Etaamb.openjustice.be
Besluit Van De Vlaamse Regering van 22 november 2013
gepubliceerd op 13 januari 2014

Besluit van de Vlaamse Regering houdende de subsidies en de eraan gekoppelde voorwaarden voor de realisatie van specifieke dienstverlening door gezinsopvang en groepsopvang van baby's en peuters

bron
vlaamse overheid
numac
2013036186
pub.
13/01/2014
prom.
22/11/2013
ELI
eli/besluit/2013/11/22/2013036186/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

22 NOVEMBER 2013. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de subsidies en de eraan gekoppelde voorwaarden voor de realisatie van specifieke dienstverlening door gezinsopvang en groepsopvang van baby's en peuters


De Vlaamse Regering, Gelet op het decreet van 17 oktober 2003 betreffende de kwaliteit van de gezondheids- en welzijnsvoorzieningen, artikel 6, § 1, gewijzigd bij het decreet van 29 juni 2012;

Gelet op het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin, artikel 6 en 8, § 2;

Gelet op het decreet van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters, artikel 7, tweede lid, 8, § 3, 9, tweede lid, 12, § 1, tweede lid, en 36, tweede en derde lid;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001 betreffende de vergoeding van installatiekosten aan opvanggezinnen;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006 betreffende de boekhouding en het financieel verslag voor de voorzieningen in bepaalde sectoren van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 betreffende de toekenning van een eenmalige forfaitaire subsidie voor informatisering aan initiatieven voor preventieve gezinsondersteuning en de toekenning van een forfaitaire subsidie voor brandveiligheid aan kinderopvanginitiatieven;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2009 houdende de voorwaarden inzake financiële ondersteuning van zelfstandige opvangvoorzieningen;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2009 houdende regeling van inkomensgerelateerde opvang bij zelfstandige opvangvoorzieningen;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 15 mei 2009 houdende de beveiliging van de toegang bij kinderopvangvoorzieningen;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 16 oktober 2009 tot toekenning van een financiële tegemoetkoming aan onthaalouders en kinderopvangvoorzieningen voor een basisopleiding levensreddend handelen bij kinderen;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2012 houdende de toekenning van een eenmalige subsidie voor automatisering en informatisering aan kinderopvangvoorzieningen;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 5 juli 2013;

Gelet op advies 53.682/3 van de Raad van State, gegeven op 4 oktober 2013, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Overwegende dat de toepassing van artikel 25 uiterlijk 31 december 2017 geëvalueerd zal worden door Kind en Gezin;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;

Na beraadslaging, Besluit : TITEL 1. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK 1. - Definities

Artikel 1.In dit besluit wordt verstaan onder : 1° basissubsidie : de subsidie voor de realisatie van een basisaanbod met een werking, vermeld in artikel 7 van het decreet van 20 april 2012;2° contracthouder : de persoon uit het gezin waarmee de organisator een schriftelijke overeenkomst voor kinderopvang heeft;3° decreet van 20 april 2012 : het decreet van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby's en peuters;4° gesubsidieerde kinderopvangplaats : een kinderopvangplaats waarvoor Kind en Gezin een subsidie betaalt aan de organisator;5° gezin : een of meer personen in het thuismilieu van het opgevangen kind die de verantwoordelijkheid voor dat kind dragen;6° inclusieve kinderopvang : de kinderopvang van een kind met een specifieke zorgbehoefte samen met kinderen zonder specifieke zorgbehoefte;7° inkomen : het gezamenlijk belastbaar inkomen voor de aftrekbare bestedingen;8° kinderen met een specifieke zorgbehoefte : de kinderen die door medische of psychosociale problemen meer intensieve zorgen nodig hebben;9° kinderopvangprestatie : de aanwezigheid van een kind per dag per kinderopvanglocatie;10° kwetsbaar gezin : een gezin dat beantwoordt aan minstens twee van de volgende kenmerken, waarvan minstens één kenmerk als vermeld in punt b), d) of e) : a) wat de werksituatie betreft, nood hebben aan kinderopvang om werk te zoeken of te houden of om een beroepsgerichte opleiding daarvoor te volgen;b) wat de financiële situatie betreft, een inkomen hebben dat lager is dan een bepaald bedrag;c) wat de gezinssamenstelling betreft, alleenstaand zijn, meer bepaald niet gehuwd zijn of geen domicilie hebben met een persoon van wie het inkomen in aanmerking komt voor de bepaling van het inkomenstarief;d) wat de gezondheid en zorgsituatie betreft, beantwoorden aan minstens een van de volgende drie kenmerken : 1) een gezinslid met een handicap hebben, waaronder wordt verstaan : voor volwassenen, de handicap vermeld in artikel 135, eerste lid, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, en voor minderjarigen, het in aanmerking komen voor verhoogde kinderbijslag;2) een gezinslid hebben met een verminderd zelfzorgvermogen als vermeld in artikel 2, 2°, van het decreet van 30 maart 1999 houdende de organisatie van de zorgverzekering;3) in de context van hulpverlening aan het gezin of van inburgering van het gezin, is het voor de kinderen om sociale of pedagogische redenen wenselijk dat ze overdag opgevangen worden in de kinderopvang;e) wat het opleidingsniveau betreft, geen diploma secundair onderwijs hebben;11° minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen;12° openingsdag : een dag waarop er minstens één opgevangen kind is;13° opgevangen kind : een kind voor wie er minstens één kinderopvangprestatie is;14° plussubsidie : de subsidie voor de realisatie van kinderopvangopdrachten ter ondersteuning van kwetsbare gezinnen en voor de realisatie van toegang voor die gezinnen, vermeld in artikel 9 van het decreet van 20 april 2012;15° subsidie voor inclusieve kinderopvang : de subsidie voor de realisatie van opdrachten in het kader van inclusieve kinderopvang van kinderen met een specifieke zorgbehoefte, vermeld in artikel 10, 2°, van het decreet van 20 april 2012;16° subsidie voor individuele inclusieve kinderopvang : de subsidie voor de realisatie van inclusieve kinderopvang van een individueel kind met een specifieke zorgbehoefte voor wie Kind en Gezin een specifieke toekenning van bepaalde duur deed;17° subsidie voor inkomenstarief : de subsidie voor de realisatie van kinderopvang waarvoor de gezinnen een prijs betalen op basis van het inkomen, en voor de realisatie van toegang tot de kinderopvang voor bepaalde gezinnen, vermeld in artikel 8 van het decreet van 20 april 2012;18° subsidie voor structurele inclusieve kinderopvang : de subsidie voor de realisatie van de structurele uitbouw van inclusieve kinderopvang binnen een kinderopvanglocatie;19° subsidieerbare kinderopvangplaats : een kinderopvangplaats waarvoor de organisator over een beslissing tot toekenning van een subsidie van Kind en Gezin beschikt;20° subsidiegroep : een groep van kinderopvanglocaties van hetzij gezinsopvang, hetzij groepsopvang, van dezelfde organisator binnen een geografisch afgebakend gebied.Voor gezinsopvang is dat gebied de zorgregio. Voor groepsopvang is dat gebied de gemeente, met uitzondering van het tweetalige gebied Brussel Hoofdstad waar dit gebied de zorgregio is; 21° 's nachts : tussen 20 uur en 6 uur;22° vergunde kinderopvangplaats : een kinderopvangplaats waarvoor de organisator een vergunning van Kind en Gezin heeft. HOOFDSTUK 2. - Besluit 2012/21/EU

Art. 2.Kind en Gezin kan aan de organisator subsidies toekennen voor de realisatie van specifieke dienstverlening, vermeld in dit besluit.

De subsidies worden toegekend met inachtneming van het besluit 2012/21/EU van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen.

Art. 3.Zolang de organisator voldoet aan de voorwaarden voor de realisatie van specifieke dienstverlening, vermeld in dit besluit, geldt de subsidie voor een duur van tien jaar vanaf de eerste subsidieerbare kinderopvangplaats binnen de subsidiegroep.

Kind en Gezin en de toezichthouders voeren op regelmatige basis, uiterlijk om de drie jaar, controles uit die gericht zijn op de naleving van de bepalingen van dit besluit.

Art. 4.De organisator maakt jaarlijks een begroting op met een overzicht van de voorzienbare inkomsten en de geraamde uitgaven voor de van toepassing zijnde specifieke dienstverlening, vermeld in dit besluit.

De organisator hanteert een boekhouding die inkomsten en uitgaven die verband houden met de activiteiten van kinderopvang, voor de toerekening van de kosten en inkomsten, transparant afzondert.

Art. 5.De organisator kan op de volgende wijze reserves opbouwen met de subsidies, vermeld in dit besluit : 1° de reserves worden aangewend om de specifieke dienstverlening, vermeld in dit besluit, te kunnen realiseren;2° maximaal 20% van de jaarlijkse subsidiebedragen, vermeld in dit besluit, kan als reserve overgedragen worden naar het volgende kalenderjaar;3° de gecumuleerde reserve, opgebouwd uit de jaarlijkse subsidiebedragen, vermeld in punt 2°, is maximaal 50% van de jaarlijkse subsidiebedragen, vermeld in punt 2° ;4° als het maximum, vermeld in punt 2° en 3°, overschreden wordt, wordt het overschreden bedrag teruggestort aan Kind en Gezin, tenzij de organisator een aanwendingsplan of aanzuiveringsplan heeft dat voldoet aan een aantal criteria, waaronder de goedkeuring van de Inspectie van Financiën van de Vlaamse overheid. De minister bepaalt de nadere regels, onder meer de criteria waaraan het aanwendingsplan of aanzuiveringsplan moet voldoen. HOOFDSTUK 3. - Subsidiegroepen en trappensysteem

Art. 6.De subsidies worden toegekend binnen een subsidiegroep, wat onder meer impliceert dat : 1° de subsidieerbare kinderopvangplaatsen toegekend worden aan de organisator op het niveau van een subsidiegroep;2° de subsidies berekend en betaald worden aan de organisator per subsidiegroep;3° de organisator moet voldoen aan de voorwaarden voor de realisatie van specifieke dienstverlening zodra een subsidieerbare kinderopvangplaats omgezet wordt in een gesubsidieerde kinderopvangplaats.De organisator bepaalt in welke kinderopvanglocaties van de subsidiegroep hij de specifieke dienstverlening zal realiseren. De voorwaarden voor de realisatie van specifieke dienstverlening gelden voor alle kinderopvangplaatsen van die kinderopvanglocatie.

De subsidieerbare kinderopvangplaatsen blijven behouden binnen een subsidiegroep : 1° in geval van verhuizing van een kinderopvanglocatie binnen dezelfde subsidiegroep;2° als het aantal vergunde kinderopvangplaatsen lager wordt dan het aantal subsidieerbare kinderopvangplaatsen.De subsidieerbare kinderopvangplaatsen zijn dan voorbehouden gedurende een bepaalde termijn.

De minister bepaalt de nadere regels, onder meer de invulling van het voorbehoud.

Art. 7.De basissubsidie, de subsidie voor inkomenstarief en de plussubsidie worden toegekend volgens het volgende trappensysteem : 1° een subsidieerbare kinderopvangplaats uit een hogere trap kan alleen worden toegekend als die plaats ook een subsidieerbare kinderopvangplaats is van een lagere trap, meer bepaald : a) de plussubsidie, vermeld in titel 4, kan alleen worden toegekend als de organisator de subsidie voor inkomenstarief, vermeld in titel 3, toegekend heeft gekregen;b) de subsidie voor inkomenstarief, vermeld in titel 3, kan alleen worden toegekend als de organisator de basissubsidie, vermeld in titel 2, toegekend heeft gekregen;2° het aantal subsidieerbare kinderopvangplaatsen van een hogere trap is nooit hoger dan het aantal subsidieerbare kinderopvangplaatsen van een lagere trap, meer bepaald : a) het aantal kinderopvangplaatsen waarvoor de organisator de subsidie voor inkomenstarief, vermeld in titel 3, krijgt, kan nooit hoger zijn dan het aantal kinderopvangplaatsen waarvoor de organisator de basissubsidie, vermeld in titel 2, krijgt;b) het aantal kinderopvangplaatsen waarvoor de organisator de plussubsidie, vermeld in titel 4, krijgt, kan nooit hoger zijn dan het aantal kinderopvangplaatsen waarvoor de organisator de subsidie voor inkomenstarief, vermeld in titel 3, krijgt. De subsidies voor inclusieve kinderopvang worden op de volgende wijze toegekend : 1° de subsidie voor individuele inclusieve kinderopvang kan toegekend worden zodra de organisator een vergunning heeft;2° de subsidie voor structurele inclusieve kinderopvang kan toegekend worden zodra de organisator minstens een subsidie voor inkomenstarief toegekend krijgt;3° de subsidie voor individuele inclusieve kinderopvang kan gecombineerd worden met een subsidie voor structurele inclusieve kinderopvang;4° het aantal subsidieerbare kinderopvangplaatsen met een subsidie voor structurele inclusieve kinderopvang is nooit hoger dan het aantal subsidieerbare kinderopvangplaatsen vanuit het trappensysteem. HOOFDSTUK 4. - Index

Art. 8.De bedragen van de subsidies, vermeld in dit besluit, worden aangepast aan de evolutie van de levensduurte met toepassing van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Deze aanpassing gebeurt telkens twee maanden nadat het viermaandelijks voortschrijdend gemiddelde van de gezondheidsindex een bepaalde drempelwaarde overschrijdt. HOOFDSTUK 5. - Betalingsregeling en bezorgen gegevens

Art. 9.De subsidies worden betaald met voorschotten per kwartaal en een saldoafrekening uiterlijk na het kalenderjaar waarin de voorschotten zijn betaald. Als de gegevens die de basis vormen voor de berekening van de subsidies, fout zijn, kan er een rechtzetting komen.

De minister bepaalt de nadere regels, onder meer welke gegevens de organisator aan Kind en Gezin moet bezorgen.

Art. 10.De organisator bezorgt gegevens elektronisch aan Kind en Gezin volgens de administratieve richtlijnen van Kind en Gezin, en dit met het oog op beleidsdoeleinden zoals het in kaart brengen van het gebruik en van het aanbod aan kinderopvang die een subsidie krijgt van Kind en Gezin en in het kader van de opvolging van de subsidie of in het kader van handhaving.

De minister bepaalt de nadere regels, onder meer welke gegevens de organisator aan Kind en Gezin moet bezorgen.

TITEL 2. - Basissubsidie HOOFDSTUK 1. - Bedrag subsidie

Art. 11.De basissubsidie voor gezinsopvang bedraagt 267,30 euro per gesubsidieerde kinderopvangplaats per kalenderjaar.

Art. 12.De basissubsidie voor groepsopvang bedraagt 578,37 euro per gesubsidieerde kinderopvangplaats per kalenderjaar.

Art. 13.Het bedrag, vermeld in artikel 11 en 12, wordt verhoudingsgewijs verminderd : 1° voor een gesubsidieerde kinderopvangplaats die geen volledig kalenderjaar toegekend wordt;2° als het aantal opgevangen kinderen, in de kinderopvanglocaties binnen de subsidiegroep die werken volgens de specifieke dienstverlening van de basissubsidie, in het kalenderjaar lager ligt dan het aantal gesubsidieerde kinderopvangplaatsen. De minister bepaalt de nadere regels voor de berekening van die verhouding. HOOFDSTUK 2. - Voorwaarden specifieke dienstverlening

Art. 14.De organisator zorgt voor minstens 220 openingsdagen per volledig kalenderjaar op het niveau van : 1° voor gezinsopvang, de subsidiegroep;2° voor groepsopvang, elke kinderopvanglocatie waarvoor de organisator voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 15 en 16. Het aantal dagen, vermeld in het eerste lid, wordt verhoudingsgewijs verminderd : 1° voor gezinsopvang, als geen enkele kinderopvanglocatie een volledig kalenderjaar actief is;2° voor groepsopvang, als de kinderopvanglocatie geen volledig kalenderjaar actief is. De minister bepaalt de nadere regels voor de berekening van die verhouding.

Art. 15.De organisator heeft voor de kinderbegeleider een attest van actieve kennis van het Nederlands, vastgesteld door de minister, waaruit blijkt dat het behaalde taalvaardigheidsniveau voor luisteren en gesprekken voeren het ERK-niveau B1, voor lezen en schrijven het ERK-niveau A2 is.

De organisator kan per drie voltijds equivalenten kinderbegeleiders, op niveau van de organisator, met een attest van actieve kennis van het Nederlands als vermeld in het eerste lid, één kinderbegeleider tewerkstellen zonder dit attest op voorwaarde dat : 1° deze kinderbegeleider dit attest behaalt maximaal vier jaar na het starten met werken als kinderbegeleider bij de organisator;2° er altijd een kinderbegeleider met dit attest aanwezig is in de kinderopvanglocatie.

Art. 16.De organisator zorgt voor het gebruik van het Nederlands in de werking door een taalbeleid te realiseren dat de Nederlandse taalverwerving stimuleert en dat verantwoordelijken en de kinderbegeleiders ondersteunt, met daarnaast positieve aandacht voor de taal die het kind in zijn thuismilieu spreekt.

TITEL 3. - Subsidie voor inkomenstarief HOOFDSTUK 1. - Bedrag subsidie

Art. 17.De subsidie voor inkomenstarief voor gezinsopvang is opgebouwd uit : 1° een deel op basis van kinderopvangprestaties;2° een deel op basis van de leeftijd van de verantwoordelijken en van de medewerkers die in de kinderopvanglocatie instaan voor de systematische ondersteuning van de verantwoordelijke en die voldoen aan de voorwaarden over de kennis van het Nederlands en over de kwalificatie waaraan de verantwoordelijke moet voldoen. Het deel op basis van kinderopvangprestaties, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt als volgt berekend : 1° de subsidie bedraagt 21,46 euro voor een kinderopvangprestatie die vijf tot elf uur duurt, en bedraagt 60% van dat bedrag voor een kinderopvangprestatie die minder dan vijf uur duurt;2° alle kinderopvangprestaties, met uitzondering van kinderopvangprestaties 's nachts, van elke kinderopvanglocatie gezinsopvang uit de subsidiegroep die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 20 tot en met 36, tellen mee;3° er worden niet meer kinderopvangprestaties gesubsidieerd dan 120% van het aantal gesubsidieerde kinderopvangplaatsen, vermenigvuldigd met het minimum aantal verplichte openingsdagen, vermeld in artikel 14.Voor de berekening van dat percentage tellen kinderopvangprestaties die vijf tot elf uur duren, mee voor 100%, en kinderopvangprestaties die minder dan vijf uur duren, voor 60%.

Het deel op basis van de leeftijd van de personen, vermeld in het eerste lid, 2°, wordt als volgt berekend : 1° de subsidie bedraagt 431,42 euro per gesubsidieerde kinderopvangplaats per kalenderjaar als de gemiddelde leeftijd van die personen twintig jaar is;2° voor elk jaar boven op de gemiddelde leeftijd van twintig jaar wordt de subsidie verhoogd met 7,42 euro per gesubsidieerde kinderopvangplaats, tot maximaal een gemiddelde leeftijd van zestig jaar;3° de gemiddelde leeftijd wordt berekend op basis van alle leeftijden en de werkregeling van deze personen. De minister bepaalt de nadere regels, onder meer op welke wijze de verantwoordelijken en de medewerkers, vermeld in het eerste lid, 2°, meetellen voor de berekening van de gemiddelde leeftijd en hoe hun werkregeling in rekening gebracht wordt.

Art. 18.De subsidie voor inkomenstarief voor groepsopvang is opgebouwd uit : 1° een deel op basis van kinderopvangprestaties;2° een deel op basis van de leeftijd van de kinderbegeleiders, van de verantwoordelijken en van de medewerkers die in de kinderopvanglocatie instaan voor de systematische ondersteuning van de verantwoordelijke en die voldoen aan de voorwaarden over de kennis van het Nederlands en over de kwalificatie waaraan de verantwoordelijke moet voldoen. Het deel op basis van kinderopvangprestaties, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt als volgt berekend : 1° de subsidie bedraagt 23,37 euro voor een kinderopvangprestatie die vijf tot elf uur duurt, en bedraagt 60% van dat bedrag voor een kinderopvangprestatie die minder dan vijf uur duurt;2° alle kinderopvangprestaties, met uitzondering van kinderopvangprestaties 's nachts, van elke kinderopvanglocatie groepsopvang uit de subsidiegroep die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 20 tot en met 36, tellen mee;3° er worden niet meer kinderopvangprestaties gesubsidieerd dan 120% van het aantal gesubsidieerde kinderopvangplaatsen, vermenigvuldigd met het minimum aantal verplichte openingsdagen, vermeld in artikel 14.Voor de berekening van dat percentage tellen kinderopvangprestaties die vijf tot elf uur duren, mee voor 100%, en kinderopvangprestaties die minder dan vijf uur duren, voor 60%.

Het deel op basis van de leeftijd van de personen, vermeld in het eerste lid, 2°, wordt als volgt berekend : 1° de subsidie bedraagt 5529,66 euro per gesubsidieerde kinderopvangplaats per kalenderjaar als de gemiddelde leeftijd van deze personen twintig jaar is;2° voor elk jaar boven op de gemiddelde leeftijd van twintig jaar wordt de subsidie verhoogd met 96,76 euro per gesubsidieerde kinderopvangplaats, tot maximaal een gemiddelde leeftijd van zestig jaar;3° de gemiddelde leeftijd wordt berekend op basis van alle leeftijden en de werkregeling van deze personen. De minister bepaalt de nadere regels, onder meer op welke wijze de verantwoordelijken, de kinderbegeleiders en de medewerkers, vermeld in het eerste lid, 2°, meetellen voor de berekening van de gemiddelde leeftijd en hoe hun werkregeling in rekening gebracht wordt.

Art. 19.Het bedrag van de subsidie, vermeld in artikel 17 en 18, wordt verrekend met het inkomenstarief, vermeld in artikel 28, in verhouding tot het aantal kinderopvangplaatsen met een subsidie voor inkomenstarief als vermeld in artikel 17 en 18.

Er is geen verrekening met : 1° een eventueel bijkomend tarief als vermeld in artikel 31;2° het inkomenstarief, betaald voor afwezigheidsdagen die niet gerechtvaardigd zijn. De minister bepaalt de nadere regels voor de verrekening. HOOFDSTUK 2. - Voorwaarden specifieke dienstverlening Afdeling 1. - Openingsduur en bezetting

Art. 20.De organisator zorgt ervoor dat er op de minimale openingsdagen, vermeld in artikel 14, een ononderbroken openingsduur is van minstens elf uur tussen 6 en 20 uur.

Art. 21.De organisator heeft een bezetting van minstens 80% per kalenderjaar. De bezetting wordt berekend op basis van 220 openingsdagen en het aantal gesubsidieerde kinderopvangplaatsen waarvoor de organisator de subsidie voor inkomenstarief krijgt.

Voor de berekening van de bezetting worden alle kinderopvangprestaties van de opgevangen kinderen van de kinderopvanglocaties van dezelfde subsidiegroep, die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 20 tot en met 36, in aanmerking genomen.

De minister bepaalt de nadere regels, onder meer de berekening van de bezetting. Afdeling 2. - Toegang bepaalde gezinnen

Art. 22.De organisator geeft op de volgende wijze voorrang aan bepaalde gezinnen : 1° er is absolute voorrang voor gezinnen waarvoor kinderopvang noodzakelijk is in het kader van de werksituatie.De organisator geeft daarbij, bij keuze tussen aanvragen, altijd voorrang aan de aanvraag van het gezin waarvoor kinderopvang noodzakelijk is om werk te zoeken of te houden of om een beroepsgerichte opleiding daarvoor te volgen; 2° er is voorrang voor alleenstaanden;3° er is voorrang voor gezinnen die een inkomen hebben dat lager is dan een bepaald bedrag;4° er is voorrang voor pleegkinderen die kinderopvang nodig hebben;5° er is voorrang voor kinderen van wie een broer of zus in de kinderopvanglocatie opgevangen wordt. Daarbij zorgt de organisator ervoor dat minstens 20% van alle kinderen die op jaarbasis opgevangen worden, kinderen zijn van gezinnen die beantwoorden aan ten minste twee van de eerste vier kenmerken, vermeld in het eerste lid. Ook kinderen uit een kwetsbaar gezin tellen mee voor de berekening van dat percentage. Dat percentage wordt berekend over alle kinderopvanglocaties van de subsidiegroep die het inkomenstarief, vermeld in artikel 28, toepassen. Zolang 20% niet bereikt is, kan afgeweken worden van de absolute voorrang, vermeld in het eerste lid, 1°.

De organisator neemt de wijze waarop hij die voorrang toepast, op in zijn huishoudelijk reglement.

De minister bepaalt de nadere regels, onder meer het bedrag van het inkomen.

Art. 23.Overeenkomstig artikel 8, § 1, van het decreet van 20 april 2012, geldt ten aanzien van de kinderopvanglocaties in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad een voorrang voor kinderen waarvan minstens één ouder het Nederlands voldoende machtig is en dit ten belope van maximaal 55% van hun opvangcapaciteit, behoudens de bepalingen in artikel 8, § 1, van voormeld decreet.

Daarbij zorgt de organisator ervoor dat minstens een door de organisator bepaald percentage, met een maximum van 55%, van alle op jaarbasis opgevangen kinderen, kinderen zijn van gezinnen, vermeld in het eerste lid. Dat percentage houdt een minimum in van één kind en is gemotiveerd vanuit de noodzaak en de evenredigheid daarvan ten opzichte van het te bereiken doel, dat kinderen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad die in het gezin opgevoed worden in het Nederlands, continuïteit kunnen vinden met die taal in de kinderopvang. Dat percentage wordt berekend over alle kinderopvanglocaties van de subsidiegroep die het inkomenstarief, vermeld in artikel 28, toepassen.

De organisator neemt de manier waarop hij die voorrang toepast op in zijn huishoudelijk reglement. Afdeling 3. - Organisatorisch management

Art. 24.De organisator met meer dan achttien subsidieerbare plaatsen op het niveau van de organisator heeft rechtspersoonlijkheid met sociaal oogmerk.

Art. 25.De organisator, vermeld in artikel 24, zorgt ervoor dat de kinderbegeleiders groepsopvang die noodzakelijk zijn volgens het aantal tegelijk aanwezige kinderen, een werknemersstatuut hebben.

De voorwaarde, vermeld in het eerste lid, is niet van toepassing voor de kinderbegeleider die ook de verantwoordelijke is.

Art. 26.De organisator, vermeld in artikel 24 : 1° voert een boekhouding volgens het principe van dubbelboekhouden en voegt een uitbreiding bij zijn rekeningstelsel;2° maakt jaarlijks een financieel verslag op dat bestaat uit : a) een goedgekeurde jaarrekening van de rechtspersoon;b) een resultatenrekening, opgesplitst voor hetzij groepsopvang, hetzij gezinsopvang;c) een lijst van alle subsidiebedragen, gelinkt aan kinderopvang, die toegekend zijn door een overheid, met vermelding van de toekennende overheid en het doel van de subsidie. De voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 1°, en 2°, a) en b), is niet van toepassing voor een openbaar bestuur. Een openbaar bestuur heeft wel een resultatenrekening opgesplitst voor hetzij groepsopvang, hetzij gezinsopvang.

De organisator beschikt over het financieel verslag uiterlijk zeven maanden na de afsluiting van het boekjaar.

De minister bepaalt de nadere regels, onder meer voor de bijgevoegde uitbreiding van het rekeningsstelsel. Afdeling 4. - Systeem inkomenstarief

Onderafdeling 1. - Systeem voor alle kinderopvangplaatsen van de kinderopvanglocatie

Art. 27.De organisator werkt met het systeem inkomenstarief, vermeld in artikel 28 tot en met 36, voor alle kinderopvangplaatsen van de kinderopvanglocatie.

Onderafdeling 2. - Inkomenstarief voor gereserveerde kinderopvangdagen

Art. 28.Overeenkomstig artikel 8, § 3, 1°, van het decreet van 20 april 2012, betalen de gezinnen voor de door hen gereserveerde kinderopvangdagen. Meer bepaald betalen de contracthouders het inkomenstarief, berekend conform artikel 32 en 33, of individueel verminderd inkomenstarief als vermeld in artikel 34, voor : 1° de door hen gereserveerde kinderopvangdagen, zoals bepaald in het opvangplan, vermeld in de schriftelijke overeenkomst;2° de extra overeengekomen kinderopvangdagen.

Art. 29.De contracthouder betaalt geen inkomenstarief voor : 1° de gereserveerde kinderopvangdagen die vallen op sluitingsdagen van de kinderopvanglocatie;2° de gerechtvaardigde afwezigheidsdagen.Gerechtvaardigde afwezigheidsdagen zijn gereserveerde kinderopvangdagen waarop het kind om bepaalde redenen afwezig is.

De minister bepaalt de nadere regels voor de bepaling van de gerechtvaardigde afwezigheidsdagen.

Art. 30.Het inkomenstarief dekt de kinderopvangprestaties met een duurtijd tot elf uur, met uitzondering van 's nachts. Voor kinderopvangprestaties met een duurtijd tot vijf uur geldt 60 % van het inkomenstarief.

De minister bepaalt de nadere regels voor de bepaling van de verblijfstijden.

Art. 31.Gezinnen betalen niets boven op het inkomenstarief, met uitzondering van een bijkomend tarief dat de organisator kan vragen voor : 1° bepaalde bijkomende kosten;2° de reservatie of waarborg van een kinderopvangplaats.Als de organisator een inschrijvingsprijs, een waarborg of gelijk welke som geld ongeacht de benaming, vraagt voordat de kinderopvang start, dan kan dit enkel voor een maximum bedrag en tot waarborg van de volgende verplichtingen van de contracthouder, die volgen uit de schriftelijke overeenkomst of het huishoudelijk reglement : a) het naleven van de schriftelijke reservatie van een kinderopvangplaats;b) het betalen van facturen;c) het naleven van de opzegbepalingen. De minister bepaalt de nadere regels voor de bepaling van het bijkomend tarief.

Onderafdeling 3. - Bepaling inkomenstarief

Art. 32.De contracthouder berekent het inkomenstarief met het berekeningsinstrument op de website van Kind en Gezin, en geeft het resultaat van die berekening, aan de hand van een attest inkomenstarief van Kind en Gezin, door aan de organisator. De organisator informeert en ondersteunt de contracthouder hierbij indien nodig.

Art. 33.Het inkomenstarief wordt berekend : 1° op basis van het inkomen zoals vermeld op het meest recente Belgische aanslagbiljet voor personenbelasting en aanvullende belastingen van de contracthouder en van een andere persoon met domicilie op hetzelfde adres;2° volgens de volgende principes : a) het inkomen, tot een bepaald bedrag, wordt vermenigvuldigd met een coëfficiënt;b) er geldt een minimaal tarief;c) er geldt een maximaal tarief;d) er gelden verminderingen;3° op de volgende momenten : a) de maand voorafgaand aan de maand waarin de kinderopvang start;b) de maand volgend op de vaststelling in het berekeningsinstrument, van de wijziging van de persoon op basis van wiens inkomen het inkomenstarief berekend wordt, als vermeld in punt 1°. De minister bepaalt de nadere regels, onder meer welk inkomen in aanmerking genomen wordt bij gebrek aan een Belgisch aanslagbiljet voor personenbelasting en aanvullende belastingen, welke persoon met domicilie op hetzelfde adres in aanmerking komt, en de nadere principes van de berekening van het inkomenstarief.

Art. 34.Als het voor de contracthouder financieel onmogelijk is om het berekende inkomenstarief te betalen, kan de contracthouder een herberekening vragen met het oog op een individueel verminderd inkomenstarief, via het berekeningsinstrument op de website van Kind en Gezin. Dat berekeningsinstrument doet zelf de herberekening of verwijst daarvoor door naar het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van de woonplaats van de contracthouder of van de kinderopvanglocatie. De contracthouder geeft het resultaat van die herberekening, aan de hand van een attest inkomenstarief van Kind en Gezin, door aan de organisator.

Een individueel verminderd inkomenstarief wordt toegekend voor één jaar als het actuele inkomen lager ligt dan het inkomen op basis waarvan het inkomenstarief wordt berekend en als er een objectieve verantwoording is op basis van een beslissing van een overheidsinstantie om een financiële tegemoetkoming toe te kennen.

De minister bepaalt de nadere regels voor de objectieve verantwoording en voor het bedrag van het te betalen individueel verminderd inkomenstarief.

Onderafdeling 4. - Facturatie en inning inkomenstarief

Art. 35.De organisator staat in voor de facturatie en de inning van het inkomenstarief, berekend of individueel verminderd als vermeld in artikel 32 tot en met 34, ten opzichte van de contracthouder.

De minister bepaalt de nadere regels.

Onderafdeling 5. - Onjuiste informatie of nalaten actuele informatie door te geven

Art. 36.Als de contracthouder onjuiste informatie geeft of nalaat actuele informatie door te geven, kan Kind en Gezin een van de volgende maatregelen nemen : 1° verplicht een maximumtarief laten betalen;2° het inkomenstarief opnieuw bepalen. De minister bepaalt de nadere regels.

TITEL 4. - Plussubsidie HOOFDSTUK 1. - Bedrag subsidie

Art. 37.De plussubsidie voor gezinsopvang en groepsopvang bedraagt 647,50 euro per gesubsidieerde kinderopvangplaats per kalenderjaar. HOOFDSTUK 2. - Voorwaarden specifieke dienstverlening Afdeling 1. - Toegang bepaalde gezinnen

Art. 38.De organisator geeft voorrang aan kwetsbare gezinnen. De organisator geeft daarbij, bij keuze tussen aanvragen, altijd voorrang aan de aanvraag van het kwetsbaar gezin. Daarbij geldt de voorrang voor gezinnen waarvoor kinderopvang noodzakelijk is in het kader van de werksituatie, vermeld in artikel 22, eerste lid, 1°, alleen als er geen aanvraag is voor een kwetsbaar gezin.

Daarbij zorgt de organisator ervoor dat minstens 30% van de kinderen die op jaarbasis opgevangen worden, kinderen zijn van kwetsbare gezinnen. Dat percentage wordt berekend over alle kinderopvanglocaties van de subsidiegroep die de voorwaarden, vermeld in artikel 39 en 40, toepassen.

De organisator neemt de manier waarop hij die voorrang toepast op in zijn huishoudelijk reglement.

De minister bepaalt de nadere regels, onder meer het bedrag van het inkomen als kenmerk voor de financiële situatie van een kwetsbaar gezin. Afdeling 2. - Werking

Art. 39.De organisator zorgt voor : 1° het realiseren van een proactief opnamebeleid om kwetsbare gezinnen een kinderopvangplaats te geven in de eigen kinderopvanglocatie, met aandacht voor occasionele en dringende kinderopvang, in samenwerking met andere organisatoren, met instanties die werken met gezinnen die kinderopvangvragen kunnen hebben, en met de lokale loketten kinderopvang uit de zorgregio;2° het afstemmen van de werking op kwetsbare gezinnen;3° het uitbouwen en verspreiden binnen de sector van de eigen expertise rond het respectvol omgaan met verschillen tussen gezinnen, met bijzondere aandacht voor kwetsbare gezinnen, in samenwerking met pedagogische ondersteuningsorganisaties en met het lokaal overleg kinderopvang;4° het mee uitvoeren van de lokale doelstellingen op het vlak van het sociaal gezinsbeleid, zoals bepaald in de meerjarenplanning van het lokaal bestuur, in samenwerking met het lokaal bestuur en met andere lokale actoren;5° een inspanning om medewerkers aan te werven vanuit kwetsbare groepen en hen gelijkwaardige kansen te bieden in de kinderopvanglocatie;6° het werken aan participatie en betrokkenheid van gezinnen, medewerkers en de buurt en het bevorderen van de verbondenheid tussen die gezinnen, medewerkers, de buurt en de werking van de kinderopvanglocatie;7° aangepaste personeelsinzet of specifieke expertise.

Art. 40.De organisator heeft procedures en processen voor de dienstverlening, vermeld in artikel 39. De organisator neemt die procedures en processen op in zijn kwaliteitshandboek, en meer bepaald in het kwaliteitsmanagementsysteem.

TITEL 5. - Subsidie voor inclusieve kinderopvang HOOFDSTUK 1. - Individuele inclusieve kinderopvang Afdeling 1. - Bedrag subsidie

Art. 41.De subsidie voor individuele inclusieve kinderopvang voor gezinsopvang en groepsopvang bedraagt 9,54 euro per kinderopvangprestatie van een kind met een specifieke zorgbehoefte. Afdeling 2. - Voorwaarden specifieke dienstverlening

Art. 42.De organisator zorgt ervoor dat er voor het kind met een specifieke zorgbehoefte meer intensieve zorgen geboden worden die bestaan uit : 1° aangepaste infrastructuur;2° aangepaste personeelsinzet of specifieke expertise;3° aangepast pedagogisch handelen en specifieke pedagogische ondersteuning.

Art. 43.De organisator onderschrijft de grondbeginselen van artikel 3 van het Internationaal Verdrag van 13 december 2006 inzake de rechten van personen met een handicap.

Art. 44.De organisator evalueert op regelmatige basis de manier waarop hij de voorwaarden, vermeld in artikel 42, realiseert en stuurt zo nodig de werking bij. HOOFDSTUK 2. - Structurele inclusieve kinderopvang Afdeling 1. - Bedrag subsidie

Art. 45.De subsidie voor structurele inclusieve kinderopvang voor gezinsopvang en groepsopvang bedraagt 2891,49 euro per gesubsidieerde kinderopvangplaats per kalenderjaar.

Per subsidiegroep komt maximaal een derde van het aantal vergunde kinderopvangplaatsen in aanmerking voor die subsidie.

Art. 46.Het bedrag, vermeld in artikel 45, wordt verhoudingsgewijs verminderd als de subsidieerbare kinderopvangplaats geen volledig kalenderjaar wordt toegekend.

De minister bepaalt de nadere regels voor de berekening van die verhouding. Afdeling 2. - Voorwaarden specifieke dienstverlening

Art. 47.De organisator zorgt ervoor dat er voor kinderen met een specifieke zorgbehoefte op een structurele manier meer intensieve zorgen geboden worden die bestaan uit : 1° aangepaste infrastructuur;2° aangepaste personeelsinzet of specifieke expertise;3° aangepast pedagogisch handelen en specifieke pedagogische ondersteuning;4° specifieke jaarlijkse vorming op basis van een analyse.

Art. 48.De organisator zorgt ervoor dat elke kinderopvanglocatie waar de inclusieve kinderopvang plaatsvindt, ingeschakeld is in een netwerk van beschikbare instellingen of zorgverleners met een specifieke expertise in verband met kinderen met een specifieke zorgbehoefte waarop een beroep kan worden gedaan voor samenwerking.

Art. 49.De organisator heeft een bezetting van minstens 60% per kalenderjaar. De bezetting wordt berekend op basis van het aantal gesubsidieerde kinderopvangplaatsen waarvoor de organisator de subsidie voor structurele inclusieve kinderopvang ontvangt.

Voor de berekening van de bezetting worden alle kinderopvangprestaties van de opgevangen kinderen met een specifieke zorgbehoefte van de kinderopvanglocaties van dezelfde subsidiegroep in aanmerking genomen.

De minister bepaalt de nadere regels, onder meer de berekening van de bezetting.

Art. 50.De organisator voert een beleid rond die inclusieve kinderopvang, rekening houdend met de voorwaarde, vermeld in artikel 43, en neemt dat op in het huishoudelijk reglement.

De organisator met meer dan achttien vergunde kinderopvangplaatsen neemt de inclusieve kinderopvang op in het kwaliteitshandboek, meer bepaald in het kwaliteitsbeleid en in het kwaliteitsmanagementsysteem.

TITEL 6. - Wijzigingsbepaling

Art. 51.In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006 betreffende de boekhouding en het financieel verslag voor de voorzieningen in bepaalde sectoren van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2008, 24 juli 2009 en 25 februari 2011, wordt punt 15° opgeheven.

TITEL 7. - Slotbepalingen HOOFDSTUK 1. - Opheffingsbepalingen

Art. 52.De volgende regelingen worden opgeheven : 1° het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001 betreffende de vergoeding van installatiekosten aan opvanggezinnen, gewijzigd bij het decreet van 23 december 2010;2° het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 betreffende de toekenning van een eenmalige forfaitaire subsidie voor informatisering aan initiatieven voor preventieve gezinsondersteuning en de toekenning van een forfaitaire subsidie voor brandveiligheid aan kinderopvanginitiatieven, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2009;3° het besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2009 houdende de voorwaarden inzake financiële ondersteuning van zelfstandige opvangvoorzieningen, gewijzigd bij het decreet van 23 december 2010 en de besluiten van de Vlaamse Regering van 24 september 2010, 21 oktober 2011 en 25 mei 2012;4° het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2009 houdende regeling van inkomensgerelateerde opvang bij zelfstandige opvangvoorzieningen, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 25 september 2009, 24 september 2010, 15 juli 2011, 21 oktober 2011 en 19 april 2013;5° het besluit van de Vlaamse Regering van 15 mei 2009 houdende de beveiliging van de toegang bij kinderopvangvoorzieningen;6° het besluit van de Vlaamse Regering van 16 oktober 2009 tot toekenning van een financiële tegemoetkoming aan onthaalouders en kinderopvangvoorzieningen voor een basisopleiding levensreddend handelen bij kinderen;7° het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2012 houdende de toekenning van een eenmalige subsidie voor automatisering en informatisering aan kinderopvangvoorzieningen. HOOFDSTUK 2. - Overgangsbepalingen Afdeling 1. - Omzetting bestaande subsidies

Art. 53.Voor de kinderopvanglocaties die op de datum van inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 een subsidie ontvangen van Kind en Gezin op basis van het besluit, vermeld in artikel 52, 3°, meer bepaald de financiële ondersteuning van zelfstandige opvangvoorzieningen, wordt die subsidie omgezet in een basissubsidie. De omzetting heeft betrekking op hetzelfde aantal gesubsidieerde kinderopvangplaatsen.

Art. 54.Voor de kinderopvanglocaties die op de datum van inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 een subsidie ontvangen van Kind en Gezin op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders, en op basis van het besluit, vermeld in artikel 52, 4°, meer bepaald de subsidie voor het basisaanbod bij kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders, de subsidie voor occasionele plaatsen en de subsidie voor inkomensgerelateerde opvang, wordt die subsidie omgezet in een basissubsidie en een subsidie voor inkomenstarief. De omzetting heeft betrekking op hetzelfde aantal gesubsidieerde kinderopvangplaatsen.

De minister bepaalt de nadere regels, onder meer hoe de omzetting bij diensten voor onthaalouders in subsidiegroepen zal gebeuren. Daarbij zullen de subsidieerbare kinderopvangplaatsen bij samenwerkende onthaalouders met een vergunning groepsopvang gebundeld worden in een afzonderlijke subsidiegroep van de organisator per zorgregio, naast de subsidiegroepen voor gezinsopvang en de subsidiegroepen voor groepsopvang. De voorwaarden, vermeld in artikel 14 en 20, gelden op het niveau van de subsidiegroep.

Art. 55.Voor de kinderopvanglocaties die op de datum van inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 een subsidie ontvangen van Kind en Gezin op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008 houdende de voorwaarden voor toestemming voor en subsidiëring van lokale diensten buurtgerichte kinderopvang, wordt die subsidie omgezet in een basissubsidie, een subsidie voor inkomenstarief en een plussubsidie. De omzetting heeft betrekking op hetzelfde aantal gesubsidieerde kinderopvangplaatsen.

Art. 56.Voor de kinderopvanglocaties die op de datum van inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 een subsidie ontvangen van Kind en Gezin op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders, en op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008 houdende de voorwaarden voor toestemming voor en subsidiëring van lokale diensten buurtgerichte kinderopvang, en op basis van het besluit, vermeld in artikel 52, 3°, meer bepaald de financiële ondersteuning voor inclusieve kinderopvang, wordt die subsidie omgezet in de subsidie voor inclusieve kinderopvang, naargelang van het geval in de subsidie voor individuele inclusieve kinderopvang of de subsidie voor structurele inclusieve kinderopvang.

De omzetting voor de structurele inclusieve kinderopvang heeft betrekking op hetzelfde aantal gesubsidieerde kinderopvangplaatsen. Afdeling 2. - Overgangsperiode bedrag subsidie

Onderafdeling 1. - Basissubsidie

Art. 57.Het bedrag van de basissubsidie voor groepsopvang, vermeld in artikel 12, wordt gedurende een overgangsperiode van zes jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 niet toegekend voor kinderopvangplaatsen die voordien gesubsidieerd waren voor samenwerkende onthaalouders op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders. Gedurende deze overgangsperiode geldt het bedrag, vermeld in artikel 11.

Onderafdeling 2. - Subsidie voor inkomenstarief

Art. 58.§ 1. De subsidie voor inkomenstarief voor gezinsopvang, vermeld in artikel 17, wordt gedurende een overgangsperiode van vijf jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 niet toegekend voor kinderopvangplaatsen die voordien gesubsidieerd waren voor diensten voor onthaalouders op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders. Gedurende de overgangsperiode geldt dat de subsidie is opgebouwd uit : 1° een deel op basis van kinderopvangprestaties als vermeld in artikel 17, eerste lid, 1° ;2° een deel op basis van de leeftijd van de personen, vermeld in artikel 17, eerste lid, 2° ;3° een deel op basis van het samenwerkingsverband, dat 26,37 euro per gesubsidieerde kinderopvangplaats per kalenderjaar bedraagt.Daarvoor wordt rekening gehouden met het aantal subsidieerbare kinderopvangplaatsen van de organisator op 31 december van het subsidiejaar, tenzij dat aantal subsidieerbare kinderopvangplaatsen hoger is dan de erkende capaciteit van de organisator op 31 december 2013. In dat geval wordt het aantal gesubsidieerde kinderopvangplaatsen beperkt tot de erkende capaciteit. De organisator wendt de subsidie, vermeld in het eerste lid, 3°, aan voor een samenwerkingsverband dat voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° een samenwerking hebben voor minstens achthonderd kinderopvangplaatsen gezinsopvang;2° een halftijdse medewerker hebben. § 2. De subsidie voor inkomenstarief voor gezinsopvang, meer bepaald het deel op basis van de leeftijd van de personen, vermeld in artikel 17, eerste lid, 2°, wordt gedurende een overgangsperiode van zes jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 niet toegekend als vermeld in artikel 17, derde lid, 1° en 2°, voor kinderopvangplaatsen die voordien gesubsidieerd waren tegen het tarief voor een openbaar bestuur op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders. Gedurende de overgangsperiode gelden de volgende bedragen : 1° de subsidie bedraagt 343,75 euro per gesubsidieerde kinderopvangplaats per kalenderjaar, als de gemiddelde leeftijd van de personen, vermeld in artikel 17, eerste lid, 2°, twintig jaar is;2° voor elk jaar boven op de gemiddelde leeftijd van twintig jaar wordt de subsidie verhoogd met 5,91 euro per gesubsidieerde kinderopvangplaats, tot maximaal een gemiddelde leeftijd van zestig jaar.

Art. 59.§ 1. De subsidie voor inkomenstarief voor groepsopvang, meer bepaald het deel op basis van kinderopvangprestaties, vermeld in artikel 18, tweede lid, 1°, wordt gedurende een overgangsperiode van zes jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 niet toegekend voor kinderopvangplaatsen die voordien gesubsidieerd waren als samenwerkende onthaalouders op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders. Gedurende de overgangsperiode gelden de bedragen, vermeld in artikel 17, tweede lid, 1°, en artikel 58, § 1, eerste lid, 3°.

De subsidie voor inkomenstarief voor groepsopvang, meer bepaald het deel op basis van de leeftijd van de personen, vermeld in artikel 18, eerste lid, 2°, wordt gedurende een overgangsperiode van zes jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 niet toegekend als vermeld in artikel 18, derde lid, 1° en 2°, voor kinderopvangplaatsen die voordien gesubsidieerd waren als samenwerkende onthaalouders op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders. Gedurende de overgangsperiode gelden de volgende bedragen : 1° voor kinderopvangplaatsen die voordien gesubsidieerd waren tegen het tarief voor een openbaar bestuur : a) de subsidie bedraagt 343,75 euro per gesubsidieerde kinderopvangplaats per kalenderjaar, als de gemiddelde leeftijd van de personen, vermeld in artikel 18, eerste lid, 2°, twintig jaar is;b) voor elk jaar bovenop de gemiddelde leeftijd van twintig jaar wordt de subsidie verhoogd met 5,91 euro per gesubsidieerde kinderopvangplaats, tot maximaal een gemiddelde leeftijd van zestig jaar;2° voor kinderopvangplaatsen die voordien gesubsidieerd waren tegen het tarief voor een vzw : a) de subsidie bedraagt 431,42 euro per gesubsidieerde kinderopvangplaats per kalenderjaar, als de gemiddelde leeftijd van de personen, vermeld in artikel 18, eerste lid, 2°, twintig jaar is;b) voor elk jaar boven op de gemiddelde leeftijd van twintig jaar wordt de subsidie verhoogd met 7,42 euro per gesubsidieerde kinderopvangplaats, tot maximaal een gemiddelde leeftijd van zestig jaar. § 2. De subsidie voor inkomenstarief voor groepsopvang, meer bepaald het deel op basis van de leeftijd van de personen, vermeld in artikel 18, eerste lid, 2°, wordt gedurende een overgangsperiode van zes jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 niet toegekend als vermeld in artikel 18, derde lid, 1° en 2°, voor kinderopvangplaatsen die voordien gesubsidieerd waren voor het inkomensgerelateerd systeem op basis van het besluit, vermeld in artikel 52, 4°. Gedurende de overgangsperiode gelden de volgende bedragen : 1° de subsidie bedraagt 2307,80 euro per gesubsidieerde kinderopvangplaats per kalenderjaar, als de gemiddelde leeftijd van de personen, vermeld in artikel 18, eerste lid, 2°, twintig jaar is;2° voor elk jaar boven op de gemiddelde leeftijd van twintig jaar wordt de subsidie verhoogd met 40,38 euro per gesubsidieerde kinderopvangplaats, tot maximaal een gemiddelde leeftijd van 60 jaar. § 3. De subsidie voor inkomenstarief voor groepsopvang, meer bepaald het deel op basis van de leeftijd van de personen, vermeld in artikel 18, eerste lid, 2°, wordt gedurende een overgangsperiode van zes jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 niet toegekend, als vermeld in artikel 18, derde lid, 1° en 2°, voor een aantal kinderopvangplaatsen die voordien gesubsidieerd waren voor een peutertuin en voor een crèche met kinderopvangplaatsen die voordien gesubsidieerd waren tegen het tarief voor een openbaar bestuur, op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders. Gedurende de overgangsperiode gelden voor dat aantal kinderopvangplaatsen de bedragen, vermeld in paragraaf 2.

De minister bepaalt de nadere regels, onder meer de verhouding van het aantal kinderopvangplaatsen, en wat betreft de peutertuinen, enerzijds voor kinderopvangplaatsen die voordien gesubsidieerd waren volgens het tarief voor een peutertuin van een openbaar bestuur, en anderzijds volgens het tarief voor een peutertuin van een vzw. Afdeling 3. - Overgangsperiode voorwaarden specifieke dienstverlening

Art. 60.Voor de kinderopvanglocaties die de subsidie voor inkomenstarief voor groepsopvang, meer bepaald het deel op basis van de leeftijd van de personen, vermeld in artikel 18, eerste lid, 2°, toegekend krijgen als vermeld in artikel 59, geldt een overgangsperiode van zes jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 om te voldoen aan de voorwaarde over het hebben van een werknemersstatuut, vermeld in artikel 25, eerste lid.

De overgangsperiode, vermeld in het eerste lid, is niet van toepassing op het gesubsidieerde aantal kinderopvangplaatsen van de subsidiegroepen, vermeld in artikel 54, tweede lid, die werken met kinderbegeleiders in het sociaal statuut van de aangesloten onthaalouders. Voor deze gesubsidieerde kinderopvangplaatsen geldt de overgangsperiode zolang de kinderbegeleiders werken in voormelde statuut.

Art. 61.Voor de kinderopvanglocaties die vroeger inkomensgerelateerd werkten op basis van het besluit, vermeld in 52, 4°, geldt een overgangsperiode van zes jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 om te voldoen aan : 1° de voorwaarde over de rechtspersoonlijkheid met sociaal oogmerk, vermeld in artikel 24;2° de voorwaarden over de boekhouding en het financieel verslag, vermeld in artikel 26. Voor de kinderopvanglocaties die op de datum van inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 een subsidie ontvangen van Kind en Gezin op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders, en op basis van het besluit, vermeld in artikel 52, 1°, 3°, en 4°, geldt een overgangsperiode van drie jaar voor de organisator van gezinsopvang en één jaar voor de organisator van groepsopvang, om te voldoen aan de voorwaarde over de actieve kennis van de Nederlandse taal voor de kinderbegeleider, vermeld in artikel 15. Afdeling 4. - Andere overgangsbepalingen

Art. 62.In afwijking van artikel 20 zorgen de kinderopvanglocaties die vroeger inkomensgerelateerd werkten op basis van het besluit, vermeld in artikel 52, 4°, en de kinderopvanglocaties die op de datum van inwerkingtreding van het decreet van 20 april 2012 een subsidie ontvangen van Kind en Gezin op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008 houdende de voorwaarden voor toestemming voor en subsidiëring van lokale diensten buurtgerichte kinderopvang, in 2014 en 2015 voor een ononderbroken openingsduur van minstens negen uur tussen 6 en 20 uur.

Art. 63.In afwijking van artikel 21 heeft de organisator een bezetting : 1° van 70% in 2014;2° van 75% in 2015.

Art. 64.De organisator die voor het jaar 2013 subsidies heeft ontvangen op basis van een van de besluiten, vermeld in artikel 52, op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders, of op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008 houdende de voorwaarden voor toestemming voor en subsidiëring van lokale diensten buurtgerichte kinderopvang, en voor wie de som van die subsidies hoger ligt dan de som van de subsidies op basis van dit besluit, kan onder bepaalde voorwaarden en gedurende een overgangsperiode van vijf jaar een eenmalige compensatie van het subsidieverlies krijgen.

Voor de organisator die voor de jaren 2011, 2012 of 2013 subsidies heeft ontvangen op basis van een van de besluiten, vermeld in artikel 52, op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor onthaalouders, of op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008 houdende de voorwaarden voor toestemming voor en subsidiëring van lokale diensten buurtgerichte kinderopvang, zijn er saldoafrekeningen en rechtzettingen mogelijk op basis van voormelde besluiten.

De minister bepaalt de nadere regels.

Art. 65.Zolang de kinderbegeleider werkt volgens het sociaal statuut van de aangesloten onthaalouders : 1° betaalt de organisator aan de kinderbegeleider een kostenvergoeding van 19,37 euro per kinderopvangprestatie die vijf tot elf uur duurt, en 60 % van dat bedrag per kinderopvangprestatie die minder dan vijf uur duurt;2° ontvangt de kinderbegeleider van de organisator de subsidie voor individuele inclusieve kinderopvang, vermeld in artikel 41, per kinderopvangprestatie van een kind met een specifieke zorgbehoefte voor wie Kind en Gezin een specifieke toekenning van bepaalde duur deed;3° kan het aantal vergunde kinderopvangplaatsen van de organisator voor de kinderopvanglocaties groepsopvang niet groter zijn dan achttien. HOOFDSTUK 3. - Subsidies van andere overheidsinstanties

Art. 66.Indien een organisator voldoet aan de voorwaarden voor een bepaalde subsidie, vermeld in dit besluit, en van een andere overheidsinstantie dan van Kind en Gezin subsidie krijgt volgens de bepalingen van dit besluit, dan kan Kind en Gezin instaan voor het toezicht op het naleven van deze voorwaarden. HOOFDSTUK 4. - Inwerkingtredingsbepaling en uitvoeringsbepaling

Art. 67.Dit besluit treedt in werking op 1 april 2014.

Art. 68.De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 22 november 2013.

De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, J. VANDEURZEN

^