Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 13 juni 2007

Uittreksel uit arrest nr. 76/2007 van 10 mei 2007 Rolnummer 4073 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 1736 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van koophandel te Tongeren. Het Grondwettelijk Hof, sameng wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

bron
grondwettelijk hof
numac
2007201851
pub.
13/06/2007
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

GRONDWETTELIJK HOF


Uittreksel uit arrest nr. 76/2007 van 10 mei 2007 Rolnummer 4073 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 1736 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van koophandel te Tongeren.

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 17 november 2006 in zake Mia Bijloos tegen Florence Broux, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 20 november 2006, heeft de Rechtbank van koophandel te Tongeren het Hof verzocht « de toepasselijkheid van artikel 1736 B.W. prejudicieel te toetsen aan het gelijkheidsbeginsel, zoals neergeschreven in artikel 10 van de Grondwet, om na te gaan of er in voorliggende situatie van artikel 14, derde lid van de Handelshuurwet een schending is van het gelijkheidsbeginsel, en meer bepaald na te gaan of er een ongelijkheid bestaat tussen enerzijds de situatie van de verhuurder, die een opzegtermijn van achttien maanden dient te respecteren, en de situatie van de huurder, die in toepassing van artikel 1736 B.W. slechts rekening zou dienen te houden met een opzegtermijn van één maand ». (...) III. In rechte (...) B.1. De prejudiciële vraag strekt ertoe van het Hof te vernemen of artikel 1736 van het Burgerlijk Wetboek bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het, in het kader van een handelshuurovereenkomst die van onbepaalde duur is geworden, een verschil in behandeling zou instellen tussen de huurder, die een opzeggingstermijn van één maand in acht moet nemen, en de verhuurder, die met toepassing van artikel 14, derde lid, van de handelshuurwet van 30 april 1951 een opzeggingstermijn van achttien maanden in acht moet nemen.

B.2. Artikel 1736 van het Burgerlijk Wetboek, vervangen bij artikel 8 van de wet van 20 februari 1991 « houdende wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek inzake huishuur », luidt als volgt : « Onverminderd het bepaalde in artikel 1758, wordt de voor onbepaalde duur gesloten huurovereenkomst geacht te zijn aangegaan per maand.

De overeenkomst kan slechts worden beëindigd met inachtneming van een opzeggingstermijn van een maand ».

B.3. De verwijzende rechter gaat ervan uit dat, bij ontstentenis van een afwijkende, bijzondere regeling, de in artikel 1736 van het Burgerlijk Wetboek vermelde gemeenrechtelijke opzeggingstermijn van één maand geldt voor de opzegging die wordt gegeven door de huurder in het kader van een handelshuurovereenkomst van onbepaalde duur die, met toepassing van artikel 14, derde lid, van de handelshuurwet tot stand is gekomen doordat de huurder, na vervallen te zijn van het recht op hernieuwing, door de verhuurder in het bezit van het verhuurde goed werd gelaten na het beëindigen van de huur voor bepaalde duur.

Overeenkomstig die laatste bepaling kan de verhuurder de tot stand gekomen nieuwe huur van onbepaalde duur beëindigen mits hij ze ten minste achttien maanden vooraf opzegt, onverminderd het recht van de huurder om hernieuwing te vragen.

Het Hof beoordeelt de in het geding zijnde bepaling in de interpretatie die ervan wordt gegeven door de verwijzende rechter.

B.4. Het verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk de hoedanigheid van de partij bij de tot stand gekomen huurovereenkomst van onbepaalde duur, als huurder respectievelijk verhuurder. Het vloeit voort uit de ontstentenis, in artikel 14, derde lid, van de handelshuurwet, van een specifieke opzeggingstermijn voor de huurder, waardoor de in het geding zijnde gemeenrechtelijke bepaling van toepassing wordt geacht, terwijl de verhuurder overeenkomstig het derde lid van artikel 14 van de handelshuurwet een opzeggingstermijn van achttien maanden in acht dient te nemen.

B.5. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 30 april 1951 blijkt dat de wetgever de handelszaak een zekere stabiliteit wilde verzekeren ten voordele van de huurder in het kader van een handelshuurovereenkomst en tegelijkertijd een punt van evenwicht wilde vinden tussen de belangen van de huurder en die van de verhuurder.

Volgens de parlementaire voorbereiding beantwoordde de opzet van de wet « aan het streven om de gewettigde economische en sociale belangen van de Middenstand te vrijwaren tegen de onvastheid en de aanleidingen tot misbruiken die gepaard gaan met het stelsel van de volledige vrijheid van de huurovereenkomsten ». Diezelfde parlementaire voorbereiding vermeldt dat het doel drievoudig was : « 1° aan de handeldrijvende huurder waarborgen van duur en initiatief te verschaffen; 2° hem de hernieuwing van de huurovereenkomst te verzekeren wanneer de eigenaar geen gegronde redenen heeft om anders over de plaatsen te beschikken en, bij gelijk aanbod, de voorkeur ten opzichte van elk opbiedend derde; 3° te zijnen bate verschillende vergoedingen in te voeren als waarborg hetzij tegen ontduiking van de wet, hetzij tegen ongeoorloofde mededinging of toeëigening van cliëntele bij gelegenheid van het verstrijken van een huurovereenkomst, hetzij, ten slotte, tegen verrijking zonder oorzaak » (Parl. St., Kamer, 1947-1948, nr. 20, pp. 2, 4 en 5).

Er werd onderstreept dat « een evenwicht gevonden [moest] worden tussen de bescherming van de handelszaak, in de ruime zin genomen, en de eerbiediging van de wettige belangen van de eigenaars » en dat het betaamde « de tegenover elkaar staande belangen te verzoenen » (Parl.

St., Senaat, 1948-1949, nr. 384, pp. 2 en 3).

B.6. Artikel 14, derde lid, van de handelshuurwet mildert de sanctie voor het niet in acht nemen van de vormen en termijnen in het kader van een aanvraag tot huurhernieuwing, voor de huurder : wanneer die door de verhuurder in het bezit wordt gelaten van het gehuurde goed, voorziet die bepaling in de totstandkoming van een handelshuurovereenkomst van onbepaalde duur die door de verhuurder slechts kan worden opgezegd mits een opzeggingstermijn van achttien maanden in acht wordt genomen. Daarentegen heeft de wetgever niet voorzien in een bijzondere bescherming van de verhuurder tegen opzegging door de huurder in een dergelijk geval. De toepassing van de gemeenrechtelijke opzeggingstermijn van één maand in artikel 1736 van het Burgerlijk Wetboek, die daaruit voortvloeit, kan evenwel niet worden beschouwd als een onevenredige maatregel in het licht van de doelstelling van de handelshuurwet in het algemeen en van artikel 14 van die wet in het bijzonder.

De huurovereenkomst van onbepaalde duur is immers het gevolg van het louter stilzitten van de verhuurder, die de huurder, na het verstrijken van de huurovereenkomst van bepaalde duur, in het bezit heeft gelaten van het verhuurde goed, zodat die vermag verder aanspraak te maken op een verhoogde bescherming tegen opzegging door de verhuurder, die bestaat in het in acht nemen van een opzeggingstermijn van achttien maanden. Bovendien is artikel 1736 van het Burgerlijk Wetboek, dat wordt toegepast indien de huurovereenkomst van onbepaalde duur wordt opgezegd door de huurder, van aanvullend recht, zodat de partijen, zoals de verwijzende rechter aangeeft, afwijkende overeenkomsten kunnen afsluiten. De enkele vaststelling dat een opzeggingstermijn van één maand, die met toepassing van artikel 1736 van het Burgerlijk Wetboek door de huurder in acht moet worden genomen, vrij kort is om te voorzien in de herbestemming van het goed door de verhuurder, is niet voldoende om de maatregel een onevenredig karakter te verlenen.

B.7. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 1736 van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in zoverre het van toepassing wordt geacht op de opzegging die wordt gegeven door de huurder in het kader van een handelshuurovereenkomst die overeenkomstig artikel 14, derde lid, van de handelshuurwet van 30 april 1951 van onbepaalde duur is geworden.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 10 mei 2007.

De griffier, P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter, A. Arts.

^