Etaamb.openjustice.be
Decreet van 03 mei 2019
gepubliceerd op 01 oktober 2019

Decreet betreffende de strijd tegen het geweld tegen vrouwen

bron
ministerie van de franse gemeenschap
numac
2019014659
pub.
01/10/2019
prom.
03/05/2019
ELI
eli/decreet/2019/05/03/2019014659/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

3 MEI 2019. - Decreet betreffende de strijd tegen het geweld tegen vrouwen


Het Parlement van de Franse Gemeenschap heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt: HOOFDSTUK I. - Definities

Artikel 1.In overeenstemming met het Verdrag van de Raad van Europa inzake de preventie en bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld van mei 2011: De term "geweld tegen vrouwen" moet worden opgevat als een schending van de mensenrechten en een vorm van discriminatie van vrouwen en verwijst naar alle vormen van gendergerelateerd geweld die leiden of kunnen leiden tot fysieke, seksuele, psychologische of economische schade of leed voor vrouwen, met inbegrip van dreigementen met betrekking tot dergelijke daden, dwang of willekeurige vrijheidsberoving, zowel in het openbare als in het privéleven.

De term "gender" verwijst naar de maatschappelijk bepaalde rollen, gedragingen, activiteiten en eigenschappen die in een maatschappij passend worden geacht voor vrouwen en mannen;

De term "gendergerelateerd geweld tegen vrouwen" verwijst naar elk geweld gericht tegen een vrouw omdat ze een vrouw is of geweld dat vrouwen buitenproportioneel treft;

De term "vrouw" omvat ook meisjes onder de 18 jaar. HOOFDSTUK II. - Coördinatiecomité voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen

Art. 2.Er wordt een coördinatiecomité voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen ingesteld, hierna "het comité" genoemd.

Art. 3.Het Comité heeft als opdracht: 1° een voorstel in te dienen voor een vijfjarenplan ter bestrijding van geweld tegen vrouwen, als bedoeld in artikel 8;2° het vijfjarenplan ter bestrijding van geweld opvolgen;3° ervoor te zorgen dat informatie, studies en onderwijsinstrumenten over geweld tegen vrouwen toegankelijk zijn voor zowel professionelen als het grote publiek;4° zorgen voor een coherente samenhang tussen het lokale, gewestelijke en federale beleid;5° met uitzondering van de experten van het Comité uit het maatschappelijk middenveld, een met redenen omkleed advies uitbrengen aan de Regering over de beslissingen inzake de erkenning of niet-erkenning van de "Collectifs d'associations de lutte contre les violences faites aux femmes", (Collectieven van verenigingen die zich inzetten voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen) bedoeld in hoofdstuk IV.

Art. 4.§ 1. Het comité bestaat uit achttien leden, die als volgt zijn verdeeld: 1° De Secretaris-generaal van het Ministerie van de Franse Gemeenschap of zijn vertegenwoordiger;2° een vertegenwoordiger van elk van de volgende besturen: - Directie Gelijke kansen; - Algemeen bestuur Cultuur; - Algemeen bestuur Sport; - Algemeen bestuur Hulpverlening aan de jeugd; - Algemeen bestuur Justitiehuizen; - Algemeen bestuur Onderwijs; - coördinatie van de preventie van misbruik. 3° een vertegenwoordiger van de volgende organisaties: - Academie voor onderzoek en hoger onderwijs (ARES); - de l'Office de la naissance et de l'enfance (ONE) ; - RTBF. 4° vijf leden van het maatschappelijk middenveld die deskundig zijn op ten minste een van de volgende gebieden: - gelijkheid tussen man en vrouw en de strijd tegen het seksisme; - huiselijk geweld, met inbegrip van de kwestie van kinderen die aan dergelijk geweld worden blootgesteld; - seksueel geweld; - genitale verminkingen van vrouwen; - gedwongen huwelijken en eergerelateerd geweld. 5° een lid van de academische sector die erkend wordt voor zijn of haar expertise op het gebied van geweld tegen vrouwen;6° een vertegenwoordiger van de Minister die bevoegd is voor de Rechten van de vrouw of, bij gebreke daarvan, die bevoegd is voor Gelijke kansen. De vertegenwoordigers van de leden bedoeld in 2° en 3° zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de beslissingen genomen in het kader van het Comité binnen hun instelling. § 2. De Regering stelt een reservelijst op, bestaande uit één plaatsvervanger voor elk lid van het Comité.

Het plaatsvervangend lid zetelt alleen bij afwezigheid van het werkend lid en vult eventueel het mandaat van het aftredende werkend lid aan. § 3. Experts uit het maatschappelijk middenveld en de academische wereld worden door de Regering benoemd voor een termijn van vijf jaar, die eenmaal kan worden verlengd.

De in alinea 1 bedoelde experts worden benoemd na een openbare oproep tot kandidaatstelling, waarvan de organisatie door de Regering kan worden bepaald.

De kandidaat-experts moeten hun bekwaamheid of beroepservaring en hun motivatie om zitting te nemen in het comité rechtvaardigen. Zij geven aan in welke hoedanigheid zij zich kandidaat stellen en tonen aan dat zij de beginselen van het Verdrag van de Raad van Europa van 11 mei 2011 inzake de preventie en bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld onderschrijven, en met name dat het structurele karakter van geweld tegen vrouwen gebaseerd is op gender. § 4. Leden die hun functie vóór het einde van hun ambtstermijn beëindigen of die hun functie verliezen of die de kwaliteiten uit hoofde waarvan zij zijn benoemd, verliezen, worden geacht ontslag te nemen.

Een lid dat ten onrechte afwezig is bij meer dan de helft van de jaarvergaderingen van het Comité, wordt eveneens geacht ontslag te nemen.

Het ontslagnemende lid wordt vervangen door zijn plaatsvervanger en, bij gebreke daarvan, door een persoon die dezelfde kwaliteiten heeft als het ontslagnemende lid om het mandaat voort te zetten.

De vervanging van een lid als expert wordt beschouwd als de eerste ambtstermijn van de persoon die een ontslagnemend lid heeft vervangen. § 5. Het lidmaatschap van het comité is onverenigbaar met het lidmaatschap van een organisatie, vereniging of persoon die de beginselen van de democratie zoals vastgelegd in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en in de Grondwet niet eerbiedigt, door de wet van 30 juli 1981Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/07/1981 pub. 20/05/2009 numac 2009000343 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de bestrijding van bepaalde door racisme en vreemdelingenhaat geïnspireerde handelingen, de wet van 10 mei 2007 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie, de wet van 10 mei 2007 betreffende de bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen of het decreet van 12 december 2008 van de Franse Gemeenschap betreffende de bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie. § 6. Het comité benoemt onder zijn leden voor een periode van vijf jaar een voorzitter en een vice-voorzitter. § 7. Het Comité kan eenieder uitnodigen die aanvullende informatie over een of meer specifieke agendapunten kan verstrekken.

Art. 5.§ 1. Het Comité komt op uitnodiging van de voorzitter bijeen.

De agenda wordt in de uitnodiging opgenomen.

Het Comité kan slechts geldig vergaderen indien ten minste de helft van zijn leden aanwezig of vertegenwoordigd is overeenkomstig de bepalingen van zijn huishoudelijk reglement.

Bij afwezigheid van het vereiste quorum moet het Comité binnen een maand en ten minste 48 uur na de vorige vergadering een vergadering houden. Tijdens deze nieuwe vergadering beraadslaagt het Comité geldig, ongeacht het aantal aanwezige of vertegenwoordigde leden.

Het comité brengt zijn adviezen uit bij consensus of, bij gebreke daarvan, bij gewone meerderheid van de aanwezige leden.

Het comité brengt advies uit over projectenoproepen in een beperkt comité. De leden van het comité, die experts zijn van maatschappelijke organisaties, zijn niet betrokken bij de beraadslagingen. § 2. Binnen de grenzen van de beschikbare kredieten ontvangen de leden van het Comité, bedoeld in artikel 5, § 1, eerste alinea, 4° en 5°, een zitpenning of leesvergoeding.

Het bedrag van de zitpenning is vastgesteld op 40 euro voor een halve dag werkoverleg.

Een leesvergoeding van 210 euro per effectieve deelname wordt toegekend voor vergaderingen van het comité die een substantiële bijdrage vereisen die vooraf door de voorzitter van het comité wordt gevraagd of die tot doel heeft te beslissen over de erkenning van de in hoofdstuk V bedoelde Collectieven van verenigingen. De voorzitter deelt de betrokken leden mee dat de gevraagde bijdrage wordt vergoed.

Deze vergoeding is begrensd tot € 840 per jaar.

Binnen de grenzen van de beschikbare kredieten worden de bedragen van de zitpenningen en de leesvergoeding jaarlijks geïndexeerd op basis van het bedrag dat voor het voorafgaande jaar is vastgesteld, vermenigvuldigd met de verhouding tussen het gezondheidsindexcijfer voor januari van het betrokken jaar en dat voor januari van het voorafgaande jaar.

De leden van het Comité ontvangen een vergoeding voor hun reiskosten tussen hun woonplaats en de vergaderplaats. Deze vergoeding wordt toegekend overeenkomstig de geldende regelgeving voor personeelsleden van rang 12 van het ministerie van de Franse Gemeenschap. Het maximumbedrag van de vergoeding komt overeen met de prijs van een tweedeklasspoorwegbiljet.

Art. 6.Het Comité stelt een huishoudelijk reglement op en legt dit ter goedkeuring voor aan de Regering. Het omvat ten minste de volgende elementen: 1° de rol van het voorzitterschap;2° de werkmethode;3° het minimumaantal jaarlijkse vergaderingen, dat niet minder dan twee per jaar mag bedragen.Het secretariaat kan werkgroepen organiseren naar gelang van de specifieke thema's die aan de orde komen. De resultaten van deze werkzaamheden worden in de plenaire vergadering voorgesteld en goedgekeurd; 4° de regels die gelden voor de volmacht aan een ander lid, met dien verstande dat elk lid niet meer dan één volmacht mag bezitten;5° de verplichting om tijdens elke vergadering notulen van de besprekingen op te stellen.Deze notulen met een samenvatting van de besprekingen zullen, indien van toepassing, samen met het advies aan de Regering worden toegezonden; 6° deontologische regels, met inbegrip van bepalingen met betrekking tot persoonlijke of functionele belangenconflicten;7° de criteria voor de oprichting en het functioneren van de Steuncomités die belast zijn met het toezicht op de projecten van de Collectieven van verenigingen. HOOFDSTUK III. - Vijfjarenplan ter bestrijding van geweld tegen vrouwen

Art. 7.De Regering keurt om de vijf jaar op voorstel van het Comité een plan goed ter bestrijding van geweld tegen vrouwen in overeenstemming met het Verdrag van de Raad van Europa inzake de voorkoming en bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld van 11 mei 2011. Het bevat een beoordeling van de kosten van de uitvoering ervan. Over het plan wordt verslag uitgebracht aan het Parlement.

Dit actieplan wordt meegedeeld aan de verschillende overheidsniveaus en aan de verschillende instanties die belast zijn met de bestrijding van geweld en die verantwoordelijk zijn voor de nationale of internationale rapporten.

Na twee jaar stelt het comité een evaluatieverslag op. Het wordt ter goedkeuring aan de Regering voorgelegd en aan het parlement bezorgd.

Na vijf jaar stelt de commissie een eindrapport op. Het wordt ter goedkeuring aan de Regering voorgelegd en aan het parlement bezorgd. HOOFDSTUK IV. - Collectieven van verenigingen die zich bezighouden met de bestrijding van geweld tegen vrouwen

Art. 8.§ 1. Binnen de grenzen van de beschikbare middelen erkent de Regering, voor een periode van vijf jaar na raadpleging van het Comité, ten minste vijf groepen van verenigingen die zich inzetten voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen, hierna "Collectieven" genoemd, voor een periode van vijf jaar. Zij zal ervoor zorgen dat elk van de volgende thema's door ten minste één groep van verenigingen wordt behandeld: 1° preventieve acties op het gebied van de gelijkheid van mannen en vrouwen en de strijd tegen seksisme;2° huiselijk geweld, met inbegrip van de kwestie van kinderen die aan dergelijk geweld worden blootgesteld;3° seksueel geweld;4° genitale verminkingen van vrouwen;5° gedwongen huwelijken en eergerelateerd geweld § 2.Een Collectief bestaat uit ten minste twee verenigingen die hun expertise bundelen om een project uit te voeren dat de uitvoering van een of meer maatregelen uit het actieplan ter bestrijding van geweld tegen vrouwen waarborgt. § 3. Om in aanmerking te komen voor het lidmaatschap van een Collectief, moet elk van de verenigingen aan alle volgende criteria voldoen: 1° opgericht zijn als een rechtspersoon zonder winstoogmerk in de zin van de artikelen 1:2 en 1:3 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen;2° op het ogenblik van de indiening van de aanvraag ten minste één jaar bestaan en gedurende die periode regelmatige activiteiten op de in paragraaf 1 bedoelde gebieden rechtvaardigen;3° deskundigheid rechtvaardigen op het gebied van gendergelijkheidskwesties en in de strijd tegen een of meer vormen van geweld tegen vrouwen, zoals: - seksisme; - huiselijk geweld, met inbegrip van de kwestie van kinderen die aan dergelijk geweld worden blootgesteld; - seksueel geweld, met inbegrip van verkrachting, seksuele intimidatie, aanranding, prostitutie en incest; - geweld dat wordt gepleegd in de context van traditionele of culturele praktijken, zoals genitale verminking van vrouwen, gedwongen huwelijken of eergerelateerd geweld. 4° aantonen dat het de beginselen van het Verdrag van de Raad van Europa inzake de preventie en bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld van 11 mei 2011 onderschrijft, en in het bijzonder dat het structurele karakter van geweld tegen vrouwen gebaseerd is op gender en dat geweld tegen vrouwen een van de cruciale sociale mechanismen is waarmee vrouwen in een ondergeschikte positie ten opzichte van mannen worden gehouden;5° hun activiteiten op het grondgebied van de Franse Gemeenschap ontwikkelen. § 4. De erkenning wordt voorafgegaan door een vijfjaarlijkse oproep tot het indienen van aanvragen die gepubliceerd wordt in het Belgisch Staatsblad en op de website van het Ministerie van de Franse Gemeenschap. De oproep tot het indienen van aanvragen omvat de procedures voor het indienen van aanvragen en een bestek. Dit laatste wordt door het comité uitsluitend op basis van de specifieke doelstellingen van het in artikel 8 bedoelde vijfjarenplan voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen vastgesteld. Het wordt ter goedkeuring aan de Regering voorgelegd.

Het Comité, met uitzondering van de experts uit het maatschappelijk middenveld, brengt een met redenen omkleed advies uit over de ontvankelijkheid van de aanvragen en over de erkenning of niet-erkenning van de Collectieven van verenigingen aan de Regering.

Het Comité kan, indien het dit nodig acht, de kandidaten horen.

De erkenningsprocedure, de vroegtijdige beëindiging van de erkenning en de schorsing of intrekking van de financiering van Collectieven van verenigingen kan door de Regering worden gespecificeerd. Geen enkele erkenningsbeslissing kan door de Regering worden geschorst, gewijzigd of beëindigd zonder voorafgaand advies van het coördinatiecomité.

Art. 9.§ 1. De selectie wordt gemaakt met betrekking tot de volgende fasen en elementen: 1° de ontvankelijkheid van het project, d.w.z. de indiening van een volledig dossier binnen de vereiste termijn, en de geschiktheid van het project voor de kadervoorwaarden van de oproep tot het indienen van aanvragen; 2° de in aanmerking komende projecten worden op hun verdiensten beoordeeld en op 100 punten beoordeeld aan de hand van de volgende criteria: a) de opportuniteit van het project, d.w.z. de relevantie en het verwachte effect ervan (25 punten); b) de relevantie van het partnerschap tussen de actoren die een comité van verenigingen vormen voor hun project (25 punten); 10 bonuspunten worden toegekend aan partnerschappen die ten minste één vereniging omvatten waarvan het maatschappelijk doel uitsluitend de bestrijding van één of meer vormen van geweld tegen vrouwen is; c) de maturiteit van het project, d.w.z. de organisatorische methoden, het soort toezicht of de indicatoren om de reikwijdte en de doeltreffendheid van de ontwikkelde acties te beoordelen (25 punten); d) de budgettaire analyse, d.w.z. de toereikendheid van het gevraagde bedrag ten opzichte van de kosten van de geprogrammeerde activiteiten (25 punten). § 2. Het project van een Collectief dat geen 70% van de punten heeft behaald, kan niet worden weerhouden.

Indien de budgettaire middelen ontoereikend zijn om in aanmerking komende projecten te ondersteunen die aan de algemene en specifieke voorwaarden voldoen, geeft de Regering voorrang aan de projecten met de hoogste waardering.

Art. 10.§ 1. Binnen de grenzen van de beschikbare kredieten wordt jaarlijks een minimumbedrag van 75.000 € toegekend voor de financiering van het project dat door elke Collectief wordt uitgevoerd. Deze bedragen worden jaarlijks, binnen de grenzen van de beschikbare kredieten, geïndexeerd op basis van het voor het voorgaande jaar vastgestelde bedrag, vermenigvuldigd met de verhouding tussen de gezondheidsindex voor januari van het betrokken jaar en die voor januari van het voorgaande jaar. § 2. De subsidie dekt de uitgaven in verband met de uitvoering van het project, namelijk: 1° uitgaven die de loonkosten dekken, op voorwaarde dat zij strikt verband houden met de ontwikkeling van het gesubsidieerde project;2° uitgaven die de werkingskosten dekken die uitsluitend verband houden met de ontwikkeling van het project, met uitzondering van de gewone en structurele kosten van de aanvrager;3° de kosten van publicatie, productie, verspreiding, documentatie, aankoop van klein materiaal en opdrachten die uitsluitend verband houden met de ontwikkeling van het project. § 3. De Regering stelt na overleg met het comité het bedrag vast dat aan elk geselecteerde Collectief wordt toegewezen. Dit bedrag zal worden vastgesteld in het licht van de budgettaire analyse, d.w.z. de toereikendheid van het gevraagde bedrag ten opzichte van de kosten van de in het kader van de erkenning geprogrammeerde activiteiten.

Art. 11.De Regering vereffent de subsidie jaarlijks in twee delen: 1° het eerste deel van 85 % wordt uiterlijk zes weken na de vastlegging in de begroting betaald;2° het tweede deel, 15 %, wordt uiterlijk zes weken na de indiening van het verantwoordingsdossier betaald. De Regering bepaalt de wijze waarop de subsidies worden verantwoord. HOOFDSTUK V. - Evaluatie

Art. 12.Uiterlijk zes jaar na de inwerkingtreding van dit besluit en vervolgens om de vijf jaar vindt een externe evaluatie plaats van de toepassing ervan.

Het evaluatieverslag wordt binnen zes maanden na het verstrijken van de in alinea 1 bedoelde termijn aan de Regering en het parlement toegezonden.

De Regering draagt zorg voor de publicatie van deze evaluatie.

Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Brussel, 3 mei 2019.

De Minister-President, bevoegd met Gelijke kansen en Vrouwenrechten, R. DEMOTTE De Vice-Presidente en Minister van Cultuur en Kind, A. GREOLI De Vice-President, Minister van Hoger Onderwijs, Onderwijs voor sociale promotie, Onderzoek en Media, J.-Cl. MARCOURT De Minister van Jeugd, Hulpverlening aan de Jeugd, Justitiehuizen, Sport en Promotie van Brussel, belast met het toezicht op de Franse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, R. MADRANE De Minister van Onderwijs, M.-M. SCHYNS De Minister van Begroting, Ambtenarenzaken en Administratieve Vereenvoudiging, A. FLAHAUT _______ Nota Zitting 2018-2019 Stukken van het Parlement. Ontwerp van decreet, nr. 826-1 - Commissieverslag, nr. 826-2. - Vergaderingsamendementen, nr. 826-3. - Tekst aangenomen tijdens de plenaire vergadering nr. 826-4.

Integraal verslag. - Bespreking en aanneming: Vergadering van 2 mei 2019.

^