Besluit Van De Waalse Regering van 27 februari 2003
gepubliceerd op 13 maart 2003
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Besluit van de Waalse Regering houdende sectorale voorwaarden voor de exploitatie van centra voor technische ingraving

bron
ministerie van het waalse gewest
numac
2003027136
pub.
13/03/2003
prom.
27/02/2003
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

27 FEBRUARI 2003. - Besluit van de Waalse Regering houdende sectorale voorwaarden voor de exploitatie van centra voor technische ingraving


De Waalse Regering, Gelet op Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen;

Gelet op het decreet van 30 april 1990 betreffende de bescherming en de exploitatie van grondwater en van tot drinkwater verwerkbaar water;

Gelet op het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen;

Gelet op het Waalse Wetboek voor Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium;

Gelet op het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning;

Gelet op het advies van de Adviescommissie voor de bescherming van het water tegen verontreiniging, gegeven op 6 februari 2002;

Gelet op het advies van de Gewestelijke afvalstoffencommissie, gegeven op 23 september 2002;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid, gemotiveerd door het feit dat het gaat om de omzetting van een richtlijn « interne markt » waarvan de omzettingstermijn verstreken is op 16 juli 2001 en dat de Europese Commissie de zaak aanhangig gemaakt heeft bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, dat de Waalse Regering de Raad van State op 24 december ll. verzocht heeft binnen een maand advies uit te brengen over het voorontwerp van bovenbedoeld besluit tot omzetting van een aantal bepalingen van genoemde richtlijn, waarvan enkele zo spoedig mogelijk in werking moeten treden om de vlotte uitvoering van het decreet van 11 juni 1999 betreffende de milieuvergunning te waarborgen, dat één maand na het verzoek om adviesverlening nog steeds geen advies is uitgebracht;

Gelet op het advies van de Raad van State nr. 34.911/4, uitgebracht op 20 februari 2003 overeenkomstig artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op de voordracht van de Minister van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Leefmilieu;

Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Afdeling 1. - Toepassingsgebied

Artikel 1.Deze voorwaarden zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in rubriek nr. 90.25 van bijlage I bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten. Afdeling 2. - Begripsomschrijving

Art. 2.In de zin van dit besluit wordt verstaan onder : 2.1. « CWATUP » : het Waalse Wetboek voor Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium; 2.2. « CET » : centrum voor technische ingraving, zoals bedoeld in artikel 2, 18° van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen; 2.3. « nomenclatuur-besluit » : het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten; 2.4. beschermde natuurgebieden : de domaniale en erkende natuurreservaten, de bosreservaten, de sites Natura 2000 in de zin van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, gewijzigd bij de decreten van de Waalse Gewestraad van 11 april 1984, 16 juli 1985, 7 oktober 1985, 7 september 1989, 21 april 1994, 6 april 1995, 22 januari 1998 en 6 december 2001, de vochtige gebieden met een biologische waarde in de zin van het besluit van 8 juni 1989 betreffende de bescherming van de vochtige gebieden met een biologisch belang en de ondergrondse holten met een wetenschappelijke waarde in de zin van het besluit van de Waalse Regering van 26 januari 1995; 2.5. opgravingsbodem : natuurlijke of geremanieerde oppervlakte waarop afvalstoffen of dichtings- en draineerlagen rechtstreeks worden opgeslagen, al naar gelang het geval; 2.6. capillaire opstijging : stijging van het water in de bodemporiën vanaf de oppervlakte van de grondwaterlagen als gevolg van de krachten van de oppervlaktespanning; 2.7. cel : onderverdeling van een « CET » naar gelang van de aard van de ondergegraven afvalstoffen; 2.8. sector : onderverdeling van een cel waar afvalstoffen gehanteerd of ondergegraven worden en waarvan de oppervlakte maximum 2 ha bedraagt, behalve als de bevoegde overheid een andere oppervlakte vastlegt na advies van de technisch ambtenaar; 2.9. werkzone : onderverdeling van een sector waar afvalstoffen gehanteerd of ondergegraven worden en waarvan de oppervlakte maximum 5000 m2 bedraagt, behalve als de bevoegde overheid een andere oppervlakte vastlegt na advies van de technisch ambtenaar; 2.10. ondergravingszone : oppervlakte waar afvalstoffen en de effluenten ervan daadwerkelijk ondergegraven of gehanteerd worden; 2.11. technisch ambtenaar : de ambtenaar bedoeld in artikel 1, 16°, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning; 2.12. toezichthoudende ambtenaar : de ambtenaar bedoeld in artikel 2, 25°, van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen; 2.13. biogas : de door biologisch afbreekbare afvalstoffen voortgebrachte gassen; 2.14. watervlak : natuurlijke of kunstmatige meren en vijvers; 2.15. waterloop : elk soort bevaarbare of onbevaarbare waterloop; 2.16. dienst : de « Office wallon des déchets » (Waalse dienst voor afvalstoffen); 2.17. exploitant : de exploitant bedoeld in artikel 1, 8°, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning of diens afgevaardigde. Afdeling 3. - Indeling van de centra voor technische ingraving

Art. 3.De centra voor technische ingraving worden ingedeeld in vijf klassen : - klasse 1 : de centra bedoeld in rubriek 90.25.01 van het nomenclatuur-besluit; - klasse 2 : de centra bedoeld in rubriek 90.25.02 van het nomenclatuur-besluit; - klasse 3 : de centra bedoeld in rubriek 90.25.03 van het nomenclatuur-besluit; - klasse 4 : de centra bedoeld in rubriek 90.25.04 van het nomenclatuur-besluit, met name : - de centra bedoeld in rubriek 90.25.04.01 van het nomenclatuur-besluit- klasse 4 A. - de centra bedoeld in rubriek 90.25.04.02 van het nomenclatuur-besluit- klasse 4 B. - klasse 5 : de centra bedoeld in rubriek 90.25.05 van het nomenclatuur-besluit, met name : - de centra bedoeld in rubriek 90.25.05.01 van het nomenclatuur-besluit - klasse 5.1. - de centra bedoeld in rubriek 90.25.05.02 van het nomenclatuur-besluit - klasse 5.2. - de centra bedoeld in rubriek 90.25.05.03 van het nomenclatuur-besluit - klasse 5.3. Afdeling 4. - Herkomst van de afvalstoffen

Art. 4.§ 1. Alle afvalstoffen mogen in een « CET » ondergegraven worden als ze aan de criteria van dit besluit voldoen, behalve als de technische eigenschappen van de site een beperking van de aard van de toelaatbare afvalstoffen rechtvaardigen. § 2. De in een « CET » van klasse 3 toelaatbare afvalstoffen moeten gestort kunnen worden in elk « CET » van klasse 2, met inachtneming van de regels betreffende de verenigbaarheid van afvalstoffen. § 3. Onverminderd § 1 en niettegenstaande de mogelijke verwijdering in een « CET » van klasse 4 zoals bepaald in deze sectorale voorwaarde, moeten de stoffen die d.m.v. bagger- of ruimingswerken uit de bedding en de oevers van waterlopen en watervlakken verwijderd worden en de door de Regering daarmee gelijkgestelde afvalstoffen gestort kunnen worden in : - elk « CET » van klasse 2 als ze voldoen aan de meer bepaald analytische criteria inzake de toelaatbaarheid van afvalstoffen in een « CET » van klasse 2; - elk « CET » van klasse 3 als de inerte aard ervan erkend is.

Artikel 5 is ook toepasselijk op dezelfde stoffen waarvan vaststaat dat ze gevaarlijk zijn. Afdeling 5. - Ondergraving van gevaarlijke afvalstoffen in een « CET »

van klasse 2 of 5.2.

Art. 5.§ 1. Stabiele, niet-reactieve gevaarlijke afvalstoffen, die bijvoorbeeld verhard of verglaasd zijn, met een uitlooggedrag dat gelijkwaardig is aan dat van ongevaarlijke afvalstoffen, en die voldoen aan de relevante aanvaardingscriteria kunnen in kleine hoeveelheden ondergegraven worden in een « CET » van klasse 2 of 5.2.

Die gevaarlijke afvalstoffen worden niet in een « CET » gestort in cellen bestemd voor ongevaarlijke afvalstoffen die biologisch afbreekbaar zijn. § 2. De bevoegde overheid mag de vergunning voor het storten in een « CET » pas verlenen na de uitvoering van een milieuevaluatie door een milieueffectonderzoeker die voor de categorie « afvalbeheer » erkend is.

Die evaluatie toont aan dat : - er geen risico's zijn voor het milieu; - de kleine hoeveelheden van gevaarlijke industriële afvalstoffen verenigbaar zijn met de in het « CET » gestorte afvalstoffen; - de omstandigheden buitengewoon zijn.

De hoeveelheden die in het « CET » aanvaard kunnen worden en de specifieke voorwaarden voor de ondergraving van de afvalstoffen bedoeld in § 1 liggen vast in de vergunning. § 3. De exploitant richt de aanvraag om vergunning voor de ondergraving van kleine hoeveelheden gevaarlijke industriële afvalstoffen in een « CET » van klasse 2 of 5.2. aan de bevoegde overheid, die zich binnen een termijn van honderd dagen moet uitspreken. Afdeling 6. - Vereist recht

Art. 6.Tijdens de hele duur van de exploitatie en het nabeheer beschikt de exploitant over een recht van eigendom, vruchtgebruik, opstal of erfpacht op de exploitatiesite van het « CET ». Afdeling 7. - Afval dat niet in een « CET » toegelaten wordt

Art. 7.Het is verboden de volgende afvalstoffen in een centrum voor technische ingraving te storten : 1° vloeibare afvalstoffen, met uitzondering van slib;2° gevaarlijke afvalstoffen met één van de volgende gevaareigenschappen : H1, H2, H3 A, H3 B, H6, H8, H12 of H13, zoals bedoeld in bijlage III bij het besluit van de Waalse Regering van 10 juli 1997 tot vaststelling van een afvalcatalogus;3° ziekenhuis- en gezondheidszorgafval van klasse B1 en B2, zoals bedoeld in artikel 1, 5° en 6°, van het besluit van de Waalse Regering van 30 juni 1994 betreffende de ziekenhuis- en gezondheidszorgafvalstoffen;4° afvalstoffen met één van de gevaareigenschappen bedoeld in bijlage III bij het besluit van de Waalse Regering van 10 juli 1997 tot vaststelling van een afvalcatalogus en die bestaan uit niet-geïdentificeerde en/of nieuwe chemische stoffen afkomstig van onderzoek-, ontwikkelings- of onderwijsactiviteiten en waarvan de effecten op de mens en/of het milieu niet gekend zijn;5° afvalstoffen die niet kunnen worden ondergegraven;6° dierlijke afval, zoals bedoeld in artikel 1, 3, van het besluit van de Waalse Regering van 21 oktober 1993 betreffende de dierlijke afvalstoffen;7° stoffen, apparaten of voorwerpen die meer dan 50 mg/kg PCB's en/of PCT's bevatten;8° hele afvalbanden, met uitzondering van banden die als materiaal worden gebruikt, en, vanaf 1 juli 2006, fijngemalen afvalbanden.Deze bepaling is niet van toepassing op fietsbanden en op banden met meer dan 1400 mm diameter. HOOFDSTUK II. - Vestiging en bouw Afdeling 1. - Minimumafstanden tussen de « CET », bepaalde zones van

het gewestplan en bepaalde gebieden

Art. 8.§ 1. De minimumafstand tussen de ingravingszone en de woon- en recreatiegebieden bedoeld in de artikelen 26, 27, 29 van het « CWATUP » of de gebieden waarvan de bestemming nog niet vaststaat, zoals bedoeld in artikel 33 van hetzelfde Wetboek, is : - 50 meter voor de centra van klasse 3, 4-A en 5.3; - 100 meter voor de centra van klasse 2, 4-B en 5.2; - 150 meter voor de centra van klasse 1 en 5.1. § 2. De minimumafstand tussen de ingravingszone en de landbouwgebieden bedoeld in artikel 35 van het « CWATUP » is : - 15 meter voor de centra van klasse 3, 4-A en 5.3; - 25 meter voor de centra van klasse 2, 4-B en 5.2; - 50 meter voor de centra van klasse 1 en 5.1. § 3. De minimumafstand tussen de ingravingszone en de omtrekken bedoeld in artikel 40, 1°, van het « CWATUP » is : - 25 meter voor de centra van klasse 3, 4-A en 5.3; - 50 meter voor de centra van klasse 2, 4-B en 5.2; - 75 meter voor de centra van klasse 1 en 5.1. § 4. De minimumafstand tussen de ingravingszone en de omtrekken bedoeld in artikel 40, 4°, van het « CWATUP » is : - 100 meter voor de centra van klasse 3, 4-A en 5.3; - 200 meter voor de centra van klasse 2, 4-B en 5.2; - 300 meter voor de centra van klasse 1 en 5.1. § 5. Het is verboden een « CET » te vestigen binnen een omtrek bedoeld in artikel 40, 5°, van het « CWATUP ».

Art. 9.§ 1. De minimumafstand tussen de ingravingszone en de waterwegen en -vlakken is : - 15 meter voor de centra van klasse 3 en 5.3; - 25 meter voor de centra van klasse 2 en 5.2; - 50 meter voor de centra van klasse 1 en 5.1. § 2. Het is verboden een « CET » te vestigen in een nabijgelegen preventiegebied voor waterwinning bedoeld in het besluit van 14 november 1991 betreffende de grondwaterwinningen, de waterwinnings-, de voorkomings- en de toezichtsgebieden en de kunstmatige aanvulling van de grondwaterlagen.

De « CET » van klasse 1, 2, 4-B, 5.1 en 5.2 mogen niet gevestigd worden in een afgelegen preventiegebied of in een toezichtsgebied bedoeld in het besluit van 14 november 1991 betreffende de grondwaterwinningen, de waterwinnings-, de voorkomings- en de toezichtsgebieden en de kunstmatige aanvulling van de grondwaterlagen. § 3. De minimumafstand tussen de ingravingszone en de beschermde natuurgebieden is, onverminderd de bijzondere decretale en reglementaire bepalingen betreffende die gebieden, : - 25 meter voor de centra van klasse 3, 4-A en 5.3; - 50 meter voor de centra van klasse 2, 4-B en 5.2; - 75 meter voor de centra van klasse 1 en 5.1. Afdeling 2. - Waterdichtheid en drainage

Art. 10.§ 1. De bodem en de zijkanten van elk « CET » hebben voldoende verdunningscapaciteit om de besmetting van de bodem, de ondergrond, het grondwater en het oppervlaktewater doeltreffend te beperken. Daartoe bestaan de bodem en de zijkanten van het « CET » uit minerale en synthetische materialen die voldoen aan voorschriften inzake doorlatendheid en dikte, die te zamen een niveau van bescherming van bodem, ondergrond, grondwater en oppervlaktewater moeten garanderen dat tenminste gelijkwaardig is aan het niveau dat bereikt wordt met de volgende voorschriften : - « CET » van klasse 1 en 5.1. - minerale materialen : K = 1,0 x 10- 9 m/s dikte = 5 m op de bodem en het onderste deel van de zijkanten = 1 m op het bovenste deel van de zijkanten en - synthetische materialen : aard : PEHD dikte > 2 mm - « CET » van klasse 2, 4B en 5.2. - minerale materialen K < 1,0 x 10-9 m/s dikte = 1 m op de bodem en het onderste deel van de zijkanten = 0.6 m op het bovenste deel van de zijkanten en - synthetische materialen aard : PEHD dikte > 2 mm voor de klassen 2 en 5.2. > 1,5 mm voor de klassen 4B - « CET » van klassen 3, 4A en 5.3. - minerale materialen K < 1,0 x 10-7 m/s dikte = 1 m waarbij K de doorlaatcoëfficiënt is. § 2. De waterdichtheid mag hoe dan ook niet dunner zijn dan 0,5 meter.

Daarbij wordt geen rekening gehouden met het draineermateriaal. § 3. De materialen die worden gebruikt om waterdichtheid te garanderen in de centra van klasse 1, 2, 4B, 5.1 en 5.2 voldoen aan de criteria van bijlage 1, punt 1.

Art. 11.§ 1. Voor de centra van klasse 1, 2, 4B, 5.1 en 5.2. bestaat de waterdichthheid van de bodem en zijkanten uit een draineermassief met een perennerend doorlatenheidscoëfficiënt dat minstens gelijk is aan 10-2 m/s en een dikte van 0,5 m of meer op de bodem en van 0,2 m aan de zijkanten. Het draineermassief kan discontinuïteiten vertonen aan het bovenste deel van de zijkanten. § 2. De steenslagverhardingen die de draineermassieven vormen, zijn vrij van fijne deeltjes. Als ze in aanraking kunnen komen met percolaten van zure aard, zijn ze niet kalkachtig. In dat geval zijn de verliezen door brand of zuuretsing lager dan 5 %. Hun mechanische weerstand wordt door het gebruik bewezen.

Art. 12.§ 1. De voorafgaande inrichting van de site wordt zo uitgevoerd en de bovenbedoelde waterdichtheidslagen en draineermassieven zo aangebracht dat zo weinig mogelijk percolaten zich opstapelen op de bodem van het « CET ».

Na uitgraving en herprofilering van de oppervlakten waarop het onderste drainage-waterdichtheidscomplex wordt aangebracht, mag geen enkele glooiing een helling boven 6/4 hebben (33° op de horizontale lijn). De helling wordt hoe dan ook aangepast zodat de waterdichtheidsmaterialen elke druk wordt bespaard.

De bodem van de inkassing van elke sector wordt zodanig geprofileerd dat de perennerende helling minstens 2 % bedraagt in de richting van het punt of de lijn waar de percolaten hoofdzakelijk worden opgevangen. § 2. In het geval van een « CET » van klasse 2 worden de bodem en de zijkanten na profilering van de bodem van de bouwput afgedekt met een onderste drainage-waterdichtheidscomplex waarvan het prestatievermogen minstens gelijk is aan dat van de voorziening omschreven in punt 2 van bijlage 1.

Art. 13.Als de bevoegde overheid op grond van een door de exploitant voorgesteld milieueffectonderzoek van mening is dat het « CET » geen potentieel gevaar oplevert voor bodem, ondergrond, grondwater of oppervlaktewater, mogen de eisen van de artikelen 10, 11 en 12 dienovereenkomstig aangepast worden. Afdeling 3. - Toezicht op de werken en inrichtingen van het « CET »

Onderafdeling 1. - Opdrachten van de onafhankelijke controle-inrichting

Art. 14.§ 1. Elk bestek bevattende de precieze technische clausules van de opdracht alsmede de programma's m.b.t. de controle, het toezicht en het onderhoud op lange termijn, met inbegrip van het nabeheer van de werken en de volgende inrichtingen : - het ontwerpen en het aanbrengen van de onderste voorzieningen voor drainage-waterdichtheid en voor de bescherming van de bodem en de zijkanten van het « CET »; - het ontwerpen en het aanbrengen van elke voorziening voor de opvang, de opslag en de overbrenging van percolaten; - het ontwerpen, de lokalisering en de installatie van de piëzometers; - het ontwerpen, de lokalisering en het aanbrengen van de installaties voor de behandeling en de valorisatie van biogassen; - het ontwerpen en de installatie van het bovenste complex voor drainage-waterdichtheid en voor het meten van zettingen aan het einde van de exploitatie, tijdens fasen van herstelling en nabeheer van de site, wordt voor advies overgemaakt aan een onafhankelijke controle-inrichting gekozen door de exploitant met de onvoorwaardelijke instemming van zijn verzekeraar en na overleg met de technisch ambtenaar. § 2. Vóór de aanvang van de werken maakt de exploitant het bestek en de plannen in drie exemplaren ter goedkeuring over aan de technisch ambtenaar. Die documenten gaan vergezeld van het advies van de onafhankelijke controle-inrichting. De technisch ambtenaar beschikt over 60 dagen om zich uit te spreken. § 3. De proeven en analysen betreffende de uitvoering van de in § 1 bedoelde opdrachten worden verricht door laboratoria en instellingen die niet afhankelijk zijn van de exploitant en de controle-inrichting.

Onderafdeling 2. - Toezicht en oplevering van de werken en inrichtingen

Art. 15.§ 1. Tijdens de uitvoering en na afloop van de werken en inrichtingen bedoeld in artikel 14 bezorgt de onafhankelijke controle-inrichting de technisch ambtenaar en de toezichthoudende ambtenaar maandelijks een uitvoerig verslag bevattende : - de stand van de werken; - de uitgevoerde metingen en controles en de resultaten ervan; - elke nuttige opmerking betreffende de werking van het bouwterrein. § 2. Vóór elke ingraving van afval in een sector stelt de exploitant de technisch ambtenaar in kennis van de voltooiing van de installatie van het onderste drainage-dichtheidscomplex en van de installatie voor de opvang en de overbrenging van percolaten. De exploitatie van die sector vereist de geschreven toestemming van de technisch ambtenaar, die over 60 dagen beschikt om zich uit te spreken. § 3. De technisch ambtenaar geeft de burgemeesters van de gemeenten waar de centra gevestigd zijn kennis van de krachtens dit artikel genomen beslissingen. HOOFDSTUK III. - Exploitatie Afdeling 1. - Hinderpreventie

Onderafdeling 1. - Algemeen

Art. 16.De exploitant is verplicht : 1° de hinder en gevaren inherent aan de exploitatie van het « CET », zoals geuren en stof, zwerfvuil, lawaai en voertuigbewegingen, aërosolen, brand, te beperken;2° te zorgen voor het optimale onderhoud van alle apparaten, installaties en inrichtingen;3° de stabiliteit van de werken en installaties te garanderen;4° te zorgen voor de afzondering van het « CET » om hydraulische, esthetische en veiligheidsredenen;5° onverminderd artikel 46, § 2, vlak na afloop van de lozingen in een sector of in geval van verlengde non-activiteit van een sector, de in bijlage 1, punt 3, bedoelde afdekking aan te brengen, alsmede het krachtens de artikelen 38 en 39 van dit besluit vereiste topografische toezicht uit te voeren.Voor een « CET » van klasse 3, 4A, 4B, 5.1., 5.2. of 5.3. mag de bevoegde overheid na advies van de technisch ambtenaar de voorschriften van de artikelen 38 en 39 alsmede die van bijlage I, punt 3.4. aanpassen. Die bepalingen kunnen onder dezelfde voorwaarden aangepast worden als het « CET » wegens de aard of de leeftijd van de toegelaten afvalstoffen niet of niet meer vatbaar is voor noemenswaardige zettingen.

Onderafdeling 2. - Landschapsinrichtingen

Art. 17.De exploitant zorgt er zoveel mogelijk voor dat de afvalstoffen niet zichtbaar zijn van buitenaf het « CET ». Bij gebrek aan een gepaste gordel van hoge bomen of dichtbegroeide schaarbossen kan ook voorzien worden in traliewerk dat hoog genoeg is, omheiningen, netten, vitrages; deze kunstmatige hindernissen kunnen gedemonteerd en hergebruikt worden al naar gelang de ontwikkeling van het exploitatieplan.

Onderafdeling 3. - Zwerfvuil

Art. 18.De exploitant is verplicht : - het « CET » zo in te richten dat de afval van de site niet op de openbare weg en in de omgeving terecht kan komen; - te voorkomen dat de afvalstoffen wegwaaien; - zo nodig de directe omgeving van het « CET » te reinigen bij accidentele bevuiling.

Onderafdeling 4. - Ongedierte

Art. 19.De exploitant treft alle nodige maatregelen om de proliferatie van ongedierte te voorkomen. Voor een « CET » waarin biologisch afbreekbare afvalstoffen gestort kunnen worden, wordt een rattenbestrijdingsovereenkomst met een gespecialiseerde onderneming gesloten, waarvan binnen acht dagen een afschrift wordt overgemaakt aan de technisch ambtenaar en aan de toezichthoudende ambtenaar.

Op verzoek van de toezichthoudende ambtenaar legt de bevoegde overheid de verdelging van ongedierte op.

Onderafdeling 5. - Stabiliteit

Art. 20.§ 1. De afvalstoffen worden zodanig in de site gestort dat de stabiliteit van de afvalstofmassa en de bijbehorende constructies gewaarborgd blijft en dat met name verschuivingen worden voorkomen. De verzakkingen, scheuren, kuilen of plaatsen waar de afvalstoffen in een tussenafdeklaag zichtbaar zijn, worden onmiddellijk opgevuld.

Geen enkele buitenhelling mag 8/4 overschrijden (26° op de horizontale lijn), behalve afwijking toegestaan door de bevoegde overheid na advies van de technisch ambtenaar en voor zover de in § 2 bedoelde verplichtingen nagekomen worden. § 2. De exploitant is verplicht : - de duurzame stabiliteit van de gebouwen, inrichtingen en ophogingen te garanderen; - de erosieproblemen te beperken door eventuele gleuven onmiddellijk op te vullen zodra ze zichtbaar worden.

Onderafdeling 6. - Omheiningen

Art. 21.§ 1. Alleen gemachtigde personen hebben toegang tot het « CET ».

De in- en uitgangen van het « CET » zijn voorzien van deuren die de toegang tijdens de sluitingsuren ontzeggen. Die deuren zijn minimum 2 meter hoog en uitgerust met prikkeldraad of een gelijkwaardige voorziening. Ze zijn open als de exploitant aanwezig is.

De aanwezigheid op de site van het personeel dat nodig is voor de uitvoering van de werken m.b.t. de inrichting, de sanering en het nabeheer van het « CET », valt echter niet onder de bepalingen bedoeld in het vorige lid. De werken worden uitgevoerd in aanwezigheid van minstens één persoon die behoorlijk gemachtigd is door de exploitant. § 2. Bij gebrek aan een hindernis die de bevoegde overheid hoog genoeg acht, wordt het « CET » omheind met traliewerk en deuren die minstens 2 meter hoog zijn. Bovenop het traliewerk wordt prikkeldraad of een gelijkaardige voorziening aangebracht om de vrije toegang tot de site te beletten. § 3. Het controle- en toegangssysteem van elk « CET » omvat een programma van maatregelen om illegaal afvalstorten op de site op te sporen en tegen te gaan.

Onderafdeling 2. - Criteria en procedures voor de aanvaarding van afvalstoffen Onderafdeling 1. - Dienstinstallaties en controleprocedures

Art. 22.§ 1. Het « CET » is voorzien van een dienst- en controle-installatie bestaande uit : - een gebouw voorzien van water, elektriciteit, tefefoon, met minstens één lokaal dat als bureau dient, een eetzaal, sanitaire installaties met douche voor het personeel en, eventueel, een garage voor de voertuigen; - een verwarmd lokaal waar de toezichthoudende ambtenaar een apparatuur kan installeren die de door de in de artikelen 44, 45, 46, 54 en 55 van dit besluit bedoelde analyse- en registreerapparaten geproduceerde signalen kunnen lezen. Het lokaal beschikt over een stroomtoevoer (230V/10A), over een geschakelde telefoonverbinding en een verbinding met de analyse- en meetuitrustingen; - een geijkte weegbrug geplaatst bij de ingang van het « CET » en voorzien van een automatisch registreerapparaat en van de nodige elektronische middelen die de aan- en afgevoerde afvalstoffen in reële tijd kunnen controleren. De site wordt zo ingericht dat de in- en uitrijdende voertuigen gewogen worden op de weegbrug, die in werking wordt gehouden tijdens de openingsuren; - een verkeersdetector per inductie geplaatst vóór de weegbrug en een controlesysteem d.m.v. een camera ter hoogte van de weegbrug. De desbetreffende leestoestellen bevinden zich in het lokaal bedoeld in 1°; - een portaal voor het opsporen van radioactieve stoffen; - bij de ingang, een waterdichte oppervlakte om de lading van minstens twee vrachtwagens te storten, de aard van de afval te controleren en de vrachtwagens te herladen. De uit deze handeling voortkomende percolaten worden naar het zuiveringsstation aangevoerd. De exploitant voert die controle willekeurig uit op minstens één vrachtwagen per dag; - waterdichte containers die groot genoeg zijn voor de opvang van kleine afvalhoeveelheden - minder dan 0,5 % ladingsgewicht - die niet in het « CET » kunnen worden gestort. Die containers worden zo nodig afgevoerd. Op grond van artikel 23 van dit besluit wordt een identificatieformulier opgemaakt en bij het in artikel 24 bedoelde register gevoegd. § 2. In afwijking van § 1 worden de volgende bepalingen van § 1 pas toegepast na beslissing van de bevoegde overheid en na advies van de technisch ambtenaar : - « CET » van klasse 3 : 2°, 5° en 6°; - « CET » van klasse 4A : 2°, 3°, 4°, 5° en 6° - « CET » van klasse 4B : 3°, 4°, 5°en 6°; - « CET » van klasse 5 : 2°, 5°, 6° en 7°. § 3. Elke lading die in het « CET » aankomt, wordt hoe dan ook aan een visuele controle onderworpen. § 4. De exploitant voldoet aan de verplichtingen die hem opgelegd worden krachtens de Beschikking van de Raad 2003/33/EG van 19 december 2002 tot vaststelling van criteria en procedures voor het aanvaarden van afvalstoffen op stortplaatsen overeenkomstig artikel 16 en bijlage II bij Richtlijn 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen.

Onderafdeling 2. - Aanvaarding van afval

Art. 23.De bevoegde overheid bepaalt, na advies van de technisch ambtenaar, de dagen en uren voor de aanvaarding van afvalstoffen. In buitengewone omstandigheden kan de toezichthoudende ambtenaar de afvalaanvaarding buiten de vastgelegde uren alsmede op zon- en feestagen toelaten. De handelingen i.v.m. het aanvaarden en het afladen van afvalstoffen mogen slechts in het bijzijn van de exploitant uitgevoerd worden.

Tijdens het afladen worden de administratieve formaliteiten, de conformiteitscontrole, de begeleiding van de vervoerders en het besturen van de voertuigen uitgevoerd : - door minstens één persoon in de « CET » van klasse 3, 4 en 5.3.; - door minstens twee personen in de « CET » van klasse 1, 2, 5.1 en 5.2.

Onderafdeling 3. - Identificatieformulier en verslagen

Art. 24.§ 1. Elk voertuig met afvalstoffen die in een « CET » gestort zullen worden, beschikt over een vervoerformulier in drie exemplaren.

Het eerste exemplaar wordt bewaard op een door de toezichthoudende ambtenaar bepaalde plaats of op de site; het tweede exemplaar wordt overgemaakt aan de vervoerder; het derde exemplaar wordt door de exploitant teruggezonden naar de producent of de ophaler.

Bij het afladen worden de volgende gegevens via een computer op het vervoerformulier geconsigneerd of opnieuw overgeschreven : - het gewicht en de tarra en in voorkomend geval het nummer van de weegbon; - de naam van de persoon die de conformiteit van de afvalstoffen controleert; - de datum en het uur van de aflading; - de afvalcode volgens de nomenclatuur vermeld in het besluit van de Waalse Regering van 10 juli 1997 tot vaststelling van een afvalcatalogus; - de herkomst van de afvalstoffen; - de identificatie van de producent of de ophaler; - de op het exploitatieplan vermelde code op grond waarvan de ingravingsplaats wordt bepaald; - het inschrijvingsnummer van het voertuig en, in voorkomend geval, de bestemming ervan; - de identificatie van de exploitant en van de bestuurder, alsmede de handtekening van laatstgenoemde. § 2. De exploitant is verplicht : - de formulieren te bewaren gedurende vijf jaar na het opmaken ervan; - de formulieren op gewoon verzoek over te maken aan de toezichthoudende ambtenaar. § 3. De exploitant bezorgt de Dienst aan het einde van elke kalendersemester een syntheseverslag met de volgende gegevens : - de gestorte afvalhoeveelheden per code en per cel sinds het begin van de exploitatie van het « CET », uitgedrukt in ton; - de gestorte afvalhoeveelheden per code en per cel van het « CET » in de loop van de afgelopen semester, uitgedrukt in ton; - de residuele capaciteit van het « CET », per cel van het « CET », in ton - raming - en in m3, op 10 % na; - de toegepaste tarieven, alsmede de structuur ervan, exclusief taksen en inclusief alle taksen voor elk type afval; die gegevens worden niet noodzakelijk om het halfjaar verstrekt, maar in ieder geval bij het initialiseren en in geval van wijziging.

De Dienst kan de vorm en de wijze van overmaking van het verslag bepalen. § 4. De exploitant van een « CET » van klasse 4 of 5 maakt jaarlijks uiterlijk 31 maart een samenvattende tabel over aan de Dienst, waarin de herkomst, de hoeveelheid, de aard en de identificatiecode van de verwijderde afvalstoffen nauwkeurig en uitvoerig worden vermeld, zoals bepaald bij het besluit van de Waalse Regering van 10 juli 1997 tot vaststelling van een afvalcatalogus. § 5. De bevoegde overheid kan na advies van de technisch ambtenaar afwijkingen van de §§ 1 en 2 van dit artikel toestaan voor een « CET » van klasse 4 of 5.

Onderafdeling 4. - Register

Art. 25.De exploitant legt op de site een register ter inzage van de toezichthoudende ambtenaar. Dat register is een ingebonden band van continu genummerde pagina's, die de toezichthoudende ambtenaar geparafeerd en gedateerd heeft per reeks van 200 pagina's.

Het register wordt bewaard gedurende 5 jaar, met ingang van de datum waarop het laatste formulier is toegevoed. Voor elke exploitatiedag vermeldt de exploitant de volgende gegevens in het register : - het aantal formilieren met, in voorkomend geval, de weigeringen; - in voorkomend geval, de formulieren betreffende de containers met geweigerde, uitgaande of valoriseerbare afvalstoffen; - het nemen van monsters en het in ontvangst nemen van protocolen betreffende de door de milieuvergunning opgelegde analysen; - een beschrijvend verslag over elk voorval dat ongewoon is of dat de milieubescherming in gevaar zou kunnen brengen - een beschrijvend verslag over elk onderhoud, voorval, herstel, i.v.m. het « CET » en zijn bijgebouwen.

Het model van het register is opgenomen in bijlage 2.

Onderafdeling 5. - Weigeringsprocedure

Art. 26.De exploitant gaat na of de afvalstoffen voldoen aan de voorwaarden waarin de milieuvergunning voorziet.

Als de afval geweigerd wordt, : - vermeldt de exploitant het inschrijvingsnummer van het voertuig en van de aangekondigde bestemming ervan op het formulier bedoeld in artikel 24 van dit besluit; - verwittigt de exploitant zo spoedig mogelijk per fax de burgemeesters van de gemeenten waar het « CET » gevestigd is, de technisch ambtenaar en de toezichthoudende ambtenaar. Afdeling 3. - Exploitatie- en nabeheersfasen

Onderafdeling 1. - Toegang tot het « CET »

Art. 27.De toegang tot het « CET » wordt zo georganiseerd dat de gewone gebruikers van het wegennet waarop het aangesloten is, zo weinig mogelijk gehinderd worden.

De binnenwegen worden zo ingericht dat de voertuigen het « CET » kunnen verlaten zonder slib of afval aan hun wielen. Zo nodig wordt een reinigingsstation geïnstalleerd. Het door de reiniging voortgebrachte afvalwater wordt overeenkomstig de vigerende wetgeving behandeld.

De werkzones worden bereikt via de hoofdingang van het « CET ». De personeelsinstructies en de interne bewegwijzering dienen om ongepaste afvalstortingen buiten de daartoe voorziene zones te voorkomen.

Aan de ingang van de site wordt in voorkomend geval een wachtplek ingericht om de stilstand van vrachtwagens te voorkomen op de toegangswegen of erlangs.

Onderafdeling 2. - Uitrusting

Art. 28.Het « CET » is hoe dan ook uitgerust met : - twee verdichters, waarvan één minstens 15 ton weegt, voorzien van schapepootwalsen en van een doeltreffend antiverstoppingssysteem; - een duwbulldozer; - een lader; - een hydraulische graafmachine; - een dumper; - een vrachtwagen met « dubbele assen ».

De bevoegde overheid kan afwijkingen toestaan na advies van de technisch ambtenaar.

Onderafdeling 3. - Signalisatie en informatie

Art. 29.§ 1. Bij de ingang van het « CET » staat een bord van minstens 1 m2 waarop hoe dan ook de volgende gegevens duidelijk voorkomen : - de melding « verboden toegang behalve toestemming » in hoofdletters van 10 cm hoog; - de identificatie en het adres van het « CET »; - het adres en het telefoonnummer van de exploitant of van zijn afgevaardigde, het in § 2 bedoelde « groen nummer » incluis; - het adres en het telefoonnummer van de toezichthoudende ambtenaar en van de dienst « SOS pollution »; - de normale openingsuren voor de afvalopvang; - het telefoonnummer van de dienst waarop een beroep kan worden gedaan in geval van brand of bij ongevallen; - de klasse van het « CET » en het soort toegelaten afvalstoffen.

Naast het bord plakt de exploitant, duidelijk leesbaar, de tarieven aan (alle taksen inbegrepen) voor elk soort afval dat gestort mag worden, behalve voor de « CET » van klasse 5. § 2. De exploitant stelt een gratis telefoonnummer (groen nummer) ter beschikking van de bevolking en zorgt ervoor dat de lijn permanent beschikbaar is. Dat nummer staat vermeld op het algemeen identificatiebord bij de ingang van het « CET ». Registratie is toegelaten buiten de normale openingsuren van het « CET ».

Aan het einde van elk kalenderkwartaal bezorgt de exploitant de toezichthoudende ambtenaar en de burgemeesters van de betrokken gemeenten een verslag i.v.m. de ontvangen oproepen, met, voor elke oproep, de datum, het uur, de herkomst, de reden en het gevolg dat er aan gegeven wordt.

Onderafdeling 4. - Voorwaarden betreffende de exploitant

Art. 30.De exploitant van het « CET » vervult de volgende voorwaarden : * indien het om een natuurlijke persoon gaat : - Belg zijn of onderdaan van een lid-Staat van de Europese Gemeenschap of van de Europese Economische Ruimte; - de politieke en burgerlijke rechten genieten; - niet zijn veroordeeld in de loop van de vijf laatste jaren voorafgaand aan de aanvraag door een beslissing die in kracht van gewijsde is getreden wegens een inbreuk op titel I van het algemeen reglement van de arbeidsbescherming, op de wet van 9 juli 1984 betreffende de invoer, de uitvoer en de doorvoer van afvalstoffen, het decreet van 5 juli 1985 betreffende de afvalstoffen, het decreet van 25 juli 1991 betreffende de belasting op afvalstoffen in het Waalse Gewest, Verordening 259/93/EEG van de Raad van 1 februari 1993 met betrekking tot de overbrenging van afvalstoffen bij de invoer in, de uitvoer uit en binnen de Europese Gemeenschap, het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen, de uitvoeringsbesluiten ervan of iedere andere gelijkwaardige wetgeving van een lidstaat van de Europese Gemeenschap, behalve als bovenbedoelde veroordeling uitgewist is of als betrokkene een rehabilitatie geniet; * indien het gaat om een rechtspersoon in de vorm van een handelsvennootschap : - opgericht zijn overeenkomstig de Belgische wetgeving of de wetgeving van een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap en zijn venootschaps- of bedrijfszetel in België of in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap hebben; - onder de bestuurders, beheerders of personen die de vennootschap kunnen binden, enkel personen tellen die voldoen aan de voorwaarden bedoeld in 1°, b) en c); * indien het gaat om een publiekrechtelijke of een privaatrechtelijke rechtspersoon die niet in de vorm van een handelsvennootschap opgericht is : onder de leden van de beheersorganen en van het personeel enkel personen tellen die voldoen aan de voorwaarden bedoeld in 1°, b) en c).

Onderafdeling 5. - Kwalificatie en vorming van het personeel

Art. 31.§ 1. De exploitant geeft een gepaste vorming aan het gezamenlijke « CET »-personeel dat tewerkgesteld is in het kader van zijn exploitatie, alsook aan het personeel van de eventuele onderaannemers en aan elke nieuwe interveniënt. De vorming slaat met name op het bijbrengen van : - de decretale en reglementaire bepalingen inzake de milieuvergunning en het afvalbeheer; - de technieken om afval te herkennen en te beheren; - de voorschriften inzake de interne en externe veiligheid; - de milieuproblemen inherent aan de exploitatie van een « CET ».

De exploitant legt het uitvoerige vormingsprogramma ter goedkeuring voor aan de technisch ambtenaar, alsook de lijst van het onderwijzend personeel en van het personeel dat de opleiding volgt. Hij repertorieert het personeel dat de opleiding heeft gevolgd, en houdt dat register regelmatig bij. Het register wordt bewaard op een plaats die de bevoegde overheid bepaalt of op de site. § 2. De exploitant deelt de identiteit van zijn afgevaardigde(n) mee aan de technisch ambtenaar en aan de toezichthoudende ambtenaar. De afgevaardigden hebben een diploma van het hoger onderwijs en een bevestigde ervaring inzake afvalbeheer. De exploitant maakt hun diploma's over vooraleer gestort wordt, of elk ander gegeven waarbij hun ervaring bevestigd wordt. De gegevens worden bijgehouden.

Bovenbedoeld diploma wordt niet vereist voor een « CET » van klasse 3 of 5.3., behalve krachtens bijzondere voorwaarden. § 3. De exploitant van een « CET » van klasse 1 of 5.1. telt onder zijn personeelsleden één persoon die speciaal belast wordt met het dagelijkse toezicht op de naleving van de exploitatievoorwaarden van het « CET » en die minstens licentiaat in de chemische wetenschappen of technicus A1 in de chemie is of die beschikt over een door de technische ambtenaar als gelijkwaardig beschouwd diploma.

Onderafdeling 6. - Certificering

Art. 32.De exploitant voorziet het « CET » binnen drie jaar, met ingang van de datum van kennisgeving van het machtigingsbesluit of van de krachtens artikel 72 van dit besluit genomen beslissing in geval van voortzetting van de exploitatie, al naargelang het geval, van een milieubeheer- en milieuauditsysteem overeenkomstig Verordening (EG) nr. 761/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2001 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS).

De exploitant geeft de technisch ambtenaar en de bevoegde Waalse instelling minstens één keer per jaar informatie over de toepassing en de evolutie van het systeem van milieumanagement.

Onderafdeling 7. - Exploitatieplannen

Art. 33.De exploitant bezorgt de technisch ambtenaar vóór de eerste afvalstorting in drie exemplaren een planontwerp op minstens 1/1000, waarop de volgende gegevens voorkomen : - de organisatie van de verschillende soorten cellen van het « CET »; - de opdeling van het « CET » in sectoren; - de volgorde van opvulling van de sectoren in tijd en ruimte naargelang van het voorspelbare ritme van de afvalaanvoeren; - de organisatie van de aanvoer en de opslag van de materialen die dienen om de lagen tussenafdekking aan te leggen; - de opslagen van materialen voor de bestrijding van eventuele branden; - het plan voor de waterafvoer, met het schema, de organisatie en de uitvoering van de maatregelen inzake hydrologie; - het plan betreffende de opvang van de « CET »-gassen, de aanvoer ervan naar de verwerkings- of valorisatieinstallaties; - het plan van de nieuwe installaties, inrichtingen, werken, gebouwen, wegen en paden, piëzometers.

Op grond van dezelfde vereisten actualiseert de exploitant zijn exploitatieplan tegen de frequentie waarin de milieuvergunning voorziet en op de jaardag van de vergunning.

Het plan en de bijwerkingen ervan worden door de technisch ambtenaar op voorstel van de exploitant goedgekeurd en bij de milieuvergunning gevoegd. Het ligt permanent ter inzage op een plaats bepaald door de toezichthoudende ambtenaar of, bij gebreke daarvan, op de site en kan ingezien worden door de overheden die bevoegd zijn om controle uit te oefenen.

De exploitant rechtvaardigt de naleving van bovenbedoeld plan op gewoon verzoek van de toezichthoudende ambtenaar.

Onderafdeling 8. - Ingraving van de afvalstoffen

Art. 34.De exploitant zorgt ervoor : - dat de afvalstoffen gestort worden op de plaats van de werkzone, behalve de handeling bedoeld in artikel 22, § 1, 6°, van dit besluit; - dat de afvalstoffen verdeeld en verdicht worden zodra het nodig is na het storten ervan; - dat de geëffende laag niet dikker is dan 0,5 meter als verdichting vereist wordt.

Onderafdeling 9. - Beheer van de stortsectoren

Art. 35.§ 1. Het is verboden biologisch afbreekbare organische afvalstoffen te kalken, behalve uitdrukkelijk bevel van de bevoegde overheid op verzoek van de toezichthoudende ambtenaar. § 2. In elke actieve werkzone dekt de exploitant aan het einde van de dag de afvalstoffen af met een voorziening om de geurhinder te beperken, het wegwaaien van bepaalde afvalstoffen te voorkomen en dieren weg te houden. Die voorziening wordt eventueel pas verwijderd bij de terugname van de gestorte afval of bij het aanbrengen van het bovenste stelsel waterdichtheid en drainage.

De werkzones die tijdelijk niet geëxploiteerd worden, worden onmiddellijk afgedekt met een laag tussenafdekking die minstens 0,50 meter dik is en de opvang van de « CET »-gassen niet in het gedrang brengt. Die laag kan in voorkomend geval verwijderd worden bij de terugname van de afvalstoffen.

Op verzoek van de exploitant en op basis van een behoorlijk gemotiveerd dossier kan de bevoegde overheid na advies van de technisch ambtenaar instemmen met de uitvoering van alternatieve oplossingen die minstens even doeltreffend zijn. § 3. Als de geurhinder aanhoudt, kan de bevoegde overheid na advies van de toezichthoudende ambtenaar bijkomende maatregelen opleggen zoals : - de verkleining van de oppervlakte van de werkzones en de vermindering van hun aantal; - de afdekking van de werkzones met compost, aarde of speciale producten zoals samengesteld mos of hars, tegen de frequentie die hij bepaalt; - het gebruik van vertragers van het biologisch afbraakproces, tegen een frequentie die hij bepaalt.

De toezichthoudende ambtenaar kan onder dezelfde omstandigheden bevel geven tot het aanbrengen van een voorziening voor geurvermindering of -absorptie d.m.v. gepaste producten en technieken. Hij mag de exploitant verzoeken om elke studie en informatie.

Onderafdeling 10. - Activiteiten op de site

Art. 36.Terugwinning van afval door derden op de site is verboden, behoudens bijzondere voorwaarden waarin de milieuvergunning voorziet na advies van de technisch ambtenaar.

Het is verboden huisdieren te laten rondlopen in de geëxploiteerde zones.

Het is tijdens de exploitatie en het nabeheer van het « CET » van klasse 1, 2, 4-B, 5.1 en 5.2 verboden planten te telen of dieren te fokken die rechtstreeks of onrechtstreeks in de voedingsketen zouden kunnen terechtkomen.

Onderafdeling 11. - Nabeheer

Art. 37.Na de herstelling van een « CET » waarborgt de exploitant het nabeheer voor de hele duur die de technisch ambtenaar nodig acht tot de beslissing die hij zal nemen krachtens artikel 55, § 6bis , vierde lid, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning.

Het nabeheer van een « CET » houdt met name de volgende verplichtingen in : - het algemeen onderhoud van de site, meer bepaald van het plantendek en van de installaties voor de verwerking van de gassen en percolaten; - de controle op de gassen en de wateren die door het « CET » geloosd worden; - de controle van de kwaliteit van het oppervlaktewater, het grondwater, de omgevende lucht, de gronden en ondergronden die door het « CET » getroffen kunnen worden.

De bijzondere voorwaarden bepalen de voorschriften inzake nabeheer waaraan de exploitant moet voldoen met inachtneming van richtlijn 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen. Afdeling 4. - Controle op de topografie van het « CET »

Onderafdeling 1. - Topografische opmeting tijdens de exploitatie

Art. 38.§ 1. Tijdens de exploitatie maakt de exploitant topografische opmetingen op grond waarvan het syntheseverslag wordt opgesteld overeenkomstig de voorschriften bedoeld in artikel 24, § 3, van dit besluit. § 2. Vier palen worden door een beëdigde landmeter geplaatst volgens de drie assen van de Lambert-coördinaten (X,Y) en de nationale waterpassing (Z). Ze steken minstens twintig centimeter uit boven de grond en een sectie van 15 centimeter op 15 centimeter en worden zodanig op de site aangebracht dat een topografische opmeting per luchtfotogrammetrie mogelijk is.

Het proces-verbaal van de plaatsing van de palen wordt zo spoedig mogelijk overgemaakt aan de technisch ambtenaar en aan de toezichthoudende ambtenaar.

Onderafdeling 2. - Topografische opmeting na het storten

Art. 39.§ 1. Zodra de afval in een bepaalde sector is gestort en een tijdelijke afdekking is aangebracht, plaatst de exploitant een voorziening die minstens één paal per maaswijdte van 25 meter op 25 bevat en die het mogelijk maakt de verzakking van de afvalstoffen kwantitatief te volgen.

De exploitant bezorgt de technisch ambtenaar en de toezichthoudende ambtenaar jaarlijks in december een rapport betreffende de relatieve verzakkingen - horizontale en verticale verplaatsingen - geregistreerd op elke alzo gedefinieerde site. De technisch ambtenaar kan de modaliteiten en het model van dat rapport vastleggen - vectorbewegingen in XY en krommen van isozettingen in Z - alsook, desnoods, de periodiciteit van de bewegingen wijzigen; hij bepaalt de referentiedatum met ingang waarvan de latere opmetingen worden uitgevoerd. § 2. Na het aanbrengen van het definitieve bovenste stelsel voor waterdichtheid en drainage, wordt een netwerk van palen (maaswijdte 30 meter op 30) aangelegd en jaarlijks verhoogd.

De exploitant bezorgt de technisch ambtenaar jaarlijks in december een rapport dat voldoet aan de beschrijving gemaakt in § 1, tweede lid. HOOFDSTUK IV. - Ongevallen- en brandpreventie

Art. 40.De exploitant pleegt overleg met de regionale brandweerdienst en treft op basis van het rapport van die dienst de geschikte maatregelen ter voorkoming en bestrijding van brand en ontploffingen onder andere i.v.m. de aanwezigheid van biogas en van een installatie voor de opvang en de afbraak daarvan. Het bewijs van dat overleg en het resultaat ervan worden overgemaakt aan de technisch ambtenaar en aan de toezichthoudende ambtenaar.

Art. 41.De motorkap van de werktuigen die in het « CET » rondrijden, is afgeschermd met traliewerk en de uitstoten zijn naar boven gericht.

Elk werktuig is uitgerust met een blusser.

Art. 42.§ 1. Het is binnen een « CET » verboden vuur te stoken en te roken in de buurt van brandbare afvalstoffen. § 2. Het storten van afval wordt stopgezet waar brand ontstaat; het mag worden voortgezet als de brandhaard geblust is en de gevolgen ervan geneutraliseerd zijn. § 3. Behoudens uitdrukkelijk bevel van de bevoegde diensten, wordt de brand door verstikking geblust, waarbij de brandende afval wordt overdekt met geschikt materiaal, zoals aarde en zand. Daartoe wordt van dat materiaal de nodige hoeveelheid permanent opgeslagen vlakbij de werkzone. HOOFDSTUK V. - Water Afdeling 1. - Algemene verplichtingen

Art. 43.Rekening houdende met de kenmerken van het « CET » en met de weeromstandigheden, neemt de exploitant gepaste maatregelen om : - de hoeveelheid meteorisch water te beperken dat door de in een « CET » gestorte afvalstoffen sijpelt, behalve als artikel 46, § 2, van toepassing is; - de hoeveelheid oppervlakte- en grondwater te beperken dat door de in een « CET » gestorte afvalstoffen kan sijpelen; - het gevaar voor besmetting van de grondwaterlaag, het oppervlaktewater, de grond en de ondergrond af te wenden en te beperken.

Onderafdeling 1. - Oppervlakte- en grondwater

Art. 44.De penetratie van het meteorisch water en het afvloeiingswater in de ingravingszone wordt tegengewerkt of gecontroleerd d.m.v. een draineerbuis of een randsloot.

Het water dat d.m.v. de in het vorige lid bedoelde voorziening wordt opgevangen, wordt terugwonnen en zonodig naar een vergaarkom afgevoerd. Het wordt buiten de site geloosd met inachtneming van de lozingsvoorwaarden. De draineerbuizen of sloten worden regelmatig geruimd om de vlotte werking ervan te waarborgen.

Het water van de waterlopen en -vlakken die vatbaar zijn voor rechtstreekse vervuiling, wordt stroomopwaarts en -afwaarts van de site gecontroleerd, overeenkomstig de voorschriften van artikel 56 van dit besluit.

Art. 45.§ 1. De exploitant plaatst een voorziening om het statische niveau van de voor vervuiling vatbare grondwaterlaag te controleren en te registreren. Daartoe legt hij een netwerk van piëzometers aan om monsters van het grondwater te nemen en, in voorkomend geval, om de opvang ervan mogelijk te maken. De piëzometers kunnen makkelijk uitgerust worden met een bemalingspomp van minstens honderd mm, ongeacht de aard van de ondergrond. § 2. Er wordt voorzien in minstens piëzometers per grondwaterlaag die vatbaar voor vervuiling is.

De exploitant geeft de technisch ambtenaar en de toezichthoudende ambtenaar vóór de eerste storting kennis van de plaatsen, in Lambert-coördinaten (X, Y : precisie 1 m) en nationale waterpassing (Z : precisie 10 cm), van de as van de putrand en van het hoofd van de buis, alsook van alle kenmerken van de uitrusting van de piëzometers.

Alle piëzometers worden met een hangslot afgesloten. De sleutels worden op de site bewaard en liggen steeds ter beschikking van de technisch ambtenaar en van de toezichthoudende ambtenaar.

Zonodig beveelt de bevoegde overheid na advies van de technisch ambtenaar de installatie van bijkomende piëzometers, waarvan laatstgenoemde de kenmerken bepaalt. De toezichthoudende ambtenaar kan overigens bevelen dat het verontreinigde water opgevangen wordt en in een gepaste installatie verwerkt wordt. § 3. Als het water van een grondwaterlaag onder een « CET » op noemenswaardige wijze door de afvalstoffen kan sijpelen, wordt de waterlaag teruggewonnen d.m.v. een gepaste voorziening die het water kan afvoeren zonder contact met de afvalstoffen.

Deze bepaling is niet van toepassing indien de mogelijke doorsijpeling te wijten is aan de artesische aard van de waterlaag.

De bodem van de bouwput onder het « CET » mag in geen geval onder het hogere niveau van een vrije grondwaterlaag liggen, noch in zijn capillaire opstijgingszone. Desnoods wordt een voorziening voor de neutralisatie van capillaire opstijgingen aangebracht.

Onderafdeling 2. - Opvang en verwerking van het besmette water en van de percolaten

Art. 46.§ 1. Het besmette water en de percolaten mogen niet als dusdanig buiten de site geloosd worden. Die vloeistoffen worden integraal opgevangen en zo snel mogelijk naar een behoorlijk vergund zuiveringsstation afgevoerd om er te worden behandeld; ze worden desnoods in een geschikte installatie behandeld.

Als de in het vorige lid bedoelde zuiveringsstations op de site van het « CET » gevestigd zijn, beschikken ze over een centrale voorziening voor de autocontrole op de werking om op de exploitatieplaats op de hoogte te blijven van de werkingsgraad ervan.

De toezichthoudende ambtenaar kan ter plaatse makkelijk inzage nemen van de parameters in reële tijd die de werking bij de in- en uitgang van de installatie aantonen - hoe dan ook het debiet, de pH, de conductiviteit en de temperatuur, alsook de datum en het uur van de metingen. Die parameters worden vooraf vastgelegd in overleg met de toezichthoudende ambtenaar.

De parameterwaarden over de vijf laatste jaren worden elektronisch en op papier geregistreerd en ter beschikking gesteld van de toezichthoudende ambtenaar- in voorkomend geval bepaalt hij het formaat - die er binnen 24 uur na zijn verzoek kennis van kan nemen.

De apparaten worden onderhouden, getarreerd en gekalibreerd tegen de door de fabrikant opgegeven frequenties. § 2. De gedwongen circulatie van water, percolaten en niet opschepbare effluenten in de afvalstoffen is verboden, behalve als op grond van een door de exploitant voorgestelde gestaafde wetenschappelijke bewijsvoering waarbij het voordeel van die techniek wordt aangetoond, o.a. met het oog op een versnelde stabilisatie van de biologisch afbreekbare afvalstoffen, die techniek wordt toegelaten door de bevoegde overheid na advies van de technisch ambtenaar. Die bepaling is echter niet van toepassing indien de toezichthoudende ambtenaar waterbesproeiing toelaat of oplegt om de vorming van stof of van andere hinder te beperken. § 3. De percolaten worden in voorkomend geval op de site in bekkens met een dubbele dichtheidsvoorziening opgeslagen voordat ze naar het zuiveringsstation afgevoerd worden.

Die bekkens en die van de behandelingseenheid zijn uitgerust met een voorziening waarmee minstens om de drie maanden kan worden nagegaan of ze waterdicht zijn. De toezichthoudende ambtenaar heeft steeds toegang tot die voorziening. § 4. De exploitant neemt alle nuttige maatregelen om verhoogde waterlagen in de afvalstoffen te voorkomen. § 5. De exploitant neemt alle nuttige maatregelen om de productie van percolaten te beperken tot het meteorisch water dat op de werkzones valt. Het netwerk van draineerbuizen wordt met name te dien einde zo aangepast en ontworpen dat het meteorisch water dat op niet-geëxploiteerde sectoren valt, gescheiden blijft van de percolaten en beheerd wordt overeenkomstig artikel 44. § 6. Alle kunstwerken uit cement, beton, en gelijkgestelde stoffen die in contact kunnen komen met de percolaten, worden permanent afgedekt met een waterdichte bekleding uit polyetheen of met een andere stof goedgekeurd door de toezichthoudende ambtenaar. § 7. De bevoegde overheid kan, na advies van de technisch ambtenaar, beslissen dat de bepalingen hierboven niet van toepassing zijn op de « CET » van klasse 3, 4-A en 5.3. Afdeling 2. - Lozingsvoorwaarden

Onderafdeling 1. - Voorwaarden voor lozingen in gewoon oppervlaktewater

Art. 47.Industrieel afvalwater dat in gewoon oppervlaktewater wordt geloosd, voldoet aan de volgende voorwaarden : - de pH-waarde ligt tussen 6,5 en 10,5. Als het voortkomt uit het gebruik van gewoon oppervlaktewater en/of van grondwater, kan de natuurlijke pH-waarde als grenswaarde van de pH aangenomen worden als ze hoger is dan 10,5 of lager dan 6,5; - de biochemische zuurstofbehoefte over vijf dagen bij 20 °C en bij aanwezigheid van allyl thio-ureum is niet hoger dan 90 mg per liter; - het gehalte aan zwevende stoffen is niet hoger dan 60 mg per liter; - het gehalte aan bezinkbare stoffen is niet hoger dan 0,5 ml per liter (statische bezinking gedurende 2 uur); - het gehalte aan niet-polaire koolwaterstoffen is niet hoger dan 5 mg per liter; - het gehalte aan anionactieve, kationactieve en niet-ionogene wasmiddelen is niet hoger dan 3 mg per liter; - het gehalte aan ammoniumstikstof is niet hoger dan 50 mg N per liter; - het gehalte aan fenol is niet hoger dan 1 mg P per liter; - het gehalte aan vlot ontleedbare of vrijkomende cyaniden is niet hoger dan 0,5 mg CN per liter; - het gehalte aan sulfuren en mercaptans is niet hoger dan 5 mg S per liter; - het gehalte aan totaal chroom is niet hoger dan 1 mg Cr per liter; - het gehalte aan totaal zink is niet hoger dan 4 mg Zn per liter; - het gehalte aan totaal lood is niet hoger dan 1 mg Pb per liter; - het gehalte aan totaal nikkel is niet hoger dan 2 mg Ni per liter; - het gehalte aan totaal arseen is niet hoger dan 0,15 mg As per liter - het gehalte aan totaal seleen is niet hoger dan 0,5 mg Se per liter; - het gehalte aan totaal koper is niet hoger dan 1 mg Cu per liter; - het gehalte aan extraheerbare organohalogeenverbindingen (EOX) is niet hoger dan 3 mg Cl per liter; - de temperatuur is niet hoger dan 30 °C; - het gehalte aan met petroleumether extraheerbare stoffen is niet hoger dan 20 mg per liter; - het is vrij van oliën, vetten of andere zwevende stoffen waarvan duidelijk kan worden vastgesteld dat ze een zwevende laag vormen; - het bevat geen opgelost ontvlambaar of ontplofbaar gas, noch producten die het vrijmaken van dergelijke gassen kunnen veroorzaken; - het is verboden mechanisch vermaalde vaste stoffen te storten of water dat zulke stoffen bevat; - het is, behoudens uitdrukkelijke toestemming, vrij van de stoffen bedoeld in richtlijn 76/464/EEG en in de dochterrichtlijn genomen overeenkomstig voormelde richtlijn, alsook in het besluit van 12 september 2002 tot aanpassing van de lijst van de relevante stoffen bedoeld in het besluit van de Waalse Regering van 29 juni 2000 tot bescherming van het oppervlaktewater tegen verontreiniging door bepaalde gevaarlijke stoffen; - bij een mogelijke aanwezigheid van gevaarlijke stoffen voorzien de bijzondere voorwaarden in een beperkte concentratie ervan. De beperking wordt vastgelegd naar gelang van het milieueffect dat eigen is aan die stof(fen) en, wat betreft vluchtige stoffen, heeft betrekking op de lozing stroomopwaarts van elke installatie met beluchtingssysteem.

Art. 48.

Onderafdeling 3. - Referentievolumes

Art. 49.Het referentievolume is niet van toepassing.

Onderafdeling 4. - Analyse- en monsternemingstechnieken

Art. 50.Voor de bepalingen van de artikelen 47 en 48 van deze sectorale voorwaarde, wordt « totaal metaal » gemeten aan de hand van een ongefilterd monster, aangezuurd bij PH2. Afdeling 3. - Afwijkingen

Art. 51.De bijzondere voorwaarden kunnen van de norm inzake chloriden (lozingen in rioleringen) afwijken in buitengewone weersomstandigheden. Afdeling 4. - Controles en toezicht

Onderafdeling 1. - Toepassingsgebied

Art. 52.Deze afdeling is van toepassing op monsternemingen en analysen i.v.m. : - gegevens opgenomen door meetapparaten geïntegreerd in het geheel van de installaties van het « CET », overeenkomstig de artikelen 44, 45 en 46 van dit besluit; - de verplichtingen van deze afdeling.

Onderafdeling 2. - Erkenning

Art. 53.De monsternemingen, de verpakking, het vervoer, de opslag van monsters en de analyses ervan worden in het kader van de controleprocedures vakkundig uitgevoerd door een erkend laboratorium belast met officiële wateranalysen. De kalibrering en het tarreren van de apparaten voor voortdurende metingen, krachtens de voorschriften van artikel 46 van dit besluit, worden ook uitgevoerd door een erkend laboratorium.

Onderafdeling 3. - Punctuele monsternemingen

Art. 54.§ 1. De datum en de uren van de monsternemingen, vereist krachtens de artikelen 57 en 58, worden minstens vijf weekdagen op voorhand door de exploitant per fax meegedeeld aan : - de technisch ambtenaar; - de toezichthoudende ambtenaar. § 2. Elk document i.v.m. monsternemingen vermeldt : - de datum en het uur van de monsterneming alsook de naam van de operator; - de referentie en de exacte coördinaten van het monsternemingspunt in Lambert-coördinaten (X, Y) en nationale waterpassing (Z); - eventuele elke bijzondere waarneming; - voor monsternemingen van grondwater, de volgende gegevens : - het piëzometrisch niveau; - de diepte waarop de monsterneming is uitgevoerd; - de variaties van het relatieve niveau, de pH, de temperatuur en de conductiviteit tijdens het pompen.

Onderafdeling 4. - Analyseresultaten

Art. 55.§ 1. Voor elk monsternemingspunt vermeldt het document betreffende het te analyseren monster in cijfers en op de ordinaat : - de parameters bedoeld in bijlage I bij het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 20 juli 1989 betreffende de kwaliteit van het leidingwater; - de parameters bedoeld in het koninklijk besluit van 3 augustus 1976 houdende algemeen reglement voor het lozen van afvalwater in de gewone oppervlaktewateren, in de openbare riolen en in de kunstmatige afvoerwegen voor regenwater. § 2. De resultaten van de krachtens dit hoofdstuk vereiste analysen worden gevoegd bij het register bedoeld in artikel 25 van dit besluit.

Ze worden overgelegd in de vorm van : - een cijfertabel; - grafieken waarop de in de loop van de vijf laatste jaren waargenomen resultaten systematisch voorkomen. § 3. Na advies van de technisch ambtenaar kan de bevoegde overheid naast het papierdocument een elektronische versie eisen. Ze legt de modaliteiten voor de overlegging van het analyseverslag vast in een formaat dat verenigbaar is met de databank van de bevoegde diensten van het Waalse Gewest.

Onderafdeling 5. - Analyseverslag

Art. 56.De analyseresultaten worden opgenomen in een verslag dat door de verantwoordelijke van het erkende laboratorium ondertekend wordt; dat verslag wordt binnen acht dagen na ontvangst ervan door de exploitant overgemaakt aan de technisch ambtenaar, aan de toezichthoudende ambtenaar, aan de ambtenaar van het Ministerie van het Waalse Gewest bevoegd inzake water alsook aan de Burgemeesters van de gemeenten waar het « CET » gevestigd is.

Het verslag vermeldt ook de hoeveelheden percolaten die maandelijks opgevangen worden d.m.v. de door de exploitant aangebrachte voorzieningen. Ze worden op cumulatieve wijze en op de gepaste schaal aan de hand van grafieken weergegeven.

Onderafdeling 6. - Controle van het oppervlaktewater en de percolaten

Art. 57.Met het oog op analyses worden om de drie maanden monsters genomen van het percolaat in het opvangbekken of onmiddellijk stroomopwaarts daarvan, aan de uitgang van het zuiveringsstation en in het oppervlaktewater dat rechtstreeks besmet of verontreinigd kan worden, onmiddellijk stroomopwaarts en -afwaarts van het « CET ».

Behoudens afwijking verleend door de bevoegde overheid na advies van de technisch ambtenaar, slaan de analysen op de volgende parameters : temperatuur in situ, pH in situ, conductiviteit in situ, COT, Cl, SO4, Cu, Zn, As, Cd, totaal Cr, Hg, Ni, Pb, SO6+, Sn, fenols, fluoriden, totale koolwaterstoffen. Er wordt ook een kwalitatieve evaluatie van de aanwezige organische verbindingen uitgevoerd d.m.v. een gaschromatograaf gekoppeld aan een massaspectrometer of aan een gelijkwaardige voorziening.

De geregistreerde gegevens over de werking van het zuiveringsstation, ingezameld overeenkomstig de bepalingen van artikel 46, § 1, van dit besluit, worden gevoegd bij het analyseverslag bedoeld in artikel 55 van dit besluit.

Op grond van de resultaten kan de technisch ambtenaar elk ogenblik wijzigingen aanbrengen in de lijst van de monsternemingspunten en in de lijst van de te analyseren parameters. Hij kan ook de frequentie van de monsternemingen en analysen aanpassen.

Onderafdeling 7. - Controle van het oppervlaktewater

Art. 58.Om de zes maanden, in de loop van de maanden maart en september, worden monsters van het grondwater van de piëzometers genomen.

Vóór de monsterneming wordt de waterlaag, indien mogelijk, gedurende minstens één uur en hoe dan ook tot de stabilisatie van het piëzometrisch niveau en van de gemeten conductiviteit opgepompt tot een gepast debiet wordt bereikt.

Naast de meting van het statische niveau van de waterlaag, slaan de analysen, behoudens afwijkingen verleend door de bevoegde overheid na advies van de technisch ambtenaar, op de volgende parameters : temperatuur in situ, pH in situ, conductiviteit in situ, COT, Cl-, SO4, Cu, Zn, As, Cd, totaal Cr, Hg, Ni, Pb, Cr6+, Sn, fenols, fluoriden, totale koolwaterstoffen. Er wordt ook een kwalitatieve evaluatie van de aanwezige organische verbindingen uitgevoerd d.m.v. een gaschromatograaf gekoppeld aan een massaspectrometer of aan een gelijkwaardige voorziening.

De geregistreerde gegevens over de werking van het zuiveringsstation, ingezameld overeenkomstig de bepalingen van artikel 45, § 1, van dit besluit, worden gevoegd bij het analyseverslag bedoeld in artikel 55 van dit besluit.

Op grond van de resultaten kan de bevoegde overheid, na advies van de technisch ambtenaar, elk ogenblik wijzigingen aanbrengen in de lijst van de piëzometers waarop monsters worden genomen, en in de lijst van de te analyseren parameters. Hij kan ook de frequentie van de monsternemingen en analysen aanpassen. HOOFDSTUK VI. - Lucht Afdeling 1. - Biogasbeheersing

Onderafdeling 1. - Biogasopvang

Art. 59.§ 1. De exploitant voorkomt de verplaatsing van gassen in de lucht en in de dicht bij de site gelegen gronden. Hij legt meer bepaald een netwerk voor gasterugwinning aan voor de cellen waar biologisch afbreekbare afvalstoffen ondergegraven zijn.

De exploitant zorgt ervoor dat de voorziene afstand tussen de putten voor biogasopvang toelaat zoveel mogelijk biogas actief op te vangen daar waar het wordt voortgebracht.

De massa biologisch afbreekbare afvalstoffen wordt voortdurend in onderdruk gehouden d.m.v. een efficiënte voorziening die geleidelijk aan wordt aangebracht zodra de exploitatie begint. Biogassen worden mechanisch opgevangen. Ontgassingsputten worden geleidelijk aan gebouwd tijdens de exploitatie. § 2. Op grond van het theoretische debiet van de biogassen die zullen worden voortgebracht binnen vijf jaar, met ingang van de datum van de eerste storting, wordt een coëfficiënt van « overuitrusting » van minstens 1,3 in acht genomen door het vermogen van de behandelingsinstallatie.

Bovendien telt de behandelingsinstallatie genoeg eenheden zodat de gezamenlijke biogasproductie in alle omstandigheden steeds verwerkt kan worden als één eenheid buiten dienst is.

De exploitant controleert de reële biogasproducties minstens om de drie jaar. De behandelingsinstallatie wordt zo nodig aangepast op basis van die controle. De resultaten van die onderzoeken worden zo spoedig mogelijk meegedeeld aan de technisch ambtenaar. § 3. De uitrustingen voor biogasopvang worden regelmatig onderhouden ten einde een vlotte werking te waarborgen. Elk gebrek en elk lek worden onmiddellijk hersteld.

De nodige maatregelen worden genomen om de bestanddelen van het systeem te beschermen - leidingen, putten, meet- en controleposten, voorzieningen voor de opvang van condensaten, enz., tegen het voertuigverkeer - schokken, verplettering, trillingen, veiligheidsafstanden - en vandalisme.

Er worden condensaatafscheiders aangebracht op de lage punten van de ontgassingslijnen.

Die condensaten worden beheerd op dezelfde wijze als de percolaten.

Onderafdeling 2. - Karakterisering, verwijdering en valorisatie van biogassen

Art. 60.§ 1. Biogas dat niet gevaloriseerd kan worden om energie te produceren, wordt in fakkels verbrand. § 2. Fakkels in werking voldoen aan de volgende voorwaarden : - oxiderende verbranding met een temperatuur boven 1 200 °C; - nagenoeg adiabatische verbranding met afwezigheid van koele zones; verblijftijd in de verbrandingszone voor « CET »-gassen minstens gelijk aan 300 milliseconden bij 1 200 °C; - automatische regeling van het mengsel gas-lucht, in een optimale verhouding.

De fakkels zijn uitgerust met een centrale voorziening voor de autocontrole van de werking zodat elk ogenblik kennis kan worden genomen van hun staat van werking op de site. De parameters in reële tijd waarbij die werking wordt bewezen - met name hoe dan ook het debiet van het verbrande biogas, de verbrandingstemperatuur van de fakkel, de concentraties CH4, CO2, CO en O2, alsook de datum en het uur van de metingen -, kunnen gemakkelijk ter plaatse worden gecontroleerd. De apparaten worden onderhouden, getarreerd en gekalibreerd tegen de door de fabrikant opgegeven frequenties.

De parameterwaarden over de vijf laatste jaren worden elektronisch en op papier geregistreerd en ter beschikking gesteld van de toezichthoudende ambtenaar- in voorkomend geval bepaalt hij het formaat - die er binnen 24 uur na zijn verzoek inzage van kan nemen. § 3. Bij de uitgang van de behandelings- of valorisatieeenheden worden monsters genomen met het oog op jaarlijkse analysen van verbrandingsrook. Ze betreffen kwalitatieve en halfkwantitatieve analysen van alle ontdekte organische stoffen en kwantitatieve analysen van benzeen, tolueen, vinylchloride, alsook CO, O2, N2, CO2, NOx en SO2. § 4. Bij de uitgang van de behandelings- of valorisatieeenheden worden monsters genomen met het oog op volledige zesmaandelijkse analysen van niet verbrand biogas. Ze betreffen kwantitatieve analysen van CH4, CO2, O2, N2, H2, H2S, benzeen, tolueen, xyleen, vinylchloride alsook kwalitatieve en halfkwantitatieve van organische verbindingen en organometaal-, organochloor-, organozwavel-, organohalogeen- en organochloorverbindingen. Het zwavelgehalte, berekend op H2S en zwavelverbindingen, is niet hoger dan 50ppm. § 5. De installaties voor biogasvalorisatie zijn voorzien van minstens één fakkel. Bij stilstand van de valorisatieeenheid kan die fakkel alle door het « CET » voortgebrachte gassen vernietigen.

Bij accidentele stilstand van de installaties voor biogasvalorisatie of indien ze niet alle opgevangen biogassen verbranden, wordt de toezichthoudende ambtenaar onmiddellijk per fax verwittigd door de exploitant.

Zodra de aanleg van een complex voor de voorlopige of definitieve bovenste waterdichtheid-drainage, zoals bedoeld in artikel 16, 5°, van dit besluit, voltooid is in een bepaalde sector, wordt via dat complex een bijkomende voorziening voor de opvang en de aanvoer van de biogassen aangebracht. Afdeling 2. - Geuren, metingen bij immissie en meteorologische

parameters

Art. 61.§ 1. De exploitant beperkt de door het « CET » voortgebrachte lucht- en reukemissies, zonder de efficiëntie van het systeem van biogasopvang op de helling te zetten. § 2. De exploitant van een « CET » waar biologisch afbreekbare afvalstoffen ondergegraven zijn, installeert binnen zes maanden na de eerste storting minimum twee stations om de luchtkwaliteit te meten.

Die stations verrichten : - continu : metingen van methaan; - discontinu : monsternemingen met het oog op de analyse, door een overeenkomstig artikel 64 erkend laboratorium, van : limoneen, p-cymeen, benzeen, tolueen, ethylbenzeen en xylenen.

Vóór de installatie van bovenbedoelde stations, legt de exploitant de technisch ambtenaar een bestek ter goedkeuring voor, met o.a. : - de voorgestelde lokaliseringen in Lambert-coördinaten (X, Y) en nationale waterpassing (Z); - het ontwerp van elke post en van elk station, met plannen; - de voorgestelde technieken voor de verplichte metingen, met inbegrip van de gevoeligheden en beperkingen van die detectiemethoden, de periodiciteit van het onderhoud van de stations, alsook die van het tarreren en kalibreren van de apparaten; - de omstandigheden waarin een discontinue monsterneming moet worden uitgevoerd; - de methoden voor de inzameling van de gegevens; - de wijzen waarop de resultaten worden meegedeeld en de inhoud van het verslag aan de technisch ambtenaar, aan de toezichthoudende ambtenaar en aan de burgemeesters van de gemeenten waar het « CET » gevestigd is. § 3. De site van een « CET » waar biologisch afbreekbare afvalstoffen zijn ondergegraven, is uitgerust, op een in overleg met de toezichthoudende ambtenaar bepaalde plaats, met een weerstation, een windwijzer, een windmeter, een luchtthermometer, een regenmeter, een barometer en een vochtmeter.

De metingen worden geregistreerd tegen een door de toezichthoudende ambtenaar bepaalde frequentie. Afdeling 3. - Stoffen

Art. 62.De exploitant neemt alle nodige maatregelen om de stofemissies zo veel mogelijk te beperken. Te dien einde worden de binnenwegen regelmatig gereinigd; zo nodig worden ze regelmatig besproeid. Afdeling 4. - Controles

Onderafdeling 1. - Toepassingsgebied

Art. 63.Deze afdeling is van toepassing op de monsternemingen, metingen en analysen uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 60 en 61 van dit besluit.

Onderafdeling 2. - Erkenning

Art. 64.De monsternemingen, de verpakking, het vervoer, de opslag van monsters en de analyse daarvan worden krachtens de controleprocedures uitgevoerd door een laboratorium dat voor monsternemingen en analysen erkend is in het kader van de bestrijding van luchtverontreiniging. De kalibrering en het tarreren van de meetapparaten worden ook door een dergelijk erkend laboratorium uitgevoerd.

Onderafdeling 3. - Punctuele monsternemingen

Art. 65.§ 1. De datum en de uren van de monsternemingen, vereist krachtens artikel 60, §§ 3 en 4,, worden minstens vijf weekdagen op voorhand door de exploitant per fax meegedeeld aan : - de technisch ambtenaar; - de toezichthoudende ambtenaar. § 2. Elk document i.v.m. de monsterneming vermeldt : - de datum, het uur van de monsterneming, alsook de naam van de operator; - de referentie en de exacte coördinaten van het monsternemingspunt in Lambert-coördinaten (X, Y) en nationale waterpassing (Z); - eventueel elke bijzondere waarneming.

Onderafdeling 4. - Analyseresultaten

Art. 66.§ 1. De resultaten van de krachtens dit hoofdstuk vereiste metingen en analysen worden gevoegd bij het register bedoeld in artikel 25 van dit besluit. Ze worden overgelegd in de vorm van : - een cijfertabel; - grafieken met alle resultaten waargenomen in de loop van de vijf laatste jaren. § 2. De technisch ambtenaar kan naast het papierdocument een elektronische versie eisen.

Hij legt de modaliteiten voor de overlegging van het analyseverslag vast in een formaat dat verenigbaar is met de databank van de bevoegde diensten van het Waalse Gewest.

Onderafdeling 5. - Mededeling van de analyseverslagen en andere metingen

Art. 67.§ 1. De krachtens artikel 60, §§ 3 en 4, vereiste analyseresultaten worden opgenomen in een verslag dat ondertekend wordt door de verantwoordelijke van het erkende laboratorium; dat verslag wordt binnen acht dagen na ontvangst ervan door de exploitant overgemaakt aan de technisch ambtenaar, aan de toezichthoudende ambtenaar alsook aan de burgemeesters van de gemeenten waar het « CET » gevestigd is. § 2. De exploitant geeft dezelfde personen jaarlijks kennis van : - de maandelijkse volumes gas verwijderd d.m.v. de door de exploitant aangebrachte voorzieningen.

Ze worden op cumulatieve wijze en op de gepaste schaal aan de hand van grafieken weergegeven; - de resultaten van de overeenkomstig artikel 61, § 3, uitgevoerde metingen. § 3. De resultaten van de overeenkomstig artikel 61, § 2, vereiste analysen worden volgens de door de technisch ambtenaar goedgekeurde modaliteiten meegedeeld.

Onderafdeling 6. - Wijziging van de verplichtingen

Art. 68.Op grond van de resultaten kan de bevoegde overheid elk ogenblik, na advies van de technisch ambtenaar, wijzigingen aanbrengen in de lijst van de punten waar overeenkomstig dit hoofdstuk monsters worden genomen, en in de lijst van de te analyseren parameters. Hij kan ook de frequentie van de monsternemingen en analysen aanpassen. HOOFDSTUK VII. - Zekerheden en verzekeringen Afdeling 1. - Zekerheden

Onderafdeling 1. - Zekerheidstelling

Art. 69.§ 1. De zekerheid bedoeld in artikel 55 van het decreet betreffende de milieuvergunning wordt integraal vóór aanvang van de stortingen gesteld, wat betreft zowel het gedeelte i.v.m. het herstel van het « CET » als dat i.v.m. het nabeheer, behalve als de bevoegde overheid bepaalt dat de zekerheidsstelling opgedeeld wordt overeenkomstig artikel 55, § 2, van hetzelfde decreet. § 2. Als de zekerheid gesteld wordt in de vorm van één of meer onafhankelijke bankwaarborgen ten gunste van de Dienst, voldoet ze aan de volgende voorwaarden : - het gaat om een bankwaarborg op eerste verzoek ten gunste van de Dienst waarbij de garant zich ertoe verbindt het gewaarborgde bedrag te volstorten binnen één maand na de aangetekende verzending van de aanvraag om volstorting van de waarborg door de Dienst wegens gebrek aan uitvoering van de verplichtingen van de schuldenaar of binnen één maand, met ingang van het vonnis van zijn faillietverklaring; - de garant verklaart uitdrukkelijk afstand te doen van het voorrecht van uitwinning en verdeling, van de artikelen 2036, 2037 en 2039 van het Burgerlijk Wetboek en, in het algemeen, van elk voordeel en uitzondering die gerechtelijk voorzien zijn ten gunste van de garant, zowel tegen de schuldenaar als tegen de Dienst; - de uitvoering van de verplichtingen van de schuldenaar inzake herstel en nabeheer overeenkomstig het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen, meer bepaald de artikelen 13 en 19 daarvan, alsook van de in dit besluit bedoelde verplichtingen wordt er onvoorwaardelijk in gewaarborgd. § 3. Een afschrift van de bewijsstukken van boevenbedoelde zekerheidsstelling en van de latere aanpassingen, met name die bedoeld in § 4, wordt vóór de aanvang van de exploitatie door de exploitant overgemaakt aan de technisch ambtenaar en aan de toezichthoudende ambtenaar.

Onderafdeling 2. - Volstorting van de zekerheid

Art. 70.§ 1. Om sommige cellen te herstellen, kan de exploitant, voordat zijn verplichtingen volledig tenietgaan, verzoeken om de volstorting van één of meer delen van het gedeelte van de zekerheid dat betrekking heeft op het herstel van het « CET ».

Hij richt zijn aanvraag aan de technisch ambtenaar en legt als bewijs een uitvoerige lijst van argumenten over waarbij o.a. aangetoond wordt dat de in de vergunningsvoorwaarden vermelde verplichtingen betreffende de herstelwerken in acht zijn genomen wat betreft de bedoelde sectoren of, op z'n minst, de stand van de werkzaamheden. § 2. De exploitant kan verzoeken om de volstorting van het deel van de zekerheid betreffende het nabeheer als hij acht dat het « CET » geen gevaar meer kan opleveren voor het leefmilieu.

Hij richt zijn aanvraag aan de technisch ambtenaar en legt als bewijs een uitvoerige lijst van argumenten over waarbij o.a. aangetoond wordt dat de voorwaarden inzake het nabeheer van het « CET » vervuld zijn.

De technisch ambtenaar kan de heffing van een gedeelte of van het geheel van dat deel van de zekerheid toelaten. Afdeling 2. - Verzekeringen

Art. 71.De exploitant sluit een verzekeringspolis ter dekking van de uit de exploitatie van het « CET » voortvloeiende burgerlijke aansprakelijkheid en maakt vóór elke inbedrijfstelling een afschrift daarvan over aan de technisch ambtenaar en aan de toezichthoudende ambtenaar.

De polis bepaalt : - dat geen nietigheid, exceptie of verval wordt tegengeworpen aan benadeelde derden; - dat haar schorsing of ontbinding pas uitwerking heeft na het verstrijken van een termijn van zes maanden, te rekenen van de datum waarop de oorzaak van de schorsing of ontbinding aan de Minister werd betekend. HOOFDSTUK VIII. - Overgangs- en slotbepalingen Afdeling 1. - Opmaak van het plan van aanleg van de « CET »-site

Art. 72.§ 1. Het plan van aanleg bedoeld in artikel 180 van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning wordt ingediend in 5 exemplaren en bevat de volgende gegevens : 1° de conformiteit van het « CET » met de in dit besluit bedoelde verplichtingen;2° de beroeps-, technische en financiële bekwaamheden van de exploitant en van zijn personeel;3° de maatregelen genomen om ongevallen te voorkomen en de gevolgen ervan te beperken;4° de door de exploitant gestelde financiële waarborg, zowel voor het herstel als voor het nabeheer;5° alle te nemen verbeteringsmaaatregelen om zich te schikken naar de vereisten van dit besluit en de desbetreffende termijnen. Na ontvangst richt de bevoegde overheid vier exemplaren van het plan voor advies aan de technisch ambtenaar. Ze beschikt over een termijn van driehonderd dagen om zich uit te spreken over het plan van aanleg, overeenkomstig artikel 180 van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning.

Zowel de bevoegde overheid als de technisch ambtenaar kunnen : 1° eisen dat de exploitant alle informatie meedeelt over de gegevens bedoeld in de punten 1° tot 5°, eerste lid, van deze paragraaf;2° het « CET » inspecteren om na te gaan of alle geplande inrichtingen aan de vereisten van dit besluit zullen voldoen. § 2. Onverminderd de termijn bedoeld in de exploitatievergunningen, afgegeven vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit, mag de exploitatie van het « CET » pas voortgezet worden als ze vanaf 16 juli 2009 voldoet aan de voorwaarden bedoeld in dit besluit, met uitzondering van de artikelen 8 en 9.

In het tegenovergestelde geval bepaalt de overheid de termijn waarin de exploitatie van het « CET » eindigt.

Die termijn loopt hoogstens vier jaar.

De exploitant van een « CET » van klasse 1 of 2 voldoet bovendien uiterlijk één jaar na de inwerkingtreding van dit besluit aan de criteria bedoeld in de artikelen 7 en 21 van dit besluit, onverminderd de vorige leden van deze paragraaf.

Het einde van de exploitatie doet geen afbreuk aan de verplichtingen inzake herstel en nabeheer. Afdeling 2. - Wijzigings-, opheffings- en slotbepalingen

Art. 73.Het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 23 juli 1987 met betrekking tot de gecontroleerde stortplaatsen wordt opgeheven.

Art. 74.In artikel 3, 2°, f, van het besluit van de Waalse Regering van 30 november 1995 betreffende het beheer van stoffen die d.m.v. bagger- of ruimingswerken uit de bedding en de oevers van waterlopen en watervlakken verwijderd worden, worden het woord « bestemming » vervangen door het woord « beheer ».

Art. 75.§ 1. In artikel 5, 2°, c, van het besluit van de Waalse Regering van 30 november 1995 betreffende het beheer van stoffen die d.m.v. bagger- of ruimingswerken uit de bedding en de oevers van waterlopen en watervlakken verwijderd worden, wordt het zinsdeel « van stoffen die verwijderd worden uit de bedding en de oevers van waterlopen en -vlakken, zoals bedoeld in artikel 20, § 2, derde lid, van het decreet » geschrapt. § 2. In artikel 5, 3°, van het besluit van de Waalse Regering van 30 november 1995 betreffende het beheer van stoffen die d.m.v. bagger- of ruimingswerken uit de bedding en de oevers van waterlopen en watervlakken verwijderd worden, wordt de tweede zin gewijzigd als volgt : « De volgende afvalstoffen worden gelijkgesteld met stoffen die d.m.v. bagger- of ruimingswerken uit de bedding en de oevers van waterlopen en watervlakken verwijderd worden, en als dusdanig beheerd, maar niet uitsluitend : - de afvalstoffen die voortkomen uit het onderhoud van vergaarkommen; - de afvalstoffen die voortkomen uit de reiniging van rioleringen en grachten langs communicatiewegen; - evenwel met uitzondering van exogene afvalstoffen.

Bij dergelijk beheer zijn de in artikel 4, § 1, van dit besluit bedoelde indelingscriteria toepasselijk op de gelijkgestelde afvalstoffen ».

Art. 76.De artikelen 18 tot 24 van het besluit van de Waalse Regering van 30 november 1995 betreffende het beheer van stoffen die d.m.v. bagger- of ruimingswerken uit de bedding en de oevers van waterlopen en watervlakken verwijderd worden, worden opgeheven.

Art. 77.In artikel 1 van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten, wordt een punt toegevoegd, luidend als volgt : « 24° « Centrum voor technische ingraving voorbehouden aan het exclusieve gebruik van een afvalproducent » : een centrum voor technische ingraving voorbehouden aan het exclusieve gebruik van de oorspronkelijke afvalproducent of van zijn dochtermaatschappijen. »

Art. 78.De Minister van Leefmilieu is belast met de uitvoering van dit besluit.

Namen, 27 februari 2003.

De Minister-President, J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE De Minister van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Leefmilieu, M. FORET

Bijlage 1. - Waterdichtheid van de centra voor technische ingraving opgelegd krachtens de artikelen 9, 10, 11, 15 en 61 KENMERKEN VAN DE MATERIALEN In het kader van de inrichtingswerken van de « CET » van klasse 1, 2, 4-B, 5.1 en 5.2 laat de exploitant de herkomst en de kenmerken van de materialen die hij van plan is te gebruiken, goedkeuren door de technisch ambtenaar op grond van een door een erkend laboratorium gevoerd onderzoek.

De hierna vermelde kenmerken betreffen voornamelijk de kleiige materialen en de hoge densiteit polyethyleen bladen (HDPE). Deze gegevens verbieden het gebruik van andere materialen niet waarvan bewezen is dat het prestatievermogen gelijkwaardig is. Zo nodig worden de specifieke technische eisen al naar gelang het geval door de technisch ambtenaar nader bepaald op grond van door de exploitant met redenen omklede voorstellen.

Bovendien kan de bevoegde overheid ertoe worden aangezet bijkomende voorwaarden te stellen met het oog op een code van goede praktijk.

WATERDICHTHEID OP MINERAAL VLAK (AANGEVOERDE OF HERGEBRUIKTE KLEIIGE MATERIALEN) A. Kenmerken van de afzetting De materialen voldoen aan : - criteria inzake natuur, doorlatendheid en verwerkbaarheid; - kenmerken inzake weerstand en bestendigheid.

Daartoe leggen de door de exploitant verrichte proefnemingen een verband tussen die parameters om de toezichtsoperaties mogelijk te maken.

B. Intrinsieke conformiteitscontrole Aan de hand van proefnemingen moet kunnen worden nagegaan of het geleverde materiaal uit de vooraf geïdentificeerde afzetting voortkomt en of het onder goede vochtigheids- en compactheidsomstandigheden gebruikt kan worden om het vereiste prestatievermogen te bereiken.

C. Gebruikstechniek De klei wordt aangebracht in gekruiste lagen (dikte 20 +/- 5 centimeter), vakkundig apart verdicht en in de buurt van de optimum Proctor.

De eerste laag die aangebracht en verdicht wordt op de bodem van inkassing dient hoofdzakelijk als bescherming.

Om de vereiste diktes te verkrijgen worden de andere lagen sterk verdicht om een ondoorlatendheidseffect te waarborgen dat op alle punten van het massief voldoet aan de eisen bedoeld in paragraaf D. Het mechanische werk (verdichting, bevochtiging, droging) wordt voortgezet tot laag per laag aan de opgelegde voorschriften wordt voldaan.

D. Controle op de uitvoering De frequentie van de proefnemingen en metingen wordt in de milieuvergunning bepaald en mag niet lager zijn dan die vermeld in onderstaande tabel.

De gemiddelde doorlatendheidscoëfficiënt voor de gezamenlijke metingen bedraagt niet meer dan 1 x 10-9m/s voor waterverzadigd klei, waarbij geen enkele meting een hoger resultaat dan 3 x 10-9 m/s mag boeken.

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld In alle gevallen worden de plaatsen voor de proefnemingen gemarkeerd, opgemeten en in het dagboek der werken opgenomen. De voor de proefnemingen alzo gegraven gaten worden opgevuld met bentoniet zwelkorrels, waarbij de eigenschappen van het bentoniet aan de kenmerken van het percolatiewater aangepast worden. 1.2. GEOMEMBRANEN (HDPE) De geomembranen HDPE (Hoge densiteit polyethyleen) worden door gekwalificeerde personen met een dubbele las verbonden, behalve als het technisch niet haalbaar is.

De lassen worden integraal gecontroleerd - zelfs op de tripelpunten - door een gekwalificeerde instelling waarvan de bevoegdheid erkend is en die onafhankelijk is van de exploitant van het « CET ».

Behalve als bewezen is dat de voorziening niet efficiënt werkt, installeert de exploitant een elektrisch lekdetectiesysteem dat permanent in dienst wordt gehouden tot de eerste afvalstorting in bedoelde sector. De alzo vastgestelde gebreken in de geomembranen worden onmiddellijk vakkundig hersteld en gecontroleerd. 2. TYPEVOORZIENING INZAKE DE ONDOORLATENDHEID VAN DE BODEM EN DE ZIJKANTEN VOOR EEN « CET » VAN KLASSE 2 De bodem en de zijkanten van de « CET » worden na profilering van de grondslag van de site afgedekt met een onderste drainage-dichtheidscomplex waarvan het prestatievermogen minstens gelijkwaardig is aan dat van de hierna uitvoerig omschreven voorziening. Op de bodem, van onder naar boven - een minerale compensatielaag met een dikte van ongeveer 15 centimeter; - een klei-afdichtingslaag aangebracht in lagen met een dikte van 20 +/- 5 centimeter. De laag heeft een dikte van minimum 1 meter; - als bewezen is dat de elektrische voorziening voor de lekdetectie niet efficiënt werkt, een poedervormige laag van calciumbentoniet met een dikte van 5 millimeter of een bentoniet-geocomposiet; - een geomembraan HDPE met een dikte van minimum 2 millimeter; - een anti-perforatie geotextiel; - een drainagelaag met een dikte van 50 centimeter bestaande uit 30 centimeter steenslag, uit aangepaste korrelverdeling, met een doorlatendheidscoëfficiënt K van minstens 1 x 10-2 m/s, en afgedekt met een andere laag van 20 centimeter steenslag met een korrelverdeling uit fijnere deeltjes en verenigbaar met de korrelverdeling van de onderlaag; de onderlaag wordt aangevuld met een netwerk van draineerbuizen met een geschikte mechanische en chemische weerstand; - een geotextiel tegen verontreiniging of een geotraliewerk; - in geval van geotextiel, een beschermingslaag uit minerale materialen met een doorlatendheidscoëfficiënt K van minstens 1 x 10-3 m/s, met een minimumdikte van 20 centimeter.

Aan de zijkanten, van onder naar boven - vanaf de bodem, over een lengte van vijf meter, verticaal gemeten, dezelfde voorziening als op de bodem, met uitzondering van de eerste en de derde items; de zesde item « drainagelaag » wordt evenwel vervangen door de ononderbroken installatie van damwanden met een minimumdikte van 25 centimeter; - op de andere gedeelten van de zijkanten : - een klei-afdichtingslaag aangebracht in lagen met een dikte van 20 +/- 5 centimeter. De laag heeft een minimumdikte van 60 centimeter; - een geomembraan HDPE met een minimumdikte van 2 millimeter; - een geotextieel tegen perforatie en tegen grondverschuiving; - damwanden met een dikte van 25 centimeter (met een oppervlakte die minstens 30 % bedraagt van de oppervlakte van het talud), gevuld met steenslag, op maximum 10 meter van elkaar schuin of hellend opgesteld, waarbij de ruimte tussen de damwanden met gestabiliseerd zand gevuld moet worden; - een geotextiel tegen verontreiniging of een geotraliewerk; - in geval van geotextiel, een beschermingslaag uit minerale materialen met een doorlatendheidscoëfficiënt K van minstens 1 x 10-3 m/s, met een minimumdikte van 20 centimeter.

Op het grensvlak tussen de cellen - Een geschikte voorziening scheidt de cellen die biologisch afbreekbare organische afvalstoffen moeten opvangen en de cellen bestemd voor andere soorten van weinig samendrukbare afvalstoffen.

Daartoe wordt bovenop de weinig samendrukbare afvalstoffen, na het herprofileren ervan, het volgende dichtheids- drainagesysteem of ieder ander systeem met een minstens gelijkwaardig prestatievermogen aangebracht : - een compensatielaag van korrelverdeling met fijne deeltjes (< 2 millimeter), eventueel licht gestabiliseerd, met een dikte van 15 centimeter; - een geomembraan HDPE met een minimumdikte van 2 millimeter; - een drainage-geotraliewerk.

Een verzameldrain voor het percolatiewater, aangesloten op het hoofdverzamelnetwerk, wordt aan de basis van dat systeem aangebracht. 3. AFDEKKING VAN HET « CET » 3.1. Voor de « CET » of de cellen die biologisch afbreekbare afvalstoffen hebben opvangen : wanneer de afvalstortingen in een bepaalde sector afgelopen zijn, installeert de exploitant zo spoedig mogelijk een voorlopig bovenste drainage-dichtheidscomplex dat, na het herprofileren van de afvalstoffen, van onder naar boven, hoe dan ook bestaat uit : - een tussenafdeklaag met een minimumdikte van 15 centimeter; - een geosynthetische drainagevoorziening met een zeer hoog holle-ruimtecijfer samen met verzamelleidingen die op het net voor de ontgassing van de « CET » aangesloten zijn, in de sectoren die de zetel van een biogasproductie zijn; - een laag grond van tweede categorie met een dikte die al naargelang het geval bepaald wordt.

Gras wordt zo spoedig mogelijk dicht ingezaaid. De alzo voorlopig ingerichte zones worden heel regelmatig onderhouden.

Als het verslag over de waarneming van de inklinkingen voor het geheel van een « CET »-cel na de definitieve afloop van de afvalstortingen wijst op een jaarlijks percentage van relatieve inklinking dat lager is dan 1,5 % t.o.v. de toestand aan het einde van de exploitatie, wordt de grondlaag van tweede categorie grotendeels verwijderd en wordt een bovenste drainage-waterdichtheidscomplex definitief aangelegd na eventuele herprofilering met uitsluitend inerte materialen.

In de cellen met zeer zwakke ontgassing en inklinking, kan de bevoegde overheid de exploitant, na advies van de technisch ambtenaar, ertoe machtigen het bovenste drainage-dichtheidscomplex vlak na de laatste afvalstortingen aan te brengen. 3.2. Het definitieve bovenste drainage-dichtheidscomplex voldoet aan volgende voorwaarden : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld V : vereist (1) of het tegenovergestelde, waarbij één van beide vereist is.

NV : niet vereist (2) of gelijkwaardige materialen.

De gebruikte materialen voldoen aan de eisen bedoeld in punt 1 van deze bijlage. 3.3. De volgende voorziening geldt als referentie en het prestatievermogen van het definitieve bovenste drainage-dichtheidscomplex is, onder voorbehoud van punt 3.2., minstens gelijkwaardig aan het prestatievermogen van de hierna omschreven voorziening; van onder naar boven : - een tussenafdeklaag met een minimumdikte van 15 centimeter; - een geosynthetische drainagevoorziening met een zeer hoog holle-ruimtecijfer, met verzamelleidingen aangesloten op het netwerk voor de ontgassing van de « CET »; voor cellen met zeer zwakke ontgassing kan evenwel de gewone aanleg van ontluchtingsopeningen overwogen worden; - een kleilaag met een minimumdikte van 80 centimeter; - een geomembraan HDPE met een minimumdikte van 1,5 millimeter; zo mogelijk wordt hij verbonden met de geomembraan aan de zijkanten van het « CET »; - een geosynthetische drainagevoorziening met een zeer hoog holle-ruimtecijfer, met verzamelleidingen aangesloten op het verwijderingsnetwerk voor meteorisch water; - een grondlaag van tweede categorie met een minimumdikte van 70 centimeter bevattende minder dan 33 % steenstukken in massa, kleiner dan 15 centimeter en verenigbaar met de voorgeschreven nieuwe plantenaanleg, met er bovenop een eindafdeklaag van teelgrond (uit de streek van het « CET ») met een minimumdikte van 30 centimeter. 3.4. Na het aanbrengen van de afdeklaag zorgt de exploitant zo spoedig mogelijk voor nieuwe aanplantingen d.m.v. inheemse soorten, voorzover het seizoen geschikt is en onverminderd artikel 28, § 2, van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium.

Om erosie af te remmen en kolonisatie door soorten van de inheemse flora mogelijk te maken, wordt een mengsel met rood zwenkgras (Festuca rubra) gezaaid (3 kg/are).

Indien nodig worden struikgroepen in blokken van 20 of 30 jonge planten volgens de vastgelegde afmetingen aangeplant (1,5 meter op 1,5 tussen de stammen). De afstand tussen de verschillende plantengroepen bedraagt 20 tot 25 meter (van rand tot rand), al naar gelang de oppervlakte ervan. 3.5. Na elke inklinking mag de gemiddelde residuele helling (op alle punten) niet kleiner zijn dan 3 %.

Bovendien en onverminderd bovenbedoelde voorwaarde en de voorschriften van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium : - mag het maximale hoogtepeil het door de vergunning toegelaten peil niet overschrijden; de exploitant neemt de gepaste beschikkingen om de differentiële inklinkingseffecten te beperken, meer bepaald aan de relatieve grenzen van de cellen en sectoren en aan de verbindingen tussen het bovenste drainage-dichtheidscomplex en de voorzieningen voor ontgassing, alsmede met de zijkanten; - meer algemeen : het eindprofiel wordt na herstel op harmonieuze wijze in het leefmilieu opgenomen.

Het herstel wordt zo uitgevoerd dat de natuurlijke afvloeiing gewaarborgd wordt, de drainering van de aangrenzende gronden tijdens en na het herstel van het « CET » niet belemmerd wordt en dat een einde wordt gemaakt aan de stagnatie van meteorisch water, zowel bovengronds als onder de afvalstoffen.

Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 27 februari 2003 houdende sectorale voorwaarden voor de exploitatie van centra voor technische ingraving.

Namen, 27 februari 2003.

De Minister-President, J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE De Minister van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Leefmilieu, M. FORET

Bijlage 2. Register van « CET » Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 27 februari 2003 houdende sectorale voorwaarden voor de exploitatie van centra voor technische ingraving.

Namen, 27 februari 2003.

De Minister-President, J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE De Minister van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Leefmilieu, M. FORET

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^