Etaamb.openjustice.be
Besluit Van De Vlaamse Regering van 24 april 2009
gepubliceerd op 06 juli 2009

Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de voorwaarden voor de experimentele subsidiëring van een aanvullend geïndividualiseerd hulpaanbod in de intersectorale aanpak van knelpuntdossiers

bron
vlaamse overheid
numac
2009035547
pub.
06/07/2009
prom.
24/04/2009
ELI
eli/besluit/2009/04/24/2009035547/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

24 APRIL 2009. - Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de voorwaarden voor de experimentele subsidiëring van een aanvullend geïndividualiseerd hulpaanbod in de intersectorale aanpak van knelpuntdossiers


De Vlaamse Regering, Gelet op het decreet van 19 december 2008 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2009, artikel 37;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 17 april 2009;

Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, artikel 3, § 1, vervangen bij de wet van 4 juli 1989 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid;

Overwegende dat er een dringende behoefte is om, gelet op de complexiteit van bepaalde dossiers in de jeugdhulpverlening, een intersectorale aanpak van die dossiers mogelijk te maken, en dat het decreet van 19 december 2008 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2009 voorziet in een experimentele subsidiëring van knelpuntdossiers gedurende twee jaar, met een aanvang van het experiment op 1 januari 2009;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;

Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.In dit besluit wordt verstaan onder: 1° commissie: de commissie erkenning knelpuntdossiers;2° coördinator van de zorgregie: een personeelslid van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap dat is aangesteld om het zorgregieproces te volgen in een provincie, vermeld in artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 maart 2006 betreffende de regie van de zorg en bijstand tot sociale integratie van personen met een handicap en betreffende de erkenning en subsidiëring van een Vlaams Platform van verenigingen van personen met een handicap;3° intersectoraal regionaal overleg: het intersectoraal regionaal overleg knelpuntdossiers van de regio waar de minderjarige gedomicilieerd is;4° gemeenschapsinstelling: voorziening van de bijzondere jeugdbijstand, vermeld in artikel 47 van het decreet van 7 maart 2008 inzake bijzondere jeugdbijstand;5° jeugdhulpverlening: de hulp- en zorgverlening die zich richt tot minderjarigen, of tot minderjarigen en hun ouders, hun opvoedingsverantwoordelijken of personen uit hun leefomgeving;6° knelpuntdossier: dossier waarvan de complexiteit van de hulpvraag een combinatie van hulpaanbod (modules of expertises) vraagt van verschillende personen of voorzieningen die jeugdhulpverlening aanbieden, dat voldoet aan de erkenningsvoorwaarden vermeld in dit besluit, en dat erkend is door de commissie knelpuntdossiers;7° module: een duidelijk afgelijnde eenheid van jeugdhulpverlening die afzonderlijk of samen met andere eenheden kan worden aangeboden door jeugdhulpaanbieders, als vermeld in artikel 9 van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de integrale jeugdhulp;8° Regionaal Overleg Gehandicaptenzorg: het overleg vermeld in titel II, hoofdstuk II van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 maart 2006 betreffende de regie van de zorg en bijstand tot sociale integratie van personen met een handicap en betreffende de erkenning en subsidiëring van een Vlaams Platform van verenigingen van personen met een handicap;9° regionale beleidsmedewerker integrale jeugdhulp: een personeelslid van de Vlaamse overheid, als vermeld in artikel 46, eerste lid, 4°, van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de integrale jeugdhulp;10° regioverantwoordelijke: het personeelslid van het agentschap Jongerenwelzijn, dat belast is met het operationele management van de regionale diensten van het agentschap Jongerenwelzijn;11° reguliere jeugdhulpverlening: jeugdhulpverlening, aangeboden ter uitvoering van het decreet van 7 maart 2008 inzake bijzondere jeugdbijstand en het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;12° VAPH-knelpuntdossier: een dossier waaraan in het kader van de zorgbemiddeling binnen het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap door de zorgbemiddelingsvergadering de status van knelpuntdossier toegekend werd;13° verwijzende instantie: naar gelang het geval het bureau voor bijzondere jeugdbijstand, vermeld in artikel 16 van het decreet van 7 maart 2008 inzake bijzondere jeugdbijstand of de jeugdrechter;14° zorgbemiddeling: het zoeken naar een begeleidings-, behandelings- of opvangaanbod, uitgaande van de zorgvraag, de urgentiecode en het beschikbare aanbod, vermeld in titel II, hoofdstuk VI, afdeling II, van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 maart 2006 betreffende de regie van de zorg en bijstand tot sociale integratie van personen met een handicap en betreffende de erkenning en subsidiëring van een Vlaams Platform van verenigingen van personen met een handicap;15° zorgbemiddelingsvergadering: het overleg opgericht binnen het Regionaal Overleg Gehandicaptenzorg met als doelstelling zorgbemiddeling.

Art. 2.Binnen de kredieten die daarvoor zijn ingeschreven op hun begroting, kunnen het agentschap Jongerenwelzijn en het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, overeenkomstig de bepalingen van dit besluit, subsidies toekennen voor een aanvullend geïndividualiseerd hulpaanbod aan minderjarigen met een knelpuntdossier. HOOFDSTUK II. - Erkenning als knelpuntdossier Afdeling 1. - Erkenningsvoorwaarden

Art. 3.Om in aanmerking te komen voor een erkenning als knelpuntdossier, moet een dossier minimaal aan de volgende voorwaarden voldoen: 1° het betreft een minderjarige die: a) het onderwerp is geweest van een zorgbemiddeling, maar de zorgbemiddeling leverde geen resultaat op en de status VAPH- knelpuntdossier werd aan hem toegekend;b) verblijft in een gemeenschapsinstelling, voor wie na intensieve onderhandelingen met diverse diensten en organisaties er geen uitzicht meer is op reguliere gepaste jeugdhulp;2° het betreft een complexe problematiek, waarvoor de reguliere jeugdhulpverlening die wordt aangeboden door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap of het agentschap Jongerenwelzijn, op zich niet volstaat om te beantwoorden aan de bestaande behoefte van de minderjarige;3° er is nood aan een aanvullend geïndividualiseerd hulpaanbod dat bestaat uit een module, een combinatie van modules of uit bijzondere expertise van twee of meer personen of voorzieningen die jeugdhulpverlening aanbieden. Afdeling 2. - Erkenningsprocedure

Art. 4.Een aanvraag tot erkenning als knelpuntdossier wordt ingediend bij de commissie, vermeld in artikel 16, door: 1° een vertegenwoordiger van de zorgbemiddelingsvergadering van het Regionaal Overleg Gehandicaptenzorg;2° een vertegenwoordiger van de gemeenschapsinstellingen in samenspraak met de verwijzende instantie.

Art. 5.Een aanvraag bevat minstens: 1° de omschrijving van de problematiek van de minderjarige;2° een chronologische schets van de jeugdhulpverlening die in het verleden aan de minderjarige werd aangeboden of die werd gerealiseerd;2° de motivering voor een erkenning als knelpuntdossier.

Art. 6.De commissie beslist binnen een termijn van veertien werkdagen na de aanvraag over de erkenning als knelpuntdossier. De commissie houdt bij haar beslissing rekening met: 1° de urgentie van het dossier;2° een evenwichtige verdeling van middelen voor enerzijds dossiers met betrekking tot minderjarigen als vermeld in artikel 3, 1°, a, en anderzijds dossiers met betrekking tot minderjarigen als vermeld in artikel 3, 1°, b. HOOFDSTUK III. - Aanvullend geïndividualiseerd hulpaanbod

Art. 7.Het intersectoraal regionaal overleg, vermeld in artikel 18, bepaalt in het hulpverleningsplan, vermeld in artikel 8, het aanvullend geïndividualiseerd hulpaanbod voor het knelpuntdossier.

Het aanvullend geïndividualiseerd hulpaanbod bestaat uit een aanbod dat : 1° niet geboden kan worden binnen de reguliere jeugdhulpverlening;2° aanvullend is op de reguliere jeugdhulpverlening die geboden wordt aan de minderjarige;3° behoort tot het aanbod van een of meer personen of voorzieningen die jeugdhulpverlening bieden.

Art. 8.§ 1. Het intersectoraal regionaal overleg maakt een hulpverleningsplan op en volgt de uitvoering van het hulpverleningsplan.

Het hulpverleningsplan bevat minstens: 1° de indicatiestelling;2° de toewijzing van het aanvullend geïndividualiseerd hulpaanbod en de wijze van uitvoering van de aangewezen module, de combinatie van modules of de in te zetten expertises van personen of voorzieningen die jeugdhulpverlening bieden;3° een budgettair onderdeel waarin een overzicht wordt gemaakt van de middelen die noodzakelijk zijn voor het aanvullend geïndividualiseerd hulpaanbod. § 2. Het intersectoraal regionaal overleg beslist na overleg met: 1° in voorkomend geval de minderjarige, zijn ouders, opvoedingsverantwoordelijken en andere personen uit de leefomgeving van de minderjarige;2° de in het dossier relevante hulpverleners;3° in voorkomend geval deskundigen met voor het dossier relevante expertise.

Art. 9.Ter uitvoering van het hulpverleningsplan wijst het intersectoraal regionaal overleg de middelen toe aan de personen of voorzieningen die jeugdhulpverlening bieden en die zorgen voor het aanvullend geïndividualiseerd hulpaanbod. Het toekenningsbesluit van die middelen wordt namens het overleg ondertekend door de voorzitter. HOOFDSTUK IV. - Subsidiëring van het aanvullend geïndividualiseerd hulpaanbod

Art. 10.Een subsidie kan alleen toegekend worden voor een aanvullend geïndividualiseerd hulpaanbod dat gerealiseerd is voor 31 december 2010.

Art. 11.Per knelpuntdossier kan het aanvullend geïndividualiseerd hulpaanbod gesubsidieerd worden tot een bedrag van maximaal 40.000 euro. De subsidie bestaat uit een tegemoetkoming van 100% voor het aanvullend geïndividualiseerd hulpaanbod.

Art. 12.De middelen voor het aanvullend geïndividualiseerd hulpaanbod worden toegekend op basis van een verantwoording van de verstrekte jeugdhulpverlening tijdens de periode dat de jongere in kwestie de hulp krijgt. De verantwoording bestaat uit een of meer schuldvorderingen en bijbehorende bewijsstukken voor het geheel van de gemaakte kosten van de personen of voorzieningen die jeugdhulpverlening bieden en die zorgen voor het aanvullend geïndividualiseerd hulpaanbod. De bewijsstukken moeten ingediend worden bij het agentschap dat de subsidie uitbetaalt, als vermeld in artikel 13, en dit uiterlijk op 31 maart 2011.

Art. 13.De subsidie wordt uitbetaald door: 1° het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap indien het dossier werd ingediend bij de commissie door de zorgbemiddelingsvergadering, vermeld in artikel 4, 1°;2° het Fonds Jongerenwelzijn indien het dossier werd ingediend bij de commissie door een vertegenwoordiger van de gemeenschapsinstellingen, vermeld in artikel 4, 2°. Het betrokken agentschap bepaalt de frequentie en de omvang van eventuele voorschotten en het tijdstip van afrekening.

Art. 14.Het intersectorale regionale overleg evalueert met betrokkenheid van de minderjarige of zijn ouders of opvoedingsverantwoordelijken de uitvoering van het hulpverleningsplan en de besteding van de middelen, en brengt daarvan halfjaarlijks verslag uit bij de commissie.

Art. 15.De personen, vermeld in artikel 8, § 2, 2° en 3°, die niet behoren tot het personeel van de Vlaamse overheid, worden voor hun medewerking aan het overleg vergoed a rato van 40 euro per vergadering. Er wordt voor maximaal twaalf vergaderingen per jaar een presentiegeld toegekend.

Er wordt aan de personen, vermeld in artikel 8, § 2, 1°, 2° en 3°, een vergoeding toegekend voor de reiskosten die verbonden zijn aan het bijwonen van de vergaderingen. Daarvoor geldt dezelfde regeling als voor de vergoeding van de reiskosten van de personeelsleden van de Vlaamse overheid.

De vergoedingen, vermeld in het eerste en tweede lid, worden toegekend binnen de perken van de kredieten die binnen de begroting van het VAPH en van het FJW beschikbaar zijn voor de experimentele subsidiëring van een aanvullend geïndividualiseerd hulpaanbod in de intersectorale aanpak van knelpuntdossiers. HOOFDSTUK V. - Beslissingsorganen Afdeling 1. - Commissie erkenning knelpuntdossiers

Art. 16.De commissie is samengesteld uit: 1° een vertegenwoordiger van het Managementcomité Integrale Jeugdhulp, aangewezen door de voorzitter van het Managementcomité Integrale Jeugdhulp;2° een vertegenwoordiger van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, aangewezen door de leidend ambtenaar van dat agentschap;3° een vertegenwoordiger van het agentschap Jongerenwelzijn, aangewezen door de leidend ambtenaar van dat agentschap. De vertegenwoordiger van het Managementcomité Integrale Jeugdhulp zit de commissie voor.

Art. 17.Het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin zorgt bij elk knelpuntdossier voor de ondersteuning, de communicatie en het secretariaat van de commissie. Afdeling 2. - Intersectoraal regionaal overleg knelpuntdossiers

Art. 18.Het intersectoraal regionaal overleg is samengesteld uit: 1° de regionale beleidsmedewerker integrale jeugdhulp van de regio waar de minderjarige gedomicilieerd is;2° de coördinator van de zorgregie voor het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, van de provincie waar de minderjarige gedomicilieerd is;3° de regioverantwoordelijke van de regio waar de minderjarige gedomicilieerd is. De regionale beleidsmedewerker integrale jeugdhulp zit het intersectoraal regionaal overleg voor.

Art. 19.Het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin zorgt bij elk knelpuntdossier voor de coördinatie van het intersectoraal regionaal overleg. HOOFDSTUK VI. - Coördinatie en evaluatie van het experiment

Art. 20.Het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin is belast met de algemene coördinatie en de evaluatie van het experiment voor de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2010.

Art. 21.Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2009.

Art. 22.De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 24 april 2009.

De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming, F. VANDENBROUCKE De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, V. HEEREN

^