Besluit Van De Vlaamse Regering van 25 april 2014
gepubliceerd op 19 juni 2014
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 betreffende de procedures voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers en van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 ju

bron
vlaamse overheid
numac
2014203373
pub.
19/06/2014
prom.
25/04/2014
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

25 APRIL 2014. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 betreffende de procedures voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers en van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers en bijlage I en II bij dat besluit, wat de regionale diensten voor gezinszorg en aanvullende thuiszorg, de overdracht van erkenning van diensten voor gezinszorg en aanvullende thuiszorg en de vrijwillige stopzetting van de uitbating van thuiszorgvoorzieningen betreft


DE VLAAMSE REGERING, Gelet op het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009, artikel 48, eerste, tweede en vijfde lid, gewijzigd bij het decreet van 18 november 2011, artikel 58, § 1, tweede lid, artikel 60 en artikel 75/1, eerste lid, ingevoegd bij het decreet van 18 november 2011;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 betreffende de procedures voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 20 februari 2014;

Gelet op advies 55.782/3 van de Raad van State, gegeven op 17 april 2014, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;

Na beraadslaging, Besluit: HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 betreffende de procedures voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers

Artikel 1.Aan artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 betreffende de procedures voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2012, worden een punt 12° en een punt 13° toegevoegd, die luiden als volgt: "12° regionale dienst: een regionale dienst voor gezinszorg en aanvullende thuiszorg; 13° aantal vte aanvullende thuiszorg: het aantal vte logistiek personeel, het aantal vte doelgroepwerknemers en het aantal vte gesco-personeel, toegewezen met toepassing van artikel 25, § 1, van bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers.".

Art. 2.In hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 17 december 2010, 25 februari 2011, 16 december 2011, 5 oktober 2012, 12 oktober 2012, 21 december 2012 en 20 december 2013, wordt een hoofdstuk III/1, dat bestaat uit artikel 17/1 tot en met 17/2, ingevoegd, dat luidt als volgt: "Hoofdstuk III/1. Procedure voor de erkenning van regionale diensten voor gezinszorg en aanvullende thuiszorg

Art. 17/1.Voor de erkenning van een regionale dienst voor gezinszorg en aanvullende thuiszorg zijn de bepalingen van hoofdstuk II, die gelden voor de diensten voor gezinszorg en aanvullende thuiszorg, en van hoofdstuk XI van overeenkomstige toepassing, met behoud van de toepassing van het tweede tot en met het vijfde lid.

Een aanvraag tot erkenning van een regionale dienst is alleen mogelijk als er minstens één erkende dienst voor gezinszorg en aanvullende thuiszorg wordt ingebracht in die regionale dienst die wordt opgericht door een vereniging, die is opgericht conform titel VIII van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

De aanvraag voor de erkenning van een regionale dienst bevat ook: 1° een ondertekende schriftelijke verbintenis van de beheersinstantie van elk van de erkende diensten voor gezinszorg en aanvullende thuiszorg die van de regionale dienst deel uitmaken, om op de datum van de erkenning van de regionale dienst de erkenning van de dienst, samen met het volledige aantal uren gezinszorg en het volledige aantal vte aanvullende thuiszorg die aan de dienst zijn toegewezen, over te dragen aan de regionale dienst;2° een personeelsplan en een opvolgingsplan voor de gebruikers waaruit blijkt dat de continuïteit van de hulpverlening die al verstrekt is door de erkende diensten voor gezinszorg en aanvullende thuiszorg die van de regionale dienst deel uitmaken, verzekerd is vanaf de datum waarop de erkenning van de regionale dienst ingaat. De erkenning van de regionale dienst gaat in op 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de ontvankelijke aanvraag daarvoor is ingediend. Ze heeft tot gevolg dat het aantal uren gezinszorg en het aantal vte aanvullende thuiszorg, toegewezen aan de regionale dienst, minstens overeenstemmen met de som van het aantal uren gezinszorg en de som van het aantal vte aanvullende thuiszorg van alle erkende diensten voor gezinszorg en aanvullende thuiszorg die van de regionale dienst deel uitmaken.

Als aan de beheersinstantie van de regionale dienst de beslissing tot erkenning van de regionale dienst wordt bezorgd, wordt aan de beheersinstanties van elk van de diensten voor gezinszorg en aanvullende thuiszorg die van de regionale dienst deel uitmaken en erkend zijn, de beslissing tot intrekking van de erkenning van die diensten bezorgd. Die beslissingen treden in werking op de datum, vermeld in het vierde lid.

Art. 17/2.Een erkende regionale dienst voor gezinszorg en aanvullende thuiszorg wordt voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld met een erkende dienst voor gezinszorg en aanvullende thuiszorg.".

Art. 3.Aan artikel 25 van hetzelfde besluit worden een tweede tot en met vierde lid toegevoegd, die luiden als volgt: "Als de beheersinstantie van een erkende thuiszorgvoorziening, met uitzondering van een centrum voor herstelverblijf, tot de vrijwillige stopzetting van de uitbating van de voorziening of van een deel ervan beslist, moet het agentschap drie maanden vooraf worden ingelicht, met opgave van de datum waarop die beslissing uitwerking heeft. De rechtsgeldige vrijwillige stopzetting van de uitbating heeft tot gevolg dat de voorziening onmiddellijk geheel of gedeeltelijk verdwijnt uit de programmatie van die voorzieningen.

Voor een dienst voor gezinszorg en aanvullende thuiszorg heeft de gehele of gedeeltelijke verdwijning uit de programmatie het gehele of gedeeltelijke verlies tot gevolg van het aantal uren gezinszorg en het aantal vte aanvullende thuiszorg die aan die dienst waren toegekend.

Dat aantal uren gezinszorg en dat aantal vte aanvullende thuiszorg worden gevoegd bij het totale aantal uren gezinszorg en het totale aantal vte aanvullende thuiszorg die jaarlijks door de minister worden verdeeld over de diensten met toepassing van artikel 8, derde lid, en artikel 25 van bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers.

Voor een dienst voor logistieke hulp heeft de gehele of gedeeltelijke verdwijning uit de programmatie het gehele of gedeeltelijke verlies tot gevolg van het aantal vte dat aan die dienst was toegekend. Dat aantal vte wordt gevoegd bij het totale aantal vte logistieke hulp dat jaarlijks wordt bepaald met toepassing van artikel 6 van bijlage II bij het besluit, vermeld in het derde lid.".

Art. 4.In hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 17 december 2010, 25 februari 2011, 16 december 2011, 5 oktober 2012, 12 oktober 2012, 21 december 2012 en 20 december 2013, wordt aan hoofdstuk VIII een artikel 34/1 toegevoegd, dat luidt als volgt: "

Art. 34/1.De erkenning van een dienst voor gezinszorg en aanvullende thuiszorg die erkend is met toepassing van hoofdstuk II en aan alle erkenningsvoorwaarden voldoet, kan samen met het aantal uren gezinszorg en het aantal vte aanvullende thuiszorg die aan die dienst zijn toegewezen, op 1 januari worden overgedragen als aan de volgende voorwaarden voldaan is: 1° voor 1 september van het voorgaande jaar wordt een afschrift van de overeenkomst tot overdracht van de dienst aan het agentschap bezorgd;2° na de overdracht blijft de continuïteit verzekerd van de hulp- en dienstverlening die door de overgedragen dienst werd verstrekt.De wijze waarop de continuïteit van de hulp- en dienstverlening wordt verzekerd, wordt aangetoond aan de hand van een personeelsplan en een opvolgingsplan voor de gebruikers van de dienst waarvan de erkenning wordt overgedragen; 3° het aantal uren gezinszorg en het aantal vte aanvullende thuiszorg die aan de dienst zijn toegewezen, worden volledig overgedragen aan de overnemer; 4° de dienst blijft aan alle erkenningsvoorwaarden voldoen.".

Art. 5.In hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 17 december 2010, 25 februari 2011, 16 december 2011, 5 oktober 2012, 12 oktober 2012, 21 december 2012 en 20 december 2013, wordt in hoofdstuk XIII een artikel 45/4 ingevoegd, dat luidt als volgt: "

Art. 45/4.De diensten voor gezinszorg en aanvullende thuiszorg die erkend waren en die op 1 januari 2014 deel uitmaken van een regionale dienst, kunnen tot uiterlijk twee jaar na die datum uit die erkende regionale dienst treden met behoud van hun erkenning en van het aantal uren gezinszorg en het aantal vte aanvullende thuiszorg die ze hebben ingebracht bij de oprichting van of de toetreding tot die regionale dienst.

De beheersinstantie dient bij het agentschap aangetekend of tegen ontvangstbewijs een ontvankelijke aanvraag tot uittreding uit de regionale dienst in.

Een aanvraag tot uittreding uit de regionale dienst is alleen ontvankelijk als ze de volgende gegevens en stukken bevat: 1° de naam en het adres van de initiatiefnemer;2° de naam en het adres van de dienst voor gezinszorg en aanvullende thuiszorg die uittreedt;3° de naam en het adres van de regionale dienst;4° de rechtsgeldige beslissing om uit de regionale dienst te treden;5° de rechtsgeldige kennisgeving aan de regionale dienst om uit de regionale dienst te treden. De uittreding wordt doorgevoerd met ingang van 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de ontvankelijke aanvraag is ingediend.

Die aanvraag moet voor 1 september ingediend worden en uiterlijk tegen 1 september 2015.

Na het verstrijken van de termijn van twee jaar, vermeld in het eerste lid, worden diensten voor gezinszorg en aanvullende thuiszorg die dan niet zijn uitgetreden, van rechtswege geacht hun erkenning alsook het aantal uren gezinszorg en het aantal vte aanvullende thuiszorg definitief te hebben overgedragen aan de regionale dienst. Het agentschap brengt de beheersinstantie van die diensten daarvan aangetekend met kennisgeving van ontvangst op de hoogte binnen een maand na het verstrijken van die termijn.". HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers

Art. 6.Aan artikel 7, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2012, worden een vijfde en een zesde lid toegevoegd, die luiden als volgt: "In afwijking van het tweede lid moeten de gegevens over de activiteiten van de dienst voor gezinszorg en aanvullende thuiszorg of de dienst voor logistieke hulp die naar Vesta als vermeld in artikel 1, 19°, van bijlage I en artikel 1, 11°, van bijlage II, doorgestuurd worden, niet opgenomen worden in het jaarverslag.

In afwijking van het tweede lid moeten de gegevens over de activiteiten van de dienst voor oppashulp die naar het systeem van elektronische gegevensuitwisseling, vermeld in artikel 5, C, 13°, van bijlage III, doorgestuurd worden, niet opgenomen worden in het jaarverslag.".

Art. 7.Aan artikel 1 van bijlage I bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 16 december 2011, 14 september 2012, 5 oktober 2012 en 21 december 2012, wordt een punt 26° toegevoegd, dat luidt als volgt: "26° regionale dienst: een regionale dienst voor gezinszorg en aanvullende thuiszorg.".

Art. 8.In artikel 4, A, 15°, van bijlage I bij hetzelfde besluit wordt de zin "Minstens eenmaal per jaar is er een bezoek in het natuurlijke thuismilieu van de gebruiker." vervangen door de zinnen "Als aan de gebruiker uitsluitend gezinszorg of gezinszorg en aanvullende thuiszorg verleend wordt, is er minstens eenmaal per jaar een bezoek in het natuurlijke thuismilieu van de gebruiker. Als aan de gebruiker uitsluitend aanvullende thuiszorg verleend wordt, is er minstens om de twee jaar een bezoek in het natuurlijke thuismilieu van de gebruiker.".

Art. 9.In artikel 13/2 van de bijlage I bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 december 2011, worden tussen het woord "bezorgt" en het woord "jaarlijks" de woorden "in het kader van meerlingenhulp" ingevoegd.

Art. 10.In bijlage I bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 17 december 2010, 25 februari 2011, 16 december 2011, 22 juni 2012, 14 september 2012, 5 oktober 2012, 12 oktober 2012, 7 december 2012, 21 december 2012 en 13 december 2013, wordt een hoofdstuk V/1 ingevoegd, dat bestaat uit artikel 37/1 tot en met 37/10, en dat luidt als volgt: "Hoofdstuk V/1. Specifieke regels voor regionale diensten voor gezinszorg en aanvullende thuiszorg en voor de overdracht van de erkenning van diensten voor gezinszorg en aanvullende thuiszorg.

Art. 37/1.De volgende bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op de regionale diensten: 1° de bepalingen van dit besluit die van toepassing zijn op de diensten voor gezinszorg en aanvullende thuiszorg;2° de bepalingen van hoofdstuk II tot en met V van deze bijlage, voor zover de bepalingen van dit hoofdstuk daar niet van afwijken. In afwijking van artikel 3, eerste lid, 2°, van dit besluit voldoet de regionale dienst vanaf de datum waarop zijn erkenning ingaat, aan de erkenningsvoorwaarden en verzekert de regionale dienst de continuïteit van de hulpverlening die al verstrekt werd door de erkende diensten voor gezinszorg en aanvullende thuiszorg die van de regionale dienst deel uitmaken.

Art. 37/2.In het eerste werkjaar van een erkende regionale dienst, waarvan diensten deel uitmaken die in het voorgaande jaar erkend waren, wordt: 1° voor de toepassing van artikel 12, § 2, de som van het aantal gebruikers in aanmerking genomen dat door elk van die diensten werd geholpen in het voorgaande jaar;2° voor de toepassing van artikel 12, § 3, de som van het aantal gesubsidieerde uren van elk van die diensten in het voorgaande jaar in aanmerking genomen voor de berekening van het gemiddelde aantal vte verzorgend personeel.

Art. 37/3.Voor de toepassing van artikel 14, § 2, eerste lid, artikel 15/2, § 2, en artikel 16, § 2, eerste lid, worden in het eerste werkjaar van een erkende regionale dienst de gegevens over het voorgaande jaar in aanmerking genomen van elk van de diensten die deel uitmaken van de regionale dienst en die in het voorgaande jaar erkend waren.

Art. 37/4.Voor de toepassing van artikel 15/1, § 3, eerste lid, wordt in het eerste werkjaar van een erkende regionale dienst het aantal kilometer in aanmerking genomen dat in het voorgaande jaar werd afgelegd door het verzorgend personeel, het logistiek personeel of de doelgroepwerknemers van elk van de diensten die deel uitmaken van de regionale dienst en die in het voorgaande jaar erkend waren, als de afgelegde kilometers beantwoorden aan de voorwaarden van paragraaf 2 van dat artikel.

Art. 37/5.Voor de toepassing van artikel 15/3, § 2, wordt in het eerste werkjaar van een erkende regionale dienst de som van de urencontingenten gezinszorg in aanmerking genomen die in het voorgaande jaar toegewezen waren aan elk van de diensten die deel uitmaken van de regionale dienst en die in het voorgaande jaar erkend waren.

Art. 37/6.Voor de toepassing van artikel 20 worden in het eerste werkjaar van een erkende regionale dienst de voorschotten berekend op basis van de som van de gesubsidieerde prestatie-uren en de som van de gesubsidieerde uren bijscholing in het voorgaande jaar van elk van de diensten die deel uitmaken van de regionale dienst en die in het voorgaande jaar erkend waren.

Art. 37/7.Voor de toepassing van artikel 21 worden voor een erkende regionale dienst, waarvan diensten deel uitmaken die in het voorgaande jaar erkend waren, de voorschotten in het eerste, tweede en derde werkjaar berekend op basis van de som van de subsidies die tijdens het tweede jaar dat aan het werkjaar in kwestie voorafgaat, aan elk van die diensten werden uitbetaald.

Art. 37/8.Voor de toepassing van artikel 30/1, § 2, en artikel 31, § 2, eerste lid, worden in het eerste werkjaar van een erkende regionale dienst de gegevens over het voorgaande jaar in aanmerking genomen van elk van de diensten die deel uitmaken van de regionale dienst en die in het voorgaande jaar erkend waren.

Art. 37/9.Voor de toepassing van artikel 35 wordt in het eerste werkjaar van een erkende regionale dienst de som van het aantal vte logistiek personeel, het aantal vte doelgroepwerknemers en het aantal gesco-vte in de verschillende functiecategorieën in aanmerking genomen die in het voorgaande jaar toegewezen waren aan elk van de diensten die deel uitmaken van de regionale dienst en die in het voorgaande jaar erkend waren.

Art. 37/10.Bij een overdracht van de erkenning gelden voor de subsidiëring van de overnemer tijdens het eerste jaar de bepalingen van hoofdstuk IV, voor zover de onderstaande bepalingen daar niet van afwijken: 1° voor de toepassing van artikel 12, § 2, wordt ook het aantal gebruikers in aanmerking genomen dat door de overgedragen dienst werd geholpen in het voorgaande jaar;2° voor de toepassing van artikel 12, § 3, wordt ook het aantal gesubsidieerde uren van de overgedragen dienst in het voorgaande jaar in aanmerking genomen voor de berekening van het gemiddelde aantal vte verzorgend personeel;3° voor de toepassing van artikel 14, § 2, eerste lid, artikel 15/2, § 2, artikel 16, § 2, eerste lid, artikel 30/1, § 2, en artikel 31, § 2, eerste lid, worden ook de gegevens van de overgedragen dienst over het voorgaande jaar in aanmerking genomen;4° voor de toepassing van artikel 15/1, § 3, eerste lid, wordt ook het aantal kilometer in aanmerking genomen dat in het voorgaande jaar werd afgelegd door het verzorgend personeel, het logistiek personeel of de doelgroepwerknemers van de overgedragen dienst, als de afgelegde kilometers beantwoorden aan de voorwaarden van paragraaf 2 van dat artikel;5° voor de toepassing van artikel 15/3, § 2, wordt ook het urencontingent gezinszorg in aanmerking genomen dat in het voorgaande jaar toegewezen was aan de overgedragen dienst;6° voor de toepassing van artikel 20 worden de voorschotten ook berekend op basis van de gesubsidieerde prestatie-uren en de gesubsidieerde uren bijscholing van de overgedragen dienst in het voorgaande jaar;7° voor de toepassing van artikel 35 worden ook het aantal vte logistiek personeel, het aantal vte doelgroepwerknemers en het aantal gesco-vte in de verschillende functiecategorieën in aanmerking genomen die in het voorgaande jaar toegewezen waren aan de overgedragen dienst. Bij een overdracht van de erkenning worden voor de toepassing van artikel 21 de voorschotten van de overnemer tijdens het eerste en tweede jaar mede berekend op basis van de subsidies die tijdens het tweede jaar dat aan het jaar in kwestie voorafgaat, aan de overgedragen dienst uitbetaald werden.".

Art. 11.In bijlage I bij hetzelfde besluit gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 17 december 2010, 25 februari 2011, 16 december 2011, 22 juni 2012, 14 september 2012, 5 oktober 2012, 12 oktober 2012, 7 december 2012, 21 december 2012 en 13 december 2013, wordt aan hoofdstuk VI een artikel 46 toegevoegd, dat luidt als volgt: "

Art. 46.De erkende diensten voor gezinszorg en aanvullende thuiszorg die uit een regionale dienst zijn getreden en die op 1 januari 2014 nog deel uitmaakten van die regionale dienst, ontvangen tijdens het jaar waarin ze zijn uitgetreden, voorschotten conform artikel 20, tweede lid, en tijdens het eerste en tweede jaar dat volgt op het jaar van de uittreding uit de regionale dienst, voorschotten conform artikel 21, tweede lid.".

Art. 12.In artikel 3, A, 11°, van bijlage II bij hetzelfde besluit worden de woorden "eenmaal per jaar" vervangen door de woorden "om de twee jaar". HOOFDSTUK 3. - Slotbepalingen

Art. 13.Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2014.

Art. 14.De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 25 april 2014 De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, J. VANDEURZEN

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^