Decreet van 05 juli 2002
gepubliceerd op 31 augustus 2002
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Decreet tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds

bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
numac
2002036103
pub.
31/08/2002
prom.
05/07/2002
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

5 JULI 2002. - Decreet tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds (1)


Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.Dit decreet regelt een aangelegenheid bedoeld in de artikelen 39, 127, 128 en 129 van de Grondwet.

Art. 2.De jaarlijkse dotatie aan het Vlaams Gemeentefonds wordt uitgetrokken op de begroting van het Vlaamse Gewest.

Art. 3.§ 1. Elk jaar wordt de dotatie van het Vlaams Gemeentefonds vastgesteld op een bedrag dat minstens gelijk is aan de dotatie van het vorige jaar, aangepast met een in § 2 bedoeld evolutiepercentage. § 2. Het evolutiepercentage is de procentuele verhouding, berekend tot op een honderdste van de eenheid, tussen het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand maart van het jaar dat aan het jaar van de verdeling voorafgaat, en het indexcijfer van de maand maart van het jaar daarvoor, zoals die werden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad , vermeerderd met de geraamde reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar, zoals voorzien in de economische begroting bedoeld in artikel 108, g) , van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen. § 3. In afwijking van § 1 bedraagt de dotatie voor 2003 1.542.979.000 euro. § 4. De berekende dotatie wordt afgerond op het hogere duizendtal.

Art. 4.De dotatie aan het Vlaams Gemeentefonds wordt elk jaar verdeeld over alle gemeenten en OCMW's van het Vlaamse Gewest, voor hun algemene financiering, volgens de regels bepaald in dit decreet.

Op eenvoudig verzoek worden de gemeenten en OCMW's in kennis gesteld van de wijze waarop hun aandeel is berekend.

Art. 5.Alle bedragen die berekend zijn met toepassing van dit decreet, worden afgerond op de euro. HOOFDSTUK II. - Berekening van de aandelen

Art. 6.§ 1. Het Gemeentefonds wordt op grond van de volgende maatstaven onder de gemeenten verdeeld : 1° 40,8 % voor de bijzondere financiering van de centrumsteden en de kustgemeenten : a) 30 % volgens het aantal inwoners in de gemeenten met 200.000 inwoners of meer; b) 1,6 % volgens het aantal inwoners van gemeenten tussen 100.000 en 200.000 inwoners; c) 6,2 % volgens het aantal inwoners in de volgende steden : Turnhout, Roeselare, Genk, Oostende, Hasselt, Sint-Niklaas, Kortrijk, Mechelen, Aalst en Leuven;d) 2 % volgens het aantal inwoners in de volgende steden : Aarschot, Deinze, Dendermonde, Diest, Eeklo, Geel, Halle, Herentals, leper, Knokke-Heist, Lier, Lokeren, Mol, Oudenaarde, Ronse, Sint-Truiden, Tielt, Tienen, Tongeren, Vilvoorde en Waregem;e) 1 % volgens het aantal inwoners in de gemeenten waarvan het grondgebied grenst aan de zee;2° 8 % voor de centrumfunctie : a) 4 % volgens de actieve bevolking, tewerkgesteld in de gemeente;b) 4 % volgens het aantal leerlingen en studenten dat onderwijs volgt op het grondgebied van de gemeente;3° 30,2 % voor de fiscale armoede : a) 19 % op de omgekeerde evenredigheid van de totale opbrengst van de personenbelasting van de inwoners in de gemeente, exclusief de aanvullende belasting op de personenbelasting;b) 11,2 % op de omgekeerde evenredigheid van het totale belastbare kadastrale inkomen op het grondgebied van de gemeente;4° 6 % voor open ruimten op basis van de oppervlakte bos, tuinen en parken, woeste gronden, gekadastreerde wateren, akkerland, grasland, recreatiegebieden en boomgaarden;5° 15 % voor sociale maatstaven : a) 1 % volgens het aantal personen met een WIGW-statuut, met uitzondering van de bestaansminimumtrekkers;b) 4 % volgens het aantal werklozen met een lage scholingsgraad;c) 3 % volgens het aantal geboorten in kansarme gezinnen;d) 3 % volgens het aantal bewoners van sociale huurappartementen;e) 4 % volgens het aantal bestaansminimumtrekkers. § 2. De basisgetallen zijn voor alle maatstaven, met uitzondering van de maatstaven van de fiscale armoede, gelijk aan de eenheid waarop de maatstaf is gebaseerd. In § 1, 1° a, b, c, d en e, 2°, a en b , 5° a, b, d en e , is die eenheid : personen; in 4° : hectaren en in 5°, c : aantal geboorten.

Voor de maatstaven van de fiscale armoede, bedoeld in § 1, 3°, a) en b) , worden de basisgetallen berekend aan de hand van de volgende formules : 1° basisgetal personenbelasting = inwoners2/totale inkohiering personenbelasting, exclusief de aanvullende belasting op de personenbelasting, van de inwoners van de gemeente;2° basisgetal kadastraal inkomen = inwoners2/totale belastbare kadastrale inkomen op het grondgebied van de gemeente. § 3. Voor elke maatstaf, bedoeld in § 1, 2° tot 5°, wordt het aandeel van de gemeenten vastgesteld in verhouding tot de relatieve waarde van het basisgetal van elke gemeente ten opzichte van de som van de basisgetallen van alle gemeenten.

Art. 7.De actieve bevolking, werkzaam in de gemeente, bedoeld in artikel 6, § 1, 2°, a, bestaat uit : 1° arbeiders en bedienden, inclusief het onderwijzend personeel dat niet door de overheid wordt bezoldigd;2° de zelfstandigen, inclusief de helpers van zelfstandigen;3° het personeel in dienst van de overheid, inclusief het onderwijzend personeel.

Art. 8.§ 1. Het aantal leerlingen en studenten dat onderwijs volgt op het grondgebied van de gemeente, bedoeld in artikel 6, § 1, 2°, b , bestaat uit : 1° de regelmatig aanwezige leerlingen en studenten in het secundair en het hoger onderwijs, met volledig leerplan;2° de helft van het aantal regelmatige leerlingen in het deeltijds kunstonderwijs, waarop krachtens artikel 96, § 2, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II het aantal uren-leraar bepaald wordt;3° de helft van het aantal financierbare cursisten in het onderwijs voor sociale promotie, die volgens artikel 46, § 1, van het decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs, voor financiering of subsidiëring in aanmerking komen. § 2. De bepalende factor voor het vaststellen van het aantal leerlingen, is de gemeente waar de campus gelegen is en niet de zetel van de onderwijsinrichting.

Art. 9.Voor elke maatstaf worden de recentste waarden in aanmerking genomen waarover de regering beschikt. De gegevens van elke maatstaf moeten voor alle gemeenten op hetzelfde tijdstip of op dezelfde periode betrekking hebben. De gegevens worden uitsluitend ingewonnen bij overheidsdiensten en - instellingen waaronder de Vlaamse overheid, het Kadaster, het Nationaal Instituut voor de Statistiek, de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen en de Federale Overheidsdienst Financiën.

Art. 10.1. De toepassing van dit decreet mag er niet toe leiden dat een gemeente minder ontvangt dan de som van : 1° het aandeel uit het Gemeentefonds 2002, exclusief een eventueel uitzonderlijk aanvullend aandeel;2° het toegekend trekkingsrecht uit het Investeringsfonds 2002, exclusief een eventueel uitzonderlijk aanvullend trekkingsrecht;3° het voor 2002 gewaarborgde aandeel uit het Sociaal Impulsfonds;4° het gedeelte boven de waarborg uit het Sociaal Impulsfonds 2002 voor de gemeenten die in 2002 een aandeel ontvingen dat hoger lag dan het voor 2002 gewaarborgde aandeel, en die niet behoren tot de groep van de centrumsteden volgens artikel 6, § 1, 1°, a, b en c , van dit decreet. § 2. De berekende aandelen van de gemeenten die lager liggen dan de hierboven gewaarborgde ontvangst, worden verhoogd door afneming van de daarvoor noodzakelijke bedragen op de aandelen van de gemeenten die hoger liggen dan de gewaarborgde ontvangst. De afneming gebeurt in verhouding tot de bedragen waarmee de aandelen van die gemeenten de gewaarborgde ontvangst overstijgen.

Art. 11.§ 1. Het berekende gemeentelijk aandeel, na de toepassing van de waarborgregeling, bedoeld in artikel 10 van dit decreet, wordt verminderd als de aanslagvoeten voor de aanvullende personenbelasting of de opcentiemen op de onroerende voorheffing van die gemeente, in het jaar dat aan de berekening voorafgaat, lager zijn dan de respectieve drempelwaarden van 5 % en 700 opcentiemen. Die vermindering bedraagt respectievelijk 0,5 % voor elk tiende van een procent en vijfentwintig zevenhonderdste procent voor elke opcentiem onder de drempelwaarde. § 2. De som van de bedragen die in mindering wordt gebracht van de gemeenten bedoeld in § 1, wordt evenredig verdeeld onder de overige gemeenten, behalve onder de gemeenten van wie de aandelen overeenkomstig de bepalingen in artikel 10, verhoogd werden tot de gewaarborgde ontvangst. § 3. De vermindering van de aandelen op basis van de fiscale aanslagvoeten wordt gradueel ingevoerd vanaf het jaar 2004. Voor 2004 wordt slechts een derde van de berekende vermindering afgehouden van het gemeentelijk aandeel. Voor 2005 is dat twee derden, voor 2006 en volgende jaren 100 %. HOOFDSTUK III. - Vereffening van de aandelen

Art. 12.§ 1. Elke gemeente kan vragen een deel van het aandeel rechtstreeks te storten op de rekening van het OCMW. De beslissing moet uitgaan van de OCMW-raad en de gemeenteraad en moet uiterlijk op 30 juni van het jaar dat de verdeling voorafgaat, toekomen op de administratie Binnenlandse Aangelegenheden. Het OCMW-aandeel wordt uitgedrukt in hele procenten van het totale aandeel of in een bedrag, afgerond op duizend euro. § 2. Een meegedeeld percentage of bedrag wordt het daaropvolgende jaar behouden, tenzij de beslissing vóór de in § 1 bedoelde datum door de gemeenteraad en de OCMW-raad wordt gewijzigd. § 3. Bij ontstentenis van een dergelijke beslissing of als die beslissing te laat aankomt, wordt 8 % van het gemeentelijk aandeel binnen het Vlaams Gemeentefonds rechtstreeks op de rekening van het OCMW gestort.

Art. 13.Op het einde van de eerste maand van elk kwartaal wordt, onverminderd de bepalingen van artikel 21, aan elke gemeente en aan elk OCMW een voorschot uitbetaald dat gelijk is aan één vierde van hun aandeel, volgens de verhouding bepaald in artikel 12, van het laatste jaar waarvoor de Vlaamse regering de definitieve verdeling heeft bepaald.

Art. 14.De definitieve vaststelling van de aandelen gebeurt door de Vlaamse regering.

Art. 15.Als het definitieve aandeel kleiner is dan de som van de toegekende voorschotten, wordt het negatieve eindsaldo ambtshalve afgenomen van de rekeningen van de gemeente en van het OCMW, volgens de verhouding die bepaald werd overeenkomstig artikel 12 van dit decreet.

Art. 16.Als een vergissing werd gemaakt bij de definitieve vaststelling van de aandelen, kan de Vlaamse regering de vaststelling van de aandelen herzien. Ze bepaalt de voorwaarden van de regularisatie, die eventueel gespreid wordt over meerdere jaren.

Art. 17.Een eventueel negatief saldo of een ambtshalve afname ten gevolge van een vergissing, kan pas van de rekening van de gemeente en van het OCMW afgenomen worden na het verstrijken van een termijn van dertig dagen, nadat het besluit ter kennis van de gemeente en het OCMW is gebracht.

Art. 18.De Vlaamse regering bepaalt de modaliteiten voor de uitbetaling van de voorschotten en de eindsaldi en voor de ambtshalve afnames, bedoeld in de artikels 13, 15, 16 en 17 van dit decreet.

Art. 19.Onverminderd de regels bepaald in de artikelen 41 en 50 van de wetten op de rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991, worden de aan de gemeenten en OCMW's toegekende voorschotten en eindsaldi in het kader van dit decreet vrijgesteld van het voorafgaand visum van het Rekenhof. Het Rekenhof kan een controle a posteriori verrichten met betrekking tot de toepassing van dit decreet. HOOFDSTUK IV. - Opheffings- en overgangsbepalingen

Art. 20.De volgende decreten worden opgeheven : 1° het decreet van 31 juli 1990 tot instelling van het Vlaams Gemeentefonds en tot regeling van een bijzondere dotatie voor sommige gemeenten van het Vlaamse Gewest, gewijzigd bij de decreten van 21 december 1994, 14 mei 1996 en 22 december 1999, en het besluit van de Vlaamse regering van 7 september 2001;2° het decreet van 7 november 1990 tot vaststelling van de regelen inzake de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds, gewijzigd bij de decreten van 6 juli 1994, 17 november 1998 en 22 december 1999, en het besluit van de Vlaamse regering van 7 september 2001;3° het decreet van 20 maart 1991 betreffende het Investeringsfonds ter verdeling van de subsidies voor bepaalde onroerende investeringen die in de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest door of op initiatief van de provincies, de gemeenten of de Vlaamse Gemeenschapscommissie worden gedaan, gewijzigd bij de decreten van 25 juni 1992, 6 juli 1994, 6 juli 1994, 21 december 1994, 17 november 1998 en 19 december 1998, en het besluit van de Vlaamse regering van 7 september 2001;4° het decreet van 14 mei 1996 tot vaststelling van de regelen inzake de werking van het Sociaal Impulsfonds, gewijzigd bij de decreten van 20 december 1996, 8 juli 1997, 19 december 1997, 8 december 1998, 19 december 1998, 18 mei 1999, 22 december 1999 en 30 juni 2000, het besluit van de Vlaamse regering van 7 september 2001, en het decreet van 21 december 2001.

Art. 21.De kwartaalvoorschotten, uitbetaald in het begrotingsjaar 2003, zullen in afwijking van artikel 13 van dit decreet, 24,5 % bedragen van de raming van het Gemeentefonds voor 2003. Die raming zal gebeuren overeenkomstig de bepalingen van dit decreet.

Art. 22.§ 1. Vanaf het begrotingsjaar 2003 worden geen trekkingsrechten of toelagen meer toegekend in het kader van het Investeringsfonds, zoals bepaald in het decreet van 20 maart 1991 betreffende het Investeringsfonds ter verdeling van de subsidies voor bepaalde onroerende investeringen die in de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest door of op initiatief van de provincies, de gemeenten of de Vlaamse Gemeenschapscommissie worden gedaan. § 2. De gemeenten, de provincies en de Vlaamse Gemeenschapscommissie blijven evenwel tot 31 december 2005 alle rechten behouden met betrekking tot de in het verleden toegekende trekkingsrechten of toelagen. Voor de procedure voor de machtiging, het gebruik van trekkingsrechten en toelagen en de uitbetaling, blijven de bepalingen van het in § 1 vermeld decreet, het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 tot uitvoering, behalve wat de Vlaamse Gemeenschapscommissie betreft, van het decreet van 20 maart 1991 betreffende het Investeringsfonds ter verdeling van de subsidies voor bepaalde onroerende investeringen die in de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest door of op initiatief van de provincies, de gemeenten of de Vlaamse Gemeenschapscommissie worden gedaan en het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 tot uitvoering van artikel 3, § 1, van het decreet van 20 maart 1991 betreffende het Investeringsfonds ter verdeling van de subsidies voor bepaalde onroerende investeringen die in de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest door of op initiatief van de provincies, de gemeenten of de Vlaamse Gemeenschapscommissie worden gedaan, van toepassing, onverminderd de bepalingen in § 3 tot § 6 van dit artikel. § 3. Trekkingsrechten en toelagen waarvoor op 1 januari 2006 door de provinciegouverneur of de Vlaamse minister geen machtiging tot gebruik werd verleend, vervallen. § 4. Trekkingsrechten en toelagen waarvoor uiterlijk op 31 december 2005 machtiging tot gebruik werd verleend, kunnen tot uiterlijk 31 oktober 2007 worden omgezet in geldvoorschotten en in een eindsaldo overeenkomstig de bepalingen van het in § 2 vermelde decreet en zijn uitvoeringsbesluiten. Gemachtigde trekkingsrechten en toelagen waarvoor op 31 oktober 2007 niet de vereiste verantwoordingsstukken voor het verkrijgen van geldvoorschotten of eindsaldi ter beschikking werden gesteld van de provinciegouverneur of de Vlaamse minister, worden niet meer uitbetaald. § 5. Overeenkomstig artikel 55 tot en met artikel 58 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit van 17 juli 1991, zijn de gemeenten, de provincies en de Vlaamse Gemeenschapscommissie verplicht een eindafrekening in te dienen. Bij ontstentenis van een eindafrekening op 31 december 2008 moet het gedeelte van de reeds uitbetaalde voorschotten dat niet werd verantwoord, integraal teruggestort worden op de rekening van de Vlaamse overheid. § 6. Als uit de eindafrekening, ingediend na 31 december 2007, blijkt dat het factuurbedrag lager is dan het bedrag van de reeds ontvangen voorschotten en het verschil groter is dan 2.500 euro, moet het verschil integraal terugbetaald worden aan de Vlaamse Overheid. Saldi van 2.500 euro of minder mogen door de gemeente als verworven beschouwd worden.

Art. 23.Het gedeelte van de trekkingsrechten uit het Sociaal Impulsfonds van het convenant 2000-2002 van de gemeenten en OCMW's dat op 31 december 2002 niet vastgelegd werd in het convenant, wordt aan het Gemeentefonds van 2003 toegevoegd en verdeeld overeenkomstig de bepalingen van dit decreet. De uitbetalingen met betrekking tot de convenanten 2000-2002 kunnen gebeuren tot uiterlijk 31 december 2003.

Uitbetalingen met betrekking tot investeringen kunnen gebeuren tot uiterlijk 31 december 2004.

Dit artikel is niet van toepassing op de gemeenten die behoren tot de groep van de centrumsteden volgens artikel 6, § 1,1°, a , b en c , van dit decreet.

Art. 24.§ 1. Aanvragen in het kader van de toekenning van uitzonderlijke aanvullende aandelen uit het Vlaams Gemeentefonds, zoals bepaald in artikel 2bis van het decreet van 7 november 1990 tot vaststelling van de regelen inzake de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds, en van uitzonderlijke aanvullende trekkingsrechten uit het Vlaams Investeringsfonds, zoals bepaald in artikel 2bis van het decreet van 20 maart 1991 betreffende het Investeringsfonds ter verdeling van de subsidies voor bepaalde onroerende investeringen die in de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest door of op initiatief van de provincies, de gemeenten of de Vlaamse Gemeenschapscommissie worden gedaan, die uiterlijk op 31 december 2002 werden ingediend, worden behandeld volgens de regelen die op dat tijdstip van kracht waren. § 2. De toekenning van de uitzonderlijke aanvullende aandelen en de uitzonderlijk aanvullende trekkingsrechten kunnen, in afwijking van artikel 22, § 1, gebeuren tot uiterlijk 31 december 2004. De gemeenten bezorgen ten laatste op 30 juni 2004 de nodige verantwoordingsdocumenten aan de Vlaamse regering. § 3. De uitzonderlijk aanvullende aandelen worden voorafgenomen van de totale dotatie.

Art. 25.In afwijking van artikel 12, § 1 moet de beslissing voor het bepalen van het aandeel dat rechtstreeks gestort wordt op de rekening van het OCMW met betrekking tot de verdeling voor 2003, uiterlijk op 1 december 2002 toekomen op de administratie Binnenlandse Aangelegenheden. HOOFDSTUK V. - Slotbepaling

Art. 26.Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2003.

Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Brussel, 5 juli 2002.

De minister-president van de Vlaamse regering, P. DEWAEL De Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken, P. VAN GREMBERGEN _______ Nota (1) Zitting 2001-2002 : Stukken.- Ontwerp van decreet, 1148 - Nr. 1. - Verslag over gedachtewisseling, 1148 - Nr. 2. - Amendementen, 1148 - Nrs. 3 en 4. - Verslag, 1148 - Nr. 5. - Amendementen, 1148 - Nr. 6. - Tekst aangenomen door de plenaire vergadering, 1148 - Nr. 7.

Handelingen. - Bespreking en aanneming. Vergaderingen van 26 juni 2002.

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^