Besluit Van De Waalse Regering van 24 april 2014
gepubliceerd op 22 mei 2014
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Besluit van de Waalse Regering tot bepaling van de voorwaarden betreffende de erkenning van de opleidingscentra voor de zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen en van hun centrumdirecteur

bron
waalse overheidsdienst
numac
2014203200
pub.
22/05/2014
prom.
24/04/2014
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

24 APRIL 2014. - Besluit van de Waalse Regering tot bepaling van de voorwaarden betreffende de erkenning van de opleidingscentra voor de zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen en van hun centrumdirecteur


De Waalse Regering, Gelet op de samenwerkingsovereenkomst gesloten op 20 februari 1995 door de Franse Gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschap en het Waalse Gewest m.b.t. de permanente vorming van de middenstand en de kleine en middelgrote ondernemingen en de voogdij over het Instituut voor permanente vorming van de middenstand en de kleine en middelgrote ondernemingen, goedgekeurd bij het decreet van 18 december 1995, vervangen bij het aanhangsel van 4 juni 2003, goedgekeurd bij het decreet van 17 juli 2003, artikelen 16 en 22;

Gelet op het decreet van 17 juli 2003 tot oprichting van een "Institut wallon de formation en alternance et des indépendants et des petites et moyennes entreprises" (Waals instituut voor alternerende vorming, zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen), gewijzigd bij de decreten van 22 juli 2010 en 30 mei 2013, artikelen 2, 12°, 5, 21 en 22;

Gelet op het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 22 oktober 1991 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden voor de directeur van het Centrum voor de permanente vorming voor de middenstand en de kleine en middelgrote ondernemingen;

Gelet op het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 28 oktober 1991 tot bepaling van de erkenningsvoorwaarden van de Centra voor permanente vorming voor de middenstand en de kleine en middelgrote ondernemingen;

Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 23 oktober 2008 tot bepaling van de financiële tegemoetkomingen van het "Institut wallon de formation en alternance et des indépendants et petites et moyennes entreprises";

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 7 oktober 2013;

Gelet op de instemming van de Minister van Begroting, gegeven op 10 oktober 2013;

Gelet op het advies van het beheerscomité van het "Institut wallon de formation en alternance et des indépendants et petites et moyennes entreprises", gegeven op 14 november 2013;

Gelet op het advies van de "Conseil économique et social de la Région wallonne" (Sociaal-economische raad van Wallonië) nr. A 1.151, gegeven op 18 november 2013;

Gelet op het advies nr. 54.943/2 van de Raad van State, gegeven op 17 februari 2014, overeenkomstig artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op de voordracht van de Minister van Begroting, Financiën, Tewerkstelling, Vorming en Sport;

Na beraadslaging, Besluit :

Artikel 1.Dit besluit regelt overeenkomstig artikel 138 van de Grondwet een materie bedoeld in artikel 127, § 1, ervan. HOOFDSTUK I. - Algemeen

Art. 2.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° het "decreet" : het decreet van 17 juli 2003 tot oprichting van een "Institut wallon de formation en alternance et des indépendants et des petites et moyennes entreprises";2° het "Instituut" : het "Institut wallon de formation en alternance et des indépendants et des petites et moyennes entreprises" opgericht krachtens het decreet;3° de "Minister" : de Minister van Vorming, 4° het "centrum" : het centrum zoals bedoeld in artikel 2, 12°, van het decreet;5° de "directeur" : de persoon belast met de directie van het centrum, die erkend wordt door de Minister volgens de in artikel 18 bedoelde procedure; 6° de "samenwerkingsovereenkomst" : de samenwerkingsovereenkomst gesloten op 20 februari 1995 door de Franse Gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschap en het Waalse Gewest m.b.t. de permanente vorming van de middenstand en de kleine en middelgrote ondernemingen en het toezicht op het "Institut wallon de formation en alternance et des indépendants et petites et moyennes entreprises"; 7° het "besluit van 23 oktober 2008 tot bepaling van de financiële tegemoetkomingen van het "IFAPME" : het besluit van de Waalse Regering van 23 oktober 2008 tot bepaling van de financiële tegemoetkomingen van het "Institut wallon de formation en alternance et des indépendants et petites et moyennes entreprises";

Art. 3.Onder de voorwaarden bepaald door of krachtens dit besluit en binnen de perken van de begrotingskredieten kan de Regering centra op voorstel van het Instituut erkennen en hen toelagen toekennen voor de uitvoering van hun opdrachten. HOOFDSTUK II. - De erkenning van de centra Afdeling 1. - Erkenningsvoorwaarden

Art. 4.Overeenkomstig artikel 21, § 1, tweede lid, van het decreet, voldoet het erkende centrum aan de volgende voorwaarden : 1° overeenkomstig artikel 16, § 1, tweede lid, van de samenwerkingsovereenkomst, samengesteld zijn in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk overeenkomstig de wet van 27 juni 1921 op de verenigingen zonder winstgevend doel, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen;2° met het Instituut een bilaterale overeenkomst zoals bedoeld in artikel 21, § 2, van het decreet gesloten hebben om aan te sluiten bij het netwerk IFAPME zoals bepaald in artikel 2, 10°, van het decreet;3° statuten goedkeuren, die minstens voorzien in : a) de elementen bedoeld in artikel 2 van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen;b) in de gevallen waarin de statuten bepalen dat de raad van bestuur gemachtigd is om sommige van zijn bevoegdheden individueel of gezamenlijk af te vaardigen aan één of meerdere bestuurders, een bepaling waarin de toevertrouwde opdrachten vermeld worden;c) de bestemming van het vermogen in geval van vrijwillige of gerechtelijke ontbinding met inachtneming van artikel 14, § 5, van het besluit van 23 oktober 2008 tot bepaling van de financiële tegemoetkomingen van het "IFAPME";d) in de samenstelling van de raad van bestuur : i.vertegenwoordigers van verschillende beroepen of groepen van verschillende beroepen waarvoor regelmatig permanente vormingsactiviteiten in het centrum worden georganiseerd; ii. vertegenwoordigers van interprofessionele organisaties van werkgevers en zelfstandigen vertegenwoordigd binnen de "Conseil économique et social de la Wallonie" (Sociaal-Economische Raad van Wallonië); iii. bestuurders gekozen naar gelang van hun competenties; e) overeenkomstig artikel 16, § 1, vierde lid, van de samenwerkingsovereenkomst, in de samenstelling van de algemene vergadering, open zijn voor : i.de representatieve organisaties van werkgevers en zelfstandigen die een activiteitensector vertegenwoordigen; ii. de interprofessionele groeperingen die lid zijn van een nationaal interprofessioneel verbond dat voldoet aan de voorwaarden bepaald door of krachtens de op 28 juni 1979 gecoördineerde wetten betreffende de organisatie van de Middenstand en van de uitvoeringsbesluiten ervan; 4° geleid worden door een directeur erkend aan het einde van de in artikel 18 bedoelde procedure. De in het eerste lid, 3°, d), i) en ii), bedoelde vertegenwoordigers mogen niet meer dan 50 procent, noch minder dan 40 procent van de mandaten van de bestuurders bezitten.

De in het eerste lid, 3°, d), i) tot iii), bedoelde leden worden door de algemene vergadering bij volstrekte meerderheid van de aanwezige leden voor vier jaar benoemd op voorstel van de professionele en interprofessionele organisaties. Om lid te zijn van de raad van bestuur, moeten ze minder dan 68 jaar oud zijn op het moment van de aanwijzing door de algemene vergadering.

De directeur van het centrum woont met raadgevende stem de vergaderingen van de raad van bestuur en van elke andere statutaire instantie aan wie de raad van bestuur bevoegdheden heeft overgedragen bij.

Het centrum kan open zijn voor de vakverenigingen. Afdeling 2. - Verplichtingen gebonden aan de erkenning

Onderafdeling 1. - Pedagogische verplichtingen

Art. 5.§ 1. In de logica van het netwerk IFAPME draagt het centrum bij tot de opdrachten van het Instituut via de organisatie en het beheer van opleidingsfilières : 1° door de cursussen, de doorlopende evaluatie en de examens in het kader van de opleidingsfilières te organiseren;2° door de begeleiding en de opvolging van de voor de cursussen ingeschreven cursisten te waarborgen;3° door de bevordering van de opleidingsfilières te organiseren, waarbij de coherentie met de acties van het Instituut wordt gewaarborgd;4° door zich voor de referentiële opleidingen in te schrijven, die bepaald zijn door het Instituut in coherentie met degene die ontwikkeld zijn door de "Service francophone des Métiers et des Qualifications" overeenkomstig het samenwerkingsakkoord gesloten op 27 maart 2009, tussen de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de oprichting van de "Service francophone des Métiers et des Qualifications";5° door de attesten, getuigschriften en diploma's betreffende de verwerving van vaardigheden aan het einde van de opleidingsfilières af te geven met inachtneming van de bepalingen vastgesteld door de Waalse Regering en de Franse Gemeenschap inzake de afgifte van titels of certificeringen. Het centrum kan andere activiteiten dan die bedoeld in het eerste lid uitoefenen voor zover ze verenigbaar zijn met zijn maatschappelijk doel en met de opdrachten die hem door of krachtens de samenwerkingsovereenkomst worden toevertrouwd. § 2. Per opleidingsjaar besteedt het centrum minstens 85 % van zijn cursus-uren aan het leren, de opleiding bedrijfsleider en de coördinatie- en begeleidingsopleiding.

Het Instituut kan mits een gemotiveerde beslissing voor maximum één jaar een afwijking van het in het eerste lid bedoelde percentage toekennen. De Minister kan de gevallen bepalen waarin het Instituut het beroep tot die afwijking kan toelaten. § 3. Het centrum bestemt bij voorkeur, naar rato van de activiteiten van de opleiding, de ateliers voor de opleidingsactiviteiten die deel uitmaken van de leerfilières, de opleiding bedrijfsleider en de coördinatie- en begeleidingsopleiding. § 4. Het centrum maakt jaarlijks en door elk middel waarbij de verzenddatum wordt bevestigd, een globaal strategisch plan, zoals bedoeld in artikel 21, § 4, 4°, van het decreet, aan het Instituut over.

Het in het eerste lid bedoelde plan omvat : 1° de strategische oriëntaties van het centrum die uitgewerkt worden in operationele acties in het kader van de bilaterale overeenkomst gesloten tussen het centrum en het Instituut en bedoeld in artikel 21, § 2, van het decreet;2° de doelstellingen en de ingezette middelen om te kaderen in de door het Instituut bepaalde kwaliteitsstappen. § 5. Het jaarlijks pedagogisch project bedoeld in artikel 21, § 4, 5°, van het decreet omvat minstens de te verstrekken opleidingen, een voorstel van het aantal desbetreffende uren en hun verband met de perspectieven van de arbeidsmarkt, de afstemming van het organogram van het personeel en van de beoogde materiële middelen op het pedagogisch project, de band tussen de globale omgeving van het centrum en de dynamica van het project, de omschrijving van de partnerschappen en de evaluatiemodaliteiten van het pedagogische project. De inhoud van het pedagogische project wordt in verband met de in artikel 21, § 2, van het decreet bedoelde bilaterale overeenkomst vastgesteld overeenkomstig het door het Instituut bepaalde model. Het pedagogische project wordt jaarlijks door elk middel waarbij de verzenddatum wordt bevestigd, aan het Instituut overgemaakt.

Onderafdeling 2. - Boekhoudkundige en financiële verplichtingen

Art. 6.§ 1. Overeenkomstig artikel 21, § 5, eerste lid, van het decreet maakt het centrum binnen één maand na het einde van elk semester de tabel m.b.t. de toestand van zijn thesaurie over overeenkomstig een door het Instituut bepaalde model. § 2. Het centrum voert zijn boekhouding en bepaalt zijn jaarlijkse rekeningen met inachtneming van de door het Instituut bepaalde modaliteiten en procedures. De boekhouding onderscheidt de opbrengsten naar gelang van hun bron en hun aard.

Overeenkomstig artikel 21, § 4, 1°, van het decreet maakt het centrum de jaarlijkse rekeningen van het afgelopen boekjaar aan het Instituut over binnen één maand volgend op de goedkeuring ervan door de algemene vergadering en uiterlijk vóór het einde van het eerste semester van het jaar volgend op dat boekjaar. De jaarrekeningen omvatten een resultatenrekening en de balans op 31 december. Ze wordt vastgesteld overeenkomstig het model van boekhoudplan vermeld in bijlage 1 bij het besluit van 23 oktober 2008 tot bepaling van de financiële tegemoetkomingen van het "IFAPME".

De jaarrekeningen van het opleidingscentrum maken het voorwerp uit van een certificering door een commissaris gekozen onder de leden van het Instituut der Bedrijfsrevisoren. § 3. Het voorwerp van begroting zoals bedoeld in artikel 21, § 4, 2°, van het decreet wordt overgemaakt aan het Instituut binnen zestig dagen volgend op het begin van het begrotingsboekjaar. Dat voorwerp heeft als doel de uitgaven en ontvangsten gepland tijdens het begrotingsjaar volgens het soort kosten in de vorm van een vooruitlopende tabel nader te bepalen. Binnen dertig dagen volgend op haar goedkeuring door de algemene vergadering wordt de begroting overgemaakt aan het Instituut. § 4. Het vooruitgeplande aankoopplan voor uitrustingen bedoeld in artikel 21, § 4, 3°, van het decreet wordt overgemaakt vóór het einde van de maand februari van het betrokken jaar. § 5. De telling van de personeelsleden bedoeld in artikel 21, § 4, 7°, van het decreet wordt overgemaakt vóór het einde van het eerste kwartaal van het betrokken jaar. § 6. De inventaris van het vermogen zoals bedoeld in artikel 21, § 4, 8°, van het decreet wordt overgemaakt voor het einde van het eerste semester van het jaar waarnaar wordt verwezen. § 7. Het plan voor de bestemming van de overschotten zoals bedoeld in artikel 21, § 4, 9°, van het decreet wordt overgemaakt voor het einde van het eerste semester van het jaar waarnaar wordt verwezen. Voor zijn overmaking maakt het plan voor de bestemming van de overschotten het voorwerp uit van een voorafgaandelijk overleg tussen het Instituut en het centrum. Het bestemmingsplan wordt ter goedkeuring aan het beheerscomité van het Instituut voorgelegd.

De bestemmingen worden vastgesteld voor de volgende prioriteiten : 1° bij afschaffing of vermindering van de subsidies verbonden aan de gewestelijke of Europese programma's, voor de personeelskosten en de opleidingsactiviteiten gefinancierd met deze subsidies;2° voor didactische uitrusting in geval van hernieuwing of onderhoud ervan;3° voor uitrusting en veiligheidskleding voor de lerenden;4° voor grote herstellingen aan gebouwen en voor het onderhoud ervan;5° voor behoefte inzake informatica om met name de bepalingen bedoeld in artikel 9 na te leven;6° voor communicatieacties « in een netwerk » om de bepalingen bedoeld in artikel 8 na te leven en het globaal geïntegreerd communicatieplan, dat voorziet in een aan de centra en het Instituut gemeenschappelijke communicatiegedragslijn die jaarlijks door het Instituut wordt goedgekeurd. Op voorstel van het beheerscomité van het Instituut kan de Minister een afwijking van de in het tweede lid bedoelde prioriteiten toekennen voor zover de bestemming gerechtvaardigd wordt t.o.v. de opdrachten van het centrum en de doelstellingen bepaald in de in artikel 21, § 2 van het decreet, bedoelde bilaterale overeenkomst.

Als het beheerscomité van het Instituut vaststelt dat de bestemming de in het tweede lid bedoelde prioriteiten niet naleeft of dat het het bestemmingsplan zoals aangenomen door het beheerscomité niet naleeft, kan het de artikelen 13 en 14 toepassen. § 8. Het Instituut kan de vorm opleggen, waarin de documenten bepaald in artikel 21, § 4, van het decreet meegedeeld moeten worden. § 9. Op verzoek van het Instituut, bezorgt het centrum laatstgenoemd de volgende documenten : 1° elk officieel document, schrijven en beslissing die het bewijs kan leveren van de naleving van de wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende de overheidsopdrachten;2° elk officieel document, schrijven en beslissing die het bewijs kan leveren van de naleving van zijn wettelijke of reglementaire boekhoudkundige, fiscale, sociale verplichtingen;3° elke informatie die het Instituut nodig heeft voor de verificatie van de traceerbaarheid van de rekeningen van het centrum en de publieke fondsen die hem zijn toegekend. § 10. De in artikel 21, § 4, 1° tot 3°, 7° tot 9°, en § 5, van het decreet worden overgemaakt aan het Instituut door elk middel waarbij de verzenddatum wordt bevestigd.

Onderafdeling 3. - Administratieve verplichtingen

Art. 7.Het activiteitenverslag van het centrum zoals bedoeld in artikel 21, § 4, 6°, van het decreet wordt jaarlijks door elk middel waarbij de verzenddatum wordt bevestigd, gestuurd voor het einde van de eerste maand volgend op het einde van het eerste semester dat volgt op het boekjaar waarnaar wordt verwezen.

Het activiteitenverslag omvat minstens : 1° de halfjaarlijkse boordtabellen bedoeld in artikel 21, § 2, van het decreet waarin de indicatoren van de verschillende acties van de centra worden vermeld;2° de resultaten van de acties van de centra zoals de gegevens vermeld in de bilaterale overeenkomsten, waaronder het aantal uren en het aantal lerenden. Het Instituut bepaalt de inhoud van het activiteitenverslag.

Onderafdeling 4. - Verplichtingen gebonden aan de communicatie

Art. 8.In het kader van een communicatie "Netwerk IFAPME" : 1° vermeldt het centrum in zijn benaming en op elke interne en externe communicatie de formule "IFAPME-centrum van", gevolgd door de naam van de stad/steden overeenstemmend met één of verschillende sites of van de naam van de streek of de provincie;2° exploiteert het centrum het woord- en beeldmerk van het Instituut alsook eventuele desbetreffende producten via het sluiten met het Instituut van een licentieovereenkomst overeenkomstig het model bedoeld in bijlage bij dit besluit; 3° leeft het centrum het geheel van de bepalingen na die vermeld worden in het grafisch handvest van het Instituut, dat het geheel van de fundamentele regels bepaalt m.b.t. het gebruik door de centra van de grafische tekens die de grafische identiteit van het Netwerk IFAPME vormen, namelijk de kleur van het logo, zijn plaats op elke drager, de soorten kleuren, het type gebruikte polis.

Onderafdeling 5. - Verplichtingen gebonden aan het handvest informatica

Art. 9.Het centrum leeft de bepalingen vermeld in het handvest informatica van het Instituut na.

Het handvest informatica omvat de fundamentele regels die het centrum moet naleven voor het gebruik van de computerhulpbronnen die hem ter beschikking worden gesteld door het IFAPME, waaronder met name het gebruik van een aangepast materiaal met gemeenschappelijke applicaties die de verdeling en de overbrenging van gegevens binnen het Netwerk, het gebruik van het internetnetwerk, de elektronische post en de telefonie alsook het naleven van de vrijwarings- en veiligheidsregels mogelijk maken.

Het centrum treft alle middelen die nodig zijn om een beroep te doen op de computerapplicaties ontwikkeld door het Instituut voor rekening van de centra van zijn netwerk.

Onderafdeling 6. - Verplichtingen gebonden aan het personeel van de centra

Art. 10.Voor het personeel bedoeld in artikel 11, § 1, van het besluit van 23 oktober 2008 tot bepaling van de financiële tegemoetkomingen van het "IFAPME" en waarvoor het Instituut de derde betaler is, leeft het centrum het geheel van de bepalingen die hem betreffen, met inbegrip van de functieomschrijvingen, na. Voor het niet-pedagogisch personeel van de centra zorgt het Instituut er bij gebrek aan bevoegde paritaire commissie en met het oog op de harmonisatie en de naleving van de begrotingseisen voor om in overleg met de centra en binnen een termijn die rekening houdt met de budgettaire contingenties de functieprofielen en de referentieweddeschalen voor het geheel van de centra te bepalen. De weddeschalen worden door het Beheerscomité van het Instituut goedgekeurd. Afdeling 3. - Procedure m.b.t. de erkenning en de verlenging van de

erkenning van het centrum

Art. 11.§ 1. De erkenning wordt door de Minister toegekend voor een verlengbare periode van vijf jaar. § 2. De aanvraag tot erkenning of verlenging van de erkenning van het centrum, waarvan de modellen door de Minister worden bepaald, wordt door het centrum bij het Instituut ingediend door elk middel waarbij de verzenddatum wordt bevestigd, uiterlijk binnen vier maanden vóór het opstarten van zijn activiteit of de vervaldatum van de lopende erkenning.

De aanvraag tot erkenning of verlenging van de erkenning van het centrum bevat de volgende documenten : 1° het globaal strategisch plan van het centrum zoals bedoeld in artikel 21, § 4, 4°, van het decreet;2° het jaarlijkse pedagogische project van het centrum;3° de geconsolideerde statuten van het centrum bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad;4° een omschrijving van de materiële, menselijke en financiële middelen en hulpbronnen, met inbegrip van het afschrift van het inspectieverslag of van de aanvraag om inspectie van de lokalen door de brandweerdienst, alsook elk document afgegeven door een erkende instelling voor het materieel waarvan het gebruik eventuele risico's inhoudt;5° in geval van aanvraag tot verlenging van de erkenning, het activiteitenverslag van het centrum zoals bedoeld in artikel 7 en een dossier waarmee kan worden nagegaan of de erkenningsvoorwaarden en de desbetreffende verplichtingen krachtens die besluit nageleefd worden. Binnen vijftien dagen na ontvangst van de erkenningsaanvraag stuurt het Instituut naar de verzoekende instelling hetzij een bericht van ontvangst met de melding dat het dossier volledig is, hetzij een bericht waarbij ze verzocht wordt het dossier aan te vullen.

Het Instituut maakt een onderzoeksverslag aan de Minister over binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de datum van ontvangst van het volledige dossier.

In geval van negatief of terughoudend onderzoeksverslag van het Instituut wordt een verhoor georganiseerd volgens de in artikel 14, § 2, bedoelde modaliteiten, gedurende welk een proces-verbaal wordt opgemaakt.

Wanneer het verslag van de inspectie bedoeld in artikel 11, § 2, tweede lid, 4°, negatief is, kan de erkenning verleend worden op voorwaarde dat het centrum een plan voor het in overeenstemming brengen met de vastgestelde tekortkomingen binnen een door het Instituut vastgestelde termijn opmaakt. Na afloop van die termijn en bij gebrek aan aanpassing kan het Instituut de artikelen 13 en 14 toepassen.

De Minister beslist over de toekenning of de weigering van de erkenning of van de verlenging van de erkenning van het centrum uiterlijk binnen een termijn van twintig dagen na ontvangst van het onderzoeksverslag of van de dag van het verhoor.

Het Instituut is belast met de mededeling van de beslissing. § 3. In geval van beslissing tot weigering van de erkenning kan het centrum een beroep indienen tegen bovenvermelde beslissing bij de Raad van State. Afdeling 4. - Controlemodaliteiten

Art. 12.§ 1. Overeenkomstig artikel 21, § 5, eerste lid, kan het Instituut elk ogenblik de thesaurietoestand van een centrum, met inbegrip van de eventuele beleggingen, kennen voor zover genoemd instituut door elk middel waarbij de verzenddatum wordt bevestigd, een ten opzichte van het belang van het Netwerk IFAPME gemotiveerde aanvraag overgemaakt wordt. Het centrum verstrekt die informatie door elk middel waarbij de verzenddatum wordt bevestigd, binnen een door het Instituut bepaalde termijn. § 2. Overeenkomstig artikel 22 van het decreet brengt het personeelslid of zijn plaatsvervanger dat van rechtswege de vergaderingen van elk beslissingsorgaan van het centrum bijwoont, verslag over elke door de voornoemde organen genomen beslissing aan het Instituut uit binnen drie dagen die volgen op de vergadering. § 3. Overeenkomstig artikel 22 van het decreet kan het personeelslid of zijn plaatsvervanger bedoeld in § 2 erom verzoeken dat elke beslissing genomen door één van de beslissingsorganen van het centrum opgeschort wordt, als hij vaststelt dat de beslissing : 1° het algemeen belang of de wettelijke of reglementaire bepalingen die op het centrum toepasselijk zijn, miskent;2° strijdig is met de bilaterale overeenkomst en de opdrachten van het centrum;3° nadelig is voor de ontwikkeling van het netwerk IFAPME en voor de uitvoering van de openbare opdrachten. De opschortingsaanvraag wordt geformuleerd binnen een termijn van drie dagen volgend op de vergadering of zodra de beslissing betekend is aan het personeelslid dat het centrum in kennis stelt van de opschortingsaanvraag.

De administrateur-generaal van het Instituut spreekt zich uit over de opschorting binnen een termijn van tien dagen na de vergadering waarin de beslissing is genomen, wanneer het personeelslid er regelmatig voor opgeroepen is of, in de andere gevallen, te rekenen van de dag waarin hij kennis heeft genomen van de aangenomen beslissing.

De administrateur-generaal van het Instituut deelt schriftelijk binnen tien dagen volgend op de beslissing de opschortingsbeslissing en een gedetailleerd verslag met de aangevoerde elementen aan het centrum mede.

Het centrum rechtvaardigt zijn stelling binnen twintig dagen vanaf de datum van ontvangst van bovenvermeld verslag. Bij gebrek aan antwoord wordt de opschortingsbeslissing van de administrateur-generaal bevestigd. In geval van betwisting van het centrum over de opschortingsbeslissing wordt ze meegedeeld aan het beheerscomité van het Instituut dat artikel 22, derde lid, van het decreet kan toepassen. § 4. Om na te gaan of het centrum zijn erkenningsvoorwaarden of zijn verplichtingen zoals vermeld in het decreet en dit besluit naleeft, oefenen de personeelsleden van het Instituut op basis van bewijsstukken een controle ter plaatse uit.

Het centrum werkt mee aan de uitoefening van de controle en maakt de personeelsleden van het Instituut op eigen verzoek de stukken die betrekking hebben op de erkenningsaanvraag over. Afdeling 5. - Schorsing en intrekking van de erkenning

Art. 13.Overeenkomstig artikel 22, derde lid, van het decreet kan het Instituut bij aangetekend schrijven het centrum in gebreke stellen om zich aan de erkenningsvoorwaarden en -verplichtingen binnen de door het Instituut bepaalde termijn aan te passen. In dit geval deelt het de volgende inlichtingen aan het centrum mede : 1° de motiveringen die zijn beslissingsvoorstel rechtvaardigen;2° de aard van de overwogen sanctie, namelijk de schorsing van het geheel of een gedeelte van de toelagen en de schorsing of de intrekking van de erkenning van het centrum. Het centrum beschikt over tien dagen na ontvangst van de ingebrekestelling om zijn opmerkingen schriftelijk te laten gelden.

Art. 14.§ 1. Overeenkomstig artikel 22, derde lid, van het decreet kan de Minister op voorstel van het Instituut de erkenning van het centrum schorsen of intrekken.

Het Instituut stelt eerst het centrum in kennis van de beslissing tot schorsing of intrekking van zijn intrekking en deelt hem de volgende inlichtingen mede : 1° de maximale duur van de schorsing en de eventuele termijn om zich aan de niet-nageleefde verplichtingen aan te passen;2° in geval van beslissing tot schorsing van het geheel of een gedeelte van de toelagen van het centrum, de aard van de toelagen en hun bedrag;3° de modaliteiten betreffende het lopende verhoor waarin het centrum over zijn middelen wordt gehoord;4° zijn recht om het dossier dat de in 1° bedoelde motiveringen bevat, te raadplegen en er een afschrift van te maken vóór het verhoor;5° zijn mogelijkheid om zich tijdens de hele procedure door een raadsheer te laten bijstaan. § 2. Het centrum en het Instituut bepalen in onderlinge overeenstemming de datum van het verhoor mits naleving van een minimale termijn van dertig dagen na ontvangst door het centrum van de in § 1, tweede lid, bedoelde kennisgeving.

Een college samengesteld uit vier personeelsleden van het Instituut heeft als opdracht het verhoor te voeren. Een vertegenwoordiger van de Minister kan als waarnemer deelnemen aan het verhoor. § 3. De Minister beslist over de schorsing of de intrekking van de erkenning van het centrum binnen een termijn van dertig dagen na het beslissingsvoorstel van het Instituut of van de dag van het verhoor.

Het Instituut wordt ermee belast de kennisgeving van de beslissing aan het centrum over te maken en er de termijnen en beroepsmiddelen nader te bepalen. § 4. In geval van intrekking van de erkenning : 1° betaalt het centrum het bedrag overeenstemmend met het bedrag bedoeld in artikel 14, § 5, 1ste streepje, van het besluit van 23 oktober 2008 tot bepaling van de financiële tegemoetkomingen van het "IFAPME" aan het Instituut terug : 2° draagt het centrum kosteloos de onroerende goederen en uitrustingen die het voorwerp hebben uitgemaakt van de bovenvermelde toelagen overeenkomstig artikel 14, § 5, 2de streepje, van het besluit van 23 oktober 2008 tot bepaling van de financiële tegemoetkomingen van het "IFAPME" aan het Instituut over. In geval van beslissing tot intrekking van de erkenning worden de toelagen gebonden aan de activiteiten van het centrum waarvoor een beslissing tot schorsing door het Instituut is genomen, afgetrokken van het bedrag van de in artikel 13 bedoelde terugbetaling. § 5. In geval van beslissing tot schorsing van het geheel of een gedeelte van de toelagen of van beslissing tot schorsing of intrekking van de erkenning kan het centrum een beroep indienen tegen bovenvermelde beslissing bij de Raad van State. HOOFDSTUK III. - Directeurs van de centra Afdeling 1. - Opdrachten van de directeur

Art. 15.Het dagelijks beheer van een centrum wordt uitgeoefend door een directeur die op de voordracht van het Instituut en het centrum door de Minister erkend is.

In die hoedanigheid vervult de directeur de volgende opdrachten : 1° de uitvoering van het beleid van het Netwerk IFAPME wat het centrum betreft, zoals het door de Regering is bepaald en door het Instituut wordt gecoördineerd, met inachtneming van het jaarlijkse strategische plan en van het pedagogische project van het centrum alsook van de bilaterale overeenkomst gesloten tussen laatstgenoemd en het Instituut;2° de pedagogische begeleiding en de organisatie van het centrum via de uitvoering van opleidingsfilières volgens de principes en oriëntaties die terzake door het Instituut zijn vastgesteld;3° het administratieve, financiële, patrimoniale en logistieke beheer van het centrum;4° het beheer van de pedagogische, educatieve en administratieve human resources en het beheer van de betrekkingen met de actoren van de opleiding, met name bij de ondernemingen, de ouders en de medewerkers van het Instituut;5° de ontwikkeling van externe samenwerkingen met partners met name opleidingspartners. De opdrachten van de directeur worden bepaald in een omschrijving van functies en doelstellingen waarvan het model door het Beheerscomité van het Instituut goedgekeurd wordt.

Onverminderd de bepalingen gebonden aan de regeling van de loopbaanbeëindiging vervult de directeur zijn opdrachten volgens een voltijdse arbeidsregeling.

De directeur brengt regelmatig verslag uit over zijn dagelijkse beheer bij de Raad van bestuur van het centrum volgens de door laatstgenoemde bepaalde modaliteiten. Hij zorgt ervoor dat het centrum actief deelneemt aan de raad van het Netwerk IFAPME zoals bedoeld in artikel 20, § 1, van het decreet en werkt met het Instituut aan de logica van het Netwerk IFAPME mee. Afdeling 2. - Voorwaarden m.b.t. de uitoefening van de functie van

directeur

Art. 16.Om als directeur erkend te worden, vervult de kandidaat de volgende voorwaarden : 1° onderdaan zijn van één van de Lidstaten van de Europese Unie;2° van onberispelijk gedrag zijn en een getuigschrift van goed zedelijk gedrag, model II, in goede en behoorlijke vorm overleggen;3° de burgerlijke en politieke rechten genieten;4° houder zijn van een diploma van het hoger universitair onderwijs (lange type) en een beroepservaring van minstens vijf jaar hebben inzake enerzijds management en anderzijds vorming en onderwijs;5° voor het examen bedoeld in artikel 18, § 3, succesvol geslagen zijn. Indien hij de in het eerste lid, 4°, bedoelde diplomavoorwaarde niet vervult : 1° is de kandidaat houder van een diploma van het secundaire onderwijs van het korte type en heeft hij een beroepservaring van minstens acht jaar inzake vorming of onderwijs, waaronder minstens vijf jaar voor een managementfunctie;2° is de kandidaat houder van een diploma van het hoger universitair onderwijs (lange type) en van een diploma van het hogere niveau afgeleverd aan het einde van een opleiding van minstens twee jaar en heeft hij een ervaring van minstens twaalf jaar inzake enerzijds management en anderzijds vorming of onderwijs, waaronder minstens zeven jaar inzake management. Afdeling 3. - Vacante betrekking van directeur

Art. 17.§ 1. Als een plaats van directeur van een centrum vacant is, verwittigt de raad van bestuur van het centrum het Instituut binnen één maand en bepaalt hij, in overleg met het Instituut, de inhoud en de modaliteiten van de oproep tot de kandidaten alsook de examenmodaliteiten overeenkomstig artikel 18, § 3. § 2. In geval van vacante betrekking ten gevolge van de pensionering van de erkende directeur stelt het Instituut de Minister in kennis van de aangenomen modaliteiten binnen een termijn van acht maanden vóór de datum van inwerkingtreding van de pensioenregeling. In de andere gevallen stelt het Instituut de Minister in kennis van de aangenomen modaliteiten binnen een termijn van drie maanden voor het begin van het examen. Afdeling 4 - Erkenningsprocedure

Art. 18.§ 1. De examencommissie bestaat uit : 1° twee leden aangewezen door de raad van bestuur van het centrum, onder wie de voorzitter;2° de administrateur-generaal van het Instituut, of diens verhindering, een personeelslid van het Instituut van minstens rang A4 aangewezen door het Beheerscomité van het Instituut;3° een bestuurder van het beheerscomité van het Instituut;4° één vertegenwoordiger van de Minister van Vorming;5° een deskundige met een onbetwistbare vaardigheid in onderwijs en vorming en gekozen buiten het Instituut en het centrum;6° een deskundige die meegewerkt heeft aan de uitvoering van de proef voor de reële werksituatie bedoeld in § 3. § 2. De examencommissie onderzoekt de ontvankelijkheid van de kandidaturen op grond van de in artikel 16 bedoelde voorwaarden. § 3. Het examen heeft betrekking op de vaardigheden van de kandidaat om een betrekking van directeur uit te oefenen. Het examen kan uit schriftelijke en mondelinge proeven bestaan en omvat, in ieder geval, een proef in de reële werksituatie. De proef in de reële werksituatie wordt uitgevoerd door een gespecialiseerde dienst die door de examencommissie geselecteerd is.

Om geselecteerd te worden, moeten de kandidaten minstens 50 % van de punten voor elke proef en voor elk proefgedeelte en 60 % voor het geheel van de proeven halen.

Op basis van de resultaten van de proeven maakt de examencommissie een voorstel van aanwijzing samen met het verslag van het examen en van de met redenen omklede rangschikking van de kandidaten aan de raad van bestuur over. De raad van bestuur maakt zijn met redenen omkleed aanwijzingsvoorstel aan het Instituut over en voegt daarbij het verslag van het examen en de rangschikking van de kandidaten.

Het beheerscomité van het Instituut doet een met redenen omkleed beslissingsvoorstel aan de Minister binnen twee maanden na ontvangst van het geheel van de elementen van het dossier.

Na verificatie van de naleving van de erkenningsvoorwaarden zoals bepaald in de artikelen 16 tot 18 spreekt de Minister zich uit over de erkenning van de directeur binnen twintig dagen na ontvangst van het volledige dossier. Het Instituut is belast met de mededeling van de beslissing aan de verschillende kandidaten en aan het betrokken centrum. Afdeling 5. - Onverenigbaarheid

Art. 19.De hoedanigheid van opleider in zijn centrum is onverenigbaar met de uitoefening van de functie van directeur behalve voor een tijdelijke en buitengewone vervanging van een opleider.

Wanneer hij in functie treedt of tijdens de uitoefening van zijn functie van directeur, kan de directeur beroepsactiviteiten uitoefenen voor zover die activiteiten niet nadelig zijn voor de uitoefening van de voltijdse functie en geen bron van belangenconflict of oneerlijke concurrentie ten opzichte van het centrum zijn. In dit geval vraagt hij de machtiging van de raad van bestuur van het centrum die zich bij met redenen omklede beslissing uitspreekt en verwittigt hij het Instituut. Afdeling 6. - Controle

Onderafdeling 1. - Formatieve evaluatie

Art. 20.§ 1. Om de vijf jaar wordt de directeur n door de evaluatiecommissie waarvan de bestanddelen gelijk zijn aan de examencommissie bedoeld in artikel 18, § 1, onderworpen aan een formatieve evaluatie.

De formatieve evaluatie heeft betrekking op de uitvoering van zijn strategisch plan en over de uitvoering van de opdrachten van de directeur zoals voorzien in artikel 15. Een evaluatierooster wordt daartoe door het Instituut vastgesteld.

Een verslag van de formatieve evaluatie wordt aan het Beheerscomité van het Instituut en aan de instellingen van het centrum meegedeeld binnen een maximale termijn van twee maanden volgend op de uitvoering van de evaluatie. § 2. Wanneer het verslag van de formatieve evaluatie terughoudend of negatief is, stelt de commissie een schorsing van de erkenning en bepaalt ze een inhaalplan en een maximale termijn aan het einde waarvan een nieuwe evaluatie door de evaluatiecommissie wordt georganiseerd.

Wanneer die nieuwe evaluatie het voorwerp uitmaakt van een negatief verslag, stelt de commissie een intrekking van de erkenning aan de raad van bestuur van het centrum en het Instituut overeenkomstig artikel 21 voor.

Onderafdeling 2. - Intrekking van de erkenning

Art. 21.Wanneer de raad van bestuur van het centrum of het Instituut vaststelt dat de directeur de in artikel 16 bepaalde erkenningsvoorwaarden, de in artikel 19 bepaalde onverenigbaarheidsregels niet meer vervult en zijn verplichtingen niet meer naleeft, deelt het Instituut de volgende inlichtingen bij aangetekend schrijven aan de directeur mede : 1° de motiveringen die zijn beslissingsvoorstel rechtvaardigen;2° de modaliteiten betreffende het lopende verhoor waarin de directeur over zijn middelen wordt gehoord;3° zijn recht om het dossier dat de in 1° bedoelde motiveringen bevat, te raadplegen en er een afschrift van te maken vóór het verhoor;4° zijn mogelijkheid om zich tijdens de hele procedure door een raadsheer te laten bijstaan. Een minimale termijn van dertig dagen wordt nageleefd tussen de datum van zending van het aangetekend schrijven en de voor het verhoor bepaalde datum. Het verhoor vindt plaats volgens dezelfde modaliteiten als die bedoeld in artikel 14, § 2.

Vanaf de dag van het verhoor beschikt het centrum over tien dagen om zijn opmerkingen schriftelijk te laten gelden.

Op grond van het volledige dossier kan het Instituut bij met redenen omklede beslissing de intrekking van de erkenning van de directeur voorstellen. In dit geval vraagt het het advies van de raad van bestuur van het centrum die zich binnen tien dagen na ontvangst van het volledige dossier uitspreekt. Het Instituut richt zijn beslissingsvoorstel aan de Minister en voegt er het volledige dossier en het advies van de raad van bestuur bij.

De Minister beslist uiterlijk binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van het volledige dossier.

In geval van beslissing tot intrekking van de erkenning van de directeur door de Minister is het Instituut belast met de kennisgeving van de beslissing. Het bepaalt er de termijnen en beroepsmiddelen en informeert het centrum over de noodzaak om zich aan te passen aan de erkenningsvoorwaarden van het centrum en in het bijzonder die bedoeld in artikel 4, 4°.

Art. 22.De erkenning van de directeur eindigt van rechtswege : 1° in geval van ontslag van laatstgenoemde vanaf de uitwerkingsdatum ervan;2° de eerste dag van de maand volgend op zijn pensionering;3° in geval van overlijden van de directeur;4° in geval van intrekking van de erkenning van het centrum waarin hij zijn functie uitoefent. De raad van bestuur van het centrum stelt er onmiddellijk het Instituut en de Minister in kennis van. Afdeling 7. - Geldtoestand van de directeurs van centra

Art. 23.Wanneer het aantal vormingsuren die voor het centrum gesubsidieerd zijn, gelijk aan of hoger is dan 50 000 uren per jaar gebeurt de subsidiëring van de bezoldiging van de directeur op grond van de toepassing van een referentierooster gelijkwaardig aan de weddeschaal A3 bedoeld in bijlage XIII bij het besluit van de Waalse Regering van 18 december 2003 houdende de Waalse Ambtenarencode.

Wanneer dit aantal uren kleiner is dan 50 000 uren is de overwogen referentierooster gelijkwaardig aan de in dezelfde bijlage bedoelde weddeschaal A4.

De in het eerste lid bedoelde bezoldiging dekt de jaarlijkse loon en het vakantiegeld.

Elk ander voordeel dan de in het eerste lid bedoelde bezoldiging dat hoger is dan het bedrag bepaald in de referentierooster bedoeld in het eerste lid, wordt niet gedekt door een toelage toegekend aan het centrum door het Instituut en maakt het voorwerp uit van een voorafgaande kennisgeving aan het Beheerscomité van het Instituut. HOOFDSTUK IV. - Overgangsmaatregelen

Art. 24.Binnen zes maanden na de inwerkingtreding van dit besluit gaat het Instituut na of de in dit besluit bepaalde erkenningsvoorwaarden van de directeurs nageleefd worden.

Als het Instituut vaststelt dat de voorwaarden nageleefd worden, doet het een voorstel tot handhaving van de erkenning aan de Minister die binnen twee maanden na ontvangst van het voorstel van het Instituut beslist. Als de ministeriële beslissing in de handhaving van de erkenning voorziet, behoudt de directeur de erkenning.

In geval van niet-naleving van de erkenningsvoorwaarden bedoeld in de artikelen 16 en 19 is artikel 21 van toepassing.

Art. 25.Binnen drie maanden na de inwerkingtreding van dit besluit maakt het centrum het Instituut een document over waarmee kan worden nagegaan of het de in dit besluit bepaalde erkenningsvoorwaarden naleeft. Binnen vijftien dagen na ontvangst van de erkenningsaanvraag stuurt het Instituut naar de verzoekende instelling hetzij een bericht van ontvangst met de melding dat het dossier volledig is, hetzij een bericht waarbij ze verzocht wordt het dossier aan te vullen. Binnen drie maanden na ontvangst van het volledige dossier gaat het Instituut na of de in dit besluit bepaalde erkenningsvoorwaarden van de centra en in het bijzonder die betreffende de statuten van het centrum bedoeld in artikel 4, 3°, nageleefd worden.

Als het Instituut vaststelt dat de voorwaarden nageleefd worden doet het een voorstel tot handhaving van de erkenning aan de Minister die binnen twee maanden na ontvangst van het voorstel van het Instituut beslist. Als de ministeriële beslissing in de handhaving van de erkenning voorziet, behoudt het centrum de erkenning voor een duur van vijf jaar die begint te lopen op de datum van de beslissing van de Minister.

Als de in artikel 3 bedoelde erkenningsvoorwaarden niet nageleefd worden, kan de Minister op voorstel van het Instituut de erkenning schorsen of intrekken overeenkomstig de artikelen 13 en 14.

Art. 26.In afwijking van artikel 4, 3°, d), blijven de bestuurders die bij de inwerkingtreding van dit besluit in functie zijn, hun lopend mandaat uitoefenen tot de vervaldatum ervan. HOOFDSTUK V. - Wijzigings- en opheffingsbepalingen

Art. 27.Artikel 8 van het besluit van de Waalse Regering van 23 oktober 2008 tot bepaling van de financiële tegemoetkomingen van het "Institut wallon de formation en alternance et des indépendants et petites et moyennes entreprises" wordt vervangen als volgt : "1° als het Vormingscentrum voldoet aan de erkenningsvoorwaarden bedoeld in het besluit van de Waalse Regering van 24 april 2014 tot bepaling van de voorwaarden betreffende de erkenning van de opleidingscentra voor de zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen en van hun directeur van centra; 2° als het Vormingscentrum geleid wordt door een directeur erkend overeenkomstig het besluit van de Waalse Regering van 24 april 2014 tot bepaling van de voorwaarden betreffende de erkenning van de opleidingscentra voor de zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen en van hun directeur van centra.".

Art. 28.Het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 28 oktober 1991 tot bepaling van de erkenningsvoorwaarden van de Centra voor permanente vorming voor de middenstand en de kleine en middelgrote ondernemingen is niet meer van toepassing wat betreft het Franse taalgebied van het Waalse Gewest.

Art. 29.Het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 22 oktober 1991 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden voor de directeur van het Centrum voor de permanente vorming voor de middenstand en de kleine en middelgrote ondernemingen is niet meer van toepassing wat betreft het Franse taalgebied van het Waalse Gewest.

Art. 30.Dit besluit treedt in werking op 1 mei 2014.

Art. 31.De Minister van Vorming is belast met de uitvoering van dit besluit.

Namen, 24 april 2014.

De Minister-President, R. DEMOTTE De Minister van Begroting, Financiën, Tewerkstelling, Vorming en Sport, A. ANTOINE

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^