Besluit Van De Waalse Regering van 13 februari 2014
gepubliceerd op 10 april 2014

Besluit van de Waalse Regering tot toekenning van agromilieusteun en tot opheffing van het besluit van de Waalse Regering van 24 april 2008 betreffende de toekenning van toelagen voor een milieuvriendelijke landbouw

bron
waalse overheidsdienst
numac
2014202151
pub.
10/04/2014
prom.
13/02/2014
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

13 FEBRUARI 2014. - Besluit van de Waalse Regering tot toekenning van agromilieusteun en tot opheffing van het besluit van de Waalse Regering van 24 april 2008 betreffende de toekenning van toelagen voor een milieuvriendelijke landbouw


De Waalse Regering, Gelet op Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO);

Gelet op Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad;

Gelet op Verordening (EU) nr. 1310/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 17 december 2013 houdende bepaalde overgangsbepalingen inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO), houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft middelen en de verdeling ervan met betrekking tot 2014, houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad en de Verordeningen (EU) nr. 1307/2013, (EU) nr. 1306/2013 en (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de toepassing ervan in 2014;

Gelet op Verordening (EG) nr. 1974/2006 van de Commissie van 15 december 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO);

Gelet op Verordening (EG) nr. 65/2011 van de Commissie van 27 december 2011 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad met betrekking tot de toepassing van controleprocedures en van de randvoorwaarden in het kader van de steunmaatregelen voor plattelandsontwikkeling;

Gelet op het decreet van 27 juni 2013 houdende verschillende bepalingen inzake landbouw, tuinbouw en aquacultuur, inzonderheid op de artikelen 8, 9, 10, 11, 15;

Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 24 april 2008 betreffende de toekenning van toelagen voor een milieuvriendelijke landbouw;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 25 november 2013;

Gelet op de instemming van de Minister van Begroting, gegeven op 5 december 2013;

Overwegende dat de autonome adviescel inzake duurzame ontwikkeling geen advies binnen de voorgeschreven termijnen heeft uitgebracht overeenkomstig artikel 11, vierde lid, van het besluit van de Waalse Regering van 3 oktober 2013 tot uitvoering van het decreet van 27 juni 2013 betreffende het Waals beleid inzake duurzame ontwikkeling met het oog op de oprichting van een autonome adviescel duurzame ontwikkeling;

Gelet op het overleg tussen de Gewestregeringen en de Federale overheid, gepleegd op 2 januari 2014;

Gelet op het advies 54.975/4 van de Raad van State, gegeven op 13 januari 2014, overeenkomstig artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op de voordracht van de Minister van Landbouw, Besluit : HOOFDSTUK I. - Definities

Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° randvoorwaarden: de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen en de eisen inzake goede landbouw- en milieuconditie vermeld in de artikelen 4, 5 en 6 van Verordening (EG) nr.73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers; 2° decreet van 27 juni 2013 : het decreet van 27 juni 2013 houdende verschillende bepalingen inzake landbouw, tuinbouw en aquacultuur;3° steunaanvraag : een aanvraag van steun in het kader van artikel 2, a), van Verordening nr.65/2011; 4° betalingsaanvraag : een verzoek tot betaling in het kader van artikel 2, b), van Verordening nr.65/2011; 5° verbintenis : het geheel van de voorwaarden die in het bestek vastliggen en die de landbouwer bereid is na te komen naar aanleiding van zijn steunaanvraag;6° bedrijf : het geheel van de productie-eenheden gelegen op het geografische grondgebied van België en op autonome wijze beheerd door één landbouwer;7° programmeringsperiode : de periode die een plattelandsontwikkelingsprogramma dekt voor een bij de Europese wetgeving bepaalde duur;8° Waals programma voor plattelandsontwikkeling : het programma voor plattelandsontwikkeling in het kader van artikel 15 van Verordening 1698/2005;9° blijvend grasland : elk landbouwperceel dat voor het lopende jaar als blijvend grasland aangegeven wordt bij het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, afgekort « GBCS »; 10° Verordening nr.1698/2005 : Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO); 11° Verordening nr.1974/2006 : Verordening (EG) nr. 1974/2006 van de Commissie van 15 december 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO); 12° Verordening nr.1122/2009 : Verordening (EG) nr. 1122/2009 van de Commissie van 30 november 2009 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem in het kader van de bij deze Verordening bedoelde regelingen inzake rechtstreekse steunverlening ten gunste van landbouwers alsook uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden in het kader van de steunregeling voor de wijnsector; 13° Verordening nr.65/2011: Verordening (EG) nr. 65/2011 van de Commissie van 27 januari 2011 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad met betrekking tot de toepassing van controleprocedures en van de randvoorwaarden in het kader van de steunmaatregelen voor plattelandsontwikkeling; 14° Sanitrace : geautomatiseerd systeem voor de behandeling van de gegevens betreffende de identificatie en de registratie van dieren, gebruikt door het Federaal agentschap voor de veiligheid van de voedingsketen;15° "Natura 2000-gebied" : elk Natura 2000-gebied in de zin van artikel 1, 18°, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;16° ecologische hoofdstructuur : ecologische hoofdstructuur in de zin van de artikelen 6 tot 8 van het besluit van de Waalse Regering van 8 november 2012 betreffende de vergoedingen en toelagen toegekend in de Natura 2000-sites en in de sites die in aanmerking komen voor het Natura 2000-net en in de ecologische hoofdstructuur;17° GVE : grootvee-eenheid of referentie-eenheid waarmee een aggregatie van vee van verschillende soorten en leeftijden gemaakt kan worden aan de hand van specifieke coëfficiënten die aanvankelijk opgemaakt zijn op basis van de voedingsbehoeften van elk type dier;18° productie-eenheid : het geheel van de functioneel samenhangende productiemiddelen die uitsluitend door de landbouwer zelf worden gebruikt, met inbegrip van de gebouwen, de opslaginfrastructuren, de gekweekte dieren, de landbouwpercelen en de voedervoorraden die nodig zijn om één of meerdere landbouwactiviteiten uit te oefenen;19° probleemgebied : de probleemgebieden bedoeld in artikel 1, 29°, van het besluit van de Waalse Regering van 19 december 2008 voor de investeringen in de landbouwsector. HOOFDSTUK II. - Algemene bepalingen

Art. 2.De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing op landbouwpercelen of bedrijven die geheel of gedeeltelijk in het Waalse Gewest gelegen zijn en door een landbouwer in de verzamelaanvraag aangegeven worden als zijnde het voorwerp van een verbintenis voor een agromilieumaatregel zoals omschreven in bijlage 1.

Art. 3.De toepassing van één of meer van de productiemethoden of -submethoden bedoeld in bijlage 1 kan het voorwerp uitmaken van agromilieusteun in de zin van artikel 36 van Verordening nr. 1698/2005.

Art. 4.De voor elk van de methoden en submethoden door de landbouwer na te komen verplichtingen, hierna « bestek » genoemd, om de overeenstemmende toelagen te verkrijgen worden omschreven in bijlage 2. De methoden betreffen alleen de bestanddelen die deel uitmaken van het bedrijf van betrokken landbouwer. HOOFDSTUK III. - Indiening van de aanvraag van agromilieusteun

Art. 5.§ 1. Op straffe van onontvankelijkheid dient de landbouwer een steunaanvraag in uiterlijk 1 november van het jaar voor het begin van zijn verbintenis.

Het betaalorgaan legt een steunaanvraagformulier ter beschikking van de landbouwer op zijn internetsite of bij de buitendirectie van zijn ambtsgebied.

Onverminderd de gevallen van overmacht en de buitengewone omstandigheden bedoeld in hoofdstuk 9, is de aanvraag niet ontvankelijk als ze ingediend wordt na de overeenkomstig het eerste lid vastgelegde grensdatum.

Het steunaanvraagformulier bevat alle gegevens die nodig zijn voor de opdracht van het betaalorgaan en op zijn minst de volgende gegevens: 1° de identificatie van de begunstigde;2° de identificatie van de percelen van het bedrijf waarop de steunaanvraag betrekking heeft;3° de methode(n) gekozen door de landbouwer;4° een verklaring op erewoord dat er stappen ondernomen zullen worden om een eensluidend advies te verkrijgen, of het bewijs dat het eensluidend advies verkregen werd als het vereist wordt voor de methode waartoe de landbouwer zich verbindt. Elke methode of submethode waarmee de landbouwer instemt in zijn steunaanvraag vormt een aparte verbintenis.

Het betaalorgaan stuurt uiterlijk 20 december voor het begin van zijn verbintenis, volgens dezelfde modaliteiten als die waarin artikel 7 voorziet, een schrijven aan de landbouwer waarin bevestigd wordt dat zijn verbintenis ontvankelijk is voor de steun en dat die ingaat op aanstaande 1 januari. § 2. De betalingsaanvraag wordt binnen de voorgeschreven termijn ingediend, op straffe van nietigheid van de indiening van het verzamelaanvraagformulier krachtens artikel 11, § 2, van Verordening (EG) nr. 1122/2009. De aanvraag gaat vergezeld van de eventuele bewijsstukken waarom het betaalorgaan verzoekt in de verzamelaanvraag, overeenkomstig artikel 8 van Verordening nr. 65/2011. § 3. Elke eventuele wijziging in de steun- of betalingsaanvraag wordt uiterlijk 31 mei van het in aanmerking genomen jaar aan het betaalorgaan gericht of overgelegd voor zover geen controle ter plaatse werd gevoerd waardoor onregelmatigheden aan het licht gebracht werden voor de wijziging.

Art. 6.Als de landbouwer zijn verbintenis wenst voor te zetten na afloop van zijn verbintenis van vijf jaar, dient hij een nieuwe steunaanvraag in volgens de modaliteiten van artikel 5, op straffe van onontvankelijkheid van zijn steunaanvraag.

Het betaalorgaan verwittigt de landbouwer via de informatiedocumenten die bij het verzamelaanvraagformulier gaan dat hij zich in het laatste verbintenisjaar bevindt.

Art. 7.§ 1. Het betaalorgaan gaat na of het landbouwperceel, het agromilieu-element of het bedrijf in aanmerking komt voor de steunaanvraag. § 2. Het betaalorgaan deelt uiterlijk 30 juni na de indiening van de betalingsaanvraag van de landbouwer d.m.v. een document mee dat de aanvraag al dan niet in aanmerking genomen wordt.

Het betaalorgaan wijst er ook op dat, indien administratieve controles of controles ter plaatse aan het licht brengen dat de landbouwer niet voldoet aan de overeenstemmende voorwaarden van het in bijlage 2 opgenomen bestek, het bedrag van de steun verminderd en zelfs ingevorderd zal worden. HOOFDSTUK IV. - Voorwaarden betreffende de aanvraag van agromilieusteun

Art. 8.§ 1. De steunaanvraag is ontvankelijk als de landbouwer aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° geïdentificeerd zijn bij het betaalorgaan in het kader van het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, afgekort « GBCS », overeenkomstig de artikelen 19 en 20 van het decreet van 27 juni 2013;2° een productie-eenheid op Belgisch grondgebied hebben;3° zich in zijn steunaanvraag ertoe verbinden gebruik te maken van één of meer methoden vermeld in bijlage 1, onder de voorwaarden opgenomen in bijlage 2, gedurende een periode van vijf jaar, die ingaat op 1 januari na de indiening van de steunaanvraag;4° zijn steunaanvraag hebben ingediend via het formulier bedoeld in artikel 5, § 1 ;5° de steunaanvraag vergezeld laten gaan van het eensluidend advies en het technisch advies bedoeld in artikel 10, enkel voor de in bijlage 1 omschreven methoden waarvoor een dergelijk advies krachtens bijlage 2 vereist wordt, of van een verklaring op erewoord dat de landbouwer in orde is op 1 januari na de indiening van de steunaanvraag. § 2. De jaarlijkse betalingsaanvragen zijn ontvankelijk als ze voldoen aan de voorwaarden bedoeld in paragraaf 1, 1° en 2°, en via het verzamelaanvraagformulier ingediend worden overeenkomstig artikel 8 van Verordening (EG) nr. 65/2011.

Art. 9.De steunaanvraag en de jaarlijkse betalingsaanvragen kunnen in aanmerking genomen worden als de landbouwer aan de volgende voorwaarden voldoet: 1° de landbouwpercelen waarvoor hij de agromilieusteun aanvraagt op het grondgebied van het Waalse Gewest exploiteren;2° in de steunaanvraag wijzen op de percelen dieaangegeven zijn als niet opgenomen in een oppervlakte voor ecologische compensatie en waarop de landbouwer zijn verbintenis uitvoert;3° niet het voorwerp zijn geweest van een beslissing tot vermindering van niveau 8 bedoeld in artikel 28, § 3, 8°. Voor de toepassing van het eerste lid, 1° en 2°, heeft de melding, in een jaarlijkse steun- of betalingsaanvraag, dat een perceel buiten het grondgebied van het Waals Gewest ligt of op een oppervlakte voor ecologische compensatie opgenomen is tot gevolg dat de aanvraag niet in aanmerking genomen wordt voor dat perceel.

Als de landbouwer verschillende methoden op hetzelfde perceel wenst te cumuleren, worden de betrokken nieuwe verbintenissen slechts toegelaten als die cumulatie in overeenstemming is met de tabel van bijlage 3.

Als een nieuwe verbintenis aangevraagd wordt voor een bepaalde methode op een perceel dat al het voorwerp is van een lopende verbintenis die betrekking heeft op dezelfde methode, wordt zij niet aanvaard. HOOFDSTUK V. - Eensluidend advies voor doelgerichte methoden

Art. 10.§ 1. Voor de aanwending van de doelgerichte methoden zoals omschreven in bijlage 1 verzoekt de landbouwer de Minister of zijn gevolmachtigde om een eensluidend advies zoals bepaald bij artikel 8, § 1, 5°. Het eensluidend advies bepaalt de specifieke voorwaarden waaraan de landbouw moet voldoen t.o.v. de milieutoestand van het betrokken perceel of van het bedrijf. § 2. Het eensluidend advies wordt op basis van een technisch advies uitgebracht door één van de diensten van de administratie, met uitsluiting van het betaalorgaan, die door de Minister aangewezen wordt.

Het technisch advies kan door een door de administratie gemachtigd orgaan uitgewerkt worden op basis van objectieve criteria die door de Minister bepaald worden. De objectieve criteria houden rekening met de bestekken bedoeld in bijlage 1 en met de gedelegeerde handelingen alsook de uitvoeringshandelingen krachtens artikel 28, § 10, van Verordening (EU) nr.1305/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad.

Het technisch advies wordt gevoegd bij het eensluidend advies dat aan het betaalorgaan gestuurd wordt. § 3. Het eensluidend advies wordt niet uitgebracht als het betrekking heeft op percelen : 1° die niet voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor steun; 2° waarvan de lokalisering niet relevant is t.o.v. het bestek. HOOFDSTUK VI. - Verbintenissen

Art. 11.De verbintenissen tot toepassing van één of meer methoden of -submethoden bedoeld in bijlage 1 hebben betrekking op de agromilieu-elementen voor de hele verbintenisduur bedoeld in artikel 8, § 1, 3°, of in geval van toevoeging van bijkomende elementen in zijn jaarlijkse betalingsaanvraag, voor de nog te lopen duur van de verbintenis.

Een verbintenis tot toepassing van methoden bedoeld in bijlage 1, die een rotatie mogelijk kan maken, kan elk jaar betrekking hebben op verschillende door de landbouwer aangegeven percelen voor zover ze een oppervlakte dekt die minstens gelijk is aan die voorzien in zijn steunaanvraag, of in zijn jaarlijkse betalingsaanvraag indien zijn aanvankelijke verbintenis verder reikt.

Art. 12.Overeenkomstig artikel 39, § 3, van Verordening nr.1698/2005 gaan de verbintenissen verder dan de dwingende normen die vastliggen in het besluit van de Waalse Regering van 22 juni 2006 tot vastlegging van de richtsnoeren voor de randvoorwaarden bedoeld in artikel 27 van het besluit van de Waalse Regering van 23 februari 2006 tot invoering van de regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, dan de minimumeisen inzake het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen alsook dan andere relevante dwingende eisen die in de nationale of gewestelijke wetgeving vastliggen.

Het geheel van de eisen bedoeld in het eerste lid vormt de basislijn van de verbintenissen.

Art. 13.Overeenkomstig artikel 4, § 8, van Verordening nr. 65/2011 worden geen betalingen gedaan aan begunstigden van wie vaststaat dat zij de voorwaarden voor die betalingen kunstmatig hebben geschapen om een voordeel te verkrijgen dat indruist tegen de doelstellingen van de steunregeling. HOOFDSTUK VII. - Betaling

Art. 14.De agromilieusteun wordt in jaarlijkse schijven betaald over een periode van vijf jaar. De periode gedekt door een jaarlijkse schijf gaat in op 1 januari van het jaar waarop ze betrekking heeft en eindigt op 31 december van hetzelfde jaar.

Elke jaarlijkse schijf wordt gestort aan de landbouwer die zijn overeenstemmende jaarlijkse betalingsaanvraag heeft ingediend voor zover de voorwaarden van de verbintenissen vervuld zijn tijdens de door bedoelde schijf gedekte periode en voor zover hij nog steeds voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 8, § 1, 1° tot 3°.

Overeenkomstig artikel 9 van Verordening (EG) nr. 65/2011 kan het betaalorgaan, rekening houdend met het risico dat te veel wordt betaald, maximaal 75 % van de steun betalen nadat de administratieve controles zijn voltooid. Het betalingspercentage is hetzelfde voor alle begunstigden van de methode(n).

Overeenkomstig artikel 9 van Verordening (EG) nr. 65/2011 wordt voor geen enkele methode of groep van concrete acties een betaling gedaan voordat de controles op de inachtneming van de subsidiabiliteitscriteria zijn afgerond.

Art. 15.Voor de methoden bedoeld in bijlage 1: 1° wordt elke jaarlijkse schijf uitbetaald binnen zes maanden na afloop van de periode waarop ze betrekking heeft, behoudens bijzondere omstandigheden;2° worden de jaarlijkse schijven vastgelegd op basis van de jaarlijkse betalingsaanvraag die de landbouwer overeenkomstig de richtlijnen van het betaalorgaan terugzendt, en van de administratieve controles of de ter plaatse verrichte controles, overeenkomstig artikel 10, § 2, van Verordening (EG) nr.65/2011; 3° wordt voor elk jaar een kennisgeving van het bedrag van de toegekende steun, met de berekening ervan, aan de landbouwer gestuurd na de betaling van de steun.

Art. 16.De agromilieusteun wordt aan de landbouwer gestort binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten.

Als de fondsen ontoereikend zijn, kan de Minister beslissen dat de landbouwers geen nieuwe verbintenissen meer mogen aangaan voor bepaalde methoden bedoeld in bijlage 1.

De Minister bepaalt de methoden waarvoor de landbouwer geen nieuwe verbintenissen meer mag aangaan, rekening houdend met : 1° de bepaling van de maatregelen overeenkomstig de Europese wetgevingen, met de kosten en de opbrengst ervan op agromilieugebied;2° de mate waarin de doelstellingen die voor de methode zijn vastgelegd in het Waals programma voor plattelandsontwikkeling, gehaald werden. HOOFDSTUK VIII. - Veranderingen van de verbintenis Afdeling 1 - Overdracht van de verbintenis

Art. 17.§ 1. Overeenkomstig artikel 44, § 1, van Verordening nr. 1974/2006, kan de landbouwer, in geval van overdracht, de verbintenis van de overdragende landbouwer voor de resterende looptijd overnemen.

Wordt de verbintenis niet overgenomen, dan moet de begunstigde de ontvangen steun terugbetalen. § 2. De overdracht van de verbintenis valt samen met de overdracht van het bedrijf, van de landbouwpercelen of de betrokken dieren en wordt binnen vijfenveertig dagen, te rekenen van de overdrachtsdatum, door de overnemende en de overdragende landbouwer schriftelijk meegedeeld aan het betaalorgaan d.m.v. het formulier dat daartoe voorzien wordt in de verzamelaanvraag.

De overnemende landbouwer zet de verbintenissen voort voor de nog te lopen periode.

Als de overgenomen verbintenis overeenkomstig hoofdstuk 10, afdeling 2, stopgezet wordt, betaalt de overnemende landbouwer de steun terug die hem is gestort in hoofde van de lopende verbintenis, alsook de betrokken steun die aan de overdrager werd gestort sinds het begin van de door hem aangegane verbintenis. § 3. Een overdracht wordt geacht te hebben plaatsgevonden op de eerste dag van de jaarlijkse periode zoals bedoeld in artikel 14, eerste lid, die volgt op de kennisgeving van de overdracht. De overdragende landbouwer geniet de steun die overeenstemt met de jaarlijkse periode waarin de kennisgeving van de overdracht heeft plaatsgevonden voor zover voldaan werd aan alle ontvankelijkheids- en subsidiabiliteitsvoorwaarden en de verbintenissen door hemzelf en de overnemer nagekomen werden gedurende de betrokken jaarlijkse periode.

Een overdracht kan doorgevoerd worden via een wijziging waarin artikel 5, § 3, voorziet. In dat geval wordt de overdracht geacht te zijn betekend gedurende de jaarlijkse periode die aan de kennisgeving is voorafgegaan.

Als de overnemende landbouwer de voorwaarden niet vervult tijdens de jaarlijkse periode die voorafgaat aan die kennisgeving zoals bedoeld in het tweede lid, wordt de steun voor de jaarlijkse periode waarin de overdracht heeft plaatsgevonden verminderd of door de overnemende landbouwer terugbetaald en wordt de voor de voorafgaande periodes gestorte steun in voorkomend geval terugbetaald door de overnemende landbouwer.

De ontvankelijkheids- en subsidiabiliteitsvoorwaarden betreffende de overgedragen verbintenissen worden geëvalueerd naar gelang van die verbintenissen, waarbij de methoden waarmee de landbouwer voor de overdracht heeft ingestemd niet in aanmerking genomen worden in het kader van die evaluatie. § 4. Zowel in geval van uitwisseling van percelen als van overdracht van bedrijf blijven de verbintenissen voor de methoden of submethoden i.v.m. die percelen van toepassing erop.

Art. 18.Overeenkomstig artikel 44 van Verordening nr.1974/2006, eist het betaalorgaan de in artikel 18, § 1, bedoelde terugbetaling niet in de volgende gevallen : 1° indien de overdragende landbouwer, die reeds drie jaar van zijn verbintenis heeft uitgevoerd, zijn landbouwactiviteiten definitief beëindigt en overname van die verbintenis door een opvolger niet haalbaar is;2° indien de overdracht van een deel van het bedrijf van de landbouwer plaatsvindt in een periode waarmee de looptijd van de verbintenis overeenkomstig artikel 27, § 12, tweede lid, van Verordening nr. 1974/2006 is verlengd, en indien de overdracht betrekking heeft op ten hoogste 50 % van de oppervlakte die onder de verbintenis viel vóór de verlenging van de looptijd daarvan; 3° als de overdracht slechts geringe veranderingen van de bedrijfssituatie tot gevolg heeft en als de toepassing van artikel 18, § 1, niet leidt tot resultaten die in het licht van de aangegane verbintenis niet passend zijn. Afdeling 2 - Omzetting van de verbintenis

Art. 19.§ 1. Overeenkomstig artikel 27, § 11, van Verordening nr. 1974/2006, staat het betaalorgaan toe dat een verbintenis gedurende de looptijd ervan in een andere verbintenis omgezet wordt voor zover de volgende voorwaarden vervuld zijn : 1° de omzettingsaanvraag wordt ingediend binnen de termijn en volgens de modaliteiten die vastgelegd zijn door het betaalorgaan;2° de gevraagde omzetting werd toegestaan krachtens § 2;3° alle subsidiabiliteitsvoorwaarden betreffende de nieuwe methode of submethode zoals bepaald in bijlage 2 zijn vervuld;4° het eensluidend advies van de Minister of van zijn gemachtigde, excl.betaalorgaan, waarin artikel 10 voorziet, wordt in voorkomend geval bij de omzettingsaanvraag gevoegd.

In geval van aanvaarding begint een nieuwe verbintenis van vijf jaar voor de nieuwe methode of submethode te lopen vanaf 1 januari na het jaar van indiening van de omzettingsaanvraag en wordt geen terugbetaling gevorderd voor de betalingen van de voorafgaande periodes. § 2. De omzettingen worden toegelaten voor zover er een grotere milieuopwaardering is overeenkomstig bijlage 4. Afdeling 3 - Wijziging van de verbintenis

Art. 20.De wijziging van een verbintenis voor de methoden en submethoden waarvoor een verhoging overeenkomstig het tweede lid wordt toegestaan, is toegelaten.

Art. 21.Overeenkomstig artikel 27, § 12, van Verordening 1974/2006 kan de verbintenis voor de methoden bedoeld in bijlage 1 aangepast worden op basis van een velddiagnose die uitgevoerd wordt op verzoek van de landbouwer of op voorstel van de milieu-adviseurs. Afdeling 4 - Herziening van de verbintenis

Art. 22.§ 1. Overeenkomstig artikel 46 van Verordening nr. 1974/2006 worden de verbintenissen aangepast in geval van wijziging van de in artikel 13 bedoelde basislijn van de verbintenissen. Deze bepaling is van toepassing op alle verbintenissen die vanaf de campagne 2011 werden aangegaan.

De aanpassing bedoeld in het eerste lid kan bestaan in een stopzetting van de verbintenissen als de basislijn opgetrokken wordt tot het niveau van het bestek.

Als de aanpassing van de verbintenis tot gevolg heeft dat de verbintenis voortgezet kan worden op basis van een gewijzigd bestek, kunnen de bedragen van de gestorte steun herzien worden op de basis bedoeld in het eerste lid.

Als de aanpassing niet aanvaard wordt door de landbouwer, eindigt de verbintenis en betaalt hij de steun die hij al ontvangen heeft voor de afgelopen periodes niet terug. § 2. Het betaalorgaan geeft de landbouwer kennis van de toepassing van § 1 via de pers of in een persoonlijke brief. HOOFDSTUK IX. - Geval van overmacht, uitzonderlijke omstandigheden en duidelijke fout

Art. 23.De terugbetaling wordt niet geëist in de gevallen van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden vermeld in artikel 47, § 1, a) tot f), van Verordening (EG) nr.1974/2006 en wanneer werken van openbaar nut de nakoming van de verbintenis beletten.

In de gevallen bedoeld in het eerste lid doet de landbouwer het betaalorgaan een schriftelijke kennisgeving toekomen, samen met relevante bewijzen, binnen tien werkdagen na de datum waarop hij in staat is dit te doen, overeenkomstig artikel 47, § 2, van Verordening nr. 1974/2006.

Art. 24.§ 1. Overeenkomstig artikel 3, § 4, van Verordening nr. 65/2011, kan de steunaanvraag te allen tijde na de indiening ervan worden gecorrigeerd in geval van een kennelijke fout die door het betaalorgaan als zodanig wordt erkend. § 2. Overeenkomstig artikel 5, § 3, van Verordening nr. 65/2011, geldt de terugbetalingsverplichting niet in geval van onverschuldigde betaling indien de betaling is verricht als gevolg van een fout van het betaalorgaan of van een gemachtigde instelling van het betaalorgaan, en indien de fout redelijkerwijs niet door de landbouwer kon worden ontdekt.

Als de fout evenwel betrekking heeft op feitelijke elementen die relevant zijn voor de berekening van de agromilieusteun, is het eerste lid slechts van toepassing indien het terugvorderingsbesluit niet binnen 12 maanden na de betaling is meegedeeld.

Art. 25.De landbouwer die zijn verbintenissen niet kan blijven nakomen doordat zijn bedrijf wordt herverkaveld of binnen een ruilverkaveling van overheidswege of een door de bevoegde autoriteiten goedgekeurde ruilverkaveling valt, geeft het betaalorgaan schriftelijk kennis daarvan voor de datum van ingebruikneming, overeenkomstig artikel 45, § 4, van Verordening nr. 1974/2006.

De landbouwer past zijn aanvankelijke verbintenissen aan de nieuwe bedrijfssituatie aan in overleg met het betaalorgaan en, in voorkomend geval, met het gemachtigde orgaan als de methode een eensluidend of een technisch advies vereist, en volgens zijn richtlijnen.

Het betaalorgaan of, in voorkomend geval, het gemachtigde orgaan geeft de landbouwer kennis van de inhoud van de aangepaste verbintenissen.

Indien de in het tweede lid bedoelde aanpassing onmogelijk is, eindigt de verbintenis en wordt geen terugbetaling verlangd voor de afgelopen verbintenisperiode. In dat geval wordt de landbouwer door het betaalorgaan in kennis gesteld van het einde van bedoelde verbintenis. HOOFDSTUK X. - Controle, vermindering en terugbetaling Afdeling 1 - Controle

Art. 26.§ 1. Het betaalorgaan, of de instellingen waaraan het een deel of het geheel van zijn controleopdrachten delegeert, verifieert de naleving van : 1° de voorwaarden tot toekenning van de steun, alsook van de verbintenissen tot uitvoering van de methodes en submethodes bedoeld in bijlage 1;2° de overeenkomsten gesloten in het kader van de bedoelde methodes, die het sluiten van dergelijke overeenkomsten vereisen. Het betaalorgaan delegeert de uitvoering van de controles ter plaatse aan één of meer instellingen wat betreft de inachtneming van de inhoud van het technisch advies voor de in bijlage 1 bedoelde methodes die een dergelijk advies vereisen. § 2. Elke controleweigering van een landbouwer heeft van rechtswege het verlies van de steun tot gevolg.

Na afloop van de administratieve controles of van de controles ter plaatse, zijn de regelingen inzake verlagingen en uitsluitingen, omschreven in de artikelen 16 tot 18, 21 en 22 van Verordening nr. 65/2011, van toepassing bij de berekening van het bedrag van de toegekende steun. Afdeling 2 - Verlaging en terugbetaling van de steun

Art. 27.§ 1. De niet-inachtneming van de bepalingen van dit besluit en van de desbetreffende bijlagen, alsook van de specifieke voorwaarden omschreven in het eensluidend advies krachtens artikel 10, brengt de verlaging van de steun met zich mee, overeenkomstig artikel 22 van Verordening nr. 65/2011 en in de volgorde waarin ze voorziet. § 2. Overeenkomstig artikel 18, § 2, van Verordening nr. 65/2011, wordt het gevolg van een niet-naleving door het betaalorgaan bepaald op basis van de ernst, de omvang en het permanente karakter van de vastgestelde niet-naleving. § 3. De regeling van de verlaging en de weigering van de steun wordt ingedeeld in acht niveaus die vastgelegd zijn als volgt : 1° Niveau 1 : waarschuwing met verplichting tot herstel van het voorwerp waarvoor de verbintenis wordt aangegaan;2° Niveau 2 : vermindering van 10 percent op de jaarlijkse betaling voor bedoeld perceel;3° Niveau 3 : vermindering van 50 percent op de jaarlijkse betaling voor bedoeld perceel;4° Niveau 4 : afschaffing van de jaarlijkse betaling voor bedoeld perceel;5° Niveau 5 : afschaffing van de jaarlijkse betaling voor bedoelde methode;6° Niveau 6 : afschaffing van de jaarlijkse betaling voor bedoeld perceel, stopzetting van de verbintenis voor bedoeld perceel en invordering van de bedragen die sinds het begin van de verbintenis voor bedoeld perceel ontvangen werden;7° Niveau 7 : jaarlijkse afschaffing van de jaarlijkse betaling voor de betrokken methode, stopzetting van de verbintenis voor bedoelde methode en invordering van de bedragen die sinds het begin van de verbintenis voor bedoelde methode ontvangen werden.8° Niveau 8 : afschaffing van de methode en invordering van de bedragen die al ontvangen werden sinds het begin van de verbintenis en ontoegankelijkheid van de methode gedurende twee jaar. § 4. De Minister is bevoegd om een verlagingsrooster op te maken naar gelang van de tekortkomingen.

Naar gelang van de ernst, de omvang en het permanente karakter van de vastgestelde niet-naleving kan het verlagingsniveau lager of hoger zijn dan het niveau bepaald in de verlagingsrooster. § 5. Overeenkomstig artikel 18, § 3, van Verordening nr. 65/2011, wordt de landbouwer voor zowel het kalenderjaar van de bevinding als het daaropvolgende kalenderjaar uit de betrokken maatregel uitgesloten indien de niet-naleving het gevolg is van opzettelijke onregelmatigheden. § 6. Als verschillende gevallen van niet-naleving van de voorwaarden voor dezelfde methode of hetzelfde perceel vastgesteld worden, stemt het niveau van de steunverlaging met het hoogste niveau overeen.

Als de onregelmatigheid zich herhaalt of aanhoudt gedurende dezelfde verbintenisperiode, wordt het niveau van de steunverlaging met twee niveaus verhoogd.

Art. 28.Onverminderd de artikelen 53 tot 56 van het decreet van 15 december 2011 houdende organisatie van de begroting en de boekhouding van de diensten van de Waalse Regering, zijn artikel 5 van Verordening nr. 65/2011 en de artikelen 41 tot 43 van het decreet van 27 juni 2013 van toepassing in geval van niet-verschuldigde betaling. HOOFDSTUK XI. - Beroep

Art. 29.§ 1. Onverminderd § 2, kan de landbouwer, in geval van betwisting van de krachtens dit besluit genomen beslissingen, een beroep indienen overeenkomstig de artikelen 31 en 33 van het decreet van 27 juni 2013. Het beroep moet vergezeld gaan van bewijsstukken, op straffe van onontvankelijkheid.

Het beroep wordt bij de leidend ambtenaar van het betaalorgaan ingediend in de vorm en binnen de termijnen bedoeld in de artikelen 31 tot 33 van het decreet van 27 juni 2013.

In geval van indiening van een beroep blijft de landbouwer de methoden of submethoden voor een milieuvriendelijke landbouw waarmee hij ingestemd heeft toepassen tot de definitieve beslissing van het betaalorgaanr. § 2. Met inachtneming van de artikelen 31 tot 33 van het decreet van 27 juni 2013 kan de landbouwer bij de Minister of diens afgevaardigde een beroep indienen tegen de beslissingen betreffende een eensluidend advies die krachtens de artikelen 10 en 22 genomen werden. Elk beroep dat in een andere vorm, buiten de voorgeschreven termijn of zonder bewijsstuk toegestuurd wordt, is onontvankelijk. HOOFDSTUK XII. - Machtigingen en afwijkingen

Art. 30.§ 1. De leidend ambtenaar van het betaalorgaan of, in geval van afwezigheid of verhindering, de ambtenaar die hem vervangt : 1° wordt ertoe gemachtigd de uitgaven vast te leggen, goed te keuren en te ordonnanceren i.v.m. de agromilieusteun betreffende de methodes vermeld in bijlage 1; 2° maakt elk ander document op i.v.m. administratieve voorschriften en, meer bepaald, i.v.m. de controle op de nakoming van de verbintenissen. § 2. De inspecteur-generaal van het Departement Leefmilieu en Water van de administratie of, in geval van afwezigheid of verhindering, de ambtenaar die hem vervangt : 1° legt de interne procedure vast en bepaalt welke documenten nodig zijn voor de aanvraag van het eensluidend advies bedoeld in artikel 10;2° maakt de lijst op van de objectieve criteria op grond waarvan het eensluidend advies bedoeld onder 1° opgemaakt wordt en legt de lijst aan de leidend ambtenaar van het betaalorgaan over. HOOFDSTUK XIII. - Overgangsbepalingen

Art. 31.§ 1. Overeenkomstig artikel 46, § 2, van Verordening (EG) 1974/2009, zoals gewijzigd bij de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 679/2011 van de Commissie van 14 juli 2011 tot wijziging van Verordening (EG) 1974/2009 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO), worden de lopende verbintenissen die vanaf de campagne 2011 zijn gesloten, in het kader van de programmeringsperiode 2014-2020 aangepast zodra het nieuw Waals programma voor plattelandsontwikkeling in werking treedt.

De aanpassingen kunnen betrekking hebben op : 1° de bestekken voor de methoden betreffende de nieuwe programmering;2° de eisen van de basislijn van de verbintenissen. Als de aanpassing niet aanvaard wordt door de landbouwer, eindigt de verbintenis en betaalt hij de steun niet terug die hij al ontvangen heeft voor de periode waarin de verbintenis effectief is geweest.

De verbintenissen waarvoor de methode niet meer opgenomen wordt in het nieuw Waals programma voor plattelandsontwikkeling worden vastgelegd na afloop van de jaarlijkse periode en er mag geen nieuwe verbintenis voor de bedoelde methoden opgenomen worden. § 2. Het betaalorgaan geeft de landbouwer kennis van de toepassing van § 1 via de pers of in een persoonlijke brief.

Art. 32.Voor het jaar 2014 kan de landbouwer 20 percent verhoging van de steun vragen voor de methoden waarvoor bijlage 1 zulks toelaat. De verhoging is slechts mogelijk voor zover de percelen betrekking hebben op een ecologische hoofdstructuur bepaald door de voor het Natuurbehoud bevoegde Minister overeenkomstig krachtens artikel 7 van het besluit van de Waalse Regering van 8 november 2012 betreffende de vergoedingen en toelagen toegekend in de Natura 2000-sites en in de sites die in aanmerking komen voor het Natura 2000-net en in de ecologische hoofdstructuur.

De aanvraag wordt in de betalingsaanvraag gedaan uiterlijk aan het einde van de termijn bedoeld in artikel 5, § 2.

Als de localisering van de percelen voor de aangevraagde steun niet overeenstemt met een ecologische hoofdstructuur, wordt de door de landbouwer voor betrokken methode ingediende steunaanvraag ambtshalve beschouwd als een steunaanvraag die, voor de betrokken percelen, voor de methode is ingediend zonder steunverhoging.

Art. 33.Voor het jaar 2014 kan het betaalorgaan instemmen met nieuwe verbintenissen die genomen worden op basis van de agromilieumaatregelen omschreven in bijlage 1.

De Minister is bevoegd om geen nieuwe verbintenissen toe te staan voor de methoden die niet opgenomen worden in het nieuw Waals programma voor plattelandsontwikkeling (programmering 2014/2020) of waarvoor de verbintenisvoorwaarden aanzienlijk gewijzigd zullen worden.

Art. 34.Voor het jaar 2014 worden elke steunaanvraag en elke betalingsaanvraag binnen de voorgeschreven termijn ingediend, op straffe van nietigheid van de indiening van het verzamelaanvraagformulier krachtens artikel 30 van het decreet van 27 juni 2013. Ze gaan vergezeld van de eventuele bewijsstukken waarom het betaalorgaan in de verzamelaanvraag verzoekt, op straffe van onontvankelijkheid.

Art. 35.§ 1. Het betaalorgaan gaat na of de begunstigde in aanmerking komt voor de steun. § 2. Het betaalorgaan laat de landbouwer uiterlijk 30 juni na de indiening van zijn steunaanvraag of jaarlijkse betalingsaanvraag d.m.v. een document waarvan de datum bewijskracht heeft weten of de aanvraag al dan niet ontvankelijk is.

Het schrijven bevat ook een luik betreffende de subsidiabiliteitsvoorwaarden.

Art. 36.§ 1. Voor de verbintenissen die lopen of voor 1 april 2014 aangegaan werden, wordt de in artikel 8, 3°, bedoelde duur met negen maanden verlengd. De looptijd van die negen maanden worden geacht tussen 1 april 2014 en 31 december 2014 te liggen. Vanaf 1 januari 2015 dekken die verbintenissen periodes die ingaan op 1 januari en eindigen op 31 december totdat een verbintenisduur van vijf jaar en negen maanden bereikt wordt. § 2. Voor het jaar 2014 dekt de jaarlijkse schijf bedoeld in artikel 15 slechts de negen maanden bedoeld in paragraaf 1 voor de betalingen betreffende de verbintenissen bedoeld in paragraaf 1. HOOFDSTUK XIV. - Slotbepalingen

Art. 37.Dit besluit is van toepassing op alle lopende steunaanvragen, met inbegrip van de aanvragen die het voorwerp van een beroep uitmaken.

Art. 38.Het besluit van de Waalse Regering van 24 april 2008 betreffende de toekenning van toelagen voor een milieuvriendelijke landbouw wordt opgeheven.

Art. 39.De Minister van Landbouw is belast met de uitvoering van dit besluit.

Namen, 13 februari 2014.

De Minister-President, R. DEMOTTE De Minister van Openbare Werken, Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Natuur, Bossen en Erfgoed, C. DI ANTONIO

Bijlage 1 De methoden Enig artikel. § 1. De methoden bedoeld in artikel 3 zijn de volgende : 1° Methode 1 : elementen uit het ecologisch netwerk en het landschap: a) Submethode 1.a : heggen en houtsingels; b) Submethode 1.b : alleenstaande bomen, struiken en bosjes, hoogstammige vruchtbomen; c) Submethode 1.c : poelen; 2° Methode 2 : natuurlijk grasland;3° Methode 3 : extensieve groenstroken; a) Submethode 3.a : met gras bezaaide perceelsranden; b) Submethode 3.b : extensieve graslandstrook; 4° Methode 4 : grondbedekking tijdens de tussenteelt; 5° Methode 5 : extensieve graanteelten 6° Methode 6 : fokken van dieren van een bedreigd plaatselijk ras: a) Submethode 6.1 : fokken van trekpaarden; b) Submethode 6.2 : fokken van runderen; c) Submethode 6.3 : fokken van schapen; 7° Methode 7 : handhaving van een lage veebezetting;8° Methode 8 : grasland met een hoge biologische waarde;9° Methode 9 : ingerichte perceelstrook;10° Methode 10 : actieplan voor een milieuvriendelijke landbouw. De hiernavermelde methoden betreffen twee soorten acties : 1° de algemene acties, namelijk de methoden 1 tot 7 waarin het plattelandsontwikkelingsplan voorziet;2° de gerichte acties, namelijk de methoden 8 tot 10 waarin het plan voor plattelandsontwikkeling voorziet. § 2. Overeenkomstig het plan voor plattelandsontwikkeling, mogen de methoden bedoeld in paragraaf 1, onder 3°, a), 4°, 5° en 9°, slechts op akkerbouwteelten geïnstalleerd worden wat betreft de oppervlakten vermeld in de verzamelaanvraag.

Onder akkerbouwteelt wordt elke teelt verstaan, met uitzondering van : 1° blijvend grasland : 2° bosgewassen met korte rotatie;3° miscanthus;4° bebossing van landbouwgrond;5° landbouwpercelen onder bosbedekking;6° schaalvruchten;7° groenteteelt onder glas;8° kwekerijen van fruit- of sierplanten;9° kerstbomen;10° kwekerijen van bosplanten;11° meerjarige fruitteelten. § 3. Alleen de methoden 1 tot 3 kunnen het voorwerp van een verhoogde steun uitmaken overeenkomstig artikel 33.

Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 13 februari 2014 tot toekenning van agromilieusteun en tot opheffing van het besluit van de Waalse Regering van 24 april 2008 betreffende de toekenning van toelagen voor een milieuvriendelijke landbouw.

Namen, 13 februari 2014.

De Minister-President, R. DEMOTTE De Minister van Openbare Werken, Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Natuur, Bossen en Erfgoed, C. DI ANTONIO

Bijlage 2 Productiemethoden die aan de milieubeschermingseisen voldoen, ook agromilieumethoden genoemd, en daarmee verbonden specifieke voorwaarden voor het verkrijgen van steun. Afdeling 1

Methode 1. - Elementen van het ecologisch netwerk en het landschap

Artikel 1.De betrokken elementen van het ecologisch netwerk en het landschap zijn heggen, bosstroken, alleenstaande bomen, struiken of bosjes, hoogstammige vruchtbomen, en poelen.

De landbouwers die zich ertoe verbinden dergelijke elementen niet te vernietigen en aan te geven, alsook het ecologisch netwerk van hun bedrijf te onderhouden en, indien mogelijk, te verbeteren, komen in aanmerking voor steun onder de hierna omschreven voorwaarden.

Onderafdeling 1. - Submethode 1.a : heggen en bosstroken

Art. 2.§ 1. De landbouwer die zich ertoe verbindt dergelijke elementen aan te geven en te onderhouden, kan een jaarlijkse steun van 50 euro per schijf van 200 meter verkrijgen. § 2. Als de landbouwer voor deze submethode tijdens de verbintenisperiode verzoekt om de verbintenis van bijkomende lengten van heggen en bostroken, wordt de toe te kennen steun slechts verhoogd als de overwogen wijziging gelijk is aan 10 percent of meer van de totale lengte van alle heggen en bosstroken van de lopende verbintenis.

In dit geval wordt de aanvankelijke verbintenis van de landbouwer aangevuld met de bijkomende lengten voor de nog te lopen verbintenisperiode.

Art. 3.De na te leven voorwaarden voor heggen en bosstroken zijn de volgende : 1° de heggen en bosstroken moeten gelegen zijn in landbouwpercelen;2° de heggen zijn doorlopende stroken met inheemse bomen of struiken. Bos- of woudranden of de overwoekering ervan op landbouwpercelen kunnen geenszins als heggen of bosstroken worden beschouwd. Rijen inheemse loofbomen op landbouwpercelen, behalve monospecifieke beplantingen of rijen populieren, worden echter beschouwd als heggen.

De maximale afstand tussen de bomen van een rij bedraagt 10 meter; 3° heggen en bosstroken kunnen bestaan uit verschillende gedeelten met een minimale lengte van 20 meter elk.Hun maximale breedte bedraagt 10 meter. In geval van heggen worden leegten van maximum 10 meter meegerekend indien ze niet toegankelijk zijn voor het vee; 4° de landbouwer verbindt zich ertoe die heggen en bosstroken niet te vernietigen.Elke opzettelijke vernietiging wordt pas toegestaan na voorafgaand advies van de bevoegde administratie. Elke toevallige vernietiging of beschadiging wordt aan de administratie meegedeeld binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de datum van genoemde vernietiging of beschadiging. In ieder geval is de landbouwer verplicht tot herplanting over een lengte die overeenstemt met de vernietigde of beschadigde lengte; 5° hij gebruikt geen bemestings- en gewasbeschermingsmiddelen in de nabijheid van de heg (op een meter van de voet), aan de voet, noch op de heg of de bosstrook.Alleen plaatselijke bestrijdingen van netel, distel en rumex zijn toegelaten; 6° bij het onderhoud van de heggen en bosstroken mogen de onderhoudswerken (snoeien) niet worden uitgevoerd vanaf 15 april tot en met 30 juni; Voor de toepassing van het eerste lid, wordt beschouwd dat 200 meter heg of bosstrook een invloed hebben op één hectare.

Onderafdeling 2 Submethode 1.b : alleenstaande bomen, struiken en bosjes, hoogstammige vruchtbomen

Art. 4.§ 1. De landbouwer die zich ertoe verbindt dergelijke elementen aan te geven en te onderhouden, kan een jaarlijkse steun van 25 euro per schijf van 10 elementen verkrijgen. § 2. Als de landbouwer voor deze submethode tijdens de verbintenisperiode verzoekt om de verbintenis van bijkomende agromilieu-elementen, wordt de toe te kennen steun slechts verhoogd als de overwogen wijziging gelijk is aan 10 percent of meer van het totaalaantal elementen betreffende de lopende verbintenis.

In dat geval wordt de verbintenis van de landbouwer met de bijkomende elementen aangevuld en vermeldt hij ze in de jaarlijkse betalingsaanvragen van de nog te lopen verbinstenisperiodes.

Art. 5.De na te leven voorwaarden zijn de volgende: 1° de in aanmerking komende elementen zijn gelegen op landbouwpercelen of aan de rand ervan;2° de in aanmerking komende elementen bestaan uit : a) hoogstammige vruchtbomen gelegen in blijvend grasland;b) alleenstaande bomen, dood of levend, van een inheemse loofsoort, gelegen op meer dan 10 meter van elke andere boom, heg, bosstrook of bosje, waarvan de omtrek van de stam, gemeten op een hoogte van 1,30 meter, gelijk is aan 40 centimeter of meer;c) bosjes en struiken van een inheemse loofsoort gelegen op meer dan 10 meter van elke andere boom, heg, bosstrook of bosje, met een hoogte van meer dan 1,5 meter;d) bosjes kleiner dan 4 are gelegen op meer dan 10 meter van elke andere alleenstaande boom, struik, bosstrook of heg;3° de landbouwer verbindt zich ertoe die elementen niet te vernietigen en, desnoods, binnen twaalf maanden minstens het equivalent van de beschadigde elementen te planten;4° hij gebruikt geen bemestings- en gewasbeschermingsmiddelen aan de voet van die elementen, noch op de elementen.Alleen plaatselijke bestrijdingen van netel, distel en rumex zijn toegelaten; 5° eventuele onderhoudswerken (snoeien) mogen niet uitgevoerd worden vanaf 15 april tot en met 30 juni; Voor de toepassing van het eerste lid wordt beschouwd dat een schijf van 10 elementen die de vereiste voorwaarden vervult, een invloed heeft op 0,5 hectare.

Onderafdeling 3. - Submethode 1.c : poelen

Art. 6.§ 1. De landbouwer die zich ertoe verbindt op zijn landbouwpercelen gelegen poelen aan te geven en te onderhouden, kan een jaarlijkse steun van 50 euro per poel verkrijgen. § 2. Als de landbouwer voor deze submethode tijdens de verbintenisperiode verzoekt om de verbintenis van bijkomende agromilieu-elementen, wordt de toe te kennen steun slechts verhoogd als de overwogen wijziging gelijk is aan 10 percent of meer van het totaalaantal elementen betreffende de lopende verbintenis.

In dat geval wordt de verbintenis van de landbouwer met de bijkomende elementen aangevuld en vermeldt hij ze in de jaarlijkse betalingsaanvragen van de nog te lopen verbinstenisperiodes.

Art. 7.De na te leven voorwaarden zijn de volgende: 1° de poelen zijn stilstaande watervlakken die op landbouwpercelen gelegen zijn en waarvan de oppervlakte vanaf 1 november tot en met 31 mei minimum 10 m2 bedraagt;2° een strook van minstens twee meter breed rond de poel mag nooit beploegd worden en is niet toegankelijk voor het vee;er kan evenwel voorzien worden in een drinkplaats op voorwaarde dat het toegankelijke gedeelte niet meer bedraagt dan 25 % van de oppervlakte en de omtrek van de poel; 3° het is verboden te strooien en te verstuiven op minder dan tien meter van de oevers;4° ophoging is verboden alsook elke introductie van afvalstof, product of stof die schadelijk zou kunnen zijn voor de poel, elk dier, exotische plant, zwemvogel of vis;5° bij dicht- of aanslibbing moet de landbouwer de poel ruimen en ten minste 25 % van de omtrek zacht glooiend houden of aanleggen; Voor de toepassing van het eerste lid wordt beschouwd dat elke poel die deze voorwaarden vervult een invloed heeft op één hectare. Afdeling 2. - Methode 2 - Natuurlijk grasland

Art. 8.§ 1. De landbouwer die zich ertoe verbindt sommige percelen blijvend grasland volgens het hierna opgenomen bestek te beheren, met uitzondering van de percelen of perceelgedeelten die de vergoeding Natura-2000 genieten krachtens het besluit van de Waalse Regering van 8 november 2012 betreffende de vergoedingen en toelagen toegekend in de Natura 2000-sites en in de sites die in aanmerking komen voor het Natura 2000-net en in de ecologische hoofdstructuur, kan voor grasland onder sterke druk een jaarlijkse steun van 200 euro per hectare verkrijgen; § 2. Dezelfde methode kan het voorwerp uitmaken van in de tijd gedifferentieerde steunaanvragen voor zover elk van hen betrekking heeft op andere percelen dan degene die het voorwerp zijn van een vorige verbintenis die nog loopt of op andere lengten dan degene die het voorwerp zijn van een vorige verbintenis. Daarenboven voldoet de landbouwer voor elke steunaanvraag aan alle overeenstemmende voorwaarden die in deze bijlage omschreven worden.

Art. 9.De na te leven voorwaarden zijn de volgende: 1° geen tussenkomst op het perceel, met inbegrip van begrazing, maaien, bemesting, van 1 januari tot en met 15 juni;Tussen 1 januari en 15 april wordt evenwel een eenmalige oppervlakkige nivellering (slechten van molshopen of herstel van door wilde zwijnen veroorzaakte schade) toegestaan; 2° het vee aanwezig op het perceel mag na 15 juni geen krachtvoer noch voeder krijgen;3° de aanbreng van bemestings- en grondverbeteringsmiddelen wordt beperkt tot een jaarlijkse strooiing van boerderijmest (dierlijke mest) van 15 juni tot en 31 juli;4° geen gebruik van fytosanitaire producten, met uitzondering van een plaatselijke bestrijding van netel, distel en rumex;5° geen zaaiingen of overzaaiingen;6° van 15 juni tot en 30 september kan het beheer van het perceel worden uitgevoerd door grazen, door maaien met oogst of door de combinatie van beide, met behoud van minstens 5 percent niet gemaaide schuilgebieden tot de volgende maai- of graasbeurt.De ligging van het schuilgebied kan bij elke maaibeurt veranderen. Indien tussen 15 juni en 15 juli gemaaid wordt, mag het perceel hetzij een tweede keer gemaaid worden tussen 15 augustus en 30 september, hetzij gegraasd worden na 1 augustus. Na 30 september wordt enkel begrazing toegelaten. Afdeling 3. - Methode 3 - Extensieve groenstroken

Art. 10.§ 1. Deze methode kan toegepast worden op oppervlaktes van minder dan 10 aren. § 2. Ze kan het voorwerp uitmaken van in de tijd gedifferentieerde steunaanvragen voor zover elk van hen betrekking heeft op andere percelen dan degene die het voorwerp zijn van een vorige verbintenis die nog loopt of op andere lengten dan degene die het voorwerp zijn van een vorige verbintenis. Daarenboven voldoet de landbouwer voor elke steunaanvraag aan alle overeenstemmende voorwaarden die in deze bijlage omschreven worden. § 3. De methode van de extensieve groenstroken bevat twee submethoden.

Onderafdeling 1. - Submethode 3.a : met gras bezaaide perceelsranden;

Art. 11.De landbouwers die de submethode "met gras bezaaide perceelsranden" aannemen met inachtneming van het hierna opgenomen bestek, kunnen een jaarlijkse steun van 21,60 euro per strook van 20 meter lang verkrijgen, behalve voor de percelen die in aanmerking komen voor een vergoeding als beheerseenheid 4 onder de voorwaarden waarin het besluit van de Waalse Regering van 12 november 2012 voorziet.

Art. 12.De na te leven voorwaarden zijn de volgende: 1° de met gras bezaaide perceelsrand wordt hetzij aangeplant ter vervanging van een akkerbouwoppervlakte en op het geheel of een gedeelte van de omtrek ervan, hetzij gehandhaafd op een oppervlakte die het voorwerp heeft uitgemaakt van steun;2° de met gras bezaaide perceelsrand wordt minstens vijf jaar lang gehandhaafd op het geheel of een gedeelte van de perimeter van een oppervlakte die tijdens die periode voor akkerbouwteelt bestemd wordt. Wat betreft de betrokken akkerbouwoppervlakte, mogen twee met gras bezaaide perceelsranden niet in de lengte naast elkaar liggen. Er kan evenwel van die principes afgeweken worden voor zover de aanvankelijke configuratie van het betrokken gedeelte van de akkerbouwoppervlakte waarop de met gras bezaaide perceelsrand is aangelegd, tussen 24 en 36 meter breed was; 3° de met gras bezaaide perceelsrand mag niet worden aangeplant langs blijvend grasland, behalve als het grasland en de met gras bezaaide perceelsrand door een heg gescheiden worden;4° ze is minstens 200 meter lang.De minimumlengte van 200 meter kan verkregen worden door stroken van met gras bezaaide perceelsrand van minstens 20 meter lang samen te voegen; 5° de breedte van die perceelsranden bedraagt overal 12 meter;6° de oppervlakte van de perceelsranden mag in geen geval groter zijn dan 9 % van de akkerbouwoppervlakte van het bedrijf zoals bepaald door het betaalorgaan op basis van de vastgelegde akkerbouwoppervlakten vermeld in de verzamelaanvraag van de landbouwer voor het jaar van indiening van de aanvankelijke aanvraag van de betrokken agromilieusteun;indien een deel van het bedrijf volgens de biologische productiemethode wordt gerund, mag de oppervlakte van alle biologische met gras bezaaide perceelsranden niet hoger zijn dan 9 % van de in het kader van de steun aan de biologische landbouw vastgelegde akkerbouwoppervlakte; 7° bij aanleg moet de perceelsrand ingezaaid worden met een gevarieerd mengsel waarvan de samenstelling wordt meegedeeld aan de administratie.De lijst van de voorgestelde soorten wordt hierna opgenomen (lijst "Plantensoorten voor perceelsranden"). De keuze van de samenstelling wordt overgelaten aan het oordeel van de landbouwer voor zover wordt voldaan aan volgende voorwaarden : a) basisgramineeën : i.het (gewicht)percentage van de zaden ligt tussen 50 en 85 % van de mengeling; ii. de niet-meerjarige of zeer intensieve soorten, zoals gekruist Italiaans of Westerwoldraaigras, alsook de geteelde dravikken zijn uitgesloten; iii. het Engelse raaigras, het doddegras en de beemdlangbloem vertegenwoordigen elk maximum 30 % van het mengsel; b) basispeulvruchten (zie lijst) : het (gewicht)percentage van het zaad ligt tussen 15 en 40 % van de mengeling; ii. ten minste drie soorten zijn aanwezig, elk naar rata van minimum 5 % van het mengsel; c) andere dicotylen (zie lijst) : in het mengsel kunnen andere dicotylen toegevoegd worden voorzover geen enkele soort 5 % van het mengsel overschrijdt;8° er worden geen bemestingsmiddelen gebruikt;9° er worden geen fytosanitaire producten gebruikt;het plaatselijk bestrijden van netel, distel en rumex met specifieke herbiciden is evenwel toegelaten; 10° er wordt geen beweiding toegestaan op de perceelsrand;11° de enige toegelaten beheerswijze is maaien tussen 16 juli en 15 september, met afvoer van het afgemaaide gras.Bij elke maaibeurt wordt een strook van minstens 2 meter breed niet gemaaid. Die schuilstrook wordt gehandhaafd tot de volgende maaibeurt. De ligging van de strook kan bij elke maaibeurt veranderen. Afwijkingshalve is toppen zonder oogst toegelaten binnen twaalf weken na het inzaaien; 12° de met gras bezaaide perceelsrand is niet toegankelijk voor gemotoriseerde voertuigen die voor recreatieve doeleinden worden gebruikt.Hij mag niet worden gebruikt als weg of voor de doorgang van voertuigen, met inbegrip van de voertuigen die noodzakelijk zijn voor de exploitatie van het aangrenzende akkerbouwteeltperceel. Bovendien worden bemesting, bodemverbetering noch oogst toegelaten op die perceelsrand; 13° in geval van modderstroom of afzetting van meer dan 10 centimeter dik, of van schade veroorzaakt door tijdelijke werken van openbaar nut, wordt de grasachtige bedekking gereinigd en/of opnieuw aangeplant. Voor de toepassing van het eerste lid wordt beschouwd dat een perceelsrandgedeelte van 20 meter lang een invloed heeft op 0,3 hectare.

Plantensoorten voor perceelsranden BASISPEULVRUCHTEN 1° Rolklaver - Lotus corniculatus;2° Hopperupsklaver - Medicago lupulina;3° Luzerne - Medicago sativa;4° Steenklaver - Onobrychis viciifolia;5° Rode klaver - Trifolium pratense;6° Witte klaver - Trifolium repens. ANDERE DICOTYLEN 1° Wilde kervel - Anthriscus sylvestris;2° Korenbloem - Centaurea cyanus;3° Wilde cichorei - Cichorium intybus;4° Wilde peen - Daucus carota;5° Gewoon slangekruid - Echium vulgare;6° Leverkruid - Eupatorium cannabinum;7° Sint-Janskruid - Hypericum perforatum;8° Beemdkroon - Knautia arvensis ;9° Margriet - Leucanthemum vulgare;10° Koekoeksbloem - Lychnis flos cuculi ;11° Kattestaart - Lythrum salicaria;12° Muskuskaasjeskruid - Malva moschata;13° Groot kaasjeskruid - Malva sylvestris;14° Witte honingklaver - Melilotus alba;15° Akkerhoningklaver - Melilotus officinalis;16° Watermunt - Mentha aquatica;17° Wilde marjolein - Origanum vulgare;18° Kleine klaproos - Papaver dubium;19° Gewone klaproos - Papaver rhoeas;20° Smalle weegbree - Plantago lanceolata;21° Gewone brunel - Prunella vulgaris;22° Wouw - Reseda lutea;23° Veldzuring - Rumex acetosa;24° Knopig helmkruid - Scrophularia nodosa;25° Ruwe smeerwortel - Symphytum asperum;26° Smeerwortel - Symphytum officinale;27° Uplandse smeerwortel - Sympphytum x uplandicum;28° Basterdklaver - Trifolium hybridum;29° Inkarnaatklaver - Trifolium incarnatum. Onderafdeling 2. Submethode 3.b : extensieve graslandstrook

Art. 13.De landbouwers die de submethode "extensieve graslandstrook" aannemen met inachtneming van het hierna opgenomen bestek, kunnen een jaarlijkse steun van 21,6 euro per strook van 20 meter lang verkrijgen, behalve voor de percelen die in aanmerking komen voor een vergoeding Natura 2000 voor een beheerseenheid 4 onder de voorwaarden waarin het besluit van de Waalse Regering van 8 november 2012 voorziet.

Wat de beheerseenheden 2 en 3 betreft, wordt het bedrag tot 15,34 euro verlaagd voor de percelen die in aanmerking komen voor een vergoeding Natura 2000 krachtens het besluit van de Waalse Regering van 8 novembre 2012.

Art. 14.De na te leven voorwaarden in geval van beheer van extensieve graslandstroken zijn de volgende : 1° enkel de extensieve graslandstroken aangeplant langs blijvend grasland komen in aanmerking;2° die graslandstrook wordt aangeplant langs een waterloop of -vlak of langs erkende of domaniale natuurreservaten en vochtige gebieden met een biologische waarde;3° ze is minstens 100 meter lang.De minimumlengte van 100 meter kan verkregen worden door gedeelten van extensieve graslandstroken van minstens 20 meter lang samen te voegen; 4° de breedte van die stroken bedraagt overal 12 meter.De oppervlakte van de stroken mag geenszins groter zijn dan 9 % van de graslandoppervlakte zoals bepaald door de administratie op basis van de vastgelegde graslandoppervlakten vermeld in de verzamelaanvraag van de landbouwer voor het jaar van indiening van de aanvankelijke aanvraag van de betrokken agromilieusteun; 5° op de extensieve graslandstrook worden bemestingsmiddelen noch fytofarmaceutische producten gebruikt, met uitzondering van plaatselijke bestrijdingen van netel, distel en rumex;6° indien er niet geweid wordt, is de enige toegelaten beheerswijze maaien tussen 1 juli en 15 september, met afvoer van het afgemaaide gras.Bij elke maaibeurt wordt een schuilstrook van minstens 2 meter breed ongemaaid gelaten en mag het perceel niet worden gegraasd vóór 1 augustus. Die schuilstrook wordt gehandhaafd tot de volgende maaibeurt. De ligging van de strook kan bij elke maaibeurt veranderen; 7° op de extensieve graslandstrook kan pas na 1 juli geweid worden;8° afgezien van een specifieke plek waar het kan drinken, heeft het vee geen rechtstreekse toegang tot de oevers en de bedding van de waterloop;9° het vee aanwezig op het perceel waarop de extensieve graslandstrook is aangelegd, strook inbegrepen, mag voeder noch krachtvoeder krijgen;10° de extensieve graslandstrook is niet toegankelijk voor gemotoriseerde voertuigen die voor recreatieve doeleinden worden gebruikt.Ze mag niet worden gebruikt als weg. Bovendien mogen bemesting, bodemverbetereing of oogsten niet toegelaten worden op die strook; 11° een extensieve graslandstrook kan niet in aanmerking komen voor steun bij toepassing van de methoden 2 of 8. Voor de toepassing van het eerste lid wordt beschouwd dat een extensieve graslandstrook van 20 meter lang een invloed heeft op 0,3 hectare. Afdeling 4. - Methode 4. - Wintergrondbedekking

Art. 15.§ 1. De landbouwer die zich ertoe verbindt een plantendek te zaaien in de vorige teelt (grasachtige planten in een graangewas of tussen de maïsrijen) of zodra mogelijk na de vorige oogst, hoe dan ook vóór 15 september, kan een jaarlijkse steun van 100 euro per hectare verkrijgen voor zover hij dat plantendek behoudt tot 1 januari. § 2. De methode kan het voorwerp uitmaken van in de tijd gedifferentieerde steunaanvragen voor zover elk van hen betrekking heeft op andere percelen dan degene die het voorwerp zijn van een vorige verbintenis die nog loopt of op andere lengten dan degene die het voorwerp zijn van een vorige verbintenis. Daarenboven voldoet de landbouwer voor elke steunaanvraag aan alle overeenstemmende voorwaarden die in deze bijlage omschreven worden.

Art. 16.De volgende voorwaarden moeten nageleefd worden : 1° de landbouwer verbindt zich ertoe elk jaar van de verbintenis een oppervlakte van grondwinterbedekking aan te planten die ten minste gelijk is aan de oppervlakte die voor die methode vermeld wordt in zijn aanvankelijke verbintenis.Die minimale oppervlakte is die welke het recht op de overeenstemmende steun opent. De bijkomende oppervlakte waarop de methode aangewend wordt, geeft recht op geen enkele steun in hoofde van de betrokken verbintenis; 2° de in aanmerking komende oppervlakten worden vermeld in de verzamelaanvraag van de begunstigde voor het jaar na dat van de aanplanting van het plantendek.Die oppervlakten kunnen evenwel worden aangegeven door een andere landbouwer dan de begunstigde betrokken bij de agromilieusteun in de verzamelaanvraag van het jaar na de aanplanting van genoemd dek op voorwaarde dat bedoelde oppervlakten het voorwerp uitmaken van een gebruiksovereenkomst met een duur lager dan één jaar, ondertekend door beide partijen en betreffende de aanleg van een lenteteelt of braakland. De begunstigde beschikt over een afschrift van die overeenkomst zodat hij het aan de controleurs kan voorleggen bij een controle ter plaatse. 3° die wintergrondbedekking wordt vernietigd na 1 januari en uiterlijk 31 mei gevolgd door een teelt of braakland;4° ze mag geen peulgewassen bevatten;5° in afwijking van de datums vermeld in het eerste lid, 3°, en indien de vorige oogst plaatsgevonden heeft na 1 september, mag een plantendek van rogge of triticale worden aangeplant vóór 1 november om vervolgens dwingend vernietigd te worden tussen 1 maart en 1 mei;6° er wordt geen minerale stikstofbemesting toegelaten. Afdeling 5. - Methode 5 - Extensieve graanteelten

Art. 17.§ 1. De landbouwer die zich tot extensieve graanteelt verbindt kan een jaarlijkse steun van 100 euro per hectare verkrijgen. § 2. Dezelfde methode kan het voorwerp uitmaken van in de tijd gedifferentieerde steunaanvragen voor zover elk van hen betrekking heeft op andere percelen dan degene die het voorwerp zijn van een vorige verbintenis die nog loopt of op andere lengten dan degene die het voorwerp zijn van een vorige verbintenis. Daarenboven voldoet de landbouwer voor elke steunaanvraag aan alle overeenstemmende voorwaarden die in deze bijlage omschreven worden.

Art. 18.De volgende voorwaarden moeten nageleefd worden : 1° de landbouwer verbindt zich ertoe elk jaar van de verbintenis de methode toe te passen op een oppervlakte die ten minste gelijk is aan die welke voor deze methode vermeld wordt in zijn aanvankelijke verbintenis.Die minimale oppervlakte is die welke het recht op de overeenstemmende steun opent. De bijkomende oppervlakte waarop de methode aangewend wordt, geeft recht op geen enkele steun in hoofde van de betrokken verbintenis; 2° tweerijige brouwerijgerst telen of rogge of nog, in benadeelde streken, spelt telen, masteluin telen of een mengsel van granen en peulgewassen (in de mengsels granen-peulgewassen en masteluin, moet de tweede soort minstens 20 % van het mengsel bedragen);3° de aanvraag mag slechts betrekking hebben op de teelt die tijdens het betrokken kalenderjaar geoogst zal worden en het is de op 31 mei bestaande teelt die bepaalt wat geteelt wordt;4° deze maatregel is niet cumuleerbaar met de steun voor biologische landbouw. Afdeling 6. - Methode 6 - Bedreigde plaatselijke rassen

Art. 19.§ 1. De landbouwer die zich verbindt tot het houden van dieren van een bedreigd plaatselijk ras die op onderstaande lijst staan vermeld, komt in aanmerking voor een jaarlijkse toelage van 120 euro per runder, 200 euro per paard en 30 euro per schaap. § 2. Dezelfde methode kan het voorwerp uitmaken van in de tijd gedifferentieerde steunaanvragen voor zover elk van hen betrekking heeft op andere percelen dan degene die het voorwerp zijn van een vorige verbintenis die nog loopt of op andere dieren dan degene die het voorwerp zijn van een vorige verbintenis. Daarenboven voldoet de landbouwer voor elke steunaanvraag aan alle overeenstemmende voorwaarden die in deze bijlage omschreven worden.

Art. 20.De betrokken dieren moeten voldoen aan volgende voorwaarden : 1° voldoen aan de oorspronkelijke standaard van het als met verdwijning bedreigde erkende ras;2° opgenomen zijn in het erkende stamboek van het ras of op een gelijkwaardige lijst;3° minstens 2 jaar oud zijn voor paarden en runderen en minstens 6 jaar oud voor schapen;4° opgenomen zijn in Sanitrace, het identificatie- en registratiesysteem voor dieren, indien het gaat om runderen of schapen. De lijst van de bedreigde plaatselijke rassen die in aanmerking komen voor de steun is vastgelegd als volgt : 1° runderrassen : a) Gemengd Wit-Blauw;2° schapenrassen : a) Belgisch melkschaap;b) "Entre-Sambre-et-Meuse "-schaap;c) Houtlandschaap;d) Voskop;e) Mergellandschaap;3° paardenrassen : a) Ardenner trekpaard;b) Belgisch trekpaard. Deze lijst kan worden door de Minister herzien in conformiteit met, o.a., de desbetreffende Europese bepalingen.

Om de steun te verkrijgen voegt de landbouwer voor elk dier bij zijn aanvankelijke aanvraag : 1° voor runderen, een afschrift van de definitieve identiteitskaart afgegeven door de instelling die het stamboek van het betrokken runderras beheert;2° voor paarden, een afschrift van de identificatiedocumenten ter bevestiging van de registratie in het stamboek alsook van het behoren tot het betrokken ras;3° voor schapen, een afschrift van het geboorteattest afgegeven door de instelling die de stamboeken beheert of een afschrift van het zoötechnische certificaat van het dier waarbij zijn behoren tot het betrokken plaatselijke ras wordt bewezen, of elk ander stuk afgegeven door de instelling die de stamboeken beheert waarbij zijn behoren tot het betrokken plaatselijke ras wordt bewezen;de jaarlijkse formulieren inzake bestrijding- of geboorteaangifte zijn beschikbaar om aan de controleurs voor te leggen bij een controle ter plaatse en bevatten minstens het aantal geprimeerde dieren voor het betrokken ras. Afdeling 7. - Methode 7 - Lage veebezetting

Art. 21.§ 1. De landbouwer die zich ertoe verbindt lage veebezettingen te handhaven kan een jaarlijkse steun van 100 euro per hectare blijvend grasland verkrijgen. § 2. Voor de berekening van de veebezetting in het kader van de methode 7 kunnen de buiten het Waalse Gewest gelegen percelen in overweging genomen worden indien een voederoppervlakte gelegen is in een andere lidstaat dan die waar de bedrijfszetel van de landbouwer die ze uitbaat gevestigd is, of in een ander Gewest. Die oppervlakte wordt op verzoek van de landbouwer beschouwd als deeluitmakend van zijn bedrijf voor zover ze gelegen is in de onmiddellijke nabijheid ervan en dat meer dan 50 percent van het geheel van de landbouwoppervlakten die hij gebruikt gelegen is in de lidstaat waar zijn activiteit hoofdzakelijk gelegen is en voor zover die oppervlakte in de verzamelaanvraag opgenomen is.

Als de landbouwer de vastgelegde oppervlakte voor deze methode verhoogt tijdens de verbintenisperiode wordt de toe te kennen steun slechts verhoogd als ze gelijk is aan 10 percent of meer van de totale oppervlakte die in overweging genomen wordt in de lopende verbintenis voor die methode.

In dit geval wordt de aanvankelijke verbintenis van de landbouwer aangevuld met de bijkomende oppervlakten voor de nog te lopen verbintenisperiode.

Art. 22.De volgende voorwaarden moeten nageleefd worden : 1° de veebezetting van het bedrijf is lager dan 1,4 GVE per hectare blijvend grasland en tijdelijk grasland.Als de veebezetting lager is dan 0,6 GVE per hectare grasland, worden de oppervlakten die in aanmerking worden genomen voor de berekening van de steun, beperkt tot die welke noodzakelijk zijn om een veebezetting van 0,6 GVE per hectare te bereiken; 2° het afgemaaide of geweide gras is uitsluitend voor de veestapel van het bedrijf bestemd;3° de enige toegestane verspreidingen van organische stoffen op die weiden zijn die van de meststoffen voortgebracht door de dieren die gebruikt zijn om de lage veebezetting te berekenen.Afwijkingshalve wordt de inbreng van andere mest toegestaan voor de landbouwers die geen minerale meststoffen spreiden op die weiden, voor zover het grondgebondenheidscijfer van het bedrijf, zoals bepaald in Boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, gelijk is aan 0,6 of minder; 4° het gebruik van fytosanitaire producten is verboden in de weiden, met uitzondering van de plaatselijke behandeling onder de elektrische afsluitingen en de bestrijding van netel, distel en rumex. De veebezetting is de gemiddelde bezetting van het bedrijf voor het betrokken kalenderjaar. Die bezetting wordt vastgesteld op grond van de volgende elementen: 1° het gemiddelde van de dagelijkse gegevens uit het identificatie- en registratiesysteem Sanitrace, wat betreft runderen;2° het aantal paardachtigen aangegeven door de landbouwer in zijn verzamelaanvraagformulier voor het betrokken jaar;3° de jaarlijkse inventaris betreffende de identificatie en registratie van schapen en geiten.

Art. 23.Het aantal GVE's betreffende die dieren wordt berekend d.m.v. de volgende coëfficiënten : 1° runderen van twee jaar en ouder, paarden ouder dan zes maanden: 1 GVE;2° runderen van 0 tot zes maanden: 0,4 GVE;3° runderen tussen zes maanden en twee jaar: 0,6 GVE;3° schapen of geiten ouder dan zes maanden : 0,15 GVE;5° hertachtingen ouder dan zes maanden: 0,25 GVE. Afdeling 8. Methode 8 - Grasland met een hoge biologische waarde

Art. 24.Deze methode 8 is overal toegankelijk in blijvend grasland, behalve in beheerseenheid 4 in gebieden aangewezen als Natura 2000.

Art. 25.§ 1. De landbouwer die zich ertoe verbindt sommige percelen blijvend grasland volgens onderstaand bestek te beheren, komt in aanmerking voor een jaarlijkse toelage van 450 euro per hectare, verminderd tot 210 €/ha voor grasland in beheerseenheid 2 of 3 in gebieden aangewezen als Natura 2000. § 2. De methode of submethode kan het voorwerp uitmaken van in de tijd gedifferentieerde steunaanvragen voor zover elk van hen betrekking heeft op andere percelen dan degene die het voorwerp zijn van een vorige verbintenis die nog loopt of op andere lengten dan degene die het voorwerp zijn van een vorige verbintenis. Daarenboven voldoet de landbouwer voor elke steunaanvraag aan alle overeenstemmende voorwaarden die in deze bijlage omschreven worden.

Art. 26.De volgende voorwaarden moeten nageleefd worden : 1° een voorafgaande diagnose betreffende de biologische waarde van het perceel moet aanleiding geven tot een voorafgaand eensluidend advies dat behoorlijk betekend wordt door de administratie, excl. betaalorgaan, en dat de specifieke bepalingen voor de plaatselijke toestand bevat; 2° geen activiteit (weiden, maaien,...) op het perceel tijdens een in het eensluidend advies bepaalde periode die, behoudens bijzondere gevallen, van 1 januari tot een in genoemd advies bepaalde datum in juli loopt. Tussen 1 januari en 15 april wordt evenwel een eenmalige oppervlakkige nivellering (slechten van molshopen of herstel van door wilde zwijnen veroorzaakte schade) toegestaan; 3° het vee aanwezig op het perceel na die datum mag voeder noch krachtvoeder krijgen;4° de aanbreng van bemestings- en grondverbeteringsmiddelen is niet toegelaten, met uitzondering van de teruggave aan de bodem door de dieren tijdens het weiden;5° het gebruik van fytosanitaire producten is verboden, met uitzondering van een plaatselijke bestrijding van netel, distel en rumex;6° geen zaaiingen of overzaaiingen;7° in geval van een ander beheer dan weiden wordt enkel maaien met afvoer van het product toegelaten.In dit geval wordt minstens 10 % van de perceeloppervlakte niet gemaaid en in de vorm van schuikstroken gehouden. Bij elke maaibeurt wordt een dergelijk schuilgebied tot de volgende maaibeurt gehandhaafd. De ligging van de schuilstrook kan echter veranderen bij elke maaibeurt. In geval van weiden na de maaibeurt binnen de in het eensluidend advies bedoelde termijn, kan het schuilgebied geweid worden. De eventuele andere modaliteiten in verband met het weiden worden nader bepaald in het eensluidend advies; 8° behoudens rechtvaardiging in het eensluidend advies, zijn bagger- of ruimingswerken in sloten verboden; 9° deze maatregel is niet cumuleerbaar met methode 2 (natuurlijk grasland) of submethode 3.b (extensieve graslandstrook). Afdeling 9. - Methode 9 - Ingerichte perceelstrook

Art. 27.Mits eensluidend advies is de methode 9 overal toegankelijk, behalve in beheerseenheid voor de gebieden aangewezen als « Natura 2000 ».

Deze methode kan toegepast worden op oppervlaktes van minder dan 10 aren.

Art. 28.Dezelfde methode kan het voorwerp uitmaken van in de tijd gedifferentieerde steunaanvragen voor zover elk van hen betrekking heeft op andere percelen dan degene die het voorwerp zijn van een vorige verbintenis die nog loopt of op andere lengten dan degene die het voorwerp zijn van een vorige verbintenis. Daarenboven voldoet de landbouwer voor elke steunaanvraag aan alle overeenstemmende voorwaarden die in deze bijlage omschreven worden.

Art. 29.De landbouwers die de methode "ingerichte perceelstroken" aannemen, komen in aanmerking voor een jaarlijkse steun van 30 euro per strook van 20 meter lang.

Art. 30.De volgende voorwaarden moeten in alle gevallen worden nageleefd : 1° de ingerichte perceelstrook wordt hetzij aangeplant ter vervanging van een akkerbouwoppervlakte en op het geheel of een gedeelte van de perimeter ervan;2° de ingerichte perceelstrook worden minstens vijf jaar gehandhaafd op het geheel of op een gedeelte van de perimeter van een oppervlakte die tijdens die periode voor akkerbouwteelt wordt bestemd.Wat betreft de betrokken akkerbouwoppervlakte, mogen twee ingerichte perceelstroken niet longitudinaal naast elkaar liggen. Er kan echter van die principes worden afgeweken voor zover de aanvankelijke configuratie van het betrokken gedeelte van de akkerbouwoppervlakte waarop de ingerichte perceelstrook is aangelegd, tussen 3 en 42 meter breed was; 3° de standaardbreedte van die stroken bedraagt 12 meter.De in aanmerking komende lengte kan echter worden teruggebracht op 3 meter of verlengd tot 21 meter. In alle gevallen wordt de steun berekend op dezelfde basis, met name 30 euro voor het equivalent van een gedeelte van 20 meter lang op de standaardbreedte van 12 meter; de lengte wordt verhoudingsgewijs aangepast aan de effectieve breedte (20 meter op 12 zijn dus gelijk aan 60 meter op 4); 4° de minimale lengte per verbintenis bedraagt 200 meter, per strook van minstens 20 meter; 5° de bijzondere doelstellingen van de strook alsook onder meer de keuze van de plaats, breedte, bodembedekking gewassen, datums en beheerswijze (maaien, opnieuw inzaaien, oprichting van heuvels, grasstroken of stroken naakte grond die mechanisch onderhouden worden,...) worden nader bepaald in het in artikel 10 bedoelde eensluidend advies, rekening houdend met de plaatselijke uitdagingen en eisen inzake landbouw en leefmilieu; 6° in geen geval mag de oppervlakte van de met gras bezaaide perceelsranden die onder de methoden 3a en 9 vallen hoger zijn dan 9 percent van de akkerbouwoppervlakte van het bedrijf zoals bepaald door de administratie op basis van de akkerbouwoppervlakten vermeld in de verzamelaanvraag van de landbouwer voor het jaar van indiening van de betrokken aanvankelijke aanvraag om agromilieusteun;indien een deel van het bedrijf volgens de biologische productiemethode wordt geëxploiteerd, mag de oppervlakte van alle biologische met gras bezaaide perceelsranden en perceelstroken niet hoger zijn dan 9 percent van de in het kader van de steun voor de biologische landbouw vastgelegde akkerbouwoppervlakte; 7° bemesting en grondverbetering worden niet toegelaten;8° geen gebruik van fytosanitaire producten, met uitzondering van een plaatselijke bestrijding van netel, distel en rumex;9° de betrokken percelen zijn niet toegankelijk voor gemotoriseerde voertuigen die voor recreatieve doeleinden worden gebruikt.Ze mogen niet worden gebruikt als weg of voor de doorgang van voertuigen.

Bovendien worden bemesting, bodemverbetering noch oogst toegelaten op die stroken;

Voor de toepassing van het eerste lid wordt beschouwd dat een ingerichte perceelstrook van 20 meter lang een invloed heeft op 0,3 hectare. Afdeling 10. - Methode 10 - Actieplan voor een milieuvriendelijke

landbouw

Art. 31.Elke landbouwer die één of meer landbouwpercelen in het Waalse Gewest exploiteert en die de methode "actieplan voor een milieuvriendelijke landbouw" toepast, kan in aanmerking komen voor een steun die volgens volgende formule wordt berekend : Steun (Eur) = 20 X - 5 Y + 0.05 Z waarin : X= aantal hectaren < = 40 Y= aantal hectaren > 40 en < = 200 Z = bedrag van de steun in verband met de methoden 1 tot 9 zoals vastgesteld op basis van de verzamelaanvraag en steunaanvraag van de landbouwer voor het jaar van indiening van het aanvankelijke aanvraag Het jaarlijkse bedrag van die steun wordt beperkt tot maximum 3.0000 euro per bedrijf en per jaar.

Art. 32.De volgende voorwaarden moeten in alle gevallen worden nageleefd : 1° vóór de indiening van de aanvankelijke aanvraag een actieplan voor een milieuvriendelijke landbouw opmaken met een begeleidingsambtenaar;2° dat actieplan in de loop van de vijf jaar van de verbintenis uitvoeren door de onder punt 3° bedoelde bijwerkingen op te nemen;3° elk jaar vanaf het tweede jaar van de verbintenis het actieplan bijwerken met behulp van een begeleidingsambtenaar door de uitvoering van het actieplan te evalueren en de eventuele problemen uitdrukkelijk te identificeren.Als het bedrijf belangrijke wijzigingen ondergaat of als, eventueel, nieuwe elementen de uitvoering van het plan vergemakkelijken of vertragen, wordt de begeleidingsambtenaar daarvan op de hoogte gebracht door de landbouwer opdat het plan gewijzigd zou kunnen worden; 4° na afloop van de vijf jaar van de verbintenis, zal een verslag opgesteld met behulp van een begeleidingsambtenaar de resultaten, conclusies en perspectieven van het actieplan voorleggen t.a.v. de nagestreefde doelstellingen. Een positieve evaluatie van het plan, gegrond op een voldoende uitvoering van de doelstellingen, is een voorwaarde voor de voortzetting ervan na die vervaldatum; 5° de sterke en zwakke punten van het bedrijf inzake milieuvriendelijke landbouw worden onderzocht met inachtneming van de indicatieve lijst van volgende elementen en rekening houdend met zijn specifieke kenmerken : a) beheer van de bemesting en van de grond (bemestingsboekje en -plan, compostering, biomethanisatie, bijdrage tot mestbanken, wintergrondbedekking, maatregelen voor een redelijke bemesting (tarwe en andere teelten), voederanalyse en berekening van porties, analyse van organische dierlijke mest, aanwezigheid van teelten met een sterk verminderd gebruik van biociden en meststoffen, gerichte toepassingen,...), analysen van landbouwpercelen; b) beheer van de fytosanitaire behandelingen, met inbegrip van de uitrusting van het spuittoestel (spoelkuip, blikkenspoelmachine, vulbegrenzingsapparaat,...), technieken voor alternatieve onkruidbestrijding, aanwezigheid van een fytobak, biologische bestrijding, geïntegreerde bestrijding of biologische uitbating; c) landschappelijk beheer en inrichting van de omtrek van de boerderij, met name de architecturale integratie van de verschillende gebouwen, onderhoud van de omtrek van de boerderij, zichtbaarheid van eventuele negatieve elementen t.a.v. omwoners en het publiek in het algemeen, gebruik van beplantingen voor voornoemde inrichting, inheemse aard van de beplantingen; d) beheer van biodiversiteits- en landschapselementen in het landbouwgebied, met name het gedeelte gebruikt door het ecologisch netwerk in het bedrijf, gepaste uitbating van marginale weiden, goedkeuring van acties voor een milieuvriendelijke landbouw ter ontwikkeling van het ecologisch netwerk en het landschap alsook ter instandhouding van het leefmilieu aan de rand van landbouwpercelen, beschermde proportie van waterlopen, proportie van houtelementen die elk jaar onderhouden worden, extensieve exploitatie van natuurlijke milieus voor rekening van verenigingen of van het Gewest, oprichting van natuurlijke milieus (poelen, beplantingen,...), opvang van de aan landbouwgebouwen gebonden kleine fauna (zwaluwen, kerkuilen, vleermuizen,...), acties ter instandhouding van het landbouwpatrimonium; e) zuiveringsacties, zoals geurbestrijding of afvalwaterbehandeling, en andere milieuaspecten, zoals het gebruik van producten of afvalstoffen voor de bemesting of de verbetering van de landbouwpercelen, energieteelten, partnerschap in milieu- of vrijetijdsprojecten, bijeenteelt, gecertificeerde producties. Het actieplan bedoeld in het eerste lid, punt 1°, bevat de volgende elementen : 1° een milieudiagnose van het bedrijf.Die diagnose legt de nadruk op: a) de prioritaire milieu-uitdagingen van het grondgebied;b) de sterke en zwakke punten wat betreft de toepassing van de goede landbouwpraktijken;c) de specifieke sterke en zwakke punten van het bedrijf wat betreft de acties ter bevordering van een milieuvriendelijke landbouw die geïdentificeerd zijn volgens het patroon bedoeld in het eerste lid, 5°, met een bijzondere nadruk op die welke betrekking hebben op de prioritaire milieu-uitdagingen op het hele grondgebied; 2° doelstellingen op korte (één jaar), gemiddelde (vijf jaar) en lange termijn (perspectieven) die in elk geval betrekking hebben op de zwakke punten en die de troeven i.v.m. de prioritaire milieu-uitdagingen van het grondgebied (prioritaire doelstellingen) valoriseren. De factoren die onverenigbaar zouden zijn met de goedkeuring van doelstellingen die inspelen op de ene of andere prioritaire uitdaging, moeten uitdrukkelijk worden geïdentificeerd en vermeld; 3° een lijst van precieze acties voor een milieuvriendelijke landbouw (aanneming van goede praktijken, van maatregelen voor een milieuvriendelijke landbouw of andere soorten acties die ertoe kunnen bijdragen problemen op te lossen en de geïdentificeerde sterke punten te valoriseren) zal worden opgesteld t.o.v. de aangenomen doelstellingen met drie verschillende termijnen. De acties betreffende de doelstellingen op korte en gemiddelde termijn zullen realistisch worden bepaald en gepland in een vooruitlopend uitvoeringskalender.

Het actieplan alsook elke updating ervan maken het voorwerp uit van een verslag dat medeondertekend wordt door de begeleidingsambtenaar en de betrokken landbouwer.

Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 13 februari 2014 tot toekenning van agromilieusteun en tot opheffing van het besluit van de Waalse Regering van 24 april 2008 betreffende de toekenning van toelagen voor een milieuvriendelijke landbouw.

Namen, 13 februari 2014.

De Minister-President, R. DEMOTTE De Minister van Openbare Werken, Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Natuur, Bossen en Erfgoed, C. DI ANTONIO

Bijlage 3 Tabel van cumulaties en verenigbaarheden van de verschillende methoden en submethoden

gewas

1.a. heggen

1.b. bomen of bosjes

1.c. poelen

3.a. met gras bezaaide perceelsranden

4. grondbedekking

5.extensieve graanteelten

9. ingerichte perceelstroken

biologische landbouw

1.a. heggen

S

S

S

C

C

C

C

C

1.b. bomen of bosjes

S

S

C

C

C

C

C

1.c. poelen

S

C

C

C

C

C

3.a. met gras bezaaide perceelsranden

S

S

S

X

C

4. grondbedekking

S

S

S

C

5.extensieve graanteelten

S

S

X

9. ingerichte perceelstroken'

S

C

biologische landbouw

S


C = cumulatie van premies mogelijk (doel en/of eisen verschillen) O = onbestaande (want gewas en/of periode verschillen, of gelijke maatregel in kolom en rang) X = cumulatie niet toegelaten

grasland

1.a. heggen

1.b. bomen of bosjes

1.c. poelen

2. natuurlijk grasland

3.b graslandstrook;

lage veebezetting

8 grasland met een hoge biologische waarde

biologische landbouw

1.a. heggen

S

S

S

C

C

C

C

C

1.b. bomen of bosjes

S

S

C

C

C

C

C

1.c. poelen

S

C

C

C

C

C

2. natuurlijk grasland

S

X

C

X

C

3.B graslandstrook;

S

C

X

C

7. lage veebezetting

S

C

C

8 grasland met een hoge biologische waarde

S

C

biologische landbouw

S


C = cumulatie van premies mogelijk (doel en/of eisen verschillen) O = onbestaande (gelijke maatregel in kolom en rang) X = cumulatie niet toegelaten Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 13 februari 2014 tot toekenning van agromilieusteun en tot opheffing van het besluit van de Waalse Regering van 24 april 2008 betreffende de toekenning van toelagen voor een milieuvriendelijke landbouw. Namen, 13 februari 2014.

De Minister-President, R. DEMOTTE De Minister van Openbare Werken, Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Natuur, Bossen en Erfgoed, C. DI ANTONIO

Bijlage 4 Omzettingen toegelaten overeenkomstig artikel 20, § 2 Enig artikel. De omzettingen toegelaten overeenkomstig artikel 20, § 2, zijn de volgende : 1° de omzetting van een verbintenis betreffende de methoden of submethoden bedoeld in bijlage 1, 1° tot 9°, in een verbintenis voor de methode bedoeld in bijlage 1, 10°, of de vervanging van een verbintenis voor de methode bedoeld in bijlage 1, 10°, door een nieuwe versterkte verbintenis voor dezelfde methode;2° de omzetting van een verbintenis voor de methode 2 bedoeld in bijlage 1, 2°, in een verbintenis voor de methode 8 bedoeld in bijlage 1, 8°; 3° de omzetting van een verbintenis voor de methode 3.a bedoeld in bijlage 1, 3°, in een verbintenis voor de methode 9 bedoeld in bijlage 1, 9°.

Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 13 februari 2014 tot toekenning van agromilieusteun en tot opheffing van het besluit van de Waalse Regering van 24 april 2008 betreffende de toekenning van toelagen voor een milieuvriendelijke landbouw.

Namen, 13 februari 2014.

De Minister-President, R. DEMOTTE De Minister van Openbare Werken, Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Natuur, Bossen en Erfgoed, C. DI ANTONIO

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^