Burgerlijk Wetboek
gepubliceerd op 06 oktober 2015
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Uittreksel uit arrest nr. 106/2015 van 16 juli 2015 Rolnummer : 5941 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 488bis, k), van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door het Arbeidshof te Luik. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld wijst na beraad

bron
grondwettelijk hof
numac
2015204395
pub.
06/10/2015
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

Numac : 2015204395

GRONDWETTELIJK HOF


Uittreksel uit arrest nr. 106/2015 van 16 juli 2015 Rolnummer : 5941 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 488bis, k), van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door het Arbeidshof te Luik.

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, en de rechters E. De Groot, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût en T. Giet, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest van 13 juni 2014 in zake de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening tegen Mr. T. Jammaer, in zijn hoedanigheid van voorlopige bewindvoerder van C.D., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 25 juni 2014, heeft het Arbeidshof te Luik, afdeling Luik, de volgende prejudiciële vragen gesteld : « 1. Schendt artikel 488bis-k van het Burgerlijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat de bescherming die het uitvaardigt ten gunste van de onder voorlopig bewind geplaatste personen - door de verplichting op te leggen dat betekeningen en kennisgevingen die hun moeten worden gedaan, worden gedaan aan de voorlopige bewindvoerder die aan hen is toegevoegd - niet van toepassing is op de oproepingen die door de Waalse dienst voor beroepsopleiding en arbeidsbemiddeling (' FOREM ') aan een onder voorlopig bewind geplaatste werkzoekende worden gericht, noch op de beslissing tot schrapping van zijn inschrijving als werkzoekende wanneer geen gevolg eraan is gegeven, niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, alsook artikel 23, 2°, ervan, in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en artikel 1 van het Protocol nr. 1 bij dat Verdrag, in zoverre het, in die interpretatie, tot gevolg zou hebben personen die zich in verschillende situaties bevinden, zonder redelijke verantwoording, op gelijke wijze te behandelen : - enerzijds, de werkzoekenden die beschikken over hun volle bekwaamheid om hun sociale rechten uit te oefenen en de daarmee verband houdende verplichtingen in acht te nemen; - en, anderzijds, de werkzoekenden die onder voorlopig bewind zijn geplaatst wegens een tijdelijke of duurzame aantasting van hun geestelijke gezondheidstoestand die hen onbekwaam maakt hun administratieve situatie dagdagelijks te beheren en, bijgevolg, diezelfde verplichtingen in acht te nemen zonder de bijstand van de daartoe aangewezen voorlopige bewindvoerder ? 2. Is artikel 488bis-k van het Burgerlijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat de bescherming die het uitvaardigt ten gunste van de onder voorlopig bewind geplaatste personen - door de verplichting op te leggen dat betekeningen en kennisgevingen die hun moeten worden gedaan, worden gedaan aan de voorlopige bewindvoerder die aan hen is toegevoegd - van toepassing is op de oproepingen die door de ' FOREM ' aan een onder voorlopig bewind geplaatste werkzoekende worden gericht, en op de beslissing tot schrapping van zijn inschrijving als werkzoekende wanneer geen gevolg eraan is gegeven, bestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 23, 2°, van de Grondwet, in samenhang gelezen met de voormelde supranationale bepalingen ? ». (...) III. In rechte (...) B.1. Vóór de opheffing ervan bij artikel 27 van de wet van 17 maart 2013 tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid, bepaalde artikel 488bis, k), van het Burgerlijk Wetboek : « Betekeningen en kennisgevingen aan personen aan wie een voorlopige bewindvoerder is toegevoegd, worden gedaan aan diens woonplaats of verblijfplaats ».

B.2. De eerste prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid met de artikelen 10, 11 en 23, derde lid, 2°, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, van artikel 488bis, k), van het Burgerlijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat de bescherming die het uitvaardigt ten gunste van de onder voorlopig bewind geplaatste personen, door de verplichting op te leggen dat betekeningen en kennisgevingen die hun moeten worden gedaan, worden gedaan aan hun voorlopige bewindvoerder, niet van toepassing is op de oproepingen die door de Waalse dienst voor beroepsopleiding en arbeidsbemiddeling (« FOREM ») aan een onder voorlopig bewind geplaatste werkzoekende worden gericht, noch op de beslissing tot schrapping van zijn inschrijving als werkzoekende wanneer geen gevolg eraan is gegeven. De verwijzende rechter vraagt of artikel 488bis, k), van het Burgerlijk Wetboek in die interpretatie niet tot gevolg heeft personen die zich in verschillende situaties bevinden, enerzijds, de werkzoekenden die beschikken over de volle bekwaamheid om hun sociale rechten uit te oefenen en de daarmee verband houdende verplichtingen in acht te nemen, en, anderzijds, de werkzoekenden die onder voorlopig bewind zijn geplaatst wegens een tijdelijke of duurzame aantasting van hun geestelijke gezondheidstoestand die hen onbekwaam maakt hun administratieve situatie dagdagelijks te beheren en, bijgevolg, diezelfde verplichtingen in acht te nemen zonder de bijstand van hun voorlopige bewindvoerder, zonder redelijke verantwoording op gelijke wijze te behandelen.

De tweede prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid met de artikelen 10, 11 en 23, derde lid, 2°, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, van artikel 488bis, k), van het Burgerlijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat de bescherming die het uitvaardigt ten gunste van de onder voorlopig bewind geplaatste personen, door de verplichting op te leggen dat betekeningen en kennisgevingen die hun moeten worden gedaan, worden gedaan aan hun voorlopige bewindvoerder, van toepassing is op de oproepingen die door de « FOREM » aan een onder voorlopig bewind geplaatste werkzoekende worden gericht, en op de beslissing tot schrapping van zijn inschrijving als werkzoekende wanneer geen gevolg eraan is gegeven.

Het Hof onderzoekt de twee prejudiciële vragen samen.

B.3. De artikelen 51, § 1, eerste lid en tweede lid, 4°, 52bis, § 1, 3°, en 58, § 1, eerste en tweede lid, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, bepalen : «

Art. 51.§ 1. De werknemer die werkloos is of wordt wegens omstandigheden afhankelijk van zijn wil kan uitgesloten worden van het genot van de uitkeringen overeenkomstig de artikelen 52 tot 54.

Onder ' werkloosheid wegens omstandigheden afhankelijk van de wil van de werknemer ' wordt verstaan : [...] 4° het zich zonder voldoende rechtvaardiging niet aanmelden bij de bevoegde Dienst voor Arbeidsbemiddeling en/of beroepsopleiding, indien de werkloze door deze dienst werd opgeroepen om zich aan te melden ». «

Art. 52bis.§ 1. De werknemer kan uitgesloten worden van het genot van de uitkeringen gedurende ten minste 4 weken en ten hoogste 52 weken indien hij werkloos is of wordt in de zin van artikel 51, § 1, tweede lid, ten gevolge van : [...] 3° het zich niet aanmelden bij de bevoegde Dienst voor Arbeidsbemiddeling en/of beroepsopleiding ». «

Art. 58.§ 1. Om uitkeringen te genieten moet de volledig werkloze actief zoeken naar werk en moet hij als werkzoekende ingeschreven zijn en blijven. Het bewijs van deze inschrijving moet geleverd worden door de werkloze.

De werkloze kan niet langer genieten van uitkeringen vanaf de dag waarop zijn inschrijving als werkzoekende ambtshalve werd geschrapt door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling, inzonderheid ten gevolge van het feit dat hij : 1° niet langer beschikbaar is voor de arbeidsmarkt;2° zich niet bij deze dienst heeft aangemeld wanneer hij opgeroepen werd;3° deze dienst niet op de hoogte heeft gesteld van zijn adresverandering;4° de formaliteiten niet vervuld heeft die deze dienst vereist, ten einde de inschrijving als werkzoekende te behouden ». B.4. De in de in het geding zijnde bepaling beoogde beschermde persoon is een meerderjarige die « wegens zijn gezondheidstoestand » wordt beschouwd als « geheel of gedeeltelijk [...] niet in staat [...] zijn goederen te beheren » (artikel 488bis, a), van het Burgerlijk Wetboek) en die met het oog op de bescherming daarvan over een voorlopige bewindvoerder beschikt die tot taak heeft « de goederen van de beschermde persoon als een goed huisvader te beheren of de beschermde persoon in dat beheer bij te staan » (artikel 488bis, f), § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek).

Artikel 488bis, a) tot k), van het Burgerlijk Wetboek regelt het voorlopige bewind over de goederen toebehorend aan een meerderjarige die, geheel of gedeeltelijk, zij het tijdelijk, wegens zijn gezondheidstoestand, niet in staat is zijn goederen te beheren.

Artikel 488bis, f), van hetzelfde Wetboek omschrijft de opdracht van de voorlopige bewindvoerder. Die opdracht bestaat erin « de goederen van de beschermde persoon als een goed huisvader te beheren of de beschermde persoon in dat beheer bij te staan » (artikel 488bis, f), § 1, eerste lid).

De bevoegdheden van de voorlopige bewindvoerder worden door de rechter bepaald (artikel 488bis, f), § 2, eerste lid) en hij is bij wet verplicht « de toepassing van de sociale wetgeving [te] vorderen in het belang van de beschermde persoon » (artikel 488bis, f), § 5). In voorkomend geval kan hij door de rechter worden gemachtigd om de sociale uitkeringen zoals de werkloosheidsuitkeringen te ontvangen.

De beslissing houdende aanwijzing van een voorlopige bewindvoerder maakt in de regel het voorwerp uit van een bekendmaking in het Belgisch Staatsblad (artikel 488bis, e)).

B.5. In de interpretatie die in de eerste prejudiciële vraag eraan wordt gegeven, legt artikel 488bis, k), van het Burgerlijk Wetboek niet de verplichting op dat de oproepingen die door de « FOREM » aan een onder voorlopig bewind geplaatste werkzoekende worden gericht en de beslissing tot schrapping van zijn inschrijving als werkzoekende aan de voorlopige bewindvoerder worden betekend of ter kennis worden gebracht. Uit de artikelen 51, § 1, eerste lid en tweede lid, 4°, 52bis, § 1, 3°, en 58, § 1, eerste en tweede lid, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 volgt echter dat het zich niet aanmelden bij de « FOREM » de schrapping van de inschrijving als werkzoekende alsook de uitsluiting van het genot van de werkloosheidsuitkeringen tot gevolg heeft. Hoewel de beslissing tot uitsluiting van het genot van die uitkeringen tot de bevoegdheid van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening behoort en volgt op een oproeping waarvan de voorlopige bewindvoerder te dezen op de hoogte is gebracht, hetgeen hem de mogelijkheid heeft geboden op te treden om de toepassing van de sociale wetgeving te vorderen in het belang van de beschermde persoon, is zijn mogelijkheid om met dat doel te handelen beperkt, wegens de automatische gevolgen die verbonden zijn aan het zich niet-aanmelden bij de « FOREM ».

De verplichting waarin is voorzien bij artikel 488bis, k), van het Burgerlijk Wetboek moet de voorlopige bewindvoerder de mogelijkheid bieden de belangen van de persoon voor wie hij instaat, doeltreffend te beschermen en zijn opdracht te vervullen. Het is niet verantwoord hem niet op de hoogte te brengen van oproepingen die door de « FOREM » worden gericht aan een onder voorlopig bewind geplaatste werkzoekende, aangezien de ontstentenis van antwoord op die oproepingen als automatisch gevolg heeft die werkzoekende sociale uitkeringen te ontzeggen die precies tot de goederen behoren die de voorlopige bewindvoerder dient te beheren. De omstandigheid dat de opdracht van de voorlopige bewindvoerder beperkt is tot het beheer van de goederen en dat de onder voorlopig bewind geplaatste persoon de bekwaamheid behoudt om de handelingen te verrichten die niet tot de opdracht van de voorlopige bewindvoerder behoren, en met name de uitoefening van de persoonlijke rechten, kan niet het feit verantwoorden de voorlopige bewindvoerder niet op de hoogte te brengen van de oproepingen die door de « FOREM » worden gericht aan de onder voorlopig bewind geplaatste werkzoekende, aangezien het tot de opdracht van de voorlopige bewindvoerder behoort de toepassing van de sociale wetgeving te vorderen in het belang van de beschermde persoon.

In die zin geïnterpreteerd dat het niet de verplichting oplegt dat de oproepingen die door de « FOREM » worden gericht aan een onder voorlopig bewind geplaatste werkzoekende en de beslissing tot schrapping van zijn inschrijving als werkzoekende aan de voorlopige bewindvoerder worden betekend of ter kennis worden gebracht, ontzegt artikel 488bis, k), van het Burgerlijk Wetboek zonder redelijke verantwoording de onder voorlopig bewind geplaatste werkzoekenden de bescherming die de wetgever hun heeft toegekend bij artikel 488bis van het Burgerlijk Wetboek en is het niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.6. Vanwege haar algemene bewoordingen kan de in het geding zijnde bepaling echter in die zin worden geïnterpreteerd dat zij de verplichting oplegt dat de oproepingen die door de « FOREM » worden gericht aan een onder voorlopig bewind geplaatste werkzoekende en de beslissing tot schrapping van zijn inschrijving als werkzoekende aan de voorlopige bewindvoerder worden betekend of ter kennis worden gebracht. In die interpretatie ontzegt artikel 488bis, k), van het Burgerlijk Wetboek de onder voorlopig bewind geplaatste werkzoekenden niet de bescherming die de wetgever hun heeft toegekend bij artikel 488bis van het Burgerlijk Wetboek en is het verenigbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

De toetsing aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, leidt niet tot een ander besluit.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - In die zin geïnterpreteerd dat het niet de verplichting oplegt dat de oproepingen die door de « FOREM » worden gericht aan een onder voorlopig bewind geplaatste werkzoekende en de beslissing tot schrapping van zijn inschrijving als werkzoekende aan de voorlopige bewindvoerder worden betekend of ter kennis worden gebracht, schendt artikel 488bis, k), van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - In die zin geïnterpreteerd dat het de verplichting oplegt dat de oproepingen die door de « FOREM » worden gericht aan een onder voorlopig bewind geplaatste werkzoekende en de beslissing tot schrapping van zijn inschrijving als werkzoekende aan de voorlopige bewindvoerder worden betekend of ter kennis worden gebracht, schendt artikel 488bis, k), van het Burgerlijk Wetboek niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag.

Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 16 juli 2015.

De griffier, P.-Y. Dutilleux De voorzitter, J. Spreutels


begin


Publicatie : 2015-10-

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^