Etaamb.openjustice.be
Besluit Van De Vlaamse Regering van 24 oktober 2008
gepubliceerd op 02 maart 2009

Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 7 maart 2008 inzake bijzondere jeugdbijstand en het kaderdecreet Bestuurlijk Beleid van 18 juli 2003

bron
vlaamse overheid
numac
2009035022
pub.
02/03/2009
prom.
24/10/2008
ELI
eli/besluit/2008/10/24/2009035022/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

24 OKTOBER 2008. - Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 7 maart 2008 inzake bijzondere jeugdbijstand en het kaderdecreet Bestuurlijk Beleid van 18 juli 2003


De Vlaamse Regering, Gelet op de Bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen inzonderheid op artikel 20 en 87, § 1;

Gelet op het kaderdecreet Bestuurlijk Beleid van 18 juli 2003, inzonderheid op artikel 6, § 2, eerste lid, en artikel 7, derde lid;

Gelet op het decreet van 7 maart 2008 inzake bijzondere jeugdbijstand;

Gelet op het Besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 1988 houdende oprichting en werkwijze van de bemiddelingscommissie voor bijzondere jeugdbijstand en van het administratief secretariaat, gewijzigd bij de Besluiten van de Vlaamse Regering van 23 december 1988, 31 mei 1989, 10 oktober 1990, 22 mei 1991, 11 maart 1992, 19 januari 1994, 23 juli 1997 en 13 december 2002 en 15 december 2006;

Gelet op het Besluit van de Vlaamse Regering van 17 juli 1991 houdende organisatie en werkwijze van de sociale diensten van de Vlaamse Gemeenschap bij de jeugdrechtbanken, gewijzigd bij de Besluiten van de Vlaamse Regering van 13 december 2002 en 31 maart 2006, 8 december 2006 en 15 december 2006;

Gelet op het Besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1998 betreffende de organisatie en de werking van de comités voor bijzondere jeugdzorg, gewijzigd bij de Besluiten van de Vlaamse Regering van 13 december 2002, 31 maart 2006, 8 december 2006 en 15 december 2006;

Gelet op het Besluit van de Vlaamse Regering van 13 december 2002 houdende financiële bepalingen inzake uitgaven voor werkingskosten van de comités voor bijzondere jeugdzorg, de bemiddelingscommissies voor bijzondere jeugdbijstand, de sociale diensten van de Vlaamse Gemeenschap bij de jeugdrechtbanken en de regionale diensten van het intern verzelfstandigd agentschap Jongerenwelzijn en inzake uitgaven voor de preventiewerking van de comités voor bijzondere jeugdzorg en de regionale preventiewerking van het intern verzelfstandigd agentschap Jongerenwelzijn, gewijzigd bij het Besluit van de Vlaamse Regering van 31 maart 2006, 8 december 2006 en 15 december 2006;

Gelet op het Besluit van de Vlaamse Regering van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap Jongerenwelzijn, inzonderheid op artikel 16;

Gelet op het Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 tot vaststelling van de capaciteit van de gemeenschapsinstellingen voor bijzondere jeugdbijstand;

Gelet op het advies van Inspectie van Financiën, gegeven op 25 januari 2008;

Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 20 mei 2008, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

Op voorstel van de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;

Na beraadslaging, Besluit : BOEK I. - DEFINITIES

Artikel 1.In dit besluit wordt verstaan onder : 1° administrateur-generaal : het personeelslid dat belast is met de leiding van het agentschap en het Fonds.2° agentschap : het intern verzelfstandigd agentschap Jongerenwelzijn, vermeld in artikel 59 van het decreet;3° bemiddelingscommissie : de bemiddelingscommissie voor bijzondere jeugdbijstand, vermeld in artikel 26 van het decreet;4° betrokken partijen : de minderjarige, de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen over de minderjarige of de minderjarige onder hun bewaring hebben en degenen die in het raam van de jeugdbijstandsregeling eveneens bij de hulpverlening zijn betrokken;5° bureau : het bureau voor bijzondere jeugdbijstand, vermeld in artikel 16, § 1, van het decreet;6° comité : het comité voor bijzondere jeugdzorg, vermeld in artikel 12 van het decreet;7° consulenten : personeelsleden van het agentschap, vermeld in artikel 21, § 1, van het decreet;8° decreet : het decreet betreffende de bijzondere jeugdbijstand van 7 maart 2008;9° erkende voorzieningen : voorzieningen die met toepassing van artikel 49 van het decreet zijn erkend door de Vlaamse Gemeenschap;10° Fonds : het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Fonds Jongerenwelzijn, vermeld in artikel 54 van het decreet;11° gelijkgestelde voorzieningen : voorzieningen, gelijkgesteld met erkende voorzieningen voor wat betreft de toelating om minderjarigen op te nemen;12° handelingsplan : het handelingsplan, vermeld in artikel 46, eerste lid van het decreet;13° jeugdbijstandsregeling : het decreet en het geheel van de wetten betreffende de opgave van maatregelen ten aanzien van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, vermeld in punt 26°;14° kaderdecreet : het kaderdecreet Bestuurlijk Beleid van 18 juli 2003;15° minderjarige : elke natuurlijke persoon die jonger is dan achttien jaar.Voor de toepassing van dit besluit wordt de persoon die de maximumleeftijden, vermeld in artikel 36, § 2, van het decreet niet heeft bereikt, gelijkgesteld met een minderjarige; 16° minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen;17° preventiecel : de Preventiecel, vermeld in artikel 18 van het decreet van 7 maart 2008;18° problematische opvoedingssituatie : een toestand waarin de fysieke integriteit, de affectieve, morele, intellectuele of sociale ontplooiingskansen van minderjarigen in het gedrang komen door bijzondere gebeurtenissen, door relationele conflicten of door de omstandigheden waarin zij leven;19° regio : het grondgebied van een provincie.Het grondgebied van de provincie Vlaams-Brabant en het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest vormen samen één regio; 20° regioverantwoordelijke : een directeur (A2) van het agentschap die belast is met het operationele management van een regio;21° secretaris : het personeelslid van het agentschap dat de leiding heeft van het secretariaat van de bemiddelingscommissie;22° sociale diensten : de sociale dienst voor vrijwillige jeugdbijstand en de sociale dienst voor gerechtelijke jeugdbijstand;23° sociale dienst voor gerechtelijke jeugdbijstand : de sociale dienst voor gerechtelijke jeugdbijstand, vermeld in artikel 44 van het decreet;24° sociale dienst voor vrijwillige jeugdbijstand : de sociale dienst voor vrijwillige jeugdbijstand, vermeld in artikel 20 van het decreet 25° teamverantwoordelijke : de persoon, vermeld in artikel 21, § 3, van het decreet;26° voorzieningen : initiatieven die hulp- of dienstverlening aanbieden aan minderjarigen en gezinnen;27° wet betreffende de opgave van maatregelen ten aanzien van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd : een wet die een aangelegenheid regelt, vermeld in artikel 5, § 1, II, 6°, d, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. BOEK II. - INTERN VERZELFSTANDIGD AGENTSCHAP JONGERENWELZIJN TITEL I. - Benaming, doel en taakstelling van het agentschap

Art. 2.In het Vlaams Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin wordt een intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Jongerenwelzijn opgericht. Het agentschap wordt opgericht voor de uitvoering van het beleid inzake welzijn en volksgezondheid.

Het agentschap behoort tot het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.

Art. 3.Het agentschap heeft als missie om samen met zijn partners, op grond van een behoefte of een vraag, een continuum van zorg aan te bieden aan de doelgroep om zo de ontplooiingskansen van de doelgroep te vrijwaren.

De doelgroep van de activiteiten van het agentschap wordt gevormd door : 1° jeugd voor wie de maatschappelijke integratie en participatie in het gedrang is of dreigt te komen door een problematische leefsituatie, door een verschillende leefcultuur of door andere, maatschappelijk niet aanvaardbare situaties;Met jeugd wordt bedoeld, kinderen en jongeren tot de leeftijd van 25 jaar; 2° personen die worden onderworpen aan maatregelen als vermeld in de federale wetten houdende maatregelen ten aanzien van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd;3° de ouders, de opvoedingsverantwoordelijken en de natuurlijke personen die bij de personen, vermeld in punt 1° en 2° inwonen of die met die personen een affectieve band hebben, of die in de buurt ervan wonen of die er geregeld contact mee hebben, onder meer bij het schoolgaan, in de werksituatie of tijdens de vrijetijdsbesteding. Bij het uitvoeren van zijn missie stelt het agentschap de volgende uitgangspunten centraal : 1° respect tonen voor de rechten van de doelgroep en van de personen die deel uitmaken van de doelgroep;2° maximaal een beroep doen op de eigen verantwoordelijkheid en de mogelijkheden van de doelgroep en van de personen die deel uitmaken van de doelgroep;3° zich richten op het behoud of het herstel van de maatschappelijke integratie van de personen die deel uitmaken van de doelgroep en hun participatie aan de samenleving. Het agentschap en de aangestuurde voorzieningen eerbiedigen bij hun optreden de ideologische, filosofische en godsdienstige overtuiging van de personen waartoe ze zich richten.

Art. 4.De kerntaken van het agentschap omvatten : 1° het organiseren van een kwaliteitsvolle hulpverlening aan de doelgroep;2° het uitvoeren en coördineren van taken met toepassing van het beleid betreffende de integrale jeugdhulp, als vermeld in het decreet van 7 mei 2004 betreffende de integrale jeugdhulp;3° het uitvoeren van een beleid ten aanzien van jeugddelinquentie;4° het uitvoeren van het preventiebeleid om te voorkomen dat de doelgroep in een problematische leefsituatie terechtkomt;5° het beheren van het Fonds.

Art. 5.De taken, vermeld in artikel 4, omvatten in elk geval : 1° het uitvoeren van taken met toepassing van het decreet;2° het organiseren en het beheren van de gemeenschapsinstellingen;3° het uitvoeren van opdrachten inzake opvang, oriëntatie, observatie en begeleiding van personen tot de leeftijd van maximaal 20 jaar, bepaald in een federale wet houdende opgave van maatregelen ten aanzien van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd;4° het organiseren van de hulpverlening in de door de federale overheid georganiseerde gesloten centra voor opvang van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd;5° de programmatie, de erkenning en de subsidiëring van voorzieningen en van de pleegzorg, en de subsidiëring van projecten.

Art. 6.Overeenkomstig artikel 9, § 1, 1°, van het kaderdecreet regelt de beheersovereenkomst de concretisering van de kwalitatieve en kwantitatieve wijze waarop het agentschap zijn taken moet vervullen, met strategische en operationele doelstellingen, beschreven aan de hand van meetbare criteria.

Art. 7.Bij het uitoefenen van zijn missie en taken treedt het agentschap op namens de rechtspersoon Vlaamse Gemeenschap. Bij het uitoefenen van de taak, vermeld in artikel 4, 5°, treedt het agentschap op namens het Fonds.

Art. 8.Onverminderd de behandeling van klachten met betrekking tot de eigen werking en dienstverlening, vermeld in het decreet van 1 juni 2001 houdende toekenning van een klachtrecht ten aanzien van bestuursinstellingen, moet het agentschap klachten, geuit ten aanzien van de voorzieningen die het erkend heeft, opnemen en behandelen.

Art. 9.§ 1. Voor de invulling van de taken, vermeld in artikelen 4 en 5, vervult het agentschap zijn beleidsuitvoerende taken ten aanzien van de doelgroep in samenhang met : 1° het door de Vlaamse Gemeenschap gevoerde beleid inzake welzijn, volksgezondheid en gezin;2° het door andere beleidsdomeinen en beleidsniveaus gevoerde beleid. § 2. Het agentschap ontwikkelt terreinexpertise met betrekking tot de taken, vermeld in artikelen 4 en 5.

Het agentschap stelt kennis en expertise die het verworven heeft, ter beschikking van de beleidsondersteuning.

Het agentschap zorgt voor de permanente optimalisering en vernieuwing van zijn dienstverlening op basis van actuele ontwikkelingen op het terrein van kennis en expertise. § 3. Het agentschap registreert en verwerkt alle gegevens, verzameld in het kader van zijn opdracht, die noodzakelijk zijn om : 1° de taken, vermeld in artikelen 4 en 5, uit te voeren;2° de beleidsgerichte input, vermeld in artikel 4, § 3, van het kaderdecreet te leveren. De minister bepaalt de nadere regels met betrekking tot de gegevensregistratie en verwerking, onverminderd de toepassing van de regelgeving tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van de persoonsgegevens.

Art. 10.Het agentschap werkt voor de realisatie van zijn missie en taken samen en sluit samenwerkingsovereenkomsten met instanties, instellingen, diensten en verenigingen die op het vlak van de toegewezen taak actief zijn.

Art. 11.Het agentschap is verplicht alle noodzakelijke gegevens ter beschikking te stellen van het Intern Verzelfstandigd Agentschap Inspectie Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Tussen beide agentschappen wordt een samenwerkingsovereenkomst gesloten. De minister bepaalt de nadere regels met betrekking tot die samenwerkingsovereenkomst.

TITEL II. - Aansturing en leiding van het agentschap

Art. 12.Het agentschap ressorteert onder het hiërarchisch gezag van de minister.

Art. 13.De minister stuurt het agentschap aan, inzonderheid via de beheersovereenkomst.

Art. 14.Het hoofd van het agentschap is belast met de algemene leiding, de werking en de vertegenwoordiging van het agentschap, onverminderd de mogelijkheid tot delegatie en subdelegatie van die bevoegdheid.

Het hoofd van het agentschap wordt bijgestaan door een algemeen directeur.

TITEL III. - Delegatie van beslissingsbevoegdheden

Art. 15.Het hoofd van het agentschap heeft delegatie van beslissingsbevoegdheid voor de aangelegenheden die zijn vastgesteld het Besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2003 tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de intern verzelfstandigde agentschappen van de Vlaamse overheid.

Met betrekking tot de aangelegenheden, vermeld in het eerste lid, wordt aan het hoofd van het agentschap een aanvullende delegatie verleend voor het toekennen van gereglementeerde subsidies waarvoor de reglementering geen vast recht instelt voor de mogelijke begunstigden.

De algemene delegatie aan het hoofd van het agentschap betreffende de toezichts-, controle- en inspectietaken, vermeld in artikel 16, 6°, van het besluit, vermeld in het eerste lid, wordt, ter uitvoering van artikel 17 van voormelde besluit, beperkt tot de taken die niet uitgeoefend worden door het intern verzelfstandigd agentschap Inspectie Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.

Art. 16.Naast de delegaties betreffende de aangelegenheden, vermeld in artikel 14, worden aan het hoofd van het agentschap de volgende specifieke delegaties verleend : 1° het beheren van het Fonds;2° het beslissen tot toevoeging van vrijwillige consulenten aan : a) de sociale diensten voor vrijwillige jeugdbijstand, overeenkomstig artikel 65;b) de sociale diensten voor gerechtelijke jeugdbijstand, overeenkomstig artikel 116;3° het nemen van beslissingen als vermeld in artikel 42, § 3, en artikel 55, § 1, tweede lid, van het Besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 1994 inzake de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor de voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand; 4° het verlenen van niet-gereglementeerde subsidies die niet nominatim in de begroting zijn ingeschreven, tot een maximum bedrag van 150.000 euro; 5° het verlenen van subsidies die nominatim in de begroting zijn vermeld;6° binnen de perken van de bepalingen van het Besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 1994 inzake de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor de voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand, het spreiden van de terugbetalingstermijnen van vorderingen over maximaal 60 maanden; 7° in afwachting van de wettelijke annulatie, de invordering van vorderingen voor een bedrag van ten hoogste 7.450 euro per dossier, op te schorten als de inning of de terugvordering ervan strijdig is met een goed financieel beheer. Die vorderingen hebben betrekking op : a) de terugvordering van ten onrechte betaalde subsidies;b) de terugvordering van kinderbijslagen of van vergoedingen die een gedeelte van de kinderbijslagen vervangen;c) de inning van bijdragen van personen ten aanzien van wie hulp wordt georganiseerd of van de onderhoudsplichtige personen.

Art. 17.Bij het gebruik van de delegaties gelden de algemene regelingen, voorwaarden en beperkingen, vermeld in het Besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2003 tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de intern verzelfstandigde agentschappen van de Vlaamse overheid, met inbegrip van de bepalingen inzake subdelegatie, de regeling bij vervanging en de verantwoording.

Daarnaast gelden nog de volgende bepalingen voor het gebruik van de delegaties : 1° wat betreft de delegatie inzake de beslissingen, vermeld in artikel 16, 3°, kunnen voor de bevoegdheden, vermeld in artikel 42, § 3, van het Besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 1994 inzake de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor de voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand, geen subdelegaties worden toegekend;2° wat betreft de delegatie inzake de invordering, vermeld in artikel 16, 7°, dient het hoofd van het agentschap : a) eerst met een gewone brief de betrokkene aan te manen tot betaling;b) met een aangetekende brief de betrokkene een tweede maal aan te manen tot betaling;c) vervolgens naar de financiële toestand van de betrokkene te vragen om eventueel zijn onvermogen om te betalen vast te stellen;d) ten slotte aan de betrokkene voor te stellen een afbetalingsplan als vermeld in artikel 16, 6°, te volgen. Als de kosten van de invorderingsprocedure kennelijk de verwachte baten zouden overschrijden of als de betrokkene niet te bereiken is of in de onmogelijkheid verkeert zijn wil te kennen te geven, mag het hoofd van het agentschap bij gemotiveerde beslissing geheel of gedeeltelijk afzien van de invorderingsprocedure, vermeld in het tweede lid, 2°.

TITEL IV. - Controle, opvolging en toezicht

Art. 18.Onverminderd artikel 9, 33 en 34 van het kaderdecreet met betrekking tot informatieverstrekking, rapportering, interne controle en interne audit, is de minister verantwoordelijk voor de opvolging van en het toezicht op het agentschap.

Art. 19.De minister kan, in het kader van de opvolging en de uitoefening van het toezicht, op ieder ogenblik het hoofd van het agentschap verzoeken om informatie, rapportering en verantwoording over bepaalde aangelegenheden, zowel op geaggregeerd niveau als op het niveau van individuele onderwerpen en dossiers.

TITEL V. - Raadgevend Comité

Art. 20.Bij het agentschap wordt een raadgevend comité opgericht, dat advies verstrekt op verzoek van het hoofd van het agentschap. Het raadgevend comité verstrekt tevens op eigen initiatief advies over alle aangelegenheden die van belang zijn voor de taken van het agentschap.

BOEK III. - GEMEENSCHAPSINSTELLINGEN TITEL I. - Oprichting

Art. 21.Er worden twee gemeenschapsinstellingen opgericht : 1° de gemeenschapsinstelling voor bijzondere jeugdbijstand De Kempen met zetel in Mol, samengesteld uit de gemeenschapsinstelling voor bijzondere jeugdbijstand De Hutten en de gemeenschapsinstelling voor bijzondere jeugdbijstand De Markt;2° de gemeenschapsinstelling voor bijzondere jeugdbijstand De Zande met zetel in Ruiselede, samengesteld uit de gemeenschapsinstelling voor bijzondere jeugdbijstand Ruiselede en de gemeenschapsinstelling voor bijzondere jeugdbijstand Beernem. TITEL II. - Capaciteit

Art. 22.De maximumcapaciteit van de gemeenschapsinstellingen wordt vastgesteld als volgt : 1° de gemeenschapsinstelling De Kempen in Mol : a) 40 gesloten plaatsen voor jongens in de opvoedingsafdeling De Hutten;b) 72 open plaatsen voor jongens in de opvoedingsafdeling De Markt;c) 10 gesloten plaatsen voor meisjes in de opvoedingsafdeling De Markt;2° de gemeenschapsinstelling De Zande : a) 54 open plaatsen en 26 gesloten plaatsen voor jongens in de opvoedingsafdeling in Ruiselede;b) 30 gesloten plaatsen en 10 open plaatsen voor meisjes in de opvoedingsafdeling in Beernem.

Art. 23.Binnen de maximumcapaciteit, vermeld in artikel 22, wordt een buffercapaciteit georganiseerd die voorbehouden wordt om bij voorkeur de maatregelen van opvang in een gesloten opvoedingsafdeling door de jeugdrechter of de jeugdrechtbank, uitgesproken ten aanzien van personen tot de leeftijd van maximaal twintig jaar die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, uit te voeren.

Voor het efficiënte gebruik van die buffercapaciteit bepaalt de minister op basis van de noodwendigheden, het aantal plaatsen dat als buffercapaciteit wordt gehanteerd.

Voor toewijzing van een minderjarige aan een eenheid van de buffercapaciteit moet aan volgende voorwaarden zijn voldaan : 1° de persoon is ouder dan twaalf jaar op het ogenblik van het plegen van het als misdrijf omschreven feit en er bestaan voldoende ernstige aanwijzingen van schuld;2° het als misdrijf omschreven feit waarvoor hij vervolgd wordt kan, mocht hij meerderjarig zijn, in de zin van het Strafwetboek of de bijzondere wetten, een straf tot gevolg hebben van : a) opsluiting van vijf jaar tot tien jaar of een zwaardere straf, of b) een correctionele hoofdgevangenisstraf van een jaar of een zwaardere straf indien de jeugdrechtbank tegenover hem een definitieve maatregel heeft genomen als gevolg van een als misdrijf omschreven feit dat strafbaar is met dezelfde straf.3° er bestaan dringende, ernstige en uitzonderlijke omstandigheden die betrekking hebben op de vereisten van bescherming van de openbare veiligheid. BOEK IV. - VRIJWILLIGE JEUGDBIJSTAND TITEL I. - Werkingsprincipes

Art. 24.De vrijwillige hulpverlening binnen de bijzondere jeugdbijstand steunt op principes, methodieken en referentiekaders die wetenschappelijk gedocumenteerd kunnen worden. Ze bevordert de eigen mogelijkheden van de minderjarigen, hun participatie in de hulpverlening en hun maatschappelijke integratie.

Art. 25.De vrijwillige hulpverlening binnen de bijzondere jeugdbijstand verloopt gecoördineerd en planmatig, met respect voor de persoonlijke levenssfeer en de integriteit van de betrokken partijen en van derden. Ze draagt bij tot het oplossen van de problemen die de minderjarige en zijn of haar gezin hebben geformuleerd.

TITEL II. - Comité voor bijzondere jeugdzorg HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Afdeling I. - Oprichting, werkgebied en zetel

Art. 26.In de onderstaande tabel zijn de opgerichte comités opgenomen, samen met hun werkgebied.

COMITE

WERKGEBIED

1° Aalst

bestuurlijk arrondissement Aalst

2° Antwerpen-1

bestuurlijk arrondissement Antwerpen

3° Antwerpen-2

bestuurlijk arrondissement Antwerpen

4° Brugge

bestuurlijk arrondissement Brugge

5° Brussel

bestuurlijk arrondissement Brussel

6° Dendermonde

bestuurlijk arrondissement Dendermonde

7° Gent

bestuurlijk arrondissement Gent-Eeklo

8° Halle-Vilvoorde

bestuurlijk arrondissement Halle-Vilvoorde

9° Hasselt

bestuurlijk arrondissement Hasselt

10° Ieper

bestuurlijk arrondissement Ieper

11° Kortrijk

bestuurlijk arrondissement Kortrijk

12° Leuven

bestuurlijk arrondissement Leuven

13° Maaseik

bestuurlijk arrondissement Maaseik

14° Mechelen

bestuurlijk arrondissement Mechelen

15° Oostende

bestuurlijk arrondissement Oostende

16° Oudenaarde

bestuurlijk arrondissement Oudenaarde

17° Roeselare

bestuurlijk arrondissement Roeselare-Tielt

18° Sint-Niklaas

bestuurlijk arrondissement Sint-Niklaas

19° Tongeren

bestuurlijk arrondissement Tongeren

20° Turnhout

bestuurlijk arrondissement Turnhout

21° Veurne

bestuurlijk arrondissement Veurne-Diksmuide


De minister bepaalt de zetel van het comité.

Art. 27.Met het oog op een optimale bereikbaarheid voor het publiek organiseert de teamverantwoordelijke, na overleg met het comité, zitdagen op de plaatsen waar de probleemconcentraties inzake bijzondere jeugdzorg dat rechtvaardigen.

Art. 28.Aanvragen om bijstand en hulp kunnen bij eender welk comité worden ingediend.

Het verder organiseren van bijstand en hulp gebeurt, in de hieronder bepaalde volgorde, door het comité van het werkgebied waarin : 1° de minderjarige zijn verblijfplaats heeft;2° de ouders of de personen die over de minderjarige het ouderlijk gezag uitoefenen of die de minderjarige onder hun bewaring hebben, hun verblijfplaats hebben;3° de minderjarige wenst te verblijven;4° de minderjarige wordt aangetroffen. In onderling overleg tussen de betrokken comités en de betrokken partijen kan bij uitzondering worden afgeweken van de volgorde, vermeld in het tweede lid.

Aanvragen om voortgezette hulpverlening als vermeld in artikel 36, § 3, van het decreet, worden in de hieronder bepaalde volgorde ingediend bij en behandeld door : 1° het comité dat al bijstand en hulp heeft georganiseerd;2° het comité van het werkgebied waarin de minderjarige verblijft;3° het comité van het werkgebied waarin de minderjarige wenst te verblijven. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing.

Art. 29.De taken van de preventiecel, vermeld in artikel 19 van het decreet kunnen door verscheidene comités samen worden georganiseerd. Afdeling II. - Leden

Onderafdeling. - Benoemingsvoorwaarden

Art. 30.Onverminderd de toepassing van artikel 13, § 1, eerste en tweede lid, van het decreet moeten personen die tot lid van een comité worden benoemd, voldoen aan de volgende cumulatieve voorwaarden : 1° tussen achttien en vijfenzestig jaar zijn bij de benoeming;2° sedert ten minste vijf jaar in het Vlaamse Gewest of Brussel-Hoofdstad wonen;3° wonen of werken in de regio van het comité in kwestie;4° een getuigschrift van goed zedelijk gedrag, bestemd voor een openbaar bestuur, kunnen voorleggen;5° de Nederlandse taal beheersen;6° beantwoorden aan het profiel inzake verwachtingen en functie-eisen, bepaald door de minister.

Art. 31.Ten minste een derde van de leden van het comité is van hetzelfde geslacht.

Als in het werkgebied van het comité meer dan tienduizend allochtonen verblijven die afkomstig zijn uit landen die niet tot de Europese Unie behoren, of als die allochtonen ten minste vijf procent van de bevolking uitmaken, moet minstens één van de leden van het comité een allochtoon zijn, afkomstig uit een land dat niet tot de Europese Unie behoort.

Art. 32.De minister vraagt aan het comité een advies over de kandidaatstellingen voor het lidmaatschap van het comité. Dat advies houdt rekening met het profiel, vermeld in artikel 30, 6°, en komt tot stand na een gesprek tussen de kandidaat, de voorzitter van het comité, een door het comité aangewezen lid en de teamverantwoordelijke.

Art. 33.Onverminderd de toepassing van artikel 16, § 2, tweede lid, van het decreet is het lidmaatschap van het comité onverenigbaar met : 1° de uitoefening van een bij verkiezing verleend openbaar mandaat;2° een mandaat bij een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn;3° een ambt van magistraat of het lidmaatschap van de federale politie;4° een ambt bij het agentschap;5° het lidmaatschap van een bemiddelingscommissie;6° de aanstelling als vrijwillig consulent. Onderafdeling II. - Beëindiging van het mandaat

Art. 34.§ 1. De minister kan aan het mandaat van voorzitter, van ondervoorzitter of van lid een einde stellen : 1° op verzoek van de betrokkene;2° als de betrokkene : a) door zijn gedrag het vertrouwen van het publiek schokt ofwel de eer of de waardigheid van zijn mandaat in opspraak brengt;b) zich niet gedraagt naar de beleidsbeginselen van de regering inzake bijzondere jeugdbijstand;c) driemaal na elkaar zonder kennisgeving of gedurende een periode van meer dan drie maanden al dan niet met kennisgeving, afwezig is op een vergadering van het comité, de preventiecel of het bureau. § 2. Als de minister overweegt om met toepassing van § 1, 2°, een einde te stellen aan een mandaat, brengt hij de betrokkene daarvan op de hoogte via een aangetekende brief.

De betrokkene kan binnen vijftien werkdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van de brief, de minister verzoeken om door hem te worden gehoord. In dat geval roept de minister de betrokkene schriftelijk op binnen vijftien werkdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van diens brief. De oproepingsbrief vermeldt de plaats en het tijdstip waarop de betrokkene zich moet aanmelden. Als de betrokkene overeenkomstig het tweede lid heeft verzocht om te worden gehoord, kan de minister zijn of haar mandaat pas beëindigen na hem of haar te hebben gehoord, tenzij hij of zij geen passend gevolg heeft gegeven aan de oproeping.

Art. 35.De minister stelt ambtshalve een einde aan het mandaat van voorzitter, van ondervoorzitter of van lid van het comité, als de betrokkene zich bevindt in een situatie als vermeld in artikel 33 of als hij niet meer aan de benoemingsvoorwaarden beantwoordt.

Art. 36.Als een mandaat van voorzitter, van ondervoorzitter of van lid vroegtijdig vacant wordt, dan wordt onverwijld een titularis benoemd, die het mandaat van zijn voorganger voleindigt. Afdeling III. - Werking

Art. 37.Het comité stelt zijn huishoudelijk reglement op en legt het, net als elk voorstel tot wijziging ervan, ter goedkeuring voor aan de minister. In het huishoudelijk reglement worden ten minste de volgende aangelegenheden geregeld : 1° de wijze waarop de voorzitter in zijn hoedanigheid van voorzitter van het comité, van het bureau en van de preventiecel wordt vervangen als hij afwezig of verhinderd is;2° de wijze waarop het comité, de preventiecel en het bureau worden bijeengeroepen door de voorzitter;3° de wijze waarop de voorzitter een gedeelte van zijn bevoegdheden kan delegeren.

Art. 38.Het comité vergadert minstens driemaal per jaar. Het oriënteert en stimuleert de werking van de preventiecel en van het bureau en de samenwerking tussen beide.

Art. 39.De voorzitter leidt de werkzaamheden van het comité. Hij vertegenwoordigt het comité in zijn externe relaties binnen het mandaat dat het comité hem heeft gegeven. Hij ondertekent, samen met de teamverantwoordelijke of een personeelslid dat de teamverantwoordelijke heeft aangewezen, de documenten met betrekking tot de beslissingen van het comité.

Art. 40.De vergaderingen van het comité vinden plaats met gesloten deuren. Het comité vergadert in aanwezigheid van de teamverantwoordelijke, de consulenten van wie de taak verband houdt met de te bespreken agendapunten en een personeelslid van het secretariaat, vermeld in artikel 25 van het decreet, tenzij het comité er anders over beslist. Als het comité dat nodig vindt, kunnen voor welbepaalde punten andere deskundige personen worden uitgenodigd.

Art. 41.Het comité beraadslaagt en beslist op geldige wijze als de meerderheid van de leden aanwezig is. Als die meerderheid niet is bereikt, dan kan het comité, na een nieuwe schriftelijke bijeenroeping op geldige wijze over hetzelfde onderwerp beslissen, ongeacht het aantal aanwezige leden.

Art. 42.Het comité beslist collegiaal. Alleen als over een bepaald agendapunt geen overeenstemming wordt bereikt, wordt bij gewone meerderheid van stemmen beslist. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.

Art. 43.In samenwerking met de sociale dienst wordt jaarlijks vóór 1 maart een jaarverslag opgemaakt over de werking van het bureau en de preventiecel tijdens het afgelopen jaar. In dat verslag worden eveneens de evoluties van de hulpvragen vermeld, de knelpunten die een optimale werking van het comité beletten, alsook alle nuttige elementen waarover het comité beschikt en die betrekking hebben op de gegevens, vermeld in artikel 7 van het decreet van 15 juli 1997 houdende instelling van het kindeffectrapport en de toetsing van het regeringsbeleid aan de naleving van de rechten van het kind.

Onverminderd de toepassing van artikel 14, § 1, van het decreet, wordt het jaarverslag opgemaakt overeenkomstig een model dat het agentschap heeft uitgewerkt. Het agentschap verwerkt de verschillende jaarverslagen van de comités in een globaal verslag, dat voor 1 juni van hetzelfde jaar aan de minister wordt overhandigd. Afdeling IV. - Vergoeding

Art. 44.De voorzitter, de ondervoorzitters en de leden van het comité kunnen per vergadering die ze als lid van het comité, de preventiecel of het bureau bijwonen, aanspraak maken op : 1° een presentiegeld als vermeld in artikel 9, c), van het Besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 1996 tot wijziging van het Besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 1988 houdende sommige maatregelen tot harmonisatie van de toelagen en presentiegelden aan commissarissen, gemachtigden van financiën, afgevaardigden van de regering, voorzitters en leden van niet-adviserende bijzondere commissies of van raden van bestuur van instellingen en ondernemingen die onder de Vlaamse Regering ressorteren.Dat presentiegeld wordt, per vergadering van minstens twee uren, als volgt vastgesteld : a) voor de voorzitter of degene die hem vervangt : 57,23 euro;b) voor de ondervoorzitters en de leden : 38,16 euro.2° de terugbetaling van hun reis- en verblijfkosten volgens de normen die gelden voor alle personeelsleden van de Vlaamse Gemeenschap. De voorzitter, de ondervoorzitters en de leden kunnen afstand doen van hun presentiegeld.

De voorzitter, de ondervoorzitters en de leden van het comité worden verzekerd tegen ongevallen tijdens de vergaderingen die ze als lid van het comité, de preventiecel of het bureau bijwonen, alsook op de weg naar en van die vergaderingen.

Personen die overeenkomstig artikelen 40, 49, 58 of 61 als deskundige hebben deelgenomen aan een vergadering, kunnen aanspraak maken op een presentiegeld, als ze ten minste twee uur aan de vergadering hebben deelgenomen. Hun reis- en verblijfkosten kunnen eveneens worden terugbetaald onder dezelfde voorwaarden als vermeld in het eerste lid.

Zij worden daarvoor gelijkgesteld met de leden van het comité.

Art. 45.Comitéleden die personeelslid zijn van het agentschap, hebben geen recht op presentiegeld als vermeld in artikel 44, eerste lid, 1°, en het derde lid als de vergaderingen plaatshebben tijdens hun diensturen op dagen dat ze geen vakantie- of inhaalverlof hebben opgenomen. HOOFDSTUK II. - Bureau voor bijzondere jeugdbijstand Afdeling I. - Werking

Art. 46.Het bureau vergadert minstens twaalf maal per jaar.

Art. 47.De voorzitter kan in dringende gevallen beslissingen, als vermeld in artikel 52, nemen namens het bureau. Over die beslissingen brengt de voorzitter op de eerstvolgende vergadering van het bureau verslag uit.

Art. 48.De voorzitter leidt de werkzaamheden van het bureau. Hij ondertekent samen met de teamverantwoordelijke of een personeelslid dat de teamverantwoordelijke heeft aangewezen, de documenten met betrekking tot de beslissingen van het bureau.

Art. 49.De vergaderingen van het bureau vinden plaats met gesloten deuren. Artikel 40 is van overeenkomstige toepassing.

Art. 50.Het bureau beraadslaagt en beslist op geldige wijze als ten minste drie leden aanwezig zijn. Als aan die vereiste niet is voldaan, dan kan het bureau na een nieuwe schriftelijke bijeenroeping op geldige wijze over hetzelfde onderwerp beslissen als ten minste twee leden aanwezig zijn.

Art. 51.Het bureau beslist collegiaal. Alleen als over een bepaald agendapunt geen overeenstemming wordt bereikt, wordt bij gewone meerderheid van stemmen beslist. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend. Afdeling II. - Bekrachtigingen en beslissingen

Art. 52.Het bureau bekrachtigt binnen de mogelijkheden van de regelgeving de schriftelijke voorstellen van de sociale dienst over : 1°hulpverleningsaanvragen die niet kunnen worden ingewilligd of een hulpverleningsaanbod dat niet kan worden uitgevoerd wegens het ontbreken van één van de vereiste instemmingen, vermeld in artikel 10 van het decreet. 2° hulpverleningsaanvragen en oplossingsvoorstellingen als vermeld in artikel 22, derde lid en vijfde lid en artikel 36, § 3, van het decreet. Het bureau neemt onverwijld een beslissing. Het kan evenwel aan de sociale dienst opdracht geven aanvullende informatie in te winnen of een alternatief oplossingsvoorstel uit te werken.

Art. 53.Het agentschap moet een bekrachtiging door het bureau van een oplossingsvoorstel met financiële gevolgen goedkeuren met toepassing van artikel 69, eerste lid, 1°. Voor residentiële opvang bedraagt de toelage per dag maximaal het bedrag, vastgesteld in het erkennings- en subsidiëringsbesluit voor private personen die minderjarigen in hun gezin opnemen.

Nadat het bureau kennis heeft genomen van het voorstel van de sociale dienst, vermeld in artikel 52, eerste lid, 4°, kan het beslissen bij de bemiddelingscommissie een bemiddelingsverzoek in te dienen.

Art. 54.De beslissingen waarbij het bureau bijstand en hulp organiseert door tussenkomst van een voorziening, een persoon of gezin, of waarbij het een dergelijke bijstand en hulp beëindigt, worden onverwijld en schriftelijk meegedeeld aan die voorziening, die persoon of dat gezin.

De beslissingen van het bureau met financiële gevolgen voor het Fonds worden onverwijld en schriftelijk meegedeeld aan het agentschap.

De beslissingen van het bureau met betrekking tot een en met een hulpverleningsaanvraag als vermeld in artikel 52, eerste lid, 2° tot 4°, worden onverwijld en schriftelijk meegedeeld aan degene die de aanvraag heeft ingediend.

Art. 55.Als het bureau overeenkomstig de artikelen 36, § 4, of 66, tweede lid, van het decreet een beslissing heeft genomen over de bijdrage van de minderjarige en van de onderhoudsplichtige personen, wordt die schriftelijk meegedeeld aan : 1° degenen die ze verschuldigd zijn;2° het agentschap. De beslissing die het bureau overeenkomstig artikel 66, tweede lid, van het decreet heeft genomen over de bestemming die aan het loon van de minderjarige zal worden gegeven, wordt schriftelijk meegedeeld aan : 1° de minderjarige;2° degenen die over de minderjarige het ouderlijk gezag uitoefenen of de minderjarige onder hun bewaring hebben;3° het agentschap. HOOFDSTUK III. - Preventiecel

Art. 56.Die cel vergadert minstens zes maal per jaar.

Art. 57.De voorzitter leidt de werkzaamheden van de preventiecel. Hij ondertekent samen met de teamverantwoordelijke of een personeelslid dat de teamverantwoordelijke heeft aangewezen, de documenten met betrekking tot de beslissingen van de preventiecel. Hij bepaalt in overleg met de teamverantwoordelijke de samenwerkingsverbanden tussen de preventiecel en de consulenten die belast zijn met opdrachten als vermeld in artikel 19 van het decreet.

Art. 58.De preventiecel vergadert in aanwezigheid van de teamverantwoordelijke, de consulenten van wie de taak verband houdt met de te bespreken agendapunten en een personeelslid van het secretariaat, vermeld in artikel 25 van het decreet, tenzij de preventiecel er anders over beslist. Als de preventiecel dat nodig vindt, kunnen voor welbepaalde punten andere deskundige personen worden uitgenodigd.

Art. 59.De preventiecel beraadslaagt en beslist op geldige wijze als ten minste vier leden aanwezig zijn.

Art. 60.De preventiecel beslist collegiaal. Alleen als over een bepaald agendapunt geen overeenstemming wordt bereikt, wordt bij gewone meerderheid van stemmen beslist. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.

Art. 61.De preventiecel kan werkgroepen oprichten die de opdracht krijgen de besprekingen en de beslissingen van de cel voor te bereiden. Van die werkgroepen kunnen eveneens externe deskundigen deel uitmaken. HOOFDSTUK IV. - Sociale dienst voor vrijwillige jeugdbijstand Afdeling I. - Zetel

Art. 62.De sociale dienst voor vrijwillige jeugdbijstand heeft zijn zetel op het comité. Afdeling II. - Leden

Art. 63.Onverminderd de toepassing van artikel 21, § 3, tweede lid, van het decreet is de teamverantwoordelijke belast met de organisatie van de werkzaamheden van de sociale dienst en met de taakverdeling tussen de consulenten. De teamverantwoordelijke of een door hem aangewezen consulent vertegenwoordigt de sociale dienst in zijn externe relaties.

Art. 64.Vrijwillige consulenten als vermeld in artikel 21, § 4, van het decreet kunnen worden toegevoegd na beslissing van de administrateur-generaal op gemotiveerde voordracht van de teamverantwoordelijke.

Art. 65.Binnen het kader van hun opdracht moet de burgerlijke aansprakelijkheid van de vrijwillige consulenten verzekerd zijn. Voor zover die aansprakelijkheid nog niet verzekerd is, zijn de kosten van de verzekeringspolis voor rekening van de begroting van het Fonds. Aan de vrijwillige consulenten kunnen deeltaken worden toevertrouwd, die worden uitgevoerd onder de leiding en de verantwoordelijkheid van de consulent die met het dossier belast is. De vrijwillige consulenten hebben recht op terugbetaling van hun reis- en verblijfkosten in het kader van hun opdrachten, volgens de normen die gelden voor de consulenten. Afdeling III. - Taken

Onderafdeling I. - Caseonderzoek

Art. 66.Onverminderd de toepassing van artikel 4, § 1, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, informeert de consulent die met het dossier belast is, bij de aanmelding, de hulpvrager, de minderjarige en de personen die over de minderjarige het ouderlijk gezag uitoefenen of de minderjarige onder hun bewaring hebben over : 1° de mogelijkheden binnen de eerstelijnszorg en de werking van de bijzondere jeugdbijstand;2° de rechten en de plichten van de ouders en van de minderjarigen;3° de bestaande klachtenprocedures;4° de regelgeving met betrekking tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Verder licht de consulent de personen, vermeld in het eerste lid, erover in dat : 1° de hulpverlening gedurende het volledig verloop ervan een vrijwillig karakter heeft;2° als de sociale dienst de hulpvraag afwijst, de hulpvraag schriftelijk wordt voorgelegd aan het bureau;3° de betrokken partijen een bemiddelingsverzoek kunnen indienen bij de bevoegde bemiddelingscommissie.De consulent geeft hen dan tevens inlichtingen over hoe een dergelijk verzoek moet worden ingediend.

Art. 67.Elke beslissing om binnen de bijzondere jeugdbijstand vrijwillige hulpverlening te organiseren wordt voorbereid door een screening, een diagnose, een hulpverleningsprogramma en een indicatiestelling.

In de screening verzamelt de consulent zo veel mogelijk relevante gegevens, inzonderheid over de minderjarige, zijn gezin, zijn school of werksituatie, zijn bredere sociale omgeving en de al eerder georganiseerde hulpverlening.

In de diagnose geeft de consulent in een beschrijvend en een besluitend rapport een duidelijk beeld van de problematische opvoedingssituatie, waarbij de hulpvraag, de problematieken en de aangrijpingspunten voor een mogelijke oplossing in een zinvol verband worden gebracht.

Het hulpverleningsprogramma vermeldt de doelstellingen die binnen een bepaalde termijn met de vrijwillige hulpverlening worden beoogd. De indicatiestelling bepaalt het aangepaste kader voor de realisatie van het hulpverleningsprogramma. Met abstractie van het bestaande hulpaanbod wordt in volgorde van prioriteit vastgesteld welk hulpaanbod geëigend is.

Art. 68.Bij de uitwerking van een voorstel tot hulpverlening, tot verlenging of tot wijziging ervan, worden de onderstaande beginselen, in volgorde van belang in acht genomen : 1° de rechtstreeks betrokkenen worden gestimuleerd om zelf bij te dragen tot de oplossing van de problematische opvoedingssituatie;2° als al hulpverleners bij de problematische opvoedingssituatie betrokken zijn, wordt eerst met hen overleg gepleegd, na akkoord van de personen die over de minderjarige het ouderlijk gezag uitoefenen en van de min-twaalfjarige, rekening houden met zijn leeftijd en maturiteit, als blijkt dat de minderjarige tot een redelijke beoordeling van zijn belangen in staat is of van de minderjarige die twaalf jaar of ouder is;3° als twee vormen van hulpverlening even doeltreffend worden geacht, wordt de voorkeur gegeven aan de minst ingrijpende tussenkomst, die erop gericht is de jongere in zijn milieu te houden en het gezin waartoe hij behoort pedagogisch te begeleiden en psychosociaal te ondersteunen;4° als uitzonderlijk toch wordt voorgesteld de jongere uit zijn milieu te verwijderen, moet uit de gegevens blijken dat de pedagogische draagkracht van het natuurlijk milieu onvoldoende waarborgen biedt;5° bij de eventuele aanwijzing van een erkende voorziening die met de uitvoering van de hulpverlening kan worden belast, moeten de geraamde duur en de kostprijs van de voorgestelde hulpverlening in acht worden genomen;6° zo nodig wordt aan het bureau een advies gegeven met betrekking tot de bijdrage van de jongere en van de onderhoudsplichtige personen in de onderhouds-, opvoedings- en behandelingskosten, rekening houdend met de besluiten, genomen ter uitvoering van artikel 66 van het decreet.Met toepassing van punt 4° moet een gezinsgerichte werking mogelijk zijn, onder meer door de beperking van de afstand tussen de plaats van uitvoering van de hulpverlening en de verblijfplaats van de jongere.

Art. 69.Onverminderd de toepassing van artikel 22, tweede lid, van het decreet kan een beslissing tot hulpverlening, tot verlenging of tot wijziging ervan, erin bestaan dat : 1° een specifieke hulpverlening wordt georganiseerd, die erop gericht is de draagkracht van de minderjarige en van het gezin waartoe hij behoort, te versterken;2° voor ten hoogste één jaar de minderjarige en het gezin waartoe hij behoort, wordt begeleid door een erkende voorziening of, bij uitzondering, door de sociale dienst;3° de minderjarige, eventueel samen met de personen die over de minderjarige het ouderlijke gezag uitoefenen of hem of haar onder hun bewaring hebben, voor ten hoogste zes maanden kan deelnemen aan een project als vermeld in artikel 38, § 1, 4°, van het decreet, georganiseerd door een organisatie die daartoe een overeenkomst heeft afgesloten met de minister;4° de minderjarige voor ten hoogste één jaar een erkende semi-residentiële voorziening kan bezoeken;5° de minderjarige die de leeftijd van zeventien jaar heeft bereikt en over voldoende inkomsten zal beschikken, voor ten hoogste één jaar zelfstandig kan wonen onder de begeleiding van een erkende voorziening;6° de minderjarige die de leeftijd van zeventien jaar heeft bereikt, voor ten hoogste één jaar, onder het permanente toezicht van een erkende voorziening, op kamers kan wonen;7° de minderjarige voor ten hoogste dertig dagen voor onthaal en oriëntatie onder begeleiding van een daartoe erkende voorziening wordt gesteld;8° de minderjarige voor ten hoogste zestig dagen voor observatie onder de begeleiding van een daartoe erkende voorziening wordt gesteld;9° de minderjarige voor ten hoogste één jaar wordt toevertrouwd aan een betrouwbaar persoon of gezin, onder de begeleiding van een erkende voorziening of bij uitzondering onder de begeleiding van de sociale dienst;10° de minderjarige bij uitzondering en voor ten hoogste één jaar wordt toevertrouwd aan een erkende residentiële voorziening of een gelijkgestelde voorziening;11° de minderjarige voor ten hoogste één jaar wordt toevertrouwd aan een psychiatrisch ziekenhuis of aan een psychiatrische afdeling van een algemeen ziekenhuis, als dat na een psychiatrische expertise noodzakelijk blijkt. De maatregelen, vermeld in § 1, eindigen na het verstrijken van de maximumtermijn, tenzij ze worden verlengd, telkens voor een termijn die niet langer mag zijn dan de gestelde maximumperiode. De maatregel, vermeld in het eerste lid, 3°, kan niet worden verlengd. De maatregelen, vermeld in het eerste lid, 7° en 8°, kunnen maar eenmaal worden verlengd.

Onderafdeling II. - Casemanagement

Art. 70.De consulent die met het dossier belast is, bezorgt onverwijld alle nuttige gegevens aan de voorziening die met de uitvoering van de hulpverlening belast is. Het betreft in het bijzonder de gegevens die betrekking hebben op : 1° de initiële hulpvraag;2° de minderjarige, het gezin waartoe de minderjarige behoort en zijn bredere sociale omgeving;3° de diagnose, vermeld in artikel 67, derde lid;4° een kopie van het hulpverleningsprogramma, vermeld in artikel 67, vierde lid. De consulent, vermeld in het eerste lid, licht de verstrekte gegevens en de doelstellingen van het hulpverleningsprogramma mondeling toe.

Tevens vraagt hij overeenkomstig artikel 23, eerste lid, van het decreet aan de voorziening een handelingsplan dat de inhoudelijke invulling is van de hulpverlening. Hij neemt deel aan een gesprek over de opties betreffende de uitvoering van de hulpverlening.

Het handelingsplan ligt ter inzage van de leden van het bureau.

Art. 71.Onverminderd de toepassing van artikel 23, tweede lid, van het decreet waakt de consulent die met het dossier belast is over de uitvoering van de hulpverlening door : 1° een regelmatig contact met de voorziening, de persoon of het gezin, belast met de uitvoering van de hulpverlening;2° een regelmatig nazicht van de verslagen die de voorziening in kwestie aan de sociale dienst dient over te maken overeenkomstig de bepalingen van het erkennings- en subsidiëringsbesluit;3° een regelmatig onderhoud met de andere betrokken partijen;4° een regelmatige evaluatie van het verloop van de hulpverlening volgens het hulpverleningsprogramma, in samenspraak met de andere betrokken partijen.

Art. 72.De evolutieverslagen die de erkende voorzieningen hebben opgemaakt zijn ter kennis van het bureau.

De consulent die met het dossier belast is, brengt bij het bureau verslag uit over het verloop van de hulpverlening : 1° voor het verstrijken van de termijnen, vermeld in artikel 69;2° zodra de personen, vermeld in artikel 10 van het decreet, niet meer instemmen met de vrijwillige hulpverlening;3° bij gewijzigde omstandigheden of bij ernstige gebeurtenissen. Als daartoe aanleiding bestaat, formuleert de consulent, vermeld in het eerste lid, voorstellen aan het bureau tot verlenging, wijziging of intrekking van de beslissingen tot vrijwillige hulpverlening.

Art. 73.Het hulpverleningsprogramma, vermeld in artikel 67, vierde lid, wordt bijgestuurd : 1° op grond van de gegevens, vermeld in artikel 71;2° overeenkomstig de beslissingen van het bureau tot verlenging of tot wijziging van de hulpverlening. HOOFDSTUK V. - Secretariaat

Art. 74.Het secretariaat, vermeld in artikel 25 van het decreet, heeft zijn zetel op het comité. Onder de leiding van de teamverantwoordelijke ondersteunt het de goede werking van het comité.

Art. 75.Op het secretariaat wordt een dossier bijgehouden voor elke minderjarige voor wie het comité hulpverlening organiseert.

Naargelang van het geval bevat het dossier, vermeld in het eerste lid, de volgende stukken : 1° het stuk of de stukken waaruit de instemming met de vrijwillige hulpverlening blijkt als vermeld in artikel 10 van het decreet;2° de screening, de diagnose, het hulpverleningsprogramma en de indicatiestelling, vermeld in artikel 67;3° de beslissingen van het bureau;4° de gevoerde briefwisseling;5° andere nuttige gegevens, zoals de financiële rekening van de minderjarige, zijn ziekteverzekering en de betrokken compensatiekas voor kinderbijslagen;6° de verslagen, vermeld in artikel 72, tweede en derde lid;7° een kopie van het handelingsplan en van de evolutieverslagen die de erkende voorzieningen hebben opgemaakt. De dossiers worden bijgehouden en de gegevens worden verwerkt overeenkomstig de wet van 8 december 1992 voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van de persoonsgegevens en de richtlijnen van het agentschap.

Art. 76.Het secretariaat is belast met de bewaring van de dossiers.

Afgesloten dossiers worden bewaard tot vijf jaar na de datum waarop de betrokken minderjarige meerderjarig is geworden.

Art. 77.Op het secretariaat worden de verslagen en de presentielijsten bijgehouden van elke vergadering van het comité, het bureau, de preventiecel of de werkgroepen, vermeld in artikel 61. Op die presentielijsten worden de datum, de agenda, het begin- en einduur van de vergadering, alsook de namen van de aanwezige personen vermeld.

Art. 78.Op het secretariaat wordt een bestand bijgehouden van de in- en uitgaande briefwisseling.

TITEL III. - BEMIDDELINGSCOMMISSIE HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Afdeling 1. - Oprichting, werkgebied en zetel

Art. 79.Er wordt één bemiddelingscommissie opgericht in elk van de gerechtelijke arrondissementen Mechelen, Oudenaarde en Turnhout. Er worden twee bemiddelingscommissies opgericht in elk van de gerechtelijke arrondissementen Antwerpen, Brugge, Brussel, Dendermonde, Gent, Hasselt, Leuven en Tongeren. Het werkgebied van die bemiddelingscommissies is het gerechtelijk arrondissement.

Er wordt één bemiddelingscommissie opgericht voor de gerechtelijke arrondissementen Ieper en Veurne, die haar werkgebied vormen.

De minister bepaalt de zetel van de bemiddelingscommissie.

Art. 80.De bemiddelingsverzoeken, vermeld in artikel 31, § 1, 1° tot en met 3° en 5°, van het decreet, kunnen worden ingediend bij eender welke bemiddelingscommissie. De bemiddelingsverzoeken en verzoeken om advies vermeld in artikel 31, § 1, 4°, van het decreet kunnen worden ingediend bij de bemiddelingscommissie die voor de behandeling ervan bevoegd is.

De bemiddelingsverzoeken en de verzoeken om advies, vermeld in artikel 31, § 1, van het decreet, worden behandeld door de bemiddelingscommissie van het werkgebied waarin de personen die over de minderjarige het ouderlijk gezag uitoefenen of hem of haar onder hun bewaring hebben, hun verblijfplaats hebben.

Als die personen geen vaststaande of bekende verblijfplaats in België hebben, wordt de zaak behandeld door de bemiddelingscommissie van het werkgebied waarin de minderjarige verblijft of waarin hij wordt aangetroffen.

Uitzonderlijk en in overleg tussen de betrokken bemiddelingscommissies en de partijen kan hiervan worden afgeweken.

De bemiddelingscommissie die bevoegd is overeenkomstig het tweede lid, blijft bevoegd totdat een minnelijke regeling als vermeld in artikel 32, § 1, van het decreet, is bereikt of totdat een van de beslissingen, vermeld in artikel 32, § 2, van het decreet is genomen, ook als de personen die over de minderjarige het ouderlijk gezag uitoefenen of hem of haar onder hun bewaring hebben of de minderjarige zelf, van verblijfplaats veranderen. Afdeling II. - Leden

Onderafdeling I. - Benoemingsvoorwaarden

Art. 81.Personen die tot lid van de bemiddelingscommissie benoemd worden, moeten aan de volgende voorwaarden voldoen : 1° minimaal zesentwintig jaar en maximaal vijfenzestig jaar oud zijn bij de benoeming;2° de Belgische nationaliteit bezitten of sedert ten minste vijf jaar in het Vlaamse Gewest of Brussel-Hoofdstad wonen;3° gedurende ten minste vijf jaar een functie, ambt of bedrijvigheid hebben uitgeoefend ten gevolge waarvan een bijzondere deskundigheid werd verworven inzake problematische opvoedingssituaties;4° in het werkgebied van de betrokken bemiddelingscommissie wonen of werken;5° een getuigschrift van goed zedelijk gedrag bestemd, voor een openbaar bestuur, kunnen voorleggen;6° beantwoorden aan het profiel inzake functie-eisen en beschikbaarheid, bepaald door de minister.

Art. 82.Onverminderd de toepassing van artikel 27, § 2, tweede lid, van het decreet is het lidmaatschap van de bemiddelingscommissie onverenigbaar met de uitoefening van een bij verkiezing verleend openbaar mandaat, met een mandaat bij een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, met een ambt bij het Directoraat - Generaal Penitentiaire Inrichtingen van de Federale Overheidsdienst Justitie of bij het agentschap, en met het lidmaatschap van een comité.

Onderafdeling II. - Beëindiging van het mandaat

Art. 83.De minister kan op verzoek van de betrokkene of ambtshalve een einde maken aan het mandaat van voorzitter, plaatsvervangend voorzitter of lid.

Art. 84.Ambtshalve kan aan een mandaat pas een einde worden gemaakt als : 1° de titularis niet meer beantwoordt aan de benoemingsvoorwaarden;2° de titularis door zijn gedrag het vertrouwen van het publiek schokt of de eer of de waardigheid van zijn mandaat in opspraak brengt;3° de titularis driemaal na elkaar zonder schriftelijke verontschuldiging de zittingen niet bijwoont;4° de titularis zesmaal na elkaar nalaat de zittingen bij te wonen;5° de titularis zich niet gedraagt naar de richtlijnen van de minister. Als de minister overweegt ambtshalve een einde te maken aan een mandaat, wordt de betrokkene daarvan met aangetekende brief op de hoogte gebracht. De betrokkene beschikt, vanaf de datum van ontvangst van de brief, over een termijn van vijftien werkdagen om te vragen door de minister te worden gehoord. In dat geval wordt de betrokkene door de minister schriftelijk opgeroepen binnen een termijn van vijftien werkdagen vanaf de datum van ontvangst van de brief. Nadat de betrokkene werd gehoord of als hij binnen een termijn van vijftien werkdagen vanaf de datum van ontvangst van zijn oproepingsbrief aan die oproeping geen passend gevolg heeft gegeven, kan de minister aan zijn mandaat een einde maken.

Art. 85.In geval van vacature voor het verstrijken van het mandaat van voorzitter, plaatsvervangend voorzitter of lid, wordt binnen de drie maand een opvolger benoemd. Deze beëindigt het mandaat van zijn voorganger. Afdeling III. - Werking

Art. 86.De bemiddelingscommissie stelt haar huishoudelijk reglement op en brengt de minister onverwijls op de hoogte van dat reglement, alsook van de wijzigingen ervan, die de minister binnen twee maanden goedkeurt.

Art. 87.De voorzitter leidt de werkzaamheden van de bemiddelingscommissie.

Als de voorzitter niet aanwezig is, wordt hij vervangen door de plaatsvervangend voorzitter, of als ook die niet aanwezig is, door een lid dat door de voorzitter is aangewezen.

Art. 88.De bemiddelingscommissie houdt minstens tweemaal per maand zitting op een vaste plaats in de gemeente waar haar zetel gevestigd is. Als ze dat voor de uitoefening van haar taak nuttig of noodzakelijk acht, kan zij evenwel op een andere plaats zitting houden.

Art. 89.De leden van de bemiddelingscommissie komen minstens tweemaal per jaar in algemene vergadering bijeen om de algemene werking van de commissie te bespreken.

Art. 90.Om de zaak te kunnen behandelen kan de bemiddelingscommissie het comité verzoeken alle noodzakelijke informatie mee te delen. Ze kan eveneens een verzoek tot informatie of onderzoek richten : 1° aan de sociale dienst voor vrijwillige jeugdbijstand, als het comité of het bureau niet betrokken is bij de aan het bemiddelingsverzoek ten grondslag liggende problematische opvoedingssituatie;2° aan een andere deskundige, dan een magistraat, een lid van het comité of een ambtenaar van het agentschap;3° aan een erkende voorziening of aan een persoon of team die aan een dergelijke voorziening verbonden is.

Art. 91.In de gevallen, vermeld in artikel 90, bepaalt de bemiddelingscommissie op welke wijze en binnen welke termijn over de toevertrouwde opdracht verslag uitgebracht moet worden.

Als het verslag niet binnen de gestelde termijn wordt uitgebracht, kan de bemiddelingscommissie de opdracht intrekken en aan anderen toevertrouwen. Afdeling IV. - Vergoeding

Art. 92.De voorzitter en de leden van de bemiddelingscommissie kunnen per zitting aanspraak maken op : 1° een presentiegeld, als vermeld in artikel 9, c, van het Besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 1996 tot wijziging van het Besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 1988 houdende sommige maatregelen tot harmonisatie van de toelagen en presentiegelden aan commissarissen, gemachtigden van financiën, afgevaardigden van de Vlaamse Regering, voorzitters en leden van niet adviserende bijzondere commissies of van raden van bestuur van instellingen en ondernemingen die onder de Vlaamse Regering ressorteren;Dat presentiegeld wordt, per zitting van minstens twee uur, als volgt bepaald : a) voor de voorzitter : 76,32 euro;b) voor de leden : 57,23 euro;2° De terugbetaling van hun reis- en verblijfskosten volgens de normen die gelden voor alle personeelsleden van de Vlaamse Gemeenschap. De voorzitter en de leden kunnen afstand doen van de presentiegelden.

De voorzitter en de leden van de bemiddelingscommissie worden verzekerd tegen ongevallen die zich tijdens de zittingen zouden voordoen, alsook op de weg naar en van de zittingen.

De deskundigen vermeld in artikel 90, 2°, die aan een zitting hebben deelgenomen, kunnen aanspraak maken op een presentiegeld, als hun deelname daaraan minstens twee uren heeft geduurd, en op de terugbetaling van hun reis- en verblijfskosten onder dezelfde voorwaarden als vermeld in het eerste lid en het tweede lid. Zij worden daarvoor gelijkgesteld met de leden van de bemiddelingscommissie.

Art. 93.De personeelsleden van het agentschap hebben als lid van de bemiddelingscommissie geen recht op het presentiegeld, vermeld in artikel 92, als de zittingen plaatshebben tijdens hun gewone diensturen en voor zover zij hiervoor geen vakantie- of recuperatiedagen hebben opgenomen. HOOFDSTUK II. - Bemiddelingsprocedure

Art. 94.De voorzitter wordt op de hoogte gebracht van de bemiddelingsverzoeken of de verzoeken om advies op de dag van de indiening door de secretaris.

Als ze een dringend karakter vertonen, kan de voorzitter de bemiddelingscommissie eventueel bijeenroepen overeenkomstig artikel 96, eerste lid in fine, of kan hij een beslissing als vermeld in artikel 103, tweede lid, nemen. In het huishoudelijk reglement wordt bepaald op welke wijze de secretaris de voorzitter op de hoogte brengt.

Op de eerste zitting na de inschrijving neemt de bemiddelingscommissie kennis van het bemiddelingsverzoek of van het verzoek om advies. De voorzitter kan onder de zetelende leden een verslaggever aanwijzen.

Art. 95.De persoon of instantie die het bemiddelingsverzoek heeft ingediend, wordt op de hoogte gebracht van het eerste gevolg dat de bemiddelingscommissie aan het bemiddelingsverzoek heeft gegeven. Die kennisgeving geschiedt bij gewone brief door bemiddeling van de secretaris van de bemiddelingscommissie uiterlijk binnen zeven dagen nadat de bemiddelingscommissie kennis van het bemiddelingsverzoek heeft genomen. Als daar redenen voor zijn, kan de bemiddelingscommissie bevelen dat de kennisgeving op een andere wijze gebeurt of binnen een kortere termijn dan bepaald in het vorige lid.

Art. 96.De bemiddelingscommissie wordt schriftelijk bijeengeroepen door de voorzitter, die de agenda, alsook de datum en het uur van de zittingen, vaststelt. De bijeenroeping gebeurt minstens vijf werkdagen voor de datum van de zitting en in geval van hoogdringendheid, één werkdag voor de datum van de zitting.

De voorzitter wijst volgens toerbeurt voor elke zitting de leden aan die zetelen. Alle leden, de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter inbegrepen, zetelen minstens eenmaal per maand, tenzij ze daartoe verhinderd zijn.

Art. 97.De leden moeten regelmatig de zittingen bijwonen waartoe ze worden opgeroepen, actief hun medewerking verlenen bij het vervullen van de verschillende taken die aan de bemiddelingscommissie zijn opgedragen, de informatie- en vormingsinitiatieven regelmatig bijwonen die de minister voor hen organiseert en zich bij het verrichten van die opdrachten gedragen naar de algemene richtlijnen inzake functie-eisen en beschikbaarheid van de minister.

Art. 98.Als aan een zaak meerdere zittingen worden gewijd, moeten daarop telkens ten minste twee leden aanwezig zijn die zitting hadden toen de bemiddelingscommissie van het bemiddelingsverzoek of het verzoek om advies kennis nam. Hiervan kan alleen worden afgeweken bij beslissing van de voorzitter en in het uitsluitend belang van de personen die bij de zaak betrokken zijn.

Art. 99.De partijen die bij de bemiddeling betrokken moeten, worden overeenkomstig artikel 35 van het decreet, ten minste zeven dagen voor de zittingsdag, opgeroepen. Als daar redenen voor zijn, kan de bemiddelingscommissie voor die oproeping een kortere termijn bepalen.

Bovendien kan eenieder, op zijn verzoek, voor de bemiddelingscommissie verschijnen, op voorwaarde dat hij uiterlijk zeven dagen voor de zittingsdag de voorzitter op de hoogte brengt van zijn voornemen en met akkoord van de voorzitter. In dringende gevallen kan van die termijn worden afgeweken bij beslissing van de voorzitter.

Art. 100.De behandeling van de bemiddelingsverzoeken geschiedt met gesloten deuren. Tot de zitting worden alleen de personen toegelaten die daartoe werden opgeroepen, die hen met toepassing van artikel 35 van het decreet bijstaan of vertegenwoordigen of die door de bemiddelingscommissie gemachtigd of aangesteld worden hen te vertegenwoordigen, en diegene wiens aanwezigheid door de bemiddelingscommissie noodzakelijk of gepast wordt geacht.

De bemiddelingscommissie beslist bij meerderheid van stemmen, als geen consensus wordt bereikt.

Art. 101.Als een of meer van de opgeroepenen verstek laten gaan, kan de bemiddelingscommissie beslissen de behandeling van de zaak uit te stellen totdat ze de redenen van het verstek kent. Daarom kan ze een informatieopdracht geven aan de meest aangewezen persoon.

In dat geval wordt een nieuwe zittingsdag bepaald, en wordt de versteklatende partij daarvan op de hoogte gebracht op de wijze zoals door de bemiddelingscommissie bepaald.

Art. 102.Het geschrift, vermeld in artikel 32, § 1, tweede lid, van het decreet, wordt geviseerd door de zetelende leden, waarna het dossier wordt afgesloten.

De secretaris bezorgt aan de ondertekenende partijen een afschrift van dat geschrift, uiterlijk binnen veertien dagen na de ondertekening.

De betrokken partijen worden op de hoogte gebracht van de beslissing om de zaak uit handen te geven, vermeld in artikel 32, § 2, tweede lid, van het decreet, uiterlijk binnen zeven dagen na de beslissing, waarna het dossier wordt afgesloten.

De in bemiddeling opgeroepen partijen worden van de doorverwijzing, vermeld in artikel 32, § 2, derde lid, van het decreet op de hoogte gebracht, uiterlijk binnen zeven dagen na de beslissing, waarna het dossier wordt afgesloten.

Art. 103.De bemiddelingscommissie verwijst geen zaken door naar het openbaar ministerie zonder oproeping van de partijen overeenkomstig artikel 99, eerste lid.

De voorzitter of zijn plaatsvervanger kan daarvan in naam van de bemiddelingscommissie in uitzonderlijke en dringende omstandigheden, die betrekking hebben op het hoger belang van de minderjarige, afwijken. De beslissing moet gemotiveerd zijn.

Over die beslissing wordt door de voorzitter tijdens de eerstvolgende zitting van de bemiddelingscommissie verslag uitgebracht. De minister wordt binnen vijf werkdagen van die gemotiveerde beslissing op de hoogte gebracht. HOOFDSTUK III. - Secretariaat Afdeling I. - Leden en werking

Art. 104.Het secretariaat, vermeld in artikel 30 van het decreet, is samengesteld uit personeelsleden van het agentschap.

Zij vervullen de opdrachten die hen door de bemiddelingscommissie worden toevertrouwd overeenkomstig de bepalingen van het decreet, van dit besluit en van het huishoudelijk reglement.

Art. 105.Het secretariaat is elke werkdag telefonisch bereikbaar, ten minste van 10 tot 12 uur en van 14 tot 16 uur. Afdeling II. - Registratie

Art. 106.§ 1. Op het secretariaat worden een algemeen en een bijzonder register gehouden.

In het algemeen register worden de bemiddelingsverzoeken, zowel bij verzoekschrift als bij mondelinge verklaring, in volgorde van indiening ingeschreven. Iedere inschrijving krijgt een volgnummer en bevat, naast de dagtekening van de inschrijving, de vermeldingen, vermeld in artikel 34, § 2, van het decreet.

In het bijzonder register worden de verzoeken om advies vanwege met jeugdzaken belaste magistraten in volgorde van indiening ingeschreven. § 2. Alle bladen houdende inschrijving in het algemeen register van bemiddelingsverzoeken of in het bijzonder register van adviesaanvragen worden door de voorzitter geparafeerd.

Art. 107.Op het secretariaat wordt voor elke zitting van de bemiddelingscommissie een register bijgehouden.

Alle bladen van dat register worden door de voorzitter geparafeerd.

Het register betreffende een bemiddelingszitting bevat : 1° de datum;2° de agenda;3° de namen van de zetelende leden;4° het begin- en einduur.

Art. 108.§ 1. Voor iedere zaak die wordt ingeschreven in het algemeen register van bemiddelingsverzoeken of in het bijzonder register van adviesaanvragen, wordt een dossier aangelegd. § 2. De secretaris schrijft op de omslag van het dossier de datum van de inschrijving in het register, het volgnummer van de zaak, en - in voorkomend geval - de datum waarop het dossier werd afgesloten. § 3. Het dossier betreffende een bemiddelingsverzoek bevat onder meer : 1° het aan de bemiddelingscommissie gerichte verzoekschrift of een kopie van het geacteerde bemiddelingsverzoek bij mondelinge verklaring, en de eventuele bijlagen;2° de kennisgevingen en aanmaningen aan de partijen die bij bemiddeling betrokken zijn; 3°de beslissingen van de bemiddelingscommissie met betrekking tot de aanwijzing van een verslaggever, vermeld in artikel 94, tweede lid, de verzoeken tot informatie of onderzoek en de verslagen, opgemaakt ter uitvoering van de beslissingen of verzoeken van de bemiddelingscommissie; 4° de processen-verbaal van de zittingen en in het algemeen alle door de commissie opgemaakte akten. § 4. Het dossier betreffende een adviesaanvraag van een met jeugdzaken belaste magistraat bevat een kopie van het advies. Na verzending van het advies wordt het dossier afgesloten. § 5. De secretaris is belast met de bewaring van de dossiers.

Afgesloten dossiers worden bewaard tot vijf jaar na de datum waarop de betrokken minderjarige meerderjarig is geworden.

Art. 109.Als het voorwerp van een bemiddelingsverzoek vervalt alvorens de betrokken partijen voor de bemiddelingscommissie zijn opgeroepen of verschenen, neemt ze daar akte van en wordt het dossier afgesloten. De bemiddelingscommissie stelt diegene die een bemiddelingsverzoek heeft ingediend daarvan op de hoogte met een gewone brief door bemiddeling van de secretaris, of op de wijze die ze daartoe het meest geschikt acht. Van die kennisgeving wordt melding gemaakt in het dossier.

Art. 110.De officiële documenten, bestemd voor de bemiddelingscommissie, worden door de secretaris geviseerd. De documenten die uitgaan van de van de bemiddelingscommissie, worden door de voorzitter en de secretaris ondertekend.

BOEK V. - GERECHTELIJKE JEUGDBIJSTAND TITEL I. - Beginselen

Art. 111.Tijdens de uitvoering van de navorsingsopdrachten in het kader van de jeugdbijstandsregeling, vermeld in artikel 45, tweede lid, van het decreet, worden de minderjarige en de personen die over de minderjarige het ouderlijk gezag uitoefenen of hem of haar onder hun bewaring hebben, door de met de zaak belaste consulent gehoord en wordt hun bereidheid tot medewerking aan de realisatie van het hulpverleningsprogramma, vermeld in artikel 120, getoetst.

Art. 112.§ 1. Bij de uitwerking van een voorstel tot pedagogische maatregel of tot verlenging ervan, evenals van een verzoek tot vervanging van een pedagogische maatregel als vermeld in artikel 120, tweede lid, 2° en 4°, worden de onderstaande beginselen in volgorde van belang in acht genomen : 1° Als twee maatregelen even doeltreffend worden geacht, wordt de voorkeur gegeven aan de minst ingrijpende maatregel, die erop gericht is de minderjarige in zijn milieu te houden en het gezin waartoe hij behoort, pedagogisch te begeleiden en psychosociaal te ondersteunen.2° Als een verwijdering uit het milieu wordt voorgesteld, moet uit de gegevens blijken dat de pedagogische draagkracht van het milieu onvoldoende waarborgen biedt voor het behoud van de minderjarige;3° Als een verwijdering uit het milieu wordt voorgesteld, moet bij de aanwijzing van een erkende of daarmee door de regering gelijkgestelde voorziening die met de uitvoering van de pedagogische maatregelen kan worden belast, rekening worden gehouden met het feit dat een gezinsgerichte werking mogelijk moet zijn, onder meer door de beperking van de afstand tussen de plaats van uitvoering van de maatregel en de woonplaats van de minderjarige, tenzij wordt aangetoond dat het uitsluitend belang van de minderjarige het anders vereist;4° de geraamde duur en de kostprijs van de voorgestelde hulpverlening worden in acht genomen. Bij de uitwerking van een voorstel of verzoek als vermeld in het eerste lid : 1° wordt zo nodig een advies gegeven met betrekking tot de bijdrage van de minderjarige en van de onderhoudsplichtige personen in de onderhouds-, opvoedings- en behandelingskosten, rekening houdend met de Besluiten van de Vlaamse Regering, genomen ter uitvoering van artikel 66 van het decreet;2° worden zo nodig de aanvullende voorwaarden en de verplichtingen opgesomd, die kunnen worden opgelegd.Daarbij wordt rekening gehouden met de Besluiten van de Vlaamse Regering met betrekking tot de regeling van de bezoeken, de briefwisseling, het opvoedingsregime en het pedagogisch concept en programma van de erkende voorzieningen. § 2. Het naleven van de beginselen, vermeld in § 1, eerste lid, 1° tot en met 4°, wordt regelmatig geëvalueerd in dienstvergaderingen als vermeld in artikel 114, tweede lid, 4°.

TITEL II. - Sociale dienst voor gerechtelijke jeugdbijstand HOOFDSTUK I. - Zetel

Art. 113.De zetel van de sociale dienst voor gerechtelijke jeugdbijstand bevindt zich in de hoofdplaats van het gerechtelijk arrondissement dat zijn werkgebied uitmaakt.

De consulenten hebben hun standplaats op de zetel van de sociale dienst. HOOFDSTUK II. - Leden en werking

Art. 114.De teamverantwoordelijke organiseert de sociale dienst en vertegenwoordigt die in zijn externe relaties.

De teamverantwoordelijke is voornamelijk belast met : 1° de organisatie van de permanenties, vermeld in artikel 116;2° het in ontvangst nemen vanwege de betrokken magistraten van de opdrachten, vermeld in artikel 117, 1°, 2° en 3°, en de aanwijzing van de consulent die de opdracht zal uitvoeren;3° de centralisatie van de verslaggevingen;4° de organisatie van regelmatige dienstvergaderingen;5° de ontvangst en de vorming van de nieuwe consulenten en het stimuleren van de permanente vorming;6° het bewaken van de kwaliteit van het gepresteerde werk en het toezicht op de regelmatige uitvoering ervan;7° de leiding van het secretariaat, vermeld in artikel 131. De teamverantwoordelijke neemt deel aan de vergaderingen die verband houden met de bijzondere jeugddienst, inzonderheid coördinatievergaderingen die door het agentschap worden georganiseerd.

Hij kan ook een van de consulenten opdragen om aan die vergaderingen deel te nemen.

Art. 115.De toevoeging van vrijwillige consulenten, vermeld in artikel 21, § 4, en artikel 44, tweede lid, van het decreet, gebeurt na beslissing van de administrateur-generaal op gemotiveerde voordracht van de teamverantwoordelijke.

Binnen het kader van hun opdracht moet de burgerlijke aansprakelijkheid van de vrijwillige consulenten verzekerd te zijn.

Voor zover die aansprakelijkheid nog niet verzekerd is, zijn de kosten van de verzekeringspolis voor rekening van het Fonds.

Aan de vrijwillige consulenten kunnen deeltaken worden toevertrouwd, waarvan de uitvoering gebeurt onder de leiding en de verantwoordelijkheid van de consulent die met het dossier belast is.

De vrijwillige consulenten hebben recht op terugbetaling van hun reis- en verblijfkosten in het kader van hun opdrachten, volgens de normen die gelden voor de consulenten.

Art. 116.De sociale dienst is telefonisch bereikbaar elke werkdag van 9 tot 12 uur en van 14 tot 17.30 uur. De sociale dienst is elke werkdag tevens toegankelijk op de uren die aan het publiek worden bekendgemaakt. HOOFDSTUK III. - Taken Afdeling I. - Algemene bepaling

Art. 117.De taken van de sociale dienst bestaan voornamelijk uit : 1° de navorsingsopdrachten, vermeld in artikel 45, tweede lid, van het decreet;2° de opmaak van een hulpverleningsprogramma en een begeleidingsplan;3° de opdrachten van sociale aard, vermeld in artikel 45, eerste lid, van het decreet;4° de bewaking van de uitvoering van de opgelegde pedagogische maatregelen, vermeld in artikel 46, eerste lid, van het decreet. Afdeling II. - De navorsingsopdrachten

Art. 118.De navorsingsopdrachten, vermeld in artikel 117, betreffen opdrachten in het kader van de jeugdbijstandsregeling die uitgaan van een parketmagistraat belast met jeugdzaken of van een jeugdrechter.

Art. 119.Een navorsingsopdracht die uitgaat van een parketmagistraat belast met jeugdzaken, resulteert na een kort onderzoek in een schriftelijk verslag dat tevens een gemotiveerd advies bevat met betrekking tot de vraag of vrijwillige hulpverlening mogelijk of aangewezen is.

Een navorsingsopdracht die uitgaat van een jeugdrechter, resulteert in een schriftelijk verslag dat minstens de volgende delen bevat : 1° inlichtingen met betrekking tot de identiteit van de minderjarige en het gezin waartoe hij behoort;2° een concrete beschrijving, een analyse en eventueel een diagnose van de situatie die de aanleiding vormt voor de gerechtelijke tussenkomst en een weergave van de ontwikkelingen sinds de aanmelding tot het ogenblik van de verslaggeving;3° een beschrijving en evaluatie van de al gerealiseerde bijstand en hulp;4° gegevens waaruit moet blijken of hulpverlening op vrijwillige basis al dan niet mogelijk of aangewezen is;5° zo nodig, de aanduiding van de doelstellingen die met de gerechtelijke hulpverlening worden beoogd;6° zo nodig, een voorstel tot pedagogische maatregel, die het aangepaste kader vormt om de doelstellingen, vermeld in punt 5°, te realiseren;7° zo nodig de aanduiding van de voorziening waaraan de uitvoering van de pedagogische maatregel, vermeld in punt 6°, kan worden toevertrouwd en de geplande duur van de maatregel;8° de vermelding van de natuurlijke personen of rechtspersonen die wettelijk, bij overeenkomst of bij rechterlijke uitspraak gehouden zijn geheel of gedeeltelijk de kosten te dekken, alsook van de elementen die verplichtingen staven met een beoordeling van de opportuniteit om hun tussenkomst te vragen;9° de vermelding van de openbare of private instellingen of enige andere natuurlijke personen of rechtspersonen die de uitgaven geheel of gedeeltelijk kunnen dekken, en de motivatie waarom hun tussenkomst werd gevraagd of waarom werd afgezien van hun tussenkomst;10° een raming van de uitgaven en een raming van de mogelijke bijdragen in de kosten door de minderjarige, de onderhoudsplichtige personen en de personen of instellingen, vermeld in punt 8° en 9°. Afdeling III. - Het hulpverleningsprogramma en het begeleidingsplan

Art. 120.De hulpverlening in het kader van een gerechtelijke tussenkomst verloopt volgens een programma dat door de sociale dienst wordt opgemaakt en dat naargelang van de omstandigheden kan worden bijgestuurd. Dat hulpverleningsprogramma bevat minstens : 1° een aanduiding van de doelstellingen die met de hulpverlening in het kader van de gerechtelijke tussenkomst worden beoogd;2° een voorstel tot pedagogische maatregel, die het aangepaste kader vormt om de doelstellingen, vermeld in punt 1°, te realiseren;3° het handelingsplan vermeld in artikel 121, derde lid, of het begeleidingsplan, vermeld in artikel 122 tot en met 124;4° de verzoeken tot vervanging van een pedagogische maatregel of de voorstellen tot intrekking of verlenging ervan, vermeld in artikel 41 van het decreet.

Art. 121.Ingeval de jeugdrechtbank een voorziening of een betrouwbaar persoon of gezin belast met de uitvoering van de opgelegde pedagogische maatregelen, bezorgt de consulent die met het dossier belast is, aan de voorziening, de persoon of het gezin alle nuttige gegevens, inzonderheid die welke betrekking hebben op de minderjarige en op de personen die over de minderjarige het ouderlijk gezag uitoefenen of hem of haar onder hun bewaring hebben.

De consulent, vermeld in het eerste lid, neemt deel aan een gesprek over de opties betreffende de uitvoering van de pedagogische maatregel.

De consulent, vermeld in het eerste lid, vraagt overeenkomstig artikel 46, eerste lid, van het decreet aan de voorziening een handelingsplan, dat de inhoudelijke invulling is van de pedagogische maatregel. Een kopie van het handelingsplan wordt door toedoen van de sociale dienst ter informatie aan de betrokken magistraten bezorgd.

Art. 122.De consulent die met het dossier belast is, stelt in samenspraak met de betrokken partijen, een begeleidingsplan op, dat de delen, vermeld in artikel 123 bevat als : 1° de sociale dienst wordt belast met de gezinsbegeleiding;2° de minderjarige werd toevertrouwd aan een betrouwbaar persoon of gezin en geen voorziening met de begeleiding van die persoon of dat gezin belast is.

Art. 123.Het begeleidingsplan, vermeld in artikel 117, bevat minstens de volgende delen : 1° de vermelding van de pedagogische maatregel, de duur ervan en eventueel de aanvullende voorwaarden en de verplichtingen die eraan verbonden zijn;2° de aanduiding van de partijen die bij de samenspraak betrokken zijn en een beknopte weergave van dat overleg;3° de aandachtspunten, de veranderingen die worden nagestreefd en de actiestrategieën die daartoe zullen worden aangewend;4° de afspraken met betrekking tot de duur van de hulpverlening, de data, de criteria en de wijze waarop de hulpverlening zal worden geëvalueerd.

Art. 124.Als de sociale dienst met het toezicht over een minderjarige belast wordt, stelt de consulent die met het dossier belast is, een begeleidingsplan op, waarin de regelmaat en de aandachtspunten van het toezicht worden vermeld.

Art. 125.Een kopie van het begeleidingsplan, vermeld in artikel 122 tot en met 124, wordt door de sociale dienst ter informatie aan de betrokken magistraten bezorgd.

Art. 126.De consulent die met het dossier belast is, waakt over de uitvoering van de opgelegde pedagogische maatregel bij middel van : 1° een regelmatig contact met de betrokken voorziening en een nazicht van de verslagen die de voorziening aan de sociale dienst moet bezorgen overeenkomstig de bepalingen van het erkennings- en subsidiëringsbesluit;. 2° een regelmatig, en ten minste zesmaandelijks bezoek, aan de minderjarige, alsook een onderhoud met de andere betrokken partijen;3° een regelmatige evaluatie van het verloop van de hulpverlening volgens het handelings- of begeleidingsplan, in samenspraak met de betrokken partijen.

Art. 127.De sociale dienst brengt regelmatig en minstens om de zes maanden bij de jeugdrechtbank schriftelijk verslag uit over het verloop van de uitvoering van de opgelegde pedagogische maatregel met het oog op de handhaving, de vervanging, de intrekking of de verlenging ervan. Een kopie van de evolutieverslagen, opgemaakt door de erkende voorzieningen, wordt door de sociale dienst ter informatie aan de betrokken magistraten bezorgd. Afdeling IV. - De opdrachten van sociale aard

Art. 128.De opdrachten van sociale aard, vermeld in artikel 45, eerste lid, van het decreet betreffen : 1° het toezicht over de minderjarige, vermeld in artikel 38, § 1, 2°, van het decreet;2° de gezinsbegeleiding overeenkomstig de artikelen 38, § 1, 3°, en artikel 40, 1°, van het decreet.3° de overbrenging van de minderjarigen Art.129. Als de betrokken magistraat de sociale dienst verzoekt te zorgen voor de overbrenging van minderjarigen, als vermeld in artikel 128, 3°, in het kader van de uitvoering van de door de jeugdrechtbank opgelegde maatregel, kan ze die opdracht op zich nemen, tenzij het om pedagogische redenen of om veiligheidsredenen niet aangewezen is. Afdeling V. - De bewaking van de uitvoering van de opgelegde

pedagogische maatregelen.

Art. 130.De sociale dienst is belast met de bewaking van de uitvoering van de opgelegde pedagogische maatregelen. HOOFDSTUK IV. - Secretariaat

Art. 131.Aan de sociale dienst wordt een secretariaat toegevoegd.

Art. 132.Op het secretariaat wordt een dossier bijgehouden per minderjarige ten aanzien van wie een opdracht werd vervuld in het kader van de jeugd-bijstandsregeling. De dossiers worden bijgehouden en de gegevens worden verwerkt overeenkomstig de wet van 8 december 1992 voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van de persoonsgegevens en de richtlijnen van het agentschap.

Naargelang van het geval bevat het dossier, vermeld in het eerste lid, minstens de volgende stukken : 1° de schriftelijke verslagen ter uitvoering van de navorsingsopdrachten en de opdrachten van sociale aard;2° de stukken met betrekking tot het hulpverleningsprogramma;3° de stukken die betrekking hebben op de rechterlijke beslissingen over de minderjarige;4° andere nuttige gegevens, onder meer de financiële rekening van de minderjarige, zijn ziekteverzekering en de betrokken compensatiekas voor kinderbijslagen.

Art. 133.Op het secretariaat worden volgens de richtlijnen van het agentschap de volgende bestanden bijgehouden : 1° een bestand waarin de opdrachten van de sociale dienst en van de consulenten worden vermeld;2° een bestand met betrekking tot de minderjarigen ten aanzien van wie overeenkomstig de jeugdbijstandsregeling een opdracht werd vervuld.

Art. 134.Een afgesloten dossier als vermeld in artikel 132, eerste lid, en het bestand, vermeld in artikel 133, 2°, worden bewaard tot vijf jaar na de datum waarop de pedagogische maatregel wordt beëindigd.

BOEK VI. - FINANCIERING TITEL I. - Werkingskosten

Art. 135.Binnen de grenzen van de begroting van het Fonds kan de regioverantwoordelijke, conform de reglementering inzake de administratieve controle en de begrotingscontrole voor zijn regio uitgaven doen voor de preventiewerking van de comités en de regionale preventiewerking van het agentschap.

De administrateur-generaal beslist jaarlijks over de verdeling over de verschillende regio's van de middelen die op de begroting van het Fonds zijn vastgelegd voor de uitgaven, vermeld in het eerste lid.

De regioverantwoordelijke wordt aangesteld tot ordonnateur.

Art. 136.Op de begroting van het agentschap wordt jaarlijks 100.000 euro aan geldvoorschotten ter beschikking gesteld voor de werking van de regionale diensten, de comités, de bemiddelingscommissies en de sociale diensten voor gerechtelijke jeugdbijstand. Regionale diensten zijn diensten van het agentschap waarvan de werking zich over een hele regio uitstrekt.

De administrateur-generaal beslist jaarlijks over de verdeling van de geldvoorschotten, vermeld in het eerste lid, over de verschillende regio's.

Die voorschotten kunnen, conform de reglementering inzake de administratieve begroting en de begrotingscontrole, uitsluitend worden aangewend om de volgende uitgaven te doen : 1° beperkte verbruikersuitgaven in verband met het betrekken en het onderhouden van lokalen;2° levering van goederen en diensten die dringend nodig zijn en waarvan de betaling niet kan worden uitgesteld;3° vergader- en ontvangstkosten;4° vertaal- en tolkkosten. TITEL II. - Spaargelden

Art. 137.Als de minderjarige bij het beëindigen van de hulpverlening één of meer spaarboekjes heeft, licht de consulent die met het dossier belast is, de ouders of de wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarige - en vanaf de leeftijd van twaalf jaar, de minderjarige zelf - in van het bestaan van die spaarboekjes.

BOEK VII. - SLOTBEPALINGEN

Art. 138.De toelagen en presentiegelden, vermeld in artikel 44, eerste lid, 1°, en 92, eerste lid, 1° zijn gekoppeld aan de gezondheidsindex van januari 2008, zijnde 107.85. De herziening gebeurt telkens na een vaste periode van twee jaar in januari.

Art. 139.De volgende besluiten worden opgeheven : 1° het Besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 1988 houdende oprichting en werkwijze van de bemiddelingscommissies voor bijzondere jeugdbijstand en van het administratief secretariaat;2° het Besluit van de Vlaamse Regering van 17 juli 1991 houdende de organisatie en werkwijze van de sociale diensten van de jeugdrechtbanken bij de Vlaamse Gemeenschap;3° het Besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1998 betreffende de organisatie en de werking van de comités voor bijzondere jeugdzorg;4° het Besluit van de Vlaamse Regering van 13 december 2002 houdende financiële bepalingen inzake uitgaven voor werkingskosten van de comités voor bijzondere jeugdzorg, de bemiddelingscommissies voor bijzondere jeugdbijstand, de sociale diensten van de Vlaamse Gemeenschap bij de jeugdrechtbanken en de regionale diensten van de afdeling Bijzondere Jeugdbijstand en inzake uitgaven voor de preventiewerking van de comités voor bijzondere jeugdzorg en de regionale preventiewerking van de afdeling Bijzondere Jeugdbijstand;5° het Besluit van de Vlaamse Regering van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap Jongerenwelzijn.6° het Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2007 tot vaststelling van de capaciteit van de gemeenschapsinstellingen voor bijzondere jeugdbijstand.

Art. 140.De bepalingen van het decreet inzake bijzondere jeugdbijstand van 7 maart 2008 treden in werking gelijktijdig met de inwerkingtreding van de bepalingen van dit besluit.

Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Staatsblad.

Art. 141.De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 24 oktober 2008.

De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, S. VANACKERE

^