Etaamb.openjustice.be
Besluit Van De Waalse Regering van 14 juli 2005
gepubliceerd op 25 juli 2005

Besluit van de Waalse Regering tot uitvoering van het decreet van 3 februari 2005 betreffende het sensibiliseringsplan inzake de informatie- en communicatietechnologieën

bron
ministerie van het waalse gewest
numac
2005201971
pub.
25/07/2005
prom.
14/07/2005
ELI
eli/besluit/2005/07/14/2005201971/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

14 JULI 2005. - Besluit van de Waalse Regering tot uitvoering van het decreet van 3 februari 2005 betreffende het sensibiliseringsplan inzake de informatie- en communicatietechnologieën


De Waalse Regering, Gelet op artikel 20 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;

Gelet op de artikelen 3, § 3, 5, § 2, 2°, 6 tot en met 10, 11, § 1, en 13 van het decreet van 3 februari 2005 betreffende het sensibiliseringsplan inzake de informatie- en communicatietechnologieën;

Gelet op het advies van de "Conseil économique et social de la Région wallonne" (Sociaal-Economische Raad van het Waalse Gewest), gegeven op 9 mei 2005;

Gelet op het advies van het beheerscomité van het "Office wallon de la Formation professionnelle et de l'Emploi" (Waalse Dienst voor Beroepsopleiding en Arbeidsbemiddeling), gegeven op 12 april 2005;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 21 maart 2005;

Gelet op het akkoord van de Minister van Begroting, gegeven op 24 maart 2005;

Gelet op het advies van de Raad van State nr. 38.506/2, gegeven op 15 juni 2005;

Op de voordracht van de Minister van Vorming;

Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.Dit besluit regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 127, § 1, van de Grondwet krachtens artikel 138 van de Grondwet.

Het is van toepassing in het Franse taalgebied.

Art. 2.In de zin van dit besluit wordt verstaan onder : 1° "decreet" : het decreet van 3 februari 2005 betreffende het sensibiliseringsplan inzake de informatie- en communicatietechnologieën;2° "Minister" : de Minister van Vorming;3° "Bestuur" : de Afdeling Tewerkstelling en Beroepsopleiding van het Directoraat-generaal Economie en Tewerkstelling van het Ministerie van het Waalse Gewest;4° "Comité" : het opvolgingscomité ingevoerd krachtens artikel 7 van het decreet;5° "mobiele operator" : de vormingsoperator erkend krachtens artikel 5 van het decreet die rondtrekkende opleidingen verstrekt middels een uitgerust en aangepast voertuig;6° "vormingsuren" : de vormingsuren gepresteerd door een erkende vormingsoperator of een bij overeenkomst met een erkende vormingsoperator gebonden partner;7° "deskundige" : de pedagogisch deskundige bedoeld in artikel 7, 1°, van het decreet. HOOFDSTUK II. - Duur van de vormingsmodules en attestering

Art. 3.De vormingsmodules bedoeld in artikel 3, § 2, van het decreet hebben een duur van acht uur voor de eerste module, zestien uur voor de tweede module en vierentwintig uur voor de derde module.

De Minister kan na advies van het Comité de duur van de vormingsmodules bepaald in lid 1 wijzigen.

Art. 4.Er wordt door de erkende vormingsoperator een bekwaamheids- en vormingsbezoekattest verleend aan elke persoon die een vormingsmodule heeft gevolgd. Vóór het attest waarvan het model door het bestuur ter beschikking van de vormingsoperator wordt gesteld, wordt afgegeven, wordt het ter ondertekening voorgelegd aan de Minister of de daartoe gemachtigde ambtenaar. HOOFDSTUK III. - Toekenning, weigering, hernieuwing, opschorting en intrekking van de erkenning van vormingsoperatoren

Art. 5.Krachtens artikel 5, § 2, 2°, van het decreet dienen de vormingsoperator en, in voorkomend geval, de partner met wie hij een overeenkomst ondertekend heeft, te voldoen aan volgende voorwaarden om erkend te worden : 1° over het pedagogisch personeel beschikken in verhouding tot het aantal personen die de vorming dienen te volgen, wat betekent over minstens één lesgever beschikken voor de begeleiding van twaalf stagiairs;2° over lokalen en meubilair beschikken om te voldoen aan de eisen van de vormingsmodules;3° over hardware beschikken dat aangepast is aan het aantal personen dat de opleiding dient te volgen zodoende dat elke persoon die een vormingsmodule volgt over een computer en een internetaansluiting kan beschikken. De vormingsoperator of, in voorkomend geval, de partner met wie hij een samenwerkingsovereenkomst gesloten heeft, dient te beschikken over lesgevers : a) ofwel die minstens een diploma of een getuigschrift van het hoger secundair onderwijs hebben;b) ofwel die een nuttige ervaring bezitten, en die een pedagogische vaardigheid aantonen op grond van titels of een nuttige ervaring om vormingsmodules in verband met de informatie- en communicatietechnologieën te verstrekken.

Art. 6.§ 1. De vormingsoperator en, in voorkomend geval, de partner met wie hij een overeenkomst ondertekend heeft, richten een erkenningsaanvraag aan het Bestuur, ofwel bij briefwisseling, ofwel via een elektronisch bericht, middels een formulier waarvan het model door de Minister wordt vastgesteld.

De erkenningsaanvraag door een vormingsoperator heeft als bijlagen stukken, inlichtingen en verbintenissen zoals hierna opgesomd : 1° de benaming van de vormingsoperator en de plaats waar zijn hoofdbedrijfszetel gevestigd is;2° zijn rechtspositie en, in voorkomend geval, een afschrift van zijn statuten;3° het aantal vormingsuren en het aantal jaarlijks in het vooruitzicht gestelde gerechtigden, per vormingsmodule omgerekend;4° een omschrijving van de lesinhouden en de bij de vorming gevolgde methode;5° een omschrijving van de materiële en menselijke middelen die ingezet worden om de vormingsmodules te verstrekken en, in voorkomend geval, het afschrift van de samenwerkingsovereenkomst;6° indien het een mobiele operator betreft, een omschrijving van het gebied waarover de activiteiten zich uitstrekken;7° informatie over de ervaring verworven in de opleiding tot de informatie- en communicatietechnologieën, in het bijzonder ten opzichte van het in artikel 4 van het decreet;8° in voorkomend geval, een afschrift van de samenwerkingsovereenkomst;9° de verbintenis om zich te onderwerpen aan de controle van het Bestuur en de artikelen 55 en volgende van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991, na te leven;10° de instemming met het pedagogisch handvest waarvan het model bepaald wordt door de Minister, op voorstel van de deskundige. § 2. Het Bestuur verstrekt een bericht van ontvangst van de erkenningsaanvraag binnen de tien werkdagen na ontvangst ervan.

Indien de aanvraag onvolledig is, wordt de vormingsoperator daarover ingelicht door het Bestuur dat hem ervan op de hoogte brengt dat de termijn bedoeld in artikel 7, § 2, opgeschort wordt tot en met de ontvangst van de ontbrekende stukken of inlichtingen. § 3. Het Bestuur behandelt de aanvraag.

Art. 7.§ 1. Het Bestuur wint het pedagogisch advies van de door de Minister aangestelde deskundige in. § 2. Het Bestuur maakt de erkenningsaanvraag en beide adviezen, namelijk het technische en het pedagogische advies, aan het Comité over binnen de twee maanden na ontvangst van de aanvraag. § 3. Het Comité brengt een gemotiveerd advies uit over de erkenningsaanvraag binnen een termijn van vier maanden te rekenen van de ontvangst ervan.

Het Comité hoort de vertegenwoordigers van de vormingsoperator die erom verzoekt. Het kan eveneens de vertegenwoordigers van de vormingsoperator ertoe uitnodigen om te worden gehoord. In ieder geval worden ze pas gehoord na het versturen van een oproeping waarbij, indien nodig, de aangelegenheden waarover het Comité het standpunt van de vormingsoperator wenst te kennen, nauwkeurig vermeld worden.

Art. 8.De aanvraag tot hernieuwing van de erkenning wordt bij het Bestuur ingediend.

De procedure voor de hernieuwing van de erkenning wordt geregeld bij de artikelen 6, 7 en 10.

Het document bedoeld in artikel 6, § 1, lid 2, 3°, dient door de vormingsoperator aan het Bestuur te worden overgemaakt.

De andere documenten of inlichtingen bedoeld in artikel 6, § 1, lid 2, dienen door de vormingsoperator aan het Bestuur te worden medegedeeld voorzover er wijzigingen zijn opgetreden in de loop van de periode die door de vorige erkenning gedekt was.

Art. 9.§ 1. Het Comité stelt de opschortingen en intrekkingen van erkenningen aan de Minister voor.

Vooraf worden de vertegenwoordigers van de betrokken erkende vormingsoperator door het Comité gehoord.

Zij worden pas gehoord na het versturen van een oproeping waarbij de aangelegenheden waarover het Comité het standpunt van de vormingsoperator wenst te kennen, nauwkeurig vermeld worden. § 2. De erkenning kan niet opgeschort worden voor een duur van meer dan zes maanden.

Als die opschortingstermijn eenmaal verstreken is, kan de Minister de erkenning intrekken indien de vormingsoperator steeds niet de erkenningsvoorwaarden naleeft.

Art. 10.De Minister spreekt zich uit over de verlening, de weigering, de hernieuwing, de opschorting en de intrekking van de erkenning binnen de dertig werkdagen volgend op, al naar gelang, de ontvangst van het advies of van het voorstel van het Comité.

Indien een beslissing binnen de vastgestelde termijn uitblijft, wordt zij geacht gunstig te zijn.

Er wordt kennis gegeven van de beslissing van de minister aan de vormingsoperator binnen de tien werkdagen na de ontvangst van de beslissing door het Bestuur en er wordt een afschrift ter informatie aan het Comité overgemaakt. HOOFDSTUK IV. - Het Comité

Art. 11.§ 1. Er wordt een Comité ingesteld, samengesteld als volgt : 1° één vertegenwoordiger van de Minister, die het voorzitterschap waarneemt;2° twee vertegenwoordigers van de representatieve werkgeversorganisaties;3° twee vertegenwoordigers van de representatieve werknemersorganisaties;4° twee vertegenwoordigers van de deskundige;5° twee vertegenwoordigers van het "Office wallon de la Formation professionnelle et de l'Emploi";6° één vertegenwoordiger van het "Agence wallonne des Télécommunications" (Waals Agentschap voor Telecommunicatie);7° één vertegenwoordiger van het Bestuur. De Minister wijst de comitéleden aan. De vertegenwoordigers bedoeld in paragraaf 1, 2° en 3°, worden uit dubbeltallen aan de Minister voorgedragen door de representatieve organisaties. § 2. Het ledenmandaat heeft een duur van vier jaar en is hernieuwbaar.

Het lid dat ophoudt zijn mandaat uit te oefenen voor verstrijken ervan wordt vervangen voor de overblijvende periode. § 3. Het Comité legt zijn huishoudelijk reglement vast en legt het ter goedkeuring aan de Minister voor.

Het Comité vergadert minstens vier keer per jaar.

Om geldig te beraadslagen, is de aanwezigheid van de meerderheid van de comitéleden vereist. Elke beslissing wordt collegiaal getroffen en streeft ernaar de eenparigheid van stemmen achter zich te scharen. Bij ontstentenis wordt de beslissing getroffen bij meerderheid van de aanwezige leden.

De leden bedoeld in artikel 11, § 1, zetelen met raadgevende stem.

Het Comité kan werkgroepen samenstellen waarvan het de samenstelling bepaalt en stelt de hun toevertrouwde opdrachten vast. De resultaten van de werkgroepen worden ter beslissing aan het Comité voorgelegd.

Het secretariaat van het Comité wordt door het Bestuur waargenomen. HOOFDSTUK V. - Bedrag van de subsidies

Art. 12.De subsidies die worden verleend aan de erkende vormingsoperatoren worden als volgt vastgesteld : 1° 7,5 euro per vormingsuur en per gevormde persoon, voor de vormingsmodules die van maandag tot en met zaterdag plaatsvinden;2° 10 euro per vormingsuur en per gevormde persoon, voor de vormingsmodules die op zaterdag en zondag plaatsvinden in het kader van sensibiliseringsacties, op voorwaarde dat het aantal gepresteerde uren minstens zes per dag bedraagt;3° 1 euro per afgelegde kilometer voor de reis- en aansluitingskosten van de mobiele operatoren;4° 500 euro forfait over de duur van de erkenning voor de promotieacties. Er wordt geen enkele subsidie toegekend voor de vormingsuren die reclame- of handelsdoeleinden nastreven.

De Minister kan op voorstel van het Comité de in lid 1 bepaalde subsidiebedragen wijzigen. HOOFDSTUK VI. - Voorwaarden voor de toekenning en de uitbetaling van de subsidies

Art. 13.De subsidies worden aan de erkende vormingsoperatoren toegekend krachtens artikel 10 van het decreet.

De Minister stelt jaarlijks op voorstel van het Bestuur het maximumaantal vormingsuren die elk vormingsoperator mag verstrekken, vast.

Art. 14.Elke erkende vormingsoperator maakt het Bestuur tegen 1 november een vooruitgepland jaarlijks programma over met de in de loop van het volgend bedrijfsjaar te houden vormingsmodules.

Elk bedrijfsjaar vangt aan op 1 januari en eindigt op 31 december.

Tegen uiterlijk 15 december dient dat programma door het Bestuur na advies van het Comité ter goedkeuring aan de Minister te worden voorgelegd.

Art. 15.Voor de uitbetaling van de subsidies aan de erkende vormingsoperator dienen vooraf één of meerdere van volgende documenten aan het Bestuur te worden overgemaakt : 1° een schuldvordering, met als bijlage de prestatiestaten en de oorspronkelijke aanwezigheidslijst(en) die betrekking hebben op de door de subsidie te dekken periode;2° een per kwartaal opgemaakte lijst van de gevormde personen, in de vorm van een standaardbestand waarvan het model door de Minister vastgesteld wordt.Die lijst wordt enkel per elektronisch bericht overgemaakt; 3° wat de mobiele operatoren betreft, een lijst en de stukken ter staving van de afgelegde kilometers;4° de bewijsstukken met betrekking tot de promotieacties. HOOFDSTUK VII. - Controle

Art. 16.De erkende vormingsoperator deelt een jaarlijkse activiteitenverslag aan het Comité mee waarvan het model door de Minister wordt vastgesteld. HOOFDSTUK VIII. - Overgangs- en slotbepaling

Art. 17.Voor het bedrijfsjaar 2006 delen de vormingsoperatoren hun jaarlijks programma zoals omschreven in artikel 14 in op hetzelfde ogenblik als ze hun erkenningsaanvraag indienen.

Art. 18.Het decreet van 3 februari 2005 betreffende het sensibiliseringsplan inzake de informatie- en communicatietechnologieën en dit besluit treden in werking op 1 augustus 2005.

Art. 19.De Minister is belast met de uitvoering van dit besluit.

Namen, 14 juli 2005.

De Minister-President, J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE De Minister van Vorming, Mevr. M. ARENA

^