Besluit Van De Waalse Regering van 22 april 2004
gepubliceerd op 13 augustus 2004
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Besluit van de Waalse Regering houdende de definitieve goedkeuring van de herziening van het gewestplan Nijvel met het oog op de opneming van een gemengde bedrijfsruimte op het grondgebied van de gemeente Tubeke (blad 39/1N)

bron
ministerie van het waalse gewest
numac
2004027106
pub.
13/08/2004
prom.
22/04/2004
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

22 APRIL 2004. - Besluit van de Waalse Regering houdende de definitieve goedkeuring van de herziening van het gewestplan Nijvel met het oog op de opneming van een gemengde bedrijfsruimte op het grondgebied van de gemeente Tubeke (Tubeke en Sint-Renelde) (blad 39/1N)


De Waalse Regering, Gelet op het CWATUP (Waals Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium), meer bepaald de artikels 22, 23, 30, 35, 37, 41 tot 46 en 115;

Gelet op het SDER (Gewestelijk Ruimtelijk Ontwikkelingsplan - GROP) goedgekeurd door de Regering op 27 mei 1999;

Gelet op het koninklijk besluit van 1 december 1981 tot invoering van het gewestplan Nijvel, gewijzigd meer bepaald door de besluiten van de Waalse Gewestexecutieve van 6 september 1991 en 6 augustus 1992;

Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 18 oktober 2002 tot herziening van het gewestplan Nijvel en tot goedkeuring van het voorontwerp tot wijziging van het plan met het oog op de opneming van een gemengde bedrijfsruimte op het grondgebied van de gemeente Tubeke (Tubeke en Sint-Renelde) in de nabijheid van de bedrijfsruimte van Sint-Renelde (blad 39/1 N);

Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 18 september 2003 houdende de goedkeuring van het ontwerp tot herziening van het gewestplan Nijvel met het oog op de opneming van een gemengde bedrijfsruimte op het grondgebied van de gemeente TUBEKE (Tubeke en Sint-Renelde) in de nabijheid van de bedrijfsruimte van Sint-Renelde (blad 39/1 N);

Gelet op de klachten en opmerkingen die werden geuit tijdens het openbaar onderzoek dat plaatsvond in Tubeke van 27 oktober 2003 tot 10 december 2003, met betrekking tot volgende thema's : - de verantwoording van de behoeften ten opzichte van de regionale oriëntatiedocumenten; - de invloed op de werkgelegenheid; - de bereikbaarheid van de site en de mobiliteit; - de invloed op de landbouwfunctie; - de informatie aan de burger; - de gevolgen voor het leefkader; - de geologische en hydrogeologische dwingende voorwaarden; - de aanwezigheid van een hoogspanningslijn; - de invloed op het vastgoed en op de buurt;

Gelet op het gunstige advies van de gemeenteraad van Tubeke van 22 januari 2004;

Gelet op het gunstige advies met voorwaarden met betrekking tot het ontwerp tot herziening van het gewestplan Nijvel met het oog op de opneming van een gemengde bedrijfsruimte op het grondgebied van de gemeente Tubeke (Tubeke en Sint-Renelde) uitgebracht door de CRAT (Gewestelijke Commissie voor Ruimtelijke Ordening) op 26 maart 2004;

Gelet op het ongunstige advies uitgebracht door de CWEDD (Waalse Milieuraad voor duurzame ontwikkeling), op 4 maart 2004;

Validatie van de effectenstudie Overwegende dat de Regering, in haar besluit van 18 september 2003, van mening is dat de effectenstudie al de nodige elementen bevatte om te oordelen over de opportuniteit en de afstemming van het ontwerp en deze dan ook als volledig beschouwt;

Overwegende dat zowel de CRAT als de CWEDD, ondanks de klachten die tijdens het openbaar onderzoek werden geuit, van mening zijn dat de auteur een studie van bevredigende kwaliteit heeft afgeleverd, ook al noteren ze enkele tekortkomingen of onnauwkeurigheden, die echter niet van die aard zijn dat ze de beoordeling van het ontwerp in het gedrang brengen, gezien alle noodzakelijke feitelijke elementen voor de besluitvorming van de Regering tot haar beschikking stonden;

Overwegende dat de effectenstudie beantwoordt aan het bepaalde van artikel 42 van het CWATUP en van het bestek, zoals de CRAT aangaf; dat de Regering voldoende voorgelicht is om met kennis van zaken uitspraak te kunnen doen;

Afstemming van het ontwerp op de behoeften Overwegende dat de Regering zich tot doel stelde om, op korte termijn, te voldoen aan de behoeften aan benodigde ruimte voor de economische activiteit tegen 2010;

Overwegende dat, op basis van een rapport dat het DGEE (Directoraat-Generaal Economie en Tewerkstelling) opstelde, en van de analyse die ze ervan maakte, de Regering, met haar besluit van 18 oktober 2002, van mening was dat het grondgebied van de Intercommunale du Brabant Wallon (IBW) in drie subruimtes diende opgesplitst : West (regio Nijvel), Centrum (regio Waver) en Oost (regio Geldenaken); dat ze voor de regio West van het grondgebied van de IBW, het referentiegebied voor huidig besluit, de globale behoeften aan ruimte voor de economische activiteit over tien jaren raamde op een netto oppervlakte van zowat 85 hectare, waaraan forfaitair 10 % diende toegevoegd als nodige oppervlakte voor de technische voorzieningen van het gebied, hetzij een oppervlakte van ongeveer 94 hectare die dient opgenomen als bedrijfsruimte; dat ze daarnaast meende dat, teneinde dit grondgebied naar behoren te vermazen, nieuwe ruimtes dienden voorbehouden voor de economische activiteit in de gemeentes Tubeke en Nijvel;

Overwegende dat de effectenstudie de deugdelijkheid van de afbakening van het referentiegebied heeft bevestigd, evenals het bestaan van de socio-economische behoeften op dit grondgebied, binnen het tijdsbestek dat de Regering bepaalde; dat ze, gezien de omvang van deze behoeften, deze heeft verhoogd tot een bruto-oppervlakte van 110 tot 115 hectare;

Overwegende dat zowel de CRAT als de CWEDD de relevantie van het ontwerp ten opzichte van de bestaande concrete behoeften bevestigen; dat, hoewel bepaalde reclamanten de relevantie van de afbakening van het referentiegebied betwistten, omdat het kunstmatig beperkt zou zijn tot het grondgebied dat de IBW beheert, met inbegrip van Nijvel als belangrijkste pool, terwijl deze stad meer dan een half uur ver van de site ligt, en er enkel mee verbonden is door de weg en de vrachtwagens, en niet de dichter gelegen en voor het openbaar en het zacht vervoer vlot bereikbare steden Halle en Edingen omvat, de CRAT aanstipt dat deze afbakening beantwoordt aan de doelstellingen van het voorontwerp en dus niet in vraag kan gesteld worden, zonder te raken aan de basisdoelstellingen van het plan; dat, in ieder geval, de kritiek niet van die aard is dat het ontwerp in vraag wordt gesteld, aangezien de effectenstudie aantoonde dat het de pool van Tubeke aantrekkelijker kan maken en de ontwikkeling kan aanzwengelen, om een mouw te passen aan de zware economische problemen door de staalcrisis; dat de nabijheid van de steden Halle en Edingen een bijkomende troef is in dat opzicht;

Validatie van het ontwerp Overwegende dat het besluit van 18 oktober 2002 gegrond is op de overweging dat de aangemerkte zone het best aansluit op de bestaande voorzieningen die zich op het referentiegebied bevinden;

Overwegende dat de effectenstudie de optie van het voorontwerp van plan tot wijziging gegrond heeft bevonden, in die zin dat het de opneming van een gemengde bedrijfsruimte van 71 hectare op het grondgebied van de gemeente Tubeke (Tubeke en Sint-Renelde), beoogt, om niet-vervuilende bedrijven te huisvesten;

Overwegende dat bijgevolg de Regering haar optie in het besluit van 18 september 2003 heeft bevestigd;

Overwegende dat de CRAT eveneens deze beslissing bekrachtigt;

Onderzoek van de lokaliseringsalternatieven Overwegende dat, overeenkomstig artikel 42, lid 2, 5° van het Waals Wetboek, en het bijzonder bestek, de effectenstudie alternatieven heeft gezocht; dat deze alternatieven betrekking kunnen hebben op de lokalisering, de afbakening of de uitvoering van het in het ontwerpgewestplan op te nemen gebied;

Overwegende dat de auteur van de effectenstudie geen enkel lokaliseringsalternatief heeft uitgelicht, daar de voorgestelde site het meest geschikt is om de doelstellingen van de herziening van het gewestplan in te vullen;

Overwegende dat de CRAT zich bij deze analyse aansluit;

Overwegende dat de CWEDD deze in vraag stelt, met een aantal bezwaren, die hierna worden uiteengezet, met de suggestie om alternatieven, met het oog op het herstel van afgedankte bedrijfsruimtes (SAED) te onderzoeken : dat hij van mening is dat de redenen die de auteur van de effectenstudie opgeeft om deze alternatieven niet te overwegen, niet gegrond zijn; dat volgens hem de nodige tijd om de sites op te waarderen en ze toegankelijk te maken, geen hindernis is in die mate dat de inrichting van de ontwerp-zone een zelfde tijd zou vragen; dat hij meent dat een opwaardering van één of meer afgedankte bedrijfsruimtes van het stadscentrum meer zou bijdragen tot een beter imago van de stad dan de aanleg van een bedrijfsruimte (ZAE) buiten de stad;

Overwegende echter dat, zoals de Gemeenteraad aanstipt, een aantal van de overwogen sites in het stadscentrum niet geschikt kunnen zijn voor economische activiteiten die veel transportverkeer teweegbrengen; dat ze moeten voorbehouden worden voor bestemmingen die beter bij de ligging passen, zoals huisvesting of handel; dat anderzijds voor de site van Clabecq - Duferco Sud alvorens er van enige nieuwe bestemming sprake kan zijn, een grootscheepse sanering en reiniging dient te gebeuren, die niet tot een goed einde kunnen gebracht worden binnen een vergelijkbare tijdspanne als voor de uitvoering van de doelstellingen van het plan;

Overwegende dat de CWEDD tevens aanstipt dat de Gemeenteraad van Tubeke PCAD-procedures (Afwijkend Gemeentelijk Plan van Aanleg) heeft willen inzetten om de onderzochte zone voor recreatieve activiteiten te bestemmen, vóór de wijziging van het gewestplan : dat hij vreest dat de lopende rechtsvorderingen de termijn voor de terbeschikkingstelling van deze terreinen nog zullen verlengen; dat een aantal reclamanten ook aanklagen wat ze als een onverzoenbaarheid tussen deze ontwerpen beschouwen en stellen dat deze tegenstrijdigheden geen uitsluitsel geven over het lot van deze terreinen en inzake de invloed van het ontwerp op het leefmilieu;

Overwegende dat de Gemeenteraad, die tegelijk zijn voornemen aankondigt om de mogelijke bestemming van een deel van het gebied voor recreatieve activiteiten te onderzoeken, zich duidelijk uitsprak ten gunste van het ontwerp van de Regering; dat hij aanstipt dat, in de hypothese dat dit voornemen concreet vorm krijgt, dit zou gebeuren aan de hand van een PCAD, met inbegrip van een effectenstudie, die de vragen van de reclamanten zou beantwoorden, en dat het dus voorbarig is om rekening te houden met dit gemeentelijk plan, dat nog niet in voldoende gevorderde staat is om de eventuele gevolgen te beoordelen en om het ontwerp van de Regering in vraag te stellen;

Onderzoek van de alternatieven voor afbakening en uitvoering Overwegende dat, anderzijds, de effectenstudie duidelijk aantoonde dat de nadelen die verbonden zijn aan het ontwerpgebied op grote schaal kunnen ingedijkt worden, als de afbakening zodanig wordt gewijzigd, weliswaar met de inkrimping van de oppervlakte met 9 hectare, om deze een gepaste configuratie te verlenen, met als gevolg een iets geringer grondverzet, een betere bescherming van de Stierbecq-vallei, minder aantasting van milieus met hoge biologische waarde, de schrapping van de onteigeningen, de vermindering van de hinder voor het woongebied, minder aantasting van de landbouwfunctie, de ontsluiting van een landbouwruimte, de handhaving van de herverkavelingsomtrek;

Overwegende dat de Regering, in haar besluit van 18 september 2003, meende dat uit deze vergelijkende studie bleek dat de beste oplossing om aan deze doelstellingen te beantwoorden, bestond uit het oorspronkelijk ontwerp, met de herziening van zijn perimeter volgens de suggesties die de auteur van de effectenstudie doet en, zodoende, de opneming van deze zone met een gewijzigde afbakening aan te merken als ontwerp van gewestplanherziening;

Overwegende dat de CRAT deze beslissing goedkeurt;

Overwegingen met betrekking tot de algemene aanbevelingen van de CWEDD Overwegende dat de CWEDD in zijn verschillende adviezen, een reeks algemene aanbevelingen heeft gedaan met betrekking tot de herzieningsprocedure en algemene aanbevelingen met betrekking tot de eventuele uitvoering van de ontwerpen;

Overwegende dat hij, allereerst, meent dat de evaluatie inzake de uitvoering van het prioritaire plan enkel relevant zal zijn als de uitbouw van de infrastructuren gekoppeld wordt aan de voorwaarde van een nieuwe beoordeling van de gevolgen die eigen zijn aan de groepering van bedrijven; dat hij vraagt om, bij de vestiging van de vestigingen, een milieubeoordeling uit te voeren, per fase van ingebruikname van het activiteitengebied, met het oog op een algemeen overzicht;

Overwegende dat het CCUE (Stedenbouwkundig en Milieubestek), waarvan de opstelling wordt opgelegd door het artikel 31bis van het CWATUP, maximaal tien jaar geldig zal zijn; dat de hernieuwing noodzakelijkerwijze een nieuw onderzoek van de situatie zal inhouden en het mogelijk zal maken om de bepalingen aan te passen aan de evolutie die op het terrein zal vastgesteld worden en aan de bijkomende gegevens die in tussentijd werden verzameld; dat desgevallend, dit vernieuwd onderzoek de gelegenheid zal zijn om de procedures voor herbestemming of bestemmingswijziging die aangewezen lijken, in te zetten; dat deze procedure het dus mogelijk zal maken om ruimschoots tegemoet te komen aan de suggestie van de CWEDD;

Overwegende dat, vervolgens, de CWEDD herinnert aan zijn aanbevelingen betreffende de relaties tussen mobiliteit, vervoer en ruimtelijke ordening; dat hij verheugd is over de verplichting, door middel van het CCUE, om mobiliteitsplannen op te maken die het mogelijk zullen maken om het gebruik van zachte vervoersvormen en van het openbaar vervoer te bevorderen; dat hij aandringt op een beveiligd verkeer van voetgangers en fietsers in de nieuwe bedrijfsruimte;

Overwegende dat deze suggestie gepast lijkt; dat dient opgelegd dat deze beveiliging deel uitmaakt van de verplichtingen die het CCUE zal moeten bevatten;

Overwegende dat, voor het overige, de wens dat de nieuwe bedrijfsruimtes worden bediend door het openbaar vervoer niet in tegenspraak is met het beleid dat de Regering voert; dat het net van de Waalse TEC-maatschappijen zodanig georganiseerd is dat de belangrijkste plaatsen van het grondgebied die verkeer in de hand werken, worden aangedaan en dat, gezien dit voornamelijk over de weg gebeurt, het vlot aan te passen is naargelang van de evolutie van de lokaties die verkeersstromen in de hand werken, zonder investeringen van betekenis; dat, anderzijds, gezien de structurele kosten, de spoorweg enkel voor lange afstanden en grote volumes een pertinente oplossing biedt voor de mobiliteitsproblemen; dat, zodoende, voor de meeste individuele vervoerbehoeften van de KMO's, die zich zullen vestigen in de nieuwe aangelegde bedrijfsruimtes, de spoorweg enkel kan gebruikt worden in combinatie met andere vervoermiddelen, die voornamelijk over de weg gaan; dat het dus aan de hand van een intermodaal spoor-wegvervoer is, dat wordt opgenomen in de door de CCUE's opgelegde mobiliteitsplannen, dat de doelstellingen van duurzame mobiliteit die de CWEDD vastlegde, zullen gehaald kunnen worden;

Bijzondere overwegingen Overwegende dat dient rekening gehouden met volgende bijzondere elementen : - Verantwoording van de behoeften ten opzichte van de regionale oriëntatiedocumenten Reclamanten stellen aan de kaak dat het ontwerp indruist tegen de grote opties van het CWATUP, het SDER (GROP), de RBV (DPR), het CAWA (Geactualiseerd Toekomstcontract voor Wallonië) of het Milieuplan voor Duurzame Ontwikkeling (PEDD). Ze beklemtonen hoofdzakelijk dat het ontwerp goede landbouwgrond opoffert, terwijl er vlakbij nog heel wat verlaten industrieterreinen liggen, en dat het niet zou kaderen in de ruimtelijke structuur van het SDER (GROP).

De CRAT verwerpt deze bezwaren beslist.

Eerst dient benadrukt dat de auteur van de effectenstudie tot het besluit kwam dat het ontwerp spoort met het CWATUP, het SDER (GROP), het PEDD, het CAWA en de Regionale Beleidsverklaring (DPR).

Buiten het feit dat, zoals reeds werd aangestipt, de nabijgelegen afgedankte bedrijfsruimtes niet van die aard zijn dat ze kunnen aansluiten op de doelstellingen van het prioritaire plan, stipt de CRAT aan dat het ontwerp het beginsel van sterkere uitstraling van het centrum niet in vraag stelt, dat het bijdraagt tot de stadskerninbreiding, de supraregionale ruimtelijke dynamiek van Wallonië aanzwengelt, door de nabijheid van het Vlaams Gewest, en de Brusselse pool en bijdraagt tot de economische herstructurering van de pool Tubeke.

Het brengt geen enkel gebied van hoog biologisch belang in gevaar en beantwoordt aan een aantal prioriteiten van het CAWA en van de Regionale Beleidsverklaring. - Invloed op de werkgelegenheid Reclamanten zijn van mening dat de werkgelegenheid die kan geschapen worden op de site, te optimistisch is ingeschat. Er zou geen echte balans zijn opgemaakt tussen de aanleg van een bedrijfsruimte op opgeëiste landbouwgronden of op afgedankte bedrijfsruimtes.

De beoordelingen gebeurden nochtans volgens de gebruikelijke regels, ook al komt de auteur van de effectenstudie tot iets minder optimistische conclusies. Hoe dan ook, deze verschillen leiden er niet toe om het ontwerp in vraag te stellen. - Bereikbaarheid van de zone en mobiliteit Reclamanten klagen allereerst het gebrek aan multimodaliteit van het gebied aan. Dit zou niet bediend worden door het openbaar vervoer, de toegang voor voetgangers zou moeilijk zijn, het is niet aangesloten op een spoorweg, noch op een waterloop, in tegenstelling tot de site Clabecq-Duferco.

Wat de multimodaliteit betreft, onderstreepte het besluit van 18 oktober 2002 al dat de bedrijven die zich in de zone zouden vestigen, nuttig gebruik zouden kunnen maken van de diensten van het platform van Dourges (La Louvière).

Wat de toegang voor de personen betreft, dient herinnerd dat de site dicht bij de gemeentes Halle en Edingen ligt, die vlot bereikbaar zijn zowel met het openbaar vervoer als met de zachte vervoersvormen.

Andere reclamanten beklemtonen dat de chaussée de Hondzocht al strop zit op de piekuren en dat de aanleg van het gebied in kwestie de problemen nog zal opvoeren.

De CRAT beklemtoont dit aspect. Ze is van mening dat de aanleg van een nieuwe toegang tot de site onontbeerlijk is. Ze merkt op dat de aanleg van het kruispunt Hondzocht - Andrain de efficiëntste oplossing zou zijn, maar dat dit in het Vlaams Gewest gelegen is. Er zouden twee alternatieve oplossingen kunnen overwogen worden : de aanleg van een nieuwe snelwegafrit aan de rue des Frères Verkleeren, maar de kostprijs zou de kosten voor de aanleg van het gebied flink opdrijven en deze zou op amper 1200 m van de huidige toegang liggen, wat niet echt toelaatbaar is voor de veiligheid; en de aanleg van de toegang via de chemin de la Lieux.

De Regering stelt vast dat er een aantal oplossingen te overwegen zijn om deze problemen in verband met de toegankelijkheid van de site op te lossen en dat deze dus geen belemmering vormen. Gezien deze vele oplossingen dient bevolen dat het CCUE de meest aangewezen oplossing zou bepalen, rekening houdend met de voornoemde beperkingen en met de wijze waarop het gebied daadwerkelijk zal benut worden. Het CCUE zal zich ook toeleggen op de studie en de organisatie van de nooduitgangen, de bereikbaarheid van de velden en de parkeermogelijkheden. - Invloed op de landbouwfunctie Een aantal reclamanten klaagt de invloed van het ontwerp op de landbouwfunctie aan, omdat er landbouwgrond van uitstekende kwaliteit zou ingenomen worden. Ze klagen meer bepaald de gevolgen aan die de uitvoering van het ontwerp zal hebben op drie exploitaties, waarvan een vrij groot deel van de gronden onteigend zal worden.

De Gemeenteraad van Tubeke sprak zich echter gunstig uit over het ontwerp en benadrukte daarbij, enerzijds, dat het nadeel die de exploitanten ondervonden zou gecompenseerd worden door de onteigeningsvergoedingen die ze zouden krijgen en, anderzijds, dat de balans van de belangen ten voordele van de economische en sociale invloed van het ontwerp zou overhellen, met name inzake nieuwe werkgelegenheid.

Het hele prioritaire plan voor een bedrijfsruimte (ZAE) zal leiden tot de bestemming, als bedrijfsruimte, van maximaal 1200 hectare, waarvan een beduidend gedeelte momenteel als landbouwgebied ingekleurd is, of ongeveer 1,5 per duizen van de nuttige landbouwoppervlakte in het Waals Gewest (volgens de gegevens die het DGA (Directoraat-Generaal Landbouw) publiceerde, 756.567 hectare in 2002, het laatste jaar waarvoor de cijfers beschikbaar zijn). Rekening houdend met de benodigde tijd voor de uitvoering van deze nieuwe bestemmingen en met de fasering die de CCUE's opleggen, kan worden geraamd dat dit proces voor de bestemmingswijziging zich over een tiental jaren zal spreiden.

Het verlies van deze oppervlaktes kan dus slechts een zeer marginale invloed hebben op de landbouwexploitatie, op regionaal niveau gezien.

Eerst en vooral, rekening houdend met de verhoging van de landbouwproductiviteit, zal het verlies aan landbouwgronden ruim gecompenseerd worden : Inter-Environnement-Wallonie en de CRAT geven wel aan dat het verlies aan landbouwgronden de graanproductie met ongeveer 7.800 ton zou verminderen, maar anderzijds blijkt dat de productiviteitsstijging (volgens het DGA een gemiddelde productiviteitswinst van 100 KG/ha/jaar) zodanig is dat, gezien het aantal hectare dat voor deze teelt in het Gewest bestemd is (190.000), de productiviteitsstijging (190.000 ton op tien jaar) zowat 2,5 keer het aangeklaagde verlies zou moeten bedragen.

Vervolgens, zo een negatieve invloed van bepaalde wijzigingen van het gewestplan op welbepaalde exploitaties te vrezen valt, dient een parallel getrokken te worden tussen het verlies aan gronden dat ze zullen lijden, en de oppervlakte aan landbouwgronden die elk jaar onroerend goed worden, namelijk 9.000 hectare.

Zoals voormeld, zou de uitvoering van het Prioritaire ZAE-plan gedurende 10 jaar ongeveer 120 hectare per jaar moeten onttrekken aan de landbouwexploitatie. De compensatie van deze verliezen voor de betrokken landbouwers zal dus slechts 1,3 % van alle jaarlijkse eigendomsovergang van landbouwgronden vertegenwoordigen, wat trouwens kadert in een algemene context van groepering van de geëxploiteerde gronden tot grotere gehelen.

Bijgevolg kan gesteld worden dat de landbouwers die nadelen ondervinden van de gewestplanwijzigingen, gronden zullen kunnen vinden om te voldoen aan de behoeften van hun exploitaties.

Ook al zullen deze, misschien, niet dezelfde kenmerken vertonen, inzake exploitatiefaciliteiten met name, toch zouden ze mogelijk moeten maken dat een groot aantal exploitaties, in aanvaardbare omstandigheden, kunnen overleven. Het saldo van de geleden schade zal gecompenseerd worden door onteigeningsvergoedingen.

In haar besluit van 18 oktober 2002 stelde de Regering, die zich bewust is van deze gevolgen voor de landbouwfunctie, reeds dat dit werd verantwoord, onder meer door het marginale karakter, ten opzichte van de nuttige landbouwoppervlakte in het referentiegebied, ten aanzien van het aantal gecreëerde banen en van de economische ontwikkeling die door de ligging en de voornoemde troeven wordt aangezwengeld.

Met haar besluit van 18 september 2003 legde de Regering een afbakeningsalternatief vast dat de invloed op de landbouwfunctie beperkt, met uitsluiting uit de perimeter van het gebied van een deel van de exploitatie van de heer Decroly, namelijk zijn stal en een groot deel van zijn gronden.

Anderzijds vraagt de CWEDD in zijn algemene overwegingen, dat de landbouwers zouden opgevolgd worden bij de uitvoering van het gebied voor de bedrijfsruimte op de gronden die ze exploiteren.

Het CCUE zal, met name aan de hand van een fasering van de ingebruikname van de zone, de gepaste maatregelen bepalen om deze gevolgen zoveel mogelijk te beperken. Als gunstige maatregel voor het natuurlijke en menselijke leefmilieu, zal het een nota moeten bevatten die een uitvoerig overzicht geeft van de middelen die ter beschikking staan van de landbouwers van wie het voortbestaan van de exploitatie door het ontwerp wordt bedreigd. Deze maatregel kan de voornoemde doelstellingen van de CWEDD invullen.

En tot slot is de lopende herverkaveling geen hinderpaal voor het ontwerp. Het artikel 46, § 1, lid 2, 4°, werd gewijzigd door het decreet van 18 juli 2002 om alle principebezwaar tegen de opneming van een ZAE in een herverkavelingsperimeter te verhinderen. De artikels 9 en 25 van de wet van 12 juli 1976 met betrekking tot de wettelijke herverkaveling van de landeigendommen zijn in dit geval niet van toepassing gezien het, enerzijds, geenszins gaat om de hypothese van een opzegging aan een exploitant en het hier anderzijds de normale uitvoering betreft van de bestemming die wettelijk door het gewestplan werd vastgelegd.

Natuurlijk kan het betreurd worden dat huidig ontwerp deels in tegenspraak is met de doelstellingen in het kader van de herverkaveling, maar er dient wel duidelijk aangestipt dat enerzijds, de fase van de ruil van de exploitaties afgerond werd met een akte van 7 november 1997, terwijl de fase van de ruil van de eigendommen nog niet gestart is en dat, anderzijds, de prioritaire doeleinden die onderhavig besluit nastreeft, voorrang moeten hebben op de nadelen die zullen voortvloeien uit de onteigening van een deel van de herverkavelde gronden. - Informatie aan de burger Reclamanten betreuren dat er geen enkele informatie werd gegeven over de aanleg van een nieuwe weg.

De CRAT merkt op dat het slechts een suggestie betreft, onder nog andere, van de auteur van de effectenstudie om de site toegankelijker te maken.

Andere betreuren dat er slechts één exemplaar van de effectenstudie ter beschikking was of dat de term « gemengd » die op de bedrijfsruimte slaat, niet beter werd omlijnd.

Zoals de CRAT aanstipte, verliep de procedure overeenkomstig het voorschrift van de artikels 42 en 43 van het Wetboek. Het gemengde karakter van een bedrijfsruimte is dan weer bepaald door het artikel 30 van het CWATUP. - Invloed op het leefkader Reclamanten vrezen dat het ontwerp afbreuk zal doen aan hun leefkader.

Ze klagen aan dat het landschap van Tubeke zal veranderen en dat de weerslag op het landschap zeer groot zal zijn voor de bewoners van de chaussée de Hondzocht.

De CRAT zwakt deze vrees af.

De Gemeenteraad stelde vast dat de afbakenings- en uitvoeringsvariant die aangemerkt werd in het besluit van 18 september 2003 het mogelijk maakte om de impact op de Stierbecq-vallei in te dijken, wanneer het stroomopwaartse gedeelte en de bron uit de perimeter van het ontwerpgebied werden uitgesloten, en om de insluiting van het bestaande bos te vermijden en meteen ook de invloed op het landschap voor de bewoners van de chaussée de Hondzocht en de chemin de la Lieux te beperken.

Voor het overige zullen de luiken « landschap » en « stedenbouw en architectuur » van het CCUE mogelijk maken dat het gebied voldoende in het landschap wordt geïntegreerd.

Andere reclamanten klagen de geluidshinder en de trillingen aan die kunnen veroorzaakt worden door het transportverkeer, evenals de vervuiling van de atmosfeer die kan ontstaan door de vestiging van bedrijven op de site.

Zoals hierboven vermeld, zal het CCUE uit de mogelijke oplossingen, de meest geschikte kiezen voor het beheer van het bijkomend transportverkeer en de toegang tot de site, onder meer rekening houdend met de omvang van de hinder die elke oplossing voor de omwonenden inhoudt.

De kwesties inzake de vervuiling van de atmosfeer kunnen, zoals de CRAT onderstreept, enkel worden aangepakt in het kader van de aflevering van de milieuvergunningen. - Geologische en hydrogeologische dwingende voorwaarden Reclamanten vestigen de aandacht op de afhelling van de site. De effectenstudie heeft de aandacht getrokken op het feit dat dit kenmerk bijzondere maatregelen zou inhouden bij de bouw van de gebouwen. Deze bekommernissen worden ingevuld door de bepalingen van het CCUE en bij de aflevering van de stedenbouwkundige vergunningen of de enige vergunningen.

Bepaalde reclamanten wijzen op risico's van vervuiling van het oppervlaktewater, onder meer van de vele bronnen die de site telt. De verzadiging van het afvoernet van de rue d'Hondzocht wordt ook aangekaart.

De CRAT stipt aan dat het toekomstige zuiveringsstation, dat berekend is voor een behandeling van 25.000 EH, het mogelijk zou moeten maken om de verwezenlijking van het ontwerp te integreren.

Het CCUE zal, in elk geval, alle maatregelen moeten vastleggen die het mogelijk zullen maken om de aangehaalde problemen in goede banen te leiden. - Nutsvoorzieningen op de site Reclamanten herinneren eraan dat er een elektriciteitslijn met zeer hoge spanning door de site loopt. Ze herinneren tevens aan de schade die de instorting van een mast in 1991 toebracht.

De CRAT merkt op dat de aanwezigheid van deze lijn de bebouwing niet belemmert. Ze wijst ook op de aanwezigheid van twee gasleidingen met hoge en middendruk en van vier nabijgelegen Total Fina pipe-lines die parallel lopen met de hoge-drukgasleiding. Bovendien zijn er nog twee waterleidingen die door of langs de site lopen.

De nodige voorzorgen met het oog op de compatibiliteit tussen deze installaties en de bedrijven die zich op de site zullen vestigen, worden bepaald door het CCUE en bij de aflevering van de vergunningen. - Invloed op het vastgoed - Invloed op de buurt Reclamanten zijn van mening dat de uitbouw van het gebied de waarde van hun gebouwen zal verminderen.

Andere wensen een aantal beschermende en afzonderingsmaatregelen.

De CRAT antwoordt, op basis van de effectenstudie, dat deze opmerkingen weinig gegrond zijn, rekening houdend met de verplichting tot een afzonderingsmarge en de verschillende maatregelen die het CCUE zal opleggen om de integratie van het ontwerp in zijn omgeving veilig te stellen.

Begeleidende maatregelen Overwegende dat artikel 46, § 1, lid 2, 3° van het CWATUP voorziet dat de opneming van een nieuwe bedrijfsruimte gepaard gaat met de herbestemming van afgedankte bedrijfsruimtes, of de invoering van andere maatregelen om het milieu te beschermen, of een combinatie van deze twee begeleidende vormen;

Overwegende dat de begeleidende maatregelen, enerzijds moeten geënt zijn op de intrinsieke milieukwaliteit van de perimeter die voor bebouwing bestemd is, en anderzijds, op de objectieve inbreng van deze begeleidende maatregelen;

Overwegende dat het herstel van afgedankte bedrijfsruimtes een groot deel blijft innemen van deze milieugerichte begeleidende maatregelen;

Overwegende dat de Regering, in het kader van de begeleidende maatregelen bij huidige gewestplanherziening, de herbestemming van een aantal afgedankte bedrijfsruimtes in aanmerking neemt;

Overwegende dat, in de beoordeling van de verhouding tussen de begeleidende maatregelen en de ontwerpen voor de opneming van nieuwe bedrijfsruimtes, het redelijk is om rekening te houden met, enerzijds de verschillende impact van het herstel van de afgedankte bedrijfsruimtes naargelang van hun ligging en hun vervuiling, en anderzijds met de invloed op het milieu van de aanleg van een nieuwe bedrijfsruimte, die wisselt naargelang van de kenmerken en van de ligging; dat aldus blijkt dat, met naleving van het evenredigheidsbeginsel, een ingrijpende renovatie zwaarder moet wegen dan het herstel van een minder vervuilde site, dat de invloed van milieuvriendelijke maatregelen moet beoordeeld worden op basis van het effect dat er redelijkerwijze kan van verwacht worden en dat deze maatregelen van meer of minder belang moeten zijn naarmate de aanleg van het nieuwe gebied aanzienlijke of minder aanzienlijke gevolgen heeft voor zijn omgeving;

Overwegende dat in dit geval, bij gebrek aan de elementen die het mogelijk maken om objectief inzicht te bieden in de factoren die het mogelijk maken om dit gewicht en deze invloed volledig te beoordelen, de Regering het opportuun acht, zowel om zeker de voorschriften van het artikel 46, § 1, lid 2, 3° van het CWATUP na te leven als in het raam van haar bekommernis om zoveel als redelijk mogelijk is, de voorkeur te geven aan de herbestemming van afgedankte bedrijfsruimtes, om deze tekst strikt te interpreteren en een sleutel te hanteren die bij benadering overeenkomt met een m2 herbestemming van een afgedankte bedrijfsruimte SAED voor een m2 niet voor bewoning bestemde ruimte, die voortaan bestemd wordt voor economische activiteiten (evenwel met aftrek van de vroeger voor de economische activiteit bestemde oppervlaktes en die opnieuw geklasseerd zijn als niet voor bewoning bestemde gebieden );

Overwegende dat de begeleiding die voorzien is door artikel 46, § 1, lid 2, 3° van de CWATUP op regionaal niveau kan beoordeeld worden; dat daar huidig ontwerp kadert in een prioritair plan om het hele Gewest te voorzien van nieuwe ruimtes voor economische activiteiten, voornoemde sleutel dus globaal kan toegepast worden, waarbij de compensatie kan gebeuren tussen alle oppervlaktes die onttrokken zijn aan gebieden die niet voor bewoning bestemd zijn om voor de economische activiteit bestemd te worden (evenwel met aftrek van de vroeger voor de economische activiteit bestemde zones die opnieuw werden geklasseerd als gebieden die niet voor bebouwing bestemd zijn), enerzijds, en het geheel van de herbestemde SAED, anderzijds;

Overwegende echter dat, in een streven naar billijke geografische spreiding, het opportuun lijkt, gezien de nieuwe ruimtes die het prioritair plan bestemt voor de economische activiteit over het grondgebied van het hele Gewest gespreid zijn, om erover te waken dat de SAED ook evenwichtig gespreid zijn;

Overwegende dat, om deze doelstelling in te vullen, het Gewest ingedeeld werd in vijf evenwichtige en geografisch homogene gebieden; dat huidig ontwerp dus in een geheel van ontwerpen werd opgenomen (Hélécine - Geldenaken - Orp-Jauche, Nijvel, Bergen - Vieille-Haine, La Louvière - Plat Marais, Zinnik - s Gravenbrakel en Pont-à-Celles - Viesville - Luttre);

Overwegende dat, als bijkomende maatregel, de Regering heeft beslist om rekening te houden met de herbestemming van volgende sites : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld die een minstens gelijkaardige oppervlakte beslaan;

Overwegende dat, inzake de milieubeschermende maatregelen, zoals de CWEDD beklemtoonde, het artikel 46, § 1, lid 2, 3° van het CWATUP niet mogelijk maakt om de beschermende maatregelen op te nemen die opgelegd zijn in toepassing van het CWATUP, of van een andere vigerende reglementering; dat de Regering er niettemin op staat om te benadrukken dat, in een streven om het milieu te beschermen, ze, gelijklopend met de uitvoering van het prioritaire plan waarin huidig besluit kadert, een nieuw artikel 31bis van het CWATUP heeft goedgekeurd, dat oplegt dat elke nieuwe bedrijfsruimte gepaard moet gaan met een CCUE dat instaat voor de compatibiliteit van het gebied met zijn omgeving;

Overwegende dat, in huidig geval, het CCUE zal aangevuld worden met specifieke maatregelen, die verder gaan dan het bepaalde van het artikel 31bis van het CWATUP en haar omzendbrief van 29 januari 2004, om borg te staan voor een betere bescherming van het milieu : dat deze specifieke maatregelen beschouwd moeten worden als milieuvriendelijke maatregelen, die de maatregelen voor de herbestemming van afgedankte bedrijfruimtes aanvullen, in toepassing van artikel 46, § 1, lid 2, 3°, van het CWATUP;

Overwegende dat aldus ruimschoots is voldaan aan de verplichting die dit artikel oplegt;

CCUE Overwegende dat in uitvoering van artikel 31bis van het CWATUP, een CCUE zal opgemaakt worden voorafgaand aan de uitvoering van het gebied, volgens de richtlijnen van de ministeriële omzendbrief van 29 januari 2004;

Overwegende dat de CWEDD in zijn verschillende adviezen, een reeks algemene aanbevelingen heeft gedaan inzake de eventuele uitvoering van de ontwerpen, op het gebied van het beheer van het water, van de lucht, van het afval, van het grondverzet, van de opvolging van de landbouwexploitaties die bij deze ontwerpen betrokken zijn, van de mobiliteit en de toegankelijkheid, van de landschappelijke integratie en van de integratie van de beplanting;

Overwegende dat de Regering ruim vooruitliep op deze aanbevelingen, eerst met het voorstel aan het Parlement om het artikel 31bis van het CWATUP goed te keuren, dat voorziet dat de nieuwe bedrijfsruimtes het voorwerp van een CCUE uitmaken, en vervolgens met de bepaling van de inhoud van dit CCUE met de omzendbrief die ze op 29 januari 2004 goedkeurde;

Overwegende dat bepaalde aanbevelingen die de CWEDD deed, verdere details aanbrengen die relevant lijken, ofwel algemeen, ofwel voor huidig ontwerp, naargelang van de net beschreven kenmerken; dat de opsteller van het CCUE ze er in zal moeten verwerken;

Overwegende dat, bijgevolg, het CCUE in elk geval alle hierna vernoemde elementen zal moeten bevatten : - de maatregelen voor de bescherming van de Stierbecq-vallei, een nota die de middelen uiteenzet die ter beschikking kunnen gesteld worden van de landbouwers, van wie het voortbestaan van de exploitatie door dit ontwerp wordt bedreigd; - de maatregelen voor een gepaste behandeling van het waterbeheer, in het bijzonder het afvalwater; - de maatregelen voor de afzondering van de zone in het Noord-Oosten, ten opzichte van het dorp Tubeke en van de bewoners van de chaussée de Hondzocht, - de maatregelen om de landschappelijke integratie van het ontwerp te waarborgen; - de nodige voorzorgen voor de compatibiliteit van de hoogspanningslijn, de twee gasleidingen, de 4 pipe-lines van Total Fina en twee waterleidingen die aanwezig zijn op de site, met de bedrijven die zich op de site zullen vestigen; - de controle van de geotechnische capaciteit van de bodem en van de ondergrond; een plan voor de geleidelijke ingebruikname van het gebied, sector per sector, rekening houdend met de huidige bezetting van de site door de exploitanten; - de maatregelen in verband met de mobiliteit, in en buiten de zone, van de goederen en personen, met name de concrete aanleg van de toegang tot de site, de nooduitgangen, de bereikbaarheid van de velden, de parkeermogelijkheden en de beveiliging van de ruimtes die voorbehouden zijn voor het fiets- en voetgangersverkeer;

Conclusie Overwegende dat uit al deze ontwikkelingen blijkt dat huidig ontwerp het best geschikt is om, in naleving van de doelstellingen van artikel 1 van het Waalse Wetboek Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium, te voldoen aan de behoeften aan ruimtes voor de economische activiteit, in het betrokken referentiegebied;

Na beraadslaging, Op voorstel van de Minister van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Milieu, Besluit :

Artikel 1.De Regering keurt definitief de herziening van het gewestplan Nijvel goed, die bestaat uit de opneming, op het grondgebied van de gemeente Tubeke (Tubeke en Sint-Renelde) (blad 39/1N) : - van een gemengde bedrijfsruimte.

Art. 2.Het volgend bijkomend voorschrift, onder *R 1.5, is van toepassing in een zone die gelegen is tussen het bos in het midden van de zone en de vallei van Achonfosse : « Het gedeelte van de bedrijfsruimte onder *R 1.5 is voorbehouden voor de aanleg van een afzonderingsomtrek. Deze oppervlakte is tevens de omtrek van een ecologisch overgangsgebied ».

Art. 3.De herziening wordt goedgekeurd overeenkomstig het plan in bijlage.

Art. 4.Het CCUE, opgesteld volgens artikel 31bis van het CWATUP, omvat in elk geval volgende elementen : - de maatregelen voor de bescherming van de Stierbecq-vallei; - een nota die de middelen uiteenzet die ter beschikking kunnen gesteld worden van de landbouwers, van wie het voortbestaan van de exploitatie door dit ontwerp wordt bedreigd; - de maatregelen voor een gepaste behandeling van het waterbeheer, in het bijzonder het afvalwater; - de maatregelen voor de afzondering van de zone in het Noord-Oosten, ten opzichte van het dorp Tubeke en van de bewoners van de chaussée de Hondzocht; - de maatregelen om de landschappelijke integratie van het ontwerp te waarborgen; - de nodige voorzorgen voor de compatibiliteit van de hoogspanningslijn, de twee gasleidingen, de 4 pipe-lines van Total Fina en twee waterleidingen die aanwezig zijn op de site, met de bedrijven die zich op de site zullen vestigen; - de controle van de geotechnische capaciteit van de bodem en van de ondergrond; - een plan voor de geleidelijke ingebruikname van het gebied, sector per sector, rekening houdend met de huidige bezetting van de site door de exploitanten; - de maatregelen in verband met de mobiliteit, in en buiten de zone, van de goederen en personen, met name de concrete aanleg van de toegang tot de site, de nooduitgangen, de bereikbaarheid van de velden, de parkeermogelijkheden en de beveiliging van de ruimtes die voorbehouden zijn voor het fiets- en voetgangersverkeer.

Art. 5.De Minister van Ruimtelijke Ordening wordt belast met de uitvoering van voorliggend besluit.

Namen, 22 april 2004.

De Minister- President, J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE De Minister van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Milieu, M. FORET Het plan ligt ter inzage bij het Direktoraat-generaal Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Patrimonium, rue des Brigades d'Irlande 1, te 5100 Jambes, en bij het betrokken gemeentebestuur.

Het advies van de CRAT wordt hieronder bekend gemaakt.

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^