Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 26 maart 2002

Uittreksel uit arrest nr. 24/2002 van 23 januari 2002 Rolnummer 2263 Inzake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 1479, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de vrederechter van het eerste kanton Gent. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. (...)

bron
arbitragehof
numac
2002021084
pub.
26/03/2002
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

ARBITRAGEHOF


Uittreksel uit arrest nr. 24/2002 van 23 januari 2002 Rolnummer 2263 Inzake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 1479, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de vrederechter van het eerste kanton Gent.

Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen en J.-P. Snappe, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag Bij vonnis van 1 oktober 2001 in zake M. Casteur en K. Pede tegen G. Van Quekelberghe, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 8 oktober 2001, heeft de vrederechter van het eerste kanton Gent de prejudiciële vraag gesteld « of artikel 1479, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, zo begrepen dat de vrederechter de dringende en voorlopige maatregelen gelast die gerechtvaardigd zijn ingevolge de beëindiging van een wettelijke samenwoning maar daartoe geen rechtsmacht heeft indien de samenwoning, waarvan het feitelijk bestaan wordt vastgesteld, niet ' wettelijk ' is, te verenigen is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ». (...) IV. In rechte (...) B.1. De verwijzende rechter verzoekt het Hof « uitspraak te doen op de vraag of artikel 1479, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, zo begrepen dat de vrederechter de dringende en voorlopige maatregelen gelast die gerechtvaardigd zijn ingevolge de beëindiging van een wettelijke samenwoning maar daartoe geen rechtsmacht heeft indien de samenwoning, waarvan het feitelijk bestaan wordt vastgesteld, niet ' wettelijk ' is, te verenigen is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ».

B.2. De wet van 23 november 1998 heeft in boek III van het Burgerlijk Wetboek nieuwe artikelen 1475 tot 1479 ingevoerd, onder een titel Vbis, met als opschrift « Wettelijke samenwoning ».

Onder wettelijke samenwoning wordt verstaan de toestand van samenleven van twee personen die een schriftelijke verklaring van wettelijke samenwoning hebben afgelegd (artikel 1475 van het Burgerlijk Wetboek).

De verklaring wordt overhandigd aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeentelijke woonplaats, die nagaat of beide partijen niet verbonden zijn door een huwelijk of door een andere wettelijke samenwoning en bekwaam zijn om contracten aan te gaan overeenkomstig de artikelen 1123 en 1124 van het Burgerlijk Wetboek. De verklaring wordt vermeld in het bevolkingsregister.

De wettelijke samenwoning houdt op wanneer een van de partijen in het huwelijk treedt of overlijdt. Zij kan tevens door de samenwonenden worden beëindigd, in onderlinge overeenstemming of eenzijdig, door middel van een schriftelijke verklaring bij de ambtenaar van de burgerlijke stand, die daarvan melding maakt in het bevolkingsregister (artikel 1476 van het Burgerlijk Wetboek).

Op de wettelijke samenwoning zijn de volgende bepalingen toepasselijk : de wettelijke bescherming van de gezinswoning (artikelen 215, 220, § 1, en 224, § 1, 1, van het Burgerlijk Wetboek) wordt van overeenkomstige toepassing verklaard op de wettelijke samenwoning; de wettelijk samenwonenden dragen bij in de lasten van het samenleven naar evenredigheid van hun mogelijkheden en iedere niet-buitensporige schuld die door een der wettelijk samenwonenden wordt aangegaan ten behoeve van het samenleven en van de kinderen die door hen worden opgevoed, verbindt de andere partner hoofdelijk (artikel 1477 van het Burgerlijk Wetboek).

Voor het overige voorziet de in het geding zijnde wet in een regeling van de goederen van de samenwonenden en in de mogelijkheid om de wettelijke samenwoning door middel van een overeenkomst te regelen, voor zover die geen beding bevat dat strijdig is met artikel 1477 van het Burgerlijk Wetboek, met de openbare orde of de goede zeden, noch met de regels betreffende het ouderlijk gezag en de voogdij, noch met de regels die de wettelijke orde van de erfopvolging bepalen. Die overeenkomst wordt in authentieke vorm verleden voor de notaris en wordt in het bevolkingsregister vermeld (artikel 1478 van het Burgerlijk Wetboek).

Wanneer de verstandhouding tussen de wettelijk samenwonenden ernstig is verstoord, kan elk van beide partners de vrederechter vragen om dringende en voorlopige maatregelen te bevelen betreffende het betrekken van de gemeenschappelijke verblijfplaats, betreffende de persoon en de goederen van de samenwonenden en van de kinderen, alsmede betreffende de wettelijke en contractuele verplichtingen van beide samenwonenden. Ook na de beëindiging van de wettelijke samenwoning en voor zover de vordering binnen drie maanden na de beëindiging is ingesteld, kan de vrederechter de dringende en voorlopige maatregelen gelasten die ingevolge de beëindiging gerechtvaardigd zijn (artikel 1479 van het Burgerlijk Wetboek).

B.3. Uit de laatstgenoemde bepaling vloeit voort dat de personen die wettelijk hebben samengewoond, gedurende drie maanden na de beëindiging van de wettelijke samenwoning de vrederechter kunnen verzoeken dringende en voorlopige maatregelen te gelasten. Personen daarentegen die feitelijk hebben samengewoond, kunnen niet gedurende eenzelfde periode na de beëindiging van de feitelijke samenwoning een verzoek om gelijkaardige maatregelen bij de vrederechter indienen.

De prejudiciële vraag strekt ertoe van het Hof te vernemen of dat verschil in behandeling een schending inhoudt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.4. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake kunnen zijn, indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen.

B.5. Te dezen is het recht op toegang tot de rechter, dat een onderdeel is van het recht op een eerlijk proces, in het geding.

Inzonderheid moet worden onderzocht of de personen die feitelijk hebben samengewoond toegang hebben tot een rechter bij wie ze om dringende maatregelen zouden kunnen verzoeken die ingevolge de beëindiging van hun samenwoning gerechtvaardigd zouden zijn.

B.6. Op grond van artikel 584, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek kan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in spoedeisende gevallen bij voorraad uitspraak doen in alle zaken, behalve die welke de wet aan de rechterlijke macht onttrekt.

Nu de zaken die een gevolg zijn van de beëindiging van een feitelijke samenwoning niet onttrokken zijn aan de rechterlijke macht, kan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in gevallen die hij spoedeisend acht, in die zaken bij voorraad uitspraak doen en dringende maatregelen bevelen.

B.7. Het recht op toegang tot de rechter staat er niet aan in de weg dat een rechter zich onbevoegd moet verklaren ten voordele van een andere wanneer beiden beantwoorden aan de door artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens gestelde eisen.

B.8. De in het geding zijnde bepaling heeft derhalve niet tot gevolg dat het recht op toegang tot de rechter van de betrokken personen op onevenredige wijze zou worden beperkt.

B.9. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 1479, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in zoverre het bepaalt dat de vrederechter de dringende en voorlopige maatregelen gelast die gerechtvaardigd zijn ingevolge de beëindiging van een wettelijke samenwoning, doch de vrederechter niet dezelfde bevoegdheid verleent indien geen verklaring van wettelijke samenwoning werd afgelegd.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 23 januari 2002.

De griffier, De voorzitter, L. Potoms. A. Arts.

^