Besluit Van De Vlaamse Regering van 23 september 2005
gepubliceerd op 25 november 2005
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het koninklijk besluit nummer 63 van 20 juli 1982 houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend personeel en het daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met voll

bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
numac
2005036433
pub.
25/11/2005
prom.
23/09/2005
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

23 SEPTEMBER 2005. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het koninklijk besluit nummer 63 van 20 juli 1982 houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend personeel en het daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan


De Vlaamse Regering, Gelet op het decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs, inzonderheid op artikel 56;

Gelet op het decreet van 28 april 1993 betreffende het onderwijs IV, inzonderheid artikel op 98, § 1;

Gelet op het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan, inzonderheid op artikel 2, gewijzigd door het koninklijk besluit nr. 161 van 30 december 1982, de besluiten van de Vlaamse Regering van 22 juli 1993, 22 december 1993, 9 februari 2001 en 23 november 2001 en op artikel 10, gewijzigd door het koninklijk besluit nr. 161 van 30 december 1982, het koninklijk besluit nr. 269 van 31 december 1983, het koninklijk besluit nr. 270 van 31 december 1993, de decreten van 9 april 1992 en 21 december 1994;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 8 juni 2005;

Gelet op het protocol nr. 569 van 8 juli 2005 houdende de conclusies van de onderhandelingen die gevoerd werden in de gemeenschappelijke vergaderingen van sectorcomité X en van de onderafdeling "Vlaamse Gemeenschap" van afdeling 2 van het comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten;

Gelet op het protocol nr. 334 van 8 juli 2005 houdende de conclusies van de onderhandelingen die gevoerd werden in de vergadering van het overkoepelend onderhandelingscomité vrij gesubsidieerd onderwijs;

Gelet op het advies van de Raad van State 38.826/1/V, gegeven op 16 augustus 2005, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1° van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming;

Na beraadslaging, Besluit :

Artikel 1.In artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 161 van 30 december 1982 en de besluiten van de Vlaamse Regering van 22 juli 1993, 22 juli 1993, 22 december 1993, 9 februari 2001 en 15 oktober 2004, worden in § 2bis, eerste lid, tussen de woorden "personeelslid" en "dat" de volgende woorden ingevoegd : « in een selectie- of bevorderingsambt »

Art. 2.In artikel 2 van hetzelfde koninklijk besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 161 van 30 december 1982 en de besluiten van de Vlaamse Regering van 22 juli 1993, 22 december 1993, 9 februari 2001 en 15 oktober 2004, worden een § 2ter, § 5bis en § 5ter ingevoerd die luiden als volgt : « § 2ter. In afwijking van § 2 wordt in het onderwijs voor sociale promotie onder « bijbetrekking » verstaan : het ambt met al dan niet volledige prestaties dat aan één of meer centra voor volwassenenonderwijs wordt uitgeoefend door het personeelslid in een wervingsambt dat eveneens : 1° een ambt met volledige prestaties uitoefent in het onderwijs met volledige leerplan;2° een ambt met volledige prestaties uitoefent in het onderwijs voor sociale promotie aan hetzelfde centrum voor volwassenenonderwijs of aan één of meer andere centra voor volwassenenonderwijs en/of in het beperkt leerplan;3° een ambt met volledige prestaties uitoefent dat, overeenkomstig de ponderatieregel toegepast zoals voor de berekening van de wedde, gevormd wordt door een ambt met onvolledige prestaties in het onderwijs met volledig leerplan en tevens door een ambt met onvolledige prestaties dat wordt uitgeoefend in beperkt leerplan en/of in het onderwijs voor sociale promotie aan hetzelfde centrum voor volwassenenonderwijs of aan één of meer andere centra voor volwassenenonderwijs;4° dat uit hoofde van een activiteit als zelfstandige netto-belastbare inkomsten heeft waarvan het bedrag gelijk is aan of hoger is dan het minimum verbonden aan de weddenschaal 501, met dien verstande dat dit minimum wordt aangepast aan de index doch verminderd met de forfaitair bepaalde beroepskosten voor werknemers;5° dat uit hoofde van elke andere bezigheid en/of wegens het genot van een pensioen, met uitzondering van een overlevingspensioen, netto-belastbare inkomsten heeft waarvan het bedrag gelijk is aan of hoger is dan het minimum verbonden aan de weddenschaal 501, met dien verstande dat dit minimum wordt aangepast aan de index doch verminderd met de forfaitair bepaalde beroepskosten voor werknemers;6° reeds een niet-uitsluitend ambt in het onderwijs met volledig leerplan uitoefent waarvoor het een volledige wedde geniet, waarvan het bruto-bedrag gelijk is aan of hoger ligt dan het minimum van zijn weddenschaal. Voor de toepassing van 4° en 5° wordt geen rekening gehouden met het inkomen voortvloeiend uit het verrichten van deskundig onderzoek in strafrechtelijke zaken in opdracht van de rechterlijke overheid, noch met de tijdsduur die daaraan is besteed, evenmin als het inkomen voortvloeiend uit het uitoefenen van een politiek mandaat.

Onder « andere bezigheid » in de zin van het eerste lid, 5°, wordt verstaan een andere bezigheid dan : 1° een zelfstandig beroep;2° prestaties in het onderwijs met volledig leerplan en/of in het onderwijs voor sociale prestaties of met beperkt leerplan, waarvoor een bezoldiging ten laste van de Schatkist wordt toegekend. Onder « hoofdambt » in de zin van § 1, wordt verstaan het ambt met al dan niet volledige prestaties dat niet als bijbetrekking wordt beschouwd overeenkomstig de voorgaande bepalingen. § 5bis. In afwijking van § 5 geldt voor de personeelsleden die een wervingsambt uitoefenen in een centrum voor volwassenenonderwijs deze paragraaf.

Voor de ambten die overeenkomstig dit artikel als bijbetrekking worden beschouwd, wordt de wedde of weddentoelage vastgesteld volgens de bepalingen van Titel IV van het koninklijk besluit van 10 maart 1965 houdende bezoldigingsregeling van het personeel der leergangen met beperkt leerplan afhangend van het Ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur. Bovenvermelde wedde of weddentoelage wordt enkel toegekend vanaf de dag waarop het personeelslid de opdracht die het toekennen van deze wedde of weddentoelage wettigt, daadwerkelijk uitoefent.

De geldelijke anciënniteit van een tijdelijk personeelslid wordt vastgesteld op 30 juni 2001. De werkelijke diensten die vanaf 1 september 2001 worden uitgeoefend, komen voor de toekenning van de periodieke verhogingen slechts vanaf 1 september 2001 in aanmerking. § 5ter. De bezoldiging van de onvolledige prestaties bedoeld in artikel 2, § 2ter, 3° en die worden uitgeoefend in het onderwijs voor sociale promotie heeft geen invloed op de bezoldiging van de onvolledige prestaties uitgeoefend in het onderwijs met volledig leerplan en/of in het deeltijds kunstonderwijs. ».

Art. 3.Aan artikel 10 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 161 van 30 december 1982 en de besluiten van de Vlaamse Regering van 22 juli 1993, 22 december 1993, 9 februari 2001 en 15 oktober 2004, wordt een § 8 toegevoegd die luidt als volgt : « § 8. De bepalingen van § 2, 2°, van § 5 en van § 6 zijn niet van toepassing op de personeelsleden die een wervingsambt uitoefenen in een centrum voor volwassenenonderwijs. ».

Art. 4.Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 september 2003.

Art. 5.De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 23 september 2005.

De minister-president van de Vlaamse Regering, Y. LETERME De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming, F. VANDENBROUCKE

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^