Etaamb.openjustice.be
Besluit Van De Waalse Regering van 25 september 2008
gepubliceerd op 23 oktober 2008

Besluit van de Waalse Regering tot bepaling van de integrale voorwaarden voor individuele zuiveringseenheden en -installaties

bron
waalse overheidsdienst
numac
2008203758
pub.
23/10/2008
prom.
25/09/2008
ELI
eli/besluit/2008/09/25/2008203758/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

25 SEPTEMBER 2008. - Besluit van de Waalse Regering tot bepaling van de integrale voorwaarden voor individuele zuiveringseenheden en -installaties


De Waalse Regering, Gelet op het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, inzonderheid op de artikelen 4, 5, 7, 8 en 9;

Gelet op het koninklijk besluit van 3 augustus 1976 houdende algemeen reglement voor het lozen van afvalwater in de gewone oppervlaktewateren, in de openbare riolen en in de kunstmatige afvoerwegen voor regenwater;

Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 7 november 2002 tot bepaling van de integrale exploitatievoorwaarden voor individuele zuiveringseenheden en -installaties;

Gelet op het advies van de Wateradviescommissie, gegeven op 24 januari 2007;

Gelet op het advies van de "Conseil supérieur des Villes, Communes et Provinces de la Région wallonne" (Hoge Raad van de Steden, Gemeenten en Provincies van het Waalse Gewest), gegeven op 30 januari 2007;

Gelet op het advies nr. 44.334/4 van de Raad van State, gegeven op 11 juni 2008, overeenkomstig artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op de voordracht van de Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme;

Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en begripsomschrijving

Artikel 1.Richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater wordt gedeeltelijk omgezet bij dit besluit.

Art. 2.Deze integrale voorwaarden zijn van toepassing op de individuele zuiveringseenheden en -installaties bedoeld in de rubrieken 90.11 en 90.12 van bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten.

Art. 3.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder bestaande inrichting: inrichting die behoorlijk vergund of aangegeven is vóór de inwerkingtreding van dit besluit. De ombouw of uitbreiding van een inrichting die de uitbater vóór de inwerkingtreding van dit besluit vermeld heeft in het register bedoeld in artikel 10, § 2, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning wordt met een bestaande inrichting gelijkgesteld. HOOFDSTUK II. - Vestiging

Art. 4.De in IE uitgedrukte behandelingscapaciteit wordt berekend op grond van de tabel in bijlage I. De behandelingscapaciteit mag niet kleiner zijn dan 5 IE.

Art. 5.§ 1. Elke individuele zuiveringseenheid of -installatie omvat een eenmalig voorbehandelings- en opslagvolume dat een slibretentie garandeert en waarvan de afmetingen de voorwaarden van bijlage II naleven.

De behandelingsvoorzieningen via ingestoken filters met verticale afvoer moeten niet met een voorbehandeling worden uitgerust. § 2. Elke overbrenging van stoffen tussen het slibopslagvolume en het behandelingsvolume kan slechts gebeuren via de onder water liggende leidingen die daartoe voorzien zijn.

Het overtollige slib wordt door een extractiesysteem efficiënt afgevoerd naar het opslagvolume.

Het slibopslagvolume is voorzien van een ventilatiesysteem met een minimumdoorsnede van 80 mm. Dat syteem wordt gescheiden van het circuit van het gezuiverde water en van het regenwater en hoog genoeg geplaatst om geurhinder te voorkomen.

In geval van opvoer van het huishoudelijk afvalwater vóór de voorbehandeling en de behandeling mag het punctuele debiet dat op het zuiveringsapparaat wordt toegepast de goede werking ervan niet storen en blijft het zodoende aan de emissievoorwaarden voldoen.

De kuipen, bekkens, bassins, leidingen en aansluitingen zijn waterdicht § 3. Het is verboden huishoudelijk afvalwater met een anaërobe bacteriefilter of een aërobe percolatie te behandelen.

De infiltratievoorzieningen worden niet als behandelingselement beschouwd. § 4. De gesloten elementen van het individueel zuiveringssysteem zijn voorzien van openingen met een nominale afmeting van minimum 60 cm en van een afneembaar en toegankelijk deksel om te kunnen controleren of de apparatuur functioneert en om ze te onderhouden.

De toegang tot het voorbehandelingsvolume, indien het verband houdt met met andere delen, garandeert het onttrekken van het slib zonder risico van beschadiging van de apparatuur en leidingen. De behandelings- en de secundaire zuiveringsvolumes kunnen een gemeenschappelijke toegang hebben.

De afmeting van de bezoekopeningen laat toe om de regeling van de werking, het onderhoud en de vervanging van de versleten stukken uit te voeren volgens de modaliteiten opgenomen in de exploitatiehandleiding. § 5. In het geval van bassins of andere behandelingsvoorzieningen in open lucht wordt de toegang tot de site streng gecontroleerd.

In het geval van ingegraven voorzieningen wordt de toegankelijkheid tot de kuipen alsook tot de bijkomende apparatuur streng gecontroleerd De site moet toegankelijk zijn met het oog op onderhoudshandelingen.

Art. 6.De elektromechanische toestellen die nodig zijn voor de vlotte werking van het individueel zuiveringssysteem worden op een droge, verluchte plek geïnstalleerd die voorzien is van een alarmsysteem dat op elke stoornis wijst.

Art. 7.Als het huishoudelijk afvalwater voornamelijk bestaat uit water uit het restaurantwezen, is de installatie van een ontvetter met een minimumvolume van 500 liter voor een individuele zuiveringseenheid of met een minimumvolume van 800 liter voor een individuele zuiveringsinstallatie verplicht.

Art. 8.Met uitzondering van de eventuele ontvetter en van de elektromechanische elementen worden de elementen van het individuele zuiveringssysteem buiten de bediende gebouwen geplaatst, behalve de voorzieningen die specifiek in de gebouwen geplaatst moeten worden.

Art. 9.De controlevoorziening laat een monsterneming met een flesje van minstens 1 liter toe en voldoet aan de voorschriften opgenomen in bijlage III.

Art. 10.Gezuiverd water afkomstig van het laatste behandelingselement van het individueel zuiveringssysteem wordt desnoods d.m.v. een opvoerpomp afgevoerd via een goedgekeurd systeem voor afvoer door infiltratie bedoeld in bijlage IV of, indien dit onmogelijk blijkt na een permeabiliteitstest, in een kunstmatige afvloeiingsweg of in gewoon oppervlaktewater.

Om elk gevaar voor opvulling te voorkomen is de aanleg van een filter aanbevolen wanneer het gezuiverde water door infiltratie wordt afgevoerd.

Water dat gezuiverd wordt door een individuele zuiveringseenheid die zich buiten een winningsbeschermingsgebied bevindt, mag via een zinkput afgevoerd worden indien het niet anders kan.

Water dat door een individuele zuiveringsinstallatie gezuiverd wordt, mag niet via een zinkput afgevoerd worden.

Het is verboden gezuiverd water in een badzone te lozen, tenzij het eerst door een erkend ontsmettingssysteem wordt ontsmet.

Water dat door een individuele zuiveringsinstallatie gezuiverd wordt, mag niet in een zone stroomopwaarts geloosd worden, tenzij het eerst door een erkend ontsmettingssysteem wordt ontsmet. HOOFDSTUK III. - Exploitatie - Onderhoud

Art. 11.Water waarvan een monster wordt genomen via de controlevoorziening omschreven in bijlage III, voldoet aan de volgende emissievoorwaarden : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld (1) Gemiddeld over 24 uur.(2) Maximum op een punctuele monsterneming.

Art. 12.Enkel huishoudelijk afvalwater, met uitzondering van regenwater en helder parasietwater, wordt door het individueel zuiveringssysteem behandeld. Regenwater en helder parasietwater mogen in geen geval in één van de bestanddelen van het individueel zuiveringssysteem terechtkomen.

In afwijking van het eerste lid, kan afvalwater afgevoerd worden via een bestaande unitaire riolering als verschillende woningen aangesloten zijn op hetzelfde individuele zuiveringssysteem, met inachtneming van de volgende bepalingen : 1° er vloeit geen helder parasietwater door de unitaire riolering die de individuele zuiveringsinstallatie bevoorraadt;2° het regenwater komt eerst terecht in een voorziening voor het beheer van regenwater, zoals een overstort, een vergaarkom of een opslagvoorziening die voor een gereguleerde teruggave van het regenwater in het opvangmilieu zorgt vooraleer het de individuele zuiveringsinstallatie bereikt;3° de individuele zuiveringsinstallatie en de voorziening voor het beheer van het regenwater zijn gedimensioneerd zodat het eventuele bijkomende regenwaterdebiet de werking ervan niet kan hinderen en blijft voldoen aan de emissievoorwaarden bedoeld in artikel 11.

Art. 13.De exploitant zorgt voor de goede staat van werking van zijn individueel zuiveringssysteem. De tussentijd tussen twee onderhouden, waarvan de minimumprestaties in bijlage V omschreven worden, bedraagt hoogstens één jaar.

De tussentijd tussen 2 ledigingen bedraagt hoogstens vier jaar voor individuele zuiveringseenheden of hoogstens twee jaar voor individuele zuiveringsinstallaties.

Individuele zuiveringssystemen en ontvetters worden door erkende ruimers geledigd.

Art. 14.De bewijsstukken inzake het onderhoud en de door een erkende opruimer opgemaakte opruimingsattesten worden bij elke controle door de exploitant overgelegd aan de personen of instellingen die de Waalse Regering daartoe gemachtigd heeft. HOOFDSTUK IV. - Opheffings-, overgangs- en slotbepalingen

Art. 15.Het koninklijk besluit van 3 augustus 1976 houdende algemeen reglement voor het lozen van afvalwater in de gewone oppervlaktewateren, in de openbare riolen en in de kunstmatige afvoerwegen voor regenwater wordt opgeheven wat betreft de inrichtingen bedoeld in dit besluit

Art. 16.§ 1. De artikelen 6, 13 en 14 van dit besluit zijn van toepassing op de bestaande inrichtingen. § 2. De artikelen 7 en 9 van dit besluit zijn van toepassing op de bestaande inrichtingen vanaf 1 januari 2010. § 3. Gezuiverd water uit de bestaande inrichtingen voldoet aan de emissievoorwaarden van bijlage VI.

Art. 17.Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2009.

Art. 18.De Minister van Leefmilieu is belast met de uitvoering van dit besluit.

Namen, 25 september 2008.

De Minister-President, R. DEMOTTE De Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme, B. LUTGEN

BIJLAGE I Begrip inwonerequivalent De nuttige capaciteit van het individuele zuiveringssysteem wordt bepaald op grond van het aantal inwonerequivalenten (IE) van de op het individuele zuiveringssysteem aangesloten woning of wooncomplexen. Ze bedraagt ministens 5 IE. Er wordt vanuit gegaan dat de dagelijks voortgebrachte vuilvracht voor eengezinswoningen die slechts huishoudelijk afvalwater voortbrengen, gelijk is aan een aantal inwonerequivalenten dat overeenstemt met het aantal bewoners. Als verschillende woningen op hetzelfde individueel zuiveringssysteem aangesloten zijn, wordt uitgegaan van minimum 4 IE per woning voor de berekening van de vuilvracht.

Voor de andere gebouwen wordt het aantal inwonerequivalenten dat overeenstemt met de vuilvracht van het huishoudelijk afvalwater, berekend als volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Voor de met een * aangeduide gebouwen of complexen wordt het op grond van de tabel berekend aantal IE verhoogd met 1/2 IE per personeelslid dat in de instelling tewerkgesteld is. Voor de bepaling van de vereiste nuttige capaciteit wordt rekening gehouden met een eventuele vermeerdering van het aantal gebruikers van het aangesloten gebouw of complex.

Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 25 september 2008 tot bepaling van de integrale exploitatievoorwaarden voor individuele zuiveringseenheden en -installaties.

Namen, 25 september 2008.

De Minister-President, R. DEMOTTE De Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme, B. LUTGEN

BIJLAGE II Bepalingen betreffende de elementen inzake voorbehandeling en slibopslag Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 25 september 2008 tot bepaling van de integrale exploitatievoorwaarden voor individuele zuiveringseenheden en -installaties.

Namen, 25 september 2008.

De Minister-President, R. DEMOTTE De Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme, B. LUTGEN

BIJLAGE III Controlevoorziening De controlevoorziening bedoeld in artikel 9 voldoet aan de volgende eisen : 1° een vlotte monsterneming van het geloosde gezuiverde water mogelijk maken;2° vlot toegankelijk zijn, zonder voorafgaande formaliteit;3° geïnstalleerd zijn op een plek die alle garanties biedt inzake waterkwantiteit en -kwaliteit, hetzij : a) geïntegreerd in het zuiveringscompartiment : ze wordt op de uitgangsvoorziening aangebracht.vlotte toegang vanaf het toegangsluik, ze bestaat uit een open leiding die een monsterneming van het water juist vóór de uitgang mogelijk maakt; b) hetzij in het mangat geïntegreerd op een afstand van maximum 2 meter na het laatste element van de behandeling : het mangat is voorzien van een opening met een nominale afmeting van 60 cm en laat de rechtstreekse monsterneming toe onder de leiding van het water dat in het mangat binnenkomt. Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 25 september 2008 tot bepaling van de integrale exploitatievoorwaarden voor individuele zuiveringseenheden en -installaties.

Namen, 25 september 2008.

De Minister-President, R. DEMOTTE De Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme, B. LUTGEN

BIJLAGE IV Dimensionering van de afvoervoorzieningen via infiltratie De dimensionering van de afvoervoorziening via infiltratie maakt het voorwerp uit van een berekeningsnota waarin verschillende parameters betreffende de kenmerken van de bodem opgenomen worden.

Als het regenwater langs dezelfde voorziening afgevoerd wordt, houden de dimensioneringsgrondslagen rekening met het bijkomende regenwaterdebiet. a) Bodemtype en infiltratiesnelheid : Zandbodem : infiltratiesnelheid tussen 4.10-3 m/s en 2.10-5 m/s.

Zand-leembodem : infiltratiesnelheid tussen 2.10-5 m/s en 6.10-6 m/s.

Leembodem : infiltratiesnelheid tussen 6.10-6 m/s en 10-6 m/s.

De infiltratie kan niet overwogen worden voor infiltratiesnelheden hoger dan 4.10-3 m/s en lager dan 10-6 m/s.

De infiltratiesnelheid wordt in situ gemeten via een permeabiliteitstest. b) Diepte van het grondwater : Als het grondwater niet dieper is dan 1 m, kan het gezuiverde water uitsluitend afgevoerd worden via een bovengrondse infiltratieheuvel of via een andere toegelaten afvoerwijze.c) Infiltratiesleuven of dispersiedraineerbuizen : Maximumlengte : 30 meter vanaf het voedingspunt. Minimale sectie van 0,6 m x 0,6 m De asafstand tussen elke sleuf of draineerbuis mag niet minder dan 2 m bedragen : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 25 september 2008 tot bepaling van de integrale exploitatievoorwaarden voor individuele zuiveringseenheden en -installaties.

Namen, 25 september 2008.

De Minister-President, R. DEMOTTE De Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme, B. LUTGEN

BIJLAGE V Verplichte onderhoudsprestaties Al naar gelang van het soort uitrusting hebben de onderhoudsprestaties hoe dan ook betrekking op de volgende verificaties en controles, die in een exploitatiedagboek worden opgenomen : ? Verificatie van de datum van de laatste slibzuivering. ? Verificatie van de datum van het laatste onderhoud. ? Functionele controle van elk mechanisch en elektrotechnisch bestanddeel. ? Onderhoud van de onder water liggende luchtververser en van de pompen, reiniging van de pomp, verificatie van de dichtheid van de aansluitingen van de leidingen voor water, lucht, slib. ? Verificatie van het zuurstofgehalte van het afvalwater en, desgevallend, aanpassing van de diensttijd voor de onder water liggende luchtververser. ? Verificatie van het chemisch zuurstofverbruik (CZV). ? Verificatie van het slibvolume na de fase van secundaire zuivering en regeling van de hercirculatie (facultatief al naar gelang van het gebruikte procédé). ? Verificatie van de exacte hoogte van het slib in het opslagcompartiment waarbij aan de exploitant gevraagd wordt om, indien nodig, de procedure inzake afvoer van het slib door een erkende opruimer op te starten. ? Uitvoering van de algemene reinigingswerken, bijvoorbeeld verwijdering van afzettingen.

De uitgevoerde onderhoudswerken en het resultaat van de analyse van het CZV in het dagboek voor de exploitatie opschrijven.

De tussentijd tussen 2 onderhoudsbezoeken bedraagt hoogstens één jaar.

Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 25 september 2008 tot bepaling van de integrale exploitatievoorwaarden voor individuele zuiveringseenheden en -installaties.

Namen, 25 september 2008.

De Minister-President, R. DEMOTTE De Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme, B. LUTGEN

BIJLAGE IV Bestaande inrichtingen - Emissievoorwaarden a) Individuele zuiveringseenheid : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 25 september 2008 tot bepaling van de integrale exploitatievoorwaarden voor individuele zuiveringseenheden en -installaties. Namen, 25 september 2008.

De Minister-President, R. DEMOTTE De Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme, B. LUTGEN

^