dat bij elke universiteit een onderzoeksfonds wordt opgericht. (5) Naar het zeggen van de gemachtigde hebben de betrokken universiteiten in onderling overleg ervoor geopteerd om als één universiteit te worden beschouwd ermee rekening houdend dat er op basis van de Vlaamse regeling geen garantie bestaat dat er effectief middelen voor Bijzondere Onderzoeksfondsen voor de Katholieke Universiteit Brussel zullen worden voorbehouden. Deze verduidelijking neemt niet weg dat moet worden vastgesteld dat de ontworpen regeling op het betrokken punt niet in overeenstemming is met artikel 168 van het decreet van 12 juni 1991. 4.3. Voor de artikelen 17 tot 50 van het ontwerp kan in beginsel eveneens rechtsgrond worden gevonden in diverse onderdelen van artikel 168 van het decreet van 12 juni 1991. 4.4. Voor de artikelen 51 en 52 van het ontwerp, die betrekking hebben op respectievelijk het toekennen van specifieke middelen aan de Bijzondere Onderzoeksfondsen voor de financiering van het tenure track-stelsel en op de omvang van de aanstelling van docenten in dat stelsel, die worden gefinancierd met werkingsmiddelen die zijn overgeheveld vanuit het Bijzonder Onderzoeksfonds, valt geen uitdrukkelijke bepaling in het decreet van 12 juni 1991 aan te wijzen als rechtsgrond.

De gemachtigde verwijst in dat verband naar de artikelen 63/1 en 63/2 van het decreet van 30 april 2009, die in dat decreet zullen worden ingevoegd bij het al vermelde ontwerp van decreet, en naar artikel 64, tweede lid, van het decreet van 12 juni 1991.

Vastgesteld moet worden dat het bepaalde in artikel 64, tweede lid, van het decreet van 12 juni 1991 geen rechtsgrond kan bieden voor het ontwerp. Al voorziet de voornoemde bepaling in de aanstelling van docenten in het tenure track-stelsel, er wordt niets bepaald omtrent de financiering van de aangestelde docenten.

De artikelen 72, tweede lid, en 91bis van hetzelfde decreet bevatten enkel rechtspositionele bepalingen voor de docenten die worden aangesteld in het tenure track-stelsel en bieden bijgevolg evenmin rechtsgrond.

In de mate het bepaalde in de (geplande) artikelen 63/1 en 63/2 van het decreet van 30 april 2009 overeenstemt met hetgeen nu al in artikel 168 van het decreet van 12 juni 1991 wordt bepaald, moet worden opgemerkt dat in het laatstgenoemde artikel weliswaar op een algemene wijze wordt bepaald dat aan de Bijzondere Onderzoeksfondsen middelen worden toegekend, maar dat daarbij niet wordt vermeld dat die middelen mede kunnen worden aangewend ter financiering van een tenure track-stelsel. In die bepaling is evenmin een machtiging vervat aan de Vlaamse Regering om aan de toegekende middelen een specifieke bestemming te geven. (6) In artikel 51 van het ontwerp wordt evenwel een specifieke bestemming gegeven aan de middelen die door de Vlaamse Regering aan de Bijzondere Onderzoeksfondsen worden toegekend. De rechtsgrond voor artikel 51 van het ontwerp is hierdoor betwistbaar.

Ter wille van de rechtszekerheid, zou het derhalve aanbeveling verdienen indien in een uitdrukkelijke decretale bepaling zou worden ingeschreven dat een deel van de middelen, bestemd voor Bijzondere Onderzoeksfondsen, specifiek bestemd is voor de financiering van het tenure track-stelsel. 4.5. Voor zover mag worden aangenomen dat het tenure track-stelsel de verwevenheid tussen onderwijs en fundamenteel wetenschappelijk onderzoek ten goede komt, kan artikel 52 van het ontwerp, dat betrekking heeft op de omvang van de aanstelling van docenten waarvan de loonkost wordt gedragen door vanuit het Bijzonder Onderzoeksfonds overgehevelde middelen, worden geacht rechtsgrond te vinden in artikel 168, § 1, tweede lid, van het decreet van 12 juni 1991, ervan uitgaande dat een voorwaarde inzake versterking van de verwevenheid tussen onderwijs en fundamenteel wetenschappelijk onderzoek wordt vastgelegd voor de overdracht van de betrokken middelen. 4.6. Voor de artikelen 53 tot 69 van het ontwerp, die betrekking hebben op de methusalemfinanciering, kan in de huidige stand van de regelgeving, (7) rechtsgrond worden gevonden in artikel 169bis1, § 11, van het decreet van 12 juni 1991, naar luid waarvan de Vlaamse Regering de nadere regelen bepaalt « op het vlak van de kenmerken van de financiering, de voorwaarden voor de financiering, de aanwending van de financiering en de rapportering daaromtrent, de evaluatie van het betrokken onderzoek en de beëindiging van de financiering ».

Het enige voorbehoud dat in dit verband moet worden gemaakt is dat bij de samenstelling van het panel geen rol meer is weggelegd voor het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, terwijl in artikel 169bis1, § 6, van het decreet van 12 juni 1991 hierin uitdrukkelijk wordt voorzien. (8) 4.7. In de huidige stand van de regelgeving en in afwachting van de totstandkoming van het geplande artikel 63/1, § 6, van het decreet van 30 april 2009, dient eveneens een voorbehoud te worden geformuleerd met betrekking tot het bepaalde in de artikelen 26, § 2, en 28 tot 30 van het ontwerp, die een gegarandeerd minimumaandeel vastleggen voor de Universiteit Antwerpen, de Vrije Universiteit Brussel en de Universiteit Hasselt. Artikel 168, § 2, eerste lid, en § 4, eerste lid, van het decreet van 12 juni 1991 doen er immers van blijken dat een voorafname op het globale subsidiebedrag wordt genomen ten bate van universiteiten die niet tot een associatie behoren. Het toekennen van een gegarandeerd minimumaandeel aan universiteiten die wel tot een associatie behoren - en dat is het geval voor de drie genoemde universiteiten - is hiermee niet in overeenstemming. (9) Voor de artikelen 26, § 2, en 28 tot 30 van het ontwerp is derhalve in de huidige stand van de regelgeving geen rechtsgrond voorhanden. 5.1. De regeling die in de artikelen 3 tot 16 van het ontwerp is vervat inzake het Vlaams Academisch Bibliografisch Bestand - Sociale & Humane Wetenschappen, hierna « VABB-SHW » genoemd, vindt in beginsel rechtsgrond in artikel VI.9.17 van het decreet van 19 maart 2004 'betreffende de rechtspositieregeling van de student, de medezeggenschap in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen'. 5.2. Het bepaalde onder 5.1 ten spijt moet erop worden gewezen dat in artikel VI.9.17, § 1, van het voornoemde decreet wordt bepaald dat in het VABB-SHW bibliografische gegevens zijn opgenomen van wetenschappelijke publicaties binnen het domein van de Sociale en Humane Wetenschappen, afkomstig van onderzoekers die verbonden zijn aan een universiteit of hogeschool in de Vlaamse Gemeenschap. In artikel 3 van het ontwerp wordt evenwel uitsluitend melding gemaakt van « onderzoekers verbonden aan Vlaamse universiteiten ».

Uit de bij de adviesaanvraag gevoegde documenten blijkt dat het gegeven dat de publicaties van onderzoekers verbonden aan professionele bacheloropleidingen van hogescholen niet opgenomen worden in het VABB-SHW moet worden begrepen in het licht van de nakende integratie van de geacademiseerde opleidingen in de universiteiten, waardoor het aanleveren van academische publicaties gebeurt op het niveau van de universiteiten en niet meer op het niveau van de associaties. De gemachtigde voegde hieraan toe dat het VABB-SHW binnen de onderwijswetgeving tot op heden enkel werd aangewend met het oog op het verdelen van middelen bestemd voor Bijzondere Onderzoeksfondsen en onderwijsmiddelen aan universiteiten. Tevens verduidelijkte hij dat, wat de publicaties betreft van onderzoekers aan een hogeschool die worden in rekening gebracht naar aanleiding van een procedure van aanstelling of benoeming, evenmin gebruik wordt gemaakt van het VABB-SHW. Wat voorafgaat neemt niet weg dat moet worden vastgesteld dat in artikel VI.9.17, § 1, van het decreet van 19 maart 2004, uitdrukkelijk melding wordt gemaakt van wetenschappelijke publicaties afkomstig van onderzoekers die verbonden zijn aan ofwel een universiteit, ofwel een hogeschool in de Vlaamse Gemeenschap. Naar luid van die bepaling dienen derhalve ook de publicaties van onderzoekers aan hogescholen in het VABB-SHW te worden opgenomen en is het ontwerp op dat punt niet in overeenstemming met de betrokken decretale bepaling. 6. In artikel 21, eerste lid, inleidende zin, van het ontwerp wordt bepaald dat, in het begrotingsjaar 2013, het universiteitsbestuur overeenkomstig artikel 6, § 4, van het decreet van 14 maart 2008 'betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en de universiteiten in Vlaanderen' « een aanvullend bedrag van maximaal 30 % van de middelen van het Bijzondere Onderzoeksfonds [mag] transfereren naar de werkingsuitkering voor de dekking van de gewone uitgaven », mits het bedrag bestemd wordt voor welbepaalde kosten en uitgaven, die in hetzelfde lid worden vermeld. Voor die bepaling kan rechtsgrond worden gevonden in het voornoemde artikel 6, § 4, van het decreet van 14 maart 2008. 7. Het decreet van 13 juli 2007 'houdende bevordering van een meer evenwichtige participatie van vrouwen en mannen in advies- en bestuursorganen van de Vlaamse overheid', waarnaar wordt verwezen in het vierde lid van de aanhef, biedt geen rechtsgrond voor uitvoeringsbepalingen van andere decreten en derhalve evenmin voor het om advies voorgelegde ontwerp. In het ontwerp wordt bepaald dat het Gezaghebbend Panel (10) en de evaluatiepanels, bedoeld in de artikelen 15 en 69, als adviesorganen in de zin van het decreet van 13 juli 2007 worden beschouwd. In dat decreet wordt de Vlaamse Regering er evenwel niet toe gemachtigd om organen als adviesorganen in de zin van dat decreet te doen beschouwen. Bij gebrek aan een uitdrukkelijke machtigingsbepaling daartoe in het decreet van 13 juli 2007 komt het uitsluitend aan de decreetgever zelf toe om te bepalen welke de door hem beoogde adviesorganen zijn. De Vlaamse Regering vermag derhalve niet de normen van het decreet van 13 juli 2007 van toepassing te maken op organen die niet onder het door de decreetgever omschreven toepassingsgebied van dat decreet vallen, (11) noch staat het aan de Vlaamse Regering om de toepassing van het decreet van 13 juli 2007 te bevestigen. (12) Het decreet van 13 juli 2007 biedt in geen geval rechtsgrond voor bepalingen van het ontwerp die de toepassing van het decreet beogen te regelen of te bevestigen.

ONDERZOEK VAN DE TEKST Algemene opmerking 8. Het ontwerp bevat diverse bepalingen die decretale bepalingen overnemen of parafraseren.Dat is onder meer het geval met de artikelen 53, derde lid, 54, 57, 60, § 1, eerste twee zinnen, en 65, § 1, eerste zin. Het verdient geen aanbeveling om in een besluit decretale bepalingen over te nemen of te parafraseren. (13) Dergelijke werkwijze kan immers tot onzekerheid leiden omtrent de juridische waarde van de overgenomen bepalingen. Bovendien kan ermee de indruk worden gewekt dat de betrokken bepalingen enkel kunnen worden toegepast indien zij in het besluit worden opgenomen. Indien er desondanks zou voor worden geopteerd om de betrokken bepalingen in het ontwerp te behouden, zou telkens uitdrukkelijk moeten worden verwezen naar de decretale artikelen die geheel of ten dele worden overgenomen.

Aanhef 9. De aanhef van het ontwerp dient, rekening houdend met hetgeen in verband met de rechtsgrond is opgemerkt, te worden aangepast. Die aanpassing houdt om te beginnen in dat de verwijzingen moeten worden weggelaten naar decreten die de ontworpen regeling niet tot rechtsgrond strekken. Dat is in de huidige stand van de regelgeving het geval voor het vierde en het zesde lid van de aanhef, waarin wordt verwezen naar respectievelijk het decreet van 13 juli 2007 en 30 april 2009.

Daarnaast moeten de specieke bepalingen worden vermeld van de overige decreten die wel rechtsgrond bieden voor het ontwerp. In dat verband kan worden verwezen naar de bespreking van de strekking en de rechtsgrond in dit advies. Wel is het zo dat de decretale bepalingen die rechtsgrond bieden voor het ontwerp en waarvan melding moet worden gemaakt in de aanhef, zullen verschillen al naargelang het al genoemde ontwerp van decreet 'houdende diverse bepalingen met betrekking tot de organisatie en financiering van het wetenschaps- en innovatiebeleid' zal zijn goedgekeurd of niet op het ogenblik waarop het zich nog in de ontwerpfase bevindende besluit tot stand komt. Zo zal bijvoorbeeld wellicht niet meer kunnen worden verwezen naar de artikelen 168 en 169bis1 van het decreet van 12 juni 1991, maar zal moeten worden gerefereerd aan de bepalingen van het decreet van 30 april 2009 die in dat decreet zullen zijn ingevoegd en die als rechtsgrond biedende bepaling in de plaats van de voornoemde artikelen 168 en 169bis1 van het decreet van 12 juni 1991 zullen zijn gekomen.

Artikel 1 10. Men vervolledige de omschrijving van « ECOOM », in artikel 1, 8°, van het ontwerp, als volgt : « ECOOM : Expertisecentrum Onderzoek en Ontwikkelingsmonitoring, bedoeld in artikel VI.9.19 van het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de medezeggenschap in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen ».

Artikel 2 11. Wat artikel 2 betreft, dient te worden verwezen naar de in dit advies geformuleerde opmerking 4.2.

Artikel 5 12. In verband met het bepaalde in artikel 5, § 2, van het ontwerp moet erop worden gewezen dat de Vlaamse Regering niet de normen van het decreet van 13 juli 2007 van toepassing vermag te maken op organen die niet onder het door de decreetgever omschreven toepassingsgebied van dat decreet vallen.(14) Bij gebreke van een specifieke decretale machtiging in dat verband moet artikel 5, § 2, van het ontwerp worden weggelaten.

Artikel 15 13. In artikel 15, tweede lid, van het ontwerp wordt bepaald dat het evaluatiepanel wordt beschouwd als een adviesorgaan als vermeld in het voornoemde decreet van 13 juli 2007.Op die wijze bevestigt de Vlaamse Regering wat al uit het decreet van 13 juli 2007 zelf voortvloeit. Het staat niet aan de Vlaamse Regering om de toepassing van het voornoemde decreet te bevestigen. (15) Het tweede lid van artikel 15 moet derhalve worden weggelaten. Dat is ook het geval voor de gelijkaardige bepaling die is vervat in artikel 69, § 2, tweede lid, van het ontwerp.

Artikel 22 14. In artikel 22, eerste lid, 3°, van het ontwerp dient te worden geschreven « volgens de bepalingen vermeld in artikel 68 ». Artikel 23 15. Aan het einde van artikel 23, § 4, van het ontwerp, wordt melding gemaakt van « de doelstellingen in het beleidsplan, vermeld in artikel 68, derde lid ».In artikel 68, derde lid, wordt evenwel uitsluitend verwezen naar « de doelstellingen in het beleidsplan, vermeld in artikel 23, paragraaf 1 ». Het is derhalve de vraag of het niet logischer zou zijn om aan het einde van artikel 23, § 4, te schrijven « de doelstellingen in het beleidsplan, vermeld in paragraaf 1 ».

Artikel 30 16. In artikel 30 van het ontwerp wordt bepaald dat de Vlaamse Regering het groeipad van het gegarandeerde minimum, vermeld in artikel 28, eerste lid, 3°, kan herzien, bij wijziging in de opbouw van de externe datastructuren die aan de basis van de berekening liggen. Dergelijke machtigingsbepaling is niet enkel problematisch qua rechtsgrond in de huidige stand van de regelgeving (zie opmerking 4.7), maar is tevens overbodig omdat de Vlaamse Regering steeds wijzigingen kan aanbrengen in de ontworpen regeling zonder daarbij gebonden te zijn door eventuele voorwaarden die in de machtigingsbepaling worden vermeld (« bij wijziging in de opbouw van de externe datastructuren die aan de basis van de berekening liggen »).

Artikel 30 dient derhalve in ieder geval te worden weggelaten.

DE GRIFFIER, Marleen VERSCHRAEGHEN. DE VOORZITTER, Marnix VAN DAMME. _______ Nota's (1) Besluit van de Vlaamse Regering van 8 september 2000 'betreffende de financiering van de Bijzondere Onderzoeksfondsen aan de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap'.(2) Zie Omzendbrief VR/2009/4 van de Minister-President van de Vlaamse Regering van 17 juli 2009 'betreffende de wetgevingstechniek', hierna Omzendbrief Wetgevingstechniek genoemd, nr.58. (3) Ontwerp van decreet 'houdende diverse bepalingen met betrekking tot de organisatie en financiering van het wetenschaps- en innovatiebeleid' (Parl.St. Vl.Parl., 2012-13, nr. 1791/1). (4) In het in de vorige voetnoot vermelde ontwerp van decreet wordt de opheffing beoogd van de artikelen 168 en 169bis1 van het decreet van 12 juni 1991.(5) Dat volgt ook uit het geplande artikel 63/1 van het decreet van 30 april 2009, dat het in voetnoot 3 vermelde ontwerp van decreet beoogt in te voegen in het eerstgenoemde decreet.(6) Dat is niet anders in het geplande artikel 63/1 van het decreet van 30 april 2009.(7) Het in het decreet van 30 april 2009 in te voegen artikel 63/3, § 9, stemt overeen met het bepaalde in artikel 169bis1, § 11, van het decreet van 12 juni 1991.Wat evenwel de overige bepalingen inzake de methusalemfinanciering betreft, regelt het ontworpen artikel 63/3 van het decreet van 30 april 2009 niet langer de werking van het panel, de aanpassing van de financiering of de wijze waarop de expertencommissie de onderzoeker beoordeelt. (8) In het geplande artikel 63/3 van het decreet van 30 april 2009 is dat niet langer het geval.(9) Deze vaststelling geldt onafgezien de vraag of de ontworpen regeling inzake het gegarandeerd mimimumaandeel voor bepaalde universiteiten in overeenstemming kan worden geacht met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel.In de toelichting aan de Vlaamse Regering wordt in dat verband een omstandige verantwoording gegeven. (10) Artikel 5, § 2, van het ontwerp.(11) Of zelfs maar onder dat toepassingsgebied zouden kunnen vallen. Zo brengt bijvoorbeeld het Gezaghebbend Panel geen eigenlijke adviezen uit in de zin van artikel 2, § 2, 3°, van het decreet van 13 juli 2007, noch valt het te beschouwen als een bestuursorgaan in de zin van artikel 2, § 3, van hetzelfde decreet. (12) Zie opmerking 12.(13) Zie de voornoemde Omzendbrief Wetgevingstechniek, nr.120, 1°. (14) Zie in dat verband opmerking 7.(15) Zie eveneens opmerking 7. 21 DECEMBER 2012. - Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de financiering van de Bijzondere Onderzoeksfondsen aan de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap De Vlaamse Regering, Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 20;

Gelet op het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, het laatst gewijzigd bij het decreet van 23 december 2011 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2012, artikel 64 en artikel 158-159, gewijzigd bij het decreet van 4 juli 2008, artikel 160, gewijzigd bij de decreten van 21 december 1994, 8 juli 1996 en 14 juli 1998, artikel 170-171, artikel 172bis, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 2008, artikel 172ter, gewijzigd bij het decreet van 8 mei 2009, en artikel 173-180;

Gelet op het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de studenten, de medezeggenschap in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen artikel VI.9.17, ingevoegd bij het decreet van 14 maart 2008 en gewijzigd bij het decreet van 21 december 2012, en artikel VI.9.19-26, ingevoegd bij het decreet van 4 juli 2008;

Gelet op het decreet van 10 juli 2008 houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid, artikel 26;

Gelet op het decreet van 14 maart 2008 betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en de universiteiten in Vlaanderen, artikel 9, 29 en 33, het laatst gewijzigd bij het decreet van 13 juli 2012;

Gelet op het decreet van 30 april 2009 betreffende de organisatie en financiering van het wetenschaps- en innovatiebeleid, artikel 56/2 en artikels 63/1-3, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2012;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 28 juni 2012;

Gelet op protocol nr. 51 van 28 september 2012 houdende de conclusies van de onderhandelingen die gevoerd werden in de vergadering van het Vlaams onderhandelingscomité voor het hoger onderwijs;

Gelet op advies 52.281/1 van de Raad van State, gegeven op 8 november 2012, met toepassing van artikel 84 paragraaf 1, eerste lid, 1° van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding, Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK 1. - Definities en toepassingsgebied

Artikel 1.In dit besluit wordt verstaan onder : 1° AHCI : Arts & Humanities Citation Index, uitgegeven door Thomson Reuters;2° Bijzonder Onderzoeksfonds : een intern bestemmingsfonds van de universiteit, waarvan de middelen bestemd zijn voor de bevordering van het fundamentele wetenschappelijke onderzoek in de universiteit;3° BOF-sleutel : de procentuele verdeelsleutel die gebruikt wordt om de overheidsbijdragen aan de Bijzondere Onderzoeksfondsen te verdelen en die jaarlijks wordt becijferd volgens de bepalingen, vermeld in hoofdstuk 3, afdeling 3;4° Citatie : een verwijzing in een publicatie, verschenen in een brondocument en verwerkt voor de SCIE, de SSCI of de AHCI, naar een andere publicatie, verschenen in een brondocument, verwerkt voor de SCIE of de SSCI en toegewezen aan een van de volgende publicatietypes 'Article, Letter, Note, Review, Proceedings paper', waarbij deze verwijzing als dusdanig is opgenomen in de referentielijst van de citerende publicatie;5° CPCI-S : Conference Proceedings Citation Index-Science, onderdeel van Conference Proceedings Citation Index (CPCI), uitgegeven door Thomson Reuters;6° CPCI-SSH : Conference Proceedings Citation Index - Social Sciences & Humanities, onderdeel van Conference Proceedings Citation Index (CPCI), uitgegeven door Thomson Reuters;7° Discipline : een van de disciplinaire subdomeinen zoals gedefinieerd door het Expertisecentrum O&O monitoring als aggregatie van de Thomson Reuters Web-of-Science Subject Categories en opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd; 8° ECOOM : Expertisecentrum Onderzoek en Ontwikkelingsmonitoring, bedoeld in artikel VI.9.19 van het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de studenten, de medezeggenschap in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen; 9° Globale middelen van het Bijzondere Onderzoeksfonds : de overheidsbijdragen vermeld in artikel 17, 1° tot en met 3°, aangevuld met de eigen bijdrage, vermeld in artikel 19, tweede lid;10° Impactfactor : de impactfactor van een tijdschrift, verwerkt voor de SCIE of de SSCI, zoals gepubliceerd in de Journal Citation Reports (JCR);11° Jaar t : het beoogde begrotingsjaar;12° Methusalem-financiering : middelen die bestemd zijn voor de financiering van Methusalem, als vermeld in artikel 17, 3° ;13° Middelen van het Bijzondere Onderzoeksfonds : de overheidsbijdrage vermeld in artikel 17, 1°, aangevuld met de minimale eigen bijdrage, vermeld in artikel 19, tweede lid.Hiertoe behoren niet de middelen vermeld in artikel 17, 2° en 3° ; 14° Overheidsbijdrage aan de Bijzondere Onderzoeksfondsen : overheidsbijdrage vermeld in artikel 17, 1° tot en met 3° ;15° SCIE : Science Citation Index Expanded, uitgegeven door Thomson Reuters;16° SSCI : Social Sciences Citation Index, uitgegeven door Thomson Reuters;17° Tenure-track-financiering : middelen die bestemd zijn voor de financiering van tenure track-mandaten, als vermeld in artikel 17, 2° ; 18° VABB-SHW : het Vlaams Academisch Bibliografisch Bestand « Sociale en Humane Wetenschappen », vermeld in artikel VI.9.17 van het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de medezeggenschap in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen; 19° Wetenschapsgroep : de drie groepen « humane wetenschappen », met inbegrip van de sociale wetenschappen, « exacte en toegepaste wetenschappen » en « medische wetenschappen », zoals gebruikt in de personeelsstatistieken gepubliceerd door de Vlaamse Interuniversitaire Raad;20° ZAP : zelfstandig academisch personeel.

Art. 2.Dit besluit is van toepassing op de universiteiten van de Vlaamse Gemeenschap. HOOFDSTUK 2. - Vlaams Academisch Bibliografisch Bestand - Sociale & Humane Wetenschappen Afdeling 1. - De dekkingsgraad en de inhoud van het VABB-SHW

Art. 3.Voor het VABB-SHW worden de publicaties verwerkt die behoren tot de disciplines van de sociale en humane wetenschappen en die afkomstig zijn van onderzoekers verbonden aan Vlaamse universiteiten.

Art. 4.Om opgenomen te worden in het VABB-SHW moet een publicatie aan de volgende criteria als ondergrens voldoen : 1° publiek toegankelijk zijn;2° op een ondubbelzinnige manier identificeerbaar zijn via een ISBN- of ISSN-nummer;3° een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van nieuwe inzichten of aan de toepassing ervan;4° voor ze verschijnt beoordeeld zijn in een aantoonbaar peer-reviewproces door onafhankelijke wetenschappers die expert zijn in de betrokken (deel)discipline(s).Peer review moet uitgevoerd worden door een editorial board, door een vast leescomité, door externe referees of door een combinatie van die types. Daarbij moet minstens een inbreng zijn die extern is aan de onderzoeksgroep en die onafhankelijk is van de auteur(s). De peer review wordt niet door de auteur georganiseerd. Afdeling 2. - Het Gezaghebbende Panel

Art. 5.§ 1. Het VABB-SHW wordt wetenschappelijk beheerd door het Gezaghebbende Panel, dat is opgericht door de Vlaamse Regering en bestaat uit ten minste twaalf en ten hoogste achttien onderzoekers die verbonden zijn aan de Vlaamse universiteiten, die in de sociale en humane wetenschappen werken en die in hun onderzoeksdomein een internationale erkenning genieten.

De leden van het Gezaghebbende Panel worden voor hernieuwbare perioden van vier jaar aangesteld door de Vlaamse Regering uit een dubbeltal, voorgedragen door de universiteitsbesturen. Elk universiteitsbestuur wint daarbij het advies in van de eigen onderzoeksraad. Bij de voordracht nemen de universiteitsbesturen alle noodzakelijke maatregelen om een objectieve kwaliteitsbeoordeling mogelijk te maken.

De universiteitsbesturen zullen vooral aantonen dat de voorgestelde personen in hun vakgebied een algemene internationale erkenning genieten.

Het Gezaghebbende Panel wordt zodanig samengesteld dat : 1° de leden de verschillende wetenschappelijke disciplines uit de sociale en humane wetenschappen vertegenwoordigen;2° minstens één lid uit elke voordragende universiteit in het Gezaghebbende Panel is opgenomen. § 2. Ten hoogste twee derde van de leden van het Gezaghebbende Panel mag van hetzelfde geslacht zijn. § 3. De Vlaamse Regering wijst onder de leden een voorzitter en een plaatsvervangende voorzitter aan.

Art. 6.De werkwijze van het Gezaghebbende Panel wordt bepaald in een reglement van orde. Het Gezaghebbende Panel kan wijzigingen in het reglement van orde voorstellen. De wijzigingen zijn pas uitvoerbaar na de goedkeuring door de Vlaamse minister bevoegd voor het wetenschapsbeleid.

Na bekrachtiging wordt het gewijzigde reglement van orde gepubliceerd op de website van ECOOM.

Art. 7.Het Gezaghebbende Panel kan een beroep doen op deskundigen die als een autoriteit in hun discipline of disciplines worden erkend.

Art. 8.Het Gezaghebbende Panel wordt technisch ondersteund door ECOOM. In de beheersovereenkomst die gesloten is tussen de Vlaamse Regering en ECOOM worden daarover de nodige bepalingen opgenomen.

Art. 9.Het Gezaghebbende Panel brengt aan de Vlaamse Regering jaarlijks voor 1 juni schriftelijk verslag uit van de werkzaamheden van het afgelopen jaar. Afdeling 3. - Jaarlijkse actualisering van het VABB-SHW

Art. 10.§ 1. De wetenschappelijke selectie van de publicaties voor de jaarlijkse actualisering van het VABB-SHW verloopt volgens de procedure vermeld in paragraaf 2 tot en met 7. § 2. In elk jaar (t-2) levert elke universiteit voor 1 mei aan ECOOM de bibliografische gegevens van publicaties die in het jaar (t-3) zijn gepubliceerd, waarvan minstens één auteur geaffilieerd is met de aanleverende universiteit en waarvan het bestuur van oordeel is dat ze beantwoorden aan de volgende voorwaarden : 1° ze behoren tot een discipline van de sociale en humane wetenschappen;2° ze voldoen aan de criteria vermeld in artikel 4. § 3. Het bestuur onderscheidt bij de aanlevering van de gegevens de volgende publicatietypes : 1° artikelen in tijdschriften;2° boeken als auteur;3° boeken als editor;4° artikelen of gedeelten in boeken;5° artikelen in proceedings die geen special issues van tijdschriften of edited boeken zijn;6° geannoteerde corpora, op zijn vroegst vanaf het jaar x+3 dat volgt op het jaar x waarin de technische definitie van het publicatietype tot stand is gekomen. De publicaties die in het jaar (t-4) zijn gepubliceerd en die niet zijn aangeleverd in het jaar (t-3), kunnen nog aangeleverd worden in het jaar (t-2). § 4. ECOOM levert uiterlijk op 1 augustus van het jaar (t-2) aan het Gezaghebbende Panel : 1° de lijst van titels van alle tijdschriften waarin publicaties verschenen zijn die door de universiteiten zijn bezorgd onder het publicatietype « artikelen in tijdschriften », vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 1° ;2° de lijst van alle uitgevers van boeken die door de universiteiten zijn bezorgd onder het publicatietype « boeken als auteur », « boeken als editor » of « artikelen of gedeelten in boeken », vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 2° tot en met 4° ;3° de bibliografische gegevens van publicaties die door de universiteiten zijn bezorgd onder het publicatietype « artikelen in proceedings die geen special issues van tijdschriften of edited boeken zijn », vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 5°. ECOOM levert voor het eerst uiterlijk op 1 augustus van het jaar (x+3), vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 6°, aan het Gezaghebbende Panel de bibliografische gegevens van publicaties die door de universiteiten zijn bezorgd onder het publicatietype « geannoteerde corpora », vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 6°, en nadien telkens voor 1 augustus van het jaar (t-2). § 5. Op basis van de lijsten van tijdschrifttitels en van uitgevers, vermeld in paragraaf 4, deelt het Gezaghebbende Panel uiterlijk op 1 maart van het jaar (t-1) aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, en aan de Vlaamse minister bevoegd voor het wetenschapsbeleid, aan de universiteiten en aan ECOOM de geactualiseerde lijst mee van tijdschrifttitels en van de uitgevers van wie respectievelijk artikelen en boeken worden opgenomen in het VABB-SHW. Zonder afbreuk te doen aan de criteria, vermeld in artikel 4 kan het Gezaghebbende Panel verschillende kwaliteitslabels toekennen aan de tijdschrifttitels en de uitgevers, die al dan niet beperkt zijn tot reeksen of specifieke kwaliteitslabels.

Op basis van de aangeleverde bibliografische gegevens, vermeld in paragraaf 4, van publicaties die behoren tot het publicatietype, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 5°, deelt het Gezaghebbende Panel uiterlijk op 1 maart van het jaar (t-1) aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het wetenschapsbeleid, aan de universiteiten en aan ECOOM mee welke publicaties worden opgenomen in het VABB-SHW onder het publicatietype vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 5°.

Op basis van de aangeleverde referenties, vermeld in paragraaf 4, van publicaties die behoren tot het publicatietype vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 6°, deelt het Gezaghebbende Panel voor het eerst uiterlijk op 1 maart van het jaar (x+4) aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, en aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het wetenschapsbeleid, aan de universiteiten en aan ECOOM mee welke publicaties worden opgenomen in het VABB-SHW onder het publicatietype vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 6°, en verder telkens uiterlijk op 1 maart van het jaar (t-1). § 6. ECOOM publiceert de lijst van tijdschrifttitels en van de uitgevers, vermeld in paragraaf 5, op zijn website. § 7. ECOOM stelt de actualisering van het VABB-SHW op, rekening houdend met de lijst van tijdschrifttitels en uitgevers, vermeld in paragraaf 5, en met de publicaties, vermeld in paragraaf 5, die behoren tot het publicatietype, vermeld in paragraaf 3, eerste lid, 5° en in voorkomend geval 6°.

Art. 11.Uiterlijk op 30 juni van het jaar (t-1) maakt ECOOM de actualisering van het VABB-SHW via een webapplicatie minstens voor alle universiteiten en de Vlaamse overheid toegankelijk.

Art. 12.De Vlaamse minister, bevoegd voor het wetenschapsbeleid, kan, op advies van een werkgroep die opgericht is door het Gezaghebbende Panel en na toetsing van de technische haalbaarheid door ECOOM, de publicatietypes, vermeld in artikel 10, paragraaf 3, eerste lid, 1° tot en met 6°, uitbreiden met andere publicatietypes die voldoen aan de criteria, vermeld in artikel 4.

Art. 13.Het reglement van orde, vermeld in artikel 6, omvat een procedure, vastgesteld door het Gezaghebbende Panel, voor de melding en de behandeling van verzoeken van de universiteiten tot rechtzetting van materiële vergissingen en onjuistheden die vastgesteld worden in de beslissingen, vermeld in artikel 10. Afdeling 4. - Kwaliteitszorg

Art. 14.De Vlaamse Regering laat in 2017 en daarna om de vijf jaar de kwaliteit van het VABB-SHW doorlichten, waarbij ten minste de volgende elementen worden beoordeeld : 1° de gevolgde werkwijze en selectieprocedure voor het opstellen van de lijst van tijdschriften, de lijst van uitgevers, de lijst van proceedings-bijdragen en van geannoteerde corpora;2° de mate waarin de publicaties die worden verwerkt in het VABB-SHW voldoen aan de criteria, vermeld in artikel 4, en de mate waarin de publicaties die zijn afgewezen door het Gezaghebbende Panel, er niet aan voldoen.

Art. 15.Voor de beoordeling, vermeld in artikel 14 stelt de Vlaamse Regering een evaluatiepanel samen, dat bestaat uit ten minste vijf leden die werken in disciplines van de sociale en humane wetenschappen, van wie minstens één persoon in het gebied van wetenschapsstudies werkt, en die een internationale erkenning in hun onderzoeksdomein genieten. Geen van de leden van het evaluatiepanel werkt op het ogenblik van de aanstelling in België.

Ten hoogste twee derde van de leden van het evaluatiepanel mag van hetzelfde geslacht zijn.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het wetenschapsbeleid, wijst onder de leden een voorzitter en een plaatsvervangende voorzitter aan.

Art. 16.Het evaluatiepanel stelt een rapport op met zijn bevindingen en aanbevelingen en bezorgt dat aan de Vlaamse Regering.

Het rapport van het evaluatiepanel, eventueel samen met de reacties van het Gezaghebbende Panel en van ECOOM, wordt door de Vlaamse Regering, eventueel samen met haar beleidsconclusies, bezorgd aan het Vlaams Parlement. HOOFDSTUK 3. - Bijzondere Onderzoeksfondsen Afdeling 1. - Financiële beginselen

Art. 17.De Vlaamse Regering legt jaarlijks binnen de perken van de betreffende begrotingskredieten voorzien in de uitgavenbegroting drie types overheidsbijdragen vast voor de Bijzondere Onderzoeksfondsen, overeenkomstig artikel 63/2 tot en met 4 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de organisatie en financiering van het wetenschaps- en innovatiebeleid : 1° basistoelage voor de Bijzondere Onderzoeksfondsen;2° middelen die bestemd zijn voor de financiering van tenure track-mandaten, als vermeld in hoofdstuk 4, verder de tenure track-financiering genoemd;3° middelen die bestemd zijn voor de Methusalem-financiering, als vermeld in hoofdstuk 5.

Art. 18.De bedragen van de overheidsbijdragen, vermeld in artikel 17, worden jaarlijks geïndexeerd binnen de perken van de betreffende begrotingskredieten voorzien in de uitgavenbegroting, volgens de formule, vermeld in artikel 9, paragraaf 5 van het decreet van 14 maart 2008 betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en de universiteiten in Vlaanderen.

Ieder jaar (t-1) voor 1 oktober deelt de Vlaamse Regering aan elke universiteit het bedrag mee van de overheidsbijdragen die ze krachtens het eerste lid kan verwachten. De raming van de inkomsten en de uitgaven van het Bijzondere Onderzoeksfonds maakt integraal deel uit van de begroting van de universiteit onder de afdeling IV.1.

De overheidsbijdragen aan het Bijzondere Onderzoeksfonds worden door de Vlaamse Regering definitief vastgesteld zodra de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap door het Vlaamse Parlement voor het desbetreffende begrotingsjaar is gestemd. 90 % van het jaarlijks voor het Bijzondere Onderzoeksfonds in de uitgavenbegroting ingeschreven bedragen, als vermeld in artikel 17, wordt vastgelegd zodra de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap door het Vlaamse Parlement voor het desbetreffende begrotingsjaar is gestemd.

Op het einde van elk kwartaal wordt aan iedere universiteit een vierde van het aandeel in het vierde lid bedoelde bedrag ter beschikking gesteld.

Het resterende bedrag wordt vastgelegd en in één schijf vereffend zodra de begrotingscontrole van de Vlaamse Gemeenschap door het Vlaamse Parlement is gestemd.

Art. 19.Elk van de universiteiten brengt de financiële middelen, vermeld in artikel 17, 1° tot en met 3°, die door de Vlaamse Gemeenschap worden bijgedragen voor fundamenteel wetenschappelijk onderzoek, onder in zijn Bijzondere Onderzoeksfonds. De overheidsbijdragen, vermeld in artikel 17, 1° tot en met 3°, worden onder de universiteiten verdeeld met toepassing van de berekeningswijze, zoals uiteengezet in hoofdstuk 3, afdeling 3. De bedragen die verkregen worden met toepassing van die verdeelsleutel worden afgerond op het duizendtal.

Het universiteitsbestuur voegt, vanuit de middelen die ter beschikking staan van de universiteit, inclusief de gewone werkingsuitkeringen, een bedrag toe aan het Bijzondere Onderzoeksfonds, dat ten minste gelijk is aan het met toepassing van artikel 18, eerste lid, geïndexeerde bedrag van de eigen verplichte aanvullende bijdrage, die in 2012 is toegekend.

Art. 20.Voor het beheer van het Bijzondere Onderzoeksfonds mag het universiteitsbestuur ten hoogste de volgende middelen uittrekken : 1° 2 % van de globale middelen van het Bijzondere Onderzoeksfonds voor de werking van de diensten voor onderzoekscoördinatie; 2° 1 % van de globale middelen van het Bijzondere Onderzoeksfonds of 100.000 euro, waarbij het hoogste bedrag geldt, voor de vergoeding van kosten voor werkingsuitgaven en loonlasten die rechtstreeks verbonden zijn aan het beheer van onderzoeksprojecten of initiatieven die ten laste van het Bijzondere Onderzoeksfonds bekostigd worden.

Art. 21.In het begrotingsjaar 2013 mag het universiteitsbestuur, overeenkomstig artikel 6, paragraaf 4 van het decreet van 14 maart 2008 betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en de universiteiten in Vlaanderen, een aanvullend bedrag van maximaal 30 % van de middelen van het Bijzondere Onderzoeksfonds transfereren naar de werkingsuitkering voor de dekking van de gewone uitgaven, op voorwaarde dat het bedrag bestemd wordt voor : 1° loonkosten van leden van het ZAP die zijn aangesteld volgens de voorwaarden, vermeld in artikel 47;2° de gewone uitgaven, in het bijzonder de afhouding voor de werking van de diensten voor onderzoekscoördinatie, vermeld in artikel 20, 1°. Vanaf het begrotingsjaar 2014 kan de Vlaamse minister, bevoegd voor het wetenschapsbeleid, jaarlijks het maximale percentage van de middelen van het Bijzondere Onderzoeksfonds dat mag worden getransfereerd bepalen, op voorwaarde dat het percentage nooit lager kan zijn dan het percentage van het vorige begrotingsjaar. Als er geen nieuw percentage bepaald wordt voor 1 maart van het jaar t, geldt het percentage dat van toepassing was in het jaar (t-1).

Het universiteitsbestuur mag, overeenkomstig artikel 6, paragraaf 4, van het decreet van 14 maart 2008 betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en de universiteiten in Vlaanderen, de middelen van de tenure track-financiering, vermeld in artikel 51, transfereren naar de werkingsuitkering voor de dekking van loonkosten van leden van het ZAP die worden aangesteld volgens de voorwaarden, vermeld in artikel 52. Afdeling 2. - Voorwaarden voor toekenning van de overheidsbijdragen

aan de Bijzondere Onderzoeksfondsen

Art. 22.De overheidsbijdragen aan het Bijzondere Onderzoeksfonds worden toegekend voor fundamenteel wetenschappelijk onderzoek onder de volgende voorwaarden : 1° het universiteitsbestuur stelt om de vijf jaar een strategisch beleidsplan op waarin het voor de komende vijf jaar de hoofdlijnen schetst van zijn beleid inzake het wetenschappelijk onderzoek in het algemeen en inzake de besteding van de globale middelen van zijn Bijzondere Onderzoeksfonds in het bijzonder;2° het universiteitsbestuur stelt een reglement op voor de interne toewijzing van de globale middelen van zijn Bijzondere Onderzoeksfonds.Dat reglement is ingebed in het Charter Goed Bestuur van de universiteit; 3° de universiteiten rapporteren jaarlijks volgens de bepalingen, vermeld in artikel 68;4° de universiteiten schakelen zich in het Vlaamse wetenschapscommunicatiebeleid in en scharen zich achter de globale principes van het marketing- en communicatieplan van de Vlaamse Overheid ter zake. De Vlaamse minister, bevoegd voor het wetenschapsbeleid, kan nadere regels bepalen die : 1° de voorwaarden verder detailleren;2° de uitbetaling van de overheidsbijdragen verbinden aan deze gedetailleerde voorwaarden.

Art. 23.§ 1. In het strategische beleidsplan, vermeld in artikel 22, eerste lid, 1°, geeft het universiteitsbestuur de doelstellingen van zijn onderzoeksbeleid weer en formuleert het zijn specifieke oriëntaties in het onderzoek. Het beleidsplan situeert de geplande acties in het kader van de onderzoeksdoelstellingen en de doelstellingen over het streven naar genderevenwicht.

In het strategische beleidsplan wordt telkens in een afzonderlijk hoofdstuk bijzondere aandacht besteed aan : 1° de kwaliteitszorg en de evaluatie van het onderzoek;2° de principes van goed bestuur binnen het onderzoeksbeleid;3° het versterken van de deelname van vrouwen en allochtonen aan het onderzoek;4° de vorming en de loopbaan van de onderzoekers;5° de communicatie over het lopende of afgeronde onderzoek. § 2. Het strategisch beleidsplan omvat minstens een beschrijving van : 1° de uitgangspunten van het beleid;2° de instrumenten en het actieplan om de geformuleerde doelstellingen te realiseren;3° de financiële onderbouwing van de geformuleerde doelstellingen. § 3. Het universiteitsbestuur bezorgt uiterlijk op 31 maart van het eerste jaar waarop het beleidsplan van toepassing is, het beleidsplan aan de regeringscommissaris, aan de Vlaamse minister bevoegd voor het wetenschapsbeleid en aan het bevoegde departement, die het ter informatie bezorgt aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs.

Tijdens de looptijd van het beleidsplan deelt het universiteitsbestuur jaarlijks uiterlijk op 30 juni de wijzigingen die erin worden aangebracht, mee aan de regeringscommissaris, aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het wetenschapsbeleid, en aan het bevoegde departement die het ter informatie bezorgt aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs. § 4. De uitbetaling van de laatste schijf van jaar t, vermeld in artikel 18, vijfde lid, van de overheidsbijdragen aan de Bijzondere Onderzoeksfondsen is onderworpen aan de goedkeuring van de Vlaamse minister, bevoegd voor het wetenschapsbeleid, van het beleidsplan en de wijzigingen ervan in jaar t, vermeld in paragraaf 3, en van de jaarlijkse rapportering over de stand van zaken in jaar (t-1) met betrekking tot de doelstellingen in het beleidsplan, vermeld in paragraaf 1.

Art. 24.Het universiteitsbestuur bepaalt in het reglement, vermeld in artikel 22, eerste lid, 2° : 1° de subsidieerbare onderzoeksinitiatieven en de voorwaarden en criteria voor toekenning van de subsidies;2° de procedures voor de toekenning van de middelen voor onderzoeksmandaten en -projecten, waarbij als minimale voorwaarden gelden : a.de middelen worden toegekend door het universiteitsbestuur na gemotiveerd advies van de onderzoeksraad; b. de onderzoeksraad telt onder zijn effectieve leden ten hoogste twee derden leden van hetzelfde geslacht.Als niet wordt voldaan aan die voorwaarde, kan de onderzoeksraad geen rechtsgeldig advies uitbrengen als vermeld onder punt a); deze regel geldt ook voor alle selectie- en adviescommissies die betrokken zijn bij de toekenning van de middelen, vermeld in artikel 17, 1° en 2° ; c. de onderzoeksraad van de universiteit selecteert de te financieren onderzoeksmandaten en -projecten;d. bij de beoordeling van omvangrijke projectaanvragen, en minstens voor de projectaanvragen, vermeld in artikel 49, eerste lid, 1° van dit besluit, worden ook deskundigen betrokken die extern zijn aan de universiteit volgens een procedure die het universiteitsbestuur heeft vastgelegd;e. in afwijking van de bepalingen onder punt a) en c), kunnen mandaten toegekend op de tenure track-middelen, vermeld in hoofdstuk 4, als ze geen uitgesproken onderzoeksopdracht hebben, toegekend worden zonder advies van de onderzoeksraad.In dat geval bepaalt het reglement de afwijkende procedure; f. de Methusalem-financiering wordt toegekend volgens de procedure bepaald in artikel 60;3° de regels voor de organisatie van oproepen en toekenningen;4° de methodologie die gevolgd wordt bij de ex ante evaluatie van de ingediende voorstellen, de ex post evaluatie van de uitgevoerde projecten en eventueel de tussentijdse evaluatie van projecten die in uitvoering zijn;5° de wijze waarop de onderzoekers worden ingelicht over de beoordeling van hun aanvraag;6° de wijze waarop de onderzoekers informatie ontvangen over de selectieprocedure;7° de wijze waarop de onderzoekers beroep kunnen aantekenen. Het universiteitsbestuur bezorgt uiterlijk voor 31 maart van het eerste jaar waarop het van toepassing is, zijn reglement aan de regeringscommissaris, aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het wetenschapsbeleid, en aan het bevoegde departement, die het ter informatie bezorgt aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs. Afdeling 3 - Verdeling van de overheidsbijdragen aan de Bijzondere

Onderzoeksfondsen Onderafdeling 1. - Verdeelsleutel

Art. 25.Vanaf het begrotingsjaar 2013 wordt de overheidsbijdrage aan de Bijzondere Onderzoeksfondsen onder de universiteiten verdeeld volgens de BOF-sleutel, die rekening houdt met de gegarandeerde minimumaandelen, vermeld in artikel 27, paragraaf 2, eerste lid. De procentuele verdeling wordt afgerond op twee cijfers na de komma na afloop van de berekening.

Art. 26.De overheidsbijdragen aan de Bijzondere Onderzoeksfondsen van de Katholieke Universiteit Leuven en de Katholieke Universiteit Brussel worden samen berekend, waarbij voor de berekening van de parameters de data van de Katholieke Universiteit Leuven en de Katholieke Universiteit Brussel samengeteld worden. De overheid maakt de gezamenlijke bijdrage over aan de Katholieke Universiteit Leuven, die het aandeel van de Katholieke Universiteit Brussel transfereert naar het Bijzondere Onderzoeksfonds van de Katholieke Universiteit Brussel.

Art. 27.§ 1. De BOF-sleutel omvat zes parameters, gebundeld in een structureel deel of onderdeel A, als vermeld in onderafdeling 3 en een bibliometrisch deel of onderdeel B, als vermeld in onderafdeling 4. § 2. Daarnaast wordt in de BOF-sleutel een gegarandeerd minimumaandeel voor de overheidsbijdragen aan het Bijzondere Onderzoeksfonds ingevoerd voor de Universiteit Hasselt, de Vrije Universiteit Brussel en de Universiteit Antwerpen. Dat gegarandeerde minimumaandeel wordt berekend volgens de bepalingen, vermeld in onderafdeling 2, en wordt toegepast als het procentuele aandeel van de genoemde universiteiten berekend op basis van de zes parameters, vermeld in paragraaf 1, lager ligt dan het minimumaandeel.

Het verschil tussen het gegarandeerde minimumaandeel en het procentuele aandeel op basis van de zes parameters van de genoemde universiteiten wordt gerealiseerd door proportionele voorafname op het procentuele aandeel dat behaald is door de andere universiteiten. § 3. De BOF-sleutel wordt ook gehanteerd als BOF-aandeel voor de universiteiten in de andere verdeelmechanismen waarin de BOF-sleutel als een van de criteria wordt gebruikt.

Art. 28.De Vlaamse minister, bevoegd voor het wetenschapsbeleid, legt jaarlijks de BOF-sleutel vast.

Onderafdeling 2. - Berekening van de gegarandeerde minimumaandelen

Art. 29.§ 1. Voor de berekening van het gegarandeerde minimumaandeel, vermeld in artikel 27, paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf het begrotingsjaar 2013 de volgende drie elementen toegevoegd aan de berekening van het aandeel voor de Universiteit Hasselt, de Vrije Universiteit Brussel en de Universiteit Antwerpen : 1° een absoluut minimumaandeel, als vermeld in paragraaf 2;2° een bovengrens van het minimumaandeel, als vermeld in paragraaf 3;3° een groeipad onder de voorwaarden, vermeld in artikel 30, van het absolute minimumaandeel, vermeld in 1°, naar ten hoogste de bovengrens van het minimumaandeel, vermeld in 2°. De elementen, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 3°, worden per universiteit berekend.

Het gegarandeerde minimumaandeel ligt tussen het absolute minimumaandeel, vermeld in paragraaf 2, en de bovengrens van het minimumaandeel, vermeld in paragraaf 3, en wordt bepaald door het groeipad, vermeld in het eerste lid, 3°. § 2. Vanaf het begrotingsjaar 2013 wordt het absolute minimumaandeel voor de desbetreffende universiteiten als volgt vastgelegd :

1° Universiteit Hasselt

2.91 %

2° Vrije Universiteit Brussel

10.12 %

3° Universiteit Antwerpen

11.75 %


§ 3. De bovengrens van het minimumaandeel voor de desbetreffende universiteiten wordt als volgt vastgelegd :

1° Universiteit Hasselt

4 %

2° Vrije Universiteit Brussel

10.5 %

3° Universiteit Antwerpen

13 %


Art.30. Met ingang van begrotingsjaar 2014 wordt het groeipad ten opzichte van het absolute minimumaandeel, vermeld in artikel 29, paragraaf 1, eerste lid, 3°, gerealiseerd volgens de volgende voorwaarden : 1° voor de Universiteit Hasselt groeit het gegarandeerde minimumaandeel jaarlijks evenredig met de ten opzichte van het refertejaar 2011 gerealiseerde relatieve groei van het procentuele aandeel in de onderzoekssokkel van de werkingstoelagen, tot maximaal het groeipad, vermeld in punt 3° ;2° voor de Vrije Universiteit Brussel en de Universiteit Antwerpen wordt de groei van het gegarandeerde minimumaandeel jaarlijks bepaald door de gerealiseerde relatieve groei in de absolute waarden van de gewogen som van de parameters A2, vermeld in onderafdeling 3, en B1, B2 en B3, vermeld in onderafdeling 4, ten opzichte van de gewogen som van de parameters A2, B1, B2 en B3 voor het refertejaar 2013, tot het maximaal groeipad, vermeld in punt 3°, bereikt is, waarbij het gewicht van elke parameter berekend wordt als het gewicht, vermeld in artikel 41, voor die parameter gedeeld door de som van de gewichten van de parameters A2, B1, B2 en B3, vermeld in artikel 41;3° het maximale groeipad bestaat uit vier jaarlijkse stappen van een vierde van het verschil tussen het absolute minimumaandeel, vermeld in artikel 29, paragraaf 2, en de bovengrens van het minimumaandeel, vermeld in artikel 29, paragraaf 3;4° de bovengrens van het minimumaandeel, vermeld in artikel 29, paragraaf 3, wordt ten vroegste bereikt in 2017.De realisatie van het groeipad kan eventueel langer dan vier begrotingsjaren vergen indien de werkelijk gerealiseerde jaarlijkse groei, conform punt 1° of 2°, lager is dan de maximale jaarlijkse groei, conform punt 3° ; 5° de vertraging, vermeld in punt 4°, kan worden ingehaald als in een navolgend jaar cumulatief de vereiste groei ten opzichte van het refertejaar wordt bereikt;6° de gegarandeerde minimumaandelen voor de Universiteit Hasselt, de Vrije Universiteit Brussel en de Universiteit Antwerpen bewegen tussen het absolute minimumaandeel en de bovengrens van het minimumaandeel en blijven dynamisch in de tijd : als, nadat een universiteit de maximale groei, vermeld in punt 3°, bereikt heeft, haar effectieve groei, vermeld in punt 1° en 2° opnieuw krimpt tot onder die maximale groei, wordt het gegarandeerde minimumaandeel tijdelijk opnieuw berekend overeenkomstig de lagere effectieve groei en kan dit vervolgens opnieuw verhogen conform punt 5°. Onderafdeling 3. - Structureel deel : onderdeel A

Art. 31.§ 1. Onderdeel A van de verdeelsleutel is het gewogen gemiddelde van de volgende drie elementen : 1° het procentuele aandeel van iedere universiteit in de diplomaparameter A1, vermeld in artikel 32;2° het procentuele aandeel van iedere universiteit in de doctoraatsparameter A2, vermeld in artikel 33;3° het procentuele aandeel van iedere universiteit in de diversiteitsparameter A3, vermeld in artikel 34. § 2. Conform artikel 7 van het verdrag tussen de Vlaamse Gemeenschap van België en het Koninkrijk der Nederlanden inzake de transnationale Universiteit Limburg, ondertekend in Maastricht op 18 januari 2001, wordt voor de UHasselt bij de bepaling van de diploma's, vermeld in paragraaf 1, 1° en 2° alleen rekening gehouden met de diploma's die verleend zijn aan : 1° de Belgische studenten;2° de studenten met een andere nationaliteit dan de Belgische of de Nederlandse die evenwel pro rata aangerekend worden volgens het aandeel van de diploma's die verleend zijn aan Belgische studenten in het totaal aantal diploma's die verleend zijn aan Belgische en Nederlandse studenten. Bij de bepaling van die aantallen wordt rekening gehouden met de nationaliteit van betrokkenen op het ogenblik van de inschrijving voor het academiejaar in kwestie.

Art. 32.§ 1. Voor de becijfering van de verdeelsleutel voor het jaar t worden voor de diplomaparameter A1 de volgende diploma's in rekening gebracht : de initiële masterdiploma's, inclusief tweedecyclusdiploma's, rekening houdend met de bepaling in paragraaf 2, en het aantal uitgereikte diploma's in die initiële bacheloropleidingen waarvoor de desbetreffende universiteit geen aansluitende masteropleiding aanbiedt, afgeleverd in een financierbare studierichting tijdens de vier afgesloten academiejaren [(t-6) - (t-5)] tot en met [(t-3) - (t-2)]. § 2. Bij de berekening van de diplomaparameter worden de masterdiploma's van de academisch gerichte opleidingen die met ingang van het academiejaar 2013-2014 worden overgedragen naar een universiteit in rekening gebracht naar rato van de percentages in het volgende schema :

masterdiploma's van de overgedragen academisch gerichte opleidingen opgenomen in de diplomaparameter (in %)

jaar t

(t-6) - (t-5)

(t-5) - (t-4)

(t-4) - (t-3)

(t-3) - (t-2)

2016

25

2017

25

50

2018

25

50

75

2019

25

50

75

100

2020

50

75

100

100

2021

75

100

100

100


Vanaf de verdeelsleutel voor het jaar t = 2022 worden alle masterdiploma's volledig meegeteld. § 3. De diploma's krijgen een wegingsfactor die gelijk is aan het puntengewicht van hun studiegebied, vermeld in artikel 23, § 1, 2°, 3° en 4° van het decreet van 14 maart 2008 betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en de universiteiten in Vlaanderen.

Art. 33.Voor de becijfering van de verdeelsleutel voor het jaar t wordt voor de doctoraatsparameter A2 de volgende elementen in rekening gebracht : het aantal doctoraatsdiploma's afgeleverd tijdens de vier afgesloten academiejaren [(t-6) - (t-5)] tot en met [(t-3) - (t-2)].

Het procentueel aandeel van iedere universiteit in de doctoraatsparameter bestaat voor 75 % uit het aandeel binnen de gewogen doctoraatsdiploma's, en voor 25 % uit het aandeel binnen de ongewogen doctoraatsdiploma's.

Voor de berekening van het aandeel binnen de gewogen doctoraatsdiploma's krijgen de diploma's een wegingsfactor die gelijk is aan het puntengewicht van de opleidingen in hun studiegebied die leiden tot de graad van master, vermeld in artikel 23, § 1, 2°, 3° en 4° van het decreet van 14 maart 2008 betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en de universiteiten in Vlaanderen. Als twee of meer Vlaamse universiteiten een reële bijdrage leveren aan de wetenschappelijke begeleiding en materiële ondersteuning van de voorbereiding van een proefschrift met het oog op het behalen van een diploma van doctor en een van die universiteiten geen onderwijsbevoegdheid heeft in het studiegebied van het uitgereikte diploma, kunnen de betrokken universiteiten een overeenkomst sluiten voor de fractionele aanrekening van het diploma met het oog op de bepaling van het procentueel aandeel, vermeld in artikel 31, paragraaf 1, 2°, op voorwaarde dat de som van de fracties altijd gelijk is aan een eenheid voor de wegingsfactor, vermeld in artikel 41, wordt toegepast.

Art. 34.Voor de becijfering van de verdeelsleutel voor het jaar t worden voor de diversiteitsparameter A3 de volgende elementen in rekening gebracht : het aandeel van elke universiteit in de som van het aantal vrouwelijke onderzoekers in voltijdse eenheden in een graad van het ZAP, het aantal vrouwelijke onderzoekers in voltijdse eenheden in het assisterend academisch personeel op postdoctoraal niveau en het aantal vrouwelijke onderzoekers in voltijdse eenheden in het wetenschappelijk personeel buiten de werkingsmiddelen op postdoctoraal niveau binnen een glijdend tijdsvenster genomen van het jaar (t-5) tot en met (t-2).

Onderafdeling 4. - Bibliometrisch deel : parameter B

Art. 35.Onderdeel B van de verdeelsleutel wordt berekend als het procentueel aandeel van elke universiteit in elk van drie volgende elementen die als criteria voor productiviteit en internationale kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek worden beschouwd : 1° parameter B1 : het aantal publicaties in SCIE, SSCI, AHCI, CPCI-S en CPCI-SSH;2° parameter B2 : het aantal publicaties VABB-SHW;3° parameter B3 : het aantal citaties. In het eerste lid wordt verstaan onder publicatie VABB-SHW : een publicatie, verwerkt voor het VABB-SHW, exclusief alle publicaties, verwerkt voor de SCIE, SSCI, AHCI, CPCI-S of CPCI-SSH.

Art. 36.§ 1. Bij het aantal publicaties in SCIE, SSCI, AHCI, CPCI-S en CPCI-SSH, vermeld in artikel 35, 1° wordt een onderscheid gemaakt tussen de volgende categorieën van publicaties : 1° publicaties SCIE of SSCI met impactfactor;2° publicaties SCIE of SSCI zonder impactfactor;3° publicaties AHCI;4° publicaties CPCI-S of CPCI-SSH. Voor elke categorie wordt het procentuele aandeel van elke universiteit berekend.

In het eerste lid wordt verstaan onder : 1° publicatie SCIE of SSCI met impactfactor : een publicatie, verschenen in een tijdschrift, verwerkt voor de SCIE of SSCI, waarvan een impactfactor berekend kan worden, toegewezen aan een van de volgende publicatietypes 'Article, Letter, Note, Review, Proceedings paper';2° publicatie SCIE of SSCI zonder impactfactor : een publicatie, verschenen in een tijdschrift, verwerkt voor de SCIE of SSCI, waarvan geen impactfactor berekend kan worden, toegewezen aan een van de volgende publicatietypes 'Article, Letter, Note, Review, Proceedings paper';3° publicatie AHCI : een publicatie, verschenen in een tijdschrift, verwerkt voor de AHCI, toegewezen aan een van de volgende publicatietypes 'Article, Letter, Note, Review, Proceedings paper', exclusief de publicaties van SCIE of SSCI die al geteld worden;4° publicatie CPCI-S of CPCI-SSH : een publicatie verwerkt voor de Conference Proceedings Citation Index-Science (CPCI-S) en Conference Proceedings Citation Index-Social Sciences & Humanities (CPCI-SSH), toegewezen aan een van de volgende publicatietypes 'Article, Letter, Note, Review en Proceedings paper', exclusief de publicaties van SCIE, SSCI of AHCI die al geteld worden. § 2. De onderlinge gewichten van de vier categorieën, vermeld in paragraaf 1, worden bepaald door het relatieve aandeel publicaties binnen elke categorie ten opzichte van het totale aantal publicaties vermeld in artikel 35, 1°. De publicaties, vermeld in categorie paragraaf 1, eerste lid, 4°, worden voor de berekening van het relatieve aandeel en het totale aantal meegeteld met een gewicht 0,50. § 3. Voor de berekening van het procentuele aandeel van elke universiteit in de publicaties, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° wordt het volgende classificatiemodel toegepast : 1° alle tijdschriften met een impactfactor, verwerkt in SCIE en SSCI, worden ingedeeld en gerangschikt in een van de disciplines.Elk tijdschrift wordt gerangschikt op basis van het gemiddelde van de impactfactoren van het tijdschrift in de referentieperiode vermeld in artikel 38, derde lid. De jaren waarin een tijdschrift geen impactfactor heeft, worden niet meegeteld om het gemiddelde van de impactfactoren voor het tijdschrift te berekenen. Als tijdschriften in verschillende disciplines voorkomen, wordt het tijdschrift enkel behouden in de discipline waar het relatief het hoogst gerangschikt wordt; 2° na de rangschikking, wordt de tijdschriftlijst van elk van de disciplines in twintig gelijke segmenten verdeeld.Als de verdeling van de tijdschriften binnen een discipline over de segmenten een niet-geheel getal oplevert, wordt het betrokken tijdschrift in het meest gunstige segment gerangschikt; 3° de publicaties krijgen een wegingsfactor toegekend volgens het segment waarin het tijdschrift is gerangschikt.De volgende gewichten zijn gelijk voor elk van de disciplines, geordend van segment 1 tot en met segment 20 volgens dalende geassocieerde impactfactoren :

segment

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

11

12

13

14

15

16

17

18

19

20

gewicht

10

6

3

2

1

1

1

1

1

1

1

1

1

1

0,5

0,5

0,1

0,1

0,1

0,1


Nadat aan alle publicaties een wegingsfactor is toegekend, wordt per universiteit het procentuele aandeel berekend. § 4. Voor de berekening van het procentuele aandeel van elke universiteit in de publicaties, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°, 3° en 4° wordt een bruto-telling van het aantal publicaties gehanteerd.

Art. 37.Voor de berekening van het procentuele aandeel van elke universiteit in de publicaties in het VABB-SHW, vermeld in artikel 35, 2°, wordt het volgende telschema toegepast : 1° artikelen, verschenen in tijdschriften, verwerkt in het VABB-SHW, worden geteld met een gewicht 1;2° boeken als auteur, verschenen bij uitgevers, verwerkt in het VABB-SHW, worden geteld met een gewicht 4;3° boeken als editor, verschenen bij uitgevers, verwerkt in het VABB-SHW, worden geteld met een gewicht 1;4° artikelen of gedeelten in boeken, verschenen bij uitgevers, verwerkt in het VABB-SHW, worden geteld met een gewicht 1;5° artikelen in proceedings die geen special issues van tijdschriften of edited boeken zijn en die verwerkt worden in het VABB-SHW, worden geteld met een gewicht van 0,50. Het telschema, vermeld in het eerste lid, kan jaarlijks door de Vlaamse Regering worden gewijzigd. Voor een wijziging van het VABB-SHW-telschema vanaf het begrotingsjaar t moet het Gezaghebbende Panel, vermeld in hoofdstuk 2, afdeling 2, uiterlijk op 1 maart van het jaar (t-1) een voorstel formuleren aan de Vlaamse minister bevoegd voor het wetenschapsbeleid.

Art. 38.Voor de vaststelling van het aantal publicaties van een universiteit in een bepaald jaar wordt onder publicatie van een universiteit verstaan : 1° wat betreft de publicaties vermeld in artikel 35, 1° : een publicatie waarvan een of meer adressen die erop vermeld worden, naar de universiteit of naar het universitair ziekenhuis verwijzen, los van het feit of het universitaire ziekenhuis tot de rechtspersoon van de universiteit behoort;2° voor wat betreft de publicaties vermeld in artikel 35, 2° : een publicatie waarop één of meerdere leden van haar academisch personeel vermeld worden als auteur. In het telschema kan een publicatie slechts eenmaal aan een universiteit worden toegewezen. Publicaties van een universiteit die het resultaat zijn van een samenwerking met een of meer binnen- of buitenlandse instellingen of organisaties, worden als één publicatie aan elke betrokken Vlaamse universiteit toegewezen.

Voor de vaststelling van het aantal publicaties, vermeld in artikel 35, 1° en 2°, wordt een glijdend tijdsvenster genomen van de publicatiejaren (t-12) tot en met (t-3) voorafgaand aan het jaar t.

Art. 39.Voor de berekening van het procentuele aandeel van elke universiteit in de categorie citaties, vermeld in artikel 35, 3°, wordt een bruto-telling van het aantal citaties gehanteerd. Die telling omvat citaties naar publicaties, waarvan een of meer adressen die erop vermeld worden, naar de universiteit of naar het universitair ziekenhuis verwijzen, los van het feit of het universitaire ziekenhuis tot de rechtspersoon van de universiteit behoort.

Art. 40.Voor de vaststelling van het aantal citaties vermeld in artikel 35, 3° wordt een glijdend tijdsvenster genomen van maximaal tien jaar, beginnend met het jaar (t-12) of met het jaar waarin de publicatie verschenen is, tot en met het jaar (t-3) voorafgaand aan het begrotingsjaar t.

De citaties worden geteld aan de kant van de geciteerde publicatie, namelijk het aantal citerende publicaties die in hun referentielijst verwijzen naar de geciteerde publicatie.

In het telschema kan een citatie slechts eenmaal aan dezelfde universiteit worden toegewezen. Een citatie naar een publicatie van een universiteit die het resultaat is van een samenwerking met een of meerdere binnen- of buitenlandse instellingen of organisaties, wordt als één citatie aan elke betrokken Vlaamse universiteit toegewezen.

Onderafdeling 5. - Gewichten van de parameters

Art. 41.Om de onderlinge weging van de parameters, vermeld in artikel 31 en 35, te verrichten worden de volgende factoren toegepast :

jaar t

2013

2014

2015

vanaf 2016

structureel deel


gewicht A1

25,00 %

25,00 %

24,00 %

23,00 %

gewichtA2

35,00 %

35,00 %

35,00 %

35,00 %

gewichtA3

3,00 %

2,00 %

2,00 %

2,00 %

som

63,00 %

62,00 %

61,00 %

60,00 %

bibliometrisch deel


gewichtB1

15,36 %

15,77 %

16,19 %

16,60 %

gewichtB2

6,28 %

6,46 %

6,62 %

6,80 %

gewichtB3

15,36 %

15,77 %

16,19 %

16,60 %

som

37,00 %

38,00 %

39,00 %

40,00 %


Onderafdeling 6. - Aanlevering van de gegevens

Art. 42.De gegevens voor de berekening van de diploma- en doctoraatsparameters A1 en A2, vermeld in artikel 31, paragraaf 1, 1° en 2°, worden door de administratie die verantwoordelijk is voor de Databank Hoger Onderwijs, uiterlijk op 30 juni van het jaar (t-1) bezorgd aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het wetenschapsbeleid, en aan het bevoegde departement.

De gegevens voor de fractionele aanrekening van de doctoraatsdiploma's vermeld in artikel 33, vierde lid worden uiterlijk op 30 juni van het jaar (t-1) aangeleverd door de Vlaamse Interuniversitaire Raad aan de Vlaamse minister bevoegd voor het wetenschapsbeleid, het bevoegde departement en de commissarissen die het toezicht uitoefenen op de universiteiten na een gezamenlijke validatie ervan door de universiteiten.

Art. 43.De gegevens voor de berekening van de diversiteitsparameter (A3) worden aangeleverd uiterlijk op 30 juni van het jaar (t-1) door de Vlaamse Interuniversitaire Raad aan de Vlaamse minister bevoegd voor het wetenschapsbeleid, het bevoegde departement en de commissarissen die het toezicht uitoefenen op de universiteiten na een gezamenlijke validatie ervan door de universiteiten.

Art. 44.§ 1. De gegevens voor onderdeel B, vermeld in onderafdeling 4, worden door ECOOM uiterlijk op 30 juni van jaar (t-1) aan het bevoegde departement aangeleverd. § 2. Voorafgaand daaraan worden de gegevens van parameter B1, vermeld in artikel 35, 1° voor de jaren (t-4) en (t-3) gevalideerd. Daarvoor bezorgen de universiteiten aan ECOOM de gegevens van de publicaties die zijn verwerkt in de bronbestanden, vermeld in artikel 1, 1°, 5°, 6°, 15° en 16°, maar die niet zijn opgenomen in de gegevensbestanden die ECOOM heeft aangemaakt. ECOOM onderzoekt, uitgaande van de oorspronkelijke datasets of : 1° de gemelde publicatie vergeten was bij een vorige validatie voor het jaar (t-4) of bij de aanvulling van de gegevensbestanden voor het jaar (t-3);2° de gemelde publicatie later toegevoegd werd door de producent van de bronbestanden bij de backlog-aanpassingen. Alleen de publicaties, vermeld in het eerste lid, 1°, worden in aanmerking genomen bij de hervalidatie. ECOOM gaat ook telkens na wanneer de producent een publicatie via de backlog heeft toegevoegd, zodat altijd op objectieve gronden kan worden aangetoond wanneer de databaseproducent een publicatie buiten het gehanteerde tijdsvenster heeft toegevoegd. § 3. Vanaf het begrotingsjaar 2013 legt ECOOM de gegevens voor de berekening van parameter B1 en B2 als vermeld in artikel 35, 1° en 2° die betrekking hebben op de jaren (t-4) en (t-3) en van parameter B3 als vermeld in artikel 35, 3° die betrekking heeft op de periode van jaar (t-12) tot en met jaar (t-3) ter validatie voor aan het beheerscomité, dat door de Vlaamse Regering bij ECOOM is ingesteld.

Als het beheerscomité geen consensus bereikt over de validatie, neemt de Vlaamse minister, bevoegd voor het wetenschapsbeleid, een beslissing. De Vlaamse minister, bevoegd voor het wetenschapsbeleid, deelt de beslissingen mee aan de universiteiten en aan ECOOM. § 4. Het beheerscomité van ECOOM stelt een beroepsprocedure op voor de melding en de behandeling van verzoeken van de universiteiten tot rechtzetting van materiële vergissingen en onjuistheden. Die procedure wordt goedgekeurd door de Vlaamse minister bevoegd voor het wetenschapsbeleid. § 5. ECOOM publiceert de lijst van gerangschikte tijdschrifttitels, vermeld in artikel 36, paragraaf 3, eerste lid, 1°, op zijn website. Afdeling 4. - Besteding van de middelen

Art. 45.Bij nieuwe aanstellingen in het ZAP, gefinancierd met de globale middelen van het Bijzondere Onderzoeksfonds, worden de volgende voorwaarden gerespecteerd : 1° de aanstelling is geënt op de procedure die geldt aan de universiteit voor de werving van nieuwe leden van het ZAP;2° het universiteitsbestuur streeft naar een genderbalans, waarbij ten hoogste drie vijfden van de doctoraatshoudende leden van het academisch personeel van hetzelfde geslacht is;3° zolang op het niveau van een betrokken wetenschapsgroep aan het streefcijfer vermeld in punt 2° niet is voldaan, geeft het universiteitsbestuur voor betrekkingen binnen die wetenschapsgroep bij gelijke kwalificaties in beginsel voorrang aan de kandidaten van het ondervertegenwoordigde geslacht.Deze voorrang is niet automatisch en onvoorwaardelijk, daar bij de beoordeling steeds rekening moet worden gehouden met de persoonlijke situatie van elke kandidaat; 4° van de voorrangsregeling vermeld in punt 3° wordt melding gemaakt bij de oproep tot de kandidaten.

Art. 46.Bij nieuwe aanstellingen op postdoctoraal niveau, gefinancierd met de globale middelen van het Bijzondere Onderzoeksfonds, worden volgende voorwaarden gerespecteerd : 1° het universiteitsbestuur streeft naar een genderbalans, waarbij ten hoogste drie vijfden van de doctoraatshoudende leden van het academisch personeel van hetzelfde geslacht is;2° zolang op het niveau van een betrokken wetenschapsgroep aan het streefcijfer vermeld in punt 1° niet is voldaan, geeft het universiteitsbestuur voor betrekkingen binnen die wetenschapsgroep bij gelijke kwalificaties in beginsel voorrang aan de kandidaten van het ondervertegenwoordigde geslacht.Deze voorrang is niet automatisch en onvoorwaardelijk, daar bij de beoordeling steeds rekening moet worden gehouden met de persoonlijke situatie van elke kandidaat; 3° van de voorrangsregeling, vermeld in punt 2°, wordt melding gemaakt bij de oproep tot de kandidaten.

Art. 47.De leden van het ZAP, van wie de loonkosten ter uitvoering van artikel 21, eerste lid, 1° naar de werkingsmiddelen worden getransfereerd, moeten voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° leden van het ZAP die aangesteld of benoemd zijn voor 1 januari 2007 hebben een voltijdse ZAP-aanstelling en krijgen, overeenkomstig een door het universiteitsbestuur bepaalde regeling, in hoofdzaak een onderzoeksopdracht en daarnaast slechts een beperkte onderwijsopdracht waarvan de omvang uitgedrukt in studiepunten niet meer bedraagt dan acht studiepunten per semester, gemiddeld over drie jaar;2° leden van het ZAP hebben een minimale ZAP-aanstellingsomvang van 80 % aan de universiteit en krijgen, overeenkomstig een door het universiteitsbestuur bepaalde regeling, in hoofdzaak een onderzoeksopdracht en daarnaast slechts een beperkte onderwijsopdracht waarvan de omvang uitgedrukt in studiepunten niet meer bedraagt dan acht studiepunten per semester, gemiddeld over drie jaar;3° de ZAP-mandaten zijn hernieuwbaar en hebben een looptijd tussen één en vijf jaar.De maximale totale looptijd van mandaten voor hetzelfde ZAP-lid is tien jaar, exclusief de termijn van een eventueel voorafgaand tenure track-mandaat als vermeld in artikel 51 en met uitzondering van de mandaten, vermeld in artikel 48, derde lid, waarvan de totale looptijd meer dan tien jaar mag bedragen; 4° in afwijking van punt 3° mag, naast de mandaten, vermeld in artikel 48, hoogstens 25 % van de middelen getransfereerd ter uitvoering van artikel 21, eerste lid, 1° besteed worden aan mandaten, die voor onbepaalde termijn ten laste van het Bijzondere Onderzoeksfonds blijven;5° in afwijking van punt 1° en 2° mag hoogstens 15 % van de middelen getransfereerd ter uitvoering van artikel 21, eerste lid, 1° besteed worden aan ZAP-mandaten met een minimale aanstellingsomvang van 50 % aan de universiteit, die bij een andere instelling aangevuld wordt tot een minimale aanstellingsomvang van 80 % in totaal op voorwaarde dat deze aanvullende opdracht inhoudelijk aansluit bij het BOF-ZAP mandaat;6° alle leden van het ZAP die vanaf 2009 voor het eerst worden aangesteld of benoemd in de graad van docent, worden aangesteld in het tenure track-stelsel, vermeld in artikel 64, tweede lid, van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap.

Art. 48.De bruto loonkosten, verhoogd met de bijdrage voor het extralegale pensioen, van elke mandaathouder met een contract van onbepaalde duur bij het FWO-Vlaanderen, die na 1 oktober 2000 in dienst blijft bij het FWO-Vlaanderen, worden door het FWO-Vlaanderen aan de universiteit die als onthaalinstelling van de betrokken vorser optreedt, aangerekend. Het FWO-Vlaanderen is daarbij niet gerechtigd tot het aanrekenen van andere vergoedingen of kosten zoals beheerskosten. Het universiteitsbestuur is ertoe gehouden die facturen te voldoen met middelen uit zijn Bijzonder Onderzoeksfonds.

Het maximale bedrag dat met toepassing van artikel 21, eerste lid, 1° kan worden toegevoegd aan de werkingstoelagen, wordt verminderd met het bedrag dat met toepassing van de bepalingen van het eerste lid van dit artikel door de universiteit verschuldigd is aan het FWO-Vlaanderen.

De vorsers die vroeger vast aangesteld waren door het FWO en die per 1 oktober 2000 overgeheveld zijn en die gerangschikt worden als lid van het ZAP, vervullen hun mandaat volgens de bepalingen, vermeld in artikel 47. Zolang ze gefinancierd worden door de middelen, vermeld in artikel 21, eerste lid, 1°, en voor zover hun onderwijsopdracht ten hoogste acht studiepunten per semester bedraagt, gemiddeld over drie jaar, of, bij overschrijding daarvan, ten hoogste het niveau bedraagt van de onderwijsopdracht die hen was toevertrouwd op datum van 1 oktober 2000, worden de door hen beklede mandaten niet in rekening gebracht voor de berekening van de personeelsformatie, vermeld in artikel 158 tot en met 160 van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap.

Art. 49.Minstens 50 % van de middelen van het Bijzondere Onderzoeksfonds wordt besteed aan projecten van fundamenteel wetenschappelijk onderzoek die behoren tot een van de volgende types : 1° projecten met een looptijd van vier tot zes jaar en met een jaarlijkse minimumfinanciering van 150.000 euro, die worden uitgevoerd door onderzoekseenheden waarvan de uitstekende wetenschappelijke waarde op grond van objectieve gegevens aantoonbaar is, inzonderheid op grond van publicaties of andere indicatoren van wetenschappelijke kwaliteit. De Vlaamse minister, bevoegd voor het wetenschapsbeleid, kan dat minimumbedrag optrekken; 2° projecten met een looptijd van twee tot vijf jaar en een jaarlijkse minimumfinanciering van 45.000 euro. De Vlaamse minister, bevoegd voor het wetenschapsbeleid, kan dit minimumbedrag optrekken.

De junior onderzoekers die werken aan projecten die gefinancierd worden ten laste van het Bijzondere Onderzoeksfonds, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, worden in de mogelijkheid gesteld een doctoraatsproefschrift voor te bereiden en, in voorkomend geval, de doctoraatsopleiding te volgen.

Als blijkt dat de bedragen overeenstemmend met het percentage, vermeld in het eerste lid, gemeten aan de aan projecten toegekende middelen, niet integraal zijn toegekend op 31 oktober van het jaar (t+1), blijft het verschil met behoud van bestemming ter beschikking van het universiteitsbestuur.

Art. 50.Jaarlijks zal de universiteit minstens 3,5 % van de middelen van het Bijzondere Onderzoeksfonds besteden aan onderzoeksmandaten of -projecten in het kader van internationale wetenschappelijke samenwerking. Voor onderzoeksmandaten voor buitenlandse onderzoekers zijn de aanvaardbare kosten beperkt tot de personeelskosten (salaris of beurs), eventueel te vermeerderen met een bench fee. Voor de onderzoeksprojecten kunnen personeels-, werkings- en uitrustingskosten worden ingebracht. HOOFDSTUK 4. - Tenure track-financiering

Art. 51.De tenure track-financiering, als vermeld in artikel 17, 2°, dient besteed te worden aan de aanstelling van docenten, verbonden aan universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, vermeld in artikel 64, tweede lid, van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap..

De tenure track-financiering wordt met behoud van bestemming toegevoegd aan het Bijzondere Onderzoeksfonds.

Zoals bepaald in artikel 25 gebeurt de verdeling van de tenure track-financiering onder de Vlaamse universiteiten overeenkomstig het in Hoofdstuk III, afdeling 3 beschreven verdeelmechanisme.

Art. 52.De docenten in het tenure track-stelsel van wie de loonkosten worden gedragen door overheveling uit het BOF naar de werking als vermeld in artikel 21, derde lid, genieten een minimale ZAP-aanstellingsomvang van 80 %, waarbij hoogstens de helft van de aanstelling vervuld kan worden door een postdoctoraal mandaat van het FWO-Vlaanderen. HOOFDSTUK 5. - De Methusalem-financiering voor internationaal toonaangevende onderzoekers Afdeling 1. - Kenmerken van de financiering

Art. 53.Voor de toekenning van langetermijnprogrammafinanciering aan een beperkt aantal uitmuntende ZAP-leden, verbonden aan universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, legt de Vlaamse Regering, als vermeld in artikel 17, 3°, jaarlijks binnen de perken van de uitgavenbegroting een subsidie vast voor de financiering van Methusalem.

De Methusalem-financiering wordt toegekend en aangewend overeenkomstig de voorwaarden, gesteld in dit hoofdstuk.

Zoals bepaald in art. 63/3, paragraaf 3 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de organisatie en financiering van het wetenschaps- en innovatiebeleid, wordt de Methusalem-financiering verdeeld onder de Vlaamse universiteiten overeenkomstig het in Hoofdstuk III, afdeling 3 beschreven verdeelmechanisme.

Art. 54.Zoals bepaald in art. 63/3, paragraaf 4 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de organisatie en financiering van het wetenschaps- en innovatiebeleid, wordt de Methusalem-financiering met behoud van bestemming toegevoegd aan het Bijzondere Onderzoeksfonds.

De aan het Bijzondere Onderzoeksfonds toekomende middelen die na afloop van het kalenderjaar in kwestie niet zijn toegewezen, kunnen met behoud van bestemming worden overgedragen naar de begroting van de universiteit van het volgende jaar.

Art. 55.Het staat de universiteiten vrij het beschikbare bedrag voor de Methusalem-financiering te verhogen vanuit de volgende middelen : 1° eigen middelen;2° middelen uit het onbestemde deel van het Bijzondere Onderzoeksfonds.

Art. 56.Voor de uitvoering van de Methusalem-financiering kunnen de universiteiten overheadkosten aanrekenen tot maximaal 8 %.

Overheadkosten kunnen worden besteed aan de vergoeding van werkingskosten en loonkosten die rechtstreeks verbonden zijn aan het beheer van onderzoeksprojecten die bekostigd worden met de Methusalem-financiering, of van centrale beheerskosten en algemene exploitatiekosten van de universiteit. Afdeling 2. - Voorwaarden voor financiering

Art. 57.Zoals bepaald in art. 63/3, paragraaf 5 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de organisatie en financiering van het wetenschaps- en innovatiebeleid, zijn de Vlaamse universiteiten belast met het operationele en financiële beheer van de Methusalem-financiering.

Art. 58.Een universiteit die de procedure start voor de toekenning van Methusalem-financiering door een oproep te lanceren, deelt dat aan de andere Vlaamse universiteiten mee in het kader van een mogelijk overleg over samenwerking tussen onderzoekers uit verschillende instellingen.

In de aanvraag tot het verkrijgen van Methusalem-financiering verklaren de kandidaten uitdrukkelijk in te stemmen met een eventuele bekendmaking conform artikel 67.

Art. 59.Kandidaten voor de Methusalem-financiering moeten : 1° aan de criteria van excellentie voldoen waaruit blijkt dat ze substantieel bijdragen aan de ontwikkeling van hun vakgebied en daarvoor internationale erkenning genieten;2° bewijzen dat ze meer dan andere onderzoekers onderzoeksmiddelen hebben weten te verwerven, zoals projecten als vermeld in artikel 49, eerste lid, 1°, IUAP-, EU-, FWO- en IWT-financiering;3° over een onderzoeksgroep beschikken met een voldoende kritieke massa, zoals onder meer blijkt uit het aantal postdoctorale onderzoekers dat er over een langere periode deel van uitmaakt;4° een onderzoeksplan bij de betreffende universiteit of universiteiten indienen, dat een begroting bevat met een indicatieve verdeling van de geplande uitgaven over een periode van zeven jaar.

Art. 60.§ 1. Zoals bepaald in art. 63/3, paragraaf 7 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de organisatie en financiering van het wetenschaps- en innovatiebeleid, stelt elke universiteit internationale panels samen voor de beoordeling van de kandidaten. De leden van die panels werken niet in België en genieten een internationale erkenning. Bij de samenstelling van de panels wordt rekening gehouden met de discipline of, in geval van interdisciplinair onderzoek, met de disciplines waarin de kandidaten actief zijn.

In het geval van een samenwerkingsverband tussen twee of meer universiteiten, vermeld in paragraaf 6, stellen de betrokken universiteiten één enkel panel samen. § 2. In een panel moet de universiteit ernaar streven dat ten hoogste twee derde van het totale aantal leden van hetzelfde geslacht is.

Gemiddeld over de laatste vijf samengestelde panels, die een universiteit instelt, mag ten hoogste twee derde van het totale aantal leden van hetzelfde geslacht zijn. § 3. Het panel toetst de aanvraag aan de eisen, vermeld in artikel 59, rekening houdend met de specificiteit van het vakgebied en het onderzoeksdomein in kwestie.

Het panel maakt de wijze van toetsing inzichtelijk.

Het panel gaat ook na of met het aangevraagde bedrag van de Methusalem-financiering de onderzoeksgroep verder uitgebouwd kan worden tot een internationale referentiepositie. Het panel kan in dat verband bijsturingen voorstellen. § 4. Het panel legt zijn bevindingen neer in een omstandig beargumenteerd advies. § 5. Op advies van de onderzoeksraad en eventueel andere instanties die aangewezen zijn door het universiteitsbestuur beslist het universiteitsbestuur, rekening houdend met het globale onderzoeksbeleid van de universiteit welke kandidaten die door een panel positief zijn beoordeeld, financiering zullen ontvangen. Als het aangevraagde bedrag aan financiering wordt aangepast, moet het universiteitsbestuur rekening te houden met het advies van het panel ter zake en wordt de beslissing om daar eventueel van af te wijken onderbouwd. § 6. Als twee of meer universiteiten beslissen om samen financiering toe te kennen, sluiten ze een overeenkomst, waarin het volgende bepaald wordt : 1° de getroffen regeling voor het functioneren van het geheel;2° het aandeel van elke universiteit in de financiering;3° de voorwaarden inzake beëindiging van de financiering overeenkomstig artikel 66, paragraaf 1. Afdeling 3. - Organisatorische elementen

Art. 61.Het ZAP-lid ontvangt, met behoud van de toepassing van de bepalingen, vermeld in afdeling 4, financiering tot aan het emeritaat.

Het ZAP-lid treedt op als wetenschappelijk directeur en draagt de eindverantwoordelijkheid voor de besteding van de Methusalem-financiering, het onderzoeksbeleid en het dagelijks bestuur van de onderzoeksgroep in het kader van Methusalem.

Bij een samenwerkingsverband tussen twee of meer universiteiten fungeert het ene ZAP-lid als directeur en het andere ZAP-lid of de andere ZAP-leden als codirecteur.

Art. 62.De omvang van de middelen is afhankelijk van de discipline en bedraagt over de periode van zeven jaar jaarlijks gemiddeld minstens 400.000 euro en maximaal 2.000.000 euro per jaar.

In het geval van een samenwerkingsverband tussen twee of meer universiteiten, vermeld in artikel 60, paragraaf 6, gelden bovenstaande minimum- en maximumbedragen voor de financiering die de universiteiten samen toekennen.

Het ZAP-lid kan de middelen besteden aan werking, personeel, uitgezonderd de salariskosten, vermeld in het vijfde lid, en uitrusting.

De universiteit stelt aan het ZAP-lid en zijn onderzoeksgroep de nodige lokalen en basisvoorzieningen ter beschikking.

De universiteit betaalt de salariskosten van het ZAP-lid en van eventuele andere ZAP-leden die verbonden zijn aan de onderzoeksgroep, voor wat het gedeelte van hun aanstelling als ZAP betreft.

Art. 63.De toekenning van een Methusalem-financiering aan ZAP-leden sluit niet uit dat onderzoekers die verbonden zijn aan de onderzoeksgroep van betrokken ZAP-leden middelen verwerven van andere financieringsbronnen, in het bijzonder de middelen, vermeld in artikel 17.

Art. 64.In de onderzoeksgroep die betrokken is bij Methusalem van het ZAP-lid aan wie een Methusalem-financiering wordt toegekend, wordt een beheerscomité ingesteld, dat het wetenschappelijk beleid van die groep stuurt. Het ZAP-lid aan wie de financiering wordt toegekend, fungeert als voorzitter. In geval van een samenwerkingsverband tussen twee of meer universiteiten, als vermeld in artikel 60, paragraaf 6, wordt één beheerscomité ingesteld. Een van de ZAP-leden aan wie financiering wordt toegekend, fungeert als voorzitter en het andere ZAP-lid of de andere ZAP-leden aan wie financiering wordt toegekend, als covoorzitter.

De onderzoeksgroep of, in geval van een samenwerkingsverband, de onderzoeksgroepen stellen ook een adviesraad in, waarin onderzoekers zitten die in het vakgebied in kwestie internationale erkenning genieten. Deze adviesraad biedt onder meer ondersteuning bij het uitstippelen van het langetermijn onderzoeksbeleid en het vaststellen van prioriteiten in de onderzoeksagenda. Afdeling 4. - Evaluatie en beëindiging van een Methusalem-project

Art. 65.§ 1. Zoals bepaald in art. 63/3, paragraaf 8 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de organisatie en financiering van het wetenschaps- en innovatiebeleid, wordt de onderzoeker die financiering ontvangt, om de zeven jaar door een panel, dat aan de voorwaarden, vermeld in artikel 60, voldoet, geëvalueerd. Dat panel beoordeelt of : 1° het verrichte werk internationaal toonaangevend is en aan de verwachtingen voldoet;2° het human resources-beleid en in het bijzonder de mate waarin postdoctorale onderzoekers die werken in onderzoeksgroepen van ZAP-leden die Methusalem-financiering ontvangen, worden gestimuleerd om ervaring op te doen met het opzetten van zelfstandig onderzoek;3° het onderzoeksplan voor de volgende zeven jaar en de aangevraagde financiering adequaat zijn. Het panel kan suggesties voor de ontwikkeling van het onderzoek doen.

In geval van een samenwerkingsverband tussen twee of meer universiteiten als vermeld in artikel 60, paragraaf 6, wordt door de betrokken universiteiten één evaluatiepanel samengesteld. § 2. Op basis van de tussentijdse evaluatie, vermeld in paragraaf 1, beslist het universiteitsbestuur over de voortzetting van de financiering. Bij een positieve evaluatie heeft het universiteitsbestuur het recht om het toegekende bedrag te wijzigen, binnen de bepalingen van artikel 62, eerste lid. Bij een negatieve evaluatie kan de financiering worden stopgezet, conform de bepalingen in artikel 66, paragraaf 1.

Art. 66.§ 1. Als de financiering wordt beëindigd op grond van een negatieve tussentijdse evaluatie, worden de toegekende middelen vanaf het jaar dat de beslissing is genomen, jaarlijks verminderd met 25 %.

Als de financiering wordt beëindigd omdat het ZAP-lid het emeritaat bereikt, worden de toegekende middelen vanaf het derde jaar voor de beëindiging jaarlijks verminderd met 25 %.

Als een onderzoeker, die financiering ontvangt, om andere redenen dan het emeritaat de universiteit verlaat, wijst het universiteitsbestuur een gewoon hoogleraar aan om tijdelijk als wetenschappelijk directeur op te treden en wordt de regeling voor de afbouw van de financiering, vermeld in het tweede lid, van toepassing. § 2. Als gevolg van de toepassing van de geleidelijke beëindiging, vermeld in paragraaf 1, wordt een nieuwe financiering stapsgewijs opgebouwd. Met de vrijgekomen middelen kan vervolgens een nieuwe kandidaat voor de Methusalem-financiering geselecteerd worden met toepassing van artikel 60. § 3. Het bereiken van het emeritaat houdt niet in dat de betrokken universiteit de financiering niet aan een andere onderzoeker kan toekennen, op voorwaarde dat met toepassing van artikel 60 blijkt dat die aan de criteria, vermeld in artikel 59, voldoet.

Art. 67.Het universiteitsbestuur publiceert op de website van de universiteit de gemotiveerde beslissing van het universiteitsbestuur, vermeld in artikel 60, paragraaf 5, ten aanzien van de geselecteerde kandidaat.

De beslissingen over de voortzetting van de financiering, vermeld in artikel 65, paragraaf 2, worden ook gepubliceerd op de website van de universiteit.

In geval van een samenwerkingsovereenkomst wordt die ook op de website van de betrokken universiteiten gepubliceerd. Universiteiten kunnen beslissen om daarvoor een gemeenschappelijke website te gebruiken. HOOFDSTUK 6. - Kwaliteitszorg

Art. 68.Het universiteitsbestuur rapporteert jaarlijks over het gebruik van de globale middelen van het Bijzondere Onderzoeksfonds in de jaarrekening en het jaarverslag, met toepassing van de bepalingen, vermeld in artikel 57 van het decreet van 14 maart 2008 betreffende de financiering van de werking van de hogescholen en de universiteiten in Vlaanderen, het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2007 betreffende de boekhouding, de jaarrekening, het rekeningenstelsel en de controle voor de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap en het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 1997 houdende vastlegging van de voorschriften voor het opstellen van het jaarverslag van de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap.

De informatie over de toegekende onderzoeksprojecten zoals de naam van de promotor, de titel van het projectvoorstel, de samenvatting, de looptijd en het goedgekeurde projectbudget, wordt aangeleverd aan de FRIS-databank, volgens de procedures die daarvoor zijn vastgelegd. Het bevoegde departement trekt daaruit jaarlijks een lijst van de onderzoeksprojecten die in het voorgaande kalenderjaar zijn toegekend en gebruikt deze als basis voor overzichtsrapportering over de inzet van de middelen.

Jaarlijks wordt in het jaarverslag van de universiteiten gerapporteerd over de stand van zaken met betrekking tot de doelstellingen in het beleidsplan, vermeld in artikel 23, paragraaf 1.

Om het verloop van de Methusalem-financiering systematisch te volgen, zullen de universiteiten aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het wetenschapsbeleid, bij elke nieuwe oproep in hun jaarverslag rapporteren over de volgende set van statistische parameters : 1° de verhouding tussen het aantal ingediende en gehonoreerde aanvragen in aantal en in budget, wetenschapsgebied, nationaliteit, in te delen in Belgisch, EU, niet-EU, en geslacht;2° de verhouding tussen de aangevraagde en de toegekende kredieten bij de geselecteerde voorstellen.

Art. 69.§ 1. In 2018 en vervolgens vijfjaarlijks laat de Vlaamse minister, bevoegd voor het wetenschapsbeleid, de werking van de onderzoeksraden met betrekking tot het beheer van de Bijzondere Onderzoeksfondsen doorlichten, met oog voor de effectiviteit en efficiëntie van die fondsen, de meerwaarde er van en de bijdrage die ze leveren aan het onderzoeksbeleid. Daarbij wordt onderzocht wat de plaats is van het BOF in het Vlaamse onderzoeksbeleid.

Daarbij moet oog zijn voor : 1° de meerwaarde voor het Vlaamse onderzoek in termen van : a.de kwaliteit van de aangetrokken onderzoekers; b. de bijdragen van de onderzoekers aan het Vlaams onderzoekspotentieel;2° de kwaliteit van het onderzoeksmanagement in het algemeen en van de werking van de onderzoeksraden in het bijzonder;3° het beleidsplan en de mate waarin de doelstellingen zijn behaald;4° de impact van de middelen op het onderzoeksbeleid in de universiteit, met speciale aandacht voor de impact in de faculteiten en onderzoeksgroepen;5° de impact van de financiering van tenure track- en BOF-ZAP-mandaten op het totale beleid inzake ZAP, waarbij bijzondere aandacht besteed wordt aan de ontwikkeling van de verhouding tussen het aantal docenten in het tenure track-stelsel en het totale aantal docenten, aan de invloed van het tenure track-stelsel op de blijvende verhoging van het aantal ZAP-vacatures, en aan de beoordelingswijze van de mandaathouders in het tenure track-stelsel;6° de selectiemechanismen die gehanteerd worden bij de oproepen en toekenningen van initiatieven in het kader van het BOF;7° de werking en impact van de Methusalem-financiering. § 2. Voor de evaluatie, vermeld in paragraaf 1, zal de Vlaamse minister, bevoegd voor het wetenschapsbeleid, een gepast evaluatiepanel aanstellen. De leden van dat panel moeten over de nodige expertise beschikken met betrekking tot wetenschapsbeleid, het beheer van universiteiten en de financiering van fundamenteel onderzoek.

Ten hoogste twee derde van de leden van het evaluatiepanel mag van hetzelfde geslacht zijn. De Vlaamse minister, bevoegd voor het wetenschapsbeleid, wijst onder de leden een voorzitter en een plaatsvervangende voorzitter aan. § 3. Het evaluatiepanel stelt een rapport op met zijn bevindingen en aanbevelingen en bezorgt dat aan de Vlaamse Regering. Het rapport van het evaluatiepanel wordt, eventueel samen met de reacties van de universiteiten, door de Vlaamse Regering en met haar beleidsconclusies, bezorgd aan het Vlaams Parlement. HOOFDSTUK 7. - Slotbepalingen

Art. 70.De beslissingen die het universiteitsbestuur neemt en de handelingen die het stelt op grond van dit besluit zijn onderworpen aan het toezicht van de commissaris van de Vlaamse Regering en van de afgevaardigde van Financiën volgens de bepalingen, vermeld in hoofdstuk 9 van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap.

Art. 71.Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2013.

Art. 72.De Vlaamse minister, bevoegd voor het wetenschapsbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 21 december 2012.

De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding, I. LIETEN

Bijlage. ECOOM subdomeinen 0. MULTIDISCIPLINARY SCIENCES X0 multidisciplinary sciences RO MULTIDISCIPLINARY SCIENCES 1.AGRICULTURE & ENVIRONMENT A1 agricultural science & technology AE AGRICULTURAL ENGINEERING AF AGRICULTURAL ECONOMICS & POLICY AH AGRICULTURE, MULTIDISCIPLINARY A2 plant & soil science & technology AM AGRONOMY KA FORESTRY MU HORTICULTURE XE AGRICULTURE, SOIL SCIENCE A3 environmental science & technology IH ENGINEERING, ENVIRONMENTAL JA ENVIRONMENTAL SCIENCES JB ENVIRONMENTAL STUDIES ZR WATER RESOURCES A4 food & animal science & technology AD AGRICULTURE, DAIRY & ANIMAL SCIENCE JU FISHERIES JY FOOD SCIENCE & TECHNOLOGY 2. BIOLOGY (ORGANISMIC & SUPRAORGANISMIC LEVEL) Z1 animal sciences IY ENTOMOLOGY TA ORNITHOLOGY ZM ZOOLOGY Z2 aquatic sciences OU LIMNOLOGY PI MARINE & FRESHWATER BIOLOGY Z3 microbiology DB BIOTECHNOLOGY & APPLIED MICROBIOLOGY QU MICROBIOLOGY RQ MYCOLOGY TI PARASITOLOGY ZE VIROLOGY Z4 plant sciences DE PLANT SCIENCES Z5 pure & applied ecology BD BIODIVERSITY CONSERVATION GU ECOLOGY Z6 veterinary sciences ZC VETERINARY SCIENCES 3.BIOSCIENCES (GENERAL, CELLULAR & SUBCELLULAR BIOLOGY; GENETICS) B0 multidisciplinary biology CU BIOLOGY CX BIOLOGY, MISCELLANEOUS B1 biochemistry/biophysics/molecular biology CO BIOCHEMICAL RESEARCH METHODS CQ BIOCHEMISTRY & MOLECULAR BIOLOGY DA BIOPHYSICS B2 cell biology DR CELL BIOLOGY B3 genetics & developmental biology HT EVOLUTIONARY BIOLOGY HY DEVELOPMENTAL BIOLOGY KM GENETICS & HEREDITY WF REPRODUCTIVE BIOLOGY 4. BIOMEDICAL RESEARCH R1 anatomy & pathology AY ANATOMY & MORPHOLOGY TM PATHOLOGY R2 biomaterials & bioengineering IG ENGINEERING, BIOMEDICAL QE MATERIALS SCIENCE, BIOMATERIALS R3 experimental/laboratory medicine PW MEDICAL LABORATORY TECHNOLOGY QA MEDICINE, RESEARCH & EXPERIMENTAL R4 pharmacology & toxicology TU PHARMACOLOGY & PHARMACY YO TOXICOLOGY R5 physiology UM PHYSIOLOGY 5.CLINICAL AND EXPERIMENTAL MEDICINE I (GENERAL & INTERNAL MEDICINE) I1 cardiovascular & respiratory medicine DQ CARDIAC & CARDIOVASCULAR SYSTEMS WE RESPIRATORY SYSTEM ZD PERIPHERAL VASCULAR DISEASE I2 endocrinology & metabolism IA ENDOCRINOLOGY & METABOLISM I3 general & internal medicine KI GASTROENTEROLOGY & HEPATOLOGY OI INTEGRATIVE & COMPLEMENTARY MEDICINE PY MEDICINE, GENERAL & INTERNAL I4 hematology & oncology MA HEMATOLOGY DM ONCOLOGY I5 immunology AQ ALLERGY NI IMMUNOLOGY 6. CLINICAL AND EXPERIMENTAL MEDICINE II (NON-INTERNAL MEDICINE SPECIALTIES) M1 age & gender related medicine AZ ANDROLOGY LI GERIATRICS & GERONTOLOGY LJ GERONTOLOGY SD OBSTETRICS & GYNECOLOGY TQ PEDIATRICS M2 dentistry FY DENTISTRY, ORAL SURGERY & MEDICINE M3 dermatology/urogenital system GA DERMATOLOGY & VENEREAL DISEASES ZA UROLOGY & NEPHROLOGY M4 ophthalmology/otolaryngology SU OPHTHALMOLOGY TD OTORHINOLARYNGOLOGY M5 paramedicine BA ANESTHESIOLOGY DS CRITICAL CARE MEDICINE FF EMERGENCY MEDICINE HL HEALTH CARE SCIENCES & SERVICES LQ HEALTH POLICY & SERVICES NE PUBLIC, ENVIRONMENTAL & OCCUPATIONAL HEALTH NN INFECTIOUS DISEASES OP MEDICINE, LEGAL RZ NURSING SA NUTRITION & DIETETICS WC REHABILITATION YU TROPICAL MEDICINE M6 psychiatry & neurology RT CLINICAL NEUROLOGY VE PSYCHIATRY M7 radiology & nuclear medicine VY RADIOLOGY, NUCLEAR MEDICINE & MEDICAL IMAGING M8 rheumatology/orthopedics TC ORTHOPEDICS WH RHEUMATOLOGY M9 surgery YA SURGERY YP TRANSPLANTATION 7.NEUROSCIENCE & BEHAVIOR N1 neurosciences & psychopharmacology GM SUBSTANCE ABUSE RU NEUROSCIENCES RX NEUROIMAGING N2 psychology & behavioral sciences BV PSYCHOLOGY, BIOLOGICAL CN BEHAVIORAL SCIENCES EQ PSYCHOLOGY, CLINICAL HI PSYCHOLOGY, EDUCATIONAL MY PSYCHOLOGY, DEVELOPMENTAL NQ PSYCHOLOGY, APPLIED VI PSYCHOLOGY VJ PSYCHOLOGY, MULTIDISCIPLINARY VP PSYCHOLOGY, PSYCHOANALYSIS VS PSYCHOLOGY, MATHEMATICAL VX PSYCHOLOGY, EXPERIMENTAL WQ PSYCHOLOGY, SOCIAL 8. CHEMISTRY C0 multidisciplinary chemistry DY CHEMISTRY, MULTIDISCIPLINARY C1 analytical, inorganic & nuclear chemistry EA CHEMISTRY, ANALYTICAL EC CHEMISTRY, INORGANIC & NUCLEAR XQ SPECTROSCOPY C2 applied chemistry & chemical engineering DW CHEMISTRY, APPLIED II ENGINEERING, CHEMICAL C3 organic & medicinal chemistry DX CHEMISTRY, MEDICINAL EE CHEMISTRY, ORGANIC C4 physical chemistry DT THERMODYNAMICS EI CHEMISTRY, PHYSICAL HQ ELECTROCHEMISTRY C5 polymer science UY POLYMER SCIENCE C6 materials science PJ MATERIALS SCIENCE, PAPER & WOOD PK MATERIALS SCIENCE, CERAMICS PM MATERIALS SCIENCE, MULTIDISCIPLINARY PZ METALLURGY & METALLURGICAL ENGINEERING QF MATERIALS SCIENCE, CHARACTERIZATION & TESTING QG MATERIALS SCIENCE, COATINGS & FILMS QH MATERIALS SCIENCE, COMPOSITES QJ MATERIALS SCIENCE, TEXTILES 9.PHYSICS P0 multidisciplinary physics UI PHYSICS, MULTIDISCIPLINARY P1 applied physics OA INSTRUMENTS & INSTRUMENTATION RA MICROSCOPY UB PHYSICS, APPLIED UE IMAGING SCIENCE & PHOTOGRAPHIC TECHNOLOGY P2 atomic, molecular & chemical physics UH PHYSICS, ATOMIC, MOLECULAR & CHEMICAL P3 classical physics AA ACOUSTICS PU MECHANICS SY OPTICS P4 mathematical & theoretical physics UR PHYSICS, MATHEMATICAL P5 particle & nuclear physics UN PHYSICS, NUCLEAR UP PHYSICS, PARTICLES & FIELDS P6 physics of solids, fluids and plasmas FI CRYSTALLOGRAPHY UF PHYSICS, FLUIDS & PLASMAS UK PHYSICS, CONDENSED MATTER 10. GEOSCIENCES & SPACE SCIENCES G1 astronomy & astrophysics BU ASTRONOMY & ASTROPHYSICS G2 geosciences & technology GC GEOCHEMISTRY & GEOPHYSICS IX ENGINEERING, GEOLOGICAL KU GEOGRAPHY KV GEOGRAPHY, PHYSICAL KY GEOLOGY LE GEOSCIENCES, MULTIDISCIPLINARY TE PALEONTOLOGY G3 hydrology/oceanography IL ENGINEERING, MARINE IO ENGINEERING, OCEAN SI OCEANOGRAPHY G4 meteorology/atmospheric & aerospace science & technology AI ENGINEERING, AEROSPACE QQ METEOROLOGY & ATMOSPHERIC SCIENCES G5 mineralogy & petrology IP ENGINEERING, PETROLEUM RE MINERALOGY ZQ MINING & MINERAL PROCESSING 11.ENGINEERING E1 computer science/information technology EP COMPUTER SCIENCE, ARTIFICIAL INTELLIGENCE ER COMPUTER SCIENCE, CYBERNETICS ES COMPUTER SCIENCE, HARDWARE & ARCHITECTURE EV COMPUTER SCIENCE, INTERDISCIPLINARY APPLICATIONS EW COMPUTER SCIENCE, SOFTWARE ENGINEERING EX COMPUTER SCIENCE, THEORY & METHODS ET COMPUTER SCIENCE, INFORMATION SYSTEMS PT MEDICAL INFORMATICS YE TELECOMMUNICATIONS E2 electrical & electronic engineering AC AUTOMATION & CONTROL SYSTEMS IQ ENGINEERING, ELECTRICAL & ELECTRONIC RB ROBOTICS SR REMOTE SENSING E3 energy & fuels ID ENERGY & FUELS RY NUCLEAR SCIENCE & TECHNOLOGY E4 general & traditional engineering FA CONSTRUCTION & BUILDING TECHNOLOGY IF ENGINEERING, MULTIDISCIPLINARY IJ ENGINEERING, INDUSTRIAL IK ENGINEERING, MANUFACTURING IM ENGINEERING, CIVIL IU ENGINEERING, MECHANICAL YQ TRANSPORTATION YR TRANSPORTATION SCIENCE & TECHNOLOGY 12. MATHEMATICS H1 applied mathematics PE OPERATIONS RESEARCH & MANAGEMENT SCIENCE PN MATHEMATICS, APPLIED PO MATHEMATICS, INTERDISCIPLINARY APPLICATIONS PS SOCIAL SCIENCES, MATHEMATICAL METHODS XY STATISTICS & PROBABILITY H2 pure mathematics PQ MATHEMATICS SOCIAL SCIENCES, ARTS & HUMANITIES 13.SOCIAL SCIENCES I (GENERAL, REGIONAL & COMMUNITY ISSUES) S1 education & information EU COMMUNICATION HA EDUCATION & EDUCATIONAL RESEARCH HB EDUCATION, SCIENTIFIC DISCIPLINES HE EDUCATION, SPECIAL NU INFORMATION SCIENCE & LIBRARY SCIENCE S2 general, regional & community issues BF ANTHROPOLOGY BM AREA STUDIES FU DEMOGRAPHY JM ETHNIC STUDIES JO FAMILY STUDIES JW FOLKLORE MR HISTORY OF SOCIAL SCIENCES NM INDUSTRIAL RELATIONS & LABOR OR ASIAN STUDIES UQ PLANNING & DEVELOPMENT WM SOCIAL ISSUES WU SOCIAL SCIENCES, INTERDISCIPLINARY WV SOCIAL SCIENCES, BIOMEDICAL WY SOCIAL WORK XA SOCIOLOGY XW SPORT SCIENCES YY URBAN STUDIES ZK WOMEN'S STUDIES 14. SOCIAL SCIENCES II (ECONOMICAL & POLITICAL ISSUES) O1 economics, business & management DI BUSINESS DK BUSINESS, FINANCE GY ECONOMICS PC MANAGEMENT O2 history, politics & law BI ARCHAEOLOGY FE CRIMINOLOGY & PENOLOGY MM HISTORY OE INTERNATIONAL RELATIONS OM LAW UU POLITICAL SCIENCE VM PUBLIC ADMINISTRATION 15.ARTS & HUMANITIES U1 arts & literature BP ART EO CLASSICS FS DANCE JS FILM, RADIO, TELEVISION OX LITERARY THEORY & CRITICISM OZ LITERARY REVIEWS PA LITERATURE PD LITERATURE, AFRICAN, AUSTRALIAN, CANADIAN PF LITERATURE, AMERICAN PG LITERATURE, BRITISH ISLES PH LITERATURE, GERMAN, DUTCH, SCANDINAVIAN QC LITERATURE, ROMANCE QD LITERATURE, SLAVIC RP MUSIC UT POETRY YG THEATER U2 language & culture BQ HUMANITIES, MULTIDISCIPLINARY OT APPLIED LINGUISTICS OY LANGUAGE & LINGUISTICS THEORY U3 philosophy & religion HF ETHICS MQ HISTORY & PHILOSOPHY OF SCIENCE OO MEDICAL ETHICS UA PHILOSOPHY YI RELIGION Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2012 betreffende de financiering van de Bijzondere Onderzoeksfondsen aan de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap.

Brussel, 21 december 2012.

De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding, I. LIETEN

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^