Etaamb.openjustice.be
Besluit Van De Waalse Regering van 26 januari 2006
gepubliceerd op 10 februari 2006

Besluit van de Waalse Regering tot uitvoering van het decreet van 27 mei 2004 betreffende de adviesverlenende agentschappen inzake sociale economie

bron
ministerie van het waalse gewest
numac
2006200347
pub.
10/02/2006
prom.
26/01/2006
ELI
eli/besluit/2006/01/26/2006200347/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

26 JANUARI 2006. - Besluit van de Waalse Regering tot uitvoering van het decreet van 27 mei 2004 betreffende de adviesverlenende agentschappen inzake sociale economie


De Waalse Regering, Gelet op het decreet van 27 mei 2004 betreffende de adviesverlenende agentschappen inzake sociale economie, inzonderheid op de artikelen 5, 6, 7, 8, 10, 21, 22, 26, 31, 35 en 36;

Gelet op het advies van de "Conseil économique et social de la Région wallonne" (Sociaal-economische raad van het Waalse Gewest), gegeven op 7 november 2005;

Gelet op het advies van de "Conseil wallon de l'Economie sociale marchande" (Waalse Raad voor sociale markteconomie), gegeven op 7 november 2005;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 27 juni 2005;

Gelet op de instemming van de Minister van Begroting, gegeven op 30 juni 2005;

Gelet op het advies van de Raad van State nr. 39591/2, gegeven op 10 januari 2006, overeenkomstig artikel 84, § 1, eerste lid, 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op de voordracht van de Minister van De Minister van Economie, Tewerkstelling en Buitenlandse Handel;

Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK I. - Voorwaarden voor de toekenning van de erkenning

Artikel 1.Overeenkomstig artikel 6, derde lid, van het decreet van 27 mei 2004 betreffende de adviesverlenende agentschappen inzake sociale economie, hierna het decreet genoemd, neemt het in tweede lid, 1°, van hetzelfde artikel bedoelde criterium de volgende elementen in aanmerking : 1° de kwaliteit van de aan de sociale economiebedrijven voorgestelde begeleiding;2° de op het niveau van het adviesverlenende agentschap beschikbare interne en externe hulpmiddelen;3° de meerwaarde, in termen van complementariteit, van de aanvraag voor de sector van de sociale economie. HOOFDSTUK II. - Erkennings- en Opvolgingscommissie

Art. 2.De bevoegdheden die bij de artikelen 18 tot 20 van het decreet worden toevertrouwd aan de Regering, worden uitgeoefend door de Minister bevoegd voor Sociale Economie, hierna "de Minister" genoemd. HOOFDSTUK III. - Procedure voor de toekenning, de verlenging, de opschorting, de intrekking of de afstand van de erkenning

Art. 3.De aanvraag om verlening van de erkenning, waarvan het model door de Minister wordt bepaald, wordt ofwel bij gewone brief, ofwel bij e-mail ingediend bij het bestuur.

De aanvraag om verlening van de erkenning gaat vergezeld van een dossier dat hetgeen volgt bevat : 1° een afschrift van de gecoördineerde statuten van het adviesverlenende agentschap;2° een beargumenteerde beschrijving van het project voor sociale economie dat het adviesverlenende agenschap wil uitvoeren;3° een beargumenteerde beschrijving van de publicitaire en commerciële acties die het adviesverlenende agentschap wil ontwikkelen;4° een beargumenteerde beschrijving van de materiële en menselijke middelen die voor de uitvoering van het project worden gebruikt;5° een gedetailleerd financieel plan voor het lopende kalenderjaar en een financieel plan over de drie toekomstige jaren;6° een afschrift van de door het adviesverlenende agentschap gesloten partnerschapsovereenkomsten. De documenten die reeds in het bezit zijn van het Bestuur, hoeven niet meer overgemaakt te worden.

Art. 4.De aanvraag om erkenningsverlenging wordt ofwel bij gewone brief, ofwel bij e-mail ingediend bij het bestuur op zijn vroegst acht maanden vóór en uiterlijk drie maanden vóór het vervallen van de lopende erkenning.

De aanvraag om verlenging van de erkenning gaat vergezeld van een dossier dat de eventuele wijzigingen van het in artikel 3 bedoelde dossier en een gedetailleerd financieel plan over drie jaar bevat.

Art. 5.§ 1. Binnen een termijn van tien dagen na ontvangst van de aanvraag om toekenning of verlenging van de erkenning maakt het Bestuur de aanvrager een bericht van ontvangst over waarin vermeld wordt dat het dossier volledig is of dat de nog over te maken stukken bepaalt.

De aanvrager dient de ontbrekende stukken in op dezelde manier als de in artikel 3, eerste lid, bedoelde aanvraag.

Te rekenen van de datum van zending van die brief door het Bestuur heeft het adviesverlenende agentschap een termijn van vijftien dagen om de ontbrekende documenten over te maken. § 2. Zodra het over een volledig dossier beschikt, onderzoekt het Bestuur de aanvraag en maakt het ze binnen een termijn van vijftien dagen over aan de Commissie. § 3. De Commissie kan de vertegenwoordigers van de instelling die de erkenning of de verlenging ervan vraagt, ofwel op eigen initiatief, ofwel op hun verzoek horen.

Als de vertegenwoordigers van de instelling op initiatief van de Commissie worden gehoord, wordt hun een oproeping bij ter post aangetekende brief gezonden. Deze oproeping moet noodzakelijk de punten waarover ze zullen worden gehoord, vermelden.

Art. 6.Binnen een termijn van twee maanden na zending van het dossier door het bestuur, brengt de Commissie een met redenen omkleed advies uit over elke aanvraag om erkenning of verlenging van de erkenning.

Het bestuur maakt dit advies samen met zijn onderzoek van het dossier over.

Art. 7.De Minister verleent of weigert de erkenning uiterlijk binnen een termijn van één maand na ontvangst van het advies van de Commissie. In voorkomend geval wordt de beslissing geacht gunstig te zijn.

Binnen vijftien dagen na de beslissing van de Minister stelt het bestuur de aanvrager in kennis van ofwel de beslissing tot toekenning bij gewone brief, ofwel de beslissing tot weigering van de erkenning of van de verlenging ervan bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs.

Het bestuur deelt ook de beslissing tot toekenning of tot weigering van de erkenning of van de verlenging ervan aan de Commissie mede.

Art. 8.§ 1. Het bestuur onderzoekt elk dossier betreffende de gevallen bedoeld in artikel 9 van het decreet en maakt het over binnen de maand na kennisneming van de betwiste feiten aan de Commissie over.

Voor de opschorting of de intrekking van de erkenning van een adviesverlenend agentschap vraagt de Minister het advies van de Commissie. Deze laatste brengt hem advies uit binnen een termijn van vijfenveertig dagen nadat ze de vertegenwoordigers van het adviesverlenende agentschap gehoord heeft.

De vertegenwoordigers van het adviesverlenende agentschap worden ten minste één maand vóór hun verhoor op de hoogte gebracht van de datum ervan en van de redenen die dit verhoor motiveren. Op schriftelijk verzoek kunnen ze inzage nemen van het dossier betreffende dit verhoor. § 2. De Commissie kan op basis van het activiteitenverslag een opschortingsvoorstel op eigen initiatief overmaken.

Wanneer de Commissie een overduidelijk gebrek aan activiteiten overeenkomstig artikel 5, eerste lid, 3°, 6° en 7°, van het decreet vaststelt, kan ze aan de Minister voorstellen de erkenning op te schorten tot de indiening van : 1° ofwel een plan voor herstel van het adviesverlenende agentschap;2° ofwel een aanvraag om afstand, fusie, overdracht van een activiteitentak of overname tussen adviesverlenende agentschappen. In het geval bedoeld in artikel 2, 2°, is de in § 1 bedoelde procedure van toepassing.

Bij gebrek aan indiening van het plan voor herstel of van de in het tweede lid, 1° of 2°, bedoelde aanvraag binnen een termijn van zes maanden kan de intrekking van de erkenning voorgesteld worden. § 3. Ten gevolge van het advies van de Commissie kan de Minister de erkenning van het adviesverlenende agentschap opschorten of intrekken. § 4. Binnen vijftien dagen na de beslissing van de Minister deelt het bestuur de beslissing tot opschorting of intrekking van de erkenning bij ter post aangetekende brief aan het adviesverlenende agentschap mede.

Art. 9.§ 1. Bij afstand van activiteiten tussen adviesverlenende agentschappen wordt de aanvraag om erkenning, waarvan het model door de Minister wordt bepaald, ofwel bij gewone brief, ofwel bij e-mail bij dit laatste ingediend.

Deze door het adviesverlenende agentschap ingediende erkenningsaanvraag bestaat uit een dossier met : 1° de analyse van het strategische belang van de fusie;2° de algemene audit en de financiële valorisatie van de betrokken structuren;3° de analyse van de behoeften en van de bronnen die nodig zijn voor de installatie van een nieuwe structuur. § 2. Het vervolg van de procedure geschiedt overeenkomstig de artikelen 5 tot 7.

Art. 10.De in de artikelen 6, 7 en 8 vermelde termijnen worden van 1 juli tot 31 augustus van elk jaar geschorst. HOOFDSTUK IV. - Activiteitenverslag

Art. 11.Het in artikel 22, eerste lid, 2°, van het decreet bedoelde model van het jaarlijkse activiteitenverslag wordt bepaald door de Minister Het activiteitenverslag wordt door elk agentschap vóór 31 maart van het jaar volgend op het erkenningsjaar overgemaakt.

Het activiteitenverslag wordt dan door het bestuur overgemaakt aan de Commissie binnen de maand na ontvangst ervan.

Art. 12.De in artikel 1 bedoelde begeleiding moet tijdens de erkenning geconcretiseerd worden in het kader van een haalbaarheidsstudie of van een opvolging van de sociale economiebedrijven na oprichting ervan, een juridische analyse, een financiële analyse en een analyse van het beheer menselijke hulpkrachten. Deze begeleiding kan gedurende hoogstens twee jaar gevaloriseerd worden in het kader van de in artikel 13, § 2, bedoelde toelage.

De modaliteiten van deze begeleiding maken het voorwerp uit van een overeenkomst zoals bedoeld in artikel 22, 4°, van het decreet, waarvan het model door de Minister wordt bepaald en die door het adviesverlenende agentschap en het begeleide bedrijf wordt getekend.

De vormingsacties of activiteiten die in aanmerking kunnen komen voor een erkenning als sociaal secretariaat mogen niet beschouwd worden als een analyse van het beheer menselijke hulpkrachten.

Het activiteitenverslag moet in een bijzonder deel het geheel van de elementen van de haalbaarheidsstudie of van de opvolging van de sociale economiebedrijven bevatten. HOOFDSTUK V. - Subsidiëring

Art. 13.§ 1. Tijdens het eerste erkenningsjaar kent de Minister het bedrag van de in artikel 24 van het decreet bedoelde toelage toe aan de erkende adviesverlenende agentschappen. § 2. Tijdens het tweede en vanaf het derde erkenningsjaar verleent de Minister, na advies van de Commissie, een bijkomende toelage naast het bedrag van de in § 1 van dit artikel bedoelde toelage.

Het bedrag van de bijkomende toelage wordt berekend naar gelang van de in artikel 23 van het decreet bedoelde criteria op grond van het activiteitenverslag van het vorige jaar en door toepassing van de volgende regels : 1° 3.000 of 5.000 euro worden toegekend wanneer er in het kader van de opdrachten van de adviesverlenende agentschappen wordt bewezen dat de verhouding van de projectontwikkelaars die georiënteerd zijn naar aan hun behoefte meer aangepaste instellingen, respectievelijk minstens dertig of vijftig procent van het totaalbedrag van projectontwikkelaars bedraagt; 2° 1.000 euro worden toegekend voor elke deelname aan een evenement gesteund of georganiseerd door het Directoraat-generaal Economie en Tewerkstelling van het Waalse Gewest met een maximum van 4.000 euro; 3° 3.000, 6.000 of 9.000 euro worden toegekend wanneer respectievelijk minstens drie, zes of negen sociale economiebedrijven in het kader van de begeleiding van het adviesverlenende agentschap een deel of het geheel van de voor de uitvoering van het project van het sociale economiebedrijf van een financiële instelling hebben ontvangen; 4° 6.000, 10.000 of 15.000 euro worden toegekend wanneer het aantal begeleide sociale economiebedrijven krachtens artikel 5, eerste lid, 3°, a), van het decreet respectievelijk minstens zes, tien of vijftien bedrijven bedraagt.

Wanneer de verhouding van bedrijven voor sociale handelseconomie onder de begeleide bedrijven minstens vijfenzeventig procent bedraagt, worden de in het tweede lid, 4°, van deze paragraaf bedoelde bedragen met twintig procent verhoogd.

De in het tweede lid, 4°, bedoelde bedragen worden verhoogd met 1.000 euro per schijf van tien voltijds uitgedrukte arbeidsplaatsen die binnen de begeleide bedrijven onlangs zijn gecreërd. § 3. Het bedrag van de bijkomende toelage, zoals berekend overeenkomstig § 2 van dit artikel, mag in geen geval hoger zijn dan 20.000 euro voor wat betreft het tweede erkenningsjaar en 40.000 euro vanaf het derde jaar. § 4. In geval van toekenning van erkenning in het kader van een afstand van activiteiten tussen adviesverlenende agentschappen kan de Minister na advies van de Commissie de bijkomende toelage met een bedrag van 32.000 euro verhogen tijdens een periode van maximum twee jaar. § 5. Binnen de perken bedoeld in artikel 24, derde lid, en in artikel 25, tweede lid, van het decreet koppelt de Minister de in de §§ 1, 2 en 3, bedoelde toelagen jaarlijks aan de index.

Art. 14.Overeenkomstig artikel 21, tweede lid, van het decreet verbinden de V.Z.W.'s of de private ondernemingen met winstoogmerk die ten laste worden genomen door het adviesverlenende agentschap in het kader van zijn opdrachten bedoeld in artikel 5, 3°, zich tot de oprichting van of de omschakeling naar bedrijven voor sociale handelseconomie binnen een termijn van zes maanden.

Deze termijn begint te lopen vanaf de ondertekening van de in artikel 12, tweede lid, van dit besluit bedoelde overeenkomst door het adviesverlenende agentschap en de V.Z.W. of de private onderneming met winstoogmerk.

Art. 15.Overeenkomstig artikel 26 van het decreet bepaalt de Minister de formulieren voor de rechtvaardiging van de uitgaven en voor de aanvraag om toelage.

Dit formulier moet in één enkel exemplaar binnen de door de Minister voorgeschreven termijnen overgemaakt worden aan het bestuur. HOOFDSTUK VI. - Overgangs- en slotbepalingen

Art. 16.Overeenkomstig artikel 35 van het decreet moeten de adviesverlenende agentschappen die uitgebaat worden, hun erkenningsaanvraag indienen binnen drie maanden na de inwerkingtreding van dit besluit.

Art. 17.Overeenkomstig artikel 31 van het decreet worden de beëdigde personeelsleden van niveau 1, zoals bedoeld in het decreet van 5 februari 1998 houdende toezicht en controle op de naleving van de wetgeving betreffende de omscholing en de bijscholing, erom gemachtigd te zorgen voor de naleving van de bij of krachtens het decreet bepaalde regels.

Art. 18.Het decreet van 27 mei 2004 betreffende de adviesverlenende agentschappen inzake sociale economie en dit besluit treden in werking de dag waarop dit laatste in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Art. 19.De Minister bevoegd voor Sociale Economie is belast met de uitvoering van dit besluit.

Namen, 26 januari 2006.

De Minister-President, E. DI RUPO De Minister van Economie, Tewerkstelling en Buitenlandse Handel, J.-C. MARCOURT

^