Decreet van 02 februari 2007
gepubliceerd op 15 mei 2007

Decreet tot vaststelling van het statuut van de directeurs

bron
ministerie van de franse gemeenschap
numac
2007201245
pub.
15/05/2007
prom.
02/02/2007
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

2 FEBRUARI 2007. - Decreet tot vaststelling van het statuut van de directeurs


Het Parlement van de Franse Gemeenschap heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : TITEL I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.Dit decreet is van toepassing op het kleuteronderwijs, het lager onderwijs, het basisonderwijs, het secundair onderwijs, het gewoon onderwijs en het gespecialiseerd onderwijs, het onderwijs met volledig leerplan of het alternerend onderwijs, het kunstsecundair onderwijs met beperkt leerplan of het onderwijs voor sociale promotie, georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, met uitzondering van de afdelingen 4 en 5 van de hoofdstukken I, II en III van titel III.

Art. 2.§ 1. Voor de toepassing van dit decreet, dient te worden verstaan onder : 1° « directeur » : het personeelslid dat, in welke hoedanigheid dan ook, titularis is van het bevorderingsambt van directeur van een kleuterschool, directeur van een lagere school, directeur van een basisschool, directeur in het lager secundair onderwijs, studieprefect of directeur, zoals opgesomd in de artikelen 3 en 4, 1° en 2°, van het decreet van 4 januari 1999 betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten, directeur van een inrichting voor sociale promotie, zoals bedoeld in artikel 6 ter, 6° a) van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 2 oktober 1968 tot vaststelling en rangschikking van de ambten der leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel, van het psychologisch personeel, van het maatschappelijk personeel der inrichtingen voor voorschools, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch, kunstonderwijs en hoger onderwijs buiten de universiteit van de Franse Gemeenschap en de ambten der personeelsleden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen, of van directeur van het kunstsecundair onderwijs met beperkt leerplan zoals bepaald in artikel 50, 2° van het decreet van 2 juni 1998 houdende organisatie van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap;2° « opvoedingsteam » : het geheel van de personeelsleden die het geheel of en deel van hun ambt(en) in éénzelfde inrichting of éénzelfde vestiging uitoefenen, met uitsluiting van het administratief personeel, en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel. § 2. Het gebruik in dit decreet van de mannelijke namen voor de verschillende titels en ambten is gemeenslachtig met het oog op een betere leesbaarheid van de tekst, niettegenstaande de bepalingen van het decreet van 21 juni 1993 betreffende de vervrouwelijking van de namen van beroep, ambt, graad of titel.

TITEL II. - Bepalingen die de directeurs van alle netten gemeen zijn HOOFDSTUK I. - Opdrachten van de directeur Afdeling I. - Algemene bepaling

Art. 3.§ 1. In het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, oefent de directeur zijn algemene opdracht en zijn specifieke opdrachten uit overeenkomstig de inhoud van het opdrachtenblad bedoeld in hoofdstuk III van deze titel.

In het gesubsidieerd onderwijs, oefent de directeur zijn algemene opdracht en zijn specifieke opdrachten uit volgens het mandaat dat hem door de inrichtende macht wordt toegekend. Dit wordt bepaald in het opdrachtenblad bedoeld in hoofdstuk III van deze titel. § 2. De directeur moet alles in het werk stellen om de in dit hoofdstuk bedoelde opdrachten zo goed mogelijk uit te oefenen met inachtneming van het hem toegewezen opdrachtenblad en binnen de perken van de middelen die hem ter beschikking worden gesteld. Afdeling II. - Algemene opdracht

Art. 4.De directeur voert binnen de inrichting het pedagogisch project van zijn inrichtende macht uit binnen het kader van het onderwijsbeleid van de Franse Gemeenschap.

In het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, is de directeur de geschikte contactpersoon en medewerker van de diensten van de Regering en van de algemene inspectiedienst.

In het gesubsidieerd onderwijs is de directeur de vertegenwoordiger van de inrichtende macht bij de diensten van de Regering en de algemene inspectiedienst.

Art. 5.De directeur heeft de algemene bevoegdheid voor de organisatie van de inrichting.

Hij onderzoekt regelmatig de toestand van de inrichting en zorgt voor de nodige aanpassingen.

Art. 6.In het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, oefent de directeur van een verbonden kleuter-, lagere of basisschool, zijn opdrachten uit onverminderd de opdrachten die toegewezen zijn aan de directeur van de inrichting waarmee zijn school verbonden is. Afdeling III. - Specifieke opdrachten

Onderafdeling I. - Relationele zaken

Art. 7.De directeur neemt het beheer en de coördinatie van het opvoedingsteam waar.

In dit kader organiseert hij inzonderheid de diensten van het geheel van het personeel, coördineert zijn werk en wijst hem doelstellingen toe op grond van zijn bevoegdheid en van de teksten die zijn opdrachten regelen.

Daartoe wekt hij ploeggeest op, zorgt hij voor de ontwikkeling van communicatie en dialoog met het geheel van de actoren van de schoolinrichting en beheert hij de conflicten. Hij zorgt eveneens voor het onthaal en de integratie van de nieuwe personeelsleden, alsook voor de begeleiding van de personeelsleden die moeilijkheden ondervinden.

Hij moedigt de deelneming van de personeelsleden aan de verplichte of vrijwillige opleiding gedurende de loopbaan aan en beheert die.

Art. 8.De directeur is verantwoordelijk voor de betrekkingen van de schoolinrichting met de leerlingen, de ouders en derden.

In dit opzicht zorgt de directeur er inzonderheid voor het onthaal en de dialoog ten aanzien van de leerlingen, de ouders en derden te ontwikkelen.

Hij beoogt de integratie van alle leerlingen, werkt hun goede oriëntatie in de hand en moedigt de ontwikkeling van hun uiting als burger aan.

Hij doet het huishoudelijk reglement van de schoolinrichting naleven, en treft, in voorkomend geval, de nodige maatregelen.

Art. 9.De directeur vertegenwoordigt zijn inrichting in het kader van haar externe betrekkingen.

Daartoe probeert hij, binnen de perken van zijn mogelijkheden, die betrekkingen te onderhouden en aan te moedigen, en neemt hij de public relations van zijn school waar. Hij zorgt voor de coördinatie van de acties die te voeren zijn met inzonderheid de psycho-medische-sociale centra en kan partnerschapsverbanden ontwikkelen.

Hij kan ook contacten met de plaatselijke economische en sociaal-culturele wereld aanknopen, eveneens met instellingen voor jeugdbescherming, hulpverlening aan het kind en de jeugd.

In het onderwijs voor sociale promotie kan hij verzocht worden om samen te werken met het geïntegreerde stelsel voor maatschappelijke integratie en inschakeling in het arbeidsproces, om overeenkomsten te sluiten met partners en deel te nemen aan de werkzaamheden van de instanties bedoeld bij het decreet van 16 april 1991 houdende organisatie van het onderwijs voor sociale promotie.

Onderafdeling II. - Administratieve, materiële en financiële zaken

Art. 10.De directeur legt de dienstregelingen en de bevoegdheden van de personeelsleden vast in het kader van de bestaande wetgeving. Hij beheert de dossiers van de leerlingen en van de personeelsleden.

Hij zorgt, in voorkomend geval, voor de goede werking van de overlegorganen en de klassenraden bepaald bij de wetten, decreten en verordeningen.

De directeur beheert de materiële en financiële middelen van de inrichting.

In het gesubsidieerd onderwijs doet hij dit naar gelang van de omvang van het mandaat dat hem door de inrichtende macht wordt toevertrouwd.

Hij staat bovendien in voor de toepassing van de veiligheids- en hygiënemaatregelen binnen de inrichting.

Onderafdeling III. - De pedagogische en educatieve zaken

Art. 11.De directeur beheert de schoolinrichting op pedagogisch en educatief vlak.

Daartoe voert hij het pedagogisch en educatief beleid van de inrichting en kijkt hij na of de leden van het opvoedingsteam de gepaste gedragingen, methoden en middelen aanwenden. Hij past het inrichtingsproject toe, stuurt en werkt het bij.

De directeur vergewist zich van de overeenstemming tussen de leervakken, het referentiesysteem voor de basisvaardigheden, de eindvaardigheden, de opleidingsprofielen en de pedagogische programma's of dossiers. Hij zorgt voor de goede organisatie van de evaluaties die met een getuigschrift worden bekrachtigd en van de externe evaluaties binnen de school.

Met eerbiediging van de vrijheid inzake pedagogische methoden, werkt de directeur met de algemene inspectiedienst en de andere pedagogische diensten mee. HOOFDSTUK II. - Eerste opleiding van directeurs Afdeling I. - Doel van de eerste opleiding van de directeurs

Art. 12.De eerste opleiding van de directeur heeft tot doel hem de mogelijkheid te verschaffen om de bevoegdheden te verwerven die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de in hoofdstuk I bepaalde opdrachten.

Art. 13.Voor de uitoefening van de relatieopdrachten, heeft de opleiding van de directeur tot doel bij hem relatievaardigheden te ontwikkelen, inzonderheid het Human Resources Management.

Art. 14.Voor de uitoefening van de opdrachten in verband met de administratieve, materiële en financiële zaken, heeft de opleiding van de directeur tot doel hem de mogelijkheid te verschaffen om de bekwaamheid tot het beheersen van de wetgevings- en verordeningszaken en tot het administratief, logistiek en financieel beheer van de school of de inrichting te ontwikkelen.

Art. 15.Voor de uitoefening van de opdrachten in verband met de pedagogische en educatieve zaken, heeft de opleiding van de directeur die zijn opdrachten in het leerplichtonderwijs uitoefent, tot doel, hem de mogelijkheid te bieden om de pedagogische vaardigheden te ontwikkelen, en heeft inzonderheid betrekking op de algemene doelstellingen van het onderwijs, de uitvoering ervan, het referentiesysteem voor de basisvaardigheden, de eindvaardigheden, de opleidingsprofielen, de transversale bevoegdheden, de gedifferentieerde pedagogie, de opleidingsevaluatie en de evaluatie die met een getuigschrift wordt bekrachtigd, de bekrachtiging van de studies, alsook op de huidige stromingen inzake pedagogie, het gespecialiseerd onderwijs en het onderwijs met beperkt leerplan, de positieve discriminatie, het voorkomen van geweld, de problematiek van meerderjarige leerlingen, de evaluatie van een pedagogische actie en van de efficiëntie van de personeelsleden.

De inhoud en de thema's van de opleiding worden aangepast, volgens het onderwijsniveau van het betrokken ambt van directeur.

Voor de uitoefening van de opdrachten in verband met de pedagogische en educatieve zaken, heet de opleiding van de directeur die zijn ambt in het onderwijs voor sociale promotie uitoefent, tot doel hem de mogelijkheid te bieden om pedagogische vaardigheden te verwerven, en heeft inzonderheid betrekking op de algemene doelstellingen van het onderwijs voor sociale promotie, de uitvoering ervan, het referentiesysteem voor de basisvaardigheden, de transversale bevoegdheden, de aan de volwassenen aangepaste pedagogie (andragogie), de kennis van de psychologie van de jonge volwassene en van de volwassene, de positieve discriminatie, het voorkomen van geweld, de evaluatie van een pedagogische actie en de kennis van het arbeidsproces en van de beroepen.

Voor de uitoefening van de opdrachten in verband met de pedagogische en educatieve zaken, heeft de opleiding van de directeur die zijn ambt in het kunstsecundair onderwijs met beperkt leerplan uitoefent, tot doel hem de mogelijkheid te bieden om pedagogische vaardigheden te verwerven, en heeft inzonderheid betrekking op de doelstellingen van het kunstonderwijs, de uitvoering ervan, het referentiesysteem voor de basisvaardigheden, de transversale bevoegdheden, de evaluaties, de huidige stromingen van de pedagogie en van de kunstcreatie, multidisciplinariteit, transdisciplinariteit, kunstgeschiedenis, kunstfilosofie, ethiek, de kennis van de psychologie van het kind, de adolescent en de volwassene, de positieve discriminatie, het voorkomen van geweld en de evaluatie van een pedagogische actie en het al dan niet doeltreffend zijn van de personeelsleden. Afdeling II. - Organisatie van de opleiding van de directeurs en

uitreiking van de getuigschriften ter bekrachtiging ervan Onderafdeling I. - Algemene bepalingen

Art. 16.De eerste opleiding van de directeurs omvat twee luiken : 1° een luik dat alle netten gemeen is;2° een luik dat eigen is aan elk net of aan elke inrichtende macht, indien deze niet toetreedt tot een vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan van de inrichtende machten.

Art. 17.§ 1. De opleiding die betrekking heeft op het luik dat alle netten gemeen is, telt 60 uren. Ze bestaat uit drie modulen voor de verwerving van : a) de bevoegdheden in verband met de relationele zaken, zoals bedoeld in artikel 13;b) de bevoegdheden in verband met de administratieve, materiële en financiële zaken die alle netten gemeen zijn, bedoeld in artikel 14;c) de bevoegdheden in verband met de pedagogische en educatieve zaken die alle netten gemeen zijn, dit zijn, voor het leerplichtonderwijs, inzonderheid het beheer van de rubrieken bepaald in de artikelen 6 tot 11, en in de artikelen 12 tot 16, 21 tot 24, 30, 34, 40 tot 42, 53, 54, 59 en 67 van het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren, voor het onderwijs voor sociale promotie, inzonderheid de beheersing van de opdrachten die eigen zijn aan het onderwijs voor sociale promotie, zoals bepaald bij het decreet van 16 april 1991 houdende organisatie van het onderwijs voor sociale promotie, en, voor het kunstsecundair onderwijs met beperkt leerplan, inzonderheid de beheersing van de opdrachten en doelstellingen die behoren tot dat onderwijs, zoals bepaald in artikel 3 en in de §§ 2 en 3 van artikel 4 van het decreet van 2 juni 1998 houdende organisatie van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap. De module bedoeld bij het eerste lid, punt c) omvat tussen 30 en 40 uren. § 2. Op grond van een voorstel gedaan door het « Institut de la formation en cours de carrière » (Instituut voor de opleiding gedurende de loopbaan), bepaalt de Regering een opleidingsplan voor het luik dat alle netten gemeen is, houdende inzonderheid de volgende punten : a) de inhoud en de doelstellingen van de opleiding en de te verwerven bevoegdheden;b) de verdeling over de drie modules van het aantal opleidingsuren.

Art. 18.§ 1. De opleiding in verband met het luik dat eigen is aan elk net of elke inrichtende macht, indien deze niet toetreedt tot een vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan van de inrichtende machten, omvat 60 uren. Ze bestaat uit twee modules voor de verwerving van : a) de bevoegdheden in verband met de administratieve, materiële en financiële zaken die specifiek zijn voor elk net of elke inrichtende macht, indien deze niet toetreedt tot een vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan van de inrichtende machten, bedoeld in artikel 14;b) de bevoegdheden in verband met de pedagogische en educatieve zaken bedoeld in artikel 15, als aanvulling van deze die bedoeld zijn in artikel 17, § 1, c), inzonderheid bevoegdheden die verband houden met de uitvoering van de educatieve en pedagogische projecten van de inrichtende macht of van het net waaronder ze ressorteert. De module bedoeld in het eerste lid, punt b) omvat tussen 30 en 40 uren. § 2. De vaste commissie bedoeld in artikel 22 van het decreet van 4 januari 1999, en elk vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan van de inrichtende machten of elke niet aangesloten inrichtende macht bepalen elk een opleidingsplan betreffende het luik bedoeld in § 1, dat de volgende punten vastlegt : a) de inhoud en de doelstellingen van de opleiding en de te verwerven bevoegdheden;b) de verdeling over de twee modules van het aantal opleidingsuren;c) de basiscriteria voor het uitreiken van de attesten ter bekrachtiging van de opleiding overeenkomstig artikel 21, § 1. Elk in deze paragraaf bedoelde opleidingsplan wordt, volgens door de Regering nader te bepalen regels, haar ter goedkeuring voorgelegd.

Art. 19.De eerste opleiding van de directeur is kosteloos. Behalve als dit door haar inhoud vereist is, wordt ze buiten de normale werkingsuren van de schoolinrichtingen georganiseerd. De personeelsleden die een opleiding volgen, worden geacht als in dienstactiviteit zijnde.

Art. 20.§ 1. Elke opleidingsmodule bedoeld in de artikelen 17 en 18 wordt afgesloten met een proef die door een slaagattest wordt bekrachtigd. § 2. Niemand mag zich voor één van de opleidingsmodules inschrijven indien hij op de datum van indiening van zijn aanvraag om deelneming niet of niet meer voldoet aan alle voorwaarden die vermeld zijn : a) naar gelang van het geval, in artikel 8, eerste lid, met uitsluiting van punt 6° van het voormelde decreet van 4 januari 1999, of in artikel 97, eerste lid, met uitzondering van punt 8° van het voormelde koninklijk besluit van 22 maart 1969, voor de personeelsleden van het onderwijs van de Franse Gemeenschap.De vereiste dienstanciënniteit, bedoeld in artikel 8, eerste lid, 2° van het voormelde decreet van 4 januari 1999, of in artikel 97, eerste lid, 3° van het voormelde koninklijk besluit van 22 maart 1969, voor de inschrijving voor één van de opleidingsmodules, wordt echter vastgesteld op respectievelijk zes jaar of 1200 dagen; b) in artikel 57, 1° tot 3° van dit decreet, voor de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs.De vereiste dienstanciënniteit, bedoeld in artikel 57, 1°, voor de inschrijving voor één van de opleidingsmodules, wordt echter vastgesteld op 5 jaar. c) in artikel 80, 1° tot 3° van dit decreet, voor de personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs.De vereiste dienstanciënniteit, bedoeld in artikel 80, 1°, voor de inschrijving voor één van de opleidingsmodules, wordt echter vastgesteld op vijf jaar. § 3. Alle kandidaten die een opleidingsmodule hebben gevolgd, krijgen een attest van deelname aan de lessen. Alleen de kandidaten die een attest voorleggen dat bewijst dat ze ten minste 75 % van de duur van de module hebben gevolgd, worden toegelaten tot de proef die deze bekrachtigt. § 4. De opleidingsmodule in verband met de relationele zaken en de proef ter bekrachtiging ervan worden gezamenlijk georganiseerd voor het geheel van de ambten van directeur bedoeld in artikel 2.

De opleidingsmodules in verband met de administratieve, materiële en financiële zaken en met de pedagogische zaken en de proeven ter bekrachtiging ervan worden gezamenlijk georganiseerd voor de ambten van : 1° studieprefect, directeur en directeur in het secundair onderwijs van de lagere graad;2° directeur van een kleuterschool, directeur van een lagere school en directeur van een basisschool;3° directeur van een inrichting voor onderwijs voor sociale promotie.4° directeur in het kunstsecundair onderwijs met beperkt leerplan.

Art. 21.§ 1. Voor wat het luik betreft dat eigen is aan elk net of elke inrichtende macht, als deze niet toetreedt tot een vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan van de inrichtende machten, worden de opleidingsmodules bedoeld in artikel 18 § 1 respectievelijk bekrachtigd door de volgende proeven : a) een gesprek met betrekking tot de verwerving van de bevoegdheden in verband met de pedagogische en educatieve zaken bedoeld in artikel 15 als aanvulling van deze die bedoeld zijn bij artikel 17, § 1, c), en een mondelinge kritiek op een les.Voor de ambten van studieprefect, directeur, directeur in het secundair onderwijs van de lagere graad, directeur van een inrichting voor onderwijs voor sociale promotie en directeur van het kunstsecundair onderwijs met beperkt leerplan, heeft de mondelinge kritiek op een les betrekking op een vak buiten de specialiteit van de kandidaat. b) een schriftelijke proef met een open boek voor de oplossing van concrete gevallen, met betrekking op de verwerving van bevoegdheden die specifiek zijn voor elk net of elke inrichtende macht, indien deze niet toetreedt tot een vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan van de inrichtende machten, voor de administratieve, materiële en financiële zaken bedoeld in artikel 14. § 2. Voor elke proef worden de kandidaten ofwel toegelaten, ofwel afgewezen. Er wordt geen rangschikking opgemaakt. § 3. De attesten tot bekrachtiging van het slagen voor de proeven bedoeld in artikel 20, § 1, hebben een geldigheidsduur van tien jaar.

Onderafdeling II. - Organisatie en uitreiking van getuigschriften

Art. 22.§ 1. De opleiding die alle netten gemeen is, wordt georganiseerd en met een getuigschrift bekrachtigd, op grond van het opleidingsplan dat door de Regering wordt opgemaakt op de voordracht van het « Institut de la formation en cours de carrière » (Instituut voor de opleiding gedurende de loopbaan van de Franse Gemeenschap) bedoeld in artikel 17, § 2, door de : 1° universiteiten;2° hogescholen;3° inrichtingen voor onderwijs voor sociale promotie. § 2. De opleiding die specifiek is voor elk net of elke inrichtende macht, indien deze niet toetreedt tot een vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan van de inrichtende machten, en de proeven tot bekrachtiging van de opleidingsmodules worden, op grond van het opleidingsplan dat door de Regering in artikel 18 § 2 wordt goedgekeurd, georganiseerd : a) door de Diensten van de Regering, op de voordracht van de vaste commissie bedoeld in artikel 22 van het voormelde decreet van 4 januari 1999, voor de personeelsleden van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs;b) door de vertegenwoordigings- en coördinatieorganen van de inrichtende machten of door elke inrichtende macht die niet aangesloten is bij één van die organen, voor de personeelsleden van het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerd onderwijs. Elk vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan van de inrichtende machten kan zijn bevoegdheid voor de organisatie en de bekrachtiging met een getuigschrift van de bij deze paragraaf bedoelde opleiding delegeren aan één of meer bij dat orgaan aangesloten inrichtende macht(en). In dat geval neemt(nemen) de betrokken inrichtende macht(en) de in de volgende artikelen beschreven verplichtingen over van de vertegenwoordigings- en coördinatieorganen van de inrichtende machten.

Art. 23.§ 1. Voor de organisatie van de opleiding die eigen is aan elk net of aan elke inrichtende macht, indien deze niet toetreedt tot een vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan van de inrichtende machten, kan de Regering de volgende opleidingsoperatoren erkennen : 1. het Algemeen Bestuur Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek;2. het Algemeen Bestuur Onderwijspersoneel;3. de universiteiten;4. de hogescholen;5. de pedagogische scholen en hogere instituten;6. de inrichtingen voor onderwijs voor sociale promotie;7. de opleidingscentra van de netten; § 2. De Regering stelt de voorwaarden vast waaraan de opleidingsoperatoren bedoeld in § 1, 7. bovendien moeten voldoen, om hun bekwaamheid tot het verstrekken van opleidingen na te kijken. Die voorwaarden hebben inzonderheid betrekking op de ervaring van de operator, de opleidingen die het reeds heeft verstrekt, de professionele en financiële waarborgen die het biedt. § 3. Een personeelslid dat zijn ambt uitoefent bij een hogeschool of bij een inrichting voor onderwijs voor sociale promotie kan geen opleidingsluik volgen binnen die.

Art. 24.De proeven die aanleiding geven tot het uitreiken van getuigschriften ter bekrachtiging van de opleidingsmodules worden ten minste één keer om de twee jaar georganiseerd.

Art. 25.§ 1. Voor wat het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs betreft : a) voor de opleidingen georganiseerd door de opleidingsoperatoren bedoeld in artikel 23, § 1, punten 1.en 2., worden de attesten tot bekrachtiging van de proeven bedoeld in artikel 21, § 1 uitgereikt door examencommissies waarvan de samenstelling en de werking door de Regering worden vastgesteld. b) de opleidingen georganiseerd door de opleidingsoperatoren bedoeld in artikel 23, § 1, punten 3.tot 6. worden bekrachtigd door middel van getuigschriften uitgereikt door die opleidingsoperatoren. c) de personeelsleden die de slaagattesten behalen in verband met de vijf proeven van de modules bedoeld in de artikelen 17, § 1 en 18, § 1, zijn houder van het brevet in verband met het ambt zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, 6° van het voormelde decreet van 4 januari 1999. § 2. Voor wat het gesubsidieerd onderwijs betreft, a) de opleidingen die eigen zijn aan elk net of elke inrichtende macht, indien deze niet toetreedt tot een vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan van de inrichtende machten georganiseerd door de opleidingsoperatoren bedoeld in artikel 23, § 1, punten 3.tot 6., worden bekrachtigd door getuigschriften uitgereikt door die opleidingsoperatoren. b) voor de opleidingen die eigen zijn aan elk net of aan elke inrichtende macht, indien deze niet toetreedt tot een vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan van de inrichtende machten georganiseerd door de opleidingsoperatoren bedoeld in artikel 23, § 1, 7., stelt de Regering de voorwaarden vast en bepaalt de nadere regels volgens welke die opleidingsoperatoren de slaagattesten uitreiken. c) de personeelsleden die de slaagattesten behalen in verband met de vijf proeven van de modules bedoeld in de artikelen 17, § 1 en 18, § 1, zijn houder van het brevet in verband met het ambt, bestaande uit 5 slaagattesten die vereist zijn overeenkomstig de bepalingen van Titel III en van Titel VI, Hoofdstuk III van dit decreet.

Art. 26.§ 1. Om rekening te houden met het geheel van de bevoegdheden die de kandidaten hebben, kunnen de organen die getuigschriften uitreiken bedoeld in artikel 22, § 1, ze vrijstellen van het volgen van één of meer module(s) van het gemeenschappelijke luik en de proeven in verband daarmee : 1° ofwel als zij houder zijn van een ander brevet betreffende een selectieambt of en bevorderingsambt;2° ofwel als zij het bewijs leveren dat zij gelijkwaardige opleidingen hebben gevolgd en, in voorkomend geval, ervoor zijn geslaagd. De personeelsleden die benoemd zijn in het ambt van provisor of onderdirecteur, directeur van het lager secundair onderwijs, onderdirecteur van het lager secundair onderwijs, werkplaatsleider of bestuurder, of die dat ambt tijdelijk hebben uitgeoefend gedurende 600 dagen, verdeeld over ten minste drie schooljaren, die houder zijn van het brevet dat georganiseerd wordt overeenkomstig het voormelde decreet van 4 januari 1999 in verband met dat ambt, en die kandidaat zijn voor het ambt van studieprefect of directeur, worden geacht geslaagd te zijn voor het gemeenschappelijke luik van de opleiding, zoals bedoeld in artikel 17, § 1, a). § 2. De in artikel 23, § 1 bedoelde opleidingsoperatoren, alsook de Regering op de voordracht van de vaste commissie bedoeld in artikel 22 van het decreet van 4 januari 1999, kunnen, volgens de in § 1 bedoelde voorwaarden, de kandidaten vrijstellen van het volgen van één of meer modules van het luik dat eigen is aan elk net en van de proeven in verband daarmee.

Art. 27.De algemene inspectiedienst en de verificatiediensten worden, elk afzonderlijk, belast met de controle, volgens door de Regering nader te bepalen regels, op de uitwerking en toepassing, met inachtneming van de bepalingen van dit hoofdstuk, van de in de artikelen 17 en 18 bedoelde opleidingsplannen.

Art. 28.Het « Institut de la formation en cours de carrière » (Instituut voor de opleiding gedurende de loopbaan van de Franse Gemeenschap), de vaste commissie bedoeld in artikel 22 van het decreet van 4 januari 1999, de in artikel 22, § 1 bedoelde organen die met het uitreiken van getuigschriften belast worden, elk vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan van de inrichtende machten en elke inrichtende macht die niet aangesloten is bij één van die organen, ieder afzonderlijk, brengen, op eigen initiatief of op aanvraag van de Regering, adviezen uit over de toepassing van de artikelen houdende organisatie van de opleidingen en proeven ter bekrachtiging ervan overeenkomstig dit hoofdstuk.

Art. 29.Elk jaar zenden het « Institut de la formation en cours de carrière » (Instituut voor de opleiding gedurende de loopbaan van de Franse Gemeenschap), de vaste commissie bedoeld in artikel 22 van het decreet van 4 januari 1999, elk vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan van de inrichtende machten en elke inrichtende macht die niet aangesloten is bij één van die organen, elk afzonderlijk, aan de sturingscommissie opgericht bij het decreet van 27 maart 2002 betreffende de sturing van het onderwijssysteem van de Franse Gemeenschap een evaluatieverslag over het organiseren van de eerste opleiding van de directeurs en het uitreiken van getuigschriften ter bekrachtiging ervan overeenkomstig dit hoofdstuk.

De sturingscommissie kan, in haar jaarverslag, een advies uitbrengen of voorstellen doen aan de Regering betreffende de coherentie bij het organiseren van de eerste opleiding van de directeurs en het uitreiken van getuigschriften ter bekrachtiging ervan overeenkomstig dit hoofdstuk. HOOFDSTUK III. - Opdrachtenblad

Art. 30.§ 1. Zodra de directeur in dienst is getreden, wijst de Regering of de inrichtende macht hem een opdrachtenblad toe.

De Regering, op de voordracht van de commissie voor de evaluatie van de directeurs bedoeld in artikel 37, of de inrichtende macht, bepaalt er de opdrachten van de directeur en de prioriteiten die hem worden toegewezen, op grond van de behoeften van de inrichting waarin de directeur aangewezen is.

Voordat het opdrachtenblad wordt opgesteld, raadpleegt de evaluatiecommissie, door toedoen van één van zijn leden dat daartoe wordt aangesteld, het basisoverlegcomité in het net van de Franse Gemeenschap, raadpleegt de inrichtende macht de plaatselijke paritaire commissie in het gesubsidieerd officieel onderwijs, de ondernemingsraad of, bij ontstentenis daarvan, de plaatselijke overleginstantie of, bij ontstentenis daarvan, de vakbondsafvaardiging in het gesubsidieerd vrij onderwijs.

Het ontwerp van opdrachtenblad dat na die raadplegingen wordt opgesteld, wordt iedere kandidaat-directeur voorgesteld of, bij ontstentenis daarvan, aan het voorafgaande advies van de directeur onderworpen. § 2. In het gesubsidieerd onderwijs omvat het opdrachtenblad een luik dat specifiek is voor de afvaardigingen van de inrichtende macht.

Art. 31.§ 1. De duur van het opdrachtenblad bedraagt 6 jaar. § 2. De inhoud van het opdrachtenblad kan inzonderheid worden gewijzigd, op grond van de evolutie van de werking of van de behoeften van de inrichting vóór het einde van de geldigheidsduur ervan, ten vroegste na twee jaar, door de Regering of de inrichtende macht, ofwel op eigen initiatief, ofwel op aanvraag van de directeur.

In afwijking van het eerste lid, kan de inhoud van het opdrachtenblad van de stagedoende directeurs ten vroegste na 6 maanden worden gewijzigd.

In afwijking van hetzelfde lid, kan de inhoud van het opdrachtenblad vóór het einde van zijn geldigheidsduur worden gewijzigd, in onderlinge overeenstemming tussen de directeur en de Regering of de inrichtende macht. § 3. Voor elk nieuw opdrachtenblad of elke wijziging ervan, moet de overlegprocedure bedoeld in artikel 30, § 1, derde lid, worden nageleefd.

Art. 32.§ 1. In afwijking van artikel 30, § 1, eerste lid, kan de Regering of de inrichtende macht, als dit nodig is, een opdrachtenblad toewijzen aan het personeelslid dat in het ambt van directeur tijdelijk wordt aangesteld.

De Regering of de inrichtende macht wijst van ambtswege een opdrachtenblad toe aan het personeelslid dat tijdelijk in het ambt van directeur wordt aangesteld voor een duur die gelijk is aan of hoger is dan één jaar, of waanneer de duur van de aanstelling ten minste één jaar bedraagt. § 2. Het in dit artikel bedoelde opdrachtenblad kan tot doel hebben het opdrachtenblad van de directeur die wordt vervangen te bevestigen of een nieuw document op te stellen.

Als de Regering of de inrichtende macht meent dat het niet noodzakelijk is een nieuw opdrachtenblad toe te wijzen aan het personeelslid dat tijdelijk in het ambt van directeur wordt aangesteld voor een duur die korter is dan één jaar, wordt het aan de directeur toegewezen opdrachtenblad als bevestigd geacht. § 3. De in artikel 30, § 1, derde en vierde leden bedoelde procedure moet worden nageleefd als er een nieuw opdrachtenblad wordt opgesteld overeenkomstig dit artikel. Artikel 31 is van overeenkomstig toepassing op dit laatste. HOOFDSTUK IV. - Verloop van de stage van de directeurs

Art. 33.§ 1. Onverminderd § 3, duurt de stage van een directeur twee jaar.

De toelating tot de stage voor het ambt van directeur kan enkel plaatsvinden als de betrekking van het toe te kennen ambt vacant is.

Gedurende de periode van de stage, blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het in vast verband benoemd of aangeworven is, in voorkomend geval, bij zijn oorspronkelijke inrichtende macht.

Tenzij anders is bepaald, wordt het tot de stage toegelaten personeelslid gelijkgesteld met een personeelslid dat in vast verband in het ambt van directeur benoemd of aangeworven is.

Gedurende de periode van zijn stage is de opleidingsverplichting die aan het personeelslid opgelegd wordt krachtens ofwel het decreet van 11 juli 2002 betreffende de opleiding tijdens de loopbaan voor het personeel van de inrichtingen voor gewoon basisonderwijs, ofwel het decreet van 11 juli 2002 betreffende de opleiding tijdens de loopbaan in het gespecialiseerd onderwijs, het gewoon secundair onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra en tot oprichting van een instituut voor opleidingen tijdens de loopbaan, ofwel het decreet van 30 juni 1998 met betrekking tot de bijscholing van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en het opvoedend hulppersoneel in het onderwijs voor sociale promotie, ofwel het decreet van 15 maart 1999 betreffende de opleiding tijdens de loopbaan van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het onderwijzend hulppersoneel van het kunstsecundair onderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, specifiek gericht op zijn hoedanigheid van stagedoende directeur. § 2. Op het einde van het eerste stagejaar evalueert de evaluatiecommissie bedoeld in artikel 37, of de inrichtende macht, de stagedoende directeur.

Voor de toepassing van het eerste lid, kan de inrichtende macht zich door deskundigen laten begeleiden.

De evaluatie steunt op de uitvoering van het in hoofdstuk III bedoelde opdrachtenblad en op de toepassing in de praktijk van de bevoegdheden verworven in het kader van de artikelen 13, 14 en 15.

Voor de evaluatie wordt rekening gehouden met de globale context waarin de stagedoende directeur moet werken en met de middelen die hem ter beschikking worden gesteld.

De Regering bepaalt de nadere regels volgens welke de evaluatie verloopt en stelt het model van het evaluatieverslag vast.

De evaluatie leidt tot de toekenning van één van de volgende vermeldingen : 1° « gunstig »;2° « met voorbehoud »;3° « ongunstig ». Wanneer de evaluatie leidt tot de toekenning van de vermelding « met voorbehoud », is de vermelding die naar aanleiding van de volgende evaluatie wordt toegekend, ofwel « gunstig » ofwel « ongunstig ».

De aan de stagedoende directeur toegekende vermelding wordt ter kennis van deze gebracht ofwel bij een aangetekend schrijven ofwel door de overhandiging van een schrijven met ontvangstbewijs. § 3. a) De stagedoende directeur die de vermelding « gunstig » heeft gekregen op het einde van het eerste stagejaar, wordt opnieuw geëvalueerd op het einde van het tweede stagejaar, volgens dezelfde nadere regels als in § 2.

De directeur wordt in vast verband benoemd als het de vermelding « gunstig » krijgt op het einde van die tweede evaluatie. Op aanvraag van de directeur kan de stage in dat geval met één jaar worden verlengd door de Regering of de inrichtende macht.

Er wordt van ambtswege een einde gemaakt aan de stage indien de directeur de vermelding « ongunstig » krijgt op het einde van die tweede evaluatie.

De stage van de directeur wordt met zes maanden verlengd indien de directeur de vermelding « met voorbehoud » krijgt op het einde van de tweede evaluatie. In dat geval heeft een tweede evaluatie plaats op het einde van die periode De directeur wordt in vast verband benoemd of aangeworven indien het de vermelding « gunstig » krijgt op het einde van die laatste evaluatie. In dat geval kan de stage, op aanvraag van de directeur, echter met één jaar verlengd worden door de Regering of de inrichtende macht.

Er wordt van ambtswege een einde aan de stage gemaakt indien de directeur de vermelding « ongunstig » krijgt op het einde van die laatste evaluatie. b) De stagedoende directeur die de vermelding « met voorbehoud » heeft gekregen op het einde van het eerste stagejaar, wordt opnieuw geëvalueerd op het einde van het tweede stagejaar, volgens dezelfde nadere regels als in § 2. De directeur wordt in vast verband benoemd of aangeworven indien hij de vermelding « gunstig » krijgt op het einde van die tweede evaluatie. In dat geval kan de stage echter, op aanvraag van de directeur, met één jaar verlengd worden door de Regering of de inrichtende macht.

Er wordt van ambtswege een einde gemaakt aan de stage indien de directeur de vermelding « ongunstig » krijgt op het einde van die tweede evaluatie. c) Er wordt van ambtswege een einde gemaakt aan de stage van de stagedoende directeur die de vermelding « ongunstig » heeft gekregen op het einde van het eerste stagejaar. § 4. De toekenning van een vermelding « met voorbehoud » gedurende de stage kan de Regering of de inrichtende macht ertoe leiden het opdrachtenblad aan te passen en de directeur opnieuw te wijzen op haar verwachtingen. § 5. De stagedoende directeur die een vermelding « ongunstig » toegekend krijgt, kan bij een aangetekend schrijven een bezwaarschrift indienen tegen die vermelding binnen de tien dagen na de kennisgeving ervan, naar gelang van het geval bij de raad van beroep die respectievelijk werd opgericht door : a) hoofdstuk IX, afdeling 2, van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch onderwijs, onderwijs voor sociale promotie en kunstonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen;naar gelang van het geval wordt de stagedoende directeur gehoord door het 5e, 7e, 9e of 14e comité bedoeld in artikel 136 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969; b) hoofdstuk X van het decreet van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs;c) hoofdstuk IX, afdeling 3 van het decreet van 1 februari 1993 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs. In het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs dient het personeelslid zijn beroep langs de hiërarchische weg in. In het gesubsidieerd onderwijs, geeft het de inrichtende macht onmiddellijk kennis van zijn beroep.

De procedure- en werkingsregels bedoeld bij die bepalingen zijn van toepassing op het beroep georganiseerd krachtens deze paragraaf. Een lid van de raad van beroep mag niet deelnemen aan de werkzaamheden van deze laatste voor het onderzoek van een beroep ingesteld door de stagedoende directeur belast met de directie van de inrichting waarvoor het bestemd is. In dat geval wordt het, voor het onderzoek van dat beroep, vervangen door zijn plaatsvervanger.

De in het eerste lid, a), b), of c) bedoelde raad van beroep brengt zijn advies respectief aan de Regering of aan de inrichtende macht uit binnen een maximumtermijn van één maand vanaf de datum van ontvangst van het beroep. De Regering of de inrichtende macht neemt haar beslissing en kent de evaluatievermelding aan de stagedoende directeur toe binnen een maximumtermijn van één maand te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het advies. § 6. In het gesubsidieerd vrij onderwijs, geeft de inrichtende macht de redenen voor het toekennen van een vermelding « ongunstig » aan de stagedoende directeur in de zin van artikel 3, § 11 van het voormelde decreet van 1 februari 1993. § 7. Onverminderd dit artikel, wordt het personeelslid niet als directeur in vast verband benoemd of aangeworven indien het uiterlijk op het einde van zijn stage geen titularis is van de vijf attesten voor het slagen voor de proeven bedoeld in artikel 20, § 1. In dat geval neemt het personeelslid zijn oorspronkelijke ambt en zijn oorspronkelijke affectatie definitief opnieuw waar.

In de inrichtingen die minder dan 51 leerlingen tellen, indien het personeelslid op het einde van zijn stage niet houder is van de vijf attesten voor het slagen voor de proeven bedoeld in artikel 20, § 1, wordt de stage met hoogstens één jaar verlengd. Onverminderd de andere voorwaarden voor de benoeming of aanwerving in vast verband, kan het personeelslid als directeur in vast verband worden benoemd of aangeworven zodra het houder is van de vijf slaagattesten.

Art. 34.§ 1. In het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, kan ieder personeelslid dat tot de stage wordt toegelaten of tijdelijk wordt aangeworven in een ambt van directeur, overeenkomstig artikel 35 te allen tijde van zijn aanwijzing afzien.

In dat geval neemt het personeelslid zijn oorspronkelijke ambt en zijn oorspronkelijke affectatie definitief opnieuw waar en, behalve in behoorlijk met redenen omklede uitzonderlijke omstandigheden, pas voor een nieuwe affectatie worden aangesteld nadat het geantwoord heeft op een nieuwe oproep gedaan overeenkomstig artikel 35, § 1.

In het gesubsidieerd onderwijs, kan te allen tijde een einde worden gemaakt aan de stage van de directeur op zijn aanvraag. In dat geval neemt het personeelslid zijn oorspronkelijke ambt en zijn oorspronkelijke affectatie definitief opnieuw waar.

Indien de Regering of de inrichtende macht binnen de 30 kalenderdagen vanaf de datum van de aanvraag van het personeelslid niet gereageerd heeft, wordt die aanvraag als aanvaard geacht. § 2. De Regering of de inrichtende macht kan, met het oog op de continuïteit van het leidend ambt of om de stabiliteit van de pedagogische teams niet in het gedrang te brengen, het herstellen van het personeelslid in zijn oorspronkelijke ambt en oorspronkelijke affectatie uitstellen met hoogstens 6 maanden vanaf de datum van de aanvraag van het personeelslid of de beëindiging van ambtswege van de stage. Gedurende die termijn blijft de stagedoende directeur zijn ambt als directeur uitoefenen. § 3. In het gesubsidieerd vrij onderwijs, is dit hoofdstuk van toepassing onverminderd de bepalingen van hoofdstuk VIII van het voormelde decreet van 1 februari 1993.

TITEL III. - Bepalingen die specifiek zijn voor elk net HOOFDSTUK I. - Door de Franse Gemeenschap georganiseerd onderwijs Afdeling I. - Algemene voorwaarden voor de toegang tot en de

toekenning van de betrekkingen van directeur

Art. 35.Ten minste om de twee jaar verzoekt de Regering de personeelsleden die voldoen aan de voorwaarden van artikel 8, eerste lid, 1° tot 4°, van het voormelde decreet van 4 januari 1999, en, naar gelang van het betrokken ambt, aan de voorwaarden van artikel 9, 13 of 15 van hetzelfde decreet, om hun kandidatuur in te dienen, met vermelding van de inrichtingen waarvoor zij wensen geaffecteerd te worden.

De bij het eerste lid bedoelde personeelsleden moeten houder zijn van ten minste 3 attesten voor het slagen voor de opleidingsmodules bedoeld in de artikelen 17, § 1 en 18, § 1.

Het verzoekt eveneens, voor het onderwijs voor sociale promotie, de personeelsleden die voldoen aan de voorwaarden van artikel 97 van het voormelde koninklijk besluit van 22 maart 1969, om hun kandidatuur in te dienen met vermelding van de inrichtingen waarvoor zij wensen te worden geaffecteerd.

Voor elke gekozen inrichting, worden die kandidaten gerangschikt volgens het aantal slaagattesten waarvan zij houder zijn, dan volgens hun dienstanciënniteit. Ze worden, in de volgorde van die rangschikking, eerst in de vacante betrekkingen, en, bij ontstentenis daarvan, in andere beschikbare betrekkingen aangesteld. De kandidaten mogen geen prioriteiten aangeven onder de inrichtingen waarvoor ze wensen te worden geaffecteerd.

Worden eveneens verzocht om te antwoorden op die oproep tot kandidaten, de personeelsleden die voldoen aan de voorwaarden van artikel 8, eerste lid, 1° tot 4°, van het voormelde decreet van 4 januari 1999 en niet aan de voorwaarden van het tweede lid van dit artikel en, naar gelang van het betrokken ambt, aan de voorwaarden van artikel 9, 13 of 15 van het voormelde decreet van 4 januari 1999 of, voor het onderwijs voor sociale promotie, aan de voorwaarden van artikel 97 van het voormelde koninklijk besluit van 22 maart 1969, met uitzondering van het eerste lid, 8°.

De personeelsleden die voldoen aan de voorwaarden van het 5de lid dienen hun kandidatuur in met vermelding van de inrichtingen waarvoor ze moeten worden geaffecteerd. Ze mogen geen prioriteiten aangeven onder de inrichtingen waarvoor ze wensen te worden geaffecteerd. § 2. Wanneer geen personeelslid dat voldoet aan de voorwaarden van § 1, eerste en tweede leden, of, voor het onderwijs voor sociale promotie, aan artikel 97, eerste lid, 8° van het voormelde koninklijk besluit van 22 maart 1969, zich kandidaat heeft gesteld voor een betrekking van het betrokken ambt in een inrichting, wijst de Regering een personeelslid aan onder de kandidaten bedoeld in § 1, vijfde lid.

Die kandidaten worden, voor elke gekozen inrichting, gerangschikt volgens hun dienstanciënniteit. Ze worden, volgens de volgorde van die rangschikking, eerst in de vacante betrekkingen, en, bij ontstentenis daarvan, in andere beschikbare betrekkingen aangesteld.

Bij gebrek aan kandidaten die voldoen aan de voorwaarden vastgesteld in § 1, vijfde lid, wijst de Regering een personeelslid van een inrichting van de Franse Gemeenschap aan dat voldoet aan de andere voorwaarden bedoeld in artikel 8, eerste lid, 1° tot 4° van het voormelde decreet van 4 januari 1999 of, voor het onderwijs voor sociale promotie, aan de andere voorwaarden van artikel 97 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969.

Het overeenkomstig deze paragraaf aangewezen personeelslid krijgt de voorrang boven iedere andere kandidaat voor het ambt van directeur voor de betrokken inrichting wanneer het houder van het brevet wordt en voor zover de betrekking niet intussen toegekend werd door middel van reaffectatie, wederoproeping in actieve dienst, verandering van affectatie of aanstelling van een kandidaat die houder is van het brevet in verband met het ambt. Het personeelslid bedoeld in § 3, eerste lid, heeft voorrang boven het personeelslid bedoeld bij deze paragraaf. § 3. Wanneer de betrekking die bekleed wordt door een personeelslid dat houder is van het brevet toegekend wordt door middel van reaffectatie, wederoproeping in actieve dienst of verandering van affectatie, of wanneer de titularis van de betrekking zijn ambt opnieuw uitoefent, wordt het betrokken personeelslid opnieuw geaffecteerd voor een betrekking waarvoor het zich kandidaat had gesteld, met voorrang boven iedere andere kandidaat.

Als verscheidene houders van het brevet die een onderbreking van hun affectatie hebben ondergaan overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid, zich kandidaat stellen voor eenzelfde betrekking, worden ze in de volgorde van hun dienstanciënniteit aangewezen.

Art. 36.§ 1. Het bij artikel 35 bedoelde personeelslid dat houder is van ten minste 3 attesten voor het slagen voor de opleidingsmodules bedoeld in de artikelen 17, § 1 en 18, § 1, wordt op 1 januari tot de stage toegelaten in de betrekking die het bekleedt als deze vacant is, onder voorbehoud dat het beschikbaar was voor een reaffectatie of een verandering van affectatie in vast verband in het kader van de procedure die in de vorige maand oktober werd ingesteld.

Het bij artikel 35 bedoelde personeelslid dat houder is van ten minste 3 attesten voor het slagen voor de opleidingsmodules bedoeld bij de artikelen 17, § 1, en 18, § 1 en dat niet tot de stage kan worden toegelaten in de betrekking die het bekleedt, kan zijn toelating tot de stage aanvragen in een andere vacante betrekking dan die waarvoor het geaffecteerd is, voor zover die betrekking niet is toegekend door middel van reaffectatie of verandering van affectatie of niet reeds is toegekend aan een andere titularis van het brevet. § 2. In afwijking van § 1, wordt het personeelslid dat in de zin van artikel 35, § 2, derde lid, prioritair is op de datum van 1 januari, op die datum benoemd in de betrekking die het bekleedt, als deze vacant is, onder voorbehoudt dat het beschikbaar is geweest voor een reaffectatie of een verandering van affectatie in vast verband in het kader van de procedure die in de vorige maand oktober werd ingesteld, op voorwaarde dat : 1° het tijdelijk sedert ten minste 2 jaar ononderbroken aangesteld is op de datum van 1 januari in het betrokken ambt;2° het ten minste twee evaluaties heeft gekregen, waarvan de laatste tot de toekenning van de vermelding « gunstig » heeft geleid.Daartoe, en onverminderd artikel 40, wordt het personeelslid dat prioritair is in de zin van artikel 35, § 2, derde lid, van ambtswege een eerste keer geëvalueerd op het einde van één jaar vanaf de datum van zijn aanstelling, en een tweede keer vóór de bij het eerste lid bedoelde datum van 1 januari, met toepassing van de regels die bepaald zijn in artikel 33, § 2 tot § 5; 3° het houder is van de 5 attesten voor het slagen voor de opleidingsmodules bedoeld in de artikelen 17, § 1, en 18, § 1. Het personeelslid dat voldoet aan de voorwaarden vastgesteld in het eerste lid dat niet kan worden benoemd in de betrekking die het bekleedt, kan zijn benoeming aanvragen in een andere vacante betrekking dan de betrekking waarvoor het geaffecteerd is, voor zover die betrekking niet toegekend is door middel van reaffectatie of verandering van affectatie of reeds toegekend is aan een andere houder van het brevet.

Het bij deze paragraaf bedoelde personeelslid kan echter, op zijn aanvraag, worden toegelaten tot de stage in de vacante betrekking bedoeld in het eerste lid of het tweede lid. In dat geval duurt de stage één jaar.

Het bij deze paragraaf bedoelde personeelslid wordt echter van ambtswege tot de stage toegelaten in de vacante betrekking bedoeld bij het eerste lid of bij het tweede lid indien het vóór zijn laatste evaluatie één keer de vermelding « met voorbehoud » heeft gekregen. In dat geval duurt de stage één jaar. Daarna heeft een laatste evaluatie plaats. Het personeelslid wordt benoemd in de vacante betrekking bedoeld in het eerste lid of in het tweede lid indien het de vermelding « gunstig » heeft gekregen bij die laatste evaluatie. § 3. In afwijking van § 1, wordt het personeelslid dat tijdelijk aangesteld is in een niet vacante betrekking voor een periode van meer dan 15 weken met inachtneming van artikel 35, benoemd in de betrekking die het bekleedt, indien deze betrekking vacant wordt, onder voorbehoud dat het beschikbaar is geweest voor een verandering van affectatie in vast verband in het kader van de procedure die in de vorige maand oktober werd ingesteld, op voorwaarde dat : 1° het tijdelijk ononderbroken is aangesteld sedert ten minste twee jaar op de datum van 1 januari in de betrokken betrekking : 2° het ten minste twee evaluaties heeft gekregen, waarvan de laatste tot de toekenning van de vermelding « gunstig » heeft geleid.Daartoe, en onverminderd artikel 40, wordt het personeelslid van ambtswege een eerste keer geëvalueerd op het einde van één jaar vanaf de datum van zijn aanstelling, en een tweede keer vóór de bij het eerste lid bedoelde datum van 1 januari één jaar na die eerste evaluatie, met toepassing van de regels die bepaald zijn in artikel 33, § 2 tot § 5; 3° het houder is van het brevet. Het bij deze paragraaf bedoelde personeelslid kan echter, op zijn aanvraag, tot de stage worden toegelaten in de bij het eerste lid bedoelde betrekking. In dat geval duurt de stage één jaar.

Het bij deze paragraaf bedoelde personeelslid wordt echter van ambtswege tot de stage toegelaten in de vacante betrekking bedoeld bij het eerste lid indien het vóór zijn laatste evaluatie één keer de vermelding « met voorbehoud » heeft gekregen. In dat geval duurt de stage één jaar. Daarna heeft een laatste evaluatie plaats. Het personeelslid wordt benoemd in de vacante betrekking bedoeld in het eerste lid of in het tweede lid indien het de vermelding « gunstig » heeft gekregen bij die laatste evaluatie. Afdeling II. - Commissie voor de evaluatie van de directeurs

Art. 37.§ 1. Er wordt een commissie voor de evaluatie van de directeurs opgericht, hierna « de commissie » genoemd.

De commissie is samengesteld als volgt : 1° 4 ambtenaren-generaal of hun afgevaardigden;2° een inspecteur-generaal of zijn afgevaardigde;3° a) 3 opdrachthouders, belast met het coördineren van de zone, onder wie die van de betrokken zone, aangesteld door de Regering, wanneer de Commissie haar opdrachten uitoefent in verband met een personeelslid van het secundair onderwijs;b) 3 voorzitters van zones van het basisonderwijs onder wie die van de betrokken zone, aangesteld door de Regering, wanneer de Commissie haar opdrachten uitoefent in verband met een personeelslid van het basisonderwijs. Wanneer de commissie haar opdrachten uitoefent in verband met de voorzitter van een zone, stelt de Regering een andere zonevoorzitter tot lid van de commissie aan.

De afgevaardigden van de ambtenaren-generaal bedoeld in punt 1° van het tweede lid zijn ambtenaren van ten minste rang 12. De afgevaardigde van de inspecteur-generaal bedoeld in punt 2° is een inspecteur die een ambt van directeur heeft uitgeoefend, behalve bij verhindering. c) 3 zonevoorzitters van het onderwijs voor sociale promotie, onder wie die van de betrokken zone, aangesteld door de Regering, wanneer de commissie haar opdrachten in verband met een personeelslid van het onderwijs voor sociale promotie uitoefent. § 2. De Regering stelt de leden van de Commissie bedoeld in de punten 2° en 3° aan op de voordracht van de ambtenaar-generaal die ze aanwijst. § 3. De Commissie wordt voorgezeten door een ambtenaar-generaal die door de Regering wordt aangesteld. Bij afwezigheid wijst de voorzitter één van de andere ambtenaren-generaal bedoeld in § 1, 1° aan, om hem te vervangen. § 4. De Commissie wordt door een secretariaat bijgestaan, dat wordt waargenomen door één of verschillende personeelsleden van de Diensten van de Regering. § 5. De Commissie neemt haar beslissingen bij meerderheid van de aanwezige leden. Bij staking van stemmen, is die van de voorzitter beslissend. § 6. Op de voordracht van de commissie, stelt de Regering de andere nadere regels voor haar werking alsook haar huishoudelijk reglement vast. § 7. Wanneer de commissie zich uitspreekt over het dossier van een directeur die zijn ambt in het onderwijs voor sociale promotie uitoefent, is één van de ambtenaren-generaal bedoeld in § 1, 1° een vertegenwoordiger van het onderwijs voor sociale promotie, terwijl de coördinerende inspecteur de inspecteur-generaal of diens afgevaardigde bedoeld in § 1, 5° vervangt.

Art. 38.De Commissie is bevoegd in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs : a) om een voorstel van opdrachtenblad op te stellen en aan de Regering over te zenden, overeenkomstig artikel 30;b) om de stagedoende directeurs te evalueren, overeenkomstig artikel 33;c) om de evaluatie uit te voeren van de benoemde directeurs en van de personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn in een ambt van directeur voor een periode die gelijk is aan of langer is dan één jaar, of waarvan de aanstellingsduur ten minste één jaar heeft bereikt, overeenkomstig afdeling 3 van dit hoofdstuk;d) voor de voorafgaande goedkeuring van het opdrachtenblad dat, overeenkomstig artikel 28 ter van het voormelde decreet van 4 januari 1999, toegewezen wordt aan de personeelsleden bedoeld in artikel 28bis van hetzelfde decreet. Afdeling III. - Evaluatie van de opleiding van de directeurs

Art. 39.Die afdeling is van toepassing op de in vast verband benoemde directeurs.

Ze is eveneens van toepassing op het personeelslid dat tijdelijk aangesteld is in het ambt van directeur voor een periode die gelijk is aan of langer is dan één jaar, of voor een aanstelling waarvan de duur ten minste één jaar bereikt. De benaming « directeur » bedoeld bij deze afdeling geldt ook voor dat personeelslid.

Art. 40.Om de vijf jaar, vanaf de datum van zijn benoeming in vast verband of van zijn aanstelling in tijdelijk verband, wordt iedere directeur geëvalueerd door de commissie voor de evaluatie van de directeurs bedoeld in artikel 37.

Als de Regering dit nuttig acht, kan zij de commissie opdracht geven de directeur vroeger te evalueren.

De directeur mag echter niet meer dan twee keer per periode van tien jaar worden geëvalueerd.

Art. 41.De evaluatie steunt op de uitvoering van het opdrachtenblad bedoeld in hoofdstuk III van titel I en, in voorkomend geval, op de praktische toepassing van de bevoegdheden verworven in het kader van de artikelen 13, 14 en 15.

Ze houdt rekening met de globale context waarin de directeur moet werken en met de middelen die hem ter beschikking worden gesteld.

De evaluatiecommissie houdt inzonderheid rekening met de bepalingen van het voormelde decreet van 24 juli 1997 voor het leerplichtonderwijs en van het voormelde decreet van 16 april 1991 voor het onderwijs voor sociale promotie, met het opvoedingsproject, het pedagogisch project en het inrichtingsproject.

Art. 42.Op grond van die evaluatie, beslist de Regering in onderlinge overeenstemming met de directeur, op de voordracht van de commissie voor de evaluatie van de directeurs na het evaluatiegesprek, over de aan te brengen verbeteringen.

Art. 43.Met een opzeggingstermijn van veertien dagen kan de Regering een einde maken aan de aanstelling van een personeelslid dat tijdelijk aangesteld is in een ambt van directeur.

Voordat de Regering een beslissing neemt, moet het personeelslid uitgenodigd zijn om zich te laten horen door de administrateur-generaal van het bestuur onderwijs en wetenschappelijk onderzoek of diens afgevaardigde.

Van de oproeping voor de hoorzitting alsook van de redenen waarom de Regering van plan is om een einde te maken aan de aanstelling van het personeelslid, wordt hem ten minste vijf werkdagen vóór de hoorzitting kennis gegeven ofwel bij een ter post aangetekend schrijven ofwel door de overhandiging van een schrijven met ontvangstbewijs. Bij de hoorzitting, kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger gekozen uit de personeelsleden die in actieve dienst of in ruste gesteld zijn in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs of door een vertegenwoordiger van een vakorganisatie die de personeelsleden van het onderwijs van de Franse Gemeenschap vertegenwoordigt en aangesloten is bij organisaties die in de Nationale Arbeidsraad zitting hebben. Van de hoorzitting wordt een proces-verbaal opgemaakt.

De procedure wordt geldig voortgezet wanneer het behoorlijk opgeroepen personeelslid zich niet bij de hoorzitting aanmeldt of er niet vertegenwoordigd wordt.

De Regering neemt haar beslissing binnen de tien dagen na de overzending van het proces-verbaal dat opgemaakt is door de administrateur-generaal van het bestuur onderwijs en wetenschappelijk onderzoek of diens afgevaardigde. Afdeling IV. - Overgang tussen bevorderingsambten, selectieambten en

wervingsambten

Art. 44.In artikel 14ter, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch onderwijs, onderwijs voor sociale promotie en kunstonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, gewijzigd bij het decreet van 29 maart 2001, wordt een punt 7° toegevoegd, luidend als volgt : « 9° inzake nieuwe affectatie, overeenkomstig artikel 50, § 2, b), § 3 en § 4. ».

Art. 45.In artikel 14quater, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het decreet van 29 maart 2001, wordt een punt 6° toegevoegd, luidend als volgt : « 6° inzake nieuwe affectatie, overeenkomstig artikel 50, § 2, a), § 4 en § 5, a). ».

Art. 46.In artikel 46, § 3 van hetzelfde besluit, vervangen door het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 10 juni 1993, wordt het volgende lid toegevoegd : « Er mag geen nieuwe affectatie in een wervingsambt overeenkomstig artikel 50 worden toegekend in een betrekking die door een prioritaire tijdelijke wordt bekleed. ».

Art. 47.Artikel 49 van hetzelfde besluit, opgeheven door het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 10 juni 1993 en weder ingevoerd bij het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 4 juli 1994, wordt aangevuld met de volgende woorden : « en op het personeelslid bedoeld in artikel 50, § 5, a) ».

Art. 48.Art. 50 van hetzelfde besluit, opgeheven bij het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 10 juni 1993, wordt weder ingevoerd en ingevoegd in een nieuwe afdeling 3 bis, luidend als volgt : « Afdeling 3bis. - Overgang tussen wervingsambten, selectieambten en bevorderingsambten

Art. 50.§ 1. Een personeelslid dat in vast verband benoemd is in een selectieambt of een bevorderingsambt kan, op zijn aanvraag, een nieuwe affectatie krijgen in een vacante betrekking van een wervingsambt, een selectieambt of een bevorderingsambt dat toegang verleent tot zijn huidige ambt.

Het personeelslid dat dit stelsel geniet, kan zich niet meer kandidaat stellen voor de uitoefening van het ambt dat het heeft verlaten, behoudens afwijking verantwoord door uitzonderlijke omstandigheden en toegekend door de Regering, gedurende een termijn van 10 jaar te rekenen vanaf de dag waarop zijn in § 2 bepaalde aanvraag wordt ingediend. § 2. a) Het personeelslid dat een nieuwe affectatie overeenkomstig § 1 wenst te bekomen in een wervingsambt of een selectieambt, in een inrichting van de zone waarin het geaffecteerd is, dient, bij aangetekend schrijven, een met uitzonderlijke redenen omklede aanvraag in bij de Regering in de loop van de maand januari. Het zendt er een afschrift van aan de voorzitter van de bevoegde zonale affectatiecommissie over.

De Regering kent de nieuwe affectatie toe indien het personeelslid alle voorwaarden voor de toegang tot het betrokken ambt vervult en na het gunstig advies van voornoemde commissie te hebben ingewonnen.

Die nieuwe affectatie is geldig vanaf 1 juli eerstkomende. b) Het personeelslid dat een nieuwe affectatie overeenkomstig § 1 wenst te bekomen in een wervingsambt of een selectieambt, in een inrichting van een andere zone, dient, bij aangetekend schrijven, een met uitzonderlijke redenen omklede aanvraag in bij de Regering in de loop van de maand januari.Het zendt er een afschrift van aan de voorzitter van de bevoegde interzonale affectatiecommissie over.

De Regering kent de nieuwe affectatie toe indien het personeelslid alle voorwaarden voor de toegang tot het betrokken ambt vervult en na het gunstig advies van voornoemde commissie te hebben ingewonnen.

Die nieuwe affectatie is geldig vanaf 1 juli eerstkomende. c) Het bij deze paragraaf bedoelde personeelslid aan wie de Regering een nieuwe affectatie in een wervingsambt overeenkomstig § 1 toekent, wordt in dienst geroepen, alvorens als prioritaire tijdelijke te worden aangesteld, zoals bepaald in artikel 37. § 3. Het personeelslid dat overeenkomstig paragraaf 1 een nieuwe affectatie wenst te bekomen in een ander bevorderingsambt dan dat waarin het in vast verband benoemd is in een inrichting van dezelfde zone of van een andere zone, dient, bij aangetekend schrijven, een met uitzonderlijke redenen omklede aanvraag in bij de Regering in de loop van de maand oktober. Het zendt er een afschrift van aan de voorzitter van de bevoegde interzonale affectatiecommissie.

De Regering kent de nieuwe affectatie toe indien het personeelslid alle voorwaarden voor de toegang tot het betrokken ambt vervult en na het gunstig advies van voornoemde commissie te hebben gekregen.

Die nieuwe affectatie is geldig vanaf 1 januari eerstkomende.

Deze paragraaf is niet van toepassing op het personeel van de inspectiedienst. § 4. Een nieuwe affectatie overeenkomstig § 1 kan voorlopig worden uitgevoerd in een niet vacante betrekking, indien die betrekking wordt vrijgemaakt voor ten minste één schooljaar.

De nieuwe affectatie in een niet vacante betrekking wordt uitgevoerd volgens de regels die respectievelijk in § 2 en in § 3 nader bepaald zijn. § 5. Het personeelslid dat de toepassing van § 4 heeft genoten, wordt binnen de inrichting definitief geaffecteerd in een vacante betrekking van het ambt : a) op 1 september die volgt op de kennisgeving bedoeld in artikel 17bis, voor zover de zonale affectatiecommissie en de interzonale affectatiecommissie vergaderd zijn tussen de datum van voormelde kennisgeving en 1 september, indien de nieuwe affectatie in een wervingsambt plaatsvindt;b) op de eerste dag van de maand volgend op de kennisgeving bedoeld in artikel 17bis, indien de nieuwe affectatie in een selectieambt of een bevorderingsambt plaatsvindt. § 6. De betrekking waarvan een overeenkomstig § 4 geaffecteerd personeelslid titularis was, is vacant, indien dat lid die betrekking niet na twee opeenvolgende schooljaren opnieuw bekleedt. Van de vacantverklaring wordt overeenkomstig artikel 17 bis opnieuw kennis gegeven.

Artikel 50.Het personeelslid bedoeld in artikel 50 krijgt de weddeschaal toegekend van het ambt waarin het overeenkomstig die bepaling geaffecteerd is.

Het personeelslid bedoeld in artikel 50, dat gedurende ten minste 10 jaar het selectieambt of het bevorderingsambt dat het verlaat, heeft uitgeoefend, geniet echter een degressief weddeschaalstelsel, om, vanaf het derde jaar, de weddeschaal te genieten van het ambt waarin het overeenkomstig artikel 50 geaffecteerd is, die vastgesteld is als volgt : a) in de loop van het eerste jaar volgend op zijn nieuwe affectatie, geniet het personeelslid de weddeschaal van het ambt waarin het geaffecteerd is, vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan 66 % van het verschil tussen, enerzijds, de weddeschaal die het in het ambt dat het heeft verlaten, genoot, en, anderzijds, de weddeschaal van het ambt waarin het geaffecteerd is;b) in de loop van het tweede jaar volgend op zijn nieuwe affectatie, geniet het personeelslid de weddeschaal van het ambt waarin het geaffecteerd is, vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan 33 % van het verschil tussen, enerzijds, de weddeschaal die het in het ambt dat het heeft verlaten, genoot, en, anderzijds, de weddeschaal van het ambt waarin het geaffecteerd is.»

Art. 49.Artikel 78, derde lid, van hetzelfde besluit wordt aangevuld met de volgende woorden : « of met toepassing van artikel 50. ».

Art. 50.Artikel 92, tweede lid, van hetzelfde besluit wordt aangevuld met de volgend woorden : « of bij toepassing van artikel 50. » Afdeling V. - Wijzigingsbepalingen

Art. 51.In het voormelde koninklijk besluit van 22 maart 1969 worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) artikel 78, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 16 februari 1983, bij het besluit van de Executieve van 24 augustus 1992 en bij het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 10 juni 1993, wordt aangevuld met de volgende leden : « Mits een opzeggingstermijn van veertien dagen, kan de Regering, ofwel op voorstel van de directeur, ofwel op eigen initiatief, een einde maken aan de tijdelijke aanstelling van een personeelslid dat een selectieambt uitoefent. Vóór elke beslissing van de Regering, moet het personeelslid uitgenodigd worden zich te laten horen door de ambtenaar-generaal die door de Regering of zijn afgevaardigde wordt aangewezen, wanneer de beslissing op eigen initiatief wordt genomen, door de directeur, wanneer deze het initiatief voor dat voorstel heeft genomen.

Van de oproeping voor de hoorzitting, alsook van de redenen waarom de Regering van plan is een einde te maken aan de aanstelling van het personeelslid of waarom de directeur daar een voorstel van aan de Regering wenst te richten, wordt hem ten minste vijf werkdagen vóór de hoorzitting kennis gegeven ofwel bij een ter post aangetekend schrijven, ofwel bij overhandiging van een brief met ontvangstbewijs.

Bij de hoorzitting kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger gekozen uit de personeelsleden die in actieve dienst zijn of in ruste gesteld zijn in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, of door een vertegenwoordiger van een vakvereniging die de personeelsleden van het onderwijs van de Franse Gemeenschap vertegenwoordigt en aangesloten is bij organisaties die zitting hebben in de Nationale Arbeidsraad. Van de hoorzitting wordt een proces-verbaal opgemaakt. De procedure wordt geldig voortgezet wanneer het behoorlijk opgeroepen personeelslid zich niet bij de hoorzitting aanmeldt of er niet vertegenwoordigd wordt.

Wanneer het voorstel door de directeur wordt gedaan, wordt het gelijktijdig aan het personeelslid voorgelegd. Het voorstel wordt door dat personeelslid geviseerd en gedateerd. Het bezorgt het op dezelfde dag terug. Als het meent dat het voorstel niet gegrond is, viseert het dat voorstel dienovereenkomstig, dateert het en bezorgt het binnen dezelfde termijn terug. De directeur zendt het voorstel op dezelfde dag aan de Regering over.

De Regering neemt haar beslissing binnen de 10 dagen na die overzending of na de overzending van het proces-verbaal dat opgemaakt wordt door de administrateur-generaal van Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek of diens afgevaardigde. » b) Het eerste lid van artikel 83, zoals gewijzigd bij het decreet van 3 maart 2004, wordt gewijzigd als volgt : 1.in 3°bis, worden de woorden « 3 000 dagen » vervangen door de woorden « 1 800 dagen »; 2. in 4°, worden de woorden « 1 800 dagen » vervangen door de woorden « 600 dagen ».c) De artikelen 78 tot 91 van hoofdstuk VII, zoals gewijzigd bij het besluit van de Regering van 10 juni 1993, maken een afdeling uit waarvan het opschrift « Afdeling 1 - Algemene bepalingen » luidt.d) Tussen artikel 91 en artikel 92 wordt een afdeling 2, met als opschrift « Afdeling 2.- Opdrachtenblad en evaluatie van sommige selectieambten van het onderwijs voor sociale promotie » ingevoegd, luidend als volgt : « Afdeling 2. - Opdrachtenblad en evaluatie van sommige selectieambten van het onderwijs voor sociale promotie.

Artikel 91bis.§ 1. Deze afdeling is van toepassing op de personeelsleden die titularis zijn van een selectieambt zoals bedoeld in artikel 6 ter, 6°, b, van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 2 oktober 1968 tot vaststelling en rangschikking van de ambten der leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel, van het psychologisch personeel, van het maatschappelijk personeel der inrichtingen voor voorschools, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch, kunstonderwijs en hoger onderwijs buiten de universiteit van de Franse Gemeenschap en de ambten der personeelsleden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen in het onderwijs met volledig leerplan. § 2. Voor de toepassing van deze afdeling, dient onder « directeur » te worden verstaan, het personeelslid dat, in welke hoedanigheid ook, titularis is van het bevorderingsambt van directeur van een inrichting voor sociale promotie zoals bepaald in artikel 6 ter, 6°, a van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 2 oktober 1968 tot vaststelling en rangschikking van de ambten der leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel, van het psychologisch personeel, van het maatschappelijk personeel der inrichtingen voor voorschools, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch, kunstonderwijs en hoger onderwijs buiten de universiteit van de Franse Gemeenschap en de ambten der personeelsleden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen in het onderwijs met volledig leerplan.

Onderafdeling I. - Opdrachtenblad

Artikel 91ter.Zodra het personeelslid bedoeld in artikel 91 bis van dit besluit in dienst is getreden, wijst de directeur hem een opdrachtenblad toe, dat door de evaluatiecommissie bedoeld in artikel 37 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs vooraf wordt goedgekeurd.

De directeur bepaalt er de opdrachten van het personeelslid bedoeld in artikel 91bis en de prioriteiten die hem worden toegewezen, op grond van de behoeften van de inrichting waarin het wordt geaffecteerd en op grond van de doelstellingen die vervat zijn in het opdrachtenblad dat deze laatste zelf heeft gekregen, overeenkomstig hoofdstuk III van titel II van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.

Artikel 91 quater. § 1. Het opdrachtenblad heeft een geldigheidsduur van zes jaar. § 2. De inhoud van het opdrachtenblad kan vóór het einde van die termijn, ten vroegste na twee jaar, worden gewijzigd door de directeur, op grond van de evolutie van de behoeften en de werking van de inrichting.

In afwijking van artikel 1, kan de inhoud van het opdrachtenblad vóór het einde van zijn geldigheidsduur worden gewijzigd, in onderlinge overeenstemming tussen de directeur en het personeelslid bedoeld in artikel 91bis.

Artikel 91quinquies.§ 1. In afwijking van artikel 91ter, eerste lid, kan de directeur, in voorkomend geval, een opdrachtenblad toewijzen aan het personeelslid dat tijdelijk is aangesteld voor de uitoefening van een ambt bedoeld in artikel 91bis van dit decreet.

De directeur wijst van ambtswege een opdrachtenblad toe aan het personeelslid dat tijdelijk is aangesteld voor de uitoefening van een ambt bedoeld in artikel 91bis voor een periode die langer is dan of gelijk is aan één jaar, of waarvan de aanstellingsduur ten minste één jaar heeft bedragen. § 2. Het in dit artikel bedoelde opdrachtenblad kan tot doel hebben het opdrachtenblad te bevestigen van het in artikel 91bis bedoelde personeelslid dat wordt vervangen of een nieuw document op te stellen.

Onderafdeling II. - Opleidingsevaluatie

Artikel 91sexies.Deze afdeling is van toepassing op het in vast verband benoemde personeelslid.

Ze is eveneens van toepassing op het personeelslid dat tijdelijk wordt aangesteld bij de uitoefening van een ambt bedoeld in artikel 91bis voor een periode die gelijk is aan of langer is dan één jaar, of waarvan de aanstellingsduur ten minste één jaar heeft bedragen. De benaming « personeelslid » bedoeld in deze afdeling geldt ook voor dat personeelslid.

Artikel 91septies.Om de vijf jaar vanaf zijn benoeming in vast verband of zijn aanstelling in tijdelijk verband, wordt ieder personeelslid gezamenlijk geëvalueerd door de directeur en de evaluatiecommissie bedoeld in artikel 37 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.

Als deze dit nuttig acht, kan hij het personeelslid vroeger evalueren.

Onverminderd artikel 91octies, kan het personeelslid echter niet meer dan twee keer per periode van tien jaar worden geëvalueerd.

Artikel 91octies.De evaluatie berust op de uitvoering van het opdrachtenblad bedoeld in afdeling I van dit hoofdstuk en, in voorkomend geval, op de praktische toepassing van de bevoegdheden verworven in het kader van de bij dit besluit bedoelde opleidingen.

Bij die evaluatie wordt rekening gehouden met de globale context waarin het personeelslid moet werken en met de middelen die ter beschikking worden gesteld.

Artikel 91novies.Op grond van die evaluatie beslist de directeur in onderlinge overeenstemming met het personeelslid over de aan te brengen verbeteringen. » a) Artikel 92, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 16 februari 1983, bij het besluit van de Executieve van 24 augustus 1992 en bij het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 10 juni 1993 wordt aangevuld als volgt : « Mits een opzeggingstermijn van 14 dagen, kan de Regering een einde maken aan de aanstelling van een tijdelijk aangesteld personeelslid dat een bevorderingsambt uitoefent. Voordat de Regering een beslissing neemt, moet het personeelslid worden uitgenodigd zich te laten horen door de ambtenaar-generaal die door de Regering of diens afgevaardigde wordt aangesteld.

Van de oproeping voor de hoorzitting, alsook van de redenen waarom de directeur van plan is een einde te maken aan de aanstelling van het personeelslid, wordt hem ten minste vijf werkdagen vóór de hoorzitting kennis gegeven ofwel bij een ter post aangetekend schrijven, ofwel bij overhandiging van een brief met ontvangstbewijs. Bij de hoorzitting kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger gekozen uit de personeelsleden die in actieve dienst zijn of in ruste gesteld zijn in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, of door een vertegenwoordiger van een vakvereniging die de personeelsleden van het onderwijs van de Franse Gemeenschap vertegenwoordigt en aangesloten is bij organisaties die zitting hebben in de Nationale Arbeidsraad. Van de hoorzitting wordt een proces-verbaal opgemaakt. De procedure wordt geldig voortgezet wanneer het behoorlijk opgeroepen personeelslid zich niet bij de hoorzitting aanmeldt of er niet vertegenwoordigd wordt.

De Regering neemt haar beslissing binnen de tien dagen na de overzending van het proces-verbaal dat werd opgesteld door de door de Regering aangestelde ambtenaar-generaal, of diens afgevaardigde. » b) In artikel 94, § 1, zoals gewijzigd bij het decreet van 1 januari 2005, wordt een nieuw tweede lid ingevoegd, luidend als volgt : « In afwijking van het vorige lid, kan het personeelslid dat titularis is van een bevorderingsambt een verandering van affectatie pas aanvragen nadat het zijn ambt in de betrekking die het bekleedt, gedurende een periode van drie jaar heeft uitgeoefend.» c) Artikel 97, zoals gewijzigd bij het decreet van 3 maart 2004, wordt gewijzigd als volgt : - in het eerste lid, 3°, worden de woorden « 3 000 dagen » vervangen door de woorden « 2 400 dagen »; - in het eerste lid, 8°, worden de woorden « of wat betreft de personeelsleden die in vast dienstverband benoemd werden in het onderwijs met volledig leerplan bedoeld in het derde lid, van het brevet van prefectstudie en van directeur » geschrapt; - het derde lid wordt geschrapt.

Art. 52.In het voormelde decreet van 4 januari 1999 worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) artikel 7 wordt opgeheven;b) in het eerste lid van artikel 8, worden de woorden « houder van het bekwaamheidsbewijs vereist voor het ambt waarvoor het benoemd is » vervangen door de woorden « houder van een bekwaamheidsbewijs vereist voor de uitoefening van een ambt dat toegang verschaft tot het betrokken bevorderingsambt of selectieambt.»; c) artikel 8, eerste lid, 1°, wordt vervangen door de volgende bepaling : « 1° een ambt uitoefenen waarin ten minste de helft van het minimum aantal uren zijn begrepen vereist om een ambt met volledige dagtaak te vormen » d) artikel 8, eerste lid, 2°, wordt vervangen door de volgende bepaling : « 2° de volgende dienstanciënniteit en ambtsanciënniteit tellen : - voor de toegang tot een selectieambt, respectievelijk zes jaar en twee jaar; - voor de toegang tot een bevorderingsambt, respectievelijk acht jaar en zes jaar. » e) In artikel 10, eerste lid, 2°, worden de woorden « houder zijn van het bekwaamheidsbewijs vereist voor dit wervingsambt » vervangen door de woorden « houder van een bekwaamheidsbewijs vereist voor de uitoefening van een wervingsambt bedoeld in 1° »;f) In artikel 11, 2°, worden de woorden « houder zijn van het bekwaamheidsbewijs vereist voor dit wervingsambt » vervangen door de woorden « houder van een bekwaamheidsbewijs vereist voor de uitoefening van een wervingsambt bedoeld in 1° »;g) In artikel 12, 2°, worden de woorden « houder van het bekwaamheidsbewijs vereist voor het in 1° bedoelde ambt » vervangen door de woorden « houder van een bekwaamheidsbewijs voor de uitoefening van een ambt bedoeld in 1° »;h) In artikel 12 bis, 2°, worden de woorden « houder van het bekwaamheidsbewijs vereist voor het in 1° bedoelde ambt » vervangen door de woorden « houder van een bekwaamheidsbewijs vereist voor de uitoefening van een ambt bedoeld in 1° »;i) In artikel 13, eerste lid, 2°, worden de woorden « houder van het bekwaamheidsbewijs vereist voor het in 1° bedoelde ambt » vervangen door de woorden « houder van een bekwaamheidsbewijs vereist voor de uitoefening van een ambt bedoeld in 1° »;j) In artikel 13, tweede lid, worden de woorden « van het bekwaamheidsbewijs van geaggregeerde van het lager secundair onderwijs of van een bekwaamheidsbewijs van het hoger niveau van de tweede graad » vervangen door de woorden « van een bekwaamheidsbewijs van het hoger niveau »;k) In artikel 14, 2°, worden de woorden « houder van het bekwaamheidsbewijs vereist voor het in 1° bedoelde ambt vervangen door de woorden « houder van een bekwaamheidsbewijs vereist voor de uitoefening van een ambt bedoeld in 1° »;l) In artikel 15, 2°, worden de woorden « houder van het bekwaamheidsbewijs vereist voor het in 1° bedoelde ambt » vervangen door de woorden « houder van een bekwaamheidsbewijs voor de uitoefening van een ambt bedoeld in 1° »;m) In artikel 15, 3°, worden de woorden « van de tweede graad of van het bekwaamheidsbewijs van geaggregeerde van het lager secundair onderwijs » geschrapt;n) artikel 18 wordt aangevuld met het volgende lid : « Dit artikel is niet van toepassing op de ambten van directeur zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 1° van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.». o) In artikel 19, eerste lid, worden de woorden « van directeur van een kleuterschool, directeur van een lagere school, directeur van een basisschool », « van studieprefect of directeur » en « van directeur in het lager secundair onderwijs » geschrapt.p) In artikel 22, wordt een § 5 toegevoegd, luidend als volgt : « § 5.De vaste commissie vervult eveneens de functies die haar worden toegewezen overeenkomstig hoofdstuk II van Titel II van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs ». q) In artikel 23, wordt het vierde lid vervangen door de volgende bepaling : « Ieder personeelslid wordt toegelaten tot de opleiding waarvoor het wenst zich in te schrijven, behalve als de betrokkene, op de datum van de indiening van zijn aanvraag om deelneming, niet of niet meer voldoet aan alle voorwaarden opgesomd in artikel 8, eerste lid, met uitzondering van punt 6°, of in het tweede lid, 1° en 2° van hetzelfde artikel.De in artikel 8, eerste lid, 2° bedoelde dienstanciënniteit vereist voor de toelating tot de opleiding is vier jaar voor de opleidingen die toegang verschaffen tot een selectieambt en 6 jaar voor de opleidingen die toegang verschaffen tot een bevorderingsambt. » r) In artikel 24, zesde lid, worden de woorden « van niveau 1 » vervangen door de woorden « van ten minste niveau 2 »;s) In artikel 25, worden de eerste en tweede leden geschrapt;t) Artikel 26 wordt vervangen door de volgende bepaling : « De personeelsleden die voor de drie proeven slagen, zijn houder van het brevet in verband met het ambt ».u) In artikel 28, § 1, worden de woorden « bij artikel 27 » vervangen door de woorden « bij de artikelen 9, 13, 15 en 27 ».v) Artikel 28, § 1, zesde lid wordt aangevuld als volgt : « De Regering kan, om de continuïteit in het selectieambt of het bevorderingsambt te verzekeren of om de stabiliteit van de pedagogische teams niet in het gedrang te brengen, de reïntegratie van het personeelslid in zijn oorspronkelijke ambt met hoogstens 6 maanden uitstellen vanaf de datum van de indiening van de aanvraag van het personeelslid.» w) Er wordt een hoofdstuk IV bis ingevoegd, luidend als volgt : « Hoofdstuk IVbis.- Opdrachtenblad en evaluatie van sommige bevorderingsambten en selectieambten

Artikel 28bis.§ 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de personeelsleden die titularis zijn van een bevorderingsambt of een selectieambt zoals bedoeld in artikel 4, 3° en in artikel 5, 1° en 2° van dit decreet alsook in artikel 5, 1° en 2° van dit decreet alsook in artikel 7, c, 12° van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 2 oktober 1968 tot vaststelling en rangschikking van de ambten der leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel, van het psychologisch personeel, van het maatschappelijk personeel der inrichtingen voor voorschools, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch, kunstonderwijs en hoger onderwijs buiten de universiteit van de Franse Gemeenschap en de ambten der personeelsleden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen in het onderwijs met volledig leerplan. § 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk dient onder « directeur » te worden verstaan, het personeelslid dat, in welke hoedanigheid dan ook, titularis is van het bevorderingsambt van directeur van een kleuterschool, directeur van een lagere school, directeur van een basisschool, directeur van het lager secundair onderwijs, of studieprefect, of directeur, zoals opgesomd in de artikelen 3 en 4, 1° en 2° van dit decreet. § 3. Voor de toepassing van dit hoofdstuk op de bestuurders, dient onder « commissie » te worden verstaan, de evaluatiecommissie bedoeld in artikel 37 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs, met uitzondering van artikel 28ter, waarin er, onder directeur, moet worden verstaan, de Regering van de Franse Gemeenschap, op voorstel van de evaluatiecommissie Afdeling I. - Opdrachtenblad

Artikel 28ter.Zodra het personeelslid bedoeld in artikel 28bis van dit decreet in dienst treedt, wijst de directeur hem een opdrachtenblad toe, vooraf goedgekeurd door de evaluatiecommissie bedoeld in artikel 37 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.

De directeur bepaalt er de opdrachten van het personeelslid bedoeld in artikel 28bis en de prioriteiten die hem worden toegewezen, rekening houdend met de opleidingsprofielen vermeld in het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 4 juli 2002 tot bepaling van de bevoegdheden en ambtsprofielen van de titularissen van een bevorderings- en selectieambt bij toepassing van artikel 18 van het decreet van 4 januari 1999 betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten volgens de behoeften van de inrichting waarin het aangesteld is en de doelstellingen die vervat zijn in het opdrachtenblad dat het gekregen heeft, overeenkomstig hoofdstuk III van titel II van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.

Artikel 28quater.§ 1. Het opdrachtenblad heeft een geldigheidsduur van zes jaar. § 2. De inhoud van het opdrachtenblad kan vóór het einde van zijn geldigheidsduur, ten vroegste na twee jaar, worden gewijzigd door de directeur op grond van de evolutie van de behoeften en van de werking van de inrichting.

In afwijking van het eerste lid, kan de inhoud van het opdrachtenblad vóór het einde van zijn geldigheidsduur, in onderlinge overeenstemming tussen de directeur en het personeelslid bedoeld in artikel 28bis, worden gewijzigd.

Artikel 28quinquies.§ 1. In afwijking van artikel 28ter, eerste lid, kan de directeur, in voorkomend geval, een opdrachtenblad toewijzen aan het personeelslid dat tijdelijk wordt aangesteld voor de uitoefening van een ambt bedoeld in artikel 28bis van dit decreet.

De directeur wijst van ambtswege een opdrachtenblad toe aan het personeelslid dat tijdelijk aangesteld wordt voor de uitoefening van een ambt bedoeld in artikel 28bis voor een periode die gelijk is aan of langer is dan één jaar, of wiens aanstellingsduur ten minste één jaar heeft bereikt. § 2. Het opdrachtenblad bedoeld bij dit artikel kan tot doel hebben het opdrachtenblad van het vervangen personeelslid bedoeld in artikel 28bis te bevestigen of een nieuw document op te stellen. Afdeling II. - Opleidingsevaluatie

Artikel 28sexies.Deze afdeling is van toepassing op het in vast verband benoemde personeelslid.

Ze is eveneens van toepassing op het personeelslid dat in tijdelijk verband wordt aangesteld voor de uitoefening van een ambt bedoeld in artikel 28bis voor een periode die gelijk is aan of langer is dan één jaar, of wiens aanstellingsduur ten minste één jaar heeft bereikt. De benaming « personeelslid » bedoeld in deze afdeling geldt eveneens voor dat personeelslid.

Artikel 28septies.Om de vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van zijn benoeming in vast verband of van zijn tijdelijke aanstelling, wordt ieder personeelslid gezamenlijk geëvalueerd door de directeur en de evaluatiecommissie bedoeld in artikel 37 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.

Als deze dit nuttig acht, kan hij het personeelslid vroeger evalueren.

Onverminderd artikel 28 octies kan het personeelslid echter niet meer dan twee keer per periode van tien jaar worden geëvalueerd.

Artikel 28 octies De evaluatie steunt op de uitvoering van het opdrachtenblad bedoeld in afdeling I van dit hoofdstuk en, in voorkomend geval, op de praktische toepassing van de bevoegdheden verworven in het kader van de opleidingen bedoeld bij dit decreet.

Bij die evaluatie wordt rekening gehouden met de globale context waarin het personeelslid moet werken en met de middelen die ter beschikking worden gesteld.

Artikel 28novies oe Op grond van die evaluatie, beslist de directeur in onderlinge overeenstemming met het personeelslid over de aan te brengen verbeteringen. » x) Artikel 43 wordt aangevuld als volgt : « De personeelsleden die in tijdelijk verband aangesteld of aangeworven zijn op de datum van inwerkingtreding van dit decreet, in het secundair onderwijs van de lagere graad of in het secundair onderwijs van de hogere graad, in het ambt van werkmeester of in het ambt van werkplaatsleider, worden, op de datum van inwerkingtreding van dit decreet, geacht tijdelijk aangesteld of aangeworven te zijn in het ambt van werkmeester of werkplaatsleider.»

Art. 53.Het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 22 april 1999, genomen ter uitvoering van artikel 8 van het decreet van 4 januari 1999 betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten, wordt opgeheven.

Art. 54.In het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 4 juli 2002 tot bepaling van de bevoegdheden en ambtsprofielen van de titularissen van een bevorderings- en selectieambt bij toepassing van artikel 18 van het decreet van 4 januari 1999 betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten, worden de artikelen 1 en 2 alsook de bijlagen 1 en 2 opgeheven.

Art. 55.In het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 18 juli 2002 houdende organisatie van de vormingen van de verscheidene sessies betreffende de in de artikelen 19, 20 en 21 bedoelde bevorderings- en selectieambten, tot toekenning van vrijstellingen en tot organisatie van de proeven die de vormingen bekrachtigen, bij toepassing van de artikelen 23, 24 en 25 van het decreet van 4 januari 1999 betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten en tot oprichting van de verschillende examencommissies belast met het uitreiken van de betrokken brevetten, worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) in artikel 1, § 3, eerste lid, worden de woorden « van studieprefect of directeur of directeur in het lager secundair onderwijs » en de woorden « directeur in het kleuter-, lager of basisonderwijs » geschrapt;b) in artikel 1, § 3, tweede lid, worden de woorden « van studieprefect of directeur of directeur in het lager secundair onderwijs » en « van directeur in het kleuter-, lager of basisonderwijs » geschrapt : c) in artikel 4, § 1, wordt het eerste streepje geschrapt;d) in artikel 6, worden de § 3 en § 4, 1° en 2° geschrapt;e) in artikel 9, 2°, worden de punten a) en b) geschrapt;f) in artikel 10, § 2, worden de punten 1° en 2° geschrapt;g) in artikel 13, worden de punten 1 en 5 geschrapt. HOOFDSTUK II. - Het gesubsidieerd officieel onderwijs Afdeling I. - Algemene voorwaarden voor de toegang tot de stage en de

toekenning van de betrekkingen van directeur

Art. 56.§ 1. De inrichtende macht die tot de stage in het bevorderingsambt van directeur moet toelaten : 1° raadpleegt de plaatselijke paritaire commissie over het profiel van het toe te kennen ambt van directeur;2° wint van de personeelsleden elke informatie in die volgens deze haar nuttig moeten worden meegedeeld met het oog op de toelating tot de stage. § 2. De inrichtende macht, na toepassing van § 1 : 1° stelt het profiel vast van het toe te kennen ambt van directeur.In dat kader, kan de inrichtende macht aanvullende criteria toevoegen aan de voorwaarden voor de toegang tot de stage bedoeld in artikel 57 van dit decreet; 2° doet een oproep tot kandidaten volgens door de Regering nader te bepalen regels, op de voordracht van de centrale paritaire commissie.

Art. 57.Niemand kan tot de stage worden toegelaten in het bevorderingsambt van directeur, als hij, op het ogenblik van de toelating tot de stage, niet voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° een dienstanciënniteit van zeven jaar binnen de inrichtende macht hebben verworven in één van de wervings-, selectie- of bevorderingsambten van de betrokken categorie, berekend volgens de nadere regels bepaald in artikel 34 van het voormelde decreet van 6 juni 1994;2° in vast verband titularis zijn van een ambt dat ten minste de helft van het minimumaantal uren telt dat vereist is om een ambt met volledig leerplan uit te maken in het door de betrokken inrichtende macht georganiseerde onderwijs;3° in vast verband één of meer ambten uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen ambt van directeur en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van dit decreet;4° hebben geantwoord op de oproep tot kandidaten bedoeld in artikel 56, § 2, 2°;5° vooraf de attesten van slagen vóór ten minste drie modules hebben gekregen bedoeld in de artikelen 17, § 1, en 18, § 1, van dit decreet. In het basisonderwijs, moet de in het eerste lid, 1° bedoelde anciënniteit verworven zijn op basisniveau.

In afwijking van het eerste lid, 2°, in het kunstsecundair onderwijs met beperkt leerplan, wordt de voorwaarde inzake de uitoefening van een ambt dat ten minste een halve opdracht omvat, vervuld, als dit gepresteerd wordt in het onderwijs georganiseerd binnen één of meer inrichtende machten.

Art. 58.§ 1. Iedere inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is om een personeelslid tot de stage toe te laten overeenkomstig artikel 57, kan de volgende personeelsleden tot de stage toelaten : a) ofwel een in vast verband benoemd lid van zijn personeel dat de voorwaarden bedoeld in artikel 57, 1° tot 3° vervult. Dat personeelslid wordt bij voorrang toegelaten tot de verschillende opleidingsmodules. b) ofwel een in vast verband benoemd personeelslid dat onder een andere gesubsidieerde officiële inrichtende macht ressorteert en dat binnen deze, aan alle voorwaarden bedoeld in artikel 57, 1° tot 3° en 5° voldoet. § 2. Elke inrichtende macht die bewijst dat zij enkel één kandidaat voor de toelating tot de stage heeft die aan de voorwaarden van artikel 57 voldoet, kan zijn kandidatuur laten concurreren met die van personeelsleden die voldoen aan de voorwaarden van § 1 van dit artikel. In dat geval doet het een oproep tot kandidaten bij de personeelsleden die voldoen aan de voorwaarden van § 1 van dit artikel, behalve als die personeelsleden reeds bij de oorspronkelijke oproep tot kandidaten bedoeld waren.

Art. 59.§ 1. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is om een personeelslid tot de stage toe te laten overeenkomstig artikel 57 of artikel 58, kan een in vast verband benoemd lid van zijn personeel tot de stage toelaten dat voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° titularis zijn, in vast verband, van een ambt dat ten minste de helft van het minimumaantal uren telt dat vereist is om een ambt met volledig leerplan uit te maken in het door de betrokken inrichtende macht georganiseerde onderwijs;2° in vast verband één of meer ambten uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen ambt van directeur en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van dit decreet. Elke inrichtende macht die bewijst dat zij geen personeelslid tot de stage kan toelaten overeenkomstig artikel 57 et dat zij enkel één kandidaat voor de toelating tot de stage heeft die aan de voorwaarden van artikel 58 voldoet, kan zijn kandidatuur laten concurreren met die van personeelsleden die voldoen aan de voorwaarden van het eerste lid.

In dat geval doet het een nieuwe oproep tot kandidaten bij de personeelsleden die voldoen aan de voorwaarden van het eerste lid, behalve als die personeelsleden reeds bij de oorspronkelijke oproep tot kandidaten bedoeld waren. § 2. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is om een personeelslid tot de stage toe te laten overeenkomstig artikel 57 of artikel 58 of § 1 van dit artikel, kan de volgende personeelsleden tot de stage toelaten : a) ofwel een prioritair tijdelijk lid van zijn personeel dat voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° in tijdelijk verband titularis zijn van een ambt dat ten minste de helft van het minimumaantal uren telt dat vereist is om een ambt met volledig leerplan in het door de betrokken inrichtende macht georganiseerde onderwijs uit te maken;2° in tijdelijk verband één of meer ambten uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen ambt van directeur en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van dit decreet. De stage van het in het eerste lid bedoelde personeelslid dat, op het einde van zijn stage, niet voldoet aan de in artikel 57, eerste lid vereiste voorwaarde, wordt verlengd totdat het aan die voorwaarde voldoet.

Het in het eerste lid bedoelde personeelslid wordt geacht in zijn oorspronkelijke wervingsambt, selectieambt of bevorderingsambt benoemd te worden, zodra het in zijn ambt van directeur benoemd wordt. b) ofwel een in vast verband benoemd personeelslid dat onder een andere gesubsidieerde officiële inrichtende macht ressorteert en dat voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° binnen die andere inrichtende macht een ambt uitoefenen dat ten minste de helft van het minimumaantal uren telt dat vereist is om een ambt met volledig leerplan in het onderwijs uit te maken;2° in vast verband één of meer ambt(en) uitoefenen dat(die) toegang geven tot het toe te kennen ambt van directeur en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs, overeenkomstig artikel 102 van dit decreet. Elke inrichtende macht die bewijst dat zij geen personeelslid tot de stage kan toelaten overeenkomstig artikel 57 en artikel 58 en dat zij enkel één kandidaat voor de toelating tot de stage heeft die aan de voorwaarden van § 1 van dit artikel voldoet, kan zijn kandidatuur laten concurreren met die van personeelsleden die voldoen aan de voorwaarden van het eerste lid. In dat geval doet het een nieuwe oproep tot kandidaten bij de personeelsleden die voldoen aan de voorwaarden van het eerste lid, behalve als die personeelsleden reeds bij de oorspronkelijke oproep tot kandidaten bedoeld waren. § 3. Elke inrichtende macht die bewijst dat zij geen personeelslid tot de stage kan toelaten overeenkomstig artikel 57, artikel 58 of de §§ 1 en 2 van dit artikel, kan een lid van zijn tijdelijk personeel tot de stage toelaten die voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° in tijdelijk verband titularis zijn van een ambt dat ten minste de helft van het minimumaantal uren telt dat vereist is om een ambt met volledig leerplan in het door de betrokken inrichtende macht georganiseerde onderwijs uit te maken;2° in tijdelijk verband één of meer ambten uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen ambt van directeur en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van dit decreet. De stage van het in het eerste lid bedoelde personeelslid dat, op het einde van zijn stage, niet aan de in artikel 57, eerste lid, 1° vereiste voorwaarden voldoet, wordt verlengd totdat het aan die voorwaarde voldoet.

Het in het eerste lid bedoelde personeelslid wordt geacht in zijn oorspronkelijke wervingsambt, selectieambt of bevorderingsambt benoemd te worden, zodra het in zijn ambt van directeur wordt benoemd.

Elke inrichtende macht die bewijst dat zij geen personeelslid tot de stage kan toelaten overeenkomstig artikel 57 en artikel 58 en § 1 van dit artikel en dat zij enkel één kandidaat voor de toelating tot de stage heeft die aan de voorwaarden van § 2 van dit artikel voldoet, kan zijn kandidatuur laten concurreren met die van personeelsleden die voldoen aan de voorwaarden van het eerste lid. In dat geval doet het een nieuwe oproep tot kandidaten bij de personeelsleden die voldoen aan de voorwaarden van het eerste lid, behalve als die personeelsleden reeds bij de oorspronkelijke oproep tot kandidaten bedoeld waren. § 4. Iedere inrichtende macht die bewijst dat zij geen personeelslid tot de stage kan toelaten in een ambt van directeur van een kleuter-, lagere of basisschool, overeenkomstig artikel 57, artikel 58 of de §§ 1 tot 3 van dit artikel, kan tot de stage in dat ambt een personeelslid toelaten dat voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° een dienstanciënniteit van zeven jaar binnen de inrichtende macht hebben verworven in één van de wervingsambten, selectieambten of bevorderingsambten van de betrokken categorie, berekend volgens de nadere regels vastgelegd in artikel 34 van het voormelde decreet van 6 juni 1994;2° in vast verband titularis zijn van een ambt dat ten minste de helft van het minimumaantal uren telt dat vereist is om een ambt met volledig leerplan in het door de betrokken inrichtende macht georganiseerde onderwijs uit te maken;3° in vast verband één of meer ambten in het secundair onderwijs van de lagere graad uitoefenen en houder zijn van een diploma van GLSO, voor zover het gaat om een vereist bekwaamheidsbewijs of een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs van groep A voor het uitgeoefende ambt;4° op de oproep tot kandidaten bedoeld in artikel 56 § 2, 2° hebben geantwoord;5° vooraf de attesten van slagen vóór ten minste drie opleidingsmodules bedoeld in de artikelen 17, § 1, en 18, § 1 van dit decreet hebben gekregen. Elke inrichtende macht die bewijst dat zij geen personeelslid tot de stage kan toelaten overeenkomstig artikel 57 en artikel 58 en de §§ 1 en 2 van dit artikel en dat zij enkel één kandidaat voor de toelating tot de stage heeft die aan de voorwaarden van § 3 van dit artikel voldoet, kan zijn kandidatuur laten concurreren met die van personeelsleden die voldoen aan de voorwaarden van het eerste lid. In dat geval doet het een nieuwe oproep tot kandidaten bij de personeelsleden die voldoen aan de voorwaarden van het eerste lid, behalve als die personeelsleden reeds bij de oorspronkelijke oproep tot kandidaten bedoeld waren. § 5. Elke inrichtende macht die bewijst dat zij geen personeelslid tot de stage kan toelaten in een ambt van directeur van een inrichting voor sociale promotie, overeenkomstig artikel 57, artikel 58 of de §§ 1 tot 3 van dit artikel, kan tot de stage in dat ambt een personeelslid toelaten dat voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° een dienstanciënniteit van zeven jaar binnen de inrichtende macht hebben verworven in een wervingsambt, selectieambt of bevorderingsambt van de betrokken categorie, berekend volgens de nadere regels vastgelegd in artikel 4 van het voormelde decreet van 6 juni 1994;2° in vast verband titularis zijn van één of meer ambten die ten minste de helft van het minimumaantal uren telt dat vereist is om een ambt met volledig leerplan in het door de betrokken inrichtende macht georganiseerde onderwijs uit te maken;3° in vast verband één of meer ambten in het secundair onderwijs en/of in een hogeschool uitoefenen, en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van dit decreet;4° op de oproep tot kandidaten bedoeld in artikel 56, § 2, 2° hebben geantwoord;5° vooraf de attesten van slagen vóór ten minste drie opleidingsmodules bedoeld in de artikelen 17 § 1, en 18 § 1 van dit decreet hebben behaald. Elke inrichtende macht die bewijst dat zij geen personeelslid tot de stage kan toelaten overeenkomstig artikel 57 en artikel 58 en de §§ 1 en 2 van dit artikel en dat zij enkel één kandidaat voor de toelating tot de stage heeft die aan de voorwaarden van § 3 van dit artikel voldoet, kan zijn kandidatuur laten concurreren met die van personeelsleden die voldoen aan de voorwaarden van het eerste lid. In dat geval doet het een nieuwe oproep tot kandidaten bij de personeelsleden die voldoen aan de voorwaarden van het eerste lid, behalve als die personeelsleden reeds bij de oorspronkelijke oproep tot kandidaten bedoeld waren. § 6. In afwijking van artikel 20, § 2, wordt het personeelslid dat tot de stage wordt toegelaten overeenkomstig dit artikel, bij voorrang toegelaten tot de verschillende opleidingsformules. Afdeling II. - Tijdelijke aanstelling in een betrekking van directeur

Art. 60.§ 1. Het ambt van directeur kan tijdelijk worden toegewezen aan een personeelslid dat aan alle in artikel 57 bedoelde voorwaarden voldoet : 1° indien de titularis van het ambt tijdelijk afwezig is;2° in het geval bedoeld in artikel 47 van het voormelde decreet van 6 juni 1994. Gedurende die periode blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het in vast verband benoemd is. § 2. In afwijking van § 1, eerste lid, voor elke aanstelling die een geldigheidsduur heeft die gelijk is aan of lager is dan vijftien weken, zijn de voorwaarden bedoeld in artikel 57, 4° en 5° niet vereist. De autoriteiten bedoeld in artikel 27bis van het voormelde decreet van 6 juni 1994 worden ertoe gemachtigd die aanstellingen met een geldigheidsduur die gelijk is aan of lager is dan vijftien weken uit te voeren.

In afwijking van § 1, eerste lid, kan het ambt van directeur aan een personeelslid tijdelijk worden toegewezen onder de voorwaarden van het eerste lid, bij overlijden van de directeur die titularis van het ambt is, gedurende de periode die noodzakelijk is voor de toelating tot de stage van een stagedoende directeur in het kader van de procedure bedoeld in afdeling 1 van dit hoofdstuk. Die aanstelling eindigt van ambtswege op de datum van de toelating tot de stage die plaatsvindt op het einde van die procedure, uiterlijk na vijftien weken. § 3. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is om het bevorderingsambt van directeur tijdelijk toe te wijzen aan een lid van haar personeel dat aan de voorwaarden van artikel 57 voldoet, kan het bevorderingsambt van directeur tijdelijk toewijzen aan een lid van haar personeel met inachtneming van de artikelen 58 en 59. § 4. In afwijking van artikel 57 wordt het personeelslid dat in een niet-vacante betrekking tijdelijk is aangesteld voor een periode van meer dan 15 weken, wordt benoemd in de betrekking die het bekleedt, als deze vacant wordt, met inachtneming van de bepalingen vervat in artikel 37 van het decreet van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs, op voorwaarde dat : 1° het tijdelijk ononderbroken sedert ten minste twee jaar vanaf de datum waarop de betrekking vacant is geworden, aangesteld is;2° het ten minste twee keer is geëvalueerd, waarbij de tweede evaluatie geleid heeft tot de toekenning van de vermelding « gunstig ».Daartoe, onverminderd artikel 63, wordt het in deze paragraaf bedoelde personeelslid geëvalueerd met toepassing van de regels vervat in artikel 33, § 2 tot § 5.

Het in deze paragraaf bedoelde personeelslid kan echter, op eigen aanvraag, tot de stage worden toegelaten in de vacante betrekking bedoeld in het eerste lid. In dat geval duurt de stage één jaar.

Het in deze paragraaf bedoelde personeelslid wordt van ambtswege tot de stage toegelaten in de vacante betrekking bedoeld in het eerste lid, indien het vóór zijn laatste evaluatie één keer de vermelding « met voorbehoud » heeft gekregen. In dat geval duurt de stage één jaar; op het einde van dat jaar vindt een laatste evaluatie plaats. Het personeelslid wordt benoemd in de vacante betrekking bedoeld in het eerste lid, indien het de vermelding « gunstig » krijgt bij die laatste evaluatie.

Art. 61.§ 1. Elke tijdelijke aanstelling in een ambt van directeur wordt schriftelijk vastgesteld, met vermelding van de bepalingen bedoeld in artikel 21 van het voormelde decreet van 6 juni 1994, met uitzondering van 7°. § 2. De inrichtende macht kan geen tijdelijke aanstelling in een betrekking van directeur uitvoeren als zij verplicht wordt, bij de bepalingen in verband met de reaffectatie, die betrekking toe te kennen aan een personeelslid dat ter beschikking wordt gesteld bij ontstentenis van betrekking. § 3. Een tijdelijke aanstelling in een betrekking van directeur eindigt : a) in onderlinge overeenstemming;b) bij beslissing van de inrichtende macht : - als gevolg van de procedure bedoeld in § 4 van dit artikel voor het personeelslid dat tijdelijk is aangesteld in een ambt van directeur voor een duur van minder dan één jaar c) of bij toepassing van artikel 22, eerste lid van het voormelde decreet van 6 juni 1994. Het einde van het schooljaar heeft geen gevolg op de tijdelijke aanstelling in een betrekking van directeur. § 4. Met inachtneming van een opzeggingstermijn van viertien dagen, kan de inrichtende macht de aanstelling van een personeelslid beëindigen dat tijdelijk is aangesteld in een ambt van directeur.

Vóór de kennisgeving van elke beslissing tot aanstellingsbeëindiging, moet het personeelslid uitgenodigd zijn zich door de inrichtende macht te laten horen.

Van de oproeping voor de hoorzitting alsook van de redenen waarom de Regering van plan is om een einde te maken aan de aanstelling van het personeelslid, wordt hem ten minste vijf werkdagen vóór de hoorzitting kennis gegeven ofwel bij een ter post aangetekend schrijven ofwel door de overhandiging van een schrijven met ontvangstbewijs. Bij de hoorzitting, kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger gekozen uit de personeelsleden die in actieve dienst of in ruste gesteld zijn in het gesubsidieerd officieel onderwijs of door een vertegenwoordiger van een vakorganisatie die de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs vertegenwoordigt en aangesloten is bij organisaties die in de Nationale Arbeidsraad zitting hebben. Van de hoorzitting wordt een proces-verbaal opgemaakt. De procedure wordt geldig voortgezet wanneer het behoorlijk opgeroepen personeelslid zich niet bij de hoorzitting aanmeldt of er niet vertegenwoordigd wordt. Afdeling III. - Evaluatie van de opleiding van de directeurs die

benoemd zijn of tijdelijk aangesteld zijn voor een periode die gelijk is aan of langer is dan één jaar of wier aanstelling ten minste één jaar heeft geduurd

Art. 62.Deze afdeling is van toepassing op de in vast verband benoemde directeurs.

Ze is eveneens van toepassing op het personeelslid dat in het ambt van directeur tijdelijk wordt aangesteld voor een periode die gelijk is aan of langer is dan één jaar of wiens aanstelling ten minste één jaar heeft geduurd. De bij deze afdeling bedoelde benaming « directeur » geldt ook voor dat personeelslid.

Art. 63.Om de vijf jaar, vanaf de datum van zijn benoeming in vast verband of zijn aanstelling in tijdelijk verband, wordt iedere directeur door de inrichtende macht geëvalueerd.

Voor de toepassing van het eerste lid, kan de inrichtende macht zich door deskundigen laten bijstaan.

Indien de inrichtende acht dit nuttig acht, kan zij de directeur vroeger evalueren.

De directeur kan echter niet meer dan twee keer per periode van tien jaar worden geëvalueerd.

Art. 64.De evaluatie steunt op de uitvoering van het opdrachtenblad bedoeld in hoofdstuk III van titel II en op de praktische toepassing van de bevoegdheden verworven in het kader van de artikelen 13, 14 en 15.

Daarbij wordt rekening gehouden met de globale context waarin de directeur moet werken en met de middelen die hem ter beschikking worden gesteld.

Daartoe houdt de inrichtende macht inzonderheid rekening met de bepalingen van het voormelde decreet van 24 juli 1997 voor het leerplichtonderwijs, van het voormelde decreet van 16 april 1991 voor het onderwijs voor sociale promotie en voor het kunstsecundair onderwijs met beperkt leerplan, met het voormelde decreet van 2 juni 1998, met het opvoedingsproject, het pedagogisch project en het inrichtingsproject.

Art. 65.Op grond van die evaluatie beslist de inrichtende macht in onderlinge overeenstemming met de directeur over de aan te brengen verbeteringen. Afdeling IV. - Overgang tussen de bevorderingsambten, de

selectieambten en de wervingsambten

Art. 66.In artikel 22, eerste lid, 2°, van het decreet van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs, worden de punten cbis ) en cter ) toegevoegd, luidend als volgt : « cbis ) bij toepassing van artikel 29bis, § 1; cter) bij toepassing van artikel 29bis, § 2; ».

Art. 67.In artikel 28 van hetzelfde decreet, wordt een punt 3° toegevoegd, luidend als volgt : « 3° indien zij de betrekking reeds heeft toegekend overeenkomstig de bepalingen bedoeld bij artikel 29bis. »

Art. 68.In hetzelfde decreet worden een artikel 29bis en een artikel 29ter ingevoegd, luidend als volgt : «

Artikel 29bis.§ 1. Een personeelslid dat in vast verband benoemd is in een selectieambt of een bevorderingsambt bij een inrichtende macht kan, als het dit aanvraagt en met de toestemming van de inrichtende macht, in een definitief vacant geworden betrekking van een wervingsambt, een selectieambt of een bevorderingsambt in vast verband benoemd worden door een inrichtende macht waarbij het reeds een benoeming in vast verband heeft genoten in een wervingsambt, een selectieambt of een bevorderingsambt dat toegang verschaft tot zijn huidige ambt.

De overgang van de ene betrekking naar een andere overeenkomstig deze paragraaf moet zonder onderbreking plaatsvinden.

De nadere regels voor de benoeming krachtens deze paragraaf worden overigens door de plaatselijke paritaire commissies vastgesteld. § 2. Een personeelslid dat in vast verband benoemd is in een selectieambt of een bevorderingsambt bij een inrichtende macht kan, als het dit aanvraagt en met de toestemming van de inrichtende macht, in een definitief vacant geworden betrekking van een wervingsambt, een selectieambt of een bevorderingsambt in vast verband benoemd worden door een andere inrichtende macht dan deze die bedoeld zijn in § 1, indien geen lid van deze inrichtende macht prioritair is.

Het personeelslid dat de toepassing van deze paragraaf geniet, moet ontslag nemen bij de inrichtende macht die het verlaat voor het selectieambt of bevorderingsambt dat het daar uitoefent.

De overgang van de ene betrekking naar een andere overeenkomstig deze paragraaf moet zonder onderbreking plaatsvinden.

De nadere regels voor de benoeming krachtens deze paragraaf zijn overigens vastgesteld door de plaatselijke paritaire commissie die opgericht is binnen de inrichtende macht die het personeelslid ontvangt. § 3. Voor de toepassing van § 1 en § 2, onverminderd artikel 28, 1°, kan de benoeming in vast verband op ongeacht welke datum plaatsvinden.

Ze kan enkel worden toegekend voor zover het personeelslid voldoet aan alle voorwaarden die, naar gelang van het geval, bepaald zijn in : a) artikel 30, met uitzondering van 8°, 9°, wat de ambtsanciënniteit betreft, en 10° en 11°;b) artikel 40, eerste lid, met uitzondering van 5°;c) artikel 49, eerste lid, met uitzondering van 4°;d) in artikel 57 van het decreet van 3 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs, met uitzondering van 4°. Voor de toepassing van de punten b), c) en d) van het eerste lid, wordt het vereiste inzake opvolging van de opleiding in verband met een bepaald ambt van ambtswege als vervuld geacht indien het personeelslid titularis van dat ambt in vast verband is geweest vóór de uitoefening van zijn huidige ambt.

Artikel 29ter.Het in artikel 29bis bedoelde personeelslid krijgt de weddeschaal toegekend van het ambt waarin het overeenkomstig die bepaling in vast verband benoemd is.

Het in artikel 29bis bedoelde personeelslid, dat gedurende ten minste tien jaar in vast verband het selectieambt of het bevorderingsambt dat het verlaat, heeft uitgeoefend, geniet een degressief weddeschaalstelsel, en krijgt vanaf het derde jaar de weddeschaal toegekend van het ambt waarin het overeenkomstig artikel 29bis benoemd is, vastgesteld als volgt : a) In de loop van het eerste jaar dat op zijn nieuwe affectatie volgt, geniet het personeelslid de weddeschaal van het ambt waarin het geaffecteerd is, vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan 66 % van het verschil tussen, enerzijds, de weddeschaal die het genoot in het ambt dat het verliet, en anderzijds, de weddeschaal van het ambt waarin het geaffecteerd is;b) In de loop van het tweede jaar dat op zijn nieuwe affectatie volgt, geniet het personeelslid de weddeschaal van het ambt waarin het geaffecteerd is, vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan 33 % van het verschil tussen, enerzijds, de weddeschaal die het genoot in het ambt dat het verliet, en anderzijds, de weddeschaal van het ambt waarin het geaffecteerd is.»

Art. 69.In artikel 37 van hetzelfde decreet wordt een punt 3° toegevoegd, luidend als volgt : « 3° indien ze de betrekking reeds heeft toegewezen bij toepassing van de bepalingen bedoeld in artikel 29bis. »

Art. 70.In artikel 45 van hetzelfde decreet wordt een punt 3° toegevoegd, luidend als volgt : « 3° indien ze de betrekking reeds heeft toegewezen bij toepassing van de bepalingen bedoeld in artikel 29bis. » Afdeling V. - Wijzigingsbepalingen

Art. 71.In het voornoemde decreet van 6 juni 1994 wordt een artikel 39bis ingevoegd, luidend als volgt : « Artikel 39bis, § 1. De inrichtende macht die een personeelslid in een selectieambt in vast verband moet benoemen : 1° raadpleegt de plaatselijke paritaire commissie over het profiel van het toe te kennen selectieambt;2° ontvangt van de personeelsleden alle informatie die deze nuttig achten (om) hem mee te delen met het oog op de benoeming in vast verband. § 2. De inrichtende macht, na toepassing van § 1 : 1° bepaalt het profiel van het toe te kennen selectieambt.In dit kader kan de inrichtende macht bijkomende criteria toevoegen aan de voorwaarden voor de benoeming in vast verband bedoeld in artikel 40; 2° doet een oproep tot kandidaten volgens de vormen vastgesteld door de Regering, op voorstel van de centrale paritaire commissie.»

Art. 72.In artikel 40 van het voornoemde decreet van 6 juni 1994 worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) onder punt 2° van het eerste lid, worden de woorden « sinds ten minste twee jaar » geschrapt.b) punt 3° van het eerste lid wordt vervangen als volgt : « 3° titularis zijn, in vast verband, van een ambt met ten minste de helft van het minimaal aantal uren vereist om een ambt met volledige prestatie te vormen in het onderwijs georganiseerd door de betrokken inrichtende macht;» c) punt 4° van het eerste lid wordt vervangen als volgt : « 4° één of meer ambten, in vast verband, binnen de inrichtende macht uitoefenen, die toegang geven tot het toe te kennen selectieambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 101 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs;» d) punt 5° van het eerste lid wordt vervangen als volgt : « 5° gevolg geven aan een oproep waarvan de vorm door de Regering zal worden bepaald, op voorstel van de plaatselijke paritaire commissie.» e) het derde lid wordt vervangen als volgt : « In afwijking van het eerste lid, 3°, wordt in het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan aan de voorwaarde voor de uitoefening van een ambt naar rata van ten minste een halve opdracht beantwoord als deze vervuld is in het onderwijs georganiseerd binnen één of meer inrichtende machten.»

Art. 73.De artikelen 42 tot 44 van hetzelfde decreet worden vervangen als volgt : « Artikel 42, § 1. Een selectieambt kan tijdelijk aan een personeelslid toevertrouwd worden dat aan alle voorwaarden van artikel 40 beantwoordt : 1° indien de titularis van het ambt tijdelijk afwezig is;2° in de veronderstelling bedoeld in artikel 39. Tijdens deze periode blijft het personeelslid titularis van het ambt waarin het in vast verband benoemd is. § 2. In afwijking van § 1, eerste lid, voor elke aanstelling van een duur die gelijk is aan of korter is dan vijftien weken, worden de voorwaarden bedoeld in artikel 40, 5° en 6° niet vereist.

Artikel 43.Een selectieambt kan tijdelijk aan een personeelslid toevertrouwd worden dat aan alle voorwaarden bedoeld in artikel 40 beantwoordt in afwachting van een benoeming in vast verband.

Tijdens deze periode blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het in vast verband benoemd is.

Het personeelslid bedoeld in het eerste lid wordt uiterlijk na een termijn van twee jaar in vast verband benoemd in het selectieambt indien de inrichtende macht hem ervan niet heeft ontlast.

Artikel 44.§ 1. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een selectieambt tijdelijk aan een personeelslid toe te vertrouwen dat aan de voorwaarden bedoeld in artikel 4 beantwoordt, kan tijdelijk het selectieambt toevertrouwen aan een personeelslid dat in vast verband benoemd is en dat aan de volgende voorwaarden beantwoordt : 1° titularis zijn, in vast verband, van een ambt met ten minste de helft van het minimaal aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen in het onderwijs georganiseerd door de betrokken inrichtende macht;2° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen selectieambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 101 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs. Tijdens de periode waarin het personeelslid tijdelijk het selectieambt uitoefent, blijft het titularis van de betrekking waarin het in vast verband benoemd is.

Elke inrichtende macht die bewijst dat zij slechts één personeelslid heeft dat aan de voorwaarden van artikel 40 beantwoordt, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid voldoen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.

De toepassing van het eerste lid of van het derde lid ontslaat de inrichtende macht er niet van een oproep te doen tot kandidaten voor een vaste benoeming in het selectieambt tijdens de drie dienstjaren die volgen op dat waarin het selectieambt het voorwerp was van een tijdelijke aanstelling met toepassing van het eerste lid.

Nochtans, indien na de drie dienstjaren bedoeld in het vorige lid, het personeelslid dat tijdelijk een selectieambt toegewezen kreeg met toepassing van het eerste lid, de voorwaarde bedoeld in artikel 40, eerste lid, 6° nog niet vervult, moet de inrichtende macht elk jaar een oproep doen tot kandidaten voor de vaste benoeming in het selectieambt.

Het personeelslid dat tijdelijk een selectieambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan door de inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden.

De bepalingen van het derde lid en het vierde lid zijn niet van toepassing in de gevallen bedoeld in artikel 42, § 1, 1° en 2°. § 2. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een selectieambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid in vast verband overeenkomstig de bepalingen die voorafgaan, kan het bovenvermelde ambt toevertrouwen aan een prioritair tijdelijk personeelslid dat aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° titularis zijn, in tijdelijk verband, van een ambt met ten minste de helft van het minimum aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen in het onderwijs georganiseerd door de betrokken inrichtende macht;2° één of meer ambten, in tijdelijk verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen selectieambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 101 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een selectieambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat aan de voorwaarden van artikel 40 voldoet en dat zij slechts één personeelslid heeft dat aan de voorwaarden van § 1 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet ze een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid voldoen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.

De toepassing van het eerste lid of van het tweede lid ontslaat de inrichtende macht er niet van elk jaar een oproep te doen tot kandidaten voor een vaste benoeming in het selectieambt.

Het personeelslid dat tijdelijk en prioritair wordt aangesteld overeenkomstig dit artikel, wordt geacht aan de in artikel 40, eerste lid, 1° en 2°, bedoelde voorwaarde te voldoen na het verstrijken van een termijn van zes jaar als tijdelijke in het selectieambt.

Het personeelslid dat tijdelijk een selectieambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan door de inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden. § 3. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een selectieambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid in vast verband of prioritair tijdelijk personeelslid overeenkomstig de bepalingen die voorafgaan, kan een beroep doen op een personeelslid in vast verband dat tot een andere gesubsidieerde officiële inrichtende macht behoort en dat aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° titularis zijn, in vast verband, binnen deze andere inrichtende macht van een ambt met ten minste de helft van het minimaal aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen;2° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen selectieambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 101 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs. Tijdens de periode waarin het tijdelijk het selectieambt uitoefent, blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het binnen zijn oorspronkelijke inrichtende macht in vast verband benoemd is.

Het personeelslid dat tijdelijk in een selectieambt is aangesteld overeenkomstig deze paragraaf, wordt in dit bovenvermelde ambt in vast verband benoemd na een termijn van zes jaar indien het op dat ogenblik de voorwaarden bedoeld in artikel 40, eerste lid, 5° en 6° vervult, en indien de inrichtende macht hem niet ontlast heeft.

Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een selectieambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat aan de voorwaarden van artikel 40 en van § 1 van dit artikel voldoet, en dat ze slechts een personeelslid heeft dat aan de voorwaarden van § 2 beantwoordt, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid voldoen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.

De toepassing van het eerste lid of van het vierde lid ontslaat de inrichtende macht er niet van elk jaar een oproep te doen tot kandidaten voor een vaste benoeming in het selectieambt tijdens de drie dienstjaren die volgen op dat waarin het selectieambt het voorwerp was van een tijdelijke aanstelling met toepassing van het eerste lid.

Het personeelslid dat tijdelijk een selectieambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan door de inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden.

De bepalingen van het derde lid en het vierde lid zijn niet van toepassing in de gevallen bedoeld in artikel 42, § 1, 1° en 2°. § 4. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een selectieambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid overeenkomstig de bepalingen die voorafgaan, kan het bovenvermelde ambt tijdelijk toevertrouwen aan een tijdelijk personeelslid dat aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° titularis zijn, in tijdelijk verband, van een ambt met ten minste de helft van het minimaal aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen in het onderwijs georganiseerd door de betrokken inrichtende macht;2° één of meer ambten, in tijdelijk verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen selectieambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 101 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een selectieambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat aan de voorwaarden van artikel 40, van § 1 en § 2 van dit artikel beantwoordt en dat ze slechts één personeelslid heeft dat aan de voorwaarden van § 3 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid voldoen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.

De toepassing van het eerste lid of het tweede lid ontslaat de inrichtende macht er niet van elk jaar een oproep te doen tot kandidaten voor een vaste benoeming in het selectieambt.

Het personeelslid dat tijdelijk aangesteld is overeenkomstig dit artikel, wordt geacht aan de in artikel 40, eerste lid, 1° en 2°, bedoelde voorwaarde te voldoen na het verstrijken van een termijn van zes jaar als tijdelijke in het selectieambt.

Het personeelslid dat tijdelijk een selectieambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan door de inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden.

Artikel 44bis, § 1. Elke tijdelijke aanstelling in het selectieambt wordt schriftelijk vastgesteld en worden de vermeldingen zoals bedoeld in artikel 21, met uitzondering van 7°, erin opgenomen. § 2. De inrichtende macht mag niet overgaan tot een tijdelijke aanstelling in een selectiebetrekking als zij, krachtens de bepalingen betreffende de reaffectatie, verplicht is deze betrekking toe te kennen aan een personeelslid dat ter beschikking is gesteld bij ontstentenis van betrekking. § 3. Een tijdelijke aanstelling in een selectiebetrekking loopt ten einde : a) in onderlinge overeenstemming;b) bij beslissing van de inrichtende macht ten gevolge van de procedure bedoeld in § 4 van dit artikel of voor wat betreft het personeelslid van het onderwijs met volledig leerplan ten gevolge van de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk Vbis ;c) of met toepassing van artikel 22, eerste lid. Nochtans heeft het einde van het schooljaar geen gevolg op de tijdelijke aanstelling in een selectiebetrekking. § 4. Mits een opzeggingstermijn van vijftien dagen kan de inrichtende macht ofwel op voorstel van de directeur, ofwel op eigen initiatief, een einde maken aan de aanstelling van een personeelslid dat tijdelijk is aangesteld in een selectieambt.

Voorafgaandelijk aan de mededeling van elke beslissing betreffende het einde van de aanstelling moet het personeelslid de gelegenheid gekregen hebben om door de inrichtende macht te worden verhoord.

De oproeping tot de hoorzitting, alsook de motieven waarom de inrichtende macht overweegt een einde te maken aan de aanstelling van het personeelslid, moeten hem kenbaar worden gemaakt vijf werkdagen voor de hoorzitting, hetzij bij een ter post aangetekende brief, hetzij door persoonlijke overhandiging met ontvangstbewijs. Tijdens de hoorzitting mag het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger gekozen onder de personeelsleden, in actieve dienst of gepensioneerd van het gesubsidieerd officieel onderwijs, of door een vertegenwoordiger van een vakorganisatie die de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs vertegenwoordigt, aangesloten bij de organisaties die zetelen binnen de Nationale Arbeidsraad. Er wordt een proces-verbaal van de hoorzitting opgemaakt. De procedure wordt geldig voortgezet wanneer het personeelslid, dat volgens de regels is opgeroepen, niet verschijnt op de hoorzitting of er niet vertegenwoordigd is.

Artikel 44ter.Elk personeelslid mag krachtens artikel 40 van zijn benoeming afzien binnen de 600 dagen die volgen op zijn eerste toetreding tot het selectieambt. In dit geval reïntegreert het personeelslid definitief zijn ambt van afkomst.

De inrichtende macht kan, met het oog op de continuïteit van het selectieambt of om de stabiliteit van de pedagogische teams niet in het gedrang te brengen, het herstellen van het personeelslid in zijn oorspronkelijke ambt uitstellen met hoogstens 6 maanden vanaf de datum van de aanvraag van het personeelslid.

Art. 74.In artikel 46 van hetzelfde decreet, wordt een tweede lid toegevoegd, luidend als volgt : « In afwijking van het vorige lid kan het personeelslid dat titularis is van een bevorderingsambt slechts een verandering van affectatie aanvragen nadat het zijn ambten uitgeoefend heeft in een betrekking die het tijdens een termijn van drie jaar bekleedt ».

Art. 75.In hetzelfde decreet wordt een artikel 48bis ingevoegd, luidend als volgt : « Artikel 48bis, § 1. De inrichtende macht die een personeelslid in een bevorderingsambt in vast verband moet benoemen : 1° raadpleegt de plaatselijke paritaire commissie over het profiel van het toe te kennen bevorderingsambt;2° ontvangt van de personeelsleden alle informatie die deze nuttig achten (om) hem mee te delen met het oog op de vaste benoeming. § 2. De inrichtende macht, na toepassing van § 1 : 1° bepaalt het profiel van het toe te kennen bevorderingsambt.In dit kader kan de inrichtende macht bijkomende criteria toevoegen aan de voorwaarden voor de vaste benoeming bedoeld in artikel 49; 2° doet een oproep tot kandidaten volgens de vormen vastgesteld door de Regering, op voorstel van de centrale paritaire commissie.»

Art. 76.In artikel 49 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) onder punt 1° van het eerste lid, worden de woorden « zes jaar dienstanciënniteit definitief verworven hebben » vervangen door de woorden « zeven jaar dienstanciënniteit verworven hebben »;b) punt 2° van het eerste lid wordt vervangen als volgt : « 2° titularis zijn, in vast verband, van een ambt met ten minste de helft van het minimaal aantal uren vereist om een ambt met volledige prestatie te vormen in het onderwijs georganiseerd door de betrokken inrichtende macht »;c) punt 3° van het eerste lid wordt vervangen als volgt : « 3° één of meer ambten binnen de inrichtende macht uitoefenen, die toegang geven tot het toe te kennen bevorderingsambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.» d) punt 4° van het eerste lid wordt vervangen als volgt : « 4° gevolg geven aan een oproep waarvan de vorm door de Regering zal worden bepaald, op voorstel van de plaatselijke paritaire commissie.» e) het tweede lid wordt vervangen als volgt : « In afwijking van het eerste lid, 3°, wordt in het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan aan de voorwaarde voor de uitoefening van een ambt naar rata van ten minste een halve opdracht beantwoord als deze vervuld is in het onderwijs georganiseerd binnen één of meer inrichtende machten.»

Art. 77.De artikelen 50 tot 52 van hetzelfde decreet worden vervangen als volgt : « Artikel 50, § 1. Een bevorderingsambt kan tijdelijk toevertrouwd worden aan een personeelslid dat aan alle voorwaarden van artikel 49 voldoet : 1° indien de titularis van het ambt tijdelijk afwezig is;2° in het geval bedoeld in artikel 47. Tijdens deze periode blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het in vast verband benoemd is. § 2. In afwijking van § 1, eerste lid, voor elke aanstelling van een duur die gelijk is aan of korter is dan vijftien weken, worden de voorwaarden bedoeld in artikel 49, 4° en 5° niet vereist. De inrichtende macht stelt, na raadpleging van de plaatselijke paritaire commissie, de procedure tot aanstelling vast.

Artikel 51.Een bevorderingsambt kan tijdelijk toevertrouwd worden aan een personeelslid dat aan alle voorwaarden bedoeld in artikel 49 voldoet, in afwachting van een benoeming in vast verband.

Tijdens deze periode blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het in vast verband benoemd is.

Het personeelslid bedoeld in het eerste lid wordt uiterlijk na een termijn van twee jaar in vast verband benoemd in het bevorderingsambt indien de inrichtende macht hem ervan niet heeft ontlast.

Artikel 52.Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk aan een personeelslid toe te vertrouwen dat aan de voorwaarden bedoeld in artikel 49 beantwoordt, kan tijdelijk het bevorderingsambt toevertrouwen aan een personeelslid dat in vast verband benoemd is en dat aan de volgende voorwaarden beantwoordt : 1° titularis zijn, in vast verband, van een ambt met ten minste de helft van het minimaal aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen in het onderwijs georganiseerd door de betrokken inrichtende macht;2° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen bevorderingsambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs. Tijdens de periode waarin het personeelslid tijdelijk het bevorderingsambt uitoefent, blijft het titularis van de betrekking waarin het in vast verband benoemd is.

Elke inrichtende macht die bewijst dat zij slechts één personeelslid heeft dat aan de voorwaarden van artikel 49 beantwoordt, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid voldoen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.

De toepassing van het eerste lid of van het derde lid ontslaat de inrichtende macht er niet van een oproep te doen tot kandidaten voor een vaste benoeming in het bevorderingsambt tijdens de drie dienstjaren die volgen op dat waarin het bevorderingsambt het voorwerp was van een tijdelijke aanstelling met toepassing van het eerste lid.

Als na drie dienstjaren bedoeld in het vorige lid, het personeelslid dat tijdelijk een bevorderingsambt toegewezen kreeg met toepassing van het eerste lid, de voorwaarde bedoeld in artikel 49, eerste lid, 5°, nog niet vervult, moet de inrichtende macht elk jaar een oproep doen tot kandidaten voor de vaste benoeming in het bevorderingsambt.

Het personeelslid dat tijdelijk een bevorderingsambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan door de inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden.

De bepalingen van het derde lid en het vierde lid zijn niet van toepassing in de gevallen bedoeld in artikel 50, § 1, 1° en 2°. § 2. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat in vast verband benoemd is overeenkomstig de bepalingen die voorafgaan, kan het bovenvermelde ambt tijdelijk toevertrouwen aan een prioritair tijdelijk personeelslid dat aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° titularis zijn, in tijdelijk verband, van een ambt met ten minste de helft van het minimum aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen in het onderwijs georganiseerd door de betrokken inrichtende macht;2° één of meer ambten, in tijdelijk verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen bevorderingsambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 101 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat aan de voorwaarden van artikel 49 voldoet en dat zij slechts één personeelslid heeft dat aan de voorwaarden van § 1 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet ze een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid voldoen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.

De toepassing van het eerste lid of het tweede lid ontslaat de inrichtende macht er niet van elk jaar een oproep te doen tot kandidaten voor een vaste benoeming in het bevorderingsambt.

Het personeelslid dat tijdelijk en prioritair is aangesteld overeenkomstig dit artikel, wordt geacht aan de in artikel 49, eerste lid, 1°, bedoelde voorwaarde te voldoen na het verstrijken van een termijn van zes jaar als tijdelijke in het bevorderingsambt.

Het personeelslid dat tijdelijk een bevorderingsambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan door de inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden. § 3. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid in vast verband of aan een prioritair tijdelijk personeelslid overeenkomstig de bepalingen die voorafgaan, kan een beroep doen op een personeelslid in vast verband dat tot een andere gesubsidieerde officiële inrichtende macht behoort en dat aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° titularis zijn, in vast verband, binnen deze andere inrichtende macht van een ambt met ten minste de helft van het minimum aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen;2° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen bevorderingsambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs. Tijdens de periode waarin het tijdelijk het bevorderingsambt uitoefent, blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het binnen zijn oorspronkelijke inrichtende macht in vast verband benoemd is.

Het personeelslid dat tijdelijk is aangesteld in een bevorderingsambt overeenkomstig deze paragraaf, wordt in dit bovenvermelde ambt in vast verband benoemd na een termijn van zes jaar indien het op dat ogenblik de voorwaarden bedoeld in artikel 49, eerste lid, 4° en 5° vervult, en indien de inrichtende macht hem niet ontlast heeft.

Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat aan de voorwaarden van artikel 49 en van § 1 van dit artikel voldoet en dat zij slechts één personeelslid heeft dat aan de voorwaarden van § 2 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet ze een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid voldoen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.

De toepassing van het eerste lid of van het vierde lid ontslaat de inrichtende macht er niet van elk jaar een oproep te doen tot kandidaten voor een vaste benoeming in het bevorderingsambt tijdens de drie dienstjaren die volgen op dat waarin het bevorderingsambt het voorwerp was van een tijdelijke aanstelling met toepassing van het eerste lid.

Het personeelslid dat tijdelijk een bevorderingsambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan door de inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden.

De bepalingen van het tweede lid en het derde lid zijn niet van toepassing in de gevallen bedoeld in artikel 50, § 1, 1° en 2°. § 4. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid overeenkomstig de bepalingen die voorafgaan, kan het bovenvermelde ambt tijdelijk toevertrouwen aan een tijdelijk personeelslid dat aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° titularis zijn, in tijdelijk verband, van een ambt met ten minste de helft van het minimaal aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen in het onderwijs georganiseerd door de betrokken inrichtende macht;2° één of meer ambten, in tijdelijk verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen bevorderingsambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat aan de voorwaarden van artikel 49, van § 1 en van § 2 van dit artikel beantwoordt, en dat ze slechts één personeelslid heeft dat aan de voorwaarden van § 3 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid voldoen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.

De toepassing van het eerste lid of het tweede lid ontslaat de inrichtende macht er niet van elk jaar een oproep te doen tot kandidaten voor een vaste benoeming in het bevorderingsambt.

Het personeelslid dat tijdelijk aangesteld is overeenkomstig dit artikel, wordt geacht aan de in artikel 40, eerste lid, 1° en 2°, bedoelde voorwaarde te voldoen na het verstrijken van een termijn van zes jaar als tijdelijke in het bevorderingsambt.

Het personeelslid dat tijdelijk een bevorderingsambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan door inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden. § 5. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt in een inrichting voor sociale promotie tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid overeenkomstig de bepalingen die voorafgaan, kan het bovenvermelde ambt tijdelijk toevertrouwen aan een personeelslid dat aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° een dienstanciënniteit van zeven jaar binnen de inrichtende macht hebben verworven in één van de wervings-, selectie- of bevorderingsambten van de betrokken categorie, berekend volgens de nadere regels bepaald in artikel 34 van het voornoemde decreet van 6 juni 1994;2° titularis zijn, in vast verband, van één of meer ambten met ten minste de helft van het minimaal aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen in het onderwijs georganiseerd door de betrokken inrichtende macht;3° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen in het secundair onderwijs en/of in een hogeschool, en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat aan de voorwaarden van artikel 49, van § 1 en van § 2 van dit artikel, en dat ze slechts één personeelslid heeft dat aan de voorwaarden van § 3 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid voldoen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden. » Artikel 52bis, § 1. Elke tijdelijke aanstelling in het bevorderingsambt wordt schriftelijk vastgesteld en worden de vermeldingen zoals bedoeld in artikel 21, met uitzondering van 7°, erin opgenomen. § 2. De inrichtende macht mag niet overgaan tot een tijdelijke aanstelling in een betrekking van bevordering als zij, krachtens de bepalingen betreffende de reaffectatie, verplicht is deze betrekking toe te kennen aan een personeelslid dat ter beschikking is gesteld bij ontstentenis van betrekking. § 3. Een tijdelijke aanstelling in een bevorderingsbetrekking loopt ten einde : a) in onderlinge overeenstemming;b) bij beslissing van de inrichtende macht ten gevolge van de procedure bedoeld in § 4 van dit artikel of ten gevolge van de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk Vbis ;c) of met toepassing van artikel 22, eerste lid. Nochtans heeft het einde van het schooljaar geen gevolg op de tijdelijke aanstelling in een bevorderingsbetrekking. § 4. Mits een opzeggingstermijn van 15 dagen kan de inrichtende macht een einde maken aan de aanstelling van een personeelslid dat tijdelijk werd aangesteld in een bevorderingsambt.

Voorafgaandelijk aan de mededeling van elke beslissing betreffende het einde van de aanstelling moet het personeelslid de gelegenheid gekregen hebben om door de inrichtende macht te worden verhoord.

De oproeping tot de hoorzitting, alsook de motieven waarom de inrichtende macht overweegt een einde te maken aan de aanstelling van het personeelslid, moeten hem kenbaar worden gemaakt vijf werkdagen voor de hoorzitting, hetzij bij een ter post aangetekende brief, hetzij door persoonlijke overhandiging met ontvangstbewijs. Tijdens de hoorzitting mag het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger gekozen onder de personeelsleden, in actieve dienst of gepensioneerd van het gesubsidieerd officieel onderwijs, of door een vertegenwoordiger van een vakorganisatie die de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs vertegenwoordigt, aangesloten bij de organisaties die zetelen binnen de Nationale Arbeidsraad. Er wordt een proces-verbaal van de hoorzitting opgemaakt. De procedure wordt geldig voortgezet wanneer het personeelslid, dat volgens de regels is opgeroepen, niet verschijnt op de hoorzitting of er niet vertegenwoordigd is.

Artikel 52ter.Elk personeelslid mag krachtens artikel 49 van zijn benoeming afzien binnen de 600 dagen die volgen op zijn eerste toetreding tot het bevorderingsambt. In dit geval reïntegreert het personeelslid definitief zijn ambt van afkomst.

De inrichtende macht kan, met het oog op de continuïteit van het bevorderingsambt of om de stabiliteit van de pedagogische teams niet in het gedrang te brengen, het herstellen van het personeelslid in zijn oorspronkelijke ambt uitstellen met hoogstens 6 maanden na de aanvraag van het personeelslid.

Artikel 52quater.De artikelen 49 tot 52ter zijn niet van toepassing op de bevorderingsambten van directeur van een kleuterschool, directeur van een lagere school, directeur van een basisschool, directeur van het lager secundair onderwijs of van studieprefect of directeur, bepaald door het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs. »

Art. 78.In hetzelfde decreet wordt een Hoofdstuk V bis ingevoegd, luidend als volgt : « Hoofdstuk Vbis. - Opdrachtenblad, evaluatie en einde van de uitoefening van sommige bevorderings- en selectieambten.

Artikel 52quinquies, § 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de personeelsleden die titularis zijn van een bevorderingsambt of een selectieambt, zoals bedoeld in de artikelen 4, 3° eb 5, 1° en 2° van het decreet van 4 januari 1999 betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten in het onderwijs met volledig leerplan, en op artikel 50 van het decreet van 2 juni 1998 houdende organisatie van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap.

Het is ook van toepassing op de personeelsleden die titularis zijn van een selectieambt, zoals bedoeld in artikel 6ter, 6°, b) van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 2 oktober 1968 tot vaststelling en rangschikking van de ambten der leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel, van het psychologisch personeel, van het maatschappelijk personeel der inrichtingen voor voorschools, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch, kunstonderwijs, onderwijs voor sociale promotie en hoger onderwijs buiten de universiteit van de Franse Gemeenschap en de ambten der personeelsleden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen in het onderwijs met volledig leerplan. § 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder « directeur » het personeelslid dat titularis is, in welke hoedanigheid dan ook, van het bevorderingsambt van directeur van een kleuterschool, directeur van een lagere school, directeur van een basisschool, directeur van het lager secundair onderwijs of van studieprefect of directeur, zoals opgesomd in de artikelen 3 en 4, 1° en 2° van het decreet van 4 januari 1999 betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten of van het bevorderingsambt van directeur van een inrichting voor sociale promotie, zoals bedoeld in artikel 6ter, 6°, a van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 2 oktober 1968 tot vaststelling en rangschikking van de ambten der leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel, van het psychologisch personeel, van het maatschappelijk personeel der inrichtingen voor voorschools, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch, kunstonderwijs, onderwijs voor sociale promotie en hoger onderwijs buiten de universiteit van de Franse Gemeenschap en de ambten der personeelsleden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen in het onderwijs met volledig leerplan. Afdeling I. - Het opdrachtenblad

Artikel 52sexies.Bij de indiensttreding van het personeelslid bedoeld in artikel 52quinquies van dit decreet wijst de directeur hem een opdrachtenblad toe dat voorafgaandelijk goedgekeurd werd door de inrichtende macht.

Dit bovenvermelde blad bepaalt de opdrachten van het personeelslid bedoeld in artikel 52quinquies en de prioriteiten die hem worden toegewezen, in functie van de behoeften van de inrichting waarin het geaffecteerd wordt en in functie van de doelstellingen opgenomen in het opdrachtenblad dat de directeur zelf heeft gekregen overeenkomstig hoofdstuk III van titel II van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.

Artikel 52septies, § 1. De duur van het opdrachtenblad bedraagt zes jaar. § 2. De inhoud van het opdrachtenblad kan gewijzigd worden, op grond van de evolutie van de behoeften en van de werking van de inrichting vóór het einde van de geldigheidsduur ervan ten vroegste na twee jaar door de directeur.

In afwijking van het eerste lid kan de inhoud van het opdrachtenblad vóór zijn geldigheidsduur gewijzigd worden, in onderlinge overeenstemming tussen de directeur en het personeelslid bedoeld in artikel 52quinquies.

Het gewijzigde opdrachtenblad wordt ter goedkeuring aan de inrichtende macht voorgelegd.

Artikel 52octies, § 1. In afwijking van artikel 52sexies, § 1, eerste lid, kan de directeur, indien nodig en mits voorafgaande goedkeuring van de inrichtende macht, een opdrachtenblad toevertrouwen aan het personeelslid dat tijdelijk wordt aangesteld in de uitoefening van een ambt bedoeld in artikel 52quinqies van dit decreet.

De directeur wijst van ambtswege een opdrachtenblad dat voorafgaandelijk werd goedgekeurd door de inrichtende macht, aan het personeelslid toe dat tijdelijk wordt aangesteld in de uitoefening van een ambt bedoeld in artikel 52quinquies voor een duur die gelijk is aan of langer is dan één jaar, of wanneer de duur van de aanstelling ten minste één jaar bedraagt. § 2. Het opdrachtenblad bedoeld in dit artikel kan tot doel hebben het opdrachtenblad van het personeelslid bedoeld in artikel 52quinquies dat vervangen wordt te bevestigen of in een nieuw document op te stellen. Afdeling II. - De opleidingsevaluatie

Artikel 52novies.Deze afdeling is van toepassing op het in vast verband benoemde personeelslid.

Ze is ook van toepassing op het personeelslid dat tijdelijk wordt aangesteld in de uitoefening van een ambt bedoeld in artikel 52quinquies voor een duur die gelijk is aan of langer is dan één jaar, of wanneer de aanstelling ten minste één jaar bedraagt. De benaming "personeelslid » bedoeld in deze afdeling heeft ook betrekking op dit personeelslid.

Artikel 52decies.Om de vijf jaar na zijn benoeming in vast verband of zijn tijdelijke aanstelling moet het personeelslid een evaluatie ondergaan die gezamenlijk gebeurt door de inrichtende macht en de directeur.

Indien deze laatste het nuttig achten, kunnen ze het personeelslid vroeger evalueren.

Nochtans mag het personeelslid niet meer dan twee keer geëvalueerd worden over een periode van tien jaar.

Artikel 52undecies.De evaluatie baseert zich op de uitvoering van het opdrachtenblad bedoeld in afdeling I van dit hoofdstuk en op de praktische toepassing van de bevoegdheden verworven in het kader van de opleidingen bedoeld in artikel 40, 6° van dit decreet wat betreft de selectieambten en in artikel 49, 5° van dit decreet voor de bevorderingsambten.

Ze houdt rekening met de globale context waarin het personeelslid evolueert en met de middelen die hem ter beschikking worden gesteld.

Artikel 52duodecies.In functie van deze evaluatie komen de inrichtende macht en de directeur overeen met het personeelslid over de verbeteringen die moeten aangebracht worden. Afdeling 3. - Het einde van de uitoefening van sommige

bevorderingsambten en selectieambten door de tijdelijke onderwijzende personeelsleden.

Artikel 52terdecies.Mits een opzeggingstermijn van 15 dagen kan de inrichtende macht, ofwel op voorstel van de directeur, ofwel op eigen initiatief, een einde maken aan de aanstelling van een personeelslid bedoeld in artikel 52quinquies dat tijdelijk werd aangesteld.

Voorafgaandelijk aan de mededeling van elke beslissing betreffende het einde van de aanstelling moet het personeelslid de gelegenheid gekregen hebben om door de inrichtende macht te worden verhoord.

De oproeping tot de hoorzitting, alsook de motieven waarom de inrichtende macht overweegt een einde te maken aan de aanstelling van het personeelslid of waarom de directeur overweegt een voorstel ervan te maken aan de inrichtende macht, moeten hem kenbaar worden gemaakt vijf werkdagen voor de hoorzitting, hetzij bij een ter post aangetekende brief, hetzij door persoonlijke overhandiging met ontvangstbewijs, die uitwerking heeft met ingang van de datum opgenomen op dit ontvangbewijs. Tijdens de hoorzitting mag het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger gekozen onder de personeelsleden, in actieve dienst of gepensioneerd van het gesubsidieerd officieel onderwijs, of door een vertegenwoordiger van een vakorganisatie die de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs vertegenwoordigt, aangesloten bij de organisaties die zetelen binnen de Nationale Arbeidsraad. De procedure wordt geldig voortgezet wanneer het personeelslid, dat volgens de regels is opgeroepen, niet verschijnt op de hoorzitting of er niet vertegenwoordigd is. HOOFDSTUK III. - Het gesubsidieerd vrij onderwijs Afdeling I. - Algemene voorwaarden voor de toegang tot de stage en

voor de toekenning van betrekkingen van directeur

Art. 79.§ 1. De inrichtende macht die een personeelslid moet toelaten tot de stage in het bevorderingsambt van directeur : 1° raadpleegt, volgens het geval, de ondernemingsraad, de plaatselijke overleginstantie, of bij gebreke hiervan, de vakorganisatie, over het profiel van het toe te kennen ambt van directeur;2° ontvangt van de personeelsleden alle informatie die deze nuttig achten (om) hem mee te delen met het oog op de toelating tot de stage. § 2. De inrichtende macht, na toepassing van § 1 : 1° bepaalt het profiel van het toe te kennen ambt van directeur.In dit kader kan de inrichtende macht bijkomende criteria toevoegen aan de voorwaarden voor de toelating tot de stage bedoeld in artikel 80 van dit decreet; 2° doet een oproep tot kandidaten volgens de vormen vastgesteld door de Regering op voorstel van de centrale paritaire commissie.» § 3. De inrichtende macht deelt aan de kandidaten de motieven mee van haar keuze van de stagedoende directeur, gelet op de criteria vastgesteld in het profiel van het bepaalde ambt overeenkomstig dit artikel.

Art. 80.Niemand kan tot de stage worden toegelaten in het bevorderingsambt van directeur indien hij niet op het ogenblik van de toelating tot de stage aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° titularis zijn sinds ten minste zeven jaar binnen het gesubsidieerd vrij onderwijs van de betrokken aard van één van de wervingsambten, selectieambten of bevorderingsambten van de betrokken categorie.Deze anciënniteit wordt berekend volgens de nadere regels bepaald in artikel 29 bis of 29 ter van het voornoemde decreet van 1 februari 1993; 2° titularis zijn, in vast verband, vóór de toelating tot de stage, van een ambt met ten minste de helft van het minimaal aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen in het gesubsidieerd vrij onderwijs van de betrokken aard;3° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen ambt van directeur en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van dit decreet;4° voorafgaandelijk de slaagattesten hebben bekomen voor ten minste drie opleidingsmodules bedoeld in de artikelen 17, § 1 en 18, § 1 van dit decreet.5° gevolg hebben gegeven aan de oproep tot kandidaten bedoeld in artikel 79, § 2, 2°. In het basisonderwijs moet de anciënniteit bedoeld in het eerste lid, 1° op het basisniveau verworven zijn. In afwijking van het eerste lid, 2°, wordt in het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan aan de voorwaarde voor de uitoefening van een ambt naar rata van ten minste een halve opdracht beantwoord als deze vervuld is in het onderwijs georganiseerd binnen één of meer inrichtende machten van het gesubsidieerd onderwijs. »

Art. 81.§ 1. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een personeelslid tot de stage toe te laten overeenkomstig artikel 80, kan tot de stage toelaten : a) ofwel een personeelslid dat aan alle voorwaarden van artikel 80 voldoet behalve aan deze bedoeld in het eerste lid, 4° en 5°. Dit personeelslid wordt bij voorkeur toegelaten tot de verschillende opleidingsmodules. b) ofwel een personeelslid dat aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° titularis zijn sinds ten minste zeven jaar in het gesubsidieerd onderwijs van één van de wervingsambten, selectieambten of bevorderingsambten van de betrokken categorie.Deze anciënniteit wordt berekend volgens de nadere regels bepaald in artikel 29bis of 29ter van het decreet van 1 februari 1993 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs; 2° titularis zijn, in vast verband, vóór de toelating tot de stage, van een ambt met ten minste de helft van het minimum aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen in het gesubsidieerd onderwijs;3° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen ambt van directeur en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van dit decreet;4° voorafgaandelijk slaagattesten te hebben bekomen voor ten minste drie opleidingsmodules bedoeld in de artikelen 17, § 1 en 18, § 1 van dit decreet. In het basisonderwijs moet de anciënniteit bedoeld in het eerste lid, b), 1° op het basisniveau verworven zijn. § 2. Elke inrichtende macht die bewijst dat ze slechts één kandidaat heeft voor de toelating tot de stage die aan de voorwaarden van artikel 80 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van § 1 van dit artikel beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van § 1 van dit artikel beantwoorden, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.

Art. 82.§ 1. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een personeelslid tot de stage toe te laten overeenkomstig artikel 80 of artikel 81, kan een personeelslid in vast verband tot de stage toelaten dat aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° titularis zijn, in vast verband, vóór de toelating tot de stage, van een ambt met ten minste de helft van het minimum aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen in het gesubsidieerd vrij onderwijs van de betrokken aard;2° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen ambt van directeur en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van dit decreet. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een personeelslid tot de stage toe te laten overeenkomstig artikel 80 en dat ze slechts één kandidaat heeft voor de toelating tot de stage die aan de voorwaarden van artikel 81 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden, behalve als de oorspronkelijke oproep al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden. § 2. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een personeelslid tot de stage toe te laten overeenkomstig artikel 80, artikel 81 of § 1 van dit artikel, kan tot de stage toelaten : a) ofwel een prioritair tijdelijk personeelslid in de zin van artikel 34, § 1 van het voornoemde decreet van 1 februari 1993, dat aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° titularis zijn, in tijdelijk verband, vóór de toelating tot de stage, van een ambt met ten minste de helft van het minimum aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen in het gesubsidieerd vrij onderwijs van de betrokken aard;2° één of meer ambten, in tijdelijk verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen ambt van directeur en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van dit decreet. De stage van het personeelslid bedoeld in het eerste lid dat, na zijn stage, niet aan de voorwaarde vereist in artikel 80, eerste lid, 1° voldoet, wordt verlengd totdat het aan de bovenvermelde voorwaarde beantwoordt.

Het personeelslid bedoeld in het eerste lid wordt geacht benoemd te zijn in zijn oorspronkelijke wervingsambt, selectieambt of bevorderingsambt vanaf het ogenblik dat het in zijn ambt van directeur benoemd is. b) ofwel een in vast verband aangeworven personeelslid dat aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° titularis zijn, in vast verband, vóór de toelating tot de stage, van een ambt met ten minste de helft van het minimum aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen in het gesubsidieerd onderwijs;2° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen ambt van directeur en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van dit decreet. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een personeelslid tot de stage toe te laten overeenkomstig de artikelen 80 en 81 en dat ze slechts één kandidaat heeft voor de toelating tot de stage die aan de voorwaarden van § 1 van dit artikel voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot de kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden. § 3. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een personeelslid tot de stage toe te laten overeenkomstig artikel 80, artikel 81 of §§ 1 en 2 van dit artikel, kan tot de stage toelaten : a) ofwel een tijdelijk personeelslid dat aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° titularis zijn, in tijdelijk verband, vóór de toelating tot de stage, van een ambt met ten minste de helft van het minimaal aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties uit te oefenen in het gesubsidieerd vrij onderwijs van de betrokken aard;2° één of meer ambten, in tijdelijk verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen ambt van directeur en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van dit decreet. Het personeelslid bedoeld in het eerste lid dat, na zijn stage, aan de voorwaarde vereist in artikel 80, eerste lid, 1°, niet voldoet, zal zijn stage moeten verlengen totdat het aan de bovenvermelde voorwaarde beantwoordt.

Het personeelslid bedoeld in het eerste lid wordt geacht benoemd te zijn in zijn oorspronkelijke wervingsambt, selectieambt of bevorderingsambt vanaf het ogenblik dat het in zijn ambt van directeur benoemd is. b) ofwel een personeelslid dat ten minste zes jaar in vast verband titularis is van een wervingsambt of selectieambt met ten minste een halve opdracht in een gesubsidieerd psycho-medisch-sociaal centrum voor zover het houder is van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van dit decreet. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een personeelslid tot de stage toe te laten overeenkomstig de artikelen 80, 81 en van § 1 van dit artikel, en dat ze slechts één kandidaat heeft voor de toelating tot de stage die aan de voorwaarden van § 2 van dit artikel voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet ze een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid voldaan, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden. § 4. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een personeelslid tot de stage toe te laten in een ambt van directeur van een kleuter-, lager of basisonderwijs overeenkomstig artikel 80, artikel 81 of §§ 1 tot 3 van dit artikel, kan tot de stage in het bovenvermelde ambt een personeelslid toelaten dat aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° sinds ten minste zeven jaar titularis zijn binnen het gesubsidieerd vrij onderwijs van de betrokken aard, van één van de wervingsambten, selectieambten of bevorderingsambten van de betrokken categorie.Deze anciënniteit wordt berekend volgens de nadere regels bepaald in artikel 29bis van het voornoemde decreet van 1 februari 1993; 2° titularis zijn, in vast verband, vóór de toelating tot de stage, van een ambt met ten minste de helft van het minimaal aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen in het gesubsidieerd vrij onderwijs van de betrokken aard;3° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen in het secundair onderwijs van de lagere graad en houder zijn van een diploma van GLSO, voor zover het gaat om een verworven bekwaamheidsbewijs of een voldoend bekwaamheidsbewijs van groep A voor het uitgeoefende ambt;4° voorafgaandelijk slaagattesten hebben bekomen voor ten minste drie opleidingsmodules bedoeld in de artikelen 17, § 1 en 18, § 1 van dit decreet;5° gevolg hebben gegeven aan de oproep tot kandidaten bedoeld in artikel 79, § 2, 2°. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een personeelslid tot de stage toe te laten overeenkomstig de artikelen 80, 81 en §§ 1 en 2 van dit artikel, en dat ze slechts één kandidaat heeft voor de toelating van de stage die aan de voorwaarden van § 3 van dit artikel voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid voldoen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden. § 5. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een personeelslid tot de stage toe te laten in een ambt van directeur van een inrichting voor sociale promotie, overeenkomstig de artikelen 80 en 81 of §§ 1 tot 3 van dit artikel, kan in het bovenvermelde ambt een personeelslid tot de stage toelaten dat aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° sinds ten minste zeven jaar titularis zijn, binnen het gesubsidieerd vrij onderwijs van de betrokken aard, van één van de wervingsambten, selectieambten en bevorderingsambten van de betrokken categorie.Deze anciënniteit wordt berekend volgens de nadere regels bepaald in artikel 29bis van het voornoemde decreet van 1 februari 1993; 2° titularis zijn, in vast verband, vóór de toelating tot de stage, van één of meer ambten met ten minste de helft van het minimaal aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen in het gesubsidieerd vrij onderwijs van de betrokken aard;3° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen in het secundair onderwijs en/of in een hogeschool en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van dit decreet;4° voorafgaandelijk de slaagattesten hebben bekomen voor ten minste drie opleidingsmodules bedoeld in de artikelen 17, § 1 en 18, § 1 van dit decreet;5° gevolg hebben gegeven aan de oproep tot kandidaten bedoeld in artikel 79, § 2, 2°. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een personeelslid tot de stage toe te laten overeenkomstig de artikelen 83, 84 en §§ 1 en 2 van dit artikel, en dat ze slechts één kandidaat heeft voor de toelating tot de stage die aan de voorwaarden van § 3 van dit artikel voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden. § 6. In afwijking van artikel 20, § 2 wordt het personeelslid dat overeenkomstig dit artikel tot de stage wordt toegelaten, bij voorrang toegelaten tot de verschillende opleidingsmodules. Afdeling II. - De tijdelijke aanwerving in een betrekking van

directeur

Art. 83.§ 1. Het ambt van directeur kan tijdelijk toevertrouwd worden aan een personeelslid dat aan alle voorwaarden bedoeld in artikel 80 voldoet : 1° indien de titularis van het ambt tijdelijk afwezig is;2° in het geval bedoeld in artikel 57 van het voornoemde decreet van 1 februari 1993; Tijdens deze periode blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het in vast verband wordt aangeworven. § 2. In afwijking van § 1, eerste lid, voor elke aanwerving van een duur die gelijk is aan of korter is dan 15 weken, wordt de voorwaarde bedoeld in artikel 80, eerste lid, 4° en 5° niet vereist.

In afwijking van § 1, eerste lid, kan het ambt van directeur tijdelijk toevertrouwd worden aan een personeelslid onder de voorwaarden van het eerste lid bij overlijden van de directeur die titularis is van de betrekking, tijdens de tijd die nodig is voor de toelating tot de stage van een stagedoende directeur in het kader van de procedure bedoeld in afdeling 1 van dit hoofdstuk. Deze aanstelling loopt van ambtswege ten einde op de datum van de toelating tot de stage die plaats vindt na deze procedure en uiterlijk na vijftien weken. § 3. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is het bevorderingsambt van directeur tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat in vast verband is aangeworven en dat aan alle voorwaarden bedoeld in artikel 80 voldoet, kan het bevorderingsambt van directeur tijdelijk aan een personeelslid toevertrouwen met inachtneming van de artikelen 81 en 82. § 4. In afwijking van artikel 80 wordt het personeelslid dat tijdelijk wordt aangesteld in een niet-vacante betrekking voor een duur van meer dan 15 weken, in vast verband aangeworven in de betrekking die het bekleedt als deze vacant wordt met inachtneming van de bepalingen van artikel 55 van het decreet van 1 februari 1993 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs, op voorwaarde : 1° dat het sinds ten minste 2 jaar ononderbroken tijdelijk aangesteld is op de datum waarop de betrekking vacant is geworden;2° dat het ten minste twee evaluaties heeft gekregen waarvan de laatste aanleiding heeft gegeven tot de toekenning van de vermelding « gunstig ».Daartoe en onverminderd artikel 86 wordt het personeelslid bedoeld in deze paragraaf van ambtswege een eerste keer geëvalueerd na één jaar vanaf zijn aanstelling, alsook een tweede keer één jaar na deze eerste evaluatie, met toepassing van de regels bedoeld in artikel 33, § 2 tot § 5.

Het personeelslid bedoeld in deze paragraaf kan, nochtans, op zijn aanvraag, toegelaten worden tot de stage in de vacante betrekking bedoeld in het eerste lid. In dit geval duurt de stage één jaar.

Nochtans wordt het personeelslid bedoeld in deze paragraaf van ambtswege tot de stage toegelaten in de vacante betrekking bedoeld in het eerste lid indien het voorafgaandelijk aan zijn laatste evaluatie één keer de vermelding « met voorbehoud » heeft gekregen. In dit geval duurt de stage één jaar; op het einde van dat jaar vindt een laatste evaluatie plaats. Het personeelslid wordt aangeworven in de vacante betrekking bedoeld in het eerste lid indien het de vermelding « gunstig » krijgt bij deze laatste evaluatie.

Art. 84.§ 1. Elke tijdelijke aanwerving in een betrekking van directeur wordt schriftelijk vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 31 van het voornoemde decreet van 1 februari 1993, met uitzondering van 8°. § 2. De tijdelijke aanwerving in een betrekking van directeur is slechts mogelijk na de toepassing door de inrichtende macht van de bepaling van artikel 55, 1° van het voornoemde decreet van 1 februari 1993. § 3. Een tijdelijke aanwerving in een betrekking van directeur loopt ten einde overeenkomstig artikel 71nonies van het voornoemde decreet van 1 februari 1993.

Het einde van het schooljaar heeft geen gevolg voor de tijdelijke aanwerving in een betrekking van directeur. Afdeling III. - De opleidingsevaluatie van directeurs aangeworven in

vast verband of aangesteld in tijdelijk verband voor een duur die gelijk is aan of langer is dan één jaar, of wanneer de aanstelling ten minste één jaar bedraagt

Art. 85.Deze afdeling is van toepassing op de in vast verband aangeworven directeurs.

Ze is ook van toepassing op het personeelslid aan wie een ambt van directeur tijdelijk wordt toevertrouwd voor een duur die gelijk is aan of langer is dan een jaar, of wanneer de aanstelling ten minste één jaar bedraagt. De benaming « directeur » bedoeld in deze afdeling heeft ook betrekking op dit personeelslid.

Art. 86.Om de vijf jaar na zijn benoeming in vast verband of zijn tijdelijke aanstelling wordt elke directeur door de inrichtende macht geëvalueerd.

Voor de toepassing van het eerste lid kan de inrichtende macht zich door deskundigen laten begeleiden.

Indien de inrichtende macht het nuttig acht, kan zij de directeur vroeger evalueren.

Nochtans mag de directeur over een periode van tien jaar niet meer dan twee keer geëvalueerd worden.

Art. 87.De evaluatie baseert zich op de uitvoering van het opdrachtenblad bedoeld in hoofdstuk III van Titel II en op de toepassing van de bevoegdheden verworven in het kader van de artikelen 12, 13 en 14.

Ze houdt rekening met de globale context waarin de directeur moet evolueren en met de middelen die hem ter beschikking worden gesteld.

In dit kader houdt de inrichtende macht inzonderheid rekening met de bepalingen van het voornoemde decreet van 24 juli 1997 voor het leerplichtonderwijs, van het voornoemde decreet van 16 april 1991 voor het onderwijs voor sociale promotie en voor het secundair kunstonderwijs met beperkte leerplan, het voornoemde decreet van 2 juni 1998 voor het educatief project, het pedagogisch project en het inrichtingsproject.

Art. 88.In functie van deze evaluatie komen de inrichtende macht en de directeur overeen over de verbeteringen die moeten aangebracht worden. Afdeling IV. - Overgang tussen bevorderingsambten, selectieambten en

wervingsambten

Art. 89.Artikel 41ter van het decreet van 1 februari 1993, ingevoegd bij het decreet van 10 april 1995 en gewijzigd bij het decreet van 19 december 2002, wordt vervangen als volgt : «

Artikel 41ter.Een personeelslid dat definitief aangeworven is in een selectieambt of bevorderingsambt bij een inrichtende macht kan, indien het hierom verzoekt en met de toestemming van de inrichtende macht, definitief aangeworven worden in een definitief vacante betrekking van een wervingsambt, een selectieambt of een bevorderingsambt dat aanleiding geeft tot zijn huidige ambt door een inrichtende macht waar het reeds een definitieve aanwerving in een wervingsambt, een selectieambt of een bevorderingsambt heeft genoten, overeenkomstig de bepalingen van artikel 29quater, 1°.

Een personeelslid dat definitief aangeworven is in een selectieambt of bevorderingsambt bij een inrichtende macht kan, indien het hierom verzoekt en met de toestemming van de inrichtende macht, definitief aangeworven worden in een definitief vacant geworden betrekking van een wervingsambt, een selectieambt of een bevorderingsambt dat aanleiding geeft tot zijn huidige ambt door een andere inrichtende macht dan deze bedoeld in het eerste lid, overeenkomstig de bepalingen van artikel 29quater, 3°.

Voor de toepassing van het eerste lid en tweede lid en onverminderd artikel 29quinquies, kan de aanwerving plaatsvinden, ongeacht de datum. Ze kan slechts worden toegewezen als het lid voldoet aan alle voorwaarden bepaald, naar gelang van het geval : a) in artikel 42, § 1, met uitzondering van 8° wat betreft de ambtsanciënniteit en van 10° en 12°;b) in artikel 51 moeten de voorwaarden worden vervuld in het gesubsidieerd onderwijs;c) in artikel 59 moeten de voorwaarden worden vervuld in het gesubsidieerd onderwijs;d) in artikel 80 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van directeurs, moeten de voorwaarden worden vervuld in het gesubsidieerd onderwijs. Voor de toepassing van de punten b), c) en d) van het derde lid wordt de eis om de opleiding betreffende een bepaald ambt op te volgen, geacht van ambtswege bereikt te zijn indien het personeelslid titularis in vast verband van dit ambt is geweest vóór de uitoefening van zijn huidige ambt.

Het personeelslid bedoeld in dit artikel krijgt een weddeschaal van het ambt waarin het in vast verband werd aangeworven overeenkomstig deze bepaling.

Nochtans geniet het personeelslid bedoeld in dit artikel, dat tijdens ten minste tien jaar het selectieambt of het bevorderingsambt in vast verband, dat het verlaat, uitgeoefend heeft, een degressief weddeschaalstelsel om vanaf het derde jaar de weddeschaal te hebben van het ambt waarin het in vast verband is aangeworven overeenkomstig dit artikel, dat vastgesteld is als volgt : a) tijdens het eerste jaar dat volgt op zijn nieuwe affectatie geniet het personeelslid een weddeschaal van het ambt waarin het geaffecteerd is, vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan 66 % van het verschil tussen, enerzijds, de weddeschaal die het genoot in het ambt dat het verlaten heeft en, anderzijds, de weddeschaal van het ambt waarin het geaffecteerd is;b) tijdens het tweede jaar dat volgt op zijn nieuwe affectatie geniet het personeelslid de weddeschaal van het ambt waarin het geaffecteerd is, vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan 33 % van het verschil tussen, enerzijds, de weddeschaal die het genoot in het ambt dat het verlaten heeft en, anderzijds, de weddeschaal van het ambt waarin het geaffecteerd is.»

Art. 90.Punt 2° van artikel 48 van hetzelfde decreet wordt aangevuld als volgt : « of is aangesteld in deze betrekking overeenkomstig artikel 41ter. »

Art. 91.Punt 2° van artikel 55 van hetzelfde decreet wordt aangevuld als volgt : « of is aangesteld in deze betrekking overeenkomstig artikel 41ter. » Afdeling V. - Wijzigingsbepalingen

Art. 92.In het voornoemde decreet van 1 februari 1993 wordt een artikel 50bis toegevoegd, luidend als volgt : « Artikel 50bis, § 1. De inrichtende macht die een personeelslid in vast verband moet aanwerven in een selectieambt : 1° raadpleegt de directeur van de inrichting alsook, volgens het geval, de ondernemingsraad, de plaatselijke overleginstantie, of bij gebreke hiervan, de vakvereniging, over het profiel van het toe te kennen selectieambt;2° ontvangt van alle personeelsleden alle informatie die deze nuttig achten (om) hem mee te delen met het oog op de vaste benoeming. § 2. De inrichtende macht, na toepassing van § 1 : 1° bepaalt het profiel van het toe te kennen selectieambt.In dit kader kan de inrichtende macht bijkomende criteria toevoegen aan de voorwaarden voor de vaste benoeming bedoeld in artikel 51; 2° doet een oproep tot kandidaten volgens de vormen vastgesteld door de Regering.» § 3. De inrichtende macht deelt aan de kandidaten de motieven mee van haar keuze van het personeelslid dat aangeworven is in vast verband in het selectieambt, gelet op de criteria vastgesteld in het profiel van het ambt bepaald overeenkomstig dit artikel. »

Art. 93.Artikel 51 van het voornoemde decreet van 1 februari 1993 wordt vervangen als volgt : «

Artikel 51.Niemand kan in vast verband worden aangeworven in een selectieambt indien hij niet op het ogenblik van de aanwerving aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° een dienstanciënniteit van ten minste zes jaar binnen het gesubsidieerd onderwijs te hebben verworven in één van de wervings-, selectie- of bevorderingsambten van de betrokken categorie, berekend volgens de nadere regels bepaald in artikel 29bis ;2° aangeworven zijn, in vast verband, in één van deze ambten in het gesubsidieerd vrij onderwijs van de betrokken aard;3° titularis zijn, in vast verband, vóór deze aanwerving, van één ambt met ten minste een halve opdracht in het gesubsidieerd vrij onderwijs van de betrokken aard;4° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen selectieambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 101 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs;5° voorafgaandelijk een specifieke opleiding hebben gevolgd die bekrachtigd wordt door een getuigschrift dat bewijst dat hij de opleiding heeft gevolgd;6° gevolg hebben gegeven aan de oproep tot kandidaten bedoeld in artikel 50bis ».

Art. 94.De artikelen 53 tot 54 van hetzelfde decreet worden vervangen als volgt : « Artikel 53, § 1. Een selectieambt kan tijdelijk toevertrouwd worden aan een personeelslid dat alle voorwaarden van artikel 51 vervult op het ogenblik van de aanwerving : 1° indien de titularis van het ambt tijdelijk afwezig is;2° in het geval bedoeld in artikel 50. Tijdens deze periode blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het in vast verband is aangeworven, in voorkomend geval, bij zijn oorspronkelijke inrichtende macht. § 2. In afwijking van § 1, eerste lid, voor elke aanwerving van een duur die gelijk is aan of korter is dan 15 weken, worden de voorwaarden bedoeld in artikel 51, 5° en 6° niet vereist.

Artikel 54.Een selectieambt kan tijdelijk toevertrouwd worden aan een personeelslid dat alle voorwaarden van artikel 51 vervult in afwachting van een aanwerving in vast verband.

Tijdens deze periode blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het in vast verband aangeworven is, in voorkomend geval, bij zijn oorspronkelijke inrichtende macht.

Het personeelslid bedoeld in het eerste lid wordt in vast verband aangeworven in het selectieambt en dit, uiterlijk na een termijn van twee jaar indien de inrichtende macht hem niet uit zijn selectieambt ontheven heeft overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VIII. Artikel 54bis, § 1. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is het selectieambt tijdelijk toe te vertouwen aan een personeelslid dat alle voorwaarden bedoeld in artikel 51 vervult voor de toegang tot het selectieambt, kan het selectieambt tijdelijk toevertrouwen aan een personeelslid dat in vast verband aangeworven is en dat de volgende voorwaarden vervult : 1° titularis zijn, in vast verband, vóór deze aanwerving, van een ambt met ten minste een halve opdracht in een inrichtende macht van het gesubsidieerd onderwijs van de betrokken aard;2° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen selectieambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 101 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs. Tijdens de periode waarin het tijdelijk het selectieambt uitoefent, blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het in vast verband aangeworven is, in voorkomend geval, bij zijn oorspronkelijke inrichtende macht.

Elke inrichtende macht die bewijst dat zij slechts één kandidaat heeft voor de toelating tot de stage, die aan de voorwaarden van artikel 51 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die de voorwaarden van het eerste lid vervullen. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid voldoen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.

Het personeelslid dat tijdelijk een selectieambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan uit dit ambt ontheven worden door de inrichtende macht overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VIII. § 2. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een selectieambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat in vast verband aangeworven is overeenkomstig de bepalingen die voorafgaan, kan het bovenvermelde ambt tijdelijk toevertrouwen aan een prioritair tijdelijk personeelslid van het gesubsidieerd onderwijs van de betrokken aard dat de volgende voorwaarden vervult : 1° titularis zijn, in tijdelijk verband, vóór de aanwerving van een ambt met ten minste een halve opdracht in een inrichtende macht van het gesubsidieerd onderwijs van de betrokken aard;2° één of meer ambten, in tijdelijk verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen selectieambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 101 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een selectieambt tijdelijk toe te vertrouwen aan één personeelslid dat de voorwaarden van artikel 51 vervult en dat zij slechts één kandidaat heeft voor de toelating tot de stage die aan de voorwaarden van § 1 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid voldoen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.

Het personeelslid bedoeld in het eerste lid of het derde lid, wordt geacht aan de in artikel 51, 1° en 2°, bedoelde voorwaarde te voldoen na het verstrijken van een termijn van zes jaar als tijdelijke in het selectieambt.

Het personeelslid dat tijdelijk een selectieambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf kan door de inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden overeenkomstig hoofdstuk VIII. § 3. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een selectieambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid in vast verband of een prioritair tijdelijke overeenkomstig de bepalingen die voorafgaan, kan een beroep doen op een personeelslid in vast verband in het gesubsidieerd onderwijs en dat de volgende voorwaarden vervult : 1° titularis zijn, in vast verband, vóór deze aanwerving, van een ambt met ten minste een halve opdracht in het gesubsidieerd onderwijs;2° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen selectieambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 101 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs. Tijdens de periode waarin het tijdelijk het selectieambt uitoefent, blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het in vast verband aangeworven is binnen zijn oorspronkelijke inrichtende macht.

Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een selectieambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat de voorwaarden van artikel 51 en van § 1 van dit artikel vervult, en dat ze slechts één kandidaat heeft voor de toelating tot de stage die aan de voorwaarden van § 2 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die de voorwarden van het eerste lid vervullen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.

Het personeelslid dat tijdelijk aangesteld wordt in een selectieambt overeenkomstig deze paragraaf, wordt in vast verband aangeworven in het bovenvermelde ambt na een termijn van zes jaar indien het op dat ogenblik de voorwaarde bedoeld in artikel 51, 5° vervult, en indien de inrichtende macht hem niet uit dit selectieambt ontheven heeft overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk VIII. Het personeelslid dat tijdelijk een selectieambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan door de inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden overeenkomstig hoofdstuk VIII. § 4. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een selectieambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid overeenkomstig de bepalingen die voorafgaan, kan het bovenvermelde ambt tijdelijk toevertrouwen : a) ofwel aan een tijdelijk personeelslid dat de volgende voorwaarden vervult : 1° titularis zijn, in tijdelijk verband, vóór deze aanwerving, van een ambt met ten minste een halve opdracht in een inrichtende macht van het gesubsidieerd onderwijs van de betrokken aard;2° één of meer ambten, in tijdelijk verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen selectieambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 101 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.b) ofwel aan een personeelslid dat sinds ten minste zes jaar titularis is, in vast verband, van een wervings- of selectieambt met ten minste een halve opdracht in een gesubsidieerd psycho-medisch-sociaal centrum en dat houder is van één van de bekwaamheidsbewijzen bedoeld in artikel 51, 4°. Het personeelslid bedoeld in het eerste lid, punt a), wordt geacht aan de in artikel 51, 1° en 2°, bedoelde voorwaarde te voldoen na het verstrijken van een termijn van zes jaar als tijdelijke in het selectieambt.

Het personeelslid dat tijdelijk een selectieambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan door de inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden overeenkomstig hoofdstuk VIII. Tijdens de periode waarin het tijdelijk het selectieambt uitoefent, blijft het personeelslid bedoeld in het eerste lid, punt b) titularis van zijn oorspronkelijke betrekking waarin het in vast verband is aangeworven.

Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een selectieambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat de voorwaarden van artikel 51, van § 1 en § 2 van dit artikel vervult, en dat zij slechts één personeelslid heeft dat aan de voorwaarden van § 3 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die de voorwaarden van het eerste lid vervullen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.

Het personeelslid dat tijdelijk aangesteld wordt in een selectieambt overeenkomstig het eerste lid, punt b), wordt in vast verband aangeworven in het bovenvermelde ambt na een termijn van vier jaar indien het op dat ogenblik de voorwaarde bedoeld in artikel 51, 5° vervult, en indien de inrichtende macht hem niet uit dit selectieambt ontheven heeft overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VIII.

Artikel 54ter.Elke tijdelijke aanwerving in een selectiebetrekking wordt schriftelijk vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 31, met uitzondering van 8°.

Een tijdelijke aanwerving in een selectiebetrekking loopt ten einde in onderlinge overeenstemming, bij beslissing van de inrichtende macht, of bij toepassing van hoofdstuk VIII. Nochtans heeft het einde van het schooljaar geen gevolg op de tijdelijke aanwerving in een selectiebetrekking.

De tijdelijke aanwerving in een selectiebetrekking is slechts mogelijk na de toepassing door de inrichtende macht van de bepaling van artikel 48, 1°.

Artikel 54quater.Elk personeelslid mag krachtens artikel 51 van zijn vaste benoeming afzien binnen de 720 dagen die volgen op zijn eerste toetreding tot een selectieambt. In dit geval reïntegreert het personeelslid definitief zijn ambt van afkomst.

De inrichtende macht kan, met het oog op de continuïteit van het selectieambt of om de stabiliteit van de pedagogische teams niet in het gedrang te brengen, het herstellen van het personeelslid in zijn oorspronkelijke ambt uitstellen met hoogstens 6 maanden na de aanvraag van het personeelslid.

Art. 95.In artikel 56 van hetzelfde decreet, wordt een nieuw derde lid ingevoegd, luidend als volgt : « In afwijking van de vorige leden kan het personeelslid dat titularis is van een bevorderingsambt slechts een overplaatsing of een wijziging van affectatie vragen nadat het zijn ambten uitgeoefend heeft in een betrekking die het tijdens een termijn van drie jaar bekleedt ».

Art. 96.In het voornoemde decreet van 1 februari 1993 wordt een artikel 58bis toegevoegd, luidend als volgt : « Artikel 58bis, § 1. De inrichtende macht die een personeelslid in vast verband moet aanwerven in een bevorderingsambt : 1° raadpleegt de directeur van de inrichting alsook, volgens het geval, de ondernemingsraad, de plaatselijke overleginstantie, of bij gebreke hiervan, de vakorganisatie over het profiel van het toe te kennen bevorderingsambt;2° ontvangt van de personeelsleden alle informatie die deze nuttig achten (om) hem mee te delen met het oog op de aanwerving in vast verband. § 2. De inrichtende macht, na de toepassing van § 1 : 1° bepaalt het profiel van het toe te kennen bevorderingsambt.In dit kader kan de inrichtende macht bijkomende criteria toevoegen aan de voorwaarden voor de vaste benoeming bedoeld in artikel 59; 2° doet een oproep tot kandidaten volgens de vormen vastgesteld door de Regering, op voorstel van de centrale paritaire commissie. § 3. De inrichtende macht deelt aan de kandidaten de motieven mee van haar keuze van het personeelslid dat in vast verband wordt aangeworven in het bevorderingsambt, gelet op de criteria vastgesteld in het profiel van het bepaalde ambt overeenkomstig dit artikel. »

Art. 97.De artikelen 59 tot 61 van hetzelfde decreet worden vervangen als volgt : «

Artikel 59.Niemand kan in vast verband aangeworven worden in een bevorderingsambt indien hij op het ogenblik van de aanwerving niet aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° titularis zijn, sinds ten minste zeven jaar in het gesubsidieerd onderwijs van de betrokken aard, van één van de wervings-, selectie- of bevorderingsambten van de betrokken categorie.Deze anciënniteit wordt berekend overeenkomstig artikel 29bis ; 2° titularis zijn, in vast verband, vóór deze aanwerving, van een ambt met ten minste een halve opdracht in het gesubsidieerd onderwijs van de betrokken aard;3° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen bevorderingsambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.4° voorafgaandelijk een specifieke opleiding hebben gevolgd die bekrachtigd werd door een attest dat bewijst dat hij die opleiding heeft gevolgd;5° gevolg hebben gegeven aan de oproep tot kandidaten bedoeld in artikel 58bis. De voorwaarden bedoeld in het eerste lid, 1°, 2°, 3° voor wat betreft de anciënniteit verworven in vast verband, 4° en 5°, worden niet vereist voor het ambt van werkplaatsleider.

Artikel 60, § 1. Een bevorderingsambt kan tijdelijk toevertrouwd worden aan een personeelslid dat alle voorwaarden van artikel 59 vervult : 1° indien de titularis van het ambt tijdelijk afwezig is;2° in het geval bedoeld in artikel 57. Tijdens deze periode blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het in vast verband aangeworven is. § 2. In afwijking van § 1, eerste lid, voor elke aanwerving van een duur die gelijk is aan of korter is dan 15 weken, wordt de voorwaarde bedoeld in artikel 59, eerste lid, 4° en 5° niet vereist.

Artikel 61.Een bevorderingsambt kan tijdelijk toevertrouwd worden aan een personeelslid dat alle voorwaarden van artikel 59 vervult in afwachting van een vaste benoeming.

Tijdens deze periode blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het in vast verband is aangeworven.

Het personeelslid bedoeld in het eerste lid wordt in vast verband aangeworven in het bevorderingsambt en dit, uiterlijk na een termijn van twee jaar indien de inrichtende macht hem niet uit dit bevorderingsambt ontheven heeft overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VIII. Artikel 61bis, § 1. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat alle voorwaarden vervult voor de toegang tot het bevorderingsambt bedoeld in artikel 59, kan het bevorderingsambt tijdelijk toevertrouwen aan een personeelslid in vast verband dat de volgende voorwaarden vervult : 1° titularis zijn, in vast verband, vóór deze aanwerving, van een ambt met ten minste een halve opdracht in het gesubsidieerd onderwijs van de betrokken aard;2° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen bevorderingsambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs. Tijdens de periode waarin het tijdelijk het bevorderingsambt uitoefent, blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het in vast verband aangeworven is, in voorkomend geval, bij de oorspronkelijke inrichtende macht.

Elke inrichtende macht die bewijst dat ze slechts één personeelslid heeft dat de voorwaarden van artikel 59 vervult, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die de voorwaarden van het eerste lid vervullen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.

Het personeelslid dat tijdelijk een bevorderingsambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan door de inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden overeenkomstig Hoofdstuk VIII. § 2. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid in vast verband overeenkomstig de bepalingen die voorafgaan, kan het bovenvermelde ambt tijdelijk toevertrouwen aan een prioritair tijdelijk personeelslid dat de volgende voorwaarden vervult : 1° titularis zijn, in tijdelijk verband, vóór deze aanwerving, van een ambt met ten minste een halve opdracht in het gesubsidieerd onderwijs van de betrokken aard;2° één of meer ambten, in tijdelijk verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen bevorderingsambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat de voorwaarden van artikel 59 vervult en dat zij slechts één personeelslid heeft dat aan de voorwaarden van § 1 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die de voorwaarden van het eerste lid vervullen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.

Het personeelslid bedoeld in het eerste lid of in het tweede lid wordt geacht aan de in artikel 59, eerste lid, 1° bedoelde voorwaarde te voldoen na het verstrijken van een termijn van zes jaar als tijdelijke in het bevorderingsambt.

Het personeelslid dat tijdelijk een bevorderingsambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan door de inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden overeenkomstig hoofdstuk VIII. § 3. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid in vast verband of aan een prioritair tijdelijke overeenkomstig de bepalingen die voorafgaan, kan een beroep doen op een personeelslid dat in vast verband aangeworven is in het gesubsidieerd onderwijs en dat de volgende voorwaarden vervult : 1° titularis zijn, in vast verband, vóór deze aanwerving, van een ambt met ten minste een halve opdracht in het gesubsidieerd onderwijs;2° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen bevorderingsambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs. Tijdens de periode waarin het het bevorderingsambt tijdelijk uitoefent, blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het in vast verband aangeworven is binnen zijn oorspronkelijke inrichtende macht.

Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat de voorwaarden van artikel 59 en van § 1 van dit artikel vervult, en dat ze slechts één personeelslid heeft dat aan de voorwaarden van § 2 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die de voorwaarden van het eerste lid vervullen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.

Het personeelslid dat tijdelijk aangesteld wordt in een bevorderingsambt overeenkomstig deze paragraaf, wordt aangesteld in vast verband in het bovenvermelde ambt na een termijn van zes jaar indien het op dat ogenblik de voorwaarde bedoeld in artikel 59, eerste lid, 4° vervult, en indien de inrichtende macht hem niet uit dit ambt ontheven heeft overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VIII. Het personeelslid dat tijdelijk een bevorderingsambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan door de inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden overeenkomstig hoofdstuk VIII. § 4. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid overeenkomstig de bepalingen die voorafgaan, kan het bovenvermelde ambt tijdelijk toevertrouwen : a) ofwel aan een tijdelijk personeelslid dat de volgende voorwaarden vervult : 1° titularis zijn, in tijdelijk verband, vóór de aanwerving, van een ambt met ten minste een halve opdracht in het gesubsidieerd onderwijs van de betrokken aard;2° één of meer ambten, in tijdelijk verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen bevorderingsambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.b) ofwel aan een personeelslid dat titularis is in vast verband sinds ten minste zes jaar van een wervings- of selectieambt met ten minste een halve opdracht in een gesubsidieerd psycho-medisch-sociaal centrum en dat houder is van één van de bekwaamheidsbewijzen bedoeld in artikel 59, eerste lid, 3°. Het tijdelijk personeelslid dat aangesteld is overeenkomstig het eerste lid, punt a), wordt geacht aan de in artikel 51, eerste lid, 1° en 2° bedoelde voorwaarde te voldoen na het verstrijken van een termijn van zes jaar als tijdelijke in het bevorderingsambt.

Het personeelslid dat tijdelijk een bevorderingsambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan door de inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden.

Tijdens de periode waarin het het bevorderingsambt tijdelijk uitoefent, blijft het personeelslid bedoeld in het eerste lid, punt b) titularis van zijn oorspronkelijke betrekking waarin het in vast verband is aangeworven.

Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat de voorwaarden van artikel 59, van § 1 en 2 van dit artikel vervult, en dat ze slechts één personeelslid heeft dat aan de voorwaarden van § 3 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die de voorwaarden van het eerste lid vervullen. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.

Het personeelslid dat tijdelijk aangesteld wordt in een bevorderingsambt overeenkomstig het eerste lid, punt b), wordt aangesteld in vast verband in het bovenvermelde ambt na een termijn van vier jaar indien het op dat ogenblik de voorwaarde bedoeld in artikel 59, eerste lid, 4°, vervult en indien het niet door de inrichtende macht uit dit bevorderingsambt ontheven wordt overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VIII. § 5. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een ambt van directeur van een inrichting voor sociale promotie tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid overeenkomstig de bepalingen die voorafgaan, kan het bovenvermelde ambt tijdelijk toevertrouwen aan een personeelslid dat de volgende voorwaarden vervult : 1° titularis zijn, sinds ten minste zeven jaar in het gesubsidieerd vrij onderwijs van de betrokken aard, van één van de wervings- selectie- of bevorderingsambten van de betrokken categorie.Deze anciënniteit wordt berekend volgens de nadere regels vastgesteld in artikel 29bis van het voornoemde decreet van 1 februari 1993; 2° titularis zijn, in vast verband, vóór de toelating tot de stage, van één of meer ambten met ten minste de helft van het minimaal aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen in het gesubsidieerd vrij onderwijs van de betrokken aard;3° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen in het secondair onderwijs en/of in een hogeschool, en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs; Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat de voorwaarden van artikel 59, van § 1 en van § 2 van dit artikel vervult, en dat zij slechts één personeelslid heeft dat aan de voorwaarden van § 3 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die de voorwaarden van het eerste lid vervullen. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die de voorwaarden van het eerste lid vervullen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.

Artikel 61ter.Elke tijdelijke aanwerving in een bevorderingsbetrekking wordt schriftelijk vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 31, met uitzondering van 8°.

Een tijdelijke aanwerving in een bevorderingsbetrekking loopt ten einde in onderlinge overeenstemming, bij beslissing van de inrichtende macht, of bij toepassing van hoofdstuk VIII. Nochtans heeft het einde van het schooljaar geen gevolg op de tijdelijke aanwerving in een bevorderingsbetrekking.

De tijdelijke aanwerving in een bevorderingsbetrekking is slechts mogelijk na de toepassing door de inrichtende macht van de bepaling van artikel 55, 1°.

Artikel 61quater.Elk personeelslid kan krachtens artikel 59 van zijn benoeming afzien binnen de 720 dagen die volgen op zijn eerste toetreding tot het selectieambt. In dit geval reïntegreert het personeelslid definitief zijn ambt van afkomst.

De inrichtende macht kan, met het oog op de continuïteit van het bevorderingsambt of om de stabiliteit van de pedagogische teams niet in het gedrang te brengen, het herstellen van het personeelslid in zijn oorspronkelijke ambt uitstellen met hoogstens zes maanden na de aanvraag van het personeelslid.

Artikel 61quinquies.De artikelen 58bis tot 61quater zijn niet van toepassing op de bevorderingsambten van directeur van een kleuterschool, directeur van een lagere school, directeur van een basisschool, directeur van het lager secundair onderwijs of van studieprefect of directeur, bepaald door het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs. »

Art. 98.Er wordt een Hoofdstuk V bis ingevoegd, luidend als volgt : « Hoofdstuk Vbis - Het opdrachtenblad en de evaluatie van sommige bevordegingsambten en selectieambten Artikel 61sexies, § 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de personeelsleden die titularis zijn van een bevorderings- of selectieambt, zoals bedoeld in artikel 4, 3° en artikel 5, 1° en 2° van het decreet van 4 januari 1999 betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten in het onderwijs met volledig leerplan.

Het is ook van toepassing op de personeelsleden die titularis zijn van een selectieambt, zoals bedoeld in artikel 6ter, 6°, b) van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 2 oktober 1968 tot vaststelling en rangschikking van de ambten der leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel, van het psychologisch personeel, van het maatschappelijk personeel der inrichtingen voor voorschools, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch, kunstonderwijs, onderwijs voor sociale promotie en hoger onderwijs buiten de universiteit van de Franse Gemeenschap en de ambten der personeelsleden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen in het onderwijs met volledig leerplan. § 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder « directeur » het personeelslid dat titularis is, in welke hoedanigheid dan ook, van het bevorderingsambt van directeur van een kleuterschool, directeur van een lagere school, directeur van een basisschool, directeur van het lager secundair onderwijs of van studieprefect of directeur, zoals opgesomd in de artikelen 3 en 4, 1° en 2° van het decreet van 4 januari 1999 betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten of van het bevorderingsambt van directeur van een inrichting voor sociale promotie, zoals bedoeld in artikel 6ter, 6°, a van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 2 oktober 1968 tot vaststelling en rangschikking van de ambten der leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel, van het psychologisch personeel, van het maatschappelijk personeel der inrichtingen voor voorschools, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch, kunstonderwijs, onderwijs voor sociale promotie en hoger onderwijs buiten de universiteit van de Franse Gemeenschap en de ambten der personeelsleden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen in het onderwijs met volledig leerplan. Afdeling I. - Het opdrachtenblad

Artikel 61septies.Bij de indiensttreding van het personeelslid bedoeld in artikel 61sexies van dit decreet wijst de directeur hem een opdrachtenblad toe dat voorafgaandelijk goedgekeurd werd door de inrichtende macht.

Dit bovenvermelde blad bepaalt de opdrachten van het personeelslid bedoeld in artikel 61sexies en de prioriteiten die hem worden toegewezen, in functie van de behoeften van de inrichting waarin het geaffecteerd wordt en in functie van de doelstellingen opgenomen in het opdrachtenblad dat de directeur zelf heeft gekregen overeenkomstig hoofdstuk III van titel II van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.

Artikel 61octies, § 1. De duur van het opdrachtenblad bedraagt zes jaar. § 2. De inhoud van het opdrachtenblad kan gewijzigd worden, op grond van de evolutie van de behoeften en van de werking van de inrichting, vóór het einde van de geldigheidsduur ervan, ten vroegste na twee jaar, door de directeur.

In afwijking van het eerste lid kan de inhoud van het opdrachtenblad vóór het einde van de geldigheidsduur gewijzigd worden, in onderlinge overeenstemming tussen de directeur en het personeelslid bedoeld in artikel 61sexies.

Het gewijzigde opdrachtenblad wordt ter goedkeuring van de inrichtende macht voorgelegd.

Artikel 61nonies, § 1. In afwijking van artikel 61septies, eerste lid, kan de directeur, indien nodig en mits voorafgaande goedkeuring van de inrichtende macht, een opdrachtenblad toewijzen aan het personeelslid dat tijdelijk wordt aangesteld in de uitoefening van een ambt bedoeld in artikel 61sexies van dit decreet.

De directeur wijst van ambtswege een opdrachtenblad dat voorafgaandelijk werd goedgekeurd door de inrichtende macht, aan het personeelslid toe dat tijdelijk wordt aangesteld in de uitoefening van een ambt bedoeld in artikel 61sexies voor een duur die gelijk is aan of langer is dan één jaar, of wanneer de aanstelling ten minste één jaar bedraagt. § 2. Het opdrachtenblad bedoeld in dit artikel kan tot doel hebben het opdrachtenblad van het personeelslid bedoeld in artikel 61sexies dat vervangen wordt te bevestigen of in een nieuw document op te stellen. Afdeling II. - De opleidingsevaluatie

Artikel 61decies.Deze afdeling is van toepassing op het in vast verband aangeworven personeelslid.

Ze is ook van toepassing op het personeelslid dat tijdelijk wordt aangesteld in de uitoefening van een ambt bedoeld in artikel 61sexies voor een duur die gelijk is aan of langer is dan één jaar. De benaming "personeelslid » bedoeld in deze afdeling heeft ook betrekking op dit personeelslid.

Artikel 61undecies.Om de vijf jaar na zijn aanwerving in vast verband of zijn tijdelijke aanwerving moet het personeelslid een evaluatie ondergaan die gezamenlijk uitgevoerd wordt door de inrichtende macht en de directeur.

Indien deze laatste het nuttig achten, kunnen ze het personeelslid vroeger evalueren.

Nochtans, onverminderd artikel 61terdecies, mag het personeelslid niet meer dan twee keer geëvalueerd worden over een periode van tien jaar.

Artikel 61duodecies.De evaluatie baseert zich op de uitvoering van het opdrachtenblad bedoeld in afdeling I van dit hoofdstuk en op de toepassing van de bevoegdheden verworven in het kader van de opleidingen bedoeld in artikel 51, § 1, 5° van dit decreet wat betreft de selectieambten en in artikel 59, § 1, 4° van dit decreet voor de bevorderingsambten.

Ze houdt rekening met de globale context waarin het personeelslid evolueert en met de middelen die hem ter beschikking worden gesteld.

De directeur motiveert zijn beslissing in de zin van artikel 3, § 11 van dit decreet.

Artikel 61terdecies.In functie van deze evaluatie komen de inrichtende macht en de directeur overeen met het personeelslid over de verbeteringen die moeten aangebracht worden.

TITEL IV. - De toegang tot de selectieambten en de bevorderingsambten in het gesubsidieerd onderwijs

Art. 99.Voor de toepassing van deze titel worden de hierbij vermelde niveaus van bekwaamheidsbewijzen bepaald met verwijzing naar de artikelen 2 en 3 van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 22 april 1969 betreffende de bekwaamheidsbewijzen vereist van de leden van het bestuurspersoneel en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch personeel der rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch onderwijs, kunstonderwijs en normaalonderwijs, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen.

De bekwaamheidsbewijzen van het hoger niveau van de eerste graad, van kandidaat, van de middelbare technische normaalleergangen, van onderwijzer van het lager onderwijs, van kleuteronderwijzer, van voorschoolse onderwijzer en gespecialiseerd opvoeder bedoeld in artikel 2, punt 3, b), c), e), h), i) en j) van het bovenvermelde besluit komen nochtans slechts in aanmerking voor zover ze specifiek vermeld zijn.

Art. 100.Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder « pedagogisch bekwaamheidsbewijs » de volgende bekwaamheidsbewijzen : a) bachelor - voorschoolse onderwijzer of diploma kleuteronderwijzer of voorschoolse onderwijzer;b) bachelor - lager onderwijzer of diploma van lager onderwijzer;c) bachelor - geaggregeerde van het lager secundair onderwijs (GLSO) of diploma van geaggregeerde van het lager secundair onderwijs (GLSO);d) bachelor - geaggregeerde van het hoger secundair onderwijs (GHSO) of diploma van geaggregeerde van het hoger secundair onderwijs (GHSO);e) getuigschrift van pedagogische bekwaamheid (GPB);f) diploma van pedagogische bekwaamheid of diploma van pedagogische bekwaamheden (DPB);g) getuigschrift van middelbare technische normaalleergangen (GMTN);h) getuigschrift van normaalleergangen van bekwaamheid voor het gespecialiseerd onderwijs;i) getuigschrift van pedagogische bekwaamheid voor het hoger onderwijs (GPBHO);j) getuigschrift van pedagogische bekwaamheid voor het onderwijs (GPBO);k) diploma van pedagogische bekwaamheid voor het onderwijs (DPBO).

Art. 101.De bekwaamheidsbewijzen en de ambten bedoeld in artikel 40, eerste lid, 4°, en in artikel 44, § 1, eerste lid, 2°, en § 3, eerste lid, 2° van het decreet van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs, voor het selectieambt opgenomen in kolom 1 van de hiernavolgende tabel (tabel I) zijn deze die opgenomen zijn naast het bovenvermelde ambt in de kolommen 2 en 3 van dezelfde tabel.

De bekwaamheidsbewijzen en de ambten bedoeld in artikel 51, 4°, en in artikel 54bis, § 1, eerste lid, 2°, en § 3, eerste lid, 2° van het decreet van 1 februari 1993 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs, voor het selectieambt opgenomen in kolom 1 van de hiernavolgende tabel (zie tabel I) zijn deze die opgenomen zijn naast het bovenvermelde ambt in de kolommen 2 en 3 van dezelfde tabel.

Art. 102.De bekwaamheidsbewijzen en de ambten bedoeld in artikel 57, eerste lid, 3°, in artikel 59, § 1, 2°, in artikel 59, § 2, eerste lid, a), 2° en b), 2°, en in artikel 59, § 3, eerste lid, 2°, van dit decreet en in artikel 49, eerste lid, 3°, in artikel 52, § 1, eerste lid, 2°, en § 3, eerste lid, 2° van het voornoemde decreet van 6 juni 1994, voor het bevorderingsambt opgenomen in kolom 1 van de hiernavolgende tabel (zie tabel II) zijn deze die opgenomen zijn naast het bovenvermelde ambt in de kolommen 2 en 3 van dezelfde tabel.

De bekwaamheidsbewijzen en de ambten bedoeld in artikel 80, eerste lid, 3°, in artikel 81, eerste lid, b), 3°, in artikel 82, § 1, 2°, in artikel 82, § 2, eerste lid, a), 2° en b), 2°, en in artikel 83, § 3, a), 2° en b) van dit decreet en in artikel 59, eerste lid, 3°, in artikel 61bis, § 1, eerste lid, 2° en § 3, eerste lid, 2° van het voornoemde decreet van 1 februari 1993, voor het bevorderingsambt opgenomen in kolom 1 van de hiernavolgende tabel (zie tabel II), zijn deze die opgenomen zijn naast het bovenvermelde ambt in de kolommen 2 en 3 in dezelfde tabel.

Art. 103.In artikel 2 van het koninklijk besluit van 17 maart 1967 tot vaststelling van de bevoegdheidsbewijzen die voldoende geacht werden voor de leden van het personeel der vrije inrichtingen voor middelbaar en normaalonderwijs, worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) onder punt 1, a), worden de woorden « directeur, onderdirecteur en » geschrapt;b) onder punt 3, worden de woorden « directeur, onderdirecteur en » geschrapt.

Art. 104.In het koninklijk besluit van 20 juni 1975 betreffende de voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen in het kleuter- en lager onderwijs, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° De afdeling II van hoofdstuk II wordt geschrapt.2° § 1 van artikel 13 wordt vervangen als volgt : « De weddesubsidie van het personeelslid dat een bevorderingsambt uitoefent, wordt berekend volgens de nadere regels vastgesteld in deze afdeling.» 3° § 2 van artikel 13 wordt geschrapt.

Art. 105.De artikelen 12, § 1 en 13, § 1 van het koninklijk besluit van 30 juli 1975 betreffende de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen in de gesubsidieerde inrichtingen voor secundair technisch en beroepsonderwijs met volledig leerplan en voor sociale promotie, worden geschrapt.

Art. 106.De artikelen 12, § 1 en 13, § 1 van het koninklijk besluit van 30 juli 1975 betreffende de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen in het secundair onderwijs georganiseerd in de gesubsidieerde officiële inrichtingen voor middelbaar onderwijs en in de gesubsidieerde officiële inrichtingen voor normaalonderwijs, worden geschrapt.

Art. 107.De artikelen 12, § 1 en 13, § 1 van het koninklijk besluit van 30 juli 1975 betreffende de voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen in het secundair onderwijs dat verstrekt wordt in de gesubsidieerde vrije inrichtingen voor middelbaar onderwijs of voor normaalonderwijs, met inbegrip van het postsecundair psycho-pedagogisch jaar, worden geschrapt.

TITEL V. - Specifieke hulpverlening aan de directies van kleuterscholen, lagere scholen en basisscholen van het gewoon en gespecialiseerd onderwijs HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities van de specifieke hulpverlening aan de directies van kleuterscholen, lagere scholen en basisscholen

Art. 108.De bepalingen van deze titel zijn van toepassing op het gewoon en gespecialiseerd basisonderwijs georganiseerd en gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap.

Art. 109.Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder : 1° specifieke hulpverlening aan de directies van kleuterscholen, lagere scholen en basisscholen : elke vorm van ondersteuning in het kader van het beheer van een schoolinrichting met uitzondering van de pedagogische taken.2° school in het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap : onafhankelijke of verbonden school. HOOFDSTUK II. - Toekenning en aanwending van de middelen toegekend voor de specifieke hulpverlening aan de directies van kleuterscholen, lagere scholen en basisscholen zonder klasse Afdeling I. - Toekenning van middelen

Art. 110, § 1. De Regering kent, per leerling die regelmatig ingeschreven is in een inrichting voor het gewoon kleuteronderwijs, lager onderwijs en basisonderwijs met ten minste 180 leerlingen of in een inrichting voor het gespecialiseerde kleuteronderwijs, lager onderwijs en basisonderwijs met ten minste 60 leerlingen op 15 januari 2007, ten minste de volgende middelen toe voor de organisatie van de specifieke hulpverlening aan de directies van kleuterscholen, lagere scholen en basisscholen : - voor het schooljaar 2007-2008 : 2,08 euro; - voor het schooljaar 2008-2009 : 12,80 euro; - vanaf het schooljaar 2009-2010 : 20,78 euro.

Deze bedragen worden, elk kalenderjaar, binnen de perken van de beschikbare begrotingsmiddelen, geïndexeerd op het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen, en dit vanaf 1 januari. § 2. De middelen bedoeld in de vorige paragraaf kunnen slechts aangewend worden in het kader van artikel 109. Bij gebreke hiervan worden de bedragen die onregelmatig geïnvesteerd worden, door de Franse Gemeenschap teruggevorderd. § 3. De telling van het aantal leerlingen uitgevoerd op 15 januari 2007 geldt voor een periode van 6 jaar vanaf 1 september 2007. Een nieuwe telling zal op 15 januari 2013 uitgevoerd worden voor een nieuwe periode van 6 jaar te rekenen vanaf 1 september 2013, enz. § 4. In afwijking van § 3, komen de inrichting voor het gewoon kleuteronderwijs, lager onderwijs of basisonderwijs waarvan het aantal leerlingen op 15 januari lager is dan 180 tijdens de periode van zes jaar, en de inrichting voor het gespecialiseerd kleuteronderwijs, lager onderwijs en basisonderwijs waarvan het aantal leerlingen op 15 januari lager is dan 60 leerlingen tijdens de periode van zes jaar, niet in aanmerking voor de middelen bedoeld in deze afdeling en dit vanaf de eerste september eerstkomende. § 5. In afwijking van § 3 komen de inrichting voor het gewoon kleuteronderwijs, lager onderwijs of basisonderwijs waarvan het aantal leerlingen op 15 januari hoger is dan 180 tijdens de periode van zes jaar, en de inrichting voor het gespecialiseerd kleuteronderwijs, lager onderwijs en basisonderwijs waarvan het aantal leerlingen op 15 januari hoger is dan 60 leerlingen tijdens de periode van 6 jaar, in aanmerking voor de middelen bedoeld in deze afdeling en dit vanaf de eerste september eerstkomende, tot het einde van de lopende periode van zes jaar.

Art. 111.Voor wat betreft het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap, worden de middelen bedoeld in artikel 110, § 1 aan elke inrichting toegekend.

Art. 112, § 1. Voor wat betreft het gesubsidieerd onderwijs worden de middelen bedoeld in artikel 110, § 1 aan elke inrichtende macht toegekend. § 2. Elk vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan van de inrichtende machten, elk wat hem betreft, kan solidariteitsmechanismen bepalen tussen de niveaus van het basisonderwijs en het secundair onderwijs om deze middelen aan te vullen.

Een vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan waarbij geen inrichtende machten aangesloten zijn die de schoolinrichtingen van het secundair onderwijs organiseren, kan met een ander vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan van hetzelfde net de nadere regels bepalen voor zulke solidariteitsmechanismen.

Het komt elke inrichtende macht toe te bepalen of zij tot de ingevoerde solidariteitsmechanismen toetreden. Afdeling II. - Aanwending van de toegekende bedragen

Art. 113, § 1. Elk inrichtingshoofd voor het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap en elke inrichtende macht voor het gesubsidieerd onderwijs, bepalen na de betrokken directies te hebben geraadpleegd, de vorm van de specifieke hulpverlening aan de directies van de kleuterscholen, de lagere scholen en de basisscholen van het gewoon en gespecialiseerd onderwijs. § 2. De Regering, voor het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap, en elke inrichtende macht, voor het onderwijs gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, bepalen de nadere regels voor de aanwending van de middelen die toegekend worden volgens de vorm die de specifieke hulpverlening aanneemt, zoals bedoeld in § 1. § 3. In het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap wordt het basis overlegcomité ingelicht over de nadere regels voor de aanwending van de middelen bedoeld in artikel 110, § 1 binnen de inrichting.

In het gesubsidieerd officieel onderwijs wordt de plaatselijke paritaire commissie ingelicht over de nadere regels voor de aanwending van de middelen bedoeld in artikel 110, § 1 binnen de inrichtingen die haar betreffen.

In het gesubsidieerd vrij onderwijs wordt (worden) de ondernemingsraad of, bij gebreke hieraan, het comité voor preventie en bescherming op het werk of, bij gebreke hieraan, de plaatselijke overleginstantie of, bij gebreke hieraan, de vakverenigingen ingelicht over de nadere regels voor de aanwending van de middelen bedoeld in artikel 110, § 1 binnen de inrichting(en) die hem/ze betreft (ffen). HOOFDSTUK III. - Beheerscentra Afdeling I. - Oprichting

Art. 114, § 1. Om de aanwending van de middelen te optimaliseren die toegekend worden aan elke inrichtende macht of aan elke directie van de onafhankelijke of verbonden inrichting georganiseerd door de Franse Gemeenschap in het kader van dit decreet, kan een partnerschap op vrijwillige basis plaatsvinden tussen de inrichtende machten in het gesubsidieerd onderwijs, of tussen de inrichtingen, in het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap. Dit partnerschap heeft ten doel de beschikbare middelen op een efficiëntere manier te beheren en voor een beter beheer van de schoolinrichtingen te zorgen. § 2. Elke inrichtende macht voor het gesubsidieerd onderwijs, elk inrichtingshoofd voor het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap beslist over de toetreding van haar/zijn inrichting(en) tot een beheerscentrum, met dien verstande dat de inrichtingen die behoren tot eenzelfde inrichtende macht of tot eenzelfde inrichtingshoofd verbonden zijn door de beslissing om al dan niet toe te treden tot het beheerscentrum.

Art. 115, § 1. Een beheerscentrum wordt opgericht bij overeenkomst : 1° voor het gesubsidieerd onderwijs, tussen de verschillende inrichtende machten die behoren tot eenzelfde onderwijsnet binnen eenzelfde eenheid, zoals opgericht bij artikel 10 van het decreet van 14 maart 1995 tot bevordering van het welslagen in de basisscholen, met dien verstande dat een beheerscentrum ten minste zowel het kleuteronderwijs als het lager onderwijs omvat;2° voor het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap tussen de verschillende inrichtingshoofden die behoren tot dit onderwijsnet binnen eenzelfde zone, zoals opgericht bij artikel 13 van het voornoemde decreet van 14 maart 1995, met dien verstande dat een beheerscentrum ten minste zowel het kleuteronderwijs als het lager onderwijs omvat; § 2. De overeenkomst regelt de organisatie en de werking van het beheerscentrum en bepaalt inzonderheid de inrichtende macht of het inrichtingshoofd belast met de coördinatie van het beheerscentrum. § 3. De overeenkomst treedt in werking op 1 september en heeft telkens betrekking op een periode van zes schooljaren. De eerste periode van 6 schooljaren begint op 1 september 2007. Elke volgende periode van 6 schooljaren begint 6 jaar of een veelvoud van 6 jaar na 1 september 2007. § 4. In afwijking van § 3 lopen de overeenkomsten die tijdens een periode van 6 schooljaren in werking treden, zoals bedoeld in § 3, ten einde na de zes schooljaren in kwestie. § 5. De overeenkomst met onder andere de lijst van de verschillende inrichtende machten of de inrichtingen van de Franse Gemeenschap, wordt ter informatie aan het Algemeen Bestuur leerplichtonderwijs vóór 15 juni gestuurd voorafgaandelijk aan de datum van haar inwerkingtreding.

Art. 116, § 1. Een inrichtende macht of een inrichtingshoofd die/dat niet tot een beheerscentrum is toegetreden, mag tot één van deze toetreden en dit, op elk ogenblik tijdens de periode van 6 jaar waarop de overeenkomst betrekking heeft. Nochtans kan de toetreding van een nieuwe inrichtende macht geen aanleiding geven tot een nieuwe onderhandeling van de overeenkomst.

In dit geval moet slechts de lijst met de verschillende inrichtende machten of inrichtingen georganiseerd door de Franse Gemeenschap, die bijgewerkt wordt door het toevoegen van de inrichtende macht of de inrichting van de Franse Gemeenschap, aan het Bestuur gestuurd worden en dit, vóór 15 juni van elk jaar. § 2. Een inrichtende macht of een directie van de inrichting die tot een beheerscentrum toegetreden is, moet tijdens de periode waarop de overeenkomst slaat, met het centrum solidair blijven. Afdeling II. - Criteria voor de oprichting van de beheerscentra

Art. 117, § 1. Elk beheerscentrum telt ten minste 1000 leerlingen op 15 januari voorafgaandelijk aan het opstarten van het beheerscentrum, waarbij elke leerling voor een tellingseenheid telt. § 2. De telling uitgevoerd om de oprichtingsnorm voor het beheerscentrum te bereiken, geldt voor een periode van zes schooljaren. § 3. In afwijking van § 2, wanneer een inrichtende macht of een inrichtingshoofd tot een beheerscentrum toetreedt volgens de nadere regel bedoeld in artikel 116, § 1, wordt het aantal leerlingen van de inrichting(en) van deze inrichtende macht of van de directie van de inrichting, op 15 januari voorafgaandelijk aan de inwerkingtreding van de overeenkomst voor de bepaalde periode, aan dat van het beheerscentrum toegevoegd. § 4. In afwijking van § 2 voor wat betreft de overeenkomsten of beslissingen die in werking treden tijdens een periode van 6 schooljaren, zoals bedoeld in artikel 115, § 4, is de telling uitgevoerd voor het bereiken van de norm voor de oprichting van het beheerscentrum geldig tot het einde van de 6 schooljaren.

Art. 118, § 1. In afwijking van artikel 115, § 1, 1° en 2°, indien het niet mogelijk is om een beheerscentrum op te richten van 1 000 leerlingen binnen eenzelfde eenheid voor het gesubsidieerd onderwijs of eenzelfde zone voor het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap, kan het beheerscentrum inrichtingen van de inrichtende machten van verschillende eenheden of inrichtingen van de directie van inrichtingen van verschillende zones verenigen. § 2. In afwijking van artikel 115, § 1, 1° en 2° kunnen de inrichtende machten van de nabijheidseenheden ook beslissen om samen een beheerscentrum op te richten voor zover het aantal leerlingen dat in aanmerking wordt genomen, niet 10 000 overschrijden, behoudens afwijking goedgekeurd door de Regering. Afdeling III. - Bevoegdheden van het beheerscentrum

Art. 119, § 1. In afwijking van artikel 113, § 1, wanneer de inrichtende machten of de inrichtingshoofden tot een beheerscentrum zijn toegetreden, bepaalt de overeenkomst de vorm van de specifieke hulpverlening aan de directies van kleuterscholen, lagere scholen en basisscholen. § 2. In afwijking van artikel 113, § 2, bepalen de Regering, voor de overeenkomsten van het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap, en elke groep van inrichtende machten gebonden door een overeenkomst, voor het onderwijs gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, de nadere regels voor de aanwending van de middelen toegekend volgens de vorm die de specifieke hulpverlening neemt, zoals bedoeld in § 1.

Art. 120.De inrichtende machten of de inrichtingshoofden die tot een beheerscentrum zijn toegetreden, kunnen hem bijkomende bevoegdheden toekennen, behoudens uitdrukkelijke bepaling. De toegekende bijkomende bevoegdheden zijn opgenomen in de overeenkomst. Afdeling IV. - Aanwending van de toegekende middelen

Art. 121.In afwijking van de artikelen 112 en 113, wanneer de inrichtende machten of de inrichtingshoofden tot een beheerscentrum zijn toegetreden, worden de middelen toegekend aan de inrichtende macht of aan het inrichtingshoofd belast met de coördinatie van het beheerscentrum met inachtneming van de nadere regels opgenomen in de overeenkomst bedoeld in artikel 115, § 1 van dit decreet.

Art. 122.Elk inrichtingshoofd en elke inrichtende macht die tot een beheerscentrum zijn toegetreden, lichten de respectievelijke overlegorganen in over de nadere regels voor de aanwending van de middelen bedoeld in artikel 110 van dit decreet.

TITEL VI. - Wijzigings-, overgangs- en slotbepalingen HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Art. 123.Het evaluatiemechanisme bedoeld in de artikelen 33, 40, 63 en 86 van dit decreet en 28septies van het voornoemde decreet van 4 januari 1999, 52decies van het voornoemde decreet van 6 juni 1994 en 61duodecies van het voornoemde decreet van 1 februari 1993, zal tijdens het vierde jaar dat volgt op de inwerkingtreding van dit decreet geëvalueerd worden.

Art. 124.In het gesubsidieerd onderwijs komt een school slechts in aanmerking voor subsidies als het personeelslid dat daarvan de leiding heeft in de zin van artikel 2 van dit decreet, een personeelslid is dat gesubsidieerd en bezoldigd wordt door een weddesubsidie. HOOFDSTUK II. - Wijzigingsbepalingen

Art. 125.In artikel 9 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 genomen met toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch onderwijs, onderwijs voor sociale promotie en kunstonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, zoals gewijzigd bij het decreet van 8 mei 2003, wordt littera b) vervangen als volgt : « b) om een stage te lopen in een andere betrekking van de Staat, een Gemeenschap, een Gewest, provincies, gemeentes, een gelijkgestelde openbare instelling, een onderwijsinrichting georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap en dit, voor een periode die overeenstemt met de normale duur van de voorgeschreven stage; ».

Art. 126.§ 1. In het decreet van 29 juli 1992 houdende organisatie van het secundair onderwijs met volledig leerplan, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in artikel 21quater, ingevoegd bij het decreet van 2 april 1996, en gewijzigd bij de decreten van 24 juli 1997 en van 4 januari 1999, wordt een derde lid ingevoegd, luidend als volgt : « De betrekkingen van onderdirecteur kunnen aan twee personeelsleden toevertrouwd worden die elk belast zijn met een halve opdracht, na voorafgaandelijk advies, in het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap, van het basisoverlegcomité, in het officieel onderwijs dat door de Franse Gemeenschap wordt gesubsidieerd, van de plaatselijke paritaire commissie, en in het vrij onderwijs dat door de Franse Gemeenschap wordt gesubsidieerd, van de ondernemingsraad of, bij ontstentenis hiervan, de vakvereniging, met evocatierecht van het verzoeningsbureau bij afkeuring.» 2° in artikel 21quinquies, ingevoegd bij het decreet van 4 januari 1999, wordt een § 5 ingevoegd, luidend als volgt : « § 5.De betrekkingen van werkleider kunnen aan twee personeelsleden toevertrouwd worden die elk belast zijn met een halve opdracht, na voorafgaandelijk advies, in het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap, van het basisoverlegcomité, in het officieel onderijs dat door de Franse Gemeenschap wordt gesubsidieerd, van de plaatselijke paritaire commissie, en in het vrij onderwijs dat door de Franse Gemeenschap wordt gesubsidieerd, van de ondernemingsraad of, bij ontstentenis hiervan, van de vakvereniging, met evocatierecht van het verzoeningsbureau bij afkeuring. » § 2. In artikel 55 van het decreet van 2 juni 1998 houdende organisatie van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, wordt een § 3 ingevoegd, luidend als volgt : « § 3. De betrekkingen van onderdirecteur kunnen aan twee personeelsleden toevertrouwd worden die elk belast zijn met een halve opdracht, na voorafgaandelijk advies, in het officieel onderwijs dat door de Franse Gemeenschap wordt gesubsidieerd, van de plaatselijke paritaire commissie, en in het vrij onderwijs dat door de Franse Gemeenschap wordt gesubsidieerd, van de ondernemingsraad of, bij ontstentenis hiervan, van de vakvereniging, met evocatierecht van het verzoeningsbureau bij afkeuring.

Art. 127.Het eerste lid van § 1 van artikel 45 van het decreet van 31 januari 2002 tot vaststelling van het statuut van de leden van het gesubsidieerd technisch personeel van de gesubsidieerde officiële psycho-medisch-sociale centra, wordt vervangen als volgt : « Elke inrichtende macht die kan bewijzen dat het onmogelijk is om een kandidaat aan te stellen die alle voorwaarden vervult voor de toegang tot het bevorderingsambt van directeur bedoeld in artikel 42, kan tijdelijk het bevorderingsambt van directeur toevertrouwen aan een technisch personeelslid dat in vast verband benoemd is en dat houder is van het bekwaamheidsbewijs vereist om het wervingsambt van psycho-pedagogische adviseur uit te oefenen ».

Art. 128.In het decreet van 31 januari 2002 tot vaststelling van het statuut van de leden van het gesubsidieerd technisch personeel van de gesubsidieerde vrije psycho-medisch-sociale centra, worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) artikel 47 wordt vervangen als volgt : « Art.47. Elke inrichtende macht die kan bewijzen dat het onmogelijk is om een kandidaat, dat lid is van het technisch personeel, aan te werven, dat de voorwaarden van artikel 43 vervult, kan, op zijn aanvraag, een lid van het technisch personeel van een centrum van dezelfde aard aanwerven die aan de voorwaarden van artikel 43 voldoet, met uitzondering van 8° en 10° ». b) het eerste lid van § 1 van artikel 57 wordt vervangen als volgt : « Elke inrichtende macht die kan bewijzen dat het onmogelijk is om een kandidaat aan te stellen die alle voorwaarden vervult voor de toegang tot het bevorderingsambt van directeur bedoeld in artikel 54, kan het bevorderingsambt van directeur tijdelijk toevertrouwen aan een lid van het technisch personeel dat in vast verband aangeworven is en dat houder is van het vereiste bekwaamheidsbewijs om het wervingsambt van psycho-pedagogische adviseur uit te oefenen.Tijdens de periode waarin het tijdelijk het bevorderingsambt van directeur uitoefent, blijft het lid van het technisch personeel titularis van de betrekking waarin het in vast verband is aangeworven ».

Art. 129.In artikel 26, § 1 van het decreet van 11 juli 2002 betreffende de opleiding tijdens de loopbaan in het buitengewoon onderwijs, het gewoon secundair onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra en tot oprichting van een instituut voor opleidingen tijdens de loopbaan, worden de volgende wijzigingen aangebracht : Onder punt 7° worden de volgende woorden toegevoegd « met uitzondering van de ambten van directeur, zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 1° van het decreet van 2 februari 2007 betreffende het statuut van de directeurs. » HOOFDSTUK III. - Overgangsbepalingen Afdeling I. - Gemeenschappelijke bepalingen

Art. 130.De personeelsleden die in vast verband benoemd of aangeworven zijn in de hoedanigheid van directeur in de zin van artikel 2, § 1, 1° van dit decreet, of in een selectie- of bevorderingsambt, zoals bedoeld in artikel 4, 3° en in artikel 5, 1° en 2° van het voornoemde decreet van 4 januari 1999 alsook in artikel 7, c, 12° van het bovenvermelde besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 2 oktober 1968, vóór de inwerkingtreding van dit decreet, worden geacht in vast verband benoemd of aangeworven te zijn overeenkomstig de bepalingen opgenomen in dit decreet.

Art. 131.§ 1. Voor de directeurs die in vast verband benoemd of aangeworven worden en de personeelsleden die in tijdelijk verband aangesteld of aangeworven worden in een ambt van directeur voor een duur die gelijk is aan of langer is dan één jaar bij de inwerkingtreding van dit decreet, stelt de Regering of de inrichtende macht een opdrachtenblad op overeenkomstig artikel 30. § 2. Voor de personeelsleden die in vast verband benoemd of aangeworven worden in een selectie- of bevorderingsambt, zoals bedoeld in artikel 4, 3° en in artikel 5, 1° en 2° van het voornoemde decreet van 4 januari 1999 alsook in artikel 7, c, 12° van het bovenvermelde besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 2 oktober 1968 en de personeelsleden die tijdelijk worden aangesteld of aangeworven in een selectie- of bevorderingsambt, zoals bedoeld in artikel 4, 3° en in artikel 5, 1° en 2° van het voornoemde decreet van 4 januari 1999 alsook in artikel 7, c, 12° van het bovenvermelde besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 2 oktober 1968 voor een duur die gelijk is aan of langer is dan één jaar bij de inwerkingtreding van het decreet, bedoeld in de afdeling I van hoofdstuk IVbis van het voornoemde decreet van 4 januari 1999, in de afdeling I van hoofdstuk Vbis van het voornoemde decreet van 6 juni 1994 en in de afdeling I van hoofdstuk Vbis van het voornoemde decreet van 1 februari 1993, stelt de directeur een opdrachtenblad op overeenkomstig deze bepalingen. In dit geval wordt het ontwerp van opdrachtenblad ter goedkeuring aan respectievelijk de Evaluatiecommissie of de inrichtende macht voorgelegd. Afdeling II. - Het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap

Art. 132.De personeelsleden die titularis zijn van een brevet in verband met één van de ambten van directeur in de zin van artikel 2, § 1, 1°, uitgereikt vóór de inwerkingtreding van dit decreet, worden geacht houder te zijn van slaagattesten betreffende de vijf opleidingsmodules bedoeld in artikel 20 van dit decreet voor het betrokken ambt.

Art. 133.Het personeelslid dat tijdelijk wordt aangesteld in een ambt van directeur in de zin van artikel 2, § 1, 1°, vóór de inwerkingtreding van dit decreet met toepassing van artikel 28, § 1, tweede lid van het voornoemde decreet van 4 januari 1999 en dat prioritair is overeenkomstig § 1, derde lid van hetzelfde artikel, wordt geacht prioritair te zijn in de zin van artikel 35, § 2, derde lid van dit decreet.

Het personeelslid bedoeld in het eerste lid, dat tijdelijk sedert ten minste twee jaar ononderbroken aangesteld is op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, wordt geacht twee evaluaties te hebben ondergaan waarvan de laatste aanleiding geeft tot de vermelding « gunstig ».

Het personeelslid bedoeld in het eerste lid, dat tijdelijk sedert ten minste één jaar ononderbroken aangesteld is op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, wordt geacht één evaluatie te hebben ondergaan die aanleiding heeft gegeven tot de vermelding « gunstig ».

Het wordt ambtshalve een tweede keer geëvalueerd na twee jaar vanaf zijn oorspronkelijke aanstelling in tijdelijk verband.

Voor het personeelslid bedoeld in het eerste lid dat tijdelijk sedert ten minste één jaar ononderbroken aangesteld is op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, gebeurt de eerste evaluatie bedoeld in artikel 36, § 2, na één jaar vanaf zijn oorspronkelijke aanstelling in tijdelijk verband. Afdeling III. - Het gesubsidieerd onderwijs

Art. 134.De personeelsleden die tijdelijk aangesteld of aangeworven worden in een bevorderings- of selectieambt vóór de inwerkingtreding van dit decreet en die niet in aanmerking komen voor de bepalingen bedoeld in de artikelen 135 en 136, kunnen de uitoefening van hun tijdelijke aanstelling of aanwerving blijven genieten.

Art. 135.§ 1. In afwijking van de bepalingen van dit decreet wordt het personeelslid dat tijdelijk wordt aangesteld, vóór de inwerkingtreding van dit decreet, in het gesubsidieerd officieel onderwijs in een ambt van directeur in de zin van artikel 2, § 1, 1°, overeenkomstig de voorwaarden voor de tijdelijke aanstelling voor het betrokken ambt die van kracht waren vóór de inwerkingtreding van dit decreet, dat in dat ambt een ambtsanciënniteit van ten minste 600 dagen verworven in het onderwijs met volledig leerplan en/of in het onderwijs voor sociale promotie op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet telt, benoemd in de betrekking die het bekleedt zodra het de voorwaarden voor de vaste benoeming vervult voor het betrokken ambt die van kracht waren vóór de inwerkingtreding van dit decreet. § 2. In afwijking van de bepalingen van het voornoemde decreet van 6 juni 1994, zoals gewijzigd bij dit decreet, wordt het personeelslid dat tijdelijk wordt aangesteld vóór de inwerkingtreding van dit decreet, in het gesubsidieerd officieel onderwijs in een selectieambt overeenkomstig de voorwaarden voor de tijdelijke aanstelling voor het betrokken ambt die van kracht waren vóór de inwerkingtreding van dit decreet, dat in dit laatste een ambtsanciënniteit van ten minste 600 dagen telt op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, in de betrekking benoemd die het bekleedt zodra het de voorwaarden voor de vaste benoeming vervult voor het betrokken ambt die van kracht waren vóór de inwerkingtreding van dit decreet.

Voor het ambt van werkleider in het onderwijs voor sociale promotie komt het personeelslid bedoeld in het lid dat voorafgaat ook in aanmerking voor deze bepaling indien het aan de voorwaarden van het bekwaamheidsbewijs bedoeld in artikel 101 van dit decreet voldoet.

In afwijking van de bepalingen van het voornoemde decreet van 6 juni 1994, zoals gewijzigd bij dit decreet, wordt het personeelslid dat tijdelijk wordt aangesteld vóór de inwerkingtreding van dit decreet in het gesubsidieerd officieel onderwijs in een ander bevorderingsambt dan dit van directeur in de zin van artikel 2, § 1, 1°, overeenkomstig de voorwaarden voor de tijdelijke aanstelling voor het betrokken ambt die van kracht waren vóór de inwerkingtreding van dit decreet, dat in dit laatste een ambtsanciënniteit van ten minste 600 dagen telt op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, benoemd in de betrekking die het bekleedt zodra het de voorwaarden voor de vaste benoeming vervult voor het betrokken ambt die van kracht waren vóór de inwerkingtreding van dit decreet. § 3. Het personeelslid dat tijdelijk werd aangesteld in een ambt van directeur in de zin van artikel 2, § 1, 1°, in een ander bevorderingsambt of in een selectieambt vóór de inwerkingtreding van dit decreet, krachtens de artikelen 42, § 6 en 50, § 6 van het decreet van 6 juni 1994, komt in aanmerking voor de bepalingen van de vorige paragrafen en wordt geacht de voorwaarde te vervullen van de artikelen 40, eerste lid of 49, eerste lid, 1° van het bovenvermelde decreet zodra het zes jaar anciënniteit telt in het ambt vanaf zijn tijdelijke aanstelling.

Art. 136.§ 1. In afwijking van de bepalingen van dit decreet, wordt het personeelslid dat tijdelijk aangesteld wordt vóór de inwerkingtreding van dit decreet in het gesubsidieerd vrij onderwijs in een ambt van directeur in de zin van artikel 2, § 1, 1°, krachtens de voorwaarden voor de tijdelijke aanwerving voor het betrokken ambt die van kracht waren vóór de inwerkingtreding van dit decreet, dat in dit laatste een ambtsanciënniteit van ten minste 720 dagen telt, verworven in het onderwijs met volledig leerplan en/of in het onderwijs voor sociale promotie op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, in vast verband aangeworven in de betrekking die het bekleedt zodra het de voorwaarden voor de aanwerving in vast verband vervult voor het betrokken ambt die van kracht waren vóór de inwerkingtreding van dit decreet. § 2. In afwijking van de bepalingen van het voornoemde decreet van 1 februari 1993, zoals gewijzigd bij dit decreet, wordt het personeelslid dat tijdelijk wordt aangeworven vóór de inwerkingtreding van dit decreet in het gesubsidieerd vrij onderwijs in een selectieambt vóór de inwerkingtreding van dit decreet, overeenkomstig de voorwaarden voor de tijdelijke aanwerving voor het betrokken ambt die van kracht waren vóór de inwerkingtreding van dit decreet, dat in dit laatste een ambtsanciënniteit van ten minste 720 dagen telt op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, aangeworven in vast verband in de betrekking die het bekleedt zodra het de voorwaarden vervult voor de vaste aanwerving voor het betrokken ambt die van kracht waren vóór de inwerkingtreding van dit decreet.

Voor het ambt van werkleider in het onderwijs voor sociale promotie komt het personeelslid bedoeld in het lid dat voorafgaat ook in aanmerking voor deze bepaling indien het de voorwaarden voor het bekwaamheidsbewijs bedoeld in artikel 101 van dit decreet vervult.

In afwijking van de bepalingen van het voornoemde decreet van 1 februari 1993, zoals gewijzigd bij dit decreet, wordt het personeelslid dat tijdelijk aangesteld wordt vóór de inwerkingtreding van dit decreet in het gesubsidieerd vrij onderwijs in een ander bevorderingsambt dan dit van directeur in de zin van artikel 2, § 1, 1°, overeenkomstig de voorwaarden voor de tijdelijke aanwerving voor het betrokken ambt die van kracht waren vóór de inwerkingtreding van dit decreet, dat in dit laatste een ambtsanciënniteit van ten minste 720 dagen telt op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, in vast verband aangeworven in de betrekking die het bekleedt zodra het de voorwaarden vervult voor de vaste aanwerving voor het betrokken ambt die van kracht waren vóór de inwerkingtreding van dit decreet.

Art. 137.In het gesubsidieerd officieel onderwijs worden de personeelsleden die houder zijn van een attest dat bewijst dat de opleiding werd gevolgd in verband met één van de ambten van directeur in de zin van artikel 2, § 1, 1°, uitgereikt vóór de inwerkingtreding van dit decreet, geacht, uiterlijk op 2 jaar vanaf het behalen van het bovenvermelde attest, houder te zijn van het slaagattest betreffende de proeven bedoeld in artikel 21, § 1 van dit decreet voor het betrokken ambt.

Art. 138.De personeelsleden die sinds 25 februari 1999 nog tijdelijk aangesteld of aangeworven zouden zijn geweest of die in vast verband benoemd of aangesteld zouden zijn geweest in een vorig selectie- of bevorderingsambt van de categorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel in het secundair onderwijs met volledig leerplan of het alternerend onderwijs of het onderwijs voor sociale promotie, op basis van de bepalingen die van toepassing zijn vóór de inwerkingtreding van dit decreet, worden geacht aangesteld of benoemd te zijn geweest in het ambt, bedoeld in de artikelen 4 en 5 van het decreet van 4 januari 1999 betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten en overeenstemmende zoals vooruitvloeit uit de artikelen 43 tot 45 van hetzelfde decreet.

Art. 139.De personeelsleden bedoeld in de artikelen 134, 135, 136 en 138 behouden de weddeschaal die ze genoten vóór de inwerkingtreding van dit decreet, behalve als de Regering een nieuwe schaal vaststelt die van toepassing is op de bovenvermelde personeelsleden.

Art. 140.§ 1. Totdat de eerste slaagattesten worden uitgereikt waarbij de toepassing van de artikelen 57, eerste lid, 5° en 80, eerste lid, 4° mogelijk wordt gemaakt, kunnen tot de stage toegelaten worden, of bij gebrek aan een vacante betrekking, kunnen tijdelijk aangesteld of aangeworven worden in een ambt van directeur in de zin van artikel 2, § 1, 1°, personeelsleden die beantwoorden aan het geheel van de andere voorwaarden van respectievelijk de artikelen 57 tot 59 en 80 tot 82 van dit decreet.

Kunnen ook tot de stage worden toegelaten, of bij gebrek aan een vacante betrekking, kunnen tijdelijk aangesteld of aangeworven worden, in een ambt van directeur in de zin van artikel 2, § 1, 1°, de personeelsleden die tijdelijk een ambt van directeur uitoefenen in de zin van artikel 2, § 1, 1° de dag vóór de inwerkingtreding van dit decreet en die niet in aanmerking kunnen komen voor de bepalingen van respectievelijk de artikelen 135, § 1 en 136, § 1 en die tijdelijk aangesteld of aangeworven werden overeenkomstig de voorwaarden voor de aanstelling of de aanwerving in tijdelijk verband voor het betrokken ambt die van kracht waren vóór de inwerkingtreding van dit decreet.

Deze personeelsleden zullen in vast verband benoemd of aangesteld kunnen worden zodra ze aan het geheel van de voorwaarden beantwoorden voor de benoeming of aanstelling in vast verband voor het betrokken ambt die van kracht waren vóór de inwerkingtreding van dit decreet en op voorwaarde dat ze de 5 slaagattesten hebben behaald zoals bedoeld in de artikelen 20 en 21 van dit decreet na een stage van twee jaar. § 2. Uiterlijk vóór 1 januari 2008 kunnen tijdelijk aangesteld of aangeworven worden in een selectieambt of in een ander bevorderingsambt dan dat van de directeur in de zin van artikel 2, § 1, 1°, personeelsleden die de voorwaarden vervullen van respectievelijk de artikelen 40 tot 44 of 49 tot 52 van het decreet van 6 juni 1994 of de artikelen 50bis tot 54bis of de artikelen 58bis tot 61bis van het decreet van 1 februari 1993, met uitzondering van het eis van het attest dat bewijst dat de opleiding werd gevolgd, dat ze moeten behalen binnen een termijn van hoogstens 2 jaar vanaf hun tijdelijke aanstelling of aanwerving.

De personeelsleden die tijdelijk aangesteld of aangeworven zijn in een selectieambt of een ander bevorderingsambt dan dat van directeur in de zin van artikel 2, § 1, 1°, vóór de inwerkingtreding van dit decreet en die niet in aanmerking komen voor de bepalingen respectievelijk van de artikelen 135, § 2 en 136, § 2 en die tijdelijk aangesteld of aangeworven werden overeenkomstig de voorwaarden voor de tijdelijke aanstelling of aanwerving voor het betrokken ambt die van kracht waren vóór de inwerkingtreding van dit decreet, zullen in vast verband kunnen worden benoemd en aangeworven zodra ze aan het geheel van de voorwaarden beantwoorden voor de benoeming en de aanstelling in vast verband voor het betrokken ambt die van kracht waren vóór de inwerkingtreding van dit decreet en op voorwaarde dat ze het attest dat bewijst dat de opleiding werd gevolgd hebben behaald zoals bedoeld respectievelijk in de artikelen 40 of 49 van het decreet van 6 juni 1994 en in de artikelen 51 en 59 van het decreet van 1 februari 1993 binnen een termijn van 2 jaar vanaf hun tijdelijke aanstelling of aanwerving. HOOFDSTUK IV. - Slotbepaling

Art. 141.Dit decreet treedt in werking op 1 september 2007, behalve titel I, de hoofdstukken I en II van titel II, afdeling 2 van hoofdstuk I van titel III, titel V en dit artikel, die in werking treden de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Brussel, 2 februari 2007.

De Minister-Presidente, belast met het Leerplichtonderwijs en het Onderwijs voor Sociale Promotie, Mevr. M. ARENA De Vice-Presidente en Minister van Hoger Onderwijs, Wetenschappelijk Onderzoek en Internationale Betrekkingen, Mevr. M.-D. SIMONET De Vice-President en Minister van Begroting en Financiën, M. DAERDEN De Minister van Ambtenarenzaken en Sport, Cl. EERDEKENS De Minister van Cultuur, de Audiovisuele Sector en Jeugd, Mevr. F. LAANAN De Minister van Kinderwelzijn, Hulpverlening aan de Jeugd en Gezondheid, Mevr. C. FONCK Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Zitting 2006-2007.

Stukken van de Raad. - Ontwerp van decreet, nr. 339-1. - Commissieamendementen, nr. 339-2. - Verslag, nr. 339-3. - Vergaderingsamendementen, nr. 339-4.

Integraal verslag. - Bespreking en aanneming. Vergadering van dinsdag 23 januari 2007.

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^