Besluit Van De Vlaamse Regering van 26 november 1999
gepubliceerd op 11 december 1999
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op ontbossing

bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
numac
1999036470
pub.
11/12/1999
prom.
26/11/1999
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

26 NOVEMBER 1999. - Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op ontbossing


De Vlaamse regering, Gelet op het Bosdecreet van 13 juni 1990, inzonderheid op artikel 90bis, ingevoegd bij het decreet van 21 oktober 1997 en gewijzigd bij het decreet van 18 mei 1999;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 10 maart 1999;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister bevoegd voor begroting, gegeven op 1 juni 1999.

Gelet op het advies van de Raad van State;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw;

Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.§ 1. Dit besluit is niet van toepassing op de bossen die op het grondgebied van meer dan één Gewest gelegen zijn. § 2. De bepalingen van dit besluit gelden niet in geval van toepassing van artikel 47, tweede lid, of artikel 87, vijfde lid van het Bosdecreet.

Art. 2.De bouwvergunning voor het ontbossen kan niet verleend worden vooraleer het voorstel tot compensatie van de ontbossing is goedgekeurd. HOOFDSTUK II. - Compensatie voor ontbossing Afdeling 1. - Wijze van compensatie

Art. 3.Door de aanvrager van de bouwvergunning voor ontbossen wordt een voorstel tot compensatie van de ontbossing ingediend, dat bestaat uit : 1° hetzij een compenserende bebossing die in overeenstemming is met de bepalingen in artikel 4 van dit besluit en die zal gebeuren door de aanvrager van de vergunning;2° hetzij een verbintenis van de aanvrager om een compenserende bebossing te laten uitvoeren door een derde;3° hetzij een compenserende bebossing die in overeenstemming is met de bepalingen van artikel 4, tweede lid, van dit besluit en die zal gebeuren door de aanvrager van de vergunning, in combinatie met een verbintenis van de aanvrager om voor het overige gedeelte de compenserende bebossing, in overeenstemming met de bepalingen van het tweede lid van voormeld artikel, te laten uitvoeren door een derde zodat door de combinatie van beide compenserende bebossingen ook wordt voldaan aan het eerste lid van voormeld artikel;4° hetzij een verbintenis van de aanvrager om een bosbehoudsbijdrage, als bedoeld in artikel 5, eerste lid, te betalen;5° hetzij een compenserende bebossing die in overeenstemming is met de bepalingen van artikel 4, tweede lid, van dit besluit, doch niet met deze van het eerste lid van voormeld artikel, in combinatie met een verbintenis om een bosbehoudsbijdrage, als bedoeld in artikel 5, derde lid, te betalen voor het gedeelte van het te ontbossen terrein waarvoor geen compenserende bebossing wordt voorgesteld overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van dit besluit.

Art. 4.De compenserende bebossing dient overeenkomstig artikel 90bis, 4e lid, van het Bosdecreet steeds even groot te zijn als de oppervlakte van het te ontbossen terrein. Indien door het Bosbeheer wordt vastgesteld dat het te ontbossen terrein een Habitat vormt conform bijlage I van de Europese richtlijn 97/62/EG tot aanpassing van de richtlijn 92/43 EEG inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde fauna en flora dan dient deze compenserende bebossing steeds dubbel zo groot te zijn als de oppervlakte van het te ontbossen terrein.

Een compenserende bebossing kan slechts, met inachtname van alle wettelijke en reglementaire bepalingen, gebeuren op terreinen die nog niet bebost zijn en volgens een bebossingsplan goedgekeurd door het Bosbeheer. Deze bebossing dient bovendien te gebeuren in de in artikel 90bis, 4e lid van het Bosdecreet opgesomde gebieden.

Art. 5.De bosbehoudsbijdrage is gelijk aan de grootte van de compenserende bebossing zoals bepaald in artikel 4, uitgedrukt in m2, vermenigvuldigd met 120 fr/m2.

In het geval van artikel 3, 4° is de bosbehoudsbijdrage gelijk aan de vermenigvuldiging van 120 fr./m2 met de oppervlakte uitgedrukt in vierkante meter van de compenserende bebossing, waarvan de grootte berekend is krachtens artikel 4, eerste lid.

In het geval van artikel 3, 5° is de bosbehoudsbijdrage gelijk aan de vermenigvuldiging van 120 fr/m2 met het resultaat van de oppervlakte uitgedrukt in vierkante meter van de compenserende bebossing, waarvan de grootte berekend is krachtens artikel 4, eerste lid, verminderd met de oppervlakte uitgedrukt in vierkante meter van de voorgestelde compenserende bebossing. Afdeling 2. - Procedure

Art. 6.De aanvrager van de bouwvergunning voor ontbossen voegt bij zijn aanvraag tot bouwvergunning een voorstel tot compensatie dat bestaat uit één van de maatregelen bedoeld in artikel 3.

Behalve in het geval bedoeld in artikel 3, 4°, wordt bij het voorstel tot compensatie een bebossingsplan gevoegd.

Het voorstel van compensatie moet worden ingevuld op een formulier, waarvan het model in bijlage wordt vastgesteld, dat samen met de aanvraag tot bouwvergunning voor de ontbossing moet worden ingediend.

Art. 7.Het formulier als bedoeld in artikel 6, derde lid, wordt, samen met de adviesaanvraag als bedoeld in artikel 90bis, tweede lid, van het Bosdecreet, aan het Bosbeheer overgezonden door de administratie die door de Vlaamse regering is aangewezen als bevoegd voor de stedenbouw en de ruimtelijke ordening, of indien niet betrokken bij de uitreiking van de vergunning, door de overheid die de vergunning verleent.

Art. 8.Het Bosbeheer zendt binnen een termijn van 30 dagen na ontvangst van het formulier, samen met zijn advies als bedoeld in artikel 90bis, tweede lid, van het Bosdecreet, dit formulier met zijn beslissing over de voorgestelde compensatie terug naar de bevoegde instantie vermeld in artikel 7.

Indien het Bosbeheer oordeelt dat de voorgestelde compensatie in overeenstemming is met de bepalingen van artikel 3 tot en met 5 van dit besluit, vermeldt hij zijn akkoord op het formulier.

Indien de door de aanvrager voorgestelde compensatie door het Bosbeheer als niet in overeenstemming met dit besluit wordt beoordeeld, vermeldt hij zijn akkoord op het formulier onder de voorwaarde dat de door het Bosbeheer aangepaste compensatiemaatregelen, uitgewerkt overeenkomstig artikel 3 tot en met 5 van dit besluit, worden in acht genomen. Deze aangepaste compensatiemaatregelen kunnen bestaan uit : 1° een aanvullende bosbehoudsbijdrage, in het geval de overeenkomstig artikel 3, 4° of 5° voorgestelde bosbehoudsbijdrage niet in overeenstemming is met artikel 5;2° een aanvullende bosbehoudsbijdrage in het geval de oppervlakte van de overeenkomstig artikel 3, 1°, 2° of 3° voorgestelde compenserende bebossing niet voldoet aan artikel 4, eerste lid.De aanvullende bosbehoudsbijdrage wordt berekend overeenkomstig artikel 5, tweede lid; 3° een aanpassing van het voorgestelde beplantingsplan om bosbouwtechnische redenen. Indien het formulier niet tijdig wordt teruggezonden naar de bevoegde instantie bedoeld in artikel 7, wordt dit beschouwd als een goedkeuring van het voorstel van de aanvrager. In dit geval brengt deze instantie op het formulier een vermelding aan, luidens hetwelk het voorstel stilzwijgend is goedgekeurd bij ontstentenis van een uitdrukkelijke beslissing van het Bosbeheer binnen de in het eerste lid bedoelde termijn.

De compenserende bebossing dient uitgevoerd te zijn binnen een periode van twee jaar. De bosbehoudsbijdrage dient betaald te worden binnen een termijn van vier maanden. In beide gevallen gaat de termijn in vanaf de datum waarop krachtens de wetgeving inzake ruimtelijke ordening van een bouwvergunning mag gebruik worden gemaakt.

Art. 9.Het formulier bedoeld in artikel 6, aangevuld overeenkomstig artikel 8, tweede, derde of vierde lid, wordt samen met de bouwvergunning aan de aanvrager toegestuurd en maakt integraal deel uit van die bouwvergunning.

De vergunningverlenende overheid vermeldt in de bouwvergunning dat deze verleend wordt onder de voorwaarden zoals opgenomen in het in vorig lid bedoelde formulier.

Art. 10.Wanneer de compensatiemaatregel of -maatregelen volledig zijn uitgevoerd, wordt dit op verzoek van de aanvrager door het Bosbeheer, en in het geval van een bebossing na een controle ter plaatse, geattesteerd. Het Bosbeheer maakt een afschrift van dit attest over aan de instantie die de ontbossingvergunning heeft verleend. Afdeling 3. - Diverse bepalingen

Art. 11.De aanvrager van de bouwvergunning die zelf de compenserende bebossing uitvoert of de derde die garant staat voor de uitvoering van de compenserende bebossing verbindt zich ertoe : 1° minstens 30 dagen voordat de compenserende bebossing wordt uitgevoerd dit aan het Bosbeheer te melden, 2° de ambtenaren van het Bosbeheer toe te laten zich ter plaatse te begeven om het terrein in kwestie vooraf te onderzoeken of de uitgevoerde beplantingen te beoordelen;3° toe te laten dat het Bosbeheer, indien het na een controle ter plaatse binnen de vijf jaar na het afleveren van het attest bedoeld in artikel 10 vaststelt dat de aanplanting niet geslaagd is, een beroep kan doen op derden voor het uitvoeren van de bebossing en de kosten voor het uitvoeren van deze werkzaamheden en van het onderhoud gedurende vijf jaar na de aanplanting op de aanvrager kan verhalen. Een aanplanting wordt pas als geslaagd beschouwd wanneer ten minste 80 % van het aangeplante stamtal bij de controle nog in leven is en deze levende bomen en struiken regelmatig gespreid over het terrein voorkomen.

Art. 12.Het Bosbeheer houdt een register bij van de bebossingen in het kader van dit besluit. HOOFDSTUK III. - Ontheffing van het verbod tot ontbossing

Art. 13.§ 1. De minister, bevoegd voor het natuurbehoud, kan ontheffing van het verbod tot ontbossing, bedoeld in artikel 90bis, derde lid van het Bosdecreet, verlenen op individueel en gemotiveerd verzoek. Deze ontheffing dient via een aangetekend schrijven te worden aangevraagd bij het Bosbeheer en moet om als volledig te worden beschouwd volgende elementen bevatten : 1° de identiteit van de eigenaar of houder van het zakelijk recht en zonodig de identiteit van de gevolmachtigd beheerder of aanvrager.De geschreven volmacht dient te worden bijgevoegd; 2° een grondige motivatie tot afwijking van het verbod op ontbossing;3° een door de aanvrager ondertekende situatietekening op een kopie van een stafkaart met schaal 1/25 000 met vermelding van de straatnaam of de gangbare plaatsnaam;4° de gegevens inzake de betreffende percelen : a) een uittreksel uit de kadastrale legger;b) de bestemming volgens het geldende plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan;c) de eventuele rangschikking als landschap;d) beschrijving en situering op kaart (schaal 1/5 000) van de geplande werken;e) het eventuele beheersplan waaraan deze percelen onderworpen zijn.f) of er voor het gebied al dan niet een natuurrichtplan overeenkomstig artikelen 48 en 50 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu dient opgesteld te worden of van toepassing is.5° een ecologische evaluatie van de gevolgen van de voorgestelde ingreep en hieraan gekoppelde maatregelen die worden voorgesteld ter naleving van de zorgplicht opgelegd door artikel 14 en 16 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu van 21 oktober 1997. § 2. Het Bosbeheer onderzoekt de aanvraag tot ontheffing van het verbod op ontbossing op haar ontvankelijkheid en volledigheid overeenkomstig het bepaalde in § 1.

Wordt de aanvraag onontvankelijk of onvolledig bevonden, dan wordt de aanvrager binnen 14 kalenderdagen na de indiening van de vergunningsaanvraag hiervan door het Bosbeheer schriftelijk in kennis gesteld, met vermelding van de reden van onontvankelijkheid of met vermelding van gegevens en/of documenten die ontbreken of nadere toelichting vereisen.

Wordt de aanvraag ontvankelijk en volledig bevonden, dan wordt de aanvrager binnen 14 kalenderdagen na de indiening van de vergunningsaanvraag hiervan door het Bosbeheer schriftelijk in kennis gesteld. De behandelingstermijn vangt aan op datum van verzending van voormelde brief.

Art. 14.Op basis van het advies van het Bosbeheer neemt de minister bevoegd voor het natuurbehoud, binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de aanvangsdatum van de behandelingstermijn, een met reden omklede beslissing over de ontheffing van het verbod tot ontbossing, eventueel gekoppeld aan voorwaarden. Deze beslissing wordt per ter aangetekende zending aan de aanvrager van de ontheffing van het verbod tot ontbossing medegedeeld.

Ingeval er geen beslissing wordt genomen binnen de voormelde termijn van drie maanden dan wordt de aanvraag tot ontheffing van het verbod tot ontbossing geacht te zijn afgewezen.

Art. 15.Indien een ontheffing van het verbod tot ontbossing werd verleend, dient de aanvrager van een bouwvergunning voor een ontbossing naast het voorstel tot compensatie bedoeld in artikel 3, ook een voor eensluidend verklaard afschrift van deze beslissing voor te leggen aan de vergunningverlenende overheid. HOOFDSTUK IV. - Strafbepalingen

Art. 16.§ 1. De uitvoering van compensatie voor ontbossing wordt opgevolgd door het Bosbeheer. § 2. Overtredingen van dit besluit worden opgespoord, vervolgd en bestraft overeenkomstig de bepalingen van het Bosdecreet van 13 juni 1990. HOOFDSTUK V. - Wijzigingsbepalingen

Art. 17.§ 1. In artikel 5 van het besluit van de Vlaamse regering van 29 april 1991 betreffende de subsidiëring van de eigenaars van privé-bossen en de erkenning van bosgroepering van privé-boseigenaars wordt een vijfde lid toegevoegd dat luidt als volgt : « Voor compenserende bebossingen, in uitvoering van artikel 90bis van het Bosdecreet, kunnen geen subsidies worden toegekend. » § 2. In Artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 26 juni 1996 betreffende de subsidiëring van de bebossing van landbouwgronden ter uitvoering van de verordening (EEG) 2080/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een communautaire steunmaatregel voor bosbouwmaatregelen in de landbouw wordt een § 4 toegevoegd die luidt als volgt : « § 4. Voor compenserende bebossingen, in uitvoering van artikel 90bis van het bosdecreet, kunnen geen subsidies worden toegekend. » HOOFDSTUK VI. - Slotbepalingen

Art. 18.Dit besluit treedt in werking op de dag van bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.

Art. 19.De Vlaamse minister, bevoegd voor het natuurbehoud, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 26 november 1999.

De minister-president van de Vlaamse regering, P. DEWAEL De Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw, Mevr. V. DUA

Bijlage Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse regering van 26 november 1999 tot vaststelling van nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op ontbossing.

Brussel, 26 november 1999.

De minister-president van de Vlaamse regering, P. DEWAEL De Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw, Mevr. V. DUA

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^