Decreet van 03 maart 2004
gepubliceerd op 03 juni 2004
Informatisering van Justitie. Ja, maar hoe ?

Decreet houdende organisatie van het gespecialiseerd onderwijs

bron
ministerie van de franse gemeenschap
numac
2004029137
pub.
03/06/2004
prom.
03/03/2004
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

3 MAART 2004. - Decreet houdende organisatie van het gespecialiseerd onderwijs (1)


Het Parlement heeft aangenomen en wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied, algemene bepalingen en definities

Artikel 1.Dit decreet is van toepassing op het gespecialiseerd kleuteronderwijs, gespecialiseerd lager onderwijs, gespecialiseerd basisonderwijs en gespecialiseerd secundair onderwijs dat door de Franse Gemeenschap wordt georganiseerd, gesubsidieerd of erkend.

Art. 2.§ 1. Het gespecialiseerd onderwijs wordt bestemd voor kinderen en adolescenten die, op grond van een multidisciplinair examen, uitgevoerd door de instellingen bepaald in artikel 12, een aangepast onderwijs moeten krijgen om te beantwoorden aan hun specifieke behoeften en hun pedagogische mogelijkheden.

Die kinderen en adolescenten worden hieronder met de uitdrukking « kinderen en adolescenten met specifieke behoeften » aangeduid. § 2. Het wordt georganiseerd op grond van de aard en de belangrijkheid van de opvoedingsbehoeften en de psychopedagogische mogelijkheden van de leerlingen en zorgt voor de ontwikkeling van hun verstandelijke, psychomotorische, affectieve en sociale vaardigheden, door hen, naar gelang van het geval, voor te bereiden voor : 1. de integratie in een aangepast leef- of werkmilieu;2. de uitoefening van met hun handicap verenigbare vakken of beroepen, die hun integratie in een gewoon leef- en werkmilieu mogelijk maakt;3. de voortzetting van de studies tot het einde van het hoger secundair onderwijs, waarbij mogelijkheden tot inschakeling in het arbeidsproces worden geboden. § 3. Het bestaat uit de verschillende onderwijstypen bepaald in hoofdstuk II van dit decreet. § 4. Het wordt gekenmerkt door een coördinatie tussen het onderwijs en het orthopedagogisch, medisch, paramedisch, psychologisch en sociaal werk, enerzijds, en de permanente samenwerking met de instelling belast met de begeleiding van leerlingen zoals bepaald in artikel 3 van het koninklijk besluit van 27 juli 1971 houdende organisatiemodaliteiten van de begeleiding der leerlingen die instellingen of afdelingen voor buitengewoon onderwijs volgen.

Art. 3.§ 1. Het gespecialiseerd onderwijs kan worden georganiseerd in scholen voor onderwijs met volledig leerplan, alternerend secundair onderwijs en onderwijs voor sociale promotie.

Het gespecialiseerd onderwijs met volledig leerplan wordt georganiseerd volgens de nader door dit decreet bepaalde regels. Het kan bovendien worden georganiseerd volgens de kenmerken van het afstandsonderwijs, volgens de kenmerken van het thuisonderwijs bepaald in hoofdstuk XI van dit decreet of volgens de kenmerken van het taalbad-onderwijs zoals bepaald in Afdeling 4 van hoofdstuk IV en Afdeling 8 van hoofdstuk V.

§ 2. De Regering bepaalt de bekwaamheidsbewijzen die vereist zijn van de leden van het personeel van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde gespecialiseerd onderwijs en de weddeschalen van dat personeel. § 3. De Regering organiseert de opvoedingsinspectie van de instituten, inrichtingen voor gespecialiseerd onderwijs, opvangtehuizen en opvanggezinnen.

Art. 4.§ 1. Voor de toepassing van dit decreet, wordt verstaan onder : 1° inrichting of school : pedagogisch geheel voor gespecialiseerd onderwijs van het kleuter-, lager en of secundair niveau, georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, gelegen in één of meer vestigingsplaatsen onder leiding van één zelfde directeur.2° hoofdgebouw van de school : de vestigingsplaats gekozen door de inrichtende macht als administratieve zetel van elke school;3° vestiging : gebouw of geheel van gebouwen gelegen op één enkel adres, waar gespecialiseerd kleuteronderwijs en/of gespecialiseerd lager onderwijs en/of gespecialiseerd secundair onderwijs wordt/en verstrekt;4° observatiecentrum : iedere inrichting voor gespecialiseerd onderwijs, waar, in uitzonderlijke gevallen, kinderen en/of adolescenten met specifieke behoeften tijdelijk ingeschreven zijn, om het type gespecialiseerd onderwijs te bepalen dat voor hen past;5° niveau : structuur van de organisatie van het gespecialiseerd onderwijs, dit is kleuteronderwijs, lager en secundair onderwijs;6° klas : geheel van kinderen in het gespecialiseerd kleuteronderwijs, gespecialiseerd lager onderwijs of gespecialiseerd secundair onderwijs die onder leiding van de titularis van een klas worden gesteld;7° pedagogische eenheid : geheel van leerlingen die ressorteren onder hetzelfde onderwijstype of onder verschillende gespecialiseerde onderwijstypes, tijdelijk of permanent gegroepeerd, om binnen één zelfde school een vorming te krijgen die aangepast is aan hun opvoedingsbehoeften;8° regelmatige leerling : iedere leerling die beantwoordt aan de voorwaarden inzake toelating, en, in voorkomend geval, inzake overgang;9° directeur : verantwoordelijke voor een kleuter-, lagere, basis- of secundaire school voor gespecialiseerd onderwijs;10° klassenraad : geheel van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het paramedisch, psychologisch en sociaal personeel en van het opvoedend hulppersoneel die belast zijn met het verstrekken van onderwijs en opvoeding aan de leerlingen van een welbepaalde klas en die voor die klas verantwoordelijk zijn.De vergadering van de raad wordt door de directeur of diens afgevaardigde voorgezeten; 11° wekelijkse uurregeling van de leerling : tijdschema van de leerling waarin de aard van de gevolgde cursussen en/of opvoedingsactiviteiten alsook de plaatsen waar ze worden georganiseerd, worden vermeld;12° wekelijkse uurregeling van de leerkracht : tijdschema van de leerkracht waarin de aard en de plaatsen voor zijn prestaties worden vermeld;13° wekelijkse uurregeling van het personeelslid dat niet met cursussen wordt belast : tijdschema van het personeelslid dat niet met cursussen wordt belast, waarin de plaatsen voor zijn prestaties worden vermeld;14° kencijfer : cijfer toegekend voor : a) elk onderwijstype, elke onderwijsvorm of elk onderwijsniveau, of elk aantal leerlingen b) elke categorie van het personeel waarmee het lestijdenpakket van een inrichting voor gespecialiseerd onderwijs wordt berekend;15° leren van een taal door taalbad : procedure voor de aanmoediging van het leren van een moderne taal door een deel van de lessen van het uurrooster in die taal te verstrekken;16° leren door gebarentaalbad : procedure voor de aanmoediging, bij de slechthorende kinderen, van de verwerving van de vaardigheden, inzonderheid het leren lezen, gericht op de beheersing van de betekenis, door een deel van de lessen van het uurrooster in gebarental te verstrekken;17° cursussen taal en cultuur van herkomst : cursussen sensibilisatie voor de taal en de cultuur van landen of groepen landen waar een belangrijke emigratie naar onze gemeenschap vandaan komt, verstrekt met het oog op integratie binnen deze;18° communicatiemiddelen en -technieken : leren van methoden en technieken met het oog op het laten aanknopen van een maatschappelijke band tussen de leerlingen van het gespecialiseerd onderwijs en de personen uit hun omgeving;19° individueel leerplan (ILP) : methodologisch instrument dat voor iedere leerling wordt ontwikkeld en dat gedurende zijn gehele schooltijd door de klassenraad wordt aangepast, op grond van de opmerkingen die worden uitgebracht door zijn verschillende leden en van de gegevens die door de instelling voor begeleiding van leerlingen worden verstrekt.Het somt bijzondere doelstellingen op die gedurende een welbepaalde periode te bereiken zijn. Uitgaande van de gegevens die in het ILP vermeld staan, oefent ieder lid van de multidisciplinaire ploeg zijn opdracht inzake opvoeding, heropvoeding en vorming uit. De leerling en zijn ouders kunnen aan het opmaken ervan deelnemen; 20° orthopedagogisch optreden : preventief of curatief optreden in situaties waarin kinderen en/of adolescenten met problemen problematische leersituaties kennen en psychisch lijden ondergaan;21° filosofische cursus : onderwijs in een van de erkende godsdiensten en in de niet confessionele zedenleer;22° participatieraad : raad opgericht bij artikel 69 van het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren;23° gezinshoofd : de vader, moeder, voogd of de persoon aan wie de bewaring in rechte of in feite van een kind of een adolescent met specifieke behoeften wordt toevertrouwd;24° instituut voor gespecialiseerd onderwijs : elke door de Franse Gemeenschap georganiseerde inrichting voor gespecialiseerd onderwijs, waaraan een internaat verbonden is;25° opvangtehuis : elk internaat waarin kinderen en/of adolescenten met specifieke behoeften worden opgenomen om hun de mogelijkheid te verschaffen als externen een inrichting voor gespecialiseerd onderwijs te bezoeken;26° opvanggezin : ieder gezin dat kinderen en/of adolescenten met specifieke behoeften opvangt om hun de mogelijkheid te verschaffen als externen een inrichting voor gespecialiseerd onderwijs te bezoeken. § 2. In het gespecialiseerd kleuteronderwijs en lager onderwijs wordt verstaan onder : 1° kleuteronderwijs : onderwijs verstrekt aan de leerlingen bepaald in artikel 13, dat hen voor het lager onderwijs voorbereidt;2° lager onderwijs : onderwijs verstrekt aan de leerlingen bepaald in artikel 14, dat hen voor het secundair onderwijs voorbereidt;3° basisonderwijs : onderwijs verstrekt aan de leerlingen bepaald in de artikelen 13 en 14;4° kleuterschool : school van uitsluitend het kleuterniveau;5° lager onderwijs : school van uitsluitend het lager niveau;6° basisschool : school van het kleuterniveau en van het lager niveau;7° titularis : leerkracht die de cursussen verstrekt en pedagogische activiteiten uitoefent die bepaald zijn in de uurregeling van de leerlingen, met uitsluiting van de bijzondere vakken en de filosofische cursussen, onverminderd artikel 22;8° leermeester geïndividualiseerd onderwijs : onderwijzer lager of kleuteronderwijs, die activiteiten inzake geïndividualiseerd onderwijs uitoefent, en die activiteiten volgt die worden bepaald om aan zijn behoeften te beantwoorden;9° leermeester opvoedingsactiviteiten : onderwijzer lager of kleuteronderwijs, speciale leermeester lichamelijke opvoeding of speciale leermeester handwerkzaamheden, die de opvoedingsactiviteiten uitoefent;10° leermeester niet confessionele zedenleer : personeelslid dat de cursus niet-confessionele zedenleer verstrekt;11° leermeester godsdienst : minister of afgevaardigde van een minister van één van de erkende erediensten, uitsluitend belast met de cursus in de overeenstemmende godsdienst;12° leermeester lichamelijke opvoeding : personeelslid dat de cursussen lichamelijke opvoeding en/of psychomotoriek verstrekt;13° leermeester handwerkzaamheden : personeelslid dat de cursussen handwerkzaamheden verstrekt;14° leermeester tweede taal : personeelslid dat de cursussen moderne talen verstrekt;15° uurregeling van de klas : lijst van de wekelijks verstrekte verschillende cursussen, met vermelding van het aantal lestijden die voor elk van die bestemd worden;16° maturiteitsgraad : één van de vier graden die overeenstemmen met de ontwikkelingsfasen van de leerling in het lager onderwijs : a) voor de leerlingen die getroffen worden door lichte mentale achterlijkheid, instrumentele, gedrags- en sensoriële stoornissen en door lichamelijke handicaps, worden ze bepaald als volgt : - maturiteit I : niveaus van de voorschoolse leertijd : - maturiteit II : wekken van belangstelling voor leren op school; - maturiteit III : beheersing en ontwikkeling van verworvenheden; - maturiteit IV : functioneel gebruik van verworvenheden volgens de beoogde oriëntaties. b) voor de leerlingen die door matige of ernstige mentale achterlijkheid getroffen worden, worden ze bepaald als volgt : - maturiteit I : niveaus van verwerving van zelfredzaamheid en socialisatie; - maturiteit II : niveaus van voorschools leren; - maturiteit III : wekken van belangstelling voor het eerste leren op school (inleiding); - maturiteit IV : verwerving van grondige kennis; 17° lestijdenpakket : aantal lestijden waarmee de pedagogische, paramedische, sociale en psychologische activiteiten kunnen worden georganiseerd om te beantwoorden aan de specifieke behoeften van de leerlingen die ingeschreven zijn in een inrichting voor gespecialiseerd kleuter-, lager of basisonderwijs. § 3. In het gespecialiseerd secundair onderwijs, wordt verstaan onder : 1° secundair onderwijs : onderwijs verstrekt aan de leerlingen bepaald in artikel 15;2° secundaire school : school van uitsluitend secundair niveau;3° klassendirecteur : lid van het onderwijzend personeel belast met een hoor- en opvolgingsopdracht in verband met een klas of een leerlingengroep.Hij is een referentiepersoon voor de leerling, wanneer deze stappen moet ondernemen, wanneer hij geconfronteerd wordt met een moeilijkheid in verband met zijn leven binnen de inrichting; 4° onderwijsvorm : algemene aard en doelstellingen van het verstrekte onderwijs;5° fase : periode die noodzakelijk is om de leerling de mogelijkheid te verschaffen om de doelstellingen of de referentiesystemen van de vastgestelde vaardigheden te beheersen;6° referentiesysteem voor de basisvaardigheden : referentiesysteem dat op gestructureerde wijze de vaardigheden bepaalt waarvan de beheersing op een bepaald niveau verwacht wordt op het einde van elke fase van het gespecialiseerd onderwijs van vorm 3;7° vaardigheid : het vermogen om een georganiseerd geheel van kennis, knowhow en gedragingen te gebruiken waarmee een aantal taken kunnen worden vervuld;8° beroepssector : geheel van sociaal-professionele bestanddelen waarin opvoedingsactiviteiten en leerprocessen worden ontwikkeld die meer bepaald voor de inschakeling in het arbeidsproces voorbereiden;9° beroepsgroep : indeling van een beroepssector.De beroepsgroep ontwikkelt een polyvalente vorming; 10° beroep : bestanddeel van het beroepsgroep.Het beroep ontwikkelt een beroepskwalificatie die bepaald wordt door het specifieke vormingsprofiel; 11° specifiek vormingsprofiel : referentiesysteem dat op een gestructureerde wijze de vaardigheden bepaalt die te verwerven zijn met het oog op het behalen van een getuigschrift van specifieke kwalificatie of van een vaardigheidsattest;12° lestijdenpakket : aantal lestijden waarmee de pedagogische, paramedische, sociale en psychologische activiteiten en de activiteiten van het opvoedend hulppersoneel kunnen worden georganiseerd om te beantwoorden aan de specifieke behoeften van de leerlingen die ingeschreven zijn in een inrichting voor gespecialiseerd secundair onderwijs.

Art. 5.In dit decreet is het gebruik, in het Frans, van mannelijke namen voor de verschillende personeelsleden gemeenslachtig, opdat de tekst verstaanbaar zou zijn, niettegenstaande de bepalingen van het decreet van 21 juni 1993 betreffende de vervrouwelijking van de namen van beroep, ambt, graad of titel. HOOFDSTUK II. - Typen van gespecialiseerd onderwijs

Art. 6.Het gespecialiseerd onderwijs wordt in verschillende typen onderverdeeld.

Elk van die typen omvat het onderwijs dat aangepast is aan de algemene en bijzondere opvoedingsbehoeften van de leerlingen die ressorteren onder het gespecialiseerd onderwijs en tot een zelfde groep behoren, waarbij die behoeften bepaald worden op grond van de hoofdhandicap die voor die groep gemeenschappelijk is.

Voor de personen die door verschillende handicaps getroffen worden, wordt het type van gespecialiseerd onderwijs bepaald op grond van de opvoedingsbehoeften waarin, gelet op de leeftijd en de capaciteiten van de betrokkenen, bij voorrang moet worden voorzien.

Art. 7.§ 1. De volgende typen van gespecialiseerd onderwijs kunnen door de Franse Gemeenschap worden georganiseerd, gesubsidieerd of erkend : 1° het type 1 van gespecialiseerd onderwijs, aangepast aan de opvoedingsbehoeften van de kinderen en adolescenten die door lichte mentale achterlijkheid worden getroffen, hierna type 1 genoemd;2° het type 2 van gespecialiseerd onderwijs, aangepast aan de opvoedingsbehoeften van de kinderen en adolescenten die door matige mentale achterlijkheid worden getroffen en/of kinderen en adolescenten die door ernstige mentale achterlijkheid worden getroffen, hierna type 2 genoemd;3° het type 3 van gespecialiseerd onderwijs, aangepast aan de opvoedingsbehoeften van de kinderen en adolescenten die door structurele gedrags- en persoonlijkheidsstoornissen worden getroffen, hierna type 3 genoemd;4° het type 4 van gespecialiseerd onderwijs, aangepast aan de opvoedingsbehoeften van de kinderen en adolescenten die door lichamelijke afwijkingen worden getroffen, hierna type 4 genoemd;5° het type 5 van gespecialiseerd onderwijs, aangepast aan de opvoedingsbehoeften van de zieke en/of herstellende kinderen en adolescenten, hierna type 5 genoemd;6° het type 6 van gespecialiseerd onderwijs, aangepast aan de opvoedingsbehoeften van de kinderen en adolescenten die door gezichtsstoornissen worden getroffen, hierna type 6 genoemd;7° het type 7 van gespecialiseerd onderwijs, aangepast aan de opvoedingsbehoeften van de kinderen en adolescenten die door gehoorstoornissen worden getroffen, hierna type 7 genoemd;8° het type 8 van gespecialiseerd onderwijs, aangepast aan de opvoedingsbehoeften van de kinderen en adolescenten die door instrumentele stoornissen worden getroffen, hierna type 8 genoemd. § 2. Elke wijziging van een type wordt voor advies vooraf voorgelegd aan de Hoge Raad voor het gespecialiseerd onderwijs bepaald in hoofdstuk XIV.

Art. 8.§ 1. Het type 1 van gespecialiseerd onderwijs is bestemd voor leerlingen die niet kunnen worden meegerekend onder de pedagogisch achterlijken en voor wie het multidisciplinair onderzoek, bedoeld in artikel 12 § 1, 1°, achterlijkheid en/of één of meer lichte stoornis(sen) in de geestelijke ontwikkeling vaststelt.

Ze kunnen basiskennis op school verwerven, beroepsvaardigheid en een beroepsopleiding verwerven waarmee ze in een gewone socioprofessionele omgeving kunnen worden ingeschakeld. § 2. Het type 2 van gespecialiseerd onderwijs is bestemd voor leerlingen die niet kunnen worden meegerekend onder de kinderen en adolescenten bedoeld in artikel 7, 1°, en voor wie het multidisciplinair onderzoek, bedoeld in artikel 12 § 1, 1°, achterlijkheid en/of één of meer matige stoornis(sen) in de geestelijke ontwikkeling vaststelt.

De kinderen en adolescenten wier handicap toe te schrijven is aan matige mentale achterlijkheid kunnen, door een aangepaste sociale en professionele opvoeding, in een aangepaste socioprofessionele omgeving worden ingeschakeld.

De kinderen en adolescenten wier handicap toe te schrijven is aan ernstige mentale achterlijkheid kunnen, door aangepaste opvoedingsactiviteiten, in de samenleving worden ingeschakeld. § 3. Het type 3 van gespecialiseerd onderwijs is bestemd voor de leerlingen voor wie het multidisciplinair onderzoek, bedoeld in artikel 12, § 1, 1°, de aanwezigheid vaststelt van structurele gedragsstoornissen en/of functionele stoornissen in het relatieaspect en het affectief-dynamisch aspect van de persoonlijkheid die zo zwaar zijn dat een beroep moet worden gedaan op orthopedagogische en psychotherapeutische methoden. § 4. Het type 4 van gespecialiseerd onderwijs is bestemd voor andere lichamelijk gehandicapte leerlingen dan deze die bedoeld zijn in de §§ 5, 6 en 7 van dit artikel en voor wie het multidisciplinair onderzoek, bedoeld in artikel 12 § 1, 1°, vaststelt dat ze het gewoon onderwijs niet kunnen volgen en waarvan de staat een geregelde medische en paramedische verzorging, en orthopedagogische methoden noodzakelijk maken. § 5. Het type 5 van gespecialiseerd onderwijs is bestemd voor leerlingen die door een lichamelijke en/of geestelijke aandoening getroffen worden en die worden opgenomen in een kliniek of een medisch-sociale instelling die door de Franse Gemeenschap wordt georganiseerd of erkend, met uitsluiting van de schoolkolonies.

Dat type onderwijs wordt georganiseerd in nauwe samenwerking met de gewone of gespecialiseerde school waarin de leerling ingeschreven is.

Alleen de oorspronkelijke school wordt ertoe gemachtigd de getuigschriften, diploma's of attesten betreffende die leerlingen uit te reiken. § 6. Het type 6 van gespecialiseerd onderwijs is bestemd voor de leerlingen die, wegens blindheid of amblyopie, geregeld een medische en paramedische verzorging moeten krijgen en/of op wie orthopedagogische methoden moeten worden toegepast. § 7. Het type 7 van gespecialiseerd onderwijs is bestemd voor de leerlingen die, wegens doofheid of hypoacousie, geregeld een medische of paramedische verzorging moeten krijgen en/of op wie orthopedagogische methoden moeten worden toegepast. § 8. Het type 8 van gespecialiseerd onderwijs is bestemd voor de leerlingen voor wie het multidisciplinair onderzoek bedoeld in artikel 12, § 1, 1°, vaststelt dat ze, alhoewel ze geen stoornissen van het verstand, het gehoor of het gezicht vertonen, stoornissen vertonen die moeilijkheden veroorzaken bij de ontwikkeling van de taal- of spraakvaardigheid en/of het leren lezen, schrijven of rekenen en die zo zwaar zijn dat een bijzonder optreden in het kader van het gewoon onderwijs niet volstaat.

Art. 9.De typen 1 en 8 van gespecialiseerd onderwijs worden niet georganiseerd op het niveau van het gespecialiseerd kleuteronderwijs.

Het type 8 wordt niet georganiseerd op het niveau van het gespecialiseerd secundair onderwijs.

Art. 10.Na het met redenen omkleed advies van de Hoge Overlegraad voor het gespecialiseerd onderwijs bedoeld in artikel 170, kan de Regering observatiecentra organiseren of subsidiëren. Die verstrekken een onderwijs dat administratief gelijkgesteld is met het type 3 van gespecialiseerd onderwijs. HOOFDSTUK III. - Voorwaarden voor toelating en behoud

Art. 11.§ 1. De voordelen van dit decreet zijn voorbehouden voor de leerlingen die minstens twee jaar en zes maanden en hoogstens éénentwintig jaar oud zijn, onverminderd de artikelen 13 en 15. § 2. In het gespecialiseerd secundair onderwijs van vorm 4, betreffende de toelatingsvoorwaarden, zijn de leeftijdsvoorwaarden gelijk aan deze die vastgesteld zijn bij het koninklijk besluit van 29 juni 1984 betreffende de organisatie van het secundair onderwijs.

Art. 12.§ 1. De inschrijving van kinderen en adolescenten in een inrichting, een school of een instituut voor gespecialiseerd onderwijs wordt afhankelijk gemaakt van het overleggen van een verslag waarin het type van gespecialiseerd onderwijs wordt vermeld dat aan de behoeften van de leerling beantwoordt en dat in die inrichting, die school of dat instituut wordt verstrekt.

Dat verslag wordt opgemaakt : 1° voor de types 1, 2, 3, 4 en 8, op grond van een multidisciplinair onderzoek, uitgevoerd door een psycho-medisch-sociaal centrum, door een dienst voor school- en beroepsoriëntatie of door elke andere instelling die dezelfde waarborgen biedt inzake school- of beroepsoriëntatie, die door de Franse Gemeenschap worden georganiseerd, gesubsidieerd of erkend.Jaarlijks wordt door de Regering een lijst van die instellingen opgemaakt, die wordt overgezonden aan de instituten, inrichtingen en scholen voor gespecialiseerd onderwijs alsook aan de adviescommissies voor het gespecialiseerd onderwijs.

De conclusies van dat multidisciplinair onderzoek, vervat in een inschrijvingsverslag, vloeien voort uit de interpretatie en de opneming van de gegevens die verstrekt worden door : - het medisch onderzoek; - het psychologisch onderzoek; - het pedagogisch examen; - de sociale studie. 2° voor de types 5, 6 en 7, op grond van een medisch onderzoek waarvan de conclusies in een inschrijvingsverslag vervat zijn en dat wordt uitgevoerd : a) voor het type 5, door een kinderarts of de arts van de dienst pediatrie, van de verzorgingsinstelling of de preventie-instelling;b) voor het type 6, door een oftalmologie-specialist;c) voor het type 7, door een specialist voor keel-, neus- en oorheelkunde. § 2. De Regering neemt alle maatregelen om de permanente begeleiding van de leerlingen van het gespecialiseerd onderwijs mogelijk te maken.

Die opdracht wordt toevertrouwd aan de instellingen en personen bedoeld in dit artikel. § 3. Indien een leerling die het gespecialiseerd onderwijs heeft verlaten, vraagt om in het gespecialiseerd onderwijs opnieuw te worden ingeschreven binnen een termijn van minder dan twee jaar, hoeft geen nieuw inschrijvingsverslag te worden opgemaakt. Op aanvraag van de directeur van de inrichting voor gespecialiseerd onderwijs wordt een beknopt verslag overgelegd door het psycho-medisch-sociaal centrum van de laatste school waar de leerling naar school ging.

Art. 13.§ 1. Kinderen kunnen als regelmatige leerling in het gespecialiseerd kleuteronderwijs worden ingeschreven op grond van een verslag dat wordt uitgereikt overeenkomstig de bepalingen van artikel 12, zodra ze de leeftijd van twee jaar en zes maanden hebben bereikt en totdat ze, uiterlijk op 31 december van het lopende jaar, de leeftijd van zes jaar hebben bereikt.

Ze kunnen echter worden toegelaten totdat ze, uiterlijk op 31 december van het lopende jaar, de leeftijd van 7 jaar hebben bereikt, op grond van een met redenen omkleed advies, gevoegd bij het inschrijvingsverslag. § 2. Niettegenstaande de bepalingen bedoeld bij artikel 14 en op grond van een gemeenschappelijk en met redenen omkleed advies van de klassenraad en van de instelling belast met de begeleiding, kunnen de leerlingen in het gespecialiseerd kleuteronderwijs uitzonderlijk worden behouden na de zomervakantie van het jaar waarin ze de leeftijd van zes jaar bereiken. Dat behoud kan maar één keer worden vernieuwd. § 3. De Regering kan de toegang tot het gespecialiseerd onderwijs van type 7 vóór de leeftijd van twee jaar en zes maanden toelaten voor een slechthorend of doof kind, wanneer een verslag dat door een dienst voor vroegtijdige hulpverlening of een centrum voor audiofonologie wordt opgemaakt, bepaalt dat het kind absoluut naar school moet.

Art. 14.§ 1. Kinderen kunnen in het gespecialiseerd lager onderwijs als regelmatige leerling worden ingeschreven op grond van een inschrijvingsverslag dat overeenkomstig de bepalingen van artikel 12 wordt uitgereikt : 1° na de zomervakantie van het jaar waarin ze de leeftijd van zes jaar bereiken;2° als ze, uiterlijk op 31 december van het lopende jaar, de leeftijd van dertien of veertien jaar bereiken, op grond van een met redenen omkleed advies dat bij het inschrijvingsverslag gevoegd wordt. § 2. In het belang van de dienst, als de voorwaarden bepaald in artikel 1, § 4 van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht vervuld zijn, kan de Regering, uitzonderlijk, een leerling toelaten het gespecialiseerd lager onderwijs vanaf de leeftijd van 5 jaar te volgen. § 3. Niettegenstaande de bepalingen bepaald in artikel 15 en op grond van een gemeenschappelijk en met redenen omkleed advies van de klassenraad en van de instelling belast met de begeleiding, kunnen leerlingen, uitzonderlijk, in het gespecialiseerd lager onderwijs worden behouden na de zomervakantie van het jaar waarin ze de leeftijd van dertien jaar bereiken. Dat behoud kan slechts één keer worden vernieuwd.

Art. 15.§ 1. Kinderen en adolescenten kunnen als regelmatige leerling in het gespecialiseerd secundair onderwijs worden ingeschreven op grond van een inschrijvingsverslag uitgereikt overeenkomstig de bepalingen van artikel 12 : 1° na de zomervakantie van het jaar waarin ze de leeftijd van dertien jaar bereiken;2° op grond van een met redenen omkleed advies van de klassenraad gevoegd bij het inschrijvingsverslag na de zomervakantie van het jaar waarin ze de leeftijd van twaalf jaar bereiken; § 2. Leerlingen van meer dan éénentwintig jaar, in het onderwijs van vorm 3, die voor de eerste keer met de derde fase beginnen, kunnen eveneens als regelmatige leerling in het gespecialiseerd secundair onderwijs worden ingeschreven. § 3. De Regering kan het behoud na de leeftijd van 21 jaar toelaten van een leerling die ingeschreven is in een vormingscyclus die leidt tot het behalen van een kwalificatiegetuigschrift of van een getuigschrift voor lager secundair onderwijs dat gelijkwaardig is aan het getuigschrift voor secundair onderwijs van de tweede graad. § 4. De Regering kan het behoud na 21 jaar toelaten van een leerling die niet kan worden opgenomen door een onderneming voor aangepaste arbeid of een huisvestingscentrum of een dagcentrum, op voorwaarde dat de kosten voor de opvang niet op de begroting van de Franse Gemeenschap worden aangerekend, zonder dat echter wordt afgeweken van de verplichting inzake kosteloosheid. § 5. De leeftijdsgrens van 21 jaar is niet van toepassing op de leerlingen met specifieke behoeften die in het alternerend gespecialiseerd onderwijs ingeschreven zijn zoals bepaald in artikel 3 van dit decreet. HOOFDSTUK IV. - Organisatie van het gespecialiseerd kleuteronderwijs en/of gespecialiseerd lager onderwijs Afdeling 1. - Uurregeling van de leerlingen in het kleuteronderwijs

Art. 16.Het gespecialiseerd kleuteronderwijs wordt verstrekt met achtentwintig wekelijkse lestijden van vijftig minuten, verdeeld over negen halve dagen. De uurregeling van de leerlingen is ononderbroken.

Ze omvat ten minste een recreatie van vijftien minuten s morgens en een onderbreking van één uur tussen de activiteiten van de morgen en de activiteiten van de namiddag.

Art. 17.Elke inrichting voor gespecialiseerd onderwijs dat het kleuteronderwijs organiseert, zorgt, overeenkomstig afdeling 10 van dit hoofdstuk, voor het opnemen van de leerlingen die een bijzondere individuele hulpverlening nodig hebben en/of voor het onthalen, de observatie en het tijdelijk opnemen van de nieuwe leerlingen. Die taken worden door een leermeester voor geïndividualiseerd onderwijs waargenomen. Afdeling 2. - Uurregeling van de leerlingen in het lager onderwijs en

omkadering van die leerlingen

Art. 18.Het gespecialiseerd lager onderwijs wordt verstrekt met achtentwintig wekelijkse lestijden van vijftig minuten, verdeeld over negen halve dagen. De uurregeling van de leerlingen is ononderbroken.

Ze omvat minstens een recreatie van 15 minuten in de morgen en een onderbreking van één uur tussen de activiteiten van de morgen en die van de namiddag.

Art. 19.De Regering, voor het onderwijs van de Franse Gemeenschap, of elke inrichtende macht, voor het gesubsidieerd onderwijs, organiseert het uurrooster.

Art. 20.Voor elke klas worden twee wekelijkse lestijden lichamelijke en sportactiviteiten georganiseerd. Er kunnen bovendien één, twee of drie lestijden psychomotorische of sportactiviteiten worden georganiseerd. Die lestijden worden verstrekt door de leermeester lichamelijke opvoeding of door de titularis, indien deze houder is van het getuigschrift van bekwaamheid voor het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding in de lagere scholen.

Art. 21.De cursus handenarbeid wordt verstrekt door een leermeester handenarbeid of door de titularis die houder is van de vereiste bekwaamheidsbewijzen.

Art. 22.In de inrichtingen voor confessioneel vrij onderwijs, kan de cursus godsdienst door de titularis worden verstrekt. In dat geval draagt deze twee lestijden van het uurrooster aan een andere leerkracht over. De twee overgedragen lestijden kunnen noch de cursus moderne taal noch de cursus lichamelijke opvoeding zijn.

In de inrichtingen voor niet-confessioneel vrij onderwijs die alleen de cursus niet confessionele zedenleer organiseren, kan de cursus niet confessionele zedenleer door de titularis worden verstrekt. In dat geval draagt deze twee lestijden van het uurrooster aan een andere leerkracht over. De twee overgedragen lestijden kunnen noch de cursus moderne taal noch de cursus lichamelijke opvoeding zijn.

De inrichtende macht die gebruik maakt van de mogelijkheid bedoeld in de eerste en tweede leden wordt ertoe gemachtigd de Regering, volgens de nader door deze te bepalen regels, op de hoogte te brengen van de overgedragen lestijden bestemd voor het titulariaat.

Art. 23.Alle cursussen van het uurrooster worden, met inachtneming van artikel 30, naargelang van het geval, toegekend aan een titularis, een leermeester geïndividualiseerd onderwijs, een leermeester opvoedingsactiviteiten, een leermeester cursus lichamelijke opvoeding, een leermeester handenarbeid, een leermeester moderne taal, een leermeester niet confessionele zedenleer of een leermeester godsdienst.

De directeur, in het onderwijs van de Franse Gemeenschap, of de inrichtende macht, in het gesubsidieerd onderwijs, zendt aan de Regering, volgens door haar nader te bepalen regels, de wekelijkse uurregeling van de leerlingen over. De wekelijkse uurregeling van de leerlingen vermeldt de namen van de personeelsleden die de verschillende cursussen verstrekken.

Art. 24.In elke inrichting voor gespecialiseerd onderwijs houdende organisatie van het lager onderwijs worden het opnemen van leerlingen die een bijzondere individuele hulpverlening moeten krijgen en/of het opnemen, de observatie en het tijdelijk opnemen van nieuwe leerlingen, uitgevoerd binnen de perken van het bruikbare lestijdenpakket. Die taken worden waargenomen door een leermeester geïndividualiseerd onderwijs. Afdeling 3. - Voorwaarden voor de overgang van het gespecialiseerd

basisonderwijs naar het gewoon basisonderwijs

Art. 25.§ 1. Een leerling regelmatig in een inrichting voor gespecialiseerd basisonderwijs ingeschreven, kan bij beslissing van zijn ouders of van de persoon die het ouderlijk gezag uitoefent, in het gewoon basisonderwijs ingeschreven worden, evenwel op voorwaarde dat hij een advies krijgt van de instelling die belast is met de begeleiding van de leerlingen van de betrokken gespecialiseerde inrichting. § 2. Onverminderd de toepassing van de artikelen 130 tot 158, wordt het studiejaar waarbij hij kan worden toegelaten door de educatieve ploeg van de inrichting voor gewoon onderwijs bepaald met inachtneming van de reglementering van kracht in het gewoon onderwijs. Afdeling 4. - Leren door taalbad

Art. 26.§ 1. Op verzoek van de directeur kan de Regering, na het advies van de participatieraad te hebben ingewonnen, een school van de Franse Gemeenschap haar toestemming geven om sommige lessen en pedagogische activiteiten van het lesrooster in de gebarentaal of in een andere moderne taal dan het Frans te organiseren.

In het gesubsidieerd onderwijs kan de Regering een inrichtende macht haar toestemming geven om in één of meer van de door haar georganiseerde scholen of vestigingen sommige lessen en pedagogische activiteiten van het lesrooster in de gebarentaal of in een andere moderne taal dan het Frans te verstrekken.

Wanneer een school of een vestiging het aanleren door taalbad organiseert, wordt dit in het instellingsplan ingevoerd.

De cursussen godsdienst en de cursus niet confessionele zedenleer kunnen niet in taalbad worden gegeven. § 2. In het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad en in de gemeenten in artikel 3 van de wet van 30 juli 1963 bedoeld is het Nederlands de moderne taal waarin het taalbad georganiseerd kan worden.

In het Franse taalgebied, met uitzondering van de in artikel 3 van dezelfde wet bedoelde gemeenten, is het Engels, het Nederlands of het Duits de moderne taal waarin het taalbad georganiseerd kan worden.

In een school of een vestiging die het taalbad toepast, kan dit slechts in één taal georganiseerd worden. § 3. In de scholen of vestigingen die het taalbad toepassen, wordt de cursus moderne taal opgenomen in het deel van het lesrooster dat in taalbad georganiseerd wordt. § 4. De bepalingen in de vorige paragrafen bedoeld zijn niet van toepassing op de leerlingen die behoren tot het gespecialiseerd onderwijs van type 7.

Elke school die een onderwijs van type 7 organiseert, is verplicht een project in de gebarentaal op te stellen dat in het instellingsplan vermeld wordt. In het kader van dat project kan elke leerling die tot het onderwijs van type 7 behoort, tenminste twee wekelijkse lestijden van een taalbad in de gebarentaal genieten. Die worden door een onderwijzer in het kleuter- of lager onderwijs die belast is met de lessen in taalbad, verstrekt.

Het taalbad in de gebarentaal sluit noch het taalbad mondeling Frans noch het leren van het schriftelijke Frans uit. Afdeling 5. - Bekrachtiging van de studies

Art. 27.Wanneer de klassenraad vaststelt dat de verworven bevoegdheden gelijkwaardig zijn aan die bedoeld in het decreet van 19 juli 2001 tot bekrachtiging van de eindtermen zoals bedoeld in artikel 16 van het besluit van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren en tot organisatie van een procedure voor beperkte afwijking, wordt het getuigschrift van basisonderwijs aan de leerling die met vrucht zijn studies heeft beëindigd, uitgereikt.

Art. 28.Elke leerling die de inrichting verlaat, heeft recht op een attest van schoolbezoek door de directeur uitgereikt in overeenstemming met het door de Regering bepaalde model. Afdeling 6. - Uurregeling van de kleuteronderwijzers

Art. 29.§ 1. De kleuteronderwijzers, de leermeesters opvoedingsactiviteiten en de leermeesters geïndividualiseerd onderwijs met volledige prestaties verstrekken 24 lestijden per week. § 2. Na de voorafgaande raadpleging van het basisoverlegcomité voor de onderwijsinrichtingen door de Franse Gemeenschap georganiseerd, van de plaatselijke paritaire commissie voor de officiële onderwijsinrichtingen door de Franse Gemeenschap gesubsidieerd of van instanties voor lokaal overleg of, bij gebrek eraan, de vakbondsafvaardigingen voor de inrichtingen van het vrij onderwijs door de Franse Gemeenschap gesubsidieerd, kan de directeur, in het onderwijs van de Franse Gemeenschap, of de inrichtende macht, in het gesubsidieerd onderwijs, de kleuteronderwijzers opdragen te zorgen voor het toezicht op de leerlingen 15 minuten voor het begin van de lessen en 10 minuten na hun einde zonder dat de globale tijd van de lesprestaties en het toezicht 1560 minuten per week kan overschrijden.

De jaarlijkse totale duur van de prestaties die tegelijk de lessen, het toezicht en de lestijden klassenraad bevatten, kan 962 uren per schooljaar niet overschrijden.

De duur van de prestaties wordt dienovereenkomstig verminderd wanneer de onderwijzer geen volledige uurregeling presteert. Voor de toepassing van het eerste lid, vertegenwoordigt een halve prestatie de uitkomst van het door twee delen van het aantal lestijden vereist voor een volledige prestatie. § 3. De titularissen, de leermeesters opvoedingsactiviteiten en de leermeesters geïndividualiseerd onderwijs zijn verplicht naast hun lestijden de volgende taken te vervullen : 1° twee lestijden klassenraad per week als hun prestaties tussen 13 en 24 lestijden inbegrepen worden;2° een lestijd klassenraad per week als hun prestaties tussen 7 en 12 lestijden inbegrepen worden. Beneden 7 lestijden per week worden hun verplichtingen beperkt tot de overbrenging van inlichtingen die nuttig zijn voor het goede verloop van de klassenraad. § 4. De tijden voor de voorbereiding van de lessen, de verbeteringen van de werken, het documenteren en het persoonlijk bijwerken worden in de door de paragrafen 1 en 2 bedoelde maxima niet inbegrepen.

Ze behoren tot de persoonlijke werkorganisatie van de personeelsleden.

De directeur, de inrichtende macht en de inspectie kunnen zich de documenten doen voorleggen die de voorbereiding van de lessen en de activiteiten in verband daarmee bekrachtigen. Afdeling 7. - Uurregeling van de leerkrachten in het lager onderwijs

Art. 30.§ 1. De onderwijzers, de leermeesters bijzondere vakken, de leermeesters tweede taal, de leermeesters niet confessionele zedenleer en godsdienst, de leermeesters geïndividualiseerd onderwijs en de leermeesters opvoedingsactiviteiten met volledige prestaties vertrekken 22 lestijden per week. § 2. Na de voorafgaande raadpleging van het basisoverlegcomité voor de onderwijsinrichtingen door de Franse Gemeenschap georganiseerd, van de plaatselijke paritaire commissie voor de officiële onderwijsinrichtingen door de Franse Gemeenschap gesubsidieerd of van instanties voor lokaal overleg of bij gebrek eraan, de vakbondsafvaardigingen voor de inrichtingen van het vrij onderwijs door de Franse Gemeenschap gesubsidieerd, kan de directeur, in het onderwijs van de Franse Gemeenschap, of de inrichtende macht, in het gesubsidieerd onderwijs, de titularissen, de leermeesters geïndividualiseerd onderwijs, de leermeesters opvoedingsactiviteiten, de leermeesters bijzondere vakken, de leermeesters tweede taal, de leermeesters niet confessionele zedenleer en godsdienst opdragen te zorgen voor het toezicht op de leerlingen 15 minuten voor het begin van de lessen en tien minuten na hun einde zonder dat de globale tijd van de lesprestaties en het toezicht 1560 minuten per week kan overschrijden.

De totale duur van de prestaties in het eerste lid bedoeld wordt dienovereenkomstig verminderd wanneer de titularis, de leermeester geïndividualiseerd onderwijs, de leermeester opvoedingsactiviteiten, de leermeester bijzondere vakken, de leermeester tweede taal of de leermeester niet confessionele zedenleer en godsdienst geen volledige uurregeling presteert. § 3. De titularissen, de leermeesters geïndividualiseerd onderwijs, de leermeesters opvoedingsactiviteiten, de leermeesters bijzondere vakken, de leermeesters tweede taal, de leermeesters niet confessionele zedenleer en godsdienst zijn verplicht naast hun lesuren de volgende taken te vervullen : 1° twee lestijden klassenraad per week als hun prestaties tussen 12 en 22 lestijden inbegrepen worden;2° een lestijd klassenraad per week als hun prestaties tussen 7 en 11 lestijden inbegrepen worden. Beneden 7 lestijden per week worden hun verplichtingen beperkt tot de overbrenging van inlichtingen die nuttig zijn voor het goede verloop van de klassenraad.

Onverminderd § 2, tweede lid, kan de jaarlijkse globale duur van de prestaties die tegelijk de lessen, het toezicht en de lestijden klassenraad bevatten, 962 uren per jaar niet overschrijden. § 4. De tijden voor de voorbereiding van de lessen, de verbeteringen van de werken, het documenteren en het persoonlijk bijwerken worden in de door de paragrafen 1, 2 en 3 bedoelde maxima niet inbegrepen.

Ze behoren tot de persoonlijke werkorganisatie van de personeelsleden.

De directeur, de inrichtende macht en de inspectie kunnen zich de documenten doen voorleggen die de voorbereiding van de lessen en de activiteiten in verband daarmee bekrachtigen. Afdeling 8. - Uurregeling van de directeurs

Art. 31.De directeur is aanwezig gedurende de duur van de lessen.

Bovendien is hij tenminste 20 minuten voor het begin van de lessen en 30 minuten na hun einde aanwezig.

Wanneer de behoeften van de dienst, inzonderheid de contacten met hun inrichtende macht, hem verre van de school houden, wijst de directeur, in het onderwijs van de Franse Gemeenschap, of de inrichtende macht, in het gesubsidieerd onderwijs, met de toestemming ervan, een lid van het onderwijzend personeel aan om hem te vervangen.

Naar gelang van het aantal leerlingen, vervult de directeur een onderwijsopdracht zoals in artikel 41 bepaald. De directeur is niet verplicht een cursusopdracht uit te oefenen gedurende de eerste twee jaren vanaf het openen van een nieuwe inrichting of als hij ook de directie van een internaat waarneemt. Afdeling 9. - De klassenraad en zijn werking

Art. 32.§ 1. De klassenraad is het geheel van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het paramedisch, psychologisch en sociaal personeel en van het opvoedend hulppersoneel dat belast is met de opvoeding en de opleiding van de leerlingen van een bepaalde klas en dat ervoor verantwoordelijk is.

De klassenraad komt tenminste een keer per kwartaal bijeen met inachtneming van de artikelen 29, 30 en 101. § 2. De organisatie van de klassen en de uitreiking van het getuigschrift van basisonderwijs zijn opdrachten eigen aan de klassenraad. § 3. De opdrachten van de klassenraad, bijgestaan door de instelling die belast is met de begeleiding van de leerlingen, zijn de volgende : 1° voor elke leerling een individueel leerplan uit te werken en aan te passen dat de pedagogische, paramedische, sociale en psychologische activiteiten coördineert;2° de vorderingen en de uitslagen van elke leerling te evalueren om het individueel leerplan aan te passen;3° in overeenstemming met de artikelen 13, § 2 en 14, § 3, beslissingen nemen wat betreft het behoud in een bepaald onderwijsniveau;4° overeenkomstig hoofdstuk X, de opneming van een leerling in het gewoon onderwijs voor te stellen en een gemotiveerd advies over de noodzaak van zijn opneming te geven.Als dit advies positief is, voor het beheer van het opnemingsproject te zorgen; 5° de leerlingen naar een verschillende klas gedurende het schooljaar te verwijzen;6° de beslissingen nemen betreffende de overgang naar het secundair onderwijs. De gemotiveerde adviezen en de beslissingen van de klassenraad en van de begeleidingsinstelling worden op een uniek document vermeld. § 4. De directeur of zijn afgevaardigde is voorzitter van de klassenraad. In een instelling die het niveau van het lager onderwijs en dit van het secundair onderwijs bevat, is voorzitter van de klassenraad de directeur van het lager onderwijs of zijn vertegenwoordiger.

De vergaderingen worden zo georganiseerd dat elk lid zijn prestaties kan leveren zoals in de artikelen 29, 30 en 101 bepaald.

De dienstregeling van de klassenraden wordt vooraf voorgelegd aan het basisoverlegcomité voor de onderwijsinrichtingen door de Franse Gemeenschap georganiseerd, door de plaatselijke paritaire commissie voor de officiële onderwijsinstellingen door de Franse Gemeenschap gesubsidieerd of door instanties voor lokaal overleg of bij gebrek eraan, de vakbondsafvaardigingen voor de inrichtingen van het vrij onderwijs door de Franse Gemeenschap gesubsidieerd. § 5. De leden van de klassenraad zorgen voor het wekelijkse beheer van het individueel leerplan van elk van zijn leerlingen gedurende de lestijden klassenraad in hun uurrooster bepaald. De titularis maakt, voor elke vergadering van de klassenraad die zijn leerlingen betreft, de notulen op die met onder meer de volgende gegevens vermelden : 1° de klas;2° de datum, het uur van begin en einde van de vergadering;3° de naam van de aanwezige leden en hun handtekening;4° het rapport van de behandelde punten;5° de genomen maatregelen. Alle documenten over de klassenraad blijven voortdurend in de inrichting ter beschikking van de inspectie en de verificatiedienst van de Franse Gemeenschap. § 6. Alle beslissingen van de klassenraad worden collegiaal genomen.

De klassenraad probeert de unanimiteit te bereiken. De andere regels van beraadslaging worden in het studiereglement bepaald. Het opvoedend personeel en het paramedisch personeel hebben zitting met adviserende stem voor alle onderwerpen die de certificatieve evaluatie betreffen. § 7. De vaststellingen, inlichtingen of interventies die gedurende een vergadering van de klassenraad worden voorgesteld zijn strikt vertrouwelijk. Het bekendmaken van die gegevens aan iemand die niet tot de klassenraad behoort eist de toestemming van het inrichtingshoofd.

De beslissingen van de klassenraad worden aan de leerling, zijn ouders, of de persoon die het ouderlijk gezag uitoefent door het inrichtingshoofd of zijn vertegenwoordiger meegedeeld volgens de in het studiereglement nader bepaald regels. § 8. Volgens de in het studiereglement nader bepaalde regels, kan gedurende de lestijden een buitengewone klassenraad georganiseerd worden wanneer een dringende beslissing betreffende een leerling genomen moet worden. Afdeling 10. - Berekening van de omkadering en aanwijzing ervan

Art. 33.Het aantal betrekkingen die in de inrichtingen van de Franse Gemeenschap vastgesteld worden en het aantal betrekkingen waarvoor weddesubsidies in de gesubsidieerde inrichtingen toegekend worden, worden elk schooljaar en voor elke inrichting volgens de normen in dit besluit vermeld, bepaald.

De leerlingen in aanmerking genomen voor de hierna vermelde normen, zijn degenen die als regelmatige leerlingen beschouwd worden overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 12, 13 en 14.

Art. 34.Het aantal betrekkingen in de wervingsambten van het onderwijzend personeel van het kleuter- en lager onderwijs door de Franse Gemeenschap georganiseerd of gesubsidieerd, wordt vastgesteld binnen de perken van het lestijdenpakket aan iedere instelling toegekend.

Het lestijdenpakket wordt gerekend door de deling door een kencijfer van het product van de vermenigvuldiging van het aantal leerlingen in elk onderwijstype in aanmerking genomen, met het aantal georganiseerde wekelijkse lestijden.

Het lestijdenpakket vertegenwoordigt het totaal van de lestijden van 50 minuten die de inrichting krijgt om het kleuter- en lager onderwijs te verstrekken. Het lestijdenpakket wordt jaarlijks, per inrichting en voor het bedoelde schooljaar bepaald.

Twee wekelijkse lestijden worden van het lestijdenpakket per georganiseerde kleuterklas afgetrokken.

Art. 35.Voor de toepassing van artikel 33, tweede lid, worden de volgende gegevens in aanmerking genomen : 1° voor de typen 1, 2, 3, 4, 6, 7 en 8, het aantal regelmatige leerlingen op 15 januari ingeschreven;2° voor type 5, het aantal door de gemiddelde aanwezigheid van de regelmatige leerlingen bepaald : gedurende het vorige schooljaar, als dit onderwijstype gedurende die periode georganiseerd was; in de andere gevallen, gedurende de eerste 30 dagen vanaf het begin van het schooljaar of vanaf het organiseren van dit onderwijstype.

Art. 36.§ 1. Een nieuwe berekening van de omkadering gebeurt op 1 oktober als de schoolbevolking van 30 september met tenminste 5 procent veranderd is tegenover die van 15 januari. § 2. In de loop van het schooljaar kan een lestijdenpakket opnieuw berekend en gebruikt worden telkens als de schoolbevolking met tenminste 10 procent stijgt tegenover deze die de laatste keer gebruikt werd voor de bepaling van dit lestijdenpakket.

Voor dit nieuw lestijdenpakket worden in aanmerking genomen, de leerlingen die aan artikel 33, tweede lid voldoen. § 3. Voor de onderwijstypen 1, 2, 3, 4, 6, 7 en 8 wordt deze stijging slechts in aanmerking genomen als de stijging van het aantal leerlingen gedurende tien opeenvolgende lesdagen tenminste 10 procent vertegenwoordigt. § 4. Voor type 5, wordt deze stijging door de gemiddelde aanwezigheid gedurende een periode van tenminste twintig opeenvolgende lesdagen bepaald.

Art. 37.In geval van bijzondere omstandigheden kan de Regering afwijkingen van de normen in dit besluit bepaald, verlenen.

Die afwijkingen kunnen, per onderwijsnet, niet 0, 25 % van het totale aantal lestijden overschrijden dat gedurende het vorige schooljaar voor elk onderwijsnet kan worden gebruikt.

Art. 38.§ 1. In het gespecialiseerd basisonderwijs, worden de wervingsambten zowel voltijds als deeltijds verleend. § 2. Het lestijdenpakket van de inrichting vertegenwoordigt de optelling van de quotiënten per onderwijstype behaald. Slechts dit totaal werd naar de bovenste eenheid afgerond.

De kencijfers per onderwijstype worden zoals volgt bepaald : 1° onderwijstypen 1 en 8 : kencijfer 9 voor de eerste 49 leerlingen; kencijfer 10 vanaf de 50ste leerling; 2° onderwijstypen 2, 3 en 4 : kencijfer 6 voor de eerste 34 leerlingen;kencijfer 7 vanaf de 35ste leerling. 3° onderwijstype 5 : in een school voor zieke kinderen georganiseerd : kencijfer 9 voor de eerste 49 leerlingen;kencijfer 10 vanaf de 50ste leerling; in een ziekenhuis en/of een erkende medische instelling georganiseerd : kencijfer 6 voor de eerste 34 leerlingen; kencijfer 6 vanaf de 35ste leerling. § 3. Een groep moet bij zijn vorming een aantal leerlingen bevatten dat lager is dan het dubbele van het kleinste kencijfer toegekend aan het onderwijstype waaronder die leerlingen ressorteren.

Als leerlingen uit verschillende onderwijstypen gegroepeerd worden, moet het aantal leerlingen lager zijn dan het dubbele van het kleinste kencijfer toegekend aan een van de vertegenwoordigde onderwijstypen.

Art. 39.De lestijden klassenraad behoren tot het lestijdenpakket.

Art. 40.Per inrichting wordt een ambt van directeur gecreëerd of gesubsidieerd.

Art. 41.§ 1. De directeur vervult een onderwijsopdracht : die volledig is, als het aantal leerlingen in aanmerking genomen lager dan 20 is; van 16 lestijden, als het aantal leerlingen in aanmerking genomen tussen 20 en 39 ligt; van 8 lestijden, als het aantal leerlingen in aanmerking genomen tussen 40 en 59 ligt.

Deze lestijden behoren tot het lestijdenpakket. § 2. De directeur is niet verplicht een onderwijsopdracht te vervullen als het aantal leerlingen in aanmerking genomen 60 of meer vertegenwoordigt. § 3. Als het aantal leerlingen op 15 januari beneden 60 valt, hoeft de directeur de onderwijsopdracht niet te vervullen gedurende het hele schooljaar. § 4. De organisatie van de opdracht van de directeur kan gewijzigd worden telkens als het lestijdenpakket opnieuw berekend wordt.

Art. 42.Het aantal groepen voor de cursussen godsdienst of niet confessionele zedenleer wordt bepaald op basis van het totale aantal leerlingen van de meest gevolgde cursus, door het kencijfer van het onderwijstype gedeeld zoals in artikel 38, § 2 bedoeld.

Art. 43.De lestijden van de cursussen godsdienst of niet confessionele zedenleer behoren niet tot het lestijdenpakket.

Art. 44.Het aantal overblijvende lestijden na toerekening op het lestijdenpakket van de lestijden aan elk lid van het onderwijzend personeel van het kleuter- en lager onderwijs verleend overeenkomstig de regels in deze afdeling vermeld, vormt het overschot. HOOFDSTUK V. - Organisatie van het gespecialiseerd secundair onderwijs Afdeling 1. - Organisatie van het gespecialiseerd secundair onderwijs

Art. 45.In het gespecialiseerd secundair onderwijs kunnen, naar gelang van de typen van gespecialiseerd onderwijs en volgens de mogelijkheden van de leerlingen, de volgende onderwijsvormen worden georganiseerd : 1° het gespecialiseerd secundair onderwijs voor integratie in de samenleving, hierna genoemd : gespecialiseerd secundair onderwijs van vorm 1;2° het gespecialiseerd secundair onderwijs voor integratie in de samenleving en inschakeling in het arbeidsproces, hierna genoemd : gespecialiseerd secundair onderwijs van vorm 2;3° het gespecialiseerd beroepssecundair onderwijs, hierna genoemd : gespecialiseerd secundair onderwijs van vorm 3;4° het algemeen, technisch, kunst- en beroepssecundair onderwijs in de doorstromingsafdeling of de kwalificatie-afdeling, hierna genoemd : gespecialiseerd secundair onderwijs van vorm 4.

Art. 46.§ 1. Het gespecialiseerd secundair onderwijs van vorm 1 heeft tot doel de leerlingen een maatschappelijke opleiding te geven waardoor hun integratie in een aangepaste leefomgeving mogelijk wordt gemaakt. Die onderwijsvorm kan van type 2, 3, 4, 5, 6 of 7 van het gemeenschappelijk of afzonderlijk georganiseerd gespecialiseerd onderwijs zijn. § 2. Het gespecialiseerd secundair onderwijs van vorm 2 heeft tot doel de leerlingen een algemene, maatschappelijke en beroepsopleiding te geven waardoor hun integratie in een aangepaste leef- en werkomgeving mogelijk wordt gemaakt. Die onderwijsvorm kan van type 2, 3, 4, 5, 6 of 7 van het gemeenschappelijk of afzonderlijk georganiseerd onderwijs zijn. § 3. Het gespecialiseerd secundair onderwijs van vorm 3 heeft tot doel de leerlingen een algemene, maatschappelijke en beroepsopleiding te geven waardoor hun integratie in een gewone leef- en werkomgeving mogelijk wordt gemaakt. Die onderwijsvorm kan van type 1, 3, 4, 5, 6 of 7 van het gemeenschappelijk of afzonderlijk georganiseerd onderwijs zijn. § 4. Het gespecialiseerd secundair doorstromingsonderwijs van vorm 4 bereidt leerlingen voor met het oog op het voortzetten van de studies tot het einde van het hoger secundair onderwijs, waarbij mogelijkheden tot inschakeling in het arbeidsproces worden geboden. Het gespecialiseerd secundair kwalificatieonderwijs van vorm 4 bereidt leerlingen voor met het oog op de inschakeling in het arbeidsproces, waarbij het voortzetten van de studies tot het einde van het hoger secundair onderwijs mogelijk wordt gemaakt.

Die onderwijsvorm kan van type 3, 4, 5, 6 of 7 van het gemeenschappelijk of afzonderlijk georganiseerd gespecialiseerd onderwijs zijn en is niet toegankelijk voor leerlingen getroffen door mentale achterlijkheid. Afdeling 2. - Uurregeling van leerlingen

Art. 47.§ 1. Het gespecialiseerd secundair onderwijs bedoeld in artikel 45, 1°, 2° en 3° wordt verstrekt met tweeëndertig tot zesendertig wekelijkse lestijden van vijftig minuten, verdeeld over negen halve dagen.

Om praktische redenen, na voorafgaande raadpleging van het basisoverlegcomité, voor de door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijsinrichtingen, van de plaatselijke paritaire commissie, voor de door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde officiële onderwijsinrichtingen, of van de instanties voor plaatselijk overleg of, bij ontstentenis daarvan, van de vakbondsafvaardigingen, voor de door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde vrije onderwijsinrichtingen, en na raadpleging van de participatieraad, kan een afwijking worden toegestaan door de Regering om de wekelijkse uurregeling over tien halve dagen te verspreiden. § 2. Het gespecialiseerd secundair onderwijs bedoeld in artikel 45, 4°, kan 2 tot 4 lestijden gespecialiseerde begeleiding boven het referentie-uurrooster organiseren.

Om praktische redenen, na voorafgaande raadpleging van het basisoverlegcomité, voor de door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijsinrichtingen, van de plaatselijke paritaire commissie, voor de door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde officiële onderwijsinrichtingen, of van de instanties voor plaatselijk overleg of, bij ontstentenis daarvan, van de vakbondsafvaardigingen, voor de door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde vrije onderwijsinrichtingen, en na raadpleging van de participatieraad, kan een afwijking worden toegestaan door de Regering om de wekelijkse uurregeling over tien halve dagen te verspreiden. § 3. Iedere inrichting die een onderwijs van type 7 organiseert, moet een gebarentaalproject uitvoeren dat vermeld staat in het inrichtingsproject in het kader van dat project; iedere leerling ingeschreven in het onderwijs van type 7 van vorm 3 of 4, kan 4 wekelijkse lestijden gebarentaal krijgen.

Die vier lestijden kunnen vrij in het uurrooster worden opgenomen of in een taalbadprogramma worden opgenomen.

Het gebarentaalbad sluit noch de studie of het taalbad in het mondelinge Frans noch de studie van het schriftelijke Frans uit. Afdeling 3. - Gespecialiseerd secundair onderwijs voor integratie in

de samenleving - Onderwijs van vorm 1

Art. 48.Het gespecialiseerd secundair onderwijs van vorm 1 wordt in een enkele fase ingericht rond het inrichtingsproject.

Het draagt bij tot de opvoeding van leerlingen dankzij het optimaal ontwikkelen van hun vaardigheden door persoonlijke ontplooiing en door het ontwikkelen van de grootst mogelijke zelfstandigheid. Stages kunnen ingericht worden gedurende het schooljaar mits inachtneming van de door de Regering bepaalde nadere regels.

Art. 49.Elke leerling die de inrichting verlaat, heeft recht op een schoolbezoekattest uitgereikt door het inrichtingshoofd volgens het door de Regering bepaalde model. Afdeling 4. - Gespecialiseerd secundair onderwijs voor integratie in

de samenleving en inschakeling in het arbeidsproces - Onderwijs van vorm 2

Art. 50.Het gespecialiseerd secundair onderwijs van vorm 2 wordt ingericht in twee fasen rond het inrichtingsproject.

De eerste fase geeft de voorrang aan socialiserings- en communicatiedoeleinden inzonderheid verbonden aan het ontwikkelen van beroepsvaardigheden en aan de expressie van het persoonlijk project.

De tweede fase zet de doeleinden inzake socialisering en communicatie van de eerste fase voort met een bijzondere nadruk op de opvoedkundige en leeractiviteiten die ertoe strekken de leerlingen voor het maatschappelijk en beroepsleven voor te bereiden.

In iedere fase, worden de opvoedkundige activiteiten ontwikkeld via een concrete en functionele pedagogie die ernaar streeft simultaan de verwerving van basisvaardigheden op het cognitief, psycho-motorisch en sociaal-affectief niveau en de beroeps- en creatieve vaardigheden te vergemakkelijken.

Art. 51.De klassenraad bijgestaan door de instelling belast met de begeleiding bepaalt, voor iedere leerling, de respectieve duur van iedere fase.

De klassenraad kan, desgevallend, het getuigschrift voor basisstudies uitreiken. Hij neemt de verplichtingen bepaald voor vorm 3 in acht.

Art. 52.Gedurende de tweede fase kunnen stages ingericht worden tijdens het schooljaar volgens de nadere regels bepaald door de Regering.

Art. 53.Iedere leerling die de inrichting verlaat, heeft recht op een schoolbezoekattest waarin de verworven vaardigheden vermeld worden.

Dit attest wordt door de directeur uitgereikt overeenkomstig het door de Regering vastgesteld model. Afdeling 5. - Gespecialiseerd beroepssecundair onderwijs - Onderwijs

van vorm 3

Art. 54.§ 1. Het gespecialiseerd secundair onderwijs van vorm 3 wordt ingericht in drie fasen rond het inrichtingsproject.

De eerste fase bevat : 1° een waarnemingsperiode, in één of meer beroepssectoren voor een maximale duur van één schooljaar;2° een polyvalente aanpak in een beroepssector voor een maximale duur van één schooljaar behoudens met redenen omkleed advies van de Klassenraad. De tweede fase beoogt een polyvalente opleiding in een beroepsgroep voor een maximale duur van twee schooljaren behoudens met redenen omkleed advies van de Klassenraad.

De deerde fase leidt tot een beroepskwalificatie in een beroep van de beroepsgroep gevolgd door de leerling gedurende de tweede fase. De duur daarvan verandert in functie van de specificiteit van het opleidingsprofiel bedoeld bij artikel 47 van het decreet dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren. § 2. De verschillende fasen bevatten cursussen bestemd voor de algemene en maatschappelijke opleiding, enerzijds, en cursussen bestemd voor de beroepsopleiding, anderzijds. De Regering bepaalt het urenvolume met inachtneming van de volgende vereisten : de eerste fase omvat minstens 13 lestijden bestemd voor de algemene en maatschappelijke opleiding; de tweede en derde fasen omvatten minstens 9 lestijden. § 3. Op het einde van de derde fase bekomt de leerling, voorzover hij de vaardigheden opgenomen in een specifiek opleidingsprofiel bedoeld bij artikel 47 van het voornoemd decreet van 24 juli 1997 heeft verworven, een kwalificatiegetuigschrift voor een beroep. § 4. Het slagen voor de derde fase van het gespecialiseerd secundair onderwijs van vorm 3 wordt bekrachtigd door een getuigschrift voor lager secundair onderwijs dat gelijk is aan het getuigschrift voor secundair onderwijs van de tweede graad.

Art. 55.§ 1. Deze vorm van onderwijs wordt in beroepssectoren ingericht. Deze geven aanleiding tot beroepsgroepen die tot beroepen leiden.

De nadere regels voor de overeenstemming tussen de beroepssectoren, de beroepsgroepen en de beroepen worden door de Regering bepaald. § 2. Gedurende de tweede en de derde fasen, worden de stages ingericht tijdens het schooljaar. Bij overmacht en enkel in het belang van de leerling, na voorafgaande raadpleging van het basisoverlegcomité voor de onderwijsinrichtingen georganiseerd door de Franse Gemeenschap, van de plaatselijke paritaire commissie voor de inrichtingen voor officieel onderwijs gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap of bij gebrek daaraan de beroepsverenigingen voor de inrichtingen voor door de Franse Gemeenschap vrij gesubsidieerd onderwijs, kunnen ze ingericht worden tijdens de schoolvakantie met uitsluiting van de maanden juli en augustus, mits toestemming van de Klassenraad en van de inspectie belast met het toezicht over de follow-up van de stage.

Art. 56.Gedurende de eerste fase, kan een leerling toegelaten worden tot of georiënteerd worden naar een beroepssector, op de voordracht van de klassenraad bijgestaan door de instelling belast met de begeleiding van de leerlingen en met de instemming van de ouders, van de persoon die het ouderlijk gezag uitoefent of van de meerderjarige leerling.

De overgang naar de tweede fase vereist een attest van welslagen voor de eerste fase. Dit attest wordt opgesteld op basis van de beslissing van de klassenraad, onder andere gebaseerd op het verwerven van "drempelvaardigheden". Het model van dit attest wordt door de Regering bepaald.

Gedurende de tweede fase, worden de nadere regels voor de overgang van een leerling van de ene beroepssector naar een andere door de Regering bepaald en houden rekening met de door de leerling verworven "drempelvaardigheden".

De overgang naar de derde fase vereist een attest van slagen voor de tweede fase. Dit attest wordt opgesteld op basis van de beslissing van de klassenraad, onder andere gebaseerd op het verwerven van "drempelvaardigheden". Het model van dit attest wordt door de Regering bepaald.

In de derde fase wordt de leerling opgenomen in een beroep van de beroepsgroep waarvoor hij het attest van welslagen voor de tweede fase heeft bekomen.

De leerling wordt ertoe gemachtigd de kwalificatieproef af te leggen zodra de klassenraad vastgesteld heeft dat hij aan de vereisten inzake de vaardigheden bepaald door het kwalificatieprofiel dat op de leerling van toepassing is, heeft voldaan.

Art. 57.In het onderwijs van vorm 3 : 1° wordt het slagen voor de eerste fase bekrachtigd door een attest van welslagen in een beroepssector;2° wordt het slagen voor de tweede fase bekrachtigd door een kwalificatiegetuigschrift in een beroep wanneer de leerling de vaardigheden verworven heeft die opgenomen zijn in een specifiek opleidingsprofiel bedoeld bij artikel 47 van het voornoemde decreet van 24 juli 1997.Dit kwalificatiegetuigschrift wordt door een kwalificatie-examencommissie uitgereikt.

Desnoods wordt het aangevuld met een getuigschrift voor lager secundair onderwijs dat gelijk is aan het getuigschrift voor secundair onderwijs van de tweede graad uitgereikt door de klassenraad; 4° heeft iedere leerling die de inrichting verlaat zonder kwalificatiegetuigschrift recht op een attest van verworven vaardigheden en een schoolbezoekattest uitgereikt door de directeur overeenkomstig het door de Regering bepaald model;5° reikt de klassenraad eind juni een getuigschrift basisstudies uit wanneer hij acht dat de nodige vaardigheden inzake wiskunde en de Franse taal verworven werden.

Art. 58.De kwalificatiecommissie wordt samengesteld uit leden van de klassenraad uitgebreid tot leden die niet behoren tot de inrichting.

Onder de leden van de klassenraad bevinden zich, verplicht, de klastitularis, de leraren technische cursussen en beroepspraktijk en minimum een leraar algemene cursussen. Zij wordt voorgezeten door de directeur of diens afgevaardigde.

De leden die niet behoren tot de inrichting worden gekozen wegens hun beroepsbevoegdheid in de kwalificatie die bekrachtigd moet worden.

Het aantal leden die niet behoren tot de inrichting moet lager zijn dan dat van de leden van de klassenraad.

Art. 59.Op het einde van de derde fase, berust de uitreiking van het kwalificatiegetuigschrift van vorm 3 van gespecialiseerd secundair onderwijs, waarvan de nadere regels door de Regering worden bepaald, op de controle van de eindvaardigheden inzonderheid tijdens de kwalificatieproef en de stages.

Art. 60.De processen-verbaal van de beslissingen van de examencommissie worden ondertekend door alle leden van de examencommissie en bewaard gedurende drie jaar.

Art. 61.Het kwalificatiegetuigschrift, het getuigschrift lager secundair onderwijs dat gelijkwaardig is aan het getuigschrift secundair onderwijs van de tweede graad en de attesten worden opgesteld overeenkomstig de door de Regering vastgestelde modellen.

Art. 62.De programma's van onderwijsvorm 3, bepaald of goedgekeurd, naargelang het geval, door de Regering, worden opgesteld, wat betreft de activiteiten en de vakken, overeenkomstig de referentiesystemen voor de basisvaardigheden met inachtneming van de opleidingsprofielen bedoeld bij artikel 47 van het voornoemde decreet van 24 juli 1997. Afdeling 6. - Algemeen, technisch, kunst- en beroepssecundair

onderwijs, in de afdeling doorstromings- of kwalificatieonderwijs - Onderwijsvorm 4

Art. 63.Op het gespecialiseerd secundair onderwijs van vorm 4 zijn, wat betreft de structuren en de bekrachtiging van de studies, dezelfde wettelijke en reglementaire bepalingen van toepassing als deze die op het gewoon secundair onderwijs van type I van toepassing zijn.

Nochtans kan de Regering een afwijking toelaten van de verplichting de eerste graad in 3 jaar maximum af te leggen, en dit als gevolg van specifieke moeilijkheden van de leerling.

Art. 64.Het gespecialiseerd onderwijs van vorm 4 gebruikt ofwel de programma's van het gewoon onderwijs, ofwel de aangepaste programma's goedgekeurd door de Regering op de voordracht van de Programmacommissie bedoeld bij de artikelen 17, 27, 36 en 50 van het voornoemde decreet van 24 juli 1997. Afdeling 7. - Voorwaarden voor de overgang van het gespecialiseerd

secundair onderwijs naar het gewoon secundair onderwijs

Art. 65.§ 1. Een regelmatig ingeschreven leerling van een inrichting voor gespecialiseerd secundair onderwijs kan in een inrichting voor gewoon secundair onderwijs ingeschreven worden na schriftelijke aanvraag van de ouders, de persoon die het ouderlijk gezag uitoefent of de meerderjarige leerling, op voorwaarde dat hij een met redenen omkleed advies heeft bekomen van de instelling belast met de begeleiding van de leerlingen van de betrokken gespecialiseerde inrichting en het gunstig advies van de toelatingsraad van de bestemmingschool zoals bedoeld bij artikel 7 van het koninklijk besluit van 29 juni 1984 betreffende de organisatie van het secundair onderwijs. § 2. Onverminderd de toepassing van de artikelen 130 tot 158, moeten de overgangen van het gespecialiseerd onderwijs naar het gewoon onderwijs geschieden met naleving van de toelatingsvoorwaarden bepaald in het voornoemde koninklijk besluit van 29 juni 1984.

In individuele en uitzonderlijke gevallen, kan de Regering, op aanvraag van de directeur, steunend op een met redenen omkleed advies van de toelatingsraad of -commissie, de leerlingen vrijstellen van de voorwaarden bepaald bij de artikelen 9 tot 15 en 36 tot 39 van het voornoemde koninklijk besluit van 29 juni 1984, die hun overgang aanvragen van het gespecialiseerde secundair onderwijs van vorm 4 naar het gewoon secundair onderwijs.

Art. 66.De leerlingen die van het gespecialiseerd secundair onderwijs van vorm 1 en 2 komen, komen niet in aanmerking voor de overgang naar het gewoon secundair onderwijs, behalve afwijking toegestaan door de Regering, in buitengewone gevallen, op aanvraag van het hoofd van de inrichting voor gewoon secundair onderwijs, na advies van de instelling belast met de begeleiding van de leerlingen en van de inspectie van het gespecialiseerd onderwijs. Afdeling 8. - Leren van een taal door taalbad

Art. 67.§ 1. Op de aanvraag van de directeur, na advies van de Participatieraad, kan de Regering een school van de Franse Gemeenschap ertoe machtigen sommige cursussen en pedagogische activiteiten van de uurregeling in de gebarentaal te organiseren of in een andere moderne taal dan het Frans.

In het gesubsidieerd onderwijs, kan de Regering een inrichtende macht ertoe machtigen sommige cursussen of pedagogische activiteiten van de uurregeling in de gebarentaal te organiseren of in een andere moderne taal dan het Frans in een of meer scholen of vestigingen die zij inricht. De aanvraag gaat vergezeld van het advies van de participatieraad.

Wanneer een school of vestiging het leren van een taal door taalbad inricht, wordt het in het inrichtingsproject geïntegreerd.

De lessen godsdienst en niet confessionele zedenleer kunnen niet gegeven worden door taalbadcursussen. § 2. In het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad en in de gemeenten bedoeld bij artikel 3 van de wet van 30 juli 1963 is de moderne taal waarvoor taalbadcursussen kunnen worden ingericht voor het leren van een taal het Nederlands.

In het Franse taalgebied, met uitzondering van de gemeenten bedoeld bij artikel 3 van dezelfde wet, is de moderne taal waarvoor taalbadcursussen kunnen worden ingericht voor het leren van een taal het Engels, het Nederlands of het Duits.

In een school of een vestiging waar een taal aangeleerd wordt door taalbadcursussen, kunnen deze cursussen enkel in een enkele taal verstrekt worden. § 3. In de scholen of de vestigingen waar een taal aangeleerd wordt door taalbadcursussen, wordt de moderne taalcursussen opgenomen in het deel van de uurregeling dat als taalbadcursussen verstrekt wordt. § 4. De bij de vorige paragrafen bedoelde bepalingen zijn niet van toepassing op de leerling van het gespecialiseerd onderwijs van vorm 7 waarvoor de inrichting van taalbadcursussen onder de bevoegdheid van iedere inrichtende macht ressorteert. Afdeling 9. - Uurregeling voor leerkrachten

Art. 68.In het gespecialiseerd secundair onderwijs van de lagere graad : § 1. Verstrekken de leraren algemene vakken, de leraren algemene vakken die belast zijn met taalbadcursussen, de leraren cursusussen wijsbegeerte en de leraren bijzondere vakken met volledige dagtaak 22 tot 24 lestijden per week met inbegrip van de lesuren, van de uren voor de klassenraad, voor het teamwerk, voor de klasleiding, en begeleiding - bijscholing. § 2. Verstrekken de leraren technische cursussen en beroepspraktijk snit - naaien en huishoudkunde met volledige dagtaak : 1° 24 tot 28 lestijden per week in het gespecialiseerd secundair onderwijs van de vormen 1, 2 en 3, met inbegrip van lesuren, van de uren voor de klassenraad, voor het teamwerk en voor de klasleiding;2° 22 tot 24 lestijden per week in het gespecialiseerd secundair onderwijs van vorm 4, met inbegrip van lesuren, van de uren voor de klassenraad, voor het teamwerk en voor de klasleiding. § 3. Verstrekken de leraren technische cursussen van de andere specialiteiten dan deze vermeld bij paragraaf 2, met volledige prestaties staan : 1° 24 tot 28 lestijden per week in het gespecialiseerd secundair onderwijs van de vormen 1, 2 en 3, met inbegrip van lesuren, van de uren voor de klassenraad, voor het teamwerk en voor de klasleiding;2° 22 tot 24 lestijden per week in het gespecialiseerd secundair onderwijs van vorm 4, met inbegrip van lesuren, van de uren voor de klassenraad, voor het teamwerk en voor de klasleiding. § 4. Verstrekken de leraren beroepspraktijk met volledige dagtaak staan : 1° 24 tot 28 lestijden per week in het gespecialiseerd secundair onderwijs van de vormen 1, 2 en 3, met inbegrip van lesuren, van de uren voor de klassenraad, voor het teamwerk en voor de klasleiding;2° 22 tot 24 lestijden per week in het gespecialiseerd secundair onderwijs van vorm 4 van de eerste graad, met inbegrip van lesuren, van de uren voor de klassenraad, voor het teamwerk en voor de klasleiding;3° 30 tot 33 lestijden per week in het gespecialiseerd secundair onderwijs van vorm 4 van de tweede graad, met inbegrip van lesuren, van de uren voor de klassenraad, voor het teamwerk en voor de klasleiding. Zij worden ertoe gemachtigd les te geven in de technische vakken met betrekking tot hun specialiteit, voorzover alle statuutbepalingen in acht genomen worden en dat geen bijkomende uitgaven ten gevolge heeft voor de begroting van de Franse Gemeenschap. § 5. De gebruikte tijd voor de voorbereiding van de lessen, de verbetering van het werk, de documentatie, de persoonlijke bijwerking worden niet inbegrepen in de maxima bedoeld bij de § 1, 2, 3 en 4. Zij maken deel uit van de persoonlijke organisatie van het werk van de personeelsleden.

De directeur, de inrichtende macht en de inspectie kunnen vragen dat de documenten waarbij de voorbereiding van de lessen en de erbij horende activiteiten gestaafd wordt, hun voorgelegd worden.

Art. 69.In het gespecialiseerd secundair onderwijs van vorm 4 van de hogere graad : § 1. Verstrekken de leraren algemene vakken, de leraren algemene vakken die belast zijn met taalbadcursussen, de leraren cursus wijsbegeerte en de leraren bijzondere cursussen met volledige dagtaak 20 tot 22 lestijden per week met inbegrip van lesuren, van de uren voor de klassenraad, voor het teamwerk, voor de klasleiding, en de begeleiding - bijscholing. § 2. Verstrekken de leraren technische vakken en beroepspraktijk snit - naaien en huishoudkunde met volledige dagtaak 24 tot 28 lestijden per week, met inbegrip van lesuren, van de uren voor de klassenraad, voor het teamwerk en voor de klasleiding. § 3. Verstrekken de leraren technische cursussen van de andere specialiteiten dan deze vermeld bij § 2, met volledige dagtaak staan 20 tot 22 lestijden per week, met inbegrip van lesuren, van de uren voor de klassenraad, voor het teamwerk en voor de klasleiding. § 4. Verstrekken de leraren beroepspraktijk met volledige dagtaak staan 30 tot 33 lestijden per week met inbegrip van lesuren, van de uren voor de klassenraad, voor het teamwerk en voor de klasleiding.

Zij worden ertoe gemachtigd les te geven in de technische vakken met betrekking tot hun specialiteit, voorzover alle statuutbepalingen in acht genomen worden en dat geen bijkomende uitgaven ten gevolge heeft voor de begroting van de Franse Gemeenschap. § 5. Wordt de gebruikte tijd voor de voorbereiding van de lessen, de verbetering van het werk, de documentatie, de persoonlijke bijwerking worden niet inbegrepen in de maxima bedoeld bij de § 1, 2, 3 en 4. Zij maken deel uit van de persoonlijke organisatie van het werk van de personeelsleden. De directeur, de inrichtende macht en de inspectie kunnen vragen dat de documenten waarbij de voorbereiding van de lessen en de erbij horende activiteiten gestaafd wordt, hen voorgelegd worden. Afdeling 10. - Selectieambten

Art. 70.In de categorie leidend en onderwijzend personeel kunnen de selectieambten onderdirecteur en werkmeester ingericht of gesubsidieerd worden.

Art. 71.Er wordt een betrekking van onderdirecteur ingericht of gesubsidieerd vanaf het begin van het schooljaar indien het aantal op 15 januari van het vorige schooljaar ingeschreven leerlingen minstens gelijk is aan 300.

Art. 72.§ 1. Er kan een betrekking van werkmeester ingericht of gesubsidieerd worden telkens als het aantal lestijden beroepspraktijken 210 eenheden bereikt.

Nochtans wordt de betrekking enkel definitief opgericht als de norm bereikt is gedurende twee opeenvolgende schooljaren. § 2. Er kan een betrekking van werkmeester behouden worden indien het totaal aantal lestijden minstens 180 eenheden bereikt.

De volgende betrekkingen kunnen behouden worden voorzover het aantal lestijden beroepspraktijk minstens gelijk is aan 360 eenheden voor twee betrekkingen en 540 eenheden voor drie betrekkingen.

Na de derde betrekking, wordt een bijkomende schijf van 210 lestijden vereist voor iedere nieuwe betrekking. § 3. Indien deze minima van 180, 360 of 540 lestijden niet bereikt worden gedurende twee opeenvolgende schooljaren, worden de betrekkingen afgeschaft op de eerste september die volgt op het tweede schooljaar. § 4. De uurregeling van de werkmeesters bedraagt 30 tot 33 lestijden van 50 minuten.

Art. 73.De inrichting of de subsidiëring van de betrekkingen onderdirecteur of werkmeester kan gewijzigd worden telkens als het lestijdenpakket opnieuw berekend wordt. Afdeling 11. - Bevorderingsambten

Art. 74.In de categorie leidend en onderwijzend personeel kunnen de ambten directeur en werkmeester ingericht of gesubsidieerd worden.

Art. 75.De directeur wordt ontlast van het lesgeven vanaf het begin van het schooljaar indien het aantal gedurende het vorige schooljaar regelmatig ingeschreven leerlingen minstens gelijk is aan 90.

Voor deze berekening worden de in aanmerking te nemen leerlingen voor de onderwijsvormen 1 en 2 vermenigvuldigd met 1,33.

Ingeval het aantal leerlingen 90 niet bereikt, wordt de directeur belast met twee lestijden per volledige schijf van minstens 9 leerlingen.

Deze lestijden worden uitgetrokken op het lestijdenpakket.

De directeur is er niet toe gehouden les te geven gedurende de eerste twee jaren vanaf de opening van een nieuwe inrichting of als hij ook de leiding heeft van een internaat.

Art. 76.De inrichting of de subsidiëring van de betrekkingen van directeur kan gewijzigd worden telkens als het lestijdenpakket opnieuw berekend wordt.

Art. 77.Een betrekking van werkplaatsleider kan ingericht of gesubsidieerd worden telkens als er drie betrekkingen van werkmeester bestaan.

De uurregeling van de werkplaatsleiders is 30 tot 33 lestijden van 50 minuten per week.

De inrichting of de subsidiëring van de betrekkingen werkplaatsleider kan gewijzigd worden telkenmale het lestijdenpakket opnieuw berekend wordt. Afdeling 12. - Uren voor de klassenraad, het teamwerk, de klasleiding,

de bijscholing en de begeleiding

Art. 78.§ 1. De werktijden voor klasleiding, de klassenraad, het teamwerk, de begeleiding of de bijscholing maken deel uit van de opdracht van de leraren net zoals de lestijden.

Ook al beoefent een leraar opdrachten in verschillende inrichtingen, toch kan eenzelfde leraar enkel een maximum van een werktijd voor klasleiding, twee werktijden voor de klassenraad en het teamwerk en een werktijd voor de begeleiding en de bijscholing toegekend worden. § 2. De leraren worden ertoe gehouden deel te nemen aan de klassenraden en in teamverband te werken.

Er wordt hun een werktijd toegekend als hun prestaties lager liggen dan of gelijk zijn aan een halve opdracht. § 3. De leraren algemene vakken, bijzondere vakken en filosofische cursussen die titularis zijn van een ambt met volledige dagtaak en die minstens 60 % van hun opdracht in het gespecialiseerd secundair onderwijs uitoefenen, kunnen een werktijd toegekend worden bestemd voor de begeleiding en de bijscholing.

Art. 79.De werkmeesters worden ertoe gehouden deel te nemen aan de klassenraden van de leerlingengroepen van de beroepssectoren die onder hun bevoegdheid ressorteren.

De werkplaatsleiders kunnen deel nemen aan de klassenraden.

Art. 80.§ 1. De klassenraad bestaat uit al de leden van het leidend en onderwijzend personeel, het opvoedend hulppersoneel, het paramedisch, psychologisch en maatschappelijk personeel, die belast zijn met de instructie, de opvoeding en de opleiding van een leerlingengroep en die ervoor verantwoordelijk zijn. § 2. De opdrachten eigen aan de klassenraad zijn de volgende : 1° het organiseren van leerlingengroepen en pedagogische eenheden;2° het beslissen over de inschrijving van de leerlingen voor een vorm van het gespecialiseerd secundair onderwijs;3° het uitbrengen aan elke leerling van een met redenen omkleed advies wat betreft de overgang van een onderwijsvorm naar een andere;4° het bepalen voor iedere leerling van de duur van de onderwijsfasen met inachtneming van artikel 56 van dit decreet;5° het uitreiken van bekwaamheidsbewijzen ter bekrachtiging van studies met uitzondering van het kwalificatiegetuigschrift dat uitgereikt wordt door een kwalificatiecommissie;6° het uitbrengen van een advies omtrent de overgang van een leerling van een beroepssector naar een andere;7° het verlenen van hun toestemming voor de organisatie van een stageperiode tijdens de schoolvakantie overeenkomstig artikel 55, § 2 van dit decreet. § 3. De opdrachten van de klassenraad bijgestaan door de instelling belast met de begeleiding van de leerlingen zijn de volgende : 1° voor iedere leerling een individueel leerplan op en bij te stellen ter coördinatie van de pedagogische, paramedische, psychologische en maatschappelijke activiteiten;2° iedere leerling continu en opleidingsgericht te evalueren wat betreft de transversale vaardigheden met als doel het bijstellen van het individueel leerplan;3° overeenkomstig hoofdstuk X, een met redenen omkleed advies uit te brengen over de noodzakelijkheid om de leerling in het gewoon onderwijs te integreren.Indien dit advies positief is, instaan voor het beheer van het integratieproject; 4° een met redenen omkleed advies uitbrengen over de noodzakelijkheid om de leerling naar het gewoon onderwijs te oriënteren;5° een met redenen omkleed advies uitbrengen wat betreft het behoud van een bepaald onderwijsniveau. De met redenen omklede adviezen van de klassenraad en de instelling belast met de begeleiding van de leerlingen worden in een enkel document opgenomen. § 4. De klassenraad wordt door de directeur of diens afgevaardigde voorgezeten. De vergaderingen worden zo georganiseerd dat ieder lid zijn prestaties kan waarnemen zoals bedoeld bij de artikelen 68, 78, 79, 80 § 2 en § 3, 101 en 114.

De uurregeling van de Klassenraden wordt onderworpen aan de voorafgaande raadpleging van het basisoverlegcomité voor de onderwijsinrichtingen ingericht door de Franse Gemeenschap, van de Plaatselijke paritaire commissie voor de door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde officiële onderwijsinrichtingen of van de instanties voor plaatselijk overleg of bij gebreke daaraan van de vakverenigingen voor de door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde vrije onderwijsinrichtingen. § 5. De klasdirecteur zorgt voor het wekelijks beheer van het individueel leerplan van elk van zijn leerlingen tijdens de werktijden van de klassenraad bepaald in zijn uurregeling. Voor elke vergadering van de klassenraad met betrekking tot zijn leerlingen stelt hij een proces-verbaal op waarin vermeld worden, onder andere : 1° de klas;2° de datum, het begin- en einduur van de vergadering;3° de naam van de aanwezige leden alsook hun handtekening;4° het verslag over de behandelde punten;5° de genomen beslissingen. Alle documenten met betrekking tot de klassenraad blijven permanent bij de inrichting, ter beschikking van de inspectie en van de toezichtdienst van de Franse Gemeenschap in functie van hun respectieve bevoegdheden. § 6. Alle beslissingen van de klassenraad worden collegiaal genomen.

De klassenraad streeft ernaar de unanimiteit te bereiken.

De nadere regels voor de beraadslaging en beslissing worden opgenomen in het studiereglement.

Het opvoedend en paramedisch personeel zetelt met raadgevende stem voor alle materies die betrekking hebben op de evaluatie tot het bekomen van een getuigschrift. § 7. De vaststellingen, informatie, tussenkomsten die tijdens een vergadering van de klassenraad gebeuren, vertonen een strikt vertrouwelijk karakter. De mededeling van deze gegevens aan personen buiten de klassenraad vereist de instemming van de directeur.

De beslissingen van de klassenraad worden aan de leerling, zijn ouders of de persoon die met het ouderlijk gezag bekleed is, door de directeur of diens afgevaardigde meegedeeld. § 8. Krachtens de nadere regels bepaald door het studiereglement, kan er een uitzonderlijke klassenraad georganiseerd worden tijdens de lestijden wanneer een dringende beslissing betreffende een leerling genomen dient te worden.

Art. 81.De teamwerktijden kunnen in vakteams of in pluridisciplinaire teams ingericht worden.

In het door de Franse Gemeenschap ingericht onderwijs, wordt de keuze van het thema van de werkzaamheden per consensus bepaald tussen de inspecteur, de directeur en de personeelsleden.

Art. 82.Het aantal werktijden die toegekend kunnen worden buiten het lestijdenpakket voor de klasleiding wordt berekend door het totaal aantal op 15 januari van het vorige schooljaar regelmatig ingeschreven leerlingen door 12 te delen. Dit aantal werktijden kan gewijzigd worden telkens als het lestijdenpakket opnieuw berekend wordt.

Art. 83.De lestijden voor de bijscholing - begeleiding moeten de mogelijkheid bieden : 1° aan een behoefte om ondersteuning van een leerling of meer leerlingen te voldoen, 2° de projecten ontstaan op initiatief van de opvoedingsploeg te implementeren, 3° ervoor te zorgen dat de verspreiding, ter bestemming van de andere collega's, van de pedagogische en/of methodologische inlichtingen ingewonnen door een collega ter gelegenheid van een opleiding tijdens de loopbaan vlot zou geschieden.

Art. 84.De Directeur zorgt ervoor dat de prestaties met betrekking tot de pedagogische aanwending van werktijden voor klasleiding, de klassenraad, het teamwerk en de bijscholing - begeleiding werkelijk worden verstrekt. Hij zorgt voor de coherentie en de kwaliteit van het verrichte werk.

Hij houdt al deze documenten ter beschikking van de inspecteurs en de verificateurs van de Franse Gemeenschap. Afdeling 13. - Berekening van de omkadering van het leidend en

onderwijzend personeel en zijn affectatie

Art. 85.Het volume van de betrekkingen ingericht door de inrichtingen van de Franse Gemeenschap, en het volume dat in aanmerking komt voor wedde-subsidies in de gesubsidieerde inrichtingen worden ieder schooljaar bepaald en voor elke inrichting volgens de normen bepaald bij dit decreet.

De leerlingen die in aanmerking genomen worden voor de hierna vermelde normen zijn deze die beschouwd worden als regelmatig ingeschreven overeenkomstig de bepalingen van artikel 15.

Art. 86.§ 1. Het volume van de betrekkingen in de wervingsambten van het onderwijzend personeel van het secundair niveau ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap wordt bepaald door een lestijdenpakket. Dit lestijdenpakket wordt jaarlijks per inrichting voor het betrokken jaar vastgesteld. § 2. Dit lestijdenpakket wordt berekend door het product verkregen door de vermenigvuldiging van het aantal per type en voor iedere onderwijsvorm in aanmerking genomen leerlingen met het aantal wekelijks ingerichte lestijden te delen door een kencijfer. Indien het aantal wekelijks ingerichte lestijden per uurregeling verschilt, geschiedt de berekening per uurregeling en wordt getotaliseerd voor het geheel van de betrokken vorm. § 3. Het aan een inrichting toegekend lestijdenpakket is gelijk aan de optelling van de per type en voor iedere onderwijsvorm verkregen uitslag. Enkel deze som wordt naar de hogere eenheid afgerond.

Art. 87.Voor de toepassing van dit artikel worden in aanmerking genomen : 1° voor de types 1, 2, 3, 4, 6 en 7 het aantal op 15 januari regelmatig ingeschreven leerlingen.2° voor type 5 het cijfer bepaald door het gemiddelde van de aanwezigheden van de regelmatige leerlingen gedurende het vorig jaar, indien dit onderwijstype ingericht werd tijdens deze periode; in alle andere gevallen, gedurende de eerste dertig dagen te rekenen vanaf het begin van het jaar of vanaf de inrichting van dit onderwijstype.

Art. 88.§ 1. Er geschiedt een nieuwe berekening van de omkadering op 1 oktober indien de bevolking op 30 september veranderd is met minstens 5 % in vergelijking met deze op 15 januari.

Voor dit nieuwe lestijdenpakket worden in aanmerking genomen de leerlingen die voldoen aan artikel 85, tweede lid. § 2. Gedurende het schooljaar, kan een lestijdenpakket opnieuw berekend en aangewend worden, telkens als de schoolbevolking toeneemt met 10 % in vergelijking met deze die als basis genomen werd voor de bepaling van dit lestijdenpakket.

Voor de onderwijstypes 1, 2, 3, 4, 6 en 7 wordt deze toename enkel in aanmerking genomen indien de verhoging van het aantal leerlingen gedurende tien opeenvolgende klasdagen overeenstemt met 10 %. § 3. Voor onderwijstype 5 moet deze toename van 10 % vastgesteld worden door het gemiddelde van de aanwezigheden gedurende een periode van minstens 20 opeenvolgende klasdagen.

Art. 89.§ 1. In bijzondere omstandigheden, kan de Regering afwijkingen toestaan van de in dit decreet bevatte normen. § 2. Deze afwijkingen mogen, per onderwijsnet, niet met meer dan 0,25 % van het totaal aantal lestijden die gebruikt konden worden voor het vorig jaar voor ieder onderwijsnet overeenstemmen.

Art. 90.De wervingsambten kunnen zowel voltijds als deeltijds toegekend worden.

Art. 91.§ 1. De kencijfers per onderwijsvorm en -type worden als volgt bepaald : 1° Onderwijs van type 2 en vorm 1 : 6 2° Onderwijs van type 3 en vorm 1 : 6 3° Onderwijs van type 4 en vorm 1 : 6 4° Onderwijs van type 5 en vorm 1 : 5 5° Onderwijs van type 6 en vorm 1 : 5 6° Onderwijs van type 7 en vorm 1 : 5 7° Onderwijs van type 2 en vorm 2 : 7 8° Onderwijs van type 3 en vorm 2 : 7 9° Onderwijs van type 4 en vorm 2 : 6 10° Onderwijs van type 5 en vorm 2 : 5 11° Onderwijs van type 6 en vorm 2 : 5 12° Onderwijs van type 7 en vorm 2 : 5 13° Onderwijs van type 1 en vorm 3 : 7 14° Onderwijs van type 3 en vorm 3 : 7 15° Onderwijs van type 4 en vorm 3 : 6 16° Onderwijs van type 5 en vorm 3 : 5 17° Onderwijs van type 6 en vorm 3 : 5 18° Onderwijs van type 7 en vorm 3 : 5 19° Onderwijs van type 3 en vorm 4 : 5 20° Onderwijs van type 4 en vorm 4 : 5 21° Onderwijs van type 5 en vorm 4 : 5 22° Onderwijs van type 6 en vorm 4 : 5 23° Onderwijs van type 7 en vorm 4 : 5. § 2. De groepering van leerlingen kan in geen enkel geval aanleiding geven tot de samenstelling van "groepen" of "klassen" die meer studenten tellen dan twee maal het kencijfer. Indien groepen van leerlingen van verscheidene onderwijstypes samengebracht worden, wordt het hoogste kencijfer in aanmerking genomen.

Voor de groeperingen van leerlingen van vorm 3 en vorm 4, wordt het laagste kencijfer in aanmerking genomen.

Art. 92.De onderwijsopdracht die door de directeur uitgeoefend dient te worden maakt deel uit van het lestijdenpakket.

Art. 93.De lestijden toegekend aan de leraren godsdienst en zedenleer van niet-confessionele aard wanneer de cursussen waarmee zij opgedragen werden niet de meest gevolgde filosofische cursus is, maken niet deel uit van het lestijdenpakket.

Art. 94.Het aantal groepen voor de cursussen godsdienst en zedenleer van niet-confessionele aard wordt bepaald op basis van het totaal aantal leerlingen van de meest gevolgde cursus, gedeeld door het kencijfer per onderwijstype en -vorm zoals bedoeld bij artikel 91.

Art. 95.§ 1. De prestaties van de leden van het leidend en onderwijzend personeel die titularis zijn van een bevorderings- of selectieambt maken niet deel uit van het lestijdenpakket. § 2. De werktijden voor de klassenraad, de klasleiding, het teamwerk, de begeleiding en de bijscholing toegekend in het kader van de regels vermeld bij de artikelen 78 en 82 maken niet deel uit van het lestijdenpakket.

Art. 96.Na voorafgaande raadpleging van het basisoverlegcomité voor de onderwijsinrichtingen ingericht door de Franse Gemeenschap, van de Plaatselijke paritaire commissie voor de door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde inrichtingen voor officieel onderwijs of van de instanties voor plaatselijk overleg of bij gebreke daaraan van de vakverenigingen voor de door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde inrichtingen voor vrij onderwijs, kunnen maximaal 24 lestijden/leraar bestemd worden voor een bijkomende omkadering, naar rata van het equivalent van een betrekking met volledige dagtaak van studiemeester - opvoeder of maatschappelijk assistent, om te zorgen voor de opvoedkundige en maatschappelijke omkadering indien, en alleen indien, deze aftrekking geen terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking of geen gedeeltelijk opdrachtverlies tot gevolg heeft.

De overdracht van lestijden - leraar bedoeld bij lid 1 houdt op facultatief te zijn voor de inrichting die gedurende drie opeenvolgende schooljaren er gebruik van heeft gemaakt om een bijkomend ambt van studiemeester - opvoeder of maatschappelijk assistent met volledige dagtaak in te richten.

Het tweede lid houdt op van toepassing te zijn op het ambt maatschappelijk assistent of studiemeester - opvoeder wanneer het betrokken personeelslid op rustpensioen wordt gesteld, zijn ontslag indient of een verandering van aanstelling of een mutatie geniet.

Voor de toepassing van de statutaire bepalingen wordt er, in geen geval, een verschil gemaakt tussen de studiemeesters - opvoeders en/of de maatschappelijke assistenten naargelang het ambt dat zij uitoefenen, ingericht of gesubsidieerd werd krachtens het tweede lid of krachtens de hoofdstukken VI of VII van dit decreet.

Er kan geen benoeming of werving in vast verband toegekend worden in een betrekking met onvolledige prestaties opgericht op basis van het eerste lid.

Art. 97.In iedere inrichting voor gespecialiseerd secundair onderwijs wordt er, binnen de perken van het aanwendbare lestijdenpakket en na inrichting van alle cursussen bepaald in de uurregeling van de leerlingen, voor de begeleiding ten gunste van de integratie, de opvang, de waarneming van de gedragingen en het tijdelijk zorgen voor nieuwe leerlingen, de begeleiding van leerlingen in voorlopige moeilijkheden, de bemiddeling en / of de pedagogische coördinatie gezorgd. Deze opdrachten kunnen waargenomen worden door een of meer leden van het onderwijzend personeel van het secundair niveau mits inachtneming van de statutaire regels.

Art. 98.Het aantal overblijvende lestijden na aftrekking van het lestijdenpakket van alle lestijden toegekend aan ieder lid van het onderwijzend personeel van het secundair niveau, overeenkomstig de regels vermeld in deze afdeling, vormt het overschot. HOOFDSTUK VI.. - Paramedisch, maatschappelijk en psychologisch personeel Afdeling 1. - Uurregeling van het paramedisch, maatschappelijk en

psychologisch personeel

Art. 99.De logopedisten verstrekken 30 tot 32 lestijden van 50 minuten per week. De kinesisten, de kinderverzorgers en de verpleegkundigen verstrekken 32 tot 36 lestijden van 50 minuten per week. De maatschappelijke assistente en de psychologen verstrekken 36 tot 38 lestijden van 50 minuten per week.

Art. 100.§ 1. De werktijden bestemd voor de klassenraad en het teamwerk worden vervat in de prestaties zoals bedoeld bij artikel 99. § 2. Het teamwerk zorgt voor de coördinatie en het uitwisselen van informatie onder de verschillende leden van de paramedische, maatschappelijke en psychologische ploeg.

Met het oog op hun deelneming aan de klassenraad, kan een deel van deze tijd bestemd worden voor de voorbereiding van deze vergaderingen en het op- of bijstellen van het individueel leerplan van de leerlingen die hun toevertrouwd zijn.

Art. 101.De leden van het paramedisch, maatschappelijk en psychologisch personeel worden ertoe gehouden : 1° 2 werktijden voor de klassenraad en het teamwerk per week te verstrekken als zij een volledige opdracht uitoefenen;2° 1 werktijd voor de klassenraad of het teamwerk per week te verstrekken als zij een halve opdracht uitoefenen. Oefenen zij minder dan een halve opdracht, dan worden hun verplichtingen beperkt tot de overzending van de inlichtingen die nodig zijn voor het goede verloop van de klassenraad. Afdeling 2. - Berekening van de omkadering van het paramedisch,

maatschappelijk en psychologisch personeel en zijn aanstelling

Art. 102.§ 1. In de inrichtingen voor gespecialiseerd onderwijs, omvat de categorie paramedisch personeel de ambten van verpleegkundige, kinesist, logopedist en kinderverzorger.

De categorie maatschappelijk personeel omvat het ambt maatschappelijk assistent.

De categorie psychologisch personeel omvat het ambt psycholoog. § 2. Het volume van de betrekkingen van het paramedisch, maatschappelijk en psychologisch personeel in de inrichtingen voor gespecialiseerd onderwijs wordt bepaald volgens de bij dit decreet bedoelde normen. § 3. De leerlingen die in aanmerking komen voor de normen hierna vermeld zijn deze die, naast hun regelmatige inschrijving op 15 januari, geacht worden regelmatige leerlingen te zijn overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 12, 13, 14 en 15. § 4. De leerlingen die ten laste worden genomen door de Diensten voor hulpverlening tot de integratie van het Waalse Gewest of door de begeleidingsdiensten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden in rekening gebracht net zoals de andere externe leerlingen.

Art. 103.Onverminderd artikel 102, § 4, en in afwijking van artikel 102, § 3, worden niet in aanmerking genomen de leerlingen die, ofwel : 1° ingeschreven zijn in een internaat, een semi-internaat, een residentiële dienst, of een huisvestingscentrum;2° een thuis verstrekt gespecialiseerd onderwijs genieten;3° in een medische instelling of een ziekenhuis verblijven en het onderwijs van type 5 volgen behoudens afwijking toegestaan door de Regering voor externe leerlingen als gevolg van hun handicap;4° gedurende de openingsuren van de schoolinrichting, therapeutische of revalidatiebehandelingen genieten die verstrekt worden door personen van wie de betrekking noch georganiseerd noch gesubsidieerd wordt door de Franse Gemeenschap. De bij 1° van het eerste lid bedoelde leerlingen voor wie de school een met redenen omklede aanvraag heeft ingediend bij het Bestuur, kunnen meegerekend worden na beslissing van de Regering.

Art. 104.§ 1. Het volume van de betrekkingen van het paramedisch, maatschappelijk en psychologisch personeel ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap in de inrichtingen voor gespecialiseerd onderwijs wordt bepaald door een lestijdenpakket. Dit lestijdenpakket wordt jaarlijks per inrichting voor het betrokken jaar vastgesteld.

Om tot het aantal lestijden toegekend voor de leerlingen van een zelfde type die hetzelfde niveau bezoeken te bekomen, wordt het aantal leerlingen met een kencijfer vermenigvuldigd.

Het aan een inrichting toegekend lestijdenpakket is de som van de verkregen producten afgerond naar de hogere eenheid.

De wervingsambten kunnen zowel voltijds als deeltijds toegekend worden.

Art. 105.Er geschiedt een nieuwe berekening van de omkadering op 1 oktober indien de schoolbevolking op 30 september veranderd is met minstens 5 % in vergelijking met deze op 15 januari.

Gedurende het schooljaar, kan een lestijdenpakket opnieuw berekend en aangewend worden, telkens als de schoolbevolking toeneemt met ten minste 10 % in vergelijking met deze die als basis genomen werd voor de bepaling van het overeenstemmend lestijdenpakket.

Deze toename wordt enkel in aanmerking genomen indien de verhoging van het aantal leerlingen gedurende tien opeenvolgende klasdagen overeenstemt met te minste 10 %.

Art. 106.In bijzondere omstandigheden, kan de Regering afwijkingen toestaan van de in dit decreet vervatte normen.

Deze afwijkingen mogen, per onderwijsnet, niet met meer dan 0,25 % van het totaal aantal lestijden die gebruikt konden worden voor het vorig schooljaar voor ieder onderwijsnet overeenstemmen.

Art. 107.De kencijfers worden als volgt bepaald : 1° in het onderwijs van type 1 van het lager niveau : 1 2° in het onderwijs van type 1 van het secundair niveau : 0,5 3° in het onderwijs van type 2 van het lager niveau : 3,9 4° in het onderwijs van type 2 van het lager niveau : 1,5 5° in het onderwijs van type 3 van het lager niveau : 0,7 6° in het onderwijs van type 3 van het lager niveau : 0,3 7° in het onderwijs van type 4 van het lager niveau : 5 8° in het onderwijs van type 4 van het lager niveau : 3,5 9° in het onderwijs van type 5 van het lager niveau : 1 10° in het onderwijs van type 6 van het lager niveau : 1,7 11° in het onderwijs van type 6 van het lager niveau : 1,5 12° in het onderwijs van type 7 van het lager niveau : 2,9 13° in het onderwijs van type 7 van het lager niveau : 1,6 14° in het onderwijs van type 8 van het lager niveau : 1.

Art. 108.Het aantal lestijden die overblijven na aftrekking van het lestijdenpakket van alle lestijden toegekend aan ieder lid van het paramedisch, maatschappelijk en psychologisch personeel, overeenkomstig de regels vermeld in dit hoofdstuk, vormt het overschot. HOOFDSTUK VII.. - Administratief personeel en opvoedend hulppersoneel Afdeling 1. - Uurregeling van het administratief personeel en van het

opvoedend hulppersoneel

Art. 109.In de door de Franse Gemeenschap georganiseerde inrichtingen voor gespecialiseerd basisonderwijs, presteren de corresponderende rekenplichtigen ofwel 38 uren per week, indien de school op 15 januari ten minste 100 leerlingen telt, ofwel 15 uren per week, indien de school op die datum minder dan 100 leerlingen telt.

Art. 110.In de door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde inrichtingen voor gespecialiseerd secundair onderwijs, presteren de leden van het opvoedend hulppersoneel 36 uren per week.

De leden van het administratief personeel presteren 38 uren per week. Afdeling 2. - Ambten georganiseerd in het basisonderwijs

Art. 111.In de categorie van het administratief personeel, wordt het ambt van corresponderende rekenplichtige georganiseerd in de door de Franse Gemeenschap georganiseerde inrichtingen.

Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten, bepaalt de Regering elk jaar het percentage betrekkingen van corresponderende rekenplichtige die volgens de normen bepaald in artikel 109 kunnen worden georganiseerd in het gesubsidieerd onderwijs.

In een door de Franse Gemeenschap georganiseerde school die minder dan 100 leerlingen telt, indien dat getal in de loop van het schooljaar gedurende 10 opeenvolgende klasdagen gelijk aan of hoger dan 100 is, presteert de corresponderende rekenplichtige 38 uren per week. Afdeling 3. - Ambten georganiseerd in het secundair onderwijs

Art. 112.In de categorie van het administratief personeel, kunnen de ambten van klerk-typiste en van opsteller worden georganiseerd.

In de categorie van het opvoedend hulppersoneel, kunnen de ambten van studiemeester-opvoeder, opvoeder-huismeester en directiesecretaris worden georganiseerd. Afdeling 4. - Berekening van de omkadering van het administratief

personeel en van het opvoedend hulppersoneel, en zijn aanstelling, in het secundair onderwijs

Art. 113.§ 1. Het volume van de betrekkingen van het administratief personeel en van het opvoedend hulppersoneel in de inrichtingen van de Franse Gemeenschap en het volume van de betrekkingen waarvoor wedde-subsidies worden toegekend in de gesubsidieerde inrichtingen voor gespecialiseerd onderwijs, met uitsluiting van de internaten en semi-internaten, wordt, voor elke inrichting en voor elk schooljaar, bepaald volgens de door dit decreet vastgestelde normen. § 2. Die ambten kunnen zowel voltijds als deeltijds worden toegekend. § 3. De leerlingen die voor de hierna vermelde normen in aanmerking komen, zijn deze die als regelmatige leerling worden beschouwd overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 12, 13, 14 en 15, en die op 15 januari regelmatig ingeschreven zijn.

Art. 114.Het volume van de betrekkingen in de ambten van het administratief personeel en het opvoedend hulppersoneel die door de Franse Gemeenschap worden georganiseerd of gesubsidieerd, wordt in het lestijdenpakket vastgesteld. Dit lestijdenpakket wordt jaarlijks, voor elke inrichting, voor het bedoelde jaar, vastgesteld.

Art. 115.De aan de opvoeder-huismeester toegekende lestijden kunnen niet op het lestijdenpakket worden uitgetrokken.

Art. 116.§ 1. De betrekkingen van studiemeester-opvoeder, directiesecretaris en van het administratief personeel, die in het gespecialiseerd secundair onderwijs worden georganiseerd of gesubsidieerd, worden opgenomen in een lestijdenpakket dat wordt berekend door het volgens de volgende verdeeltabel gekregen kencijfer met 38 te vermenigvuldigen : 1° 80 leerlingen : 1 2° 160 leerlingen : 2 3° 240 leerlingen : 3 4° 320 leerlingen : 4 5° 400 leerlingen : 5 6° 500 leerlingen : 6 7° 600 leerlingen : 7 8° 760 leerlingen : 8 9° 920 leerlingen : 9 10° 1.080 leerlingen : 10 11° 1.240 leerlingen : 11 12° 1.400 leerlingen : 12 13° 1.560 leerlingen : 13 14° 1.720 leerlingen : 14.

Voor elke bijkomende volledige schijf van 160 leerlingen, wordt het kencijfer met 1 verhoogd. § 2. De betrekkingen worden in de volgorde van de kencijfers toegekend aan het personeel dat het ambt van studiemeester-opvoeder uitoefent.

Voor elke inrichting moeten de volgende betrekkingen, met volledige dienstprestatie, worden toegekend 1° voor het ambt van klerk-typiste, door omzetting van de 3de en /of de 14de betrekking;2° voor het ambt van opsteller, door omzetting van de 8ste en/of de 11de betrekking. § 3. Na voorafgaande raadpleging van het basisoverlegcomité, voor de door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijsinrichtingen, van de plaatselijke paritaire commissie, voor de door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde officiële onderwijsinrichtingen, of van de instanties voor plaatselijk overleg, of bij ontstentenis daarvan, van de vakbondsafvaardigingen, voor de door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde vrije onderwijsinrichtingen, kan, voor elke inrichting, de volgende betrekking, met volledige dienstprestatie, worden toegekend voor het ambt van directiesecretaris, door omzetting van de 4de betrekking.

Art. 117.De omkadering wordt op 1 oktober opnieuw berekend, indien de schoolbevolking van 30 september met ten minste 5 % gewijzigd is in vergelijking met 15 januari.

In de loop van het schooljaar, kan het lestijdenpakket opnieuw worden berekend en aangewend telkens als de schoolbevolking met ten minste 10 % stijgt in vergelijking met deze die de laatste keer als basis heeft gediend voor de bepaling van het overeenstemmende lestijdenpakket.

Die stijging wordt enkel in aanmerking genomen indien de stijging van het aantal leerlingen, gedurende 10 opeenvolgende klasdagen, met ten minste 10 % stijgt.

Art. 118.In bijzondere omstandigheden kan de Regering afwijkingen van de in dit decreet bepaalde normen toestaan.

Die afwijkingen kunnen, voor elk onderwijsnet, niet overeenstemmen met meer dan 0,25 % van het totaal aantal lestijden die, voor elk onderwijsnet, kunnen worden gebruikt gedurende het voorafgaande jaar.

Art. 119.Het aantal lestijden die overblijven na aftrek van het lestijdenpakket van de lestijden die aan ieder lid van het administratief personeel en van het opvoedend hulppersoneel worden toegekend, overeenkomstig de in dit hoofdstuk bepaalde regels, maken het overschot uit. HOOFDSTUK VIII. - Aantal klasdagen in het gespecialiseerd onderwijs

Art. 120.De Regering stelt de klasdagen en verlofdagen jaarlijks vast. Het jaarlijks aantal klasdagen bedraagt 182 dagen. De Regering kan het echter op 181 of 183 dagen vaststellen.

Art. 121.In het gespecialiseerd secundair onderwijs van vorm 3, kunnen de lessen gedurende hoogstens 15 dagen in het jaar worden onderbroken, om evaluatieproeven, de beraadslagingsessies van de klassenraden en de ontmoetingen met de ouders te organiseren.

In het gespecialiseerd secundair onderwijs van vorm 4, kunnen de lessen gedurende hoogstens 15 dagen in het jaar voor de eerste graad, gedurende hoogstens 25 dagen voor de tweede graad, gedurende hoogstens 25 dagen voor de derde graad worden onderbroken om evaluatieproeven, de beraadslagingsessies van de klassenraden en de ontmoetingen met de ouders te organiseren.

Art. 122.De lessen worden gedurende hoogstens zes halve dagen onderbroken om de personeelsleden de mogelijkheid te bieden om deel te nemen aan de opleidingsessies die worden georganiseerd in het kader van het decreet van 11 juli 2002 betreffende de opleiding tijdens de loopbaan in het buitengewoon onderwijs, het gewoon secundair onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra en tot oprichting van een instituut voor opleidingen tijdens de loopbaan.

Alle in dienstactiviteit zijnde personeelsleden moeten deelnemen aan één van de in het eerste lid bedoelde opleidingsessies.

Art. 123.Wanneer er geen verlofdagen overblijven en een plaatselijk feest het onmogelijk maakt dat lessen worden gegeven gedurende een klasdag, dan moet de inrichtende macht één van de dagen bedoeld in artikel 122 gedurende een verlofdag van de leerlingen organiseren. Zij brengt er de Regering op de hoogte van volgens door deze nader te bepalen regels. HOOFDSTUK IX.. - Adviescommissies

Art. 124.§ 1. De Regering richt een adviescommissie voor het gespecialiseerd onderwijs in elk hoofdinspectiegebied van het gewoon lager onderwijs op. § 2. Elke adviescommissie is samengesteld uit de voorzitter, die stemgerechtigd is, en acht werkende leden.

Ze wordt voorgezeten door de hoofdinspecteur van het gewoon lager onderwijs; naast haar voorzitter, bestaat ze uit de vertegenwoordigers van de door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde onderwijsinrichtingen die behoren tot de pedagogische, psychologische, medische en sociale vakken.

Het plaatsvervangend voorzitterschap wordt waargenomen door de oudste kantonnale inspecteur van het betrokken hoofdinspectiegebied.

Voor elk van de werkende leden wordt een plaatsvervangend lid bepaald dat tot hetzelfde vak als het werkend lid behoort. § 3. Bij de samenstelling van elke commissie, zowel voor de werkende leden als voor de plaatsvervangende leden, wordt ervoor gezorgd dat een evenwicht wordt bereikt tussen het officieel onderwijs en het vrij onderwijs, enerzijds, en tussen het confessioneel en niet-confessioneel onderwijs, anderzijds. § 4. De leden worden door de Regering voor een periode van vier jaar benoemd. Hun mandaat is vernieuwbaar.

Als een mandaat vóór het einde van zijn periode wordt verlaten, voleindigt de plaatsvervanger dat mandaat, en wordt een nieuw lid aangesteld als plaatsvervanger.

Ieder lid dat de hoedanigheid verliest op grond waarvan het werd benoemd, of dat bij meer dan de helft van de vergaderingen in het schooljaar afwezig is geweest, houdt op lid van de commissie te zijn. § 5. De commissies beraadslagen en beslissen geldig als de meerderheid van de leden aanwezig is.

Als een bijeengeroepen commissie het vereiste aantal leden niet bereikt, kan ze echter, na een nieuwe bijeenroeping, over hetzelfde onderwerp geldig beraadslagen en beslissen, ongeacht het aantal aanwezige leden.

De leden moeten het geheim van de dossiers en beraadslagingen van de commissie houden. § 6. De resoluties worden bij meerderheid van de aanwezige leden genomen. Bij staking van stemmen, is de stem van de voorzitter beslissend. § 7. De Regering stelt de andere nadere werkingsregels van de commissie vast.

Art. 125.De adviescommissie heeft als opdracht een met redenen omkleed advies te geven op aanvraag en ter attentie van : 1° het gezinshoofd of een lid van de schoolinspectie van de Franse Gemeenschap, over het vermogen van een kind of een adolescent met specifieke behoeften om een gespecialiseerd onderwijs te volgen wanneer die jongere geen school bezoekt;2° het gezinshoofd of een lid van de schoolinspectie van de Franse Gemeenschap, over de opportuniteit het onderwijs thuis te verstrekken voor een jongere met specifieke behoeften die zich niet kan verplaatsen of niet kan worden vervoerd wegens de aard of de ernst van zijn handicap;3° het gezinshoofd of een lid van de schoolinspectie van de Franse Gemeenschap, het hoofd van een inrichting voor gewoon onderwijs of de arts die verantwoordelijk is voor een ploeg belast met het medisch schooltoezicht, over de opportuniteit om naar een inrichting voor gespecialiseerd onderwijs een leerling over te dragen die in een inrichting voor gewoon onderwijs ingeschreven is;4° het gezinshoofd of een lid van de schoolinspectie van de Franse Gemeenschap of het hoofd van een inrichting voor gespecialiseerd onderwijs, over de opportuniteit om naar een inrichting voor gewoon onderwijs een leerling over te dragen die in een inrichting voor gespecialiseerd onderwijs ingeschreven is;5° het gezinshoofd of een lid van de schoolinspectie van de Franse Gemeenschap, het hoofd van een inrichting voor gespecialiseerd onderwijs of de arts die verantwoordelijk is voor een ploeg belast met het medisch schooltoezicht, over de opportuniteit een leerling met specifieke behoeften over te dragen van een inrichting voor gespecialiseerd onderwijs naar een andere inrichting die een beter geschikt gespecialiseerd onderwijs verstrekt.6° het gezinshoofd of het hoofd van een inrichting voor gespecialiseerd onderwijs, over de opportuniteit een kind of een adolescent met specifieke behoeften van elke schoolverplichting vrij te stellen.In dat geval wordt het advies meegedeeld aan de jeugdrechtbank, die er de vrijstelling van kan verlenen.

Art. 126.Het lid van de schoolinspectie van de Franse Gemeenschap, de arts die verantwoordelijk is voor een ploeg belast met het medisch schooltoezicht en het hoofd van een inrichting voor gewoon onderwijs of een inrichting voor gespecialiseerd onderwijs brengen het gezinshoofd op de hoogte ervan wanneer zij een aanvraag om advies aan de adviescommissie voor het gespecialiseerd onderwijs voorleggen.

Art. 127.Voordat de adviescommissie voor het gespecialiseerd onderwijs haar advies geeft, moet ze : 1° het gezinshoofd horen of roepen, dat zich door een raadsman van zijn keuze zal mogen laten bijstaan;2° in voorkomend geval, het verslag laten opmaken door de instelling zoals bedoeld in artikel 12. Het gezinshoofd kiest de instelling of de arts die het verslag zal opmaken.

Indien het gezinshoofd niet wil worden gehoord of weigert zijn kind te laten onderzoeken met het oog op het opmaken van het vastgestelde verslag, zal de commissie zich dan uitspreken zonder dat het kind werd onderzocht en zal, in voorkomend geval, de zaak naar de jeugdrechtbank kunnen verwijzen.

Art. 128.De adviescommissie voor het gespecialiseerd onderwijs deelt haar advies mee aan het gezinshoofd bij een ter post aangetekend schrijven.

Indien blijkt dat het kind onder het gespecialiseerd onderwijs moet ressorteren, vermeldt de commissie het type gespecialiseerd onderwijs dat voor betrokkene aan te bevelen is. Ze bezorgt een volledige lijst van de inrichtingen van de verschillende netten die dat onderwijs verstrekken.

Het gezinshoofd beschikt over een termijn van dertig dagen om zijn beslissing bij een ter post aangetekend schrijven mee te delen aan de voorzitter van de adviescommissie.

Indien het gezinshoofd de suggestie van de adviescommissie niet aanvaardt of indien hij geen inrichting heeft gekozen, onderzoekt de adviescommissie het geval opnieuw en deelt ze haar definitief advies aan het gezinshoofd bij een ter post aangetekend schrijven mee.

Indien het gezinshoofd binnen veertien dagen geen beslissing heeft genomen die in overeenstemming is met de suggestie van de adviescommissie of deze er niet op de hoogte van brengt, dan zendt deze het dossier aan de bevoegde jeugdrechtbank over.

Art. 129.De voorzitters van de adviescommissies voor het gespecialiseerd onderwijs zenden jaarlijks een activiteitsverslag aan de Regering en een afschrift van dat verslag aan de Algemene Raad over. HOOFDSTUK X. - Integratie Afdeling 1. - Doel

Art. 130.Met het oog op de aanmoediging van de integratie in de samenleving en de opleiding van kinderen met specifieke behoeften, kan de tijdelijke of permanente integratie in het gewoon onderwijs van een leerling die in het gespecialiseerd onderwijs regelmatig ingeschreven is, worden georganiseerd volgens de regels die in dit hoofdstuk nader bepaald zijn. Afdeling 2. - Totale permanente integratie

Art. 131.§ 1. De totale permanente integratie betreft de leerlingen van het gespecialiseerd onderwijs van de typen 4, 6 en 7 van het gespecialiseerd secundair onderwijs van de typen 4, 6 en 7 van vorm 3, die, gelet op hun mogelijkheden, kunnen voldoen aan de vereiste evaluaties, en van vorm 4. § 2. De Regering kan een afwijking van § 1 toestaan op grond van een met redenen omkleed advies van de Algemene Overlegraad voor het gespecialiseerd onderwijs.

Als de toelating wordt gegeven, zal het aantal lestijden voor de begeleiding niet hoger zijn dan 4 lestijden.

De procedure blijft dan deze die bepaald is bij de artikelen 134 tot 143.

Art. 132.§ 1. Onder totale permanente integratie, dient te worden verstaan dat de leerling zijn gehele schooltijd in het gewoon onderwijs volgt, waarbij hij, naar gelang van zijn behoeften, een kosteloos vervoer tussen zijn woonplaats en de inrichting voor gewoon onderwijs die hij bezoekt en een door het gespecialiseerd onderwijs verstrekte begeleiding geniet.

Voor iedere leerling bedoeld in het vorige lid, worden lestijden voor begeleiding door personeelsleden van het gespecialiseerd onderwijs toegevoegd aan het lestijdenpakket van de inrichting voor gespecialiseerd onderwijs waaronder het begeleidingspersoneel ressorteert. Dat begeleidingspersoneel wordt gekozen op grond van de typen en de behoeften van het kind zoals bepaald in artikel 7. § 2. Voor iedere geïntegreerde leerling, wordt het aantal lestijden voor de minimumbegeleiding verstrekt door personeelsleden van het gespecialiseerd onderwijs bepaald als volgt : 1° leerling van het onderwijs van type 4 van het kleuterniveau : 4 2° leerling van het onderwijs van type 6 van het kleuterniveau : 4 3° leerling van het onderwijs van type 7 van het kleuterniveau : 4 4° leerling van het onderwijs van type 4 van het lager niveau : 4 5° leerling van het onderwijs van type 6 van het lager niveau : 4 6° leerling van het onderwijs van type 7 van het lager niveau : 4 7° leerling van het onderwijs van type 4 van het secundair niveau (1ste en 2e graad) : 4 8° leerling van het onderwijs van type 6 van het secundair niveau (1ste en 2de graad) : 4 9° leerling va het onderwijs van type 7 van het secundair niveau (1ste en 2e graad) : 4 10° leerling van het onderwijs van type 4 van het secundair niveau (3e graad) : 8 11° leerling van het onderwijs van type 6 van het secundair niveau (3e graad) : 8 12° leerling van het onderwijs van type 7 van het secundair niveau (3e graad) : 8. § 3. In de 3e graad van het secundair onderwijs worden lestijden, buiten het totaal aantal lestijden/leraar, bovendien toegekend aan de ontvangende inrichting voor gewoon onderwijs voor iedere geïntegreerde leerling.

Dat minimumaantal lestijden wordt bepaald als volgt : 1° leerling van het onderwijs van type 4 : 8 2° leerling van het onderwijs van type 6 : 8 3° leerling van het onderwijs van type 7 : 8.

Art. 133.§ 1. De totale permanente integratie in het gewoon onderwijs kan worden uitgevoerd op het basisniveau en op het secundair niveau met inbegrip van de overgang van het basisniveau naar het secundair niveau.

De leerling moet in het gespecialiseerd onderwijs regelmatig ingeschreven zijn op 15 januari voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de integratie wordt aangevraagd. De geïntegreerde leerling wordt in het gewoon onderwijs als regelmatige leerling ingeschreven en verliest zijn hoedanigheid van regelmatige leerling in het gespecialiseerd onderwijs.

De leerling van het gespecialiseerd onderwijs die in het gewoon onderwijs permanent en totaal wordt geïntegreerd, wordt beschouwd als behorend tot dit laatste onderwijs met toepassing van artikel 22, § 1, van het decreet van 29 juli 1992 houdende organisatie van het secundair onderwijs met volledig leerplan of met toepassing van hoofdstuk IV van het decreet van 13 juli 1998 betreffende de organisatie van het gewoon kleuteronderwijs en lager onderwijs en de wijziging van de onderwijswetgeving, voor zover geen aanvraag of beslissing op het einde van het voorafgaande jaar werd ingediend of genomen met toepassing van artikel 143, behalve als die beslissing, die uiterlijk op de dag van het schoolbegin werd genomen, het behoud van de leerling in het gewoon onderwijs tot gevolg heeft. § 2. De dotaties of werkingssubsidies betreffende de leerlingen van het gespecialiseerd onderwijs die permanent en totaal in het gewoon onderwijs worden geïntegreerd, moeten aan dat onderwijs worden uitgekeerd, behalve voor de leerlingen van de derde graad van het secundair onderwijs waarvoor diezelfde dotaties of subsidies voor de inrichting voor gespecialiseerd onderwijs verschuldigd blijven. Deze moet het specifiek materieel dat noodzakelijk is voor de geïntegreerde leerling ter beschikking stellen van de inrichting voor gewoon onderwijs, binnen de perken van de toegekende middelen. § 3. Wanneer de twee scholen die partner zijn bij de integratie op groot afstand van elkaar gelegen zijn, kan, op de voordracht van de Algemene Overlegraad voor het gespecialiseerd onderwijs, een afwijking van de vorige normen door de Regering worden toegestaan binnen de perken van de begrotingskredieten.

Art. 134.Aan elke beslissing in verband met de totale permanente integratie gaat een voorstel vooraf dat moet worden ingediend door ten minste één van de volgende personen of instellingen : 1° de klassenraad van een inrichting voor gespecialiseerd onderwijs die bestaat uit het geheel van de leden van het onderwijzend personeel, paramedisch personeel en opvoedend hulppersoneel die rechtstreeks aan de omkadering van de leerling deelnemen;2° de instelling die de begeleiding van de leerlingen van die inrichting waarnemen;3° de ouders, de persoon die de ouderlijke macht uitoefent of de leerling zelf, als hij meerderjarig is;4° de opvoedingsploeg van een inrichting voor gewoon onderwijs op grond van een gunstig advies van de participatieraad waarvan elk lid zijn toestemming heeft verleend.Het inrichtingsproject moet de elementen inhouden die deze integratie in de hand werken.

Dat voorstel betreffende de totale permanente integratie wordt ingediend bij het hoofd van de inrichting voor gespecialiseerd onderwijs.

Het bestuur of de inrichtende macht van de betrokken inrichting voor gespecialiseerd onderwijs pleegt overleg met alle personen of instellingen bedoeld in dit artikel.

Indien het overleg tot een gunstig advies leidt, dan wordt dit advies door de in dit artikel bedoelde personen en instellingen ondertekend en aan de directeur meegedeeld.

Art. 135.Zodra het bestuur of de inrichtende macht van de inrichting voor gespecialiseerd onderwijs het advies bedoeld in artikel 134 heeft ontvangen, neemt het/ze, in overeenstemming met de ouders, de persoon die de ouderlijke macht uitoefent of de leerling zelf, als hij meerderjarig is, de nodige contacten op om de school voor gewoon onderwijs te vinden waarvan het bestuur, in overleg met de opvoedingsploeg, aanvaardt partner te zijn bij de beoogde totale permanente integratie.

Zodra het voorstel tot totale permanente integratie door het bestuur of de inrichtende macht aanvaard is, wordt de bepaling van een integratieproject gezamenlijk uitgewerkt door : 1° de klassenraad van de inrichting voor gespecialiseerd onderwijs, bijgestaan door de instelling die de begeleiding van de leerlingen waarneemt;2° de klastitularis of de klassenraad van de betrokken inrichting voor gewoon onderwijs, bijgestaan door het psycho-medisch-sociaal centrum dat de begeleiding van de leerlingen van de inrichting waarneemt.

Art. 136.Op het einde van de procedure bedoeld in de artikelen 134 en 135, wordt een protocol opgesteld. Dat protocol omvat : 1° het integratieproject houdende vermelding van het dossier van de leerling, de nagestreefde doelstellingen, de opsomming van de specifieke uitrustingselementen, de behoeften van de leerling inzake vervoer en de eventuele vrijstellingen in het leerplan van het gewoon onderwijs, alsook van het stelsel voor de verbinding tussen de scholen, met inbegrip van de eventuele alternatieve voorstellen, rekening houdend met de mogelijkheden voortvloeiend uit de toepassing van artikel 132;2° de nadere regels voor het overleg tussen het(de) lid(leden) van het personeel van het gespecialiseerd onderwijs belast met de begeleiding en het(de) lid(leden) van het personeel van het gewoon onderwijs belast met de klas die de leerling ontvangt, alsook de nadere regels voor de interne evaluatie van de permanente integratie en het opmaken van verslagen;3° de toestemming van de betrokken psycho-medisch-sociale centra;4° de toestemming van de directeur, voor de door de Franse Gemeenschap georganiseerde inrichtingen, of de toestemming van de inrichtende macht of haar afgevaardigde, voor de door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde inrichtingen;5° de toestemming van de ouders, van de persoon die de ouderlijke macht uitoefent of van de leerling zelf, als hij meerderjarig is;6° het advies van de Commissie voor leerlingenvervoer van de betrokken provincie of van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest.

Art. 137.§ 1. Uiterlijk op 30 april die voorafgaat aan het schooljaar waarvoor de integratie is bepaald, legt het bestuur of de inrichtende macht van de inrichting voor gespecialiseerd onderwijs het protocol voor advies voor aan de bestuursdirectie van het gespecialiseerd onderwijs alsook aan de inspectiedienst. § 2. De inspectie en de bestuursdirectie bedoeld in het eerste lid erkennen gezamenlijk het protocol binnen de maand die volgt op de ontvangst ervan en uiterlijk op 21 mei die vooragaat aan het schooljaar bepaald voor de integratie. § 3. Het dossier wordt door de administratie bewaard die het zonder verwijl aan de adviescommissie voor integratie voorlegt. Die commissie is samengesteld uit zeven leden : een vertegenwoordiger van het onderwijs van de Franse Gemeenschap, twee vertegenwoordigers van het confessioneel vrij onderwijs, twee vertegenwoordigers van het gesubsidieerd officieel onderwijs, een vertegenwoordiger van het niet confessioneel vrij onderwijs en een vertegenwoordiger van de algemene directie verplicht onderwijs, die er het voorzitterschap van waarneemt. § 4. Uiterlijk in de eerste week van de maand juni die voorafgaat aan het schooljaar waarvoor de integratie is bepaald, brengt de commissie een advies uit over elk voorstel tot nadere begeleidingsregels met het totaal aantal lestijden die begrepen zijn of op te nemen zijn in het globaal lestijdenpakket bedoeld in artikel 132.

Art. 138.Op het einde van de procedure bedoeld in de artikelen 134, 135, 136 en 137, worden de dossiers houdende de protocollen, toestemmingen en adviezen voor beslissing overgezonden aan de Regering volgens de door haar nader te bepalen regels.

Uiterlijk op 25 juni die voorafgaat aan het schooljaar waarvoor de integratie is bepaald, deelt de Regering haar beslissing mee aan de betrokken inrichting voor gespecialiseerd onderwijs alsook aan de adviescommissie bedoeld in artikel 137 § 3.

Art. 139.In uitzonderlijke omstandigheden, gezamenlijk erkend door de drie personen of instellingen bedoeld in artikel 134, kan de overzending van het protocol bedoeld in artikel 138 uiterlijk tot 15 september van het bedoelde jaar worden uitgesteld.

Dat protocol wordt samen ingediend met de argumenten die uitzonderlijke omstandigheden aantonen. De inspectie en de administratie oordelen of de omstandigheden die het laattijdig overzenden van het protocol verantwoorden, al dan niet uitzonderlijk zijn.

Is het advies gunstig, dan wordt het dossier overgezonden aan de commissie bedoeld in artikel 137 § 3, die haar uitbrengt volgens de procedures bedoeld in hetzelfde artikel, uiterlijk op 25 september van het bedoelde jaar.

De Regering deelt haar beslissing aan de overheid bedoeld in artikel 137 § 1 op 30 september van het bedoelde jaar mee.

Art. 140.Een volledig dossier wordt opnieuw ingediend bij de verandering van school van een leerling die volgens de procedures bedoeld in de artikelen 134 tot 138 geïntegreerd is.

Art. 141.Voor de verlenging naar opeenvolgende schooljaren in het basisonderwijs, is het gunstig advies van de opvoedingsploeg van het gewoon onderwijs die uitgebreid is tot de personeelsleden van het gespecialiseerd onderwijs belast met de begeleiding, vereist.

Voor de verlenging naar opeenvolgende schooljaren in het secundair onderwijs, is het gunstig advies van de klassenraad van het gewoon onderwijs die uitgebreid is tot de personeelsleden van het gespecialiseerd onderwijs belast met de begeleiding, vereist.

Art. 142.Na de voorafgaande raadpleging van het basisoverlegcomité, voor het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, van de plaatselijke paritaire commissie, voor de door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde officiële onderwijsinrichtingen, of van de plaatselijke overleginstanties, of bij ontstentenis daarvan, van de vakbondsafvaardigingen, voor de door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde vrije onderwijsinrichtingen, wordt het lestijdenpakket bedoeld in artikel 132 aangewend, naar gelang van de behoeften van de leerling die geïntegreerd moet worden, door de Regering, voor het door de Franse Gemeenschap georganiseerd onderwijs, en door de inrichtende machten, voor het gesubsidieerd onderwijs.

Het personeelslid van het gespecialiseerd onderwijs belast met de begeleiding werkt samen met de school voor gewoon onderwijs die bij de integratie betrokken is. Het blijft echter uitsluitend onder het gezag van het bestuur van de inrichting voor gespecialiseerd onderwijs waaronder het ressorteert. Deze laatste bepaling is vermeld in het protocol bedoeld in artikel 136.

Art. 143.Op het einde van elk schooljaar, kan elke partij die voor het protocol haar toestemming heeft verleend, vragen een einde te maken aan de integratie en dat de leerling in het gespecialiseerd onderwijs voltijds terugkeert.

Een dergelijke beslissing kan door het bestuur van de school voor gewoon onderwijs pas worden genomen na overleg met alle partijen en na advies van de inspectie van het gespecialiseerd onderwijs en het gewoon onderwijs. Die beslissing heeft tot gevolg dat er op dezelfde datum een einde wordt gemaakt aan de toepassing van artikel 133, waarbij de leerling dan regelmatig ressorteert onder het gespecialiseerd onderwijs.

Om uitzonderlijk ernstige redenen, kan de Regering, bij een met redenen omklede beslissing, een einde maken aan de integratie, en de terugkeer met voltijdse prestatie van de leerling in het gespecialiseerd onderwijs gedurende het schooljaar toelaten. De leerling kan echter niet meegerekend worden bij de eventuele nieuwe telling op 1 oktober van het lopende schooljaar. Voor het bedoelde schooljaar, wordt hij echter geacht zijn hoedanigheid van geïntegreerde leerling voor de toepassing van de artikelen 132 en 142 te behouden.

Art. 144.De Algemene Overlegraad voor het gespecialiseerd onderwijs oefent een opdracht voor permanente evaluatie van de integratieacties uit, inzonderheid op grond van de verslagen die worden opgesteld door de opvoedingsploegen voor het basisonderwijs, of de klassenraden voor het secundair onderwijs, die vooraf aan de adviescommissie voor het gespecialiseerd onderwijs om advies zullen worden voorgelegd.

Art. 145.De attesten en getuigschriften, uitgereikt krachtens de verordenings- en decreetteksten, worden opgemaakt door de inrichting voor gewoon onderwijs waarin de leerling ingeschreven is. Afdeling 3. - Gedeeltelijke permanente integratie en tijdelijke

integratie

Art. 146.Voor de toepassing van deze afdeling, wordt verstaan onder : 1° gedeeltelijke permanente integratie : integratie waarbij de leerling sommige cursussen in het gewon onderwijs en de andere in het gespecialiseerd onderwijs gedurende het hele schooljaar volgt.Hij geniet bovendien verder kosteloos vervoer van zijn woonplaats naar de school voor gespecialiseerd onderwijs waarin hij ingeschreven is; 2° gedeeltelijke of gehele tijdelijke integratie : integratie waarbij de leerling een deel of het geheel van de cursussen in het gewoon onderwijs gedurende één of meer bepaalde lestijden van een schooljaar volgt.Hij geniet bovendien verder kosteloos vervoer van zijn woonplaats naar de school voor gespecialiseerd onderwijs waarin hij ingeschreven is.

Art. 147.Alleen de leerlingen die in het gespecialiseerd onderwijs sedert ten minste drie maanden regelmatig ingeschreven zijn, kunnen de gedeeltelijke permanente integratie en de tijdelijke integratie genieten.

Wordt niet als integratie beschouwd, de vestiging van een klas voor gespecialiseerd onderwijs van het basisniveau in een inrichting voor gewoon onderwijs, als de titularis van de klas die tot het personeel van het gespecialiseerd onderwijs behoort, de omkadering van zijn leerlingen voltijds waarneemt.

Art. 148.Een deel van het lestijdenpakket opgebracht door de leerling in de school voor gespecialiseerd onderwijs, wordt aangewend om, in voorkomend geval, zijn begeleiding in de school voor gewoon onderwijs waar te nemen.

Die begeleiding wordt waargenomen door het personeel van de school voor gespecialiseerd onderwijs waarin de leerling ingeschreven is. Dat personeel blijft uitsluitend onder het gezag van het bestuur van de gespecialiseerde inrichting waaronder het ressorteert.

De dotaties of de werkingssubsidies blijven toegekend aan de inrichting voor gespecialiseerd onderwijs.

Op de voordracht van de Algemene Overlegraad voor het gespecialiseerd onderwijs, kan de Regering een aanvullend lestijdenpakket aan de scholen voor gespecialiseerd onderwijs die de integratie bedoeld in deze afdeling uitoefenen, toekennen binnen de perken van de beschikbare begrotingsmiddelen.

Art. 149.De gedeeltelijke permanente integratie en de tijdelijke integratie kunnen plaatsvinden op het niveau van het basisonderwijs en op het niveau van het secundair onderwijs, met inbegrip van de overgang van het basisniveau naar het secundair niveau.

De geïntegreerde leerling blijft als regelmatige leerling in het gespecialiseerd onderwijs ingeschreven. Hij geniet de kencijfers die overeenstemmen met het onderwijstype dat in zijn verwijzigingsattest wordt bepaald.

Art. 150.Aan elke beslissing met betrekking tot de gedeeltelijke integratie en de tijdelijke integratie gaat een voorstel vooraf dat moet worden ingediend door één van de volgende personen of instellingen : 1° de klassenraad van een inrichting voor gespecialiseerd onderwijs, samengesteld uit het geheel van de leden van het onderwijzend, paramedisch, psychologisch, maatschappelijk personeel en opvoedend hulppersoneel die rechtstreeks aan de omkadering van de leerling deelnemen.2° de instelling die belast is met de begeleiding van de leerlingen;3° de ouders, de persoon die de ouderlijke macht uitoefent, of de leerling zelf, als hij meerderjarig is; Dat voorstel wordt ingediend bij het hoofd van de inrichting voor gespecialiseerd onderwijs; 4° de opvoedingsploeg van een inrichting voor gewoon onderwijs, op grond van een gunstig advies van de participatieraad waarvan elk bestanddeel zijn toestemming heeft verleend.Het project van vestiging moet de gegevens omvatten die de integratie kunnen vergemakkelijken.

Het bestuur of de inrichtende macht van de betrokken inrichting voor gespecialiseerd onderwijs pleegt overleg met alle personen en instellingen bedoeld in dit artikel.

Indien het overleg tot een gunstig advies leidt, dan wordt dit advies door de personen en instellingen bedoeld in dit artikel ondertekend en aan de directeur meegedeeld.

Art. 151.Vanaf de ontvangst van het advies bedoeld in artikel 150, neemt het bestuur of de inrichtende macht van de inrichting voor gespecialiseerd onderwijs de noodzakelijke contacten op om de school voor gewoon onderwijs te vinden die aanvaardt partner te zijn bij de geplande gedeeltelijke of tijdelijke integratie.

Zodra het voorstel tot gedeeltelijke integratie of tijdelijke integratie aanvaard wordt door het bestuur of de inrichtende macht van de inrichting voor gewoon onderwijs, wordt de bepaling van een integratieproject gezamenlijk uitgewerkt door : 1° de klassenraad van de inrichting voor gespecialiseerd onderwijs, bijgestaan door de instelling belast met de begeleiding van de leerlingen van het gespecialiseerd onderwijs;2° de klastitularis of de klassenraad van de betrokken inrichting voor gespecialiseerd onderwijs, bijgestaan door het psycho-medisch-sociaal centrum dat belast is met de begeleiding van de leerlingen van de inrichting.

Art. 152.Op het einde van de procedure bedoeld in de artikelen 150 en 151, wordt een protocol opgemaakt. Dat protocol omvat : 1° het integratieproject houdende vermelding van het dossier van de leerling, de nagestreefde doelstellingen, de opsomming van de specifieke uitrustingselementen en het stelsel voor de verbinding tussen de scholen;2° de nadere regels voor het overleg tussen het(de) lid(leden) van het gespecialiseerd onderwijs en het(de) lid(leden) van het personeel van het gewoon onderwijs belast met de klas die de leerling opneemt, alsook de nadere regels voor de interne evaluatie van de gedeeltelijke integratie of tijdelijke integratie en het opmaken van verslagen;3° de toestemming van de betrokken psycho-medisch-sociale centra;4° de toestemming ofwel van de directeur, voor de door de Franse Gemeenschap georganiseerde inrichtingen, ofwel van de inrichtende macht of haar afgevaardigde, voor de door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde inrichtingen;5° de toestemming van de ouders, van de persoon die de ouderlijke macht uitoefent of van de leerling zelf, als hij meerderjarig is.

Art. 153.Zodra het protocol opgesteld is, legt het bestuur of de inrichtende macht van de inrichting voor gespecialiseerd onderwijs het aan de Regering voor goedkeuring voor volgens nader door haar te bepalen regels.

De verwezenlijking van het integratieproject begint zodra de goedkeuring van de Regering is ontvangen.

Art. 154.Een volledig dossier wordt opnieuw ingediend bij de verandering van school van een leerling die volgens de procedures bedoeld in de artikelen 150 tot 153 geïntegreerd is.

Art. 155.Op het einde van het schooljaar, wordt een balans van het experiment gezamenlijk opgemaakt door de opvoedingsploegen en de centra die belast zijn met de begeleiding van de leerlingen van beide inrichtingen. Zij wordt aan de Regering toegezonden volgens nader door haar te bepalen regels.

Met die balans moet het mogelijk zijn om te oordelen of het experiment al dan niet kan worden voortgezet. Als de balans gunstig is, kan de gedeeltelijke permanente integratie of de tijdelijke integratie worden voortgezet gedurende de volgende jaren zonder dat een nieuw dossier bij het begin van het jaar wordt ingediend.

Art. 156.Op het einde van elke integratieperiode, kan elke partij die haar toestemming voor het protocol heeft verleend, vragen om een einde te maken aan de integratie en om de terugkeer met volledige prestatie in het gespecialiseerd onderwijs toe te staan.

Die beslissing wordt aan de inspectie van het gespecialiseerd onderwijs en het gewoon onderwijs meegedeeld.

Art. 157.De Algemene Overlegraad voor het gespecialiseerd onderwijs oefent een opdracht voor permanente evaluatie van de integratie-acties uit, inzonderheid op grond van de verslagen die worden opgemaakt door de opvoedingsploegen, voor het basisonderwijs, of door de klassenraden, voor het secundair onderwijs, die aan de adviescommissie voor het gespecialiseerd onderwijs voor advies vooraf worden voorgelegd.

Art. 158.De inrichting voor gespecialiseerd onderwijs waarin de leerling ingeschreven is, reikt de volgende bekwaamheidsbewijzen uit : 1° de studie- en kwalificatiegetuigschriften;2° de attesten van schoolbezoek;3° de attesten met vermelding van de perioden gedurende welke de leerling in een inrichting voor gewoon onderwijs werd geïntegreerd. HOOFDSTUK XI. - Onderwijs dat thuis wordt verstrekt door een inrichting voor gespecialiseerd onderwijs

Art. 159.Het thuis verstrekt onderwijs kan in het lager onderwijs en in het secundair onderwijs tijdelijk of permanent worden georganiseerd of gesubsidieerd.

Art. 160.Om het thuis verstrekt onderwijs te kunnen genieten, moet de leerling voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° in een inrichting voor gespecialiseerd onderwijs van het lager of secundair niveau regelmatig ingeschreven zijn;2° ingeschreven zijn in de inrichting die het dichtst bij zijn woonplaats gelegen is, ongeacht het type van het gespecialiseerd onderwijs dat die organiseert, waarbij rekening wordt gehouden met de vrije keuze van de ouders, behoudens afwijking toegestaan door de adviescommissie voor het gespecialiseerd onderwijs;3° in de onmogelijkheid verkeren om gebruik te maken van een vervoermiddel of zich te verplaatsen.Die onmogelijkheid moet voortvloeien uit de ernst van de handicap of de ziekte die de verwijzing naar het gespecialiseerd onderwijs heeft veroorzaakt; 4° een met redenen omkleed gunstig advies van de adviescommissie voor het gespecialiseerd onderwijs hebben gekregen.

Art. 161.De adviescommissie voor het gespecialiseerd onderwijs oordeelt of het thuis verstrekt onderwijs bijdraagt tot de ontwikkeling van de hele persoonlijkheid van de leerling, en of het zijn integratie in de samenleving noch verhindert noch belemmert.

Art. 162.De inrichting voor gespecialiseerd onderwijs waarin een leerling wordt ingeschreven, moet voor deze het voorgeschreven onderwijs organiseren.

Voor de berekening van het lestijdenpakket, worden de leerlingen administratief gelijkgesteld met het gespecialiseerd onderwijs van type 4, ongeacht hun handicap.

Art. 163.§ 1. Alleen de leermeesters geïndividualiseerd onderwijs en de leermeesters opvoedingsactiviteiten kunnen worden belast met het onderwijs dat op het niveau van het lager onderwijs thuis wordt verstrekt. § 2. Alleen de leeraars algemene vakken kunnen worden belast met het onderwijs dat op het niveau van het secundair onderwijs thuis wordt verstrekt. § 3. De plaats waar het onderwijs thuis wordt verstrekt, wordt gelijkgesteld met de plaats waar de leerkrachten hun ambt uitoefenen. § 4. Volgens de nadere regels die worden bepaald bij een besluit genomen op advies van de Hoge Raad voor het gespecialiseerd onderwijs, kan de Regering tegemoetkomen in de kosten voor het onderwijs dat thuis wordt verstrekt aan kinderen of adolescenten met specifieke behoeften die, alhoewel ze een welbepaald gespecialiseerd onderwijs kunnen volgen, naar het advies van de bevoegde adviescommissies voor het gespecialiseerd onderwijs, dat type onderwijs tijdelijk of permanent niet zouden kunnen volgen wegens de aard of de ernst van de handicap.

Art. 164.De overschotten van de verschillende lestijdenpaketten bedoeld in de artikelen 44, 98, 108 en 119 worden op het niveau van de school opgeteld.

Art. 165.Met inachtneming van de statutaire regels, na de voorafgaande raadpleging van het basisoverlegcomité, voor de door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijsinrichtingen, van de plaatselijke paritaire commissie, voor de door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde officiële onderwijsinrichtingen, of van de plaatselijke overleginstanties of, bij ontstentenis daarvan, van de vakbondsafvaardigingen, voor de door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde vrije onderwijsinrichtingen, kan het globale overschot binnen de inrichting worden toegekend voor één of meer ambten die in het gespecialiseerd onderwijs kunnen worden georganiseerd.

Voor het gebruik van de overschotten, wordt het deel van een opdracht dat wordt voortgebracht door het overschot van een lestijdenpakket omgezet tot een gelijkwaardig deel van een opdracht in het nieuwe ambt waar het wordt gebruikt.

De delers die worden gebruikt voor de berekening van het deel van een overschotopdracht zijn de volgende : - Delers lestijden/leraar basisonderwijs = 24 - Delers lestijden/leraar secundair onderwijs = 24 - Delers lestijden paramedisch personeel = 32 - Delers lestijden opvoedend hulppersoneel en administratief personeel = 36 De som van de overschotten kan nooit een halve opdracht overschrijden, wanneer deze niet worden gebruikt voor het begeleiden van de leerlingen binnen de betrokken inrichting.

Art. 166.De Regering kan, volgens door haar nader te bepalen regels, de overdracht van een overschot tussen de inrichtingen van één zelfde net toestaan, na raadpleging van het basisoverlegcomité, voor de door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijsinrichtingen, van de plaatselijke paritaire commissie, voor de door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde officiële onderwijsinrichtingen, of van de plaatselijke overleginstanties, of, bij ontstentenis daarvan, van de vakbondsafvaardigingen, voor de door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde vrije onderwijsinrichtingen.

Art. 167.Geen benoeming kan worden verricht in het kader van het gebruik van de overschotten. HOOFDSTUK XIII. - De Algemene Overlegraad voor het gespecialiseerd onderwijs Afdeling 1. - De Algemene Overlegraad voor het gespecialiseerd

onderwijs en zijn algemene opdrachten

Art. 168.Er wordt een Algemene Overlegraad voor het gespecialiseerd onderwijs opgericht, hierna « de Raad » genoemd.

Art. 169.De Raad wordt belast met de volgende algemene opdrachten : 1° de Regering, op eigen initiatief of op zijn verzoek, elk voorstel van de Raad voor te leggen om de kwaliteit en de werking van het gespecialiseerd onderwijs te verbeteren met inachtneming van de wets-, decreet- en verordeningsbepalingen.2° de Regering, op eigen initiatief of zijn verzoek, adviezen over te brengen, inzonderheid inzake : de uurregelingen voor verschillende niveaus, types en vormen van gespecialiseerd onderwijs; de invoering van verschillende nadere regels voor de integratie van de leerlingen die behoren tot het gespecialiseerd onderwijs en tot de permanente evaluatie van de integraties toegelaten met toepassing van hoofdstuk X; het alternerend gespecialiseerd secundair onderwijs; de basisvaardigheden, bevoegdheden en kennis bedoeld in de artikelen 16, § 3, derde lid; 29, vierde lid; 38, derde lid en 47 van het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren; een lijst van de opleidingssectoren, de beroepsgroepen en beroepen in het gespecialiseerd secundair onderwijs; de rangschikking van de cursussen; het voorstel over de oriëntaties en thema's die in aanmerking moeten worden genomen voor de opleidingen tijdens de loopbaan die tussen de netten worden verstrekt; de geografische indeling van de types en vormen van gespecialiseerd onderwijs. 3° de uitwisseling verzekeren van elk nuttig document alsook van de verworven ervaring tussen het geheel van de inrichtingen voor gespecialiseerd onderwijs en de inrichtingen voor gewoon onderwijs om de convergentie aan te moedigen naar de bevordering van het slagen op school en de wijze om elke leerling op zijn hoogste bevoegdheidsniveau te leiden in alle types van gespecialiseerd onderwijs.4° de Regering, gezamenlijk met de Algemene Overlegraad voor het secundair onderwijs, vormingsprofielen voorstellen die specifiek zijn voor het gespecialiseerd secundair onderwijs van de vormen 3 en 4, met toepassing van de artikelen 47 et 39bis van het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren.5° om de in 2° bepaalde opdrachten uit te oefenen kan de Regering hoogstens twee leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel van het gespecialiseerd onderwijs verlof wegens opdracht toekennen, op voorstel van de Raad.Die personeelsleden komen onder het gezag van de Raad. 6° de supervisie hebben over alle werkzaamheden van de Programmacommissie voor het gespecialiseerd secundair onderwijs. Afdeling 2. - De samenstelling en de werking van de Algemene

Overlegraad voor het gespecialiseerd onderwijs

Art. 170.§ 1. De Raad is samengesteld uit vierentwintig werkende leden : 1° de directeur-generaal van het verplicht onderwijs of zijn gemachtigde;2° de inspecteur-coördinator van de Inspectiedienst van het gespecialiseerd onderwijs;3° zeven leden die het confessioneel onderwijs vertegenwoordigen;4° zeven leden die het niet-confessioneel onderwijs vertegenwoordigen waarvan : drie vertegenwoordigers van het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap, drie vertegenwoordigers van het gesubsidieerd officieel onderwijs, één vertegenwoordiger van het gesubsidieerd niet-confessioneel vrij onderwijs;5° Drie leden, op het basisniveau, die elk een representatieve vakvereniging vertegenwoordigen. Drie leden, op het secundair niveau, die elk een representatieve vakvereniging vertegenwoordigen. 6° De voorzitter en de ondervoorzitter van de Hoge Raad voor het gespecialiseerd onderwijs. § 2. Elk werkend lid is stemgerechtigd. Er worden zoveel plaatsvervangende leden als werkende leden aangesteld. De plaatsvervangers zetelen alleen bij afwezigheid van de werkende leden.

Art. 171.De werkende en plaatsvervangende leden worden door de Regering aangesteld. Om de aanstelling van deze leden mogelijk te maken legt elk van de betrokken organen een lijst voor met een aantal werkende leden en plaatsvervangende leden dat gelijk is aan het aantal leden die de Regering moet aanstellen.

Art. 172.De Raad kiest een voorzitter en een ondervoorzitter onder zijn leden bedoeld in artikel 170, 3° en 4°. De voorzitter en de ondervoorzitter vertegenwoordigen respectievelijk beide karakters van onderwijs. Hun mandaat duurt twee jaar. Bij elk nieuw mandaat worden de karakters van onderwijs omgekeerd.

Art. 173.De Regering stelt de dienst van het bestuur aan waarvan het personeel het secretariaat van de Raad waarneemt.

Art. 174.De werkende leden en de plaatsvervangende leden worden benoemd voor een termijn van vier jaar. Hun mandaat is hernieuwbaar.

Art. 175.De Raad kan werkgroepen oprichten en een beroep doen op deskundigen. Deze zijn niet stemgerechtigd.

Art. 176.De Raad beslist met een tweederde meerderheid van de aanwezige leden. Elk advies omvat de vermelding van de stemmingen en, in voorkomend geval, een minderheidsnota. Hij stelt zijn huishoudelijk reglement vast en legt het ter goedkeuring aan de Regering voor. Afdeling 3. - Bepaling van de specifieke vormingsprofielen

Art. 177.Voor de toepassing van artikel 47 van het voornoemde decreet van 24 juli 1997 komen de Voorzitters en de Ondervoorzitters van de Algemene Overlegraad voor het gewoon onderwijs en van de Algemene Overlegraad voor het gespecialiseerd onderwijs bijeen volgens door de Regering nader te bepalen regels om de stand van hun werkzaamheden inzake vorming te vermelden. HOOFDSTUK XIV. - Hoge Raad voor het gespecialiseerd onderwijs Afdeling 1. - De Hoge Raad voor het gespecialiseerd onderwijs en zijn

algemene opdrachten

Art. 178.Er wordt een Hoge Raad voor het gespecialiseerd onderwijs opgericht, hierna « de Hoge Raad » genoemd.

Art. 179.De Hoge Raad wordt belast met de volgende opdrachten : 1° adviezen geven, ofwel op eigen initiatief, ofwel op verzoek van de minister die bevoegd is voor het buitengewoon onderwijs, die bepaald zijn in de artikelen 20, eerste lid van de wet van 6 juli 1970; artikel 32, § 3 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving en artikel 163, § 4 van dit decreet. 2° adviezen geven, ofwel op eigen initiatief, ofwel op verzoek van de minister die bevoegd is voor het buitengewoon onderwijs, over alle vraagstukken in verband met het gespecialiseerd onderwijs die een coherente visie doen ontstaan van zijn evolutie op middellange of lange termijn.3° de Regering, op eigen initiatief of op zijn verzoek, een advies geven over de diverse types van gespecialiseerd onderwijs die door de Franse Gemeenschap georganiseerd of gesubsidieerd kunnen worden;een advies over de bedragen van de werkingstoelagen in het gespecialiseerd onderwijs met volledig leerplan, in het gespecialiseerd onderwijs voor sociale promotie of in het alternerend gespecialiseerd onderwijs; een advies over de tegemoetkoming in de kosten van het thuisonderwijs verstrekt aan kinderen of adolescenten met specifieke behoeften; 4° samenwerkingsverbanden tot stand brengen tussen al de actoren en partners betrokken bij het gespecialiseerd onderwijs. Afdeling 2. - Samenstelling en werking van de Hoge Raad voor het

gespecialiseerd onderwijs

Art. 180.De Hoge Raad is samengesteld uit een voorzitter, een ondervoorzitter en 24 leden die de pedagogische, psychologische, medische en sociale disciplines en de representatieve vakverenigingen en de meest representatieve verenigingen van ouders van kinderen met specifieke behoeften vertegenwoordigen.

De helft van de leden van de Hoge Raad wordt gekozen uit de personeelsleden van de onderwijsinrichtingen georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap.

De indeling van de leden is erop gericht het evenwicht te verzekeren tussen de vertegenwoordigers van het confessioneel onderwijs en van het niet-confessioneel onderwijs.

De Voorzitter, de Ondervoorzitter en de leden van de Hoge Raad worden benoemd door de Minister die bevoegd is voor het buitengewoon onderwijs.

De ambtenaren van verschillende ministeriële departementen die betrokken zijn bij de regeling van de problemen in verband met de kinderen of de adolescenten met specifieke behoeften, hebben in de Raad zitting met raadgevende stemmen. De lijst van deze departementen wordt vastgesteld door de Regering.

De Regering bepaalt de regels betreffende de samenstelling en de werking van de Hoge Raad. HOOFDSTUK XV. - Rationalisatie en programmatie van het gespecialiseerd onderwijs Afdeling 1. - Algemene bepalingen

Art. 181.§ 1. Met toepassing van artikel 4 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving bepaalt de Regering, per type van gespecialiseerd onderwijs, het aantal en de geografische indeling van de inrichtingen voor gespecialiseerd onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap teneinde de vrije keuze van de ouders te waarborgen. § 2. Na het met redenen omkleed advies van de Algemene Overlegraad voor het gespecialiseerd onderwijs bedoeld in artikel 170 kan de Regering een inrichting voor gespecialiseerd onderwijs organiseren, subsidiëren of erkennen die zich beperkt tot een specifieke categorie van leerlingen, binnen een type of per niveau, rekening houdend met de aard en de ernst van de handicap en/of de mogelijkheden inzake leren en geestelijke ontwikkelijking van de leerlingen.

Art. 182.De rationalisatie en de programmatie betreffen : 1° de scholen, de vestigingsplaatsen en de types van gespecialiseerd onderwijs voor het gespecialiseerd basisonderwijs;2° de scholen, de vestigingsplaatsen en de types van gespecialiseerd onderwijs, de vormen van gespecialiseerd onderwijs en de beroepssectoren van het gespecialiseerd secundair onderwijs. De rationalisatie en de programmatie zijn niet van toepassing op de internaten, de semi-internaten, de opvangtehuizen en de observatiecentra georganiseerd door de Franse Gemeenschap.

Art. 183.§ 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk omvat de structuur : 1° in het gespecialiseerd basisonderwijs : de types van gespecialiseerd onderwijs;2° in het gespecialiseerd secundair onderwijs : de vormen;3° in het gespecialiseerd secundair onderwijs van vorm 3 : de beroepssectoren;4° de vestigingsplaatsen. § 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder : bevolkingsdichtheid van een arrondissement : a) de bevolking per bestuurlijk arrondissement, zoals die bij de laatste volkstelling werd berekend en vastgesteld door het Nationaal Instituut voor Statistieken, gedeeld door de totale oppervlakte van het arrondissement, uitgedrukt in km2.b) voor elke vestigingsplaats wordt de bevolkingsdichtheid van het arrondissement waarin die vestigingsplaats werkelijk ligt, in aanmerking genomen.c) voor een school met vestigingsplaatsen in verschillende arrondissementen wordt de bevolkingsdichtheid die in aanmerking moet worden genomen, vastgesteld op basis van de volgende berekening : de totale bevolking van de betrokken arrondissementen wordt gedeeld door de totale oppervlakte, uitgedrukt in km2. § 3. De inrichtingen voor gespecialiseerd onderwijs worden ingedeeld in functie van de inrichtende macht waaronder ze ressorteren : 1° scholen georganiseerd door de Franse Gemeenschap;2° scholen georganiseerd door de Franse Gemeenschapscommissie, de provincies, de gemeenten of elke andere publiekrechtelijke persoon;3° confessionele vrije scholen;4° niet-confessionele vrije scholen; § 4. Bij overmacht wordt een tijdelijke overbrenging van een hoofdgebouw of een vestigingsplaats niet gelijkgesteld met een nieuwe oprichting.

In geval van definitieve ontruiming mag het verlaten schoolgebouw niet meer geheel of gedeeltelijk in gebruik genomen blijven voor activiteiten van het gespecialiseerd onderwijs van hetzelfde niveau.

In het tegenovergesteld geval zijn de programmatienormen van toepassing.

Art. 184.§ 1. De fusie van scholen kan worden doorgevoerd onder de volgende voorwaarden : 1° De fusie gebeurt : ofwel door de samenvoeging van twee of meer scholen die gelijktijdig worden afgeschaft; ofwel door de samenvoeging van twee of meer scholen waarbij één van betrokken scholen blijft bestaan, die de andere school of scholen opslorpt; 2° De fusie wordt zowel voor de administratieve, als voor de pedagogische organisatie in éénmaal tot stand gebracht. Ze houdt in dat er nog slechts één inrichtende macht en één directie bestaat. 3° De fusie moet uiterlijk op 30 september van het lopende schooljaar voltrokken zijn. § 2. De scholen georganiseerd of gesubsidieerd krachtens de artikelen 195 en 208 van dit decreet kunnen in de periode van programmatie zich niet beroepen op de bepalingen van § 1 van dit artikel. § 3. De school ontstaan uit een fusie wordt niet beschouwd als een oprichting van een nieuwe school. § 4. De overdracht van een type of een vorm van onderwijs naar een andere inrichtende macht wordt niet beschouwd als een oprichting.

Art. 185.§ 1. Een bestaande school of een school die ontstaat uit een fusie, kan verschillende vestigingsplaatsen hebben, of zich aldus organiseren, op voorwaarde dat ze een pedagogisch en administratief geheel vormt, gevestigd in eenzelfde geheel van gebouwen of, in elk geval, in eenzelfde gemeente of in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, en onder leiding van eenzelfde directie staat; dit alles, behoudens afwijking door de Regering toegestaan in uitzonderlijke gevallen. § 2. De vestigingsplaatsen buiten het hoofdgebouw komen niet in aanmerking voor de berekening van de afstand naar de dichtstbijzijnde school, met uitzondering van de vestigingsplaatsen ontstaan uit een fusie zoals voorzien in § 3. § 3. De verplichting om in dezelfde gemeente of in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gelegen te zijn, wordt niet opgelegd op een pedagogisch geheel, geplaatst onder de leiding van eenzelfde directeur en ontstaan uit de fusie van scholen bestaande tijdens het schooljaar 1974-1975. In dit geval is dus geen afwijking noodzakelijk.

Art. 186.Voor de toepassing van dit decreet wordt bij de rekenkundige bewerkingen op de schoolbevolkingsminima het eindresultaat afgerond naar de hogere eenheid indien het eerste cijfer na de komma vijf of meer is.

Art. 187.Onverminderd de artikelen 196 en 200 worden, voor de toepassing van de bevolkingsminima, de regelmatige leerlingen in aanmerking genomen die beantwoorden aan de voorwaarden bepaald in dit decreet, inzonderheid op de artikelen 12, 13, 14 en 15 van dit decreet.

Art. 188.Voor de toepassing van dit hoofdstuk is de afstand tussen het hoofdgebouw van de school en een vestigingsplaats de kortst mogelijke afstand gemeten langs de rijbaan zoals omschreven in artikel 2.1. van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, zonder dat rekening wordt gehouden met wegomleggingen of een eenrichtingsverkeer. Afdeling 2. - Rationalisatie van het gespecialiseerd basisonderwijs

Art. 189.§ 1. Elke school voor gespecialiseerd basisonderwijs moet op 30 september voldoen aan de bevolkingsminima vastgesteld in § 5. § 2. De leerlingen van het kleuter- en lager onderwijs worden per type van gespecialiseerd onderwijs samengeteld. § 3. De rationalisatienormen bedoeld in § 5 zijn van toepassing op de globale bevolking van al de vestigingsplaatsen. Het hoofdgebouw wordt beschouwd als een vestigingsplaats. § 4. Onverminderd de bepalingen van § 3 moet elke vestigingsplaats gelegen op een afstand van 2 km en meer van het hoofdgebouw, per type ten minste de helft van het aantal leerlingen tellen dat gelijk is aan de helft van de normen voorzien in § 5. § 5. 1° Basisscholen met één type van gespecialiseerd onderwijs.

De basisscholen, waar slechts één type van gespecialiseerd onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd wordt, moeten het bevolkingsminimum bereiken zoals hierna bepaald : a) voor het onderwijs van type 1 wordt het te bereiken bevolkingsminimum vastgesteld op 20 leerlingen;b) voor het onderwijs van type 2 wordt het te bereiken bevolkingsminimum vastgesteld op 14 leerlingen;c) voor het onderwijs van type 3 wordt het te bereiken bevolkingsminimum vastgesteld op 14 leerlingen;d) voor het onderwijs van type 4 wordt het te bereiken bevolkingsminimum vastgesteld op 14 leerlingen;e) voor het onderwijs van type 5 wordt het te bereiken bevolkingsminimum vastgesteld op 14 leerlingen;f) voor het onderwijs van type 6 wordt het te bereiken bevolkingsminimum vastgesteld op 12 leerlingen;g) voor het onderwijs van type 7 wordt het te bereiken bevolkingsminimum vastgesteld op 12 leerlingen;h) voor het onderwijs van type 8 wordt het te bereiken bevolkingsminimum vastgesteld op 20 leerlingen.2° Basisscholen met meer dan één type van gespecialiseerd onderwijs. In de basisscholen met meer dan één type van gespecialiseerd onderwijs, georganiseerd of gesubsidieerd, wordt het bevolkingsminimum bepaald door de som te maken van de bevolkingsminima van ieder in de school georganiseerd of gesubsidieerd type van gespecialiseerd onderwijs.

De minima voor de verschillende types van gespecialiseerd onderwijs worden vastgesteld als volgt : a) voor het onderwijs van type 1 wordt het te bereiken bevolkingsminimum vastgesteld op 20 leerlingen;b) voor het onderwijs van type 2 wordt het te bereiken bevolkingsminimum vastgesteld op 14 leerlingen;c) voor het onderwijs van type 3 wordt het te bereiken bevolkingsminimum vastgesteld op 14 leerlingen;d) voor het onderwijs van type 4 wordt het te bereiken bevolkingsminimum vastgesteld op 14 leerlingen;e) voor het onderwijs van type 5 wordt het te bereiken bevolkingsminimum vastgesteld op 14 leerlingen;f) voor het onderwijs van type 6 wordt het te bereiken bevolkingsminimum vastgesteld op 12 leerlingen;g) voor het onderwijs van type 7 wordt het te bereiken bevolkingsminimum vastgesteld op 12 leerlingen;h) voor het onderwijs van type 8 wordt het te bereiken bevolkingsminimum vastgesteld op 20 leerlingen.

Art. 190.In afwijking van artikel 189 worden de minima met één vierde verminderd voor de scholen gelegen in de arrondissementen met een bevolkingsdichtheid van minder dan 75 inwoners per km2.

Art. 191.§ 1. Elke school bestaande uit verschillende types, die het totaal van de normen bereikt, met toepassing van de artikelen 189, § 5, 2°, en 190, maar waarvan de bevolking van één of meer verschillende types beneden de norm opgelegd in deze artikelen ligt, kan deze types behouden en haar volledige structuur bewaren wanneer de bevolking van elk type afzonderlijk niet minder bedraagt dan 2/3 van de norm, die daarop toepasselijk is. § 2. Elke school bestaande uit verschillende types die het totaal van de normen bereikt, met toepassing van de artikelen 189, § 5, 2°, en 190, maar waarvan de bevolking van één of meer verschillende types gedurende twee opeenvolgende schooljaren de norm bepaald in § 1 niet bereikt, moet het of de in gebreke blijvende type of types uiterlijk op 30 september van dit tweede schooljaar afschaffen ofwel moet de school vanaf dezelfde datum fuseren. § 3. Elke school bestaande uit verschillende types die het totaal van de normen niet bereikt, met toepassing van de artikelen 189, § 5, 2° en 190, maar waarvan de bevolking van elk type de norm bepaald in § 1 van dit artikel gedurende twee opeenvolgende schooljaren bereikt, moet uiterlijk op 30 september van het tweede schooljaar het of de types die de normen van artikel 189, § 5, niet bereiken, afschaffen, ofwel moet ze vanaf dezelfde datum fuseren. § 4. Elke school die slechts één type organiseert, en die de norm met toepassing van de artikelen 189, § 5, 1° en 190, gedurende twee opeenvolgende schooljaren niet bereikt, maar waarvan de bevolking niet minder bedraagt dan 2/3 van de norm die daarop toepasselijk is, moet uiterlijk op 30 september van dit tweede schooljaar afgeschaft worden, ofwel moet de school vanaf dezelfde datum fuseren. § 5. In afwijking van artikel 189, § 5, 2° en in aanvulling met de bepalingen van § 1, 2 en 3, kunnen de types 2 en 4 georganiseerd in dezelfde school behouden blijven indien aan volgende voorwaarden voldaan wordt : 1° één van deze twee types moet de op hem toepasselijke norm bereiken;2° het andere type moet minstens één vierde van de norm bereiken die daarop toepasselijk is. Indien aan de beide voorwaarden bepaald in deze paragraaf niet wordt voldaan, dan moet het type dat niet voldoet aan de norm bepaald onder punt 2°, uiterlijk op 30 september van het tweede schooljaar afgeschaft worden, ofwel moet de school vanaf dezelfde datum fuseren.

Art. 192.Indien voor een bepaald type in een bepaalde provincie geen enkele school van een bepaald net de rationalisatienorm bepaald in dit hoofdstuk bereikt, kan, in afwijking van artikel 189, slechts één school van dit net in deze provincie dit type behouden.

Art. 193.Indien op 30 september de rationalisatienormen bepaald in de artikelen 189 tot en met 192 niet bereikt worden, dan moet ofwel het of de in gebreke blijvende type (s) uiterlijk op 30 september van het lopende schooljaar worden afgeschaft ofwel moet de school vanaf dezelfde datum fuseren.

Art. 194.In een vestigingsplaats ontstaan uit een fusie, met toepassing van artikel 184, kunnen alleen de types, die er bestonden vóór de fusie, verder behouden blijven. Afdeling 3. - Programmatie van het gespecialiseerd basisonderwijs

Art. 195.§ 1. Per 1 september kan een school worden opgericht of in de toelageregeling worden opgenomen indien op 30 september aan de drie volgende voorwaarden wordt voldaan : 1° ten minste twee types organiseren, behoudens afwijking toegestaan door de Regering;2° voor elk type afzonderlijk 150 % van de rationalisatienorm, bepaald in de artikelen 189 en 190 bereiken;3° ten minste het eerste jaar 200 %, het tweede jaar 225 % en het derde jaar 250 % van het totaal van de rationalisatienormen, bepaald in de artikelen 189 en 190, voor deze georganiseerde types bereiken;4° worden deze minima niet bereikt, dan moet hetzij het of de in gebreken blijvende type(s), hetzij de school met ingang van 1 september daaropvolgend worden opgeheven;5° met ingang van het vierde schooljaar zijn uitsluitend de bepalingen voor de rationalisatie van toepassing en voldoet de nieuwe school aan de voorwaarden om toegelaten te worden tot de Fondsen voor schoolgebouwen. § 2. 1° In afwijking van § 1 kan per 1 september aan een universiteit waar een volledige faculteit voor geneeskunde wordt georganiseerd of in de toelageregeling van de Franse Gemeenschap is opgenomen, één enkele school voor gespecialiseerd basisonderwijs van het type 5 worden opgericht of in de toelageregeling worden opgenomen, op voorwaarde dat ten minste 200 % het eerste jaar, 225 % het tweede jaar en 250 % het derde jaar van de rationalisatienormen bepaald in de artikelen 189 en 190 wordt bereikt. 2° worden deze programmatienormen niet bereikt, dan moet de school met ingang van 1 september daaropvolgend worden opgeheven.3° met ingang van het vierde schooljaar zijn uitsluitend de bepalingen voor de rationalisatie van toepassing en voldoet de nieuwe school aan de voorwaarden om toegelaten te worden tot de Fondsen voor schoolgebouwen.

Art. 196.Elke school, die voldoet aan de rationalisatienormen bepaald in de artikelen 189 en 190, mag binnen een afstand van minder dan 2 km van het hoofdgebouw één of meer vestigingsplaatsen oprichten.

Elke school, die voldoet aan de rationalisatienormen bepaald in de artikelen 189 en 190, mag op een afstand van 2 km en meer van het hoofdgebouw één of meer vestigingsplaatsen oprichten op voorwaarde dat de schoolbevolking in iedere vestigingsplaats ten minste de rationalisatienorm bereikt.

In de vestigingsplaatsen bedoeld in het eerste lid en het tweede lid kunnen uitsluitend reeds in de school georganiseerde of in de toelageregeling opgenomen types van gespecialiseerd onderwijs worden opgericht.

Art. 197.Elke school voor gespecialiseerd onderwijs, die gespecialiseerd onderwijs organiseert op het niveau van het lager onderwijs of op het niveau van het kleuteronderwijs en aan de rationalisatienormen bepaald in afdeling 2 van dit hoofdstuk voldoet, kan voor de door haar georganiseerde types ook gespecialiseerd onderwijs inrichten op niveau van het kleuteronderwijs of op niveau van het lager onderwijs.

Art. 198.§ 1. Bij beslissing van de inrichtende macht kan een bestaande school, die voldoet aan de rationalisatienorm per 1 september : 1° een bestaand type dat aan de rationalisatienorm bepaald in de artikelen 189 en 190 beantwoordt, geleidelijk omvormen, per maturiteitsgraad in het gespecialiseerd lager onderwijs, tot een ander type, op voorwaarde dat dit type van gespecialiseerd onderwijs gelijktijdig wordt opgeheven en dat op 30 september van het schooljaar waarin de omvorming aangevat wordt, het ontstane type de rationalisatienorm bereikt. Tijdens de periode van omvorming kunnen er in het type dat opgeheven wordt geen nieuwe leerlingen ingeschreven worden; nochtans mogen de leerlingen, die dit type in deze school volgen, hun studies daarin beëindigen.

De leerlingen van het type dat opgeheven wordt, komen evenwel niet in aanmerking voor de berekening van de rationalisatienormen zoals bepaald in afdeling 2 van dit hoofdstuk.

Deze omvorming van een bestaand type van gespecialiseerd onderwijs moet doorgevoerd worden in alle vestigingsplaatsen van de school waar dit type georganiseerd wordt of in de toelageregeling wordt opgenomen; 2° een type oprichten op voorwaarde dat op 30 september aan de volgende voorwaarden wordt voldaan : a) het vorig schooljaar ten minste 125 % van het totaal van de rationalisatienormen bepaald in de artikelen 189 en 190 voor de georganiseerde types bereiken;b) 150 % van de rationalisatienorm bepaald in de artikelen 189 en 190 voor dit type gedurende twee opeenvolgende schooljaren bereiken. Met ingang van het derde schooljaar zijn uitsluitend de bepalingen inzake rationalisatie van toepassing; § 2. Elke andere omvorming van een type van gespecialiseerd onderwijs is uitgesloten gedurende de perioden bepaald onder de punten 1° en 2°. § 3. Een type kan in een bestaande school opgericht worden of in de toelageregeling opgenomen worden : 1° per provincie en per net, voor elk van de types 1, 2, 3, 4, 5 en 8;2° per net, voor elk van de types 6 en 7, op voorwaarde dat op 30 september aan de volgende voorwaarden wordt voldaan : a) op datum van inwerkingtreding van dit decreet werd dit type in deze provincie en in dit net niet door de Franse Gemeenschap opgericht of gesubsidieerd;b) in het vorig schooljaar werd het totaal van de rationalisatienormen bepaald in de artikelen 189 en 190 voor de georganiseerde types bereikt;c) de rationalisatienormen bepaald in de artikelen 189 en 190 worden voor elk nieuw opgericht type gedurende twee opeenvolgende schooljaren bereikt. Met ingang van het derde schooljaar zijn uitsluitend de bepalingen inzake rationalisatie van toepassing.

De bepalingen van § 1, 1°, inzake omvorming tot een ander type zijn gedurende de periode van programmatie niet van toepassing op het of de type(s) opgericht of in de toelageregeling opgenomen overeenkomstig de bepalingen van deze paragraaf. § 4. De bepalingen van § 1, 2° en § 2 worden afzonderlijk toegepast per school op het hoofdgebouw en iedere vestigingsplaats gelegen op 2 km en meer van het hoofdgebouw. Afdeling 4. - Rationalisatie van het gespecialiseerd secundair

onderwijs

Art. 199.Elke school voor gespecialiseerd secundair onderwijs moet op 30 september ten minste 15 leerlingen tellen.

Art. 200.§ 1. Elke school voor gespecialiseerd secundair onderwijs moet op 30 september aan de bevolkingsminima bepaald in § 5 voldoen. § 2. In de scholen voor gespecialiseerd secundair onderwijs met meer dan één onderwijsvorm wordt het bevolkingsminimum bepaald door de som te maken van de bevolkingsminima, zoals bepaald in § 5, van de onderwijsvormen die in de school georganiseerd of in de toelageregeling opgenomen zijn. § 3. De rationalisatienormen, zoals bepaald in § 5, worden toegepast op de globale bevolking van al de vestigingsplaatsen. Het hoofdgebouw wordt daarbij in aanmerking genomen als vestigingsplaats. § 4. Onverminderd de bepalingen van § 3 moet in elke vestigingsplaats gelegen op een afstand van 2 km en meer ten minste per onderwijsvorm 2/3 bereikt worden van de normen bepaald in § 5. § 5. De minima worden voor de verschillende onderwijsvormen van het gespecialiseerd onderwijs afzonderlijk vastgesteld als volgt : 1° voor de vorm 1 wordt het te bereiken bevolkingsminimum vastgesteld op 7 leerlingen;2° voor de vorm 2 wordt het te bereiken bevolkingsminimum vastgesteld op 12 leerlingen;3° voor de vorm 3 wordt het te bereiken bevolkingsminimum vastgesteld op 24 leerlingen;4° voor de vorm 4 wordt het te bereiken bevolkingsminimum vastgesteld op 8 leerlingen; In de onderwijsvorm 4 mag het aantal leerlingen van de types 6 en 7 met 2 vermenigvuldigd worden om de rationalisatienorm te bereiken bepaald in § 5. § 6. Indien een inrichting die het gespecialiseerd secundair onderwijs van de types 6 en/of 7 organiseert, de rationalisatienormen bepaald in § 5 niet bereikt, kunnen de vormen van het gespecialiseerd secundair onderwijs die in deze inrichting georganiseerd worden, behouden blijven, zonder beperking in de tijd, indien geen enkele inrichting van hetzelfde net dit type van onderwijs in dezelfde provincie organiseert.

Art. 201.In afwijking van artikel 200 worden de minima verminderd met één vierde voor de scholen gelegen in arrondissementen met een bevolkingsdichtheid van minder dan 75 inwoners per km2.

Art. 202.Elke school met verschillende onderwijsvormen, die het totaal van de normen bereikt met toepassing van de artikelen 200, § 5 en 201, maar waarvan de bevolking van één of meer onderwijsvormen beneden de normen gesteld bij dezelfde artikelen ligt, mag deze onderwijsvormen behouden wanneer de bevolking van elke onderwijsvorm afzonderlijk niet minder bedraagt dan 2/3 van deze norm.

Elke school bestaande uit verschillende onderwijsvormen, die het totaal van de normen bereikt met toepassing van de artikelen 200, § 5 en 201, maar waarvan de bevolking van één of meer onderwijsvormen gedurende twee opeenvolgende schooljaren de norm bepaald in het eerste lid niet bereikt, moet uiterlijk met ingang van 30 september van dit tweede schooljaar de in gebreke blijvende onderwijsvorm(en) afschaffen, ofwel moet de school vanaf dezelfde datum fuseren.

Elke school bestaande uit verschillende onderwijsvormen, die het totaal van de normen niet bereikt met toepassing van de artikelen 200, § 5 en 201, maar waarvan de bevolking van elke onderwijsvorm gedurende twee opeenvolgende schooljaren de norm bepaald in het eerste lid bereikt, moet uiterlijk met ingang van 30 september van het tweede schooljaar de in gebreke blijvende onderwijsvorm(en) afschaffen, ofwel moet de school vanaf dezelfde datum fuseren.

Onverminderd de bepalingen van artikel 199 moet elke school die slechts één onderwijsvorm inricht, en die gedurende twee opeenvolgende schooljaren de norm met toepassing van de artikelen 200, § 5 en 201, niet bereikt, maar waarvan de bevolking niet minder bedraagt dan 2/3 van de norm die daarop toepasselijk is, uiterlijk met ingang van 30 september van het tweede schooljaar afgeschaft worden, ofwel moet de school vanaf dezelfde datum fuseren.

Art. 203.§ 1. Onverminderd de bepalingen van artikel 199 dient de bevolking in de onderwijsvorm 3 van een school voor gespecialiseerd secundair onderwijs, om het hieronder bepaald aantal beroepssectoren te behouden, aan volgende minima te voldoen : 1° voor twee beroepssectoren wordt het te bereiken bevolkingsminimum vastgesteld op 32 leerlingen;2° voor drie beroepssectoren wordt het te bereiken bevolkingsminimum vastgesteld op 48 leerlingen;3° voor vier beroepssectoren wordt het te bereiken bevolkingsminimum vastgesteld op 64 leerlingen en één bijkomende beroepssector per reeks van 16 leerlingen. § 2. De inrichtingen die de types 6 en/of 7 van het gespecialiseerd secundair onderwijs organiseren, worden niet betrokken bij de normen bepaald in § 1. § 3. In een secundaire inrichting die het type 4 van het gespecialiseerd onderwijs en de vorm 3 organiseert kan een maatregel waarbij het aantal leerlingen van het type 4 met twee wordt vermenigvuldigd, worden toegepast maar alleen maar om het behoud van het aantal beroepssectoren die in het onderwijs van vorm 3 bestaan, te verzekeren. § 4. Voor de scholen bedoeld in artikel 201, die onderwijsvorm 3 organiseren, wordt het bevolkingsminimum vereist voor twee beroepssectoren bepaald op 24.

Art. 204.In afwijking van artikel 199 moet de school die gedurende twee opeenvolgende schooljaren de norm met toepassing van artikel 203 niet bereikt, uiterlijk met ingang van 30 september van dit tweede schooljaar, de boventallige sector, te beginnen met de eerste fase, fase na fase, opheffen, ofwel moet de school fuseren.

De leerlingen van de eerste fase van onderwijs van een beroepssector die op weg is om afgeschaft te worden, hebben een maximale duur van twee schooljaren om deze eerste fase te beëindigen, twee jaren voor de tweede fase en één jaar voor de derde fase of twee jaren als het opleidingsprofiel 2 jaren in de derde fase vergt.

Art. 205.Indien voor een bepaalde onderwijsvorm in een bepaalde provincie geen enkele school van een bepaald net de rationalisatienorm bepaald in dit hoofdstuk bereikt, dan mag één school van dit net in deze provincie de onderwijsvorm behouden op voorwaarde dat de totale schoolbevolking 15 leerlingen bereikt.

Art. 206.Indien op 30 september de rationalisatienormen bepaald in de artikelen 199 tot en met 201 niet bereikt worden, dan moet(en) ofwel de in gebreke blijvende onderwijsvorm(en) uiterlijk met ingang van 30 september van het lopende schooljaar afgeschaft worden ofwel moet de school vanaf dezelfde datum fuseren.

Art. 207.In een vestigingsplaats ontstaan uit een fusie met toepassing van artikel 184 kunnen alleen de onderwijsvormen en sectoren die er bestonden vóór de fusie, verder behouden blijven. Afdeling 5. - Programmatie van het gespecialiseerd secundair onderwijs

Art. 208.Per 1 september kan een school worden opgericht of in de toelageregeling worden opgenomen indien op 30 september aan de drie volgende voorwaarden wordt voldaan : 1° ten minste 2 onderwijsvormen organiseren, behoudens afwijking toegestaan door de Regering;2° voor elke onderwijsvorm afzonderlijk 150 % van de rationalisatienorm, bepaald in de artikelen 200, 201 en 203, bereiken;3° ten minste het eerste jaar 200 %, het tweede jaar 250 % en het derde jaar 300 % van het totaal van de rationalisatienormen bepaald in de artikelen 200 en 201 voor elke georganiseerde onderwijsvorm bereiken. Worden deze minima niet bereikt, dan moet(en) hetzij de in gebreke blijvende onderwijsvorm(en) hetzij de school met ingang van 30 september daaropvolgend worden opgeheven.

Met ingang van het vierde schooljaar zijn uitsluitend de bepalingen voor de rationalisatie van toepassing en voldoet de nieuwe school aan de voorwaarden om toegelaten te worden tot de Fondsen voor de schoolgebouwen.

Art. 209.Elke school, die voldoet aan de rationalisatienormen bepaald in de artikelen 199 tot en met 201, mag binnen een afstand van minder dan 2 km van het hoofdgebouw één of meer vestigingsplaatsen oprichten.

Elke school, die voldoet aan de rationalisatienormen bepaald in de artikelen 199 tot en met 201, mag op een afstand van 2 km en meer van het hoofdgebouw één of meer vestigingsplaatsen oprichten op voorwaarde dat de schoolbevolking in iedere vestigingsplaats ook de rationalisatienormen bereikt.

In de vestigingsplaatsen bedoeld in het eerste lid en het tweede lid kunnen uitsluitend reeds in de school georganiseerde of in de toelageregeling opgenomen onderwijsvormen en beroepssectoren van het gespecialiseerd secundair onderwijs van vorm 3 worden georganiseerd.

Art. 210.§ 1. In afwijking van artikel 208 is de oprichting of de opname in de toelageregeling van gespecialiseerd onderwijs van het type 5 in onderwijsvorm 4 op secundair niveau op 1 september onderworpen aan de rationalisatienorm bepaald in de artikelen 200 en 201, op voorwaarde dat dit onderwijs van het type 5 verbonden is aan een ziekenhuis of aan een door het Rijk of de Gemeenschap opgerichte of erkende medisch-sociale instelling en dat er een school voor gespecialiseerd basisonderwijs, waaronder dit onderwijs van het type 5 zal ressorteren, georganiseerd of in de toelageregeling is opgenomen op de datum van inwerkingtreding van dit decreet. § 2. In afwijking van artikel 208 en van § 1 is de oprichting of de opname in de toelageregeling van het type 5 op secundair niveau in de onderwijsvorm 4 mogelijk voor een school voor gespecialiseerd basisonderwijs, opgericht of in de toelageregeling opgenomen krachtens artikel 195, § 2, op voorwaarde dat op 1 september het eerste jaar 200 %, het tweede jaar 250 % en het derde jaar 300 % van de rationalisatienorm bepaald in de artikelen 200 en 201 voor de onderwijsvorm 4 wordt bereikt.

Indien deze onderwijsvorm de programmatienorm niet bereikt, moet ze worden opgeheven op 1 september daaropvolgend.

Met ingang van het vierde schooljaar zijn uitsluitend de bepalingen voor de rationalisatie van toepassing.

Deze onderwijsvorm 4 voor het type 5 kan niet worden opgericht of in de toelageregeling opgenomen worden tijdens de periode van programmatie van de school voor gespecialiseerd basisonderwijs, opgericht of in de toelageregeling opgenomen met toepassing van artikel 195, § 2, 1°.

Met toepassing van § 2 van dit artikel wordt de directeur van de school voor gespecialiseerd basisonderwijs belast met de administratieve leiding van dit gespecialiseerd onderwijs van het type 5 op secundair niveau die geen enkel selectieambt of bevorderingsambt kan veroorzaken.

Art. 211.§ 1. Bij beslissing van de inrichtende macht kan een bestaande school die voldoet aan de rationalisatienorm per 1 september : 1° een bestaande onderwijsvorm 1, die aan de rationalisatienorm voldoet, omvormen tot een andere onderwijsvorm op voorwaarde dat de onderwijsvorm 1 volledig en gelijktijdig wordt opgeheven op 30 september van het schooljaar waarin de omvorming wordt aangevat, en dat de nieuwe onderwijsvorm de rationalisatienorm bereikt.2° een onderwijsvorm 2, die aan de rationalisatienorm voldoet, geleidelijk omvormen tot een andere onderwijsvorm op voorwaarde dat deze onderwijsvorm 2 gelijktijdig wordt opgeheven, te beginnen met de eerste fase. Op 30 september van het schooljaar waarin de omvorming wordt aangevat, moet de nieuwe vorm van het georganiseerd onderwijs de rationalisatienorm bereiken. 3° een onderwijsvorm 3 van het gespecialiseerd secundair onderwijs, die aan de rationalisatie norm voldoet, geleidelijk omvormen tot een andere onderwijsvorm op voorwaarde dat de onderwijsvorm 3 gelijktijdig wordt opgeheven, te beginnen met de eerste fase. Op 30 september van het schooljaar waarin de omvorming wordt aangevat, moet de onderwijsvorm van het georganiseerd onderwijs de rationalisatienorm bereiken. 4° een bestaande beroepssector van de onderwijsvorm 3 van het gespecialiseerd secundair onderwijs, die aan de rationalisatienorm voldoet, omvormen tot een andere sector op voorwaarde dat de bestaande sector gelijktijdig, fase na fase, wordt opgeheven, te beginnen met de eerste fase en dat op 30 september van het schooljaar waarin de omvorming wordt aangevat, de normen bedoeld in artikel 203 worden nageleefd.5° Tijdens de periode van omvorming kunnen in de onderwijsvorm of in de beroepssector van het gespecialiseerd secundair onderwijs van onderwijsvorm 3, die opgeheven wordt, geen nieuwe leerlingen ingeschreven worden, nochtans mogen de leerlingen die deze onderwijsvorm of deze beroepssector in deze school volgen, hun studies daarin beëindigen.De leerlingen van de onderwijsvorm of van de beroepssector van het gespecialiseerd secundair onderwijs van onderwijsvorm 3, die opgeheven wordt, komen evenwel niet in aanmerking voor de berekening van de rationalisatienormen zoals bepaald in afdeling 4 van dit hoofdstuk.

Deze omvormingen bepaald onder de punten 1°, 2°, 3° en 4° moeten doorgevoerd worden in al de vestigingsplaatsen van de school waar deze onderwijsvorm of deze beroepssector van het gespecialiseerd onderwijs van onderwijsvorm 3 georganiseerd of in de toelageregeling opgenomen wordt. 6° een bestaande onderwijsvorm 4, die voldoet aan de rationalisatienorm, geleidelijk omvormen tot een andere onderwijsvorm op voorwaarde dat de bestaande onderwijsvorm 4 gelijktijdig, leerjaar na leerjaar, te beginnen met het laagste, wordt opgeheven en dat op 30 september van het schooljaar waarin de omvorming wordt aangevat, de nieuwe onderwijsvorm de rationalisatienorm bereikt.7° een onderwijsvorm 1, 2 en 3 oprichten op voorwaarde dat, op 30 september : a) tijdens het vorig schooljaar ten minste 150 % van het totaal van de rationalisatienormen bepaald in de artikelen 200 en 201 voor de georganiseerde onderwijsvormen werd bereikt;b) 250 % van de rationalisatienorm bepaald in de artikelen 200 en 201 voor deze onderwijsvorm gedurende twee opeenvolgende schooljaren wordt bereikt; Met ingang van het derde schooljaar zijn uitsluitend de bepalingen inzake rationalisatie van toepassing. 8° een onderwijsvorm 4 oprichten op voorwaarde dat, op 30 september : a) tijdens het vorig schooljaar ten minste 150 % van het totaal van de rationalisatienormen bepaald in de artikelen 200 en 201 voor de georganiseerde onderwijsvormen werd bereikt;b) 125 % van de rationalisatienorm bepaald in de artikelen 200 en 201 voor deze onderwijsvorm gedurende twee opeenvolgende schooljaren wordt bereikt; Met ingang van het derde schooljaar zijn uitsluitend de bepalingen inzake rationalisatie van toepassing. § 2. Per provincie en per net kan in een bestaande school een onderwijsvorm opgericht worden of in de toelageregeling opgenomen worden op voorwaarde dat op 30 september aan volgende voorwaarden wordt voldaan : 1° deze onderwijsvorm op datum van inwerkingtreding van dit decreet in deze provincie en in dit net kan niet door de Franse Gemeenschap opgericht of in de toelageregeling worden opgenomen;2° het vorig schooljaar ten minste het totaal van de rationalisatienormen bepaald in de artikelen 200 en 201 voor de georganiseerde onderwijsvormen te hebben bereikt;3° voor elk van de nieuw georganiseerde onderwijsvormen gedurende twee opeenvolgende schooljaren de rationalisatienormen bepaald in de artikelen 200 en 201 bereiken. De bepalingen van § 1, 1°, 2° en 3° zijn tijdens de periode van programmatie niet van toepassing op de onderwijsvorm opgericht of in de toelageregeling opgenomen overeenkomstig die paragraaf. § 3. In een bestaande school die een onderwijsvorm 3 organiseert die aan de rationalisatienorm voldoet, kan : 1° een tweede beroepssector worden opgericht wanneer de onderwijsvorm 60 leerlingen telt;2° een derde beroepssector worden opgericht wanneer de onderwijsvorm 90 leerlingen telt;3° een vierde beroepssector worden opgericht wanneer de onderwijsvorm 140 leerlingen telt. Een nieuwe beroepssector mag worden opgericht per bijkomende schijf van 50 leerlingen.

Elke nieuwe beroepssector dient gedurende twee opeenvolgende schooljaren op 30 september te voldoen aan de programmatienorm die daarop toepasselijk is.

Met ingang van het derde schooljaar zijn uitsluitend de bepalingen voor de rationalisatie van toepassing.

De bepalingen van § 1, 4°, zijn niet van toepassing tijdens de periode van programmatie van de beroepssectoren opgericht of in de toelageregeling opgenomen overeenkomstig die paragraaf. § 4. De bepalingen van § 1, 6° en 7° en van §§ 2 en 3, worden afzonderlijk per school toegepast op het hoofdgebouw en iedere vestigingsplaat gelegen op 2 km en meer van het hoofdgebouw.

Art. 212.De nieuwe scholen, vestigingsplaatsen, onderwijsvormen en beroepssectoren, die voldoen aan de programmatienormen, vervat in deze afdeling, worden voor de opname in de toelageregeling vrijgesteld van het proefjaar. HOOFDSTUK XVI. - Bijzondere bepaling tot vaststelling van het percentage van het bruikbare lestijdenpakket

Art. 213.Elk jaar bepaalt de Regering, binnen de perken van de begrotingsmiddelen, het percentage van het lestijdenpakket dat kan worden gebruikt voor de categorieën van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het paramedisch personeel, van het maatschappelijk personeel, van het psychologisch personeel, van het administratief en opvoedend hulppersoneel, en dat voortvloeit uit de normen bedoeld in de artikelen 33, 34, 85, 86, 102, 104, 113, 114 en 132 en dit, op een identieke manier voor alle onderwijsnetten. HOOFDSTUK XVII. - Wijzigings-en opheffingsbepalingen Afdeling 1. - Wijzigingen in de wet van 6 juli 1970 op het

geïntegreerd buitengewoon onderwijs

Art. 214.In de wet van 6 juli 1970 op het geïntegreerd buitengewoon onderwijs wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd », wordt het woord « geïntegreerd » geschrapt en wordt het woord « gehandicapte » vervangen door de woorden « kind of adolescent met specifieke behoeften ».

Art. 215.In artikel 20, eerste lid, worden de woorden « of een afdeling voor buitengewoon onderwijs » geschrapt. Afdeling 2. - Wijzigingen in het koninklijk besluit van 7 februari

1974 betreffende de wijze waarop de reisonkosten van leerlingen uit het buitengewoon onderwijs ten laste genomen worden door de Staat

Art. 216.In het koninklijk besluit van 7 februari 1974 betreffende de wijze waarop de reisonkosten van leerlingen uit het buitengewoon onderwijs ten laste genomen worden door de Staat wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd » en wordt het woord « geïntegreerd » geschrapt.

Art. 217.Artikel 1 van het koninklijk besluit van 7 februari 1974 betreffende de wijze waarop de reisonkosten van leerlingen uit het buitengewoon onderwijs ten laste genomen worden door de Staat wordt aangevuld als volgt : « 3° hun verblijfplaats en de inrichting voor gewoon onderwijs waarin de leerling in permanente en volledige integratie is ». Afdeling 3. - Wijzigingen in het decreet van 27 oktober 1994 tot

regeling van het overleg in het secundair onderwijs

Art. 218.In artikel 6 van het decreet van 27 oktober 1994 worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° In § 1 worden de woorden « en in het gespecialiseerd secundair onderwijs » toegevoegd na de woorden « en in het alternerend secundair onderwijs ».2° Er wordt een § 2bis ingevoegd, luidend als volgt : « § 2bis : de Raad bezorgt aan de Algemene Overlegraad voor het gespecialiseerd onderwijs, opgericht ingevolge het decreet van 3 maart 2004 houdende organisatie van het gespecialiseerd onderwijs, informatie over zijn werkzaamheden inzake opleidingsprofielen ».

Art. 219.In artikel 8 wordt het volgende lid ingevoegd tussen het eerste lid en het tweede lid : « Vier leden aangesteld door de Algemene Overlegraad voor het gespecialiseerd onderwijs wonen de werkzaamheden van de adviescommissies als stemgerechtigde leden bij. Twee leden behoren tot het niet-confessioneel onderwijs en de twee anderen tot het confessioneel onderwijs ». Afdeling 4. - Wijzigingen in het decreet van 24 juli 1997 dat de

prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren

Art. 220.In de tekst van het voornoemde decreet van 24 juli 1997 worden het woord « buitengewoon » en de woorden « buitengewoon en geïntegreerd » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 221.In de artikelen 2 en 3 worden de woorden « in de artikelen 1 en 4 van de wet van 6 juli 1970 op het geïntegreerd buitengewoon onderwijs, van geïntegreerd onderwijs georganiseerd overeenkomstig artikel 5bis van dezelfde wet. » vervangen door de woorden « in artikel 2 en in de hoofdstukken III en X van het decreet van 3 maart 2004 houdende organisatie van het gespecialiseerd onderwijs ».

Art. 222.In artikel 4 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° In het eerste lid worden de woorden « en gespecialiseerd van vorm 4 » ingevoegd tussen de woorden « gewoon secundair » en de woorden « omvat 6 leerjaren ».2° Het eerste lid wordt aangevuld als volgt : « Het gespecialiseerd secundair onderwijs van vorm 3 wordt in drie fasen georganiseerd. Het gespecialiseerd secundair onderwijs van vorm 2 wordt in twee fasen georganiseerd.

Het gespecialiseerd secundair onderwijs van vorm 1 wordt in één fase georganiseerd. » 3° In het tweede lid van hetzelfde artikel worden de woorden « en gespecialiseerd van vorm 4 » ingevoegd tussen de woorden « het gewoon secundair onderwijs » en de woorden « is georganiseerd ».4° In het derde lid van hetzelfde artikel worden de woorden « gewoon en gespecialiseerd van vorm 4 » ingevoegd tussen de woorden « Het secundair onderwijs » en het woord « voltijds ».5° In het vierde lid van hetzelfde artikel worden de woorden « gewoon en gespecialiseerd van vorm 4 » ingevoegd tussen de woorden « het secundair onderwijs » en de woorden « kunnen ook georganiseerd worden ».6° In het vijfde lid van hetzelfde artikel worden de woorden « gewoon en gespecialiseerd van vorm 4 » ingevoegd tussen de woorden « secundair onderwijs » en de woorden « worden georganiseerd ».

Art. 223.In artikel 5 van hetzelfde decreet wordt een 2°bis ingevoegd, luidend als volgt : « 2°bis. Bekwaamheidsdrempels : referentiesysteem dat op een gestructureerde manier de competenties uiteenzet waarvan de beheersing verwacht wordt op een bepaald niveau van het eind van elke fase van het gespecialiseerd onderwijs van vorm 3 ».

Art. 224.In de titel van de 1ste afdeling van hoofdstuk III worden de woorden « De cycli » vervangen door de woorden « De cycli, de maturiteitsgraden ».

Art. 225.In artikel 13 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° In § 1 worden de woorden « In het gewoon onderwijs » toegevoegd vóór de woorden « De vorming tijdens het kleuteronderwijs » ».2° Er wordt een paragraaf 3bis ingevoegd, luidend als volgt : « § 3bis.In het gespecialiseerd basisonderwijs is de vorming tijdens het lager onderwijs en kleuteronderwijs een pedagogisch continuüm. Het gespecialiseerd lager onderwijs wordt in vier fasen gestructureerd, de maturiteitsgraden genoemd. 3° In § 4 van hetzelfde artikel worden de woorden « Hoge Raad voor het Buitengewoon Onderwijs opgericht door de wet van 6 juli 1970 op het geïntegreerd buitengewoon onderwijs » vervangen door de woorden « Algemene Overlegraad voor het gespecialiseerd onderwijs opgericht door het decreet van 3 maart 2004 houdende organisatie van het gespecialiseerd onderwijs ».4° In dezelfde paragraaf worden de woorden « onder §§ 2 en 3 » vervangen door de woorden « onder § 3bis ».

Art. 226.In artikel 14 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden « of de eerste fase » worden ingevoegd tussen de woorden « of de eerste graad » en de woorden « van het secundair onderwijs ».2° de woorden « of de eerste fase » worden ingevoegd tussen de woorden « en de eerste graad » en de woorden « van het secundair onderwijs ».3° de woorden « of de bekwaamheidsdrempels » worden ingevoegd tussen de woorden « de beheersing van bekwaamheidsniveaus » en de woorden « met het verwezenlijken van gemeenschappelijke activiteiten ».

Art. 227.In artikel 15 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° In het tweede lid worden de woorden « In het gewoon onderwijs » toegevoegd vóór de woorden « De leerling die zich genoodzaakt ziet ».2° Het artikel wordt aangevuld als volgt : « In het gespecialiseerd onderwijs evolueert de leerling, op advies van de Klassenraad, volgens zijn eigen leerritme en de potentiële mogelijkheden in de verschillende maturiteitsgraden ».

Art. 228.In artikel 16 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° In § 2 wordt het volgende lid ingevoegd tussen het tweede lid en het derde lid : « Daarover bezorgen ze informatie daarover aan de Algemene Overlegraad voor het gespecialiseerd onderwijs opgericht door het decreet van 3 maart 2004 houdende organisatie van het gespecialiseerd onderwijs ». In § 3, derde lid, worden de woorden « Hoge Raad » vervangen door de woorden « Algemene Overlegraad voor het gespecialiseerd onderwijs ».

Art. 229.In artikel 17 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° In de §§ 1 en 2 worden de woorden « cycli en jaren » vervangen door de woorden « cycli, jaren en maturiteitsgraden ».2° In § 3, tweede lid worden de woorden « en/of, voor het gespecialiseerd onderwijs, ze het mogelijk maken voor de leerlingen met specifieke behoeften om op een optimale manier te evolueren.» toegevoegd na de woorden « bekwaamheidsniveaus ».

Art. 230.§ 1. In artikel 35, § 1 van hetzelfde decreet wordt een 4° ingevoegd, luidend als volgt : « 4° de eindvaardigheden en gemeenschappelijke kennis die van het geheel van de leerlingen vereist worden op het eind van de derde fase van het gespecialiseerd secundair onderwijs van vorm 3 die leiden tot het uitreiken van een getuigschrift van lager secundair onderwijs dat gelijk is aan het getuigschrift van secundair onderwijs van de tweede graad. » § 2. In artikel 35, § 2 van hetzelfde decreet wordt een derde lid ingevoegd, luidend als volgt : « De werkzaamheden betreffende het gespecialiseerd onderwijs worden overgebracht aan de Algemene Overlegraad voor het gespecialiseerd onderwijs ».

Art. 231.In artikel 36 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1 worden de woorden « graden en jaren » vervangen door de woorden « graden, jaren en fasen van onderwijs »;2° er wordt een § 2bis ingevoegd : « § 2bis.Voor het gesubsidieerd gespecialiseerd onderwijs hecht de Regering haar goedkeuring, rekening houdend met de bekwaamheden en kennis bepaald in artikel 35, aan de studieprogramma's van de cursussen die specifiek zijn voor de humanistische vorming gedurende de fasen van onderwijs bedoeld in dit hoofdstuk, na het advies te hebben ingewonnen van de Programmacommissie bedoeld in § 3bis ». 3° er wordt een § 3bis ingevoegd : « § 3bis.Er wordt een Programmacommissie opgericht voor het gespecialiseerd secundair onderwijs volgens de door de Regering nader te bepalen regels. De Programmacommissie controleert of de studieprogramma's het mogelijk maken de bevoegdheden en kennis bedoeld in artikel 35 te verwerven.

De controle uitgeoefend door de Programmacommissie heeft geen betrekking op de pedagogische methoden. »

Art. 232.Er wordt een 39bis toegevoegd : « De Regering kan, op gezamenlijk voorstel van de Algemene Overlegraad voor het gespecialiseerd onderwijs bedoeld in artikel 13 en van de Algemene Overlegraad voor het secundair onderwijs bedoeld in artikel 16, de opleidingsprofielen bepalen die specifiek zijn voor het gespecialiseerd secundair onderwijs van vorm 4, overeenkomstig artikel 63 van het decreet van 3 maart 2004 houdende organisatie van het gespecialiseerd onderwijs. »

Art. 233.Artikel 43 van hetzelfde decreet wordt aangevuld als volgt : « Op basis van de specifieke opleidingsprofielen bedoeld in artikel 47 en na het advies te hebben ingewonnen van de Algemene Overlegraad voor het gespecialiseerd onderwijs, bepaalt de Regering en legt ter bevestiging voor aan het Parlement : 1° de lijst van de opleidingen van het gespecialiseerd secundair onderwijs;2° de voorwaarden voor toelating tot de diverse sectoren, beroepsgroepen en beroepen van het gespecialiseerd secundair onderwijs van vorm 3;».

Art. 234.In artikel 47 worden de woorden « Hoge Raad voor het buitengewoon onderwijs » vervangen door de woorden « Algemene Overlegraad voor het gespecialiseerd onderwijs ».

Art. 235.In artikel 49 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° In het eerste lid worden de woorden « 39bis » ingevoegd tussen de woorden « 39 » en « 44 »;2° In 3° van hetzelfde artikel worden de woorden « buitengewoon onderwijs » vervangen door de woorden « gespecialiseerd secundair onderwijs van de vormen 3 en 4 ».

Art. 236.In artikel 50 worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° In de §§ 1 en 4 worden de woorden « 39bis » ingevoegd tussen de woorden « 39 » en « 44 ».2° In § 1 van hetzelfde artikel worden de woorden « graden en jaren » vervangen door de woorden « graden, jaren en onderwijsfasen ».3° In § 2 van hetzelfde artikel worden de woorden « 39bis » ingevoegd tussen de woorden « 39 en 44 », en worden de woorden « 47 » geschrapt.4° Er wordt een § 2bis ingevoegd na § 2 : « § 2bis.Voor het gesubsidieerd gespecialiseerd onderwijs hecht de Regering haar goedkeuring, rekening houdend met de specifieke opleidingsprofielen bedoeld in artikel 47, aan de studieprogramma's van de fasen bedoeld in dit hoofdstuk, na het advies te hebben ingewonnen van de Programmacommissie voor het gespecialiseerd onderwijs die controleert of de studieprogramma's het mogelijk maken de bevoegdheden bepaald in de opleidingsprofielen bedoeld in artikel 47 te verwerven.

De controle uitgeoefend door de Programmacommissie heeft geen betrekking op de pedagogische methoden. »

Art. 237.In artikel 51 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° In het eerste lid worden de woorden « 39bis » ingevoegd tussen de woorden « 39 en 44 ».2° In het tweede lid worden de woorden « in artikel 16 » vervangen door de woorden « in de artikelen 13 en 16 ».3° In het derde lid van hetzelfde artikel worden de woorden « buitengewoon secundair onderwijs van vorm 3 » vervangen door de woorden « gespecialiseerd secundair onderwijs van de vormen 3 en 4 ».

Art. 238.In artikel 52 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° In het eerste lid worden de woorden « 39bis » ingevoegd tussen de woorden « 39 en 44 ».2° In het tweede lid worden de woorden « en ter aanvulling » vervangen door de woorden « ter aanvulling of ter vervanging ».3° Het artikel wordt aangevuld als volgt : « De modaliteiten voor de organisatie van evaluatieproeven die overeenstemmen met de kwalificatieprofielen bedoeld in de artikelen 39 en 39bis kunnen, in functie van de handicap, worden aangepast voor het gespecialiseerd secundair onderwijs van vorm 4.»

Art. 239.In artikel 53 van hetzelfde decreet wordt het volgende lid ingevoegd na het tweede lid : « Na het advies te hebben ingewonnen van de Algemene Overlegraad voor het gespecialiseerd onderwijs bedoeld in artikel 13 bepaalt de Regering, fase na fase, het maximum aantal van de wekelijkse lestijden die binnen het gespecialiseerd secundair onderwijs van vorm 3 georganiseerd kunnen worden, overeenkomstig het eerste lid ».

Art. 240.In artikel 54, 3° worden de woorden « 39bis » ingevoegd tussen de woorden « 39 en 44 ».

Art. 241.In artikel 57 worden de woorden « Hoge Raad voor het buitengewoon onderwijs » vervangen door de woorden « Algemene Overlegraad voor het gespecialiseerd onderwijs ».

Art. 242.In artikel 76, vijfde lid worden de woorden « Deze maatregel is niet verplicht voor de meerderjarige leerlingen van het gespecialiseerd onderwijs van vorm 1 of vorm 2. » toegevoegd na de woorden « huishoudelijk reglement ».

Art. 243.In artikel 79 worden de woorden « in het kleuteronderwijs en in het onderwijs met beperkt leerplan » vervangen door de woorden « in het gewoon kleuteronderwijs, het alternerend onderwijs en het gespecialiseerd onderwijs ».

Art. 244.In het opschrift van hoofdstuk X van hetzelfde decreet worden de woorden « en in het gespecialiseerd secundair onderwijs van de vormen 3 en 4 » toegevoegd tussen de woorden « gewoon secundair onderwijs » en « met volledig leerplan ».

Art. 245.In artikel 95, eerste lid worden de woorden « naar een klas of naar een cyclus » vervangen door de woorden « naar een klas, naar een cyclus of naar een fase ».

Art. 246.In artikel 96, derde lid worden de woorden « of, voor het gespecialiseerd onderwijs, door een persoon naar keuze » toegevoegd na de woorden « door een familielid ».

Art. 247.In artikel 97 wordt een paragraaf 7 toegevoegd, luidend als volgt : « § 7. Wanneer een beroep betrekking heeft op een leerling van het gespecialiseerd onderwijs van vorm 3 of vorm 4, hebben twee leden van de Algemene Overlegraad voor het gespecialiseerd onderwijs bedoeld in artikel 13 zitting in de Raad van Beroep. »

Art. 248.Artikel 98, § 3 van hetzelfde decreet wordt aangevuld als volgt : « In het gespecialiseerd secundair onderwijs van vorm 3 kan de Raad van Beroep de beslissing van de klassenraad vervangen door een beslissing van slagen of door een nieuwe beslissing ». Afdeling 5. - Wijziging van verschillende bepalingen

Art. 249.In de tekst van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving worden de volgende bepalingen aangebracht : 1° het woord « buitengewoon » wordt vervangen door het woord « gespecialiseerd ».2° In artikel 32, § 3, derde lid worden de woorden « Hoge Raad voor het buitengewoon onderwijs » vervangen door de woorden « Algemene Overlegraad voor het gespecialiseerd onderwijs ».

Art. 250.In de wet van 1 april 1960 betreffende de psycho-medisch-sociale centra worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in de tekst van de wet wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».2° in artikel 2, § 2 worden de woorden « van het geïntegreerd buitengewoon onderwijs zoals bepaald in de wet van 6 juli 1970 op het buitengewoon onderwijs, zoals gewijzigd bij de wet van 11 maart 1986 houdende organisatie en subsidiering van het geïntegreerd buitengewoon onderwijs » vervangen door de woorden « van het gespecialiseerd onderwijs zoals bepaald in het decreet van 3 maart 2004 houdende organisatie van het gespecialiseerd onderwijs".

Art. 251.In de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in de tekst van de wet wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».2° in artikel 3, § 2 worden de woorden « en afdelingen » geschrapt.

Art. 252.In de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in de tekst van de wet wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».2° in artikel 1, § 5 worden de woorden « overeenkomstig de wet van 6 juli 1970 op het buitengewoon onderwijs » vervangen door de woorden « overeenkomstig het decreet van 3 maart 2004 houdende organisatie van het gespecialiseerd onderwijs ».

Art. 253.In artikel 8 van het decreet van 3 juli 1991 tot regeling van het secundair onderwijs met beperkt leerplan worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het woord « buitengewoon » wordt vervangen door het woord « gespecialiseerd »;2° in § 2, 2° worden de woorden « kwalificatiegetuigschrift van het 5e jaar buitengewoon onderwijs (vorm 3)« vervangen door de woorden « kwalificatiegetuigschrift van de 3de fase van het gespecialiseerd onderwijs (vorm 3) ».

Art. 254.In artikel 1 van het decreet van 29 juli 1992 houdende organisatie van het secundair onderwijs met volledig leerplan wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 255.In het decreet van 1 februari 1993 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 256.In de artikelen 1 en 36 quinquies, § 4 van het decreet van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 257.In de tekst van het decreet van 24 juni 1996 betreffende het noodprogramma voor de schoolgebouwen van het door de Franse Gemeenschap ingericht of gesubsidieerd basisonderwijs en secundair onderwijs worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het woord « buitengewoon » wordt vervangen door het woord « gespecialiseerd ».2° in artikel 6, eerste lid worden de woorden « Hoge Raad voor het buitengewoon onderwijs » vervangen door de woorden « Algemene Overlegraad voor het gespecialiseerd onderwijs ».

Art. 258.In het decreet van 30 juni 1998 dat erop gericht is alle leerlingen gelijke kansen op sociale emancipatie te geven, inzonderheid door de invoering van maatregelen voor positieve discriminatie wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 259.In artikel 1 van het decreet van 13 juli 1998 betreffende de organisatie van het gewoon kleuteronderwijs en lager onderwijs en de wijziging van de onderwijswetgeving wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 260.In de tekst van het decreet van 4 januari 1999 betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 261.In het decreet van 8 februari 1999 houdende verschillende maatregelen inzake onderwijs wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 262.In artikel 1, 1° van het decreet van 5 juli 2000 houdende de regeling inzake verlof en disponibiliteit wegens ziekte of invaliditeit van sommige personeelsleden uit het onderwijs wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 263.In de tekst van het decreet van 7 juni 2001 betreffende de sociale voordelen wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 264.In artikel 1 van hetzelfde decreet wordt het woord « buitengewone » vervangen door het woord « gespecialiseerde ».

Art. 265.In de tekst van het decreet van 14 juni 2001 betreffende het programma voor dringende werken aan de schoolgebouwen van het basis- en secundair onderwijs dat wordt ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het woord « buitengewoon » wordt vervangen door het woord « gespecialiseerd ».2° in artikel 17 worden de woorden « Hoge Raad voor het buitengewoon onderwijs » vervangen door de woorden « Algemene Overlegraad voor het gespecialiseerd onderwijs ».

Art. 266.In artikel 2, § 3, derde lid en in artikel 17 van het decreet van 12 juli 2001 waarbij de materiële omstandigheden van de inrichtingen van het basis- en secundair onderwijs worden verbeterd, worden de woorden « Hoge Raad voor het buitengewoon onderwijs » vervangen door de woorden « Algemene Overlegraad voor het gespecialiseerd onderwijs ».

Art. 267.In artikel 3 van het decreet van 20 december 2001 betreffende de gezondheidspromotie op school wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd » en wordt het woord « buitengewone » vervangen door het woord « gespecialiseerde ».

Art. 268.In artikel 1 van het decreet van 31 januari 2002 tot vaststelling van het statuut van de leden van het gesubsidieerd technisch personeel van de gesubsidieerde vrije psycho-medisch-sociale centra wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 269.In artikel 1 van het decreet van 31 januari 2002 tot vaststelling van het statuut van de leden van het gesubsidieerd technisch personeel van de gesubsidieerde officiële psycho-medisch-sociale centra wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 270.In de tekst en het opschrift van het decreet van 11 juli 2002 betreffende de opleiding tijdens de loopbaan in het buitengewoon onderwijs, het gewoon secundair onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra en tot oprichting van een instituut voor opleidingen tijdens de loopbaan wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 271.In het koninklijk besluit van 13 augustus 1962 tot regeling van psycho-medisch-sociale centra worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in de tekst van het koninklijk besluit wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».2° in artikel 3, § 1;3 worden de woorden « in uitvoering van artikel 5 van de wet van 6 juli 1970 op het buitengewoon onderwijs en overeenkomstig artikel 7 van het koninklijk besluit van 28 juni 1978 houdende omschrijving van de types en de organisatie van het buitengewoon onderwijs en vaststellende de toelatings- en behoudsvoorwaarden in de diverse niveaus van het buitengewoon onderwijs » vervangen door de woorden « overeenkomstig de hoofdstukken II en III van het decreet van 3 maart 2004 houdende organisatie van het gespecialiseerd onderwijs ». 3° in artikel 4 worden de woorden « van artikel 12, § 2 van de wet van 6 juli 1970 op het buitengewoon onderwijs » vervangen door de woorden « van artikel 12, § 2 van het decreet van 3 maart 2004 houdende organisatie van het gespecialiseerd onderwijs ».

Art. 272.In het koninklijk besluit van 29 augustus 1966 tot vaststelling en indeling van de ambten van de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 273.In het opschrift van het koninklijk besluit van 28 februari 1967 houdende vaststelling van de administratieve stand van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 274.In het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 2 oktober 1968 tot vaststelling en rangschikking van de ambten der leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel, van het psychologisch personeel, van het maatschappelijk personeel der inrichtingen voor voorschools, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunstonderwijs, onderwijs voor sociale promotie en hoger onderwijs buiten de universiteit van de Franse Gemeenschap en de ambten der personeelsleden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 275.In de artikelen 1, 14 quater, § 4, 14 sexies, § 2, 26bis, 34, § 2, 36, 167, § 3 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch onderwijs, onderwijs voor sociale promotie en kunstonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 276.In het opschrift van het koninklijk besluit van 22 april 1969 tot vaststelling van de lichamelijke geschiktheid vereist van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch personeel der rijksinrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunstonderwijs, onderwijs voor sociale promotie en normaalonderwijs, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 277.In het opschrift van het koninklijk besluit van 15 juli 1969 tot vaststelling van de bevoegdheden van de beheerders, de opvoeders-huismeesters en de directiesecretarissen in de rijksinrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch en normaalonderwijs wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 278.In het koninklijk besluit van 27 juli 1971 houdende organisatiemodaliteiten van de begeleiding der leerlingen die instellingen of afdelingen voor buitengewoon onderwijs volgen, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het opschrift worden de woorden « of afdelingen » geschrapt.2° in de tekst van het koninklijk besluit wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».3° in artikel 5 worden de woorden « of de afdeling » geschrapt.4° in artikel 6 worden de woorden « of de afdeling » geschrapt.

Art. 279.In het koninklijk besluit van 16 augustus 1971 tot instelling van de Commissies van Advies van het buitengewoon onderwijs en tot vaststelling van hun samenstelling en werkingsvoorwaarden worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het opschrift en de tekst van het besluit wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».2° in artikel 6, tweede lid, worden de woorden « voorzien bij artikel 7 van de wet van 6 juli 1970 » vervangen door de woorden « voorzien bij artikel 125 van het decreet van 3 maart 2004 houdende organisatie van het gespecialiseerd onderwijs ».

Art. 280.In het koninklijk besluit van 15 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het woord « buitengewoon » wordt vervangen door het woord « gespecialiseerd »;2° in artikel 1, § 5 worden de woorden « 15 augustus » vervangen door de woorden « 31 augustus »;3° hetzelfde artikel wordt aangevuld als volgt : Tijdens de zomervakantie van 1 juli tot 31 augustus worden 5 werkdagen tussen 16 en 31 augustus gepresteerd ».

Art. 281.In het koninklijk besluit van 18 januari 1974 genomen ter toepassing van artikel 164 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 282.In het koninklijk besluit van 3 december 1974 houdende uitvoering van artikel 32, § 2, voorlaatste lid van de wet van 29 mei 1959 zoals vervangen bij de wet van 11 juli 1973 en tot vaststelling van het bedrag, de nadere regels voor de berekening en het ogenblik van de uitbetaling van de werkingssubsidies in het buitengewoon onderwijs, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het opschrift en de tekst van het koninklijk besluit wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd »;2° in artikel 1, 1° worden de woorden « een inrichting, een instituut of een afdeling voor buitengewoon onderwijs zoals bepaald in artikel 2 van de wet van 6 juli 1970 op het buitengewoon onderwijs;» vervangen door de woorden « een inrichting of een instituut zoals bepaald in artikel 4 van het decreet van 3 maart 2004 houdende organisatie van het gespecialiseerd onderwijs; »; 3° in artikel 1, 2°b worden de woorden « in artikel 5 van de wet van 6 juli 1970 op het buitengewoon onderwijs » vervangen door de woorden « in artikel 12 van het decreet van 3 maart 2004 houdende organisatie van het gespecialiseerd onderwijs.»

Art. 283.In het koninklijk besluit van 30 juli 1975 betreffende de voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen in het buitengewoon voorschools- en lager onderwijs, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het opschrift wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd »;2° in de artikelen 1 en 7 wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd »;3° in artikel 4 worden de woorden « in het buitengewoon onderwijs » vervangen door de woorden « in het gespecialiseerd onderwijs »;4° in de bijlage van het koninklijk besluit wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 284.In de bijlage en de tekst van het koninklijk besluit van 5 mei 1976 houdende uitvoering van artikel 27, § 2, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 285.In het koninklijk besluit van 27 juli 1979 houdende het statuut van het technisch personeel van de psycho-medisch-sociale centra van de Franse Gemeenschap, van de psycho-medisch-sociale centra voor het buitengewoon onderwijs van de Franse Gemeenschap, van het vormingscentrum van de Franse Gemeenschap alsook van de inspectiediensten belast met het toezicht op de psycho-medisch-sociale centra voor het buitengewoon onderwijs wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 286.In het koninklijk besluit nr. 184 van 30 december 1982 tot vaststelling van de wijze waarop voor de Rijksinstituten voor buitengewoon onderwijs en (de opvangtehuizen van het Rijk) de ambten worden bepaald van het paramedisch personeel en het personeel toegekend in het kader van het internaat, wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 287.In het koninklijk besluit van 16 januari 1987 houdende omvorming van Rijksinternaten verbonden aan inrichtingen voor buitengewoon onderwijs in opvangtehuizen wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 288.In het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 8 december 1989 betreffende de benaming van de autonome internaten en de opvangtehuizen wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 289.In artikel 4 van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 17 september 1990 betreffende de begeleiding in de voertuigen die eigendom van de Franse Gemeenschap zijn of haar onder contract worden geleend door een natuurlijke of rechtspersoon en die gebruikt worden voor het ophalen van schoolkinderen van het gewoon en het buitengewoon onderwijs, wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 290.In het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 18 juli 1991 betreffende het middagtoezicht in het gewoon en buitengewoon lager en kleuteronderwijs wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 291.§ 1. In artikel 1 van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 3 september 1991 tot toekenning van een bijwedde aan de personeelsleden van het buitengewoon onderwijs die houder zijn van het getuigschrift van bekwaamheid tot het opvoeden van abnormale kinderen wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ». § 2. In de titel van het voornoemde besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 3 september 1991 worden de woorden « abnormale kinderen » vervangen door de woorden « leerlingen met specifieke behoeften ».

Art. 292.In het Besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 4 mei 1992 tot oprichting en samenstelling van basisoverlegcomités in de psycho-medisch-sociale centra, de psycho-medisch-sociale centra voor het buitengewoon onderwijs en het opleidingscentrum, georganiseerd door de Franse Gemeenschap wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 293.In het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 3 december 1992 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan in het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 294.In artikel 4 van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 18 februari 1993 betreffende de paritaire commissies in het confessioneel vrij onderwijs wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 295.In artikel 4 van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 8 maart 1993 betreffende de raden van beroep in het vrij confessioneel onderwijs wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 296.In het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 17 januari 1994 betreffende de samenstelling van de Hoge Raad voor het buitengewoon onderwijs wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 297.In het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 2 augustus 1994 tot vaststelling van de pedagogische voorwaarden voor de toekenning van studietoelagen aan de leerlingen van het secundair buitengewoon onderwijs wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 298.In het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 7 april 1995 tot oprichting van een "Centre d'auto-formation et de formation continuée" voor het Onderwijs van de Franse Gemeenschap wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 299.In artikel 2, § 1, 4° van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 19 mei 1995 betreffende de paritaire commissies in het officieel gesubsidieerd onderwijs wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 300.In het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 28 augustus 1995 tot regeling van de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wachtweddetoelage in het officieel gesubsidieerd gewoon en buitengewoon secundair onderwijs, hoger onderwijs van het korte type en kunstonderwijs wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

In het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 28 augustus 1995 tot regeling van de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wachtweddetoelage in het officieel gesubsidieerd gewoon en buitengewoon kleuter- en lager onderwijs wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

In het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 28 augustus 1995 tot regeling van de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wachtweddetoelage in het vrij gesubsidieerd gewoon en buitengewoon secundair onderwijs, hoger onderwijs van het korte type en kunstonderwijs wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

In het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 28 augustus 1995 tot regeling van de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wachtweddetoelage in het vrij gesubsidieerd gewoon en buitengewoon kleuter- en lager onderwijs wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 301.In het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 30 augustus 1996 tot goedkeuring van het huishoudelijk reglement van de Raad van Beroep van het vrij confessioneel buitengewoon onderwijs wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 302.In het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 21 mei 1997 houdende goedkeuring van het huishoudelijk reglement van de Paritaire Gemeenschapscommissie voor het officieel gesubsidieerd buitengewoon onderwijs en het onderwijs voor sociaal-culturele promotie wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 303.In het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 6 oktober 1997 waarbij de beslissing van 27 februari 1997 van de paritaire gemeenschapscommissie voor het officieel gesubsidieerd buitengewoon onderwijs en het onderwijs voor sociaal-culturele promotie bindend gemaakt wordt in verband met het stelsel van specifieke opleiding bepaald bij het decreet van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs met het oog op een benoeming tot een selectie- of bevorderingsambt, wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 304.In de artikelen 69, 70 en 73 van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 9 februari 1998 houdende bevoegdheids- en ondertekeningsdelegatie aan de ambtenaren-generaal en aan sommige andere ambtenaren van de Diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap - Ministerie van de Franse Gemeenschap wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 305.In het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 28 juli 1998 tot goedkeuring van het studiereglement in het buitengewoon secundair onderwijs van de Franse Gemeenschap worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het opschrift van het besluit wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd »;2° in het opschrift van de bijlage wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd »;3° in de tekst van de bijlage wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd »;4° in het gedeelte van de tekst van de bijlage over het buitengewoon onderwijs van vorm 1 worden de woorden « beschermd levensmilieu » vervangen door de woorden « aangepast leefmilieu »;5° in het gedeelte van de tekst van de bijlage over het buitengewoon onderwijs van vorm 3 worden de woorden « omvat twee fasen » vervangen door de woorden « omvat drie fasen »;6° in het gedeelte van de tekst van de bijlage over het buitengewoon onderwijs van vorm 3 worden de woorden « Een derde fase, verbeteringsfase genoemd, mag ingezet worden » geschrapt;7° in het gedeelte van de tekst van de bijlage over « De evaluatie en de klassenraad » worden de woorden « tijdens de eerste of de tweede fase » geschrapt;8° in hetzelfde gedeelte van de tekst van de bijlage worden de woorden « een attest van wellukken op het einde van de eerste fase » vervangen door : « een attest van slagen in een beroepssector op het einde van de eerste fase; een attest van slagen in een beroepsgroep op het einde van de tweede fase; een getuigschrift van het lager secundair onderwijs dat gelijk is aan het getuigschrift van het secundair onderwijs van de tweede graad op het einde van de derde fase »; 9° in hetzelfde gedeelte worden de woorden « tweede fase » vervangen door de woorden « derde fase »;10° in hetzelfde gedeelte worden de woorden « een getuigschrift van bijkomende bekwaamheid op het einde van de derde fase;in dat geval wordt de klassenraad uitgebreid tot leden die geen deel uitmaken van het personeel van de inrichting en wordt dan een examencommissie voor kwalificatie » geschrapt.

Art. 306.In het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 21 oktober 1998 tot vaststelling van de personeelsformatie van de inspectiedienst belast met het toezicht op de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs van de Franse Gemeenschap wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 307.In het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 17 mei 1999 houdende toepassing van artikel 28 van het decreet van 30 juni 1998 dat erop gericht is alle leerlingen gelijke kansen op sociale emancipatie te geven, inzonderheid door de invoering van maatregelen voor positieve discriminatie, wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 308.In het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 1 juni 1999 tot oprichting van de Examencommissie voor de bevordering tot het ambt van inspecteur algemene vakken in het lager secundair onderwijs, belast met de algemene pedagogische begeleiding van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel van de vormen 1 en 2 van het buitengewoon secundair onderwijs wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 309.In artikel 5 van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 22 juli 1999 tot verdeling van de bevoegdheden onder de Ministers van de Franse Gemeenschapsregering wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 310.In het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 29 juni 2000 waarbij toelating wordt gegeven een buitengewoon onderwijsafdeling van vorm 2 in te richten in een vestigingsplaats opgericht in afwijking van artikel 24, paragraaf 2, 8° van de wet van 29 mei 1959 houdende wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 311.In het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 26 april 2001 tot toepassing van artikel 20quinquies van de wet van 6 juli 1970 betreffende het geïntegreerd en buitengewoon onderwijs en van artikel 10bis van de wet van 19 juli 1971 betreffende de algemene structuur van het secundair onderwijs wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 312.In het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 25 juni 2001 houdende aanstelling van de leden en de secretarissen van de Adviescommissies voor het buitengewoon onderwijs wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 313.In artikel 5 van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 17 juli 2002 tot vaststelling van de wijze waarop overleg tussen de diensten voor de gezondheidspromotie op school en de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra wordt gepleegd over de medische opvolging, bij toepassing van artikel 10, § 1 van het decreet van 20 december 2001 betreffende de gezondheidspromotie op school worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd »;2° in het tweede lid worden de woorden « van de wet van 6 juli 1970 betreffende het geïntegreerd buitengewoon onderwijs » vervangen door de woorden « van het decreet van 3 maart 2004 houdende organisatie van het gespecialiseerd onderwijs ».

Art. 314.In het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 12 september 2002 houdende bevoegdheidsdelegatie inzake opleiding tijdens de loopbaan in het buitengewoon onderwijs, het gewoon secundair onderwijs en de psycho-medische-sociale centra wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 315.In het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 26 september 2002 tot vaststelling van de vakantie en verlofdagen in het basis- en secundair onderwijs voor het schooljaar 2003-2004 wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 316.In het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 28 november 2002 houdende toepassing van artikel 15 van het decreet van 11 juli 2002 betreffende de opleiding tijdens de loopbaan in het buitengewoon onderwijs, het gewoon secundair onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra en tot oprichting van een instituut voor opleidingen tijdens de loopbaan wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 317.In artikel 6 van het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 19 december 2002 tot oprichting van een begeleidingscomité en een opvolgingscomité bij het Strategisch Plan inzake de integratie van de informatie- en communicatietechnologieën in de schoolinrichtingen van het verplicht onderwijs en van het onderwijs voor sociale promotie wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 318.In het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 30 januari 2003 tot vaststelling van de normen betreffende het aantal betrekkingen van paramedisch medewerker en van het bestuurspersoneel van de psycho-medisch-sociale centra van de Franse Gemeenschap belast met de gezondheidspromotie op school in de schoolinrichtingen van de Franse Gemeenschap wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 319.In het besluit van de Franse Gemeenschap van 15 juli 2003 tot vaststelling van de verdeling van de bevoegdheden onder de Ministers van de Regering van de Franse Gemeenschap wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 320.In het ministerieel besluit van 12 april 1969 houdende de regelen tot staving van de nuttige ervaring bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen, en van de leden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 321.In de bijlagen 2 tot 6 en het opschrift van het ministerieel besluit van 25 april 1980 tot vaststelling van de in het buitengewoon onderwijs uitgereikte getuigschriften en attesten wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 322.In de bijlage en het ministerieel besluit van 1 augustus 1980 tot vaststelling van de inhoud en de geadresseerden van het inschrijvingsverslag bepaald in artikel 5 van de wet van 6 juli 1970 op het buitengewoon onderwijs worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in de tekst en de bijlage van het besluit wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd »;2° in het opschrift van het besluit en van de bijlage worden de woorden « in artikel 5 van de wet van 6 juli 1970 op het buitengewoon onderwijs » vervangen door de woorden « in artikel 12 van het decreet van 3 maart 2004 houdende organisatie van het gespecialiseerd onderwijs ».

Art. 323.In het ministerieel besluit van 19 mei 1982 tot vaststelling van het activiteitenprogramma van de psycho-medisch-sociale centra van het Rijk wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ».

Art. 324.In het ministerieel besluit van 18 juni 1985 houdende aanstelling van de ordonnateurs en rekenplichtigen van de Rijksinrichtingen voor buitengewoon onderwijs met afzonderlijk beheer wordt het woord « buitengewoon » vervangen door het woord « gespecialiseerd ». Afdeling 6. - Opheffing

Art. 325.De wet van 6 juli 1970 betreffende het geïntegreerd buitengewoon onderwijs wordt opgeheven met uitzondering van de artikelen 17 en 20, eerste lid.

Art. 326.Het koninklijk besluit van 28 juni 1978 houdende de omschrijving van de types en de organisatie van het buitengewoon onderwijs en vaststellende de toelatings- en behoudsvoorwaarden in de diverse niveaus van het buitengewoon onderwijs wordt opgeheven.

Art. 327.Het ministerieel besluit van 10 december 1979 betreffende de bevoegdheid en de werking van de administratieve commissies der rijksinrichtingen voor secundair buitengewoon onderwijs wordt opgeheven.

Art. 328.Het ministerieel besluit van 12 december 1979 betreffende de bevoegdheid en de werking van de administratieve commissies der gesubsidieerde inrichtingen voor secundair buitengewoon onderwijs wordt opgeheven.

Art. 329.Het koninklijk besluit nr. 65 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs wordt opgeheven.

Art. 330.Het koninklijk besluit nr. 66 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het administratief personeel en het opvoedend hulppersoneel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs met uitzondering van de internaten of semi-internaten wordt opgeheven.

Art. 331.Het koninklijk besluit nr. 67 van 20 juli 1982 tot bepaling van de ambten van het paramedisch, het sociaal en het psychologisch personeel in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs, behalve de internaten en semi-internaten wordt opgeheven.

Art. 332.Het koninklijk besluit nr. 439 van 11 augustus 1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs wordt opgeheven.

Art. 333.Het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 5 september 1991 houdende organisatie van de Verbeteringsraad voor het buitengewoon onderwijs van de Franse Gemeenschap bij het Ministerie van Onderwijs, Onderzoek en Vorming wordt opgeheven.

Art. 334.Het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 3 december 1991 houdende de modaliteiten en criteria voor de toepassing van artikel 17 van het decreet van 19 juli 1991 houdende dringende maatregelen inzake onderwijs, onder meer inzake het buitengewoon onderwijs wordt opgeheven.

Art. 335.Het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 6 januari 1992 tot vaststelling van het aantal prestatie-uren vereist voor de uitoefening van het ambt met volledige prestaties van praktijkleraar in de inrichtingen voor buitengewoon secundair onderwijs, vormen 1, 2 en 3 wordt opgeheven.

Art. 336.Het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 3 januari 1995 betreffende de blijvende integratie, in het gewoon onderwijs, van leerlingen die onder het buitengewoon onderwijs ressorteren wordt opgeheven. HOOFDSTUK XVIII. - Overgangsbepalingen

Art. 337.De studenten die regelmatig ingeschreven zijn tijdens het schooljaar 2003-2004, ofwel in de tweede fase, ofwel in het vierde of in het vijfde jaar in het onderwijs van vorm 3, kunnen toegang hebben tot een kwalificatie-examen op het einde van de tweede fase of van het vijfde jaar, uiterlijk op het einde van het schooljaar 2005-2006.

Art. 338.De scholen die de organisatie van het gespecialiseerd secundair onderwijs van vorm 3, met toepassing van dit decreet, wijzigen, kunnen tijdens het schooljaar 2004-2005 sectoren organiseren die overeenstemmen met de vroegere afdelingen.

Na de wijzigingsperiode zullen de programmatieregels opnieuw van toepassing worden.

Art. 339.De personeelsleden die in vast dienstverband worden benoemd in een ambt van leraar beroepspraktijk of technische cursussen of technische cursussen en beroepspraktijk waarvan de opdracht tijdens het schooljaar 2003-2004 alsook tijdens het jaar dat voorafgaat aan de wijziging, cursussen van beroepspraktijk of technische cursussen of technische cursussen en cursussen van beroepspraktijk omvat in een afdeling die omgevormd wordt in een beroepssector overeenkomstig artikel 55 van dit decreet, worden geacht nuttige ervaring te hebben verworven voor de cursussen van dezelfde specialiteit georganiseerd in de enige nieuwe sector die voortvloeit uit de omvorming.

De personeelsleden die de in het vorige lid bedoelde gelijkstellingen genieten, behouden de weddeschaal die hun was toegewezen vóór de omvorming, als ze meer gunstig is dan deze waarop hun bekwaamheidsbewijzen hun recht geven.

Art. 340.In afwijking van de artikelen 26, § 4 en 47, § 3 van dit decreet blijven de leraars en onderwijzers die ten minste 3 schooljaren tijdens de laatste 10 jaren een cursus gebarentaal hebben gegeven, belast met de cursus gebarentaal zonder houder te zijn van het bekwaamheidsbewijs voor het ambt van onderwijzer belast met de taalbadcursussen.

Art. 341.Vanaf de inwerkingtreding van dit decreet beschikken de scholen die het gespecialiseerd onderwijs van type 7 organiseren, over een termijn van 5 schooljaren om zich aan te passen aan de bepalingen van de artikelen 26, § 4 en 47, § 3 van dit decreet.

Art. 342.Totdat de Regering, op voorstel van de Algemene Overlegraad voor het gespecialiseerd onderwijs, vaststelt dat het aantal specifieke profielen goedgekeurd overeenkomstig artikel 47 van het decreet van 24 juli 1997 het geheel van de behoeften aan opleiding kan dekken, worden de thans georganiseerde opleidingen behouden.

De Regering stelt de lijst vast van deze waarvoor een kwalificatiegetuigschrift wordt toegekend.

Wanneer het profiel goedgekeurd is, vervangt een kwalificatiegetuigschrift het attest van verworven bevoegdheden bedoeld in artikel 57, 4°. HOOFDSTUK XIX. - Slotbepaling

Art. 343.Dit decreet treedt in werking op 1 september 2004, met uitzondering van hoofdstuk XIII, dat in werking treedt de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, van artikel 280, dat op 1 juli 2004 in werking treedt, en van de artikelen 54 tot 62, die op 1 september 2005 in werking treden.

Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Brussel, 3 maart 2004.

De Minister-President, belast met de Internationale Betrekkingen, H. HASQUIN De Minister van Cultuur, Ambtenarenzaken, Jeugdzaken en Sport, C. DUPONT De Minister van Kinderwelzijn, belast met het Basisonderwijs, de Opvang en de Opdrachten toegewezen aan de « O.N.E. », J.-M. NOLLET De Minister van Secundair Onderwijs en Buitengewoon Onderwijs, P. HAZETTE De Minister van Begroting, M. DAERDEN De Minister van Kunsten en Letteren en van de Audiovisuele Sector, O. CHASTEL De Minister van Hoger Onderwijs, Onderwijs voor Sociale Promotie en Wetenschappelijk Onderzoek, Mevr. F. DUPUIS De Minister van Hulpverlening aan de Jeugd en Gezondheid, Mevr. N. MARECHAL Nota (1) Zitting 2003-2004. Stukken van de Raad. - Ontwerp van decreet, nr. 490-1. - Commissieamendementen, nr. 490-2. - Verslag, nr. 490-3. - Vergaderingsamendement, nr. 490-4.

Integraal verslag. - Bespreking en aanneming. - Vergadering van 17 februari 2004.

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^