Etaamb.openjustice.be
Besluit Van De Vlaamse Regering van 28 april 1998
gepubliceerd op 12 juni 1998

Besluit van de Vlaamse regering tot uitvoering van het decreet van 19 december 1997 betreffende het algemeen welzijnswerk

bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
numac
1998035639
pub.
12/06/1998
prom.
28/04/1998
ELI
eli/besluit/1998/04/28/1998035639/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

28 APRIL 1998. - Besluit van de Vlaamse regering tot uitvoering van het decreet van 19 december 1997 betreffende het algemeen welzijnswerk


De Vlaamse regering, Gelet op het decreet van 19 december 1997 betreffende het algemeen welzijnswerk;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 17 maart 1998;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid, gemotiveerd vanuit de noodzaak deze nieuwe regelgeving (decreet en besluit van de Vlaamse regering tot uitvoering van het decreet) te laten ingaan op 1 januari 1998 en dit met het oog op de rechtszekerheid voor de centra, het invoeren van een nieuwe transparante subsidieregeling en het scheppen van duidelijkheid voor de centra inzake de herstructurering van de centra; zo wordt onder meer het aantal autonome centra van meer dan 120 centra herleid tot 35; dienen de centra die nu volop onderhandelen over de fusies het nieuwe reglementaire kader te kennen; bovendien dienen de nieuw gevormde centra voor 30 juni 1998 een beleidsplan in te dienen;

Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 31 maart 1998, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn;

Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK I. - Definities

Artikel 1.In dit besluit wordt verstaan onder : 1° decreet : het decreet van 19 december 1997 betreffende het algemeen welzijnswerk;2° centrum : een centrum voor algemeen welzijnswerk;3° werkgebied : een geografisch gebied waarvan de grenzen bij de erkenning worden bepaald en waarbinnen het centrum zijn activiteiten ontplooit;4° sectorprotocollen : de door de minister opgestelde documenten waarin de generieke kenmerken van de taken van alle centra van een bepaalde sector of, in voorkomend geval, van welbepaalde bijkomende taken bepaald worden, en die gelden voor de onderscheiden sectoren die gevormd worden door de centra voor teleonthaal, de centra in het kader van de ziekenfondsen, de autonome centra en voor die centra die een welbepaalde bijkomende taak opgedragen kregen;5° administratie : de administratie Gezin en Maatschappelijk Welzijn van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap;6° minister : het lid van de Vlaamse regering, bevoegd voor de bijstand aan personen. HOOFDSTUK II. - De erkenning van voorzieningen Afdeling I. - De erkenningsvoorwaarden

Art. 2.Een centrum dat, in het kader van het decreet en dit besluit, personen wenst bij te staan, te begeleiden of op te nemen en hiervoor aanspraak wil maken op de subsidiëring dient vooraf door de minister te worden erkend.

Art. 3.De taken van de centra, respectievelijk bedoeld in de artikelen 5, 6 en 7 van het decreet, alsmede de algemene opdracht, de doelstellingen en de werkingsprincipes van de centra, respectievelijk bedoeld in de artikelen 3, 4 en 9 tot en met 14 van het decreet, worden geconcretiseerd in sectorprotocollen.

Daarenboven bevat elk sectorprotocol minimaal : 1° de verhouding van de bijzondere aandacht besteed aan personen en bevolkingsgroepen bedoeld in artikel 10 van het decreet tot de aandacht besteed aan het geheel van de bevolking;2° de minimale bepalingen inzake het overleg en de samenwerking bedoeld in de artikelen 13 en 14 van het decreet;3° de wijze van invullen van het preventief, hulpverlenend en probleemsignalerend optreden waarbij aangeduid wordt op welke wijze aandacht gegeven wordt aan de samenwerking met andere diensten binnen en buiten de welzijnssector en waarbij het traject van de hulpverlening geschetst wordt;4° de minimale bepalingen inzake de in artikel 12 van het decreet bedoelde kwalificatievereisten van de beroepskrachten en de vrijwilligers die in de centra werken;5° de minimale bepalingen inzake de in artikel 15, § 5, van het decreet bedoelde financiële bijdrage van de hulpvrager;6° de voor de sector geldende norm inzake naamgeving van de centra; De minister kan die lijst uitbreiden.

De minister bepaalt de vorm van de sectorprotocollen, de wijze waarop zij tot stand komen en de duur ervan.

Art. 4.Onverminderd de erkenningsvoorwaarden bepaald in Hoofdstuk II van het decreet dient een centrum aan de volgende bijkomende erkenningsvoorwaarden te voldoen : 1° wat zijn werking en organisatie betreft : a) opgericht te zijn als of door een vereniging zonder winstgevend doel, eventueel in samenwerking met andere instanties of een vereniging zoals bedoeld in Hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn, of een landsbond of een ziekenfonds bedoeld in artikel 2 van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van de ziekenfondsen;b) gevestigd te zijn en zijn werking te ontplooien in het werkgebied zoals door de minister bepaald in de erkenning;c) naast de verzekeringen die het centrum wettelijk verplicht is af te sluiten, een verzekering aan te gaan voor de burgerlijke aansprakelijkheid van het centrum en van de medewerkers die er werkzaam zijn;d) aan de administratie de registratiegegevens bedoeld in artikel 2, 10° van het decreet te bezorgen;e) te waken over de strikte geheimhouding van alle persoonlijke en vertrouwelijke gegevens;f) te voldoen aan de bepalingen van het sectorprotocol waaronder ze ressorteren;g) te beschikken over een door de minister goedgekeurd beleidsplan dat verdere invulling geeft aan het sectorprotocol en dat daarenboven, tenzij ze reeds in het sectorprotocol zijn opgenomen, minimaal de volgende elementen bevat : - de formele gegevens met betrekking tot de inrichtende macht, het bestuur en de directie van het centrum; - de benaming van het centrum; - de interne structuur, het organogram en de visie op de organisatieontwikkeling van het centrum met het oog op een geïntegreerde werking; - een verantwoording van het eigen aanbod in relatie tot de aanwezigheid en het aanbod van andere welzijnsvoorzieningen; - de concrete uitbouw en organisatie van de werking, vertrekkende vanuit een hulpverleningsconcept en met aandacht voor onder meer hulpverlening en preventie, specifieke werkvormen en activiteiten, vestigingsplaatsen openingsuren; - het aantal beroepskrachten, hun kwalificaties en hun functies, evenals de gegevens met betrekking tot de inschakeling en de kwalificaties van de vrijwilligers; - in voorkomend geval, de onderlinge afstemming met de verschillende centra binnen hetzelfde werkingsgebied; - de wijze van aanwenden van de beschikbare middelen om dit beleidsplan te realiseren; - de aandachtspunten en vooruitzichten voor de betrokken periode; - in voorkomend geval, de taken die door andere overheden aan het centrum worden toevertrouwd en de financiële middelen die hiervoor ter beschikking worden gesteld. 2° wat zijn infrastructuur en uitrusting betreft : a) voor de centra in het kader van de ziekenfondsen en voor de autonome centra maximaal bereikbaar te zijn, onder meer telefonisch en via het openbaar vervoer;b) over voldoende infrastructuur en uitrusting te beschikken zodat de opgelegde taken doelmatig, met discretie en met respect voor de waardigheid en eigenheid van de hulpvragers en de medewerkers volbracht kunnen worden en dat, in voorkomend geval, op verschillende plaatsen waar het onthaal en de raadplegingen plaatsvinden of waar de opvang gebeurt;c) te voldoen aan de bepalingen van het sectorprotocol waaronder ze ressorteren.3° wat zijn medewerkers betreft : voor de autonome centra te beschikken over ten minste zestien voltijds equivalente gesubsidieerde beroepskrachten behalve wanneer het centrum voor een bepaald werkgebied het enige erkende centrum is en er voor dat werkgebied geen zestien voltijds equivalente beroepskrachten zijn erkend. De minister kan de onder 1°, g, vermelde lijst van elementen uitbreiden.

Art. 5.De in artikel 4, 1°, g, van dit besluit bedoelde beleidsplannen gelden telkens voor een periode van drie jaar en worden door de centra ingediend voor 1 april van het jaar voorafgaand aan dat waarvoor het beleidsplan begint te lopen. De administratie zal dit beleidsplan jaarlijks evalueren. De minister kan het centrum opdragen voor 1 april van het betrokken jaar een bijgestuurd beleidsplan ter goedkeuring in te dienen, dat geldt voor de rest van de oorspronkelijke periode. Afdeling II. - De erkenningsprocedure

Art. 6.Een erkenning gaat in op 1 januari van het jaar dat volgt op dat waarin de erkenning werd aangevraagd. Een erkenning geldt voor een onbeperkte tijd en bepaalt onder meer het minimum aantal personeelsleden waarvoor de erkenning geldt.

Art. 7.Een centrum kan enkel worden erkend : 1° als het daartoe een ontvankelijke aanvraag heeft ingediend;2° als het past in de programmatie, bedoeld in artikel 12 van dit besluit;3° als het voldoet aan de erkenningsvoorwaarden bepaald in Hoofdstuk II van het decreet en aan de bijkomende erkenningsvoorwaarden bepaald in artikel 4 van dit besluit.

Art. 8.Om ontvankelijk te zijn dient een aanvraag voor erkenning tussen 1 januari en 1 april door het centrum met een aangetekende brief te worden ingediend bij de administratie en dient zij alle gegevens en stukken te bevatten waaruit blijkt dat voldaan is aan de erkenningsvoorwaarden bepaald in Hoofdstuk II van het decreet en aan de bijkomende erkenningsvoorwaarden bepaald in artikel 4 van dit besluit.

Art. 9.Als de aanvraag niet ontvankelijk is of als er geen ruimte is binnen de begrotingskredieten of in de programmatie, wordt de aanvraag vóór 1 mei door de administratie aan het aanvragende centrum teruggezonden met vermelding van de reden van het niet in behandeling nemen van de aanvraag.

In het andere geval wordt het met redenen omklede voornemen van de minister, om de erkenning te verlenen of te weigeren, vóór 1 augustus aan het aanvragende centrum betekend. De betekening gebeurt door de administratie met een aangetekende brief, waarin de mogelijkheid en de voorwaarden worden vermeld om een bezwaarschrift in te dienen.

Art. 10.Op straffe van niet-ontvankelijkheid kan het centrum uiterlijk 31 augustus tegen het voornemen met een aangetekende brief een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de administratie. Het kan daarin uitdrukkelijk vragen om te worden gehoord.

Dit bezwaar wordt behandeld volgens de procedure bedoeld in het decreet van 15 juli 1997 houdende oprichting van een Gezins- en Welzijnsraad en van een adviserende beroepscommissie inzake gezins- en welzijnsaangelegenheden.

Als het centrum geen bezwaarschrift heeft ingediend binnen de voorziene termijn, wordt de definitieve beslissing van de minister om de erkenning te verlenen of te weigeren binnen 60 dagen na het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn door de administratie aan het centrum betekend met een aangetekende brief.

Art. 11.Als de erkenning door de minister werd geweigerd, moet het centrum bij de indiening van een nieuwe gelijksoortige aanvraag aantonen dat de reden voor de weigering in hoofde van het centrum niet langer bestaat. HOOFDSTUK III. - De programmatie

Art. 12.De minister stelt een programmatie op voor het Nederlandse taalgebied alsook voor het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.

De programmatie bepaalt het aantal centra. Voor de sector gevormd door de centra voor teleonthaal wordt 1 centrum per provincie erkend. Voor de sector gevormd door de autonome centra kunnen maximum 35 centra erkend worden, met dien verstande dat elk centrum een werkgebied heeft dat tenminste 100 000 inwoners omvat.

De minister stelt eveneens een programmatie op met betrekking tot de hulpverleningscapaciteit met inbegrip van het aantal personeelsleden per erkend centrum. Voor de centra in het kader van de ziekenfondsen wordt rekening gehouden met objectieve parameters waarbij elk erkend ziekenfonds recht heeft op een proportioneel aandeel. Voor de autonome centra wordt onder meer rekening gehouden met het aantal inwoners per regio en met factoren inzake de maatschappelijke kwetsbaarheid of het psychische onwelzijn van de burgers, en, wat het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad betreft bovendien met bijzondere criteria.

De minister stelt eveneens een programmatie op met betrekking tot de bijkomende taken bedoeld in artikel 13 van dit besluit. HOOFDSTUK IV. - De bijkomende taken

Art. 13.§ 1. Volgende taken worden als bijkomende taken zoals bedoeld in artikel 8 van het decreet aangeduid : 1° sociale hulp- en dienstverlening aan gedetineerden en hun naastbestaanden met het oog op hun sociale remtegratie;2° hulp- en dienstverlening aan slachtoffers van misdrijven;3° hulpverlening aan seksuele delinquenten;4° selectie van kandidaat-adoptanten, gezinsrapportering en adviesverstrekking in het kader van een interlandelijke adoptie;5° schuldbemiddeling. De minister duidt de centra aan die deze onderscheiden bijkomende taken worden opgedragen, met dien verstande dat de onder 1° tot en met 4° bedoelde bijkomende taken enkel aan autonome centra kunnen worden opgedragen. § 2. Onverminderd § 1 van dit artikel kan de minister de centra nog andere bijkomende taken opdragen.

Deze bijkomende taken dienen één of meer van de volgende activiteiten te betreffen : 1° activiteiten die uitgevoerd worden in toepassing van een andere regelgeving dan die betreffende het algemeen welzijnswerk;2° activiteiten waarvoor een formele overeenkomst afgesloten werd met een andere overheid of instantie;3° activiteiten die geheel of gedeeltelijk met andere overheidsmiddelen dan het budget van het algemeen welzijnswerk worden gefinancierd. § 3. De minister kan nadere regelen vaststellen met betrekking tot de inhoud en de uitoefening van de in dit artikel bedoelde bijkomende taken en met betrekking tot de selectie van de centra die een bijkomende taak worden opgedragen. § 4. De bijkomende taken van de centra dienen te worden geconcretiseerd in sectorprotocollen. HOOFDSTUK V. - De subsidiëring Afdeling I. - De subsidiëringsvoorwaarden

Art. 14.De minister kent aan de erkende centra subsidie-enveloppen toe binnen de perken van de begrotingskredieten en overeenkomstig de bepalingen van het decreet en dit besluit.

Art. 15.Onverminderd de subsidiëringsvoorwaarden bepaald in Hoofdstuk II van het decreet, dient een centrum aan de volgende bijkomende subsidiëringsvoorwaarden te voldoen : 1° de subsidie-enveloppen te besteden aan de werkings- en personeelskosten van het centrum, met dien verstande dat alle centra ten minste 70 % van de subsidie-enveloppe aanwenden voor personeelskosten;2° de werkings- en personeelskosten daadwerkelijk uit te betalen.

Art. 16.Deze subsidie-enveloppen worden toegekend op voorwaarde dat : 1° aan de erkenningsvoorwaarden bepaald in Hoofdstuk II van het decreet en aan de bijkomende erkenningsvoorwaarden bepaald in artikel 4 van dit besluit wordt voldaan;2° aan de administratie de nodige stukken worden bezorgd waaruit blijkt dat aan het bepaalde in 1° werd voldaan;3° de subsidie-enveloppe is aangevraagd op de door de minister bepaalde wijze.

Art. 17.De minister stelt het bedrag vast van de subsidie-enveloppen die aan de respectieve centra zullen worden toegekend. Hij houdt hierbij onder meer rekening met de aard en de omvang van de door het centrum verleende hulp- en dienstverlening, de werkings- en managementskosten van het centrum, en het volume van tewerkstelling van het centrum.

Art. 18.§ 1. Binnen de perken van de begrotingskredieten wordt het in artikel 17 van dit besluit bedoelde bedrag van de subsidie-enveloppe geïndexeerd overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld. Die koppeling aan het indexcijfer wordt berekend en toegepast overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van het concurrentievermogen. § 2. Binnen de perken van de begrotingskredieten worden de subsidie-enveloppen eveneens aangepast aan de anciënniteitsevolutie van het algemeen welzijnswerk, met name de evolutie van de gemiddelde geldelijke anciënniteit die de personeelsleden hebben opgebouwd. De stijging van die anciënniteit kan niet meer dan 12 maanden per jaar bedragen.

Art. 19.Als de resultatenrekening van een centrum een bepaald jaar een batig saldo vertoont, moet het centrum hiermee reserves opbouwen.

Die reserves moeten worden aangewend om uitgaven te financieren die bijdragen tot de realisatie van de taken van het centrum.

De concrete aanwending ervan wordt door de administratie nagegaan in het kader van het toezicht, bedoeld in artikel 23 van dit besluit.

Reserves opgebouwd na 1 januari 1998 die op het ogenblik van het afsluiten van het boekjaar meer bedragen dan de in artikel 17 of 34 van dit besluit bedoelde jaarlijkse subsidie-enveloppe, worden ten belope van het bedrag dat de jaarlijkse subsidie-enveloppe overschrijdt, teruggestort aan de Vlaamse Gemeenschap.

Art. 20.De minister kan, onder de voorwaarden die hij bepaalt en binnen de perken van de begrotingskredieten, een subsidie verlenen voor projecten bedoeld in artikel 16 van het decreet.

Art. 21.De minister kan, onder de voorwaarden die hij bepaalt en binnen de perken van de begrotingskredieten, een subsidie verlenen aan één of meerdere organisaties die ondersteunende of dienstverlenende taken verrichten voor de centra voor algemeen welzijnswerk.

De subsidiëring wordt geregeld via een overeenkomst die de minister met die organisaties afsluit en waarin de taken van die organisaties worden bepaald. Die taken omvatten onder meer ondersteuning of dienstverlening, in de ruime betekenis, aan heel de sector op het vlak van methodiekontwikkeling, begeleiding en coaching, deskundigheidstransfer, wetenschappelijk onderzoek, innovatief optreden en documentaire onderbouw, met uitsluiting van sectorale belangenbehartiging vanuit werkgeversperspectief. Afdeling II. - De uitkering van de subsidies

Art. 22.§ 1. Ten laatste voor het einde van de tweede maand van elk trimester wordt aan de centra een voorschot uitgekeerd ten bedrage van 22,5 % van de in het vorige kalenderjaar toegekende subsidie-enveloppe.

Bij gebreke aan een referentiejaar bepaalt de minister het bedrag van de voorschotten. § 2. Het saldo van de toegekende subsidie-enveloppe wordt uitgekeerd na goedkeuring van een voor 1 april van het volgende kalenderjaar bij de administratie in te dienen inhoudelijk en financieel verslag.

De minister bepaalt de elementen die het inhoudelijke verslag dient te bevatten.

Het financiële verslag moet door een bedrijfsrevisor of een OCMW-ontvanger, al naar gelang van het geval, geviseerd zijn en dient volgende bijlagen te bevatten : 1° een door één van de voornoemde personen goedgekeurde balans- en resultatenrekening van het verstreken kalenderjaar voor de centra voor teleonthaal en voor de autonome centra;2° een door één van voornoemde personen goedgekeurde resultatenrekening van het verstreken kalenderjaar voor de centra in het kader van de ziekenfondsen;3° een begroting voor het lopende kalenderjaar van de centra voor teleonthaal, de centra in het kader van de ziekenfondsen en de autonome centra. HOOFDSTUK VI. - Het toezicht Afdeling I. - Het toezicht op de erkenningsvoorwaarden

Art. 23.De administratie oefent ter plaatse of op stukken toezicht uit op de naleving van de erkenningsvoorwaarden, bepaald in Hoofdstuk II van het decreet en van de bijkomende erkenningsvoorwaarden bepaald in artikel 4 van dit besluit door de centra die erkend zijn of een erkenning hebben aangevraagd.

De centra verlenen hun medewerking aan de uitoefening van het toezicht. Zij bezorgen aan de administratie, op haar eenvoudig verzoek, de stukken die met de erkenningsaanvraag of de erkenning verband houden.

Art. 24.Als een centrum niet langer voldoet aan één of meer erkenningsvoorwaarden of als het niet meewerkt aan de uitoefening van het in artikel 23 van dit besluit bedoelde toezicht, kan de administratie het centrum bij aangetekende brief aanmanen om zich binnen een termijn van maximum zes maanden aan de erkenningsvoorwaarden of binnen een termijn van maximum een maand aan de regels betreffende het toezicht te conformeren.

Art. 25.Als het centrum, ondanks de aanmaning, na verloop van de in artikel 24 van dit besluit vermelde termijnen, de erkenningsvoorwaarden niet naleeft of niet meewerkt aan de uitoefening van het in artikel 23 van dit besluit bedoelde toezicht, kan de minister zijn gemotiveerd voornemen tot intrekking van de erkenning aan het centrum betekenen.

Die betekening gebeurt door de administratie met een aangetekende brief, waarin de mogelijkheid en de voorwaarden om een bezwaarschrift in te dienen, worden vermeld.

Art. 26.Op straffe van niet-ontvankelijkheid kan het centrum tot uiterlijk 30 dagen na ontvangst van het voornemen tot intrekking van de erkenning hiertegen met een aangetekende brief een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de administratie. Het centrum kan daarin uitdrukkelijk vragen om te worden gehoord.

Dit bezwaar wordt behandeld volgens de procedure bedoeld in het decreet van 15 juli 1997 houdende oprichting van een Gezins- en Welzijnsraad en van een adviserende beroepscommissie inzake gezins- en welzijnsaangelegenheden.

Art. 27.Als het centrum geen bezwaarschrift heeft ingediend overeenkomstig artikel 26, eerste lid, van dit besluit, wordt de definitieve beslissing van de minister omtrent het intrekken van de erkenning uiterlijk 60 dagen na het verstrijken van de in artikel 26, eerste lid, van dit besluit bedoelde termijn door de administratie aan het centrum betekend met een aangetekende brief.

Als de beslissing van de minister niet aan het centrum wordt betekend binnen die termijn, blijft het centrum erkend. Afdeling II. - Het toezicht op de subsidiëringsvoorwaarden

Art. 28.De administratie oefent ter plaatse of op stukken toezicht uit op de naleving van de subsidiëringsvoorwaarden bepaald in Hoofdstuk II van het decreet en van de bijkomende subsidiëringsvoorwaarden bepaald in artikel 15 van dit besluit door de erkende centra.

De erkende centra verlenen hun medewerking aan de uitoefening van het toezicht. Zij bezorgen aan de administratie, op haar eenvoudig verzoek, de stukken die met de subsidiëringsaanvraag of de subsidiëring verband houden.

Art. 29.§ 1. Als een centrum niet langer voldoet aan één of meer erkennings- of subsidiëringsvoorwaarden, als bij een centrum subsidiefraude wordt vastgesteld of een centrum niet meewerkt aan de uitoefening van het in artikel 28 van dit besluit bedoelde toezicht, kan de minister de subsidiëring geheel of gedeeltelijk stopzetten voor een door hem te bepalen termijn of de reeds verleende subsidie-enveloppe geheel of gedeeltelijk terugvorderen voor een door hem te bepalen tennijn.

Die beslissing van de minister wordt door de administratie aan het centrum betekend met een aangetekende brief, waarin de mogelijkheid en de voorwaarden om een bezwaarschrift in te dienen worden vermeld.

Die beslissing dient gepaard te gaan met de betekening van een voornemen tot intrekking van de erkenning overeenkomstig artikel 25 van dit besluit. § 2. Op straffe van niet-ontvankelijkheid kan het centrum uiterlijk 30 dagen na ontvangst van de aangetekende brief waarbij de stopzetting van de subsidiëring of de terugvordering van de subsidie-enveloppe hem werd betekend, tegen die beslissing met een aangetekende brief een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de administratie. Het centrum kan daarin uitdrukkelijk vragen om te worden gehoord.

In voorkomend geval zal de minister zijn beslissing binnen 60 dagen na ontvangst van dat bezwaarschrift intrekken of bevestigen.

Als het centrum geen bezwaarschrift heeft ingediend binnen de gestelde termijn of als de minister zijn beslissing heeft bevestigd binnen de gestelde termijn, wordt de subsidiëring stopgezet of wordt de subsidie-enveloppe teruggevorderd.

Als de minister zijn beslissing intrekt of als hij zijn beslissing niet bevestigt binnen de gestelde termijn, wordt de subsidiëring verder gezet of wordt de subsidie-enveloppe behouden.

Art. 30.Als een centrum de subsidie-enveloppe niet aanvraagt op de door de minister bepaalde wijze, kan de administratie beslissen de subsidie-enveloppe met bekekking tot de niet-conforme aanvraag voorlopig te weigeren.

Op straffe van niet-ontvankelijkheid kan het centrum tot uiterlijk 30 dagen na ontvangst van de aangetekende brief waarbij de voorlopige weigering hem werd betekend, tegen die beslissing met een aangetekende brief een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de administratie.

Het centrum kan daarin uitdrukkelijk vragen om te worden gehoord.

In voorkomend geval zal de minister de beslissing van de administratie binnen 60 dagen na ontvangst van dat bezwaarschrift intrekken of bevestigen.

Als het centrum geen bezwaarschrift heeft ingediend binnen de gestelde termijn of als de minister de beslissing van de administratie heeft bevestigd binnen de gestelde termijn, wordt de subsidie-enveloppe met betrekking tot de niet- conforme aanvraag niet uitgekeerd.

Als de minister de beslissing van de administratie intrekt of als hij die beslissing niet bevestigt binnen de gestelde termijn, wordt de betrokken subsidie-enveloppe uitbetaald. HOOFDSTUK VII. - Opheffings-, overgangs- en slotbepalingen Afdeling I. - Opheffingsbepaling

Art. 31.Het besluit van de Vlaamse regering van 21 september 1994 tot uitvoering van het decreet van 24 juli 1991 betreffende het algemeen welzijnswerk, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 12 juni 1995, 16 juli 1996, 15 april 1997 en 8 juli 1997, wordt opgeheven. Afdeling II. - Overgangsbepalingen

Art. 32.Overeenkomstig het bepaalde in artikel 19 van het decreet, blijven de op basis van het besluit van de Vlaamse regering van 21 september 1994 tot uitvoering van het decreet van 24 juli 1991 betreffende het algemeen welzijnswerk erkende centra voor algemeen welzijnswerk erkend en dit voor hetzelfde aantal personeelsleden. De minister kan dit aantal personeelsleden evenwel uitbreiden.

De in dit artikel bedoelde centra dienen zich te schikken naar de bepalingen van het decreet en van dit besluit tegen 31 december 2000.

Art. 33.Het in artikel 4, 1°, g, van dit besluit bedoelde beleidsplan wordt voor het eerst opgemaakt voor de periode tot 31 december l999 en wordt door de centra ingediend vóór 30 juni 1998. Als er voor het betrokken centrum op de datum van het opmaken van dit eerste beleidsplan nog geen sectorprotocol bestaat, wordt een voorlopig beleidsplan opgemaakt dat minimaal de in artikel 4, 1°, g, van dit besluit opgesomde elementen bevat.

In afwijking van artikel 8 van dit besluit kan een aanvraag tot erkenning in het jaar 1998 tot 30 juni 1998 ingediend worden.

Art. 34.§ 1. Voor de in artikel 32 van dit besluit bedoelde centra worden, in afwijking van artikel 17 van dit besluit, de subsidie-enveloppen die aan de respectieve centra werden toegekend voor het werkingsjaar 1997 gecontinueerd, met dien verstande dat de eventueel eerder toegekende federatietoelagen, de herstructureringstoelagen en de toelagen voor de tijdelijk toegekende administratieve krachten in mindering worden gebracht. Die gecontinueerde subsidie-enveloppen worden aangepast aan het indexcijfer en aan de anciënniteitsevolutie, zoals bedoeld in artikel 18 van dit besluit.

In geval van erkenning van een centrum dat bestaat uit de fusie van twee of meer van de in artikel 32 bedoelde centra, bestaat de subsidie-enveloppe die aan dit nieuwe centrum zal worden toegekend, in afwijking van artikel 17 van dit besluit, uit de som van de overeenkomstig voorgaand lid gecontinueerde subsidie-enveloppen. § 2. De minister kan het bedrag van de in § 1 van dit artikel bedoelde subsidie-enveloppen verhogen voor de financiering van werkingskosten en managementskosten. Wat de verhoging voor de financiering van managementskosten betreft wordt rekening gehouden met het bedrag van de managementstoelagen die reeds aan een aantal centra zijn verleend. § 3. De minister kan voor de in artikel 32 van dit besluit bedoelde centra een bijkomende subsidiëring voorzien voor het in dienst nemen van bijkomende beroepskrachten. In voorkomend geval wordt voor inhoudelijke medewerkers een forfaitair bedrag van 1 600 000 BEF per voltijds equivalent aan de in § 1 bedoelde subsidie-enveloppe toegevoegd en wordt voor een logistiek of administratief medewerker een bedrag van 1 100 000 BEF per voltijds equivalent aan de in § 1 bedoelde subsidie-enveloppe toegevoegd. Die bedragen worden aangepast aan het indexcijfer zoals bedoeld in artikel 18, § 1, van dit besluit. § 4. Onverminderd de bepalingen van dit artikel, kan de minister bijkomende initiatieven nemen en bijkomende middelen toekennen als gevolg van specifieke tewerkstellingsmaatregelen, met bijzondere aandacht voor Brussel. § 5. In het jaar 2001 zal de minister de wijze van subsidiëren aan een evaluatie onderwerpen en die evaluatie aan de Vlaamse regering voorleggen. Afdeling III. - Slotbepalingen

Art. 35.Het decreet en dit besluit hebben uitwerking met ingang van 1 januari 1998.

Art. 36.De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 28 april 1998.

De minister-president van de Vlaamse regering, L. VAN DEN BRANDE De Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn, L. MARTENS

^