Besluit Van De Vlaamse Regering van 30 mei 2008
gepubliceerd op 22 december 2008
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 23 maart 1994 betreffende het georganiseerd vrijwilligerswerk in de welzijns- en gezondheidssector

bron
vlaamse overheid
numac
2008204552
pub.
22/12/2008
prom.
30/05/2008
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

30 MEI 2008. - Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 23 maart 1994 betreffende het georganiseerd vrijwilligerswerk in de welzijns- en gezondheidssector


De Vlaamse Regering, Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, inzonderheid op artikel 20;

Gelet op het decreet van 23 maart 1994 betreffende het georganiseerd vrijwilligerswerk in de welzijns en gezondheidssector, inzonderheid op artikelen 4, 6, eerste lid, 9, tweede lid, 12, § 1, 13 en 16;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juli 1994 tot uitvoering van het decreet van 23 maart 1994 betreffende het georganiseerd vrijwilligerswerk in de welzijns- en gezondheidssector, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 21 december 1994, 10 november 1998, 16 december 2005 en 24 november 2006;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de Begroting, gegeven op 28 februari 2008;

Gelet op het advies 44.316/3 van de Raad van State, gegeven op 17 april 2008, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;

Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling

Artikel 1.In dit besluit wordt verstaan onder : 1° decreet : het decreet van 23 maart 1994 betreffende het georganiseerd vrijwilligerswerk in de welzijns- en gezondheidssector;2° minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor de Bijstand aan Personen, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het Gezondheidsbeleid;3° administratie : de entiteit van het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin die het autonome vrijwilligerswerk onder haar bevoegdheid heeft;4° organisatie : een vrijwilligersorganisatie;5° erkende organisatie : een organisatie die erkend is krachtens het decreet;6° oprichtingsakte : de statuten of het besluit tot oprichting, vermeld in artikel 12, § 2, 1°, van het decreet;7° reglement : het huishoudelijk reglement of de reglementaire bepalingen, vermeld in artikel 12, § 2, 3°, van het decreet;8° secretaris-generaal : de persoon die belast is met de leiding van het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;9° de inspectie : het intern verzelfstandigd agentschap Inspectie Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. HOOFDSTUK II. - Rekrutering, onthaal, opleiding en vorming van vrijwilligers

Art. 2.De organisatie rekruteert en selecteert de vrijwilligers op basis van criteria die in haar reglement vervat zijn. Die criteria mogen geen beperkingen inhouden ten aanzien van bepaalde kandidaat-vrijwilligers, tenzij daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording wordt vermeld.

Art. 3.Voor de organisatie met de kandidaat-vrijwilligers een afsprakennota opstelt als vermeld in artikel 7 van het decreet, voert ze met ieder van hen een verkennend gesprek. Daarin worden hun positie binnen de organisatie, de plaats waar zij activiteiten verrichten, de door hen te verrichten activiteiten en de wederzijdse rechten en plichten duidelijk uiteengezet. Bij dat gesprek krijgen de kandidaten een exemplaar van de oprichtingsakte en van het reglement van de organisatie.

Art. 4.Als een kandidaat-vrijwilliger minderjarig is, wordt bij de afsprakennota, vermeld in artikel 3, de schriftelijke toestemming gevoegd van de persoon die het ouderlijk gezag uitoefent.

Art. 5.Als de vrijwilligers hun activiteiten aanvatten, zorgt de organisatie voor een basisopleiding, waarin de verschillende aspecten van de uit te voeren taken uitvoerig worden belicht. Die opleiding kan individueel of in groep plaatshebben en kan de vorm van een stage aannemen. De organisatie deelt de vrijwilligers mee tot wie zij zich kunnen wenden als er zich problemen voordoen bij de uitvoering van de activiteiten.

Art. 6.Ten minste eenmaal per jaar geeft de organisatie aan de vrijwilligers een passende opleiding om hun inzicht in het vrijwilligerswerk en in de welzijns- en gezondheidssector te verruimen en om hun specifieke vaardigheden bij te brengen waardoor de uitvoering van de activiteiten kwalitatief kan verbeteren. HOOFDSTUK III. - Verzekering

Art. 7.§ 1. De verzekering, vermeld in artikel 9 van het decreet, dekt ten minste : 1° de burgerrechtelijke aansprakelijkheid buiten overeenkomst van de organisatie voor schade, toegebracht aan derden, inclusief aan vrijwilligers, door : a) haar activiteiten;b) de gebouwen, installaties en goederen die ze voor die activiteiten gebruikt;c) haar bestuurders en werknemers. Het bedrag van de dekking wordt vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 5, eerste en derde lid, van het koninklijk besluit van 12 januari 1984 tot vaststelling van de minimumgarantievoorwaarden van de verzekeringsovereenkomsten tot dekking van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid buiten overeenkomst met betrekking tot het privéleven; 2° de burgerrechtelijke aansprakelijkheid buiten overeenkomst van de vrijwilligers en, als ze minderjarig zijn, ook de aansprakelijkheid van hun ouders of voogden op basis van artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek, voor zover zij die aansprakelijkheid oplopen tijdens de uitvoering van de activiteiten of op de weg naar en van de activiteiten.De dekking omvat ten minste de schade die veroorzaakt wordt aan hulpvragers, aan andere vrijwilligers of aan derden, alsook de lichamelijke schade die veroorzaakt wordt aan de bestuurders en werknemers van de organisatie. Het bedrag van de dekking wordt vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 5, eerste en derde lid, van het koninklijk besluit van 12 januari 1984 tot vaststelling van de minimumgarantievoorwaarden van de verzekeringsovereenkomsten tot dekking van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid buiten overeenkomst met betrekking tot het privéleven; 3° de lichamelijke schade en de schade aan goederen, geleden door de vrijwilligers, bij ongevallen tijdens de uitvoering van het vrijwilligerswerk of tijdens de verplaatsingen die in het kader daarvan worden gedaan, en de ziekten en contaminaties die zijn opgelopen als gevolg van het vrijwilligerwerk.Per verzekerde en per ongeval, ziekte of contaminatie bedraagt de dekking ten minste : a) 12.000 euro bij overlijden; b) 18.000 euro bij blijvende invaliditeit; c) 9 euro per kalenderdag bij tijdelijke arbeidsongeschiktheid, vanaf de eenendertigste kalenderdag, in geval van inkomensverlies; d) 3.000 euro voor verzorgingskosten; e) 3.000 euro voor schade aan goederen. § 2. Voor de schade aan goederen, vermeld in § 1, 3°, kan de verzekeringsovereenkomst bepalen dat : 1° die schade alleen gedekt is als ze met lichamelijke schade gepaard gaat;2° die schade niet de schade aan voertuigen van welke aard ook omvat;3° het herstel van die schade beperkt wordt tot het bedrag boven de 300 euro. HOOFDSTUK IV. - Erkenningsprocedure en procedure voor de intrekking van erkenning Afdeling I. - Erkenningsprocedure

Art. 8.Een organisatie die erkend wil worden, stuurt haar aanvraag voor 1 september aangetekend naar de administratie. Die aanvraag bevat de elementen, vermeld in artikel 12, § 2, van het decreet en daarnaast : 1° de structuur van de organisatie;2° een beschrijving van de doelgroep;3° de wijze waarop concreet met vrijwilligers wordt gewerkt : rekrutering, onthaal, opleiding, vorming, begeleiding;4° de wijze waarop de vrijwilligers inspraak hebben in de organisatie en in de concrete situatie waarin ze worden ingeschakeld;5° het aantal ingezette vrijwilligers;6° een model van afsprakennota van de organisatie;7° een concrete weergave van de activiteiten, met opgave van de sector en de plaats waar die activiteiten werden uitgeoefend;8° de situering van de activiteiten binnen een of meer van de prioritaire thema's, vermeld in artikel 16;9° de wijze waarop en de mate waarin met professionelen die in dezelfde sector of hetzelfde werkveld werken, overleg wordt gepleegd;10° in voorkomend geval de vermelding van de aan de vrijwilligers toegekende onkostenvergoedingen;11° de aangegane verzekering;12° de door de algemene vergadering goedgekeurde jaarrekening;13° de begroting van het lopende jaar.

Art. 9.Een vertegenwoordiger van de inspectie inspecteert voor 15 november de aanvragende organisatie op haar conformiteit met de erkenningsvoorwaarden, vermeld in het decreet en in dit besluit, en maakt daarvan een verslag op.

Art. 10.Als na onderzoek van de aanvraag en van het verslag, vermeld in artikel 9, blijkt dat aan alle erkenningsvoorwaarden is voldaan, neemt de secretaris-generaal voor 31 december een beslissing tot erkenning, die binnen vijftien dagen per aangetekende brief aan de betrokken organisatie wordt meegedeeld.

Als na onderzoek van de aanvraag en van het verslag, vermeld in artikel 9, blijkt dat niet aan alle erkenningsvoorwaarden is voldaan, bezorgt de secretaris-generaal voor 1 december per aangetekende brief een voornemen tot weigering van erkenning aan de betrokken organisatie. De organisatie kan hiertegen bezwaar aantekenen als vermeld in artikel 14. Als er binnen de vastgestelde termijn geen bezwaar wordt aangetekend, neemt de secretaris-generaal een beslissing tot weigering van de erkenning. De organisatie ontvangt die beslissing per aangetekende brief.

Art. 11.De erkenning geldt voor onbepaalde duur. Afdeling II. - Procedure voor de intrekking van de erkenning

Art. 12.Als de organisatie niet meer voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in het decreet of in dit besluit, stelt de secretaris-generaal met een aangetekende brief de organisatie in gebreke. Ze krijgt de mogelijkheid om binnen drie maanden haar toestand te regulariseren.

Art. 13.Als aan de ingebrekestelling, vermeld in artikel 12, geen gevolg wordt gegeven, deelt de secretaris-generaal per aangetekende brief zijn voornemen tot intrekking van de erkenning mee aan de betrokken organisatie. De organisatie kan hiertegen bezwaar aantekenen als vermeld in artikel 14. Als binnen de vastgestelde termijn geen bezwaar wordt aangetekend, neemt de secretaris-generaal een beslissing tot intrekking van de erkenning van de organisatie. De organisatie ontvangt die beslissing met een aangetekende brief. Afdeling III. - Bezwaarprocedure

Art. 14.§ 1. Als de organisatie niet akkoord gaat met het voornemen tot weigering van de erkenning, vermeld in artikel 10, of met het voornemen tot intrekking van de erkenning, vermeld in artikel 13 kan ze hiertegen bezwaar aantekenen. De organisatie stuurt dan een aangetekende brief naar de administratie, uiterlijk dertig dagen nadat ze het voornemen in kwestie ontvangen heeft.

De administratie beoordeelt de ontvankelijkheid van het bezwaar en bezorgt het bezwaarschrift samen met het administratieve dossier binnen vijftien dagen aan de Adviescommissie voor voorzieningen van welzijn, volksgezondheid en gezin. De Adviescommissie behandelt het dossier volgens de vastgelegde regelgeving en bezorgt uiterlijk drie maanden na de ontvangst van het bezwaarschrift een advies aan de minister.

De minister neemt binnen dertig dagen nadat hij het advies heeft ontvangen, een beslissing. Die beslissing wordt binnen vijftien dagen met een aangetekende brief aan de betrokken organisatie betekend.

Art. 15.De organisatie waarvan de erkenning is ingetrokken, kan op zijn vroegst twee jaar na de datum van de intrekking van de erkenning opnieuw worden erkend. HOOFDSTUK V. - Subsidiëring

Art. 16.Om gesubsidieerd te worden moet een erkende organisatie rond minstens een van de volgende thema's werken : 1° humanisering van instellingen : activiteiten die tot doel hebben de kwaliteit van het leven te verbeteren van personen die in instellingen verblijven, zoals zieken, bejaarden, gedetineerden, geïnterneerden en personen met een handicap, waarbij het persoonlijke contact centraal staat;2° palliatieve verzorging : activiteiten die tot doel hebben een zo goed mogelijke levenskwaliteit te waarborgen aan terminale patiënten en hun naastbestaanden om een menswaardig heengaan mogelijk te maken;3° intergenerationele solidariteit : activiteiten met betrekking tot de solidariteit tussen zorgbehoevende ouderen en jongeren;4° interculturele initiatieven : activiteiten die ijveren voor de integratie van migranten, vluchtelingen en asielzoekers;5° activiteiten waarbij praktische en emotionele bijstand wordt geboden aan zieken, personen met een handicap en zwaar zorgbehoevenden, ter ondersteuning van thuisverzorgers of ter vervanging van familie, vrienden of partner;6° laagdrempelige algemene informatieactiviteiten, gericht op jongeren, die via directe communicatiemethodes de weerbaarheid van de jongeren helpen verhogen.De volgende activiteiten zijn algemene informatieactiviteiten : a) informatieverstrekking die niet gespecialiseerd is en die betrekking heeft op alle aspecten van het persoonlijk en maatschappelijk leven;b) het vormen van een klankbord voor hulpvragers die er behoefte aan hebben om te praten over alle problemen of probleemsituaties die zij ervaren;7° laagdrempelige activiteiten waarbij kansarmen actief betrokken worden om hun zelfredzaamheid te bevorderen, en om hun zelfwaardegevoel en kansen op zelfontplooiing te verhogen.Kansarmen zijn personen die in een toestand verkeren van maatschappelijke uitsluiting op verschillende terreinen, onder meer materieel, en die weinig mogelijkheden hebben om die positie te verbeteren; 8° laagdrempelige activiteiten waarbij mensen met psychosociale moeilijkheden actief worden geholpen om hun zelfredzaamheid en hun kansen op zelfontplooiing te verhogen.Psychosociale moeilijkheden zijn problemen van psychologische of sociale aard die geen medische oorzaak hebben of die niet het gevolg zijn van verslavingsproblemen.

Art. 17.Alleen organisaties die minstens twintig vrijwilligers inzetten, komen in aanmerking voor subsidiëring. Organisaties die minder dan twintig vrijwilligers inschakelen, komen in principe niet in aanmerking voor een subsidie. De secretaris-generaal kan echter afwijkingen toestaan om een of meer van de volgende redenen : 1° de specifieke behoefte van de doelgroep;2° de noodzaak tot het gebruik van bijzondere methodieken;3° de bijzondere moeilijkheden om geschikte vrijwilligers te vinden.

Art. 18.De erkende vrijwilligersorganisaties die voldoen aan de voorwaarde, vermeld in artikel 16, ontvangen jaarlijks een forfaitair subsidiebedrag. Dat subsidiebedrag wordt bepaald op basis van : 1° het beschikbare begrotingskrediet;2° het aantal organisaties dat voor een subsidie in aanmerking komt;3° de subsidiecategorie, bepaald door het aantal ingezette vrijwilligers voor wie een ondertekende afsprakennota bestaat, met uitsluiting van de vrijwilligers in administratieve, bestuurlijke of beleidsfuncties.Het referentiepunt daarvoor is 1 januari van het voorafgaande jaar.

De secretaris-generaal bepaalt de subsidiebedragen per categorie : 1° van 1 tot en met 9 vrijwilligers : coëfficiënt 1,5;2° van 10 tot en met 19 vrijwilligers : coëfficiënt 3;3° van 20 tot en met 50 vrijwilligers : coëfficiënt 7;4° van 51 tot en met 100 vrijwilligers : coëfficiënt 8;5° van 101 tot en met 500 vrijwilligers : coëfficiënt 9;6° meer dan 500 vrijwilligers : coëfficiënt 10. Vanaf 1 januari 2009 wordt, binnen het beschikbare begrotingskrediet, het totale subsidiebedrag jaarlijks als volgt geïndexeerd : Nx = Tx(Cx / Cx-1) Waarbij : Nx = het geïndexeerd bedrag in het begrotingsjaar X Tx = het bedrag dat in de tabel voor het vorige begrotingsjaar X-1 vermeld staat Cx = de gezondheidsindex bij het begin van het begrotingsjaar X Cx-1 = de gezondheidsindex bij het begin van het begrotingsjaar X-1

Art. 19.Het aantal ingezette vrijwilligers en de activiteiten, vermeld in artikel 16, worden vastgesteld op basis van het werkingsverslag, vermeld in artikel 21.

Art. 20.De subsidie wordt toegekend op basis van een jaarlijkse overeenkomst als vermeld in artikel 13 van het decreet. HOOFDSTUK VI. - Toezicht

Art. 21.Jaarlijks voor 30 april bezorgt de erkende organisatie een werkingsverslag over het afgelopen jaar aan de administratie. Dat werkingsverslag bevat zowel een inhoudelijk als een financieel deel.

De minister stelt daarvoor een model ter beschikking. De erkende organisatie bezorgt aan de administratie elke wijziging van de stukken, vermeld in artikel 12, § 2, 1° tot en met 3°, van het decreet, evenals elke wijziging van de elementen, vermeld in artikel 8.

De inspectie houdt toezicht op de naleving van de erkenningsvoorwaarden, vermeld in het decreet en in dit besluit, en van de overeenkomst, vermeld in artikel 20, onverminderd de toepassing van artikelen 55 tot en met 58 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991. Ze kan de werking van de erkende organisatie en het aantal ingezette vrijwilligers ter plaatse controleren. HOOFDSTUK VII. - Slotbepalingen

Art. 22.Het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juli 1994 tot uitvoering van het decreet van 23 maart 1994 betreffende het georganiseerd vrijwilligerswerk in de welzijns- en gezondheidssector, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 21 december 1994, 10 november 1998, 16 december 2005 en 24 november 2006, wordt opgeheven.

Art. 23.De organisaties die al zijn erkend op basis van het besluit, vermeld in artikel 22, behouden hun erkenning voor de vastgestelde looptijd. Uiterlijk drie maanden voor hun erkenning afloopt, dienen ze een aanvraag in voor een erkenning van onbepaalde duur als vermeld in dit besluit.

Art. 24.Zolang hoofdstuk III van het decreet van 7 december 2007 houdende de oprichting van de Strategische Adviesraad voor het Vlaamse Welzijns-, Gezondheids- en Gezinsbeleid en van een Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin niet in werking is getreden, wordt het bezwaarschrift, vermeld in artikel 14, tweede lid, bezorgd aan en behandeld door de commissie, vermeld in artikel 13 van het decreet van 15 juli 1997 houdende oprichting van een Gezins- en Welzijnsraad en van een adviserende beroepscommissie inzake gezins- en welzijnsaangelegenheden.

Art. 25.Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2008.

Art. 26.De Vlaamse minister, bevoegd voor de Bijstand aan Personen, en de Vlaamse minister, bevoegd voor het Gezondheidsbeleid, zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 30 mei 2008.

De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, S. VANACKERE

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^