Decreet van 05 juni 2008
gepubliceerd op 15 oktober 2008

Decreet houdende oprichting van de Hoge Raad voor Opvoeding tot de Media en tot ontwikkeling van bijzondere initiatieven en middelen terzake in de Franse Gemeenschap

bron
ministerie van de franse gemeenschap
numac
2008029492
pub.
15/10/2008
prom.
05/06/2008
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

5 JUNI 2008. - Decreet houdende oprichting van de Hoge Raad voor Opvoeding tot de Media en tot ontwikkeling van bijzondere initiatieven en middelen terzake in de Franse Gemeenschap (1)


Het Parlement van de Franse Gemeenschap heeft aangenomen, en wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : TITEL I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.Voor de toepassing van dit decreet, wordt verstaan onder : 1° « opvoeding tot de media » : de opvoeding die tot doel heeft de bekwaamheid te laten verwerven tot de media toegang te krijgen, de verschillende aspecten van de media en van hun inhoud kritisch te begrijpen en te beoordelen, en in verschillende contexten te communiceren.Onder media-boodschappen wordt verstaan, de informatieve en creatieve inhoud van de teksten, klanken en beelden die door verschillende communicatiemiddelen, met inbegrip van reclame, wordt overgebracht, waaronder de televisie, de filmsector, de video, de websites, de radio, de videospelen en de virtuele gemeenschappen. 2° « takendecreet », het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren;3° « sturingscommissie », de commissie voor de sturing van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde onderwijs, opgericht door het decreet van 27 maart 2002 betreffende de sturing van het onderwijssysteem van de Franse Gemeenschap.

Art. 2.Het gebruik in dit decreet van de mannelijke namen voor de verschillende titels en ambten is gemeenslachtig met het oog op een betere leesbaarheid van de tekst, niettegenstaande de bepalingen van het decreet van 21 juni 1993 betreffende de vervrouwelijking van de namen van beroep, ambt, graad of titel.

TITEL II. - Hoge Raad voor Opvoeding tot de Media HOOFDSTUK I. - Hoge Raad voor Opvoeding tot de Media en zijn opdrachten

Art. 3.Er wordt een Hoge Raad voor Opvoeding tot de media van de Franse Gemeenschap opgericht, hierna « Hoge Raad » genoemd.

Art. 4.De Hoge Raad heeft de volgende opdrachten : 1° de bevordering van de opvoeding tot de media, van de uitwisseling van informatie en van de samenwerking tussen de actoren en instellingen die betrokken zijn bij de opvoeding tot de media in de Franse Gemeenschap, inzonderheid de sectoren van de verschillende media, het leerplichtonderwijs en de permanente opvoeding.In dat kader zorgt de Hoge Raad, inzonderheid door toedoen van een Internet-site, waarvan het beheer door het secretariaat van de Hoge Raad wordt waargenomen, voor de informatie van het schoolpubliek en van het buitenschools publiek. 2° op initiatief of op aanvraag van de Regering of van de minister(s) bevoegd voor onderwijs, cultuur, de audiovisuele sector of de jeugd, een advies uitbrengen voordat elke decreetsbepaling inzake opvoeding tot de media wordt genomen.3° op initiatief of op aanvraag van de Regering of van de Minister(s) bevoegd voor onderwijs, cultuur, de audiovisuele sector of de jeugd, elk advies en voorstel te formuleren over het beleid en de prioriteiten inzake opvoeding tot de media en over de pedagogische initiatieven, acties, ervaringen, instrumenten, onderzoeken of evaluaties die op het gebied van opvoeding tot de media of in verband daarmee werden gevoerd of gebruikt. In dat kader heeft de Hoge Raad een bijzondere aandacht voor : - de strijd tegen de stereotypen die door de media kunnen worden gedragen en tegen elke vorm van discriminatie in en door de media; - de technologische, economische, sociale en culturele evolutie van de activiteiten die ressorteren onder de sectoren van de verschillende media en de informatie- en communicatietechnologieën, met inbegrip van de ontwikkeling van het Europees en internationaal recht ter zake; - het decoderen van de reclame-boodschappen. 4° de pedagogische initiatieven, acties, experimenten, pedagogische instrumenten, onderzoeken of evaluaties aanmoedigen en op elkaar afstemmen, met het oog op de bevordering van de opvoeding tot de media en op het waarborgen van hun overeenstemming met het takendecreet en het geheel van de normen die in de Franse Gemeenschap gelden. In dat kader, ontwikkelt de Hoge Raad, bij voorrang met de documentatiecentra bedoeld in artikel 20, sensibiliseringscampagnes betreffende de opvoeding tot de media met bestemming tot het schoolpubliek en het buitenschools publiek, en verleent zijn medewerking voor de initiatieven die ter zake in de Franse Gemeenschap worden gevoerd, zoals deze die bedoeld zijn in titel IV. 5° een permanente inventaris bijhouden van de pedagogische initiatieven, acties, experimenten, pedagogische instrumenten, onderzoeken of evaluaties die in België of in het buitenland worden gevoerd of gebruikt op het gebied van opvoeding tot de media of in verband daarmee. Er wordt een bijzondere aandacht besteed aan initiatieven inzake mediaproductie zoals schoolkranten, -radio's en -televisies, ateliers voor de realisatie en de montage van videofilms binnen de schoolinrichtingen, enz. 6° het opnemen van de opvoeding tot de media, van de pedagogische exploitatie van de media en van de informatie- en communicatietechnologieën in de opvoedings- en opleidingsprogramma's bevorderen. Daartoe brengt de Hoge Raad adviezen uit en doet hij voorstellen die tot doel hebben ervoor te zorgen dat die opneming werkelijk gebeurt : a) in de studieprogramma's overeenkomstig de bepalingen bedoeld in artikel 9, 5°, van het takendecreet.Te dien einde, verstrekt de Hoge Raad de inrichtende machten, in het kader van zijn opdracht, zijn raadgevingen inzake opvoeding tot de media, die niet op de pedagogische methoden betrekking hebben; b) in de opleidingsprogramma's buiten de school voor de jongeren en de volwassenen, inzonderheid in het kader van de permanente opvoeding alsook van de jeugdorganisaties en de jeugdcentra;c) in de programma's voor initiële opleiding voor de toekomstige leerkrachten overeenkomstig de bepalingen vastgesteld in artikel 7 van het decreet van 12 december 2000 tot vastlegging van de initiële opleiding van onderwijzers en regenten en in artikel 7 van het decreet van 8 februari 2001 tot vaststelling van de initiële opleiding van de geaggregeerden voor het hoger secundair onderwijs;d) in de programma's voor voortgezette opleiding voor de leerkrachten. Daartoe legt de Hoge Raad aan de sturingscommissie, voor 15 september van elk jaar, en in het kader van haar opdracht inzake bepaling van de prioritaire opleidingsoriëntaties bedoeld in artikel 3, eerste lid, 4°, van het decreet van 27 maart 2002 betreffende de sturing van het onderwijssysteem van de Franse Gemeenschap, haar aanbevelingen voor inzake voortgezette opleiding op het vlak van opvoeding tot de media. 7° een met redenen omkleed advies uitbrengen over elk project voor een schoolradio dat in de Franse Gemeenschap wordt opgemaakt door een inrichting voor basis- of secundair onderwijs, georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, zoals bepaald in artikel 62 van het decreet van 27 februari 2003 betreffende de radio-omroep.8° in voorkomend geval, een met redenen omkleed advies uitbrengen in het kader van artikel 9, tweede lid, van het decreet van 31 maart 2004 betreffende de steun aan de Franstalige geschreven dagbladpers en aan de ontwikkeling van initiatieven van de Franstalige geschreven dagbladpers in het schoolmilieu.9° op aanvraag van de sturingscommissie een met redenen omkleed advies uitbrengen dat het advies van de betrokken inspectiediensten voor het onderwijs aanvult over een schoolboek, een schoolsoftware of een pedagogisch instrument dat rechtstreeks of onrechtstreeks verband houdt met de opvoeding tot de media, dat de sturingscommissie wordt voorgelegd met het oog op een erkenning tot bekrachtiging van een overeenstemming in het kader van het decreet van 19 mei 2006 betreffende de erkenning en de verspreiding van schoolboeken, schoolsoftware en andere pedagogische hulpmiddelen binnen de inrichtingen voor verplicht onderwijs.10° om de vijf jaar aan de Regering van de Franse Gemeenschap een met redenen omkleed advies uitbrengen over de activiteiten en voorstellen tot erkenning van de documentatiecentra bedoeld in artikel 20.Dat advies steunt inzonderheid op de beoordeling van de activiteiten en de uitvoering van hun opdrachten; 11° op grond van het onderzoek van het verslag, gedurende het eerste semester van elk burgerlijk jaar vanaf het jaar 2009, de Regering een jaarverslag meedelen dat inzonderheid de volgende punten inhoudt : a) een synthese betreffende zijn activiteiten en de operationalisering gedurende het jaar dat voorafgaat aan elk van zijn opdrachten bedoeld in dit artikel;b) een synthese betreffende de activiteiten en de operationalisering gedurende het jaar dat voorafgaat aan de opdracht van elk documentatiecentrum bedoeld in artikel 20;c) een synthese betreffende de uitvoering van elk van de in titel IV bedoelde initiatieven;d) een activiteitenprogramma voor het volgende jaar;e) een financiële balans en begrotingsvooruitzichten voor het volgende jaar;f) in voorkomend geval, voorstellen betreffende elke wijziging van een decreet of een verordening tot verbetering van de opvoeding tot de media in de Franse Gemeenschap. Op grond van het onderzoek van het verslag (amendement nr. 1), kunnen de Regering en de ministers belast met onderwijs, cultuur, audiovisuele sector of jeugd aanbevelingen richten aan de Hoge Raad.

De Regering zendt het Parlement het in het vorige lid bedoelde verslag over.

Voor de uitoefening van zijn adviesopdrachten, bepaalt de Hoge Raad vooraf een rooster met de kwaliteitscriteria die hij de Regering ter goedkeuring voorlegt.

Art. 5.Op de voordracht van de Hoge Raad, kan de Regering, voor initiatieven, acties, experimenten, pedagogische instrumenten, onderzoeken of evaluaties, een « erkenning voor pedagogisch belang op het vlak van de opvoeding tot de media » toekennen.

De Hoge Raad formuleert zijn voorstellen in het kader van zijn opdrachten op grond van de volgende criteria : 1° de initiatieven, acties, experimenten, pedagogische instrumenten, onderzoeken of evaluaties streven ten minste één van de volgende doelstellingen na : a) nadenken over de media en intellectueel en affectief vrijwillig afstand doen van de gewone media-ervaring;b) een kritische bewustwording en een kennis van de verhouding tussen het persoonlijk en sociaal leven en de media-communicatie;c) een creatieve blik ontwikkelen op de media en de ontwikkeling van expressie- en innovatiecapaciteiten in de media-communicatie;d) de overeenstemming tussen de toegepaste methoden, het publiek en de doelstellingen alsook, in voorkomend geval, de didactische kwaliteiten van de opvoedingsmiddelen.2° voor de initiatieven, acties, experimenten, pedagogische instrumenten, onderzoeken of evaluaties worden de beginselen inzake gelijkheid en non-discriminatie in acht genomen, zoals die inzonderheid bepaald zijn in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, bij de wetten van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenophobie ingegeven daden en van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, bij het decreet van 19 mei 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling. De toekenning van de erkenning bedoeld in het eerste lid brengt geen automatische subsidiëring met zich mede. Ze geschiedt ongeacht de andere adviezen die door de Hoge Raad, vroeger of later, werden uitgebracht, inzonderheid deze die bij artikel 4, 3°, 7°, 8° en 9° bedoeld zijn.

In afwijking van de eerste en tweede leden, wordt de « erkenning voor pedagogisch belang op het vlak van de opvoeding tot de media » geacht van rechtswege toegekend te worden voor de initiatieven, acties, experimenten, pedagogische instrumenten, onderzoeken of evaluaties die op het gebied van opvoeding tot de media of in naam daarvan werden gevoerd of uitgevoerd in de Franse Gemeenschap door de in artikel 20 bedoelde documentatiecentra en bij de operatoren die krachtens de artikelen 26, § 2, 27, § 2 en 28, § 2 erkend worden.

Art. 6.De Hoge Raad zorgt voor de bekendmaking, inzonderheid via zijn website, van de bijgehouden lijst van de initiatieven, acties, experimenten, pedagogische instrumenten, onderzoeken of evaluaties die op het gebied van opvoeding tot de media werden gevoerd of uitgevoerd en waarvoor een « erkenning voor pedagogisch belang op het vlak van de opvoeding tot de media » werd toegekend.

Bij voorrang in medewerking met de in artikel 20 bedoelde documentatiecentra, zorgt hij voor de goede informatie aan het publiek binnen de school en buiten de school.

Art. 7.De Regering stelt de vorm, de voorwaarden en de perken vast voor de toekenning van de « erkenning voor pedagogisch belang op het vlak van de opvoeding tot de media ». Zij bepaalt het logo en het opschrift die kunnen worden toegepast op de initiatieven, acties, experimenten, pedagogische instrumenten, onderzoeken of evaluaties die in de Franse Gemeenschap werden gevoerd en uitgevoerd en waaraan de Regering een erkenning voor pedagogisch belang op het vlak van de opvoeding tot de media heeft toegekend.

Als de criteria bedoeld in artikel 5, tweede lid, niet in acht worden genomen, kan de Hoge Raad de Regering de intrekking van de erkenning voor pedagogisch belang op het vlak van de opvoeding tot de media voorstellen. HOOFDSTUK II. - Samenstelling en werkzaamheden van de Hoge Raad

Art. 8.§ 1. De Hoge Raad is samengesteld uit stemgerechtigde leden, die door de Regering worden aangewezen, en uit leden die een raadgevende stem hebben, en waarnemers. § 2. Stemgerechtigd zijn : a) twee leden, door de Regering respectief als voorzitter en ondervoorzitter aangewezen, die het bewijs leveren van een ervaring in de mediasector en in de onderwijssector;b) vijf leden, deskundig inzake opvoeding tot de media, gekozen uit de universiteiten of de hogescholen van de Franse Gemeenschap en waarvan ten minste één afkomstig is uit een hogeschool en ten minste één afkomstig is uit een universiteit;c) één lid, afkomstig is uit de journalistensector, aangewezen op de voordracht van de « Association des Journalistes professionnels », die het bewijs leveren van een ervaring op het gebied van de media en de opvoeding tot de media;d) één lid, afkomstig uit de sector van de geschreven dagbladpers, aangewezen op de voordracht van de « Journaux francophones belges SCRL », die het bewijs leveren van een ervaring op het gebied van de media en de opvoeding tot de media;e) twee leden, afkomstig uit de sector van de geschreven pers, aangewezen op de gezamenlijke voordracht van de « Journaux francophones belges SCRL » en de « Association des Journalistes professionnels », die het bewijs leveren van een ervaring op het gebied van de media en de opvoeding tot de media;f) drie leden, afkomstig uit de sector radio en televisie, onder wie één, aangewezen op de voordracht van de « Radio et télévision belge francophone », die het bewijs levert van een ervaring op het gebied van de media en de opvoeding tot de media;g) één lid, afkomstig uit de sector van de mediatheken, aangewezen op de voordracht van de « Médiathèque de la Communauté Française », dat het bewijs levert van een ervaring op het gebied van de media en de opvoeding tot de media;h) één lid, afkomstig uit de filmsector, dat het bewijs levert van een ervaring op het gebied van de media en de opvoeding tot de media;i) één lid, afkomstig uit de sector van de nieuwe informatietechnologieën, dat het bewijs levert van een ervaring op het gebied van de media en de opvoeding tot de media;j) een inspecteur van het kleuteronderwijs, een inspecteur van het lager onderwijs en een inspecteur van het gewoon of gespecialiseerd secundair onderwijs, aangewezen op de voordracht van de coördinerende inspecteur-generaal;k) een vertegenwoordiger uit het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, aangewezen op de voordracht van de Minister tot wiens bevoegdheid het leerplichtonderwijs behoort;l) een vertegenwoordiger van elk van de vertegenwoordigings- en coördinatieorganen van inrichtende machten van het onderwijs erkend door de Franse Gemeenschap overeenkomstig artikel 5bis van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, aangewezen op de voordracht van elk onder die;m) een vertegenwoordiger van elk van de organisaties die de leerkrachten van de Franse Gemeenschap vertegenwoordigen en die aangesloten zijn bij vakorganisaties die in de Nationale Arbeidsraad zitting hebben, aangewezen op de voordracht van elk onder die;n) een vertegenwoordiger van elk van de ouderorganisaties bedoeld in artikel 69, § 5, eerste lid, van het takendecreet, aangewezen op de voordracht van elk onder die;o) een vertegenwoordiger van de Franstalige jeugdraad, aangewezen op de voordracht van deze, die het bewijs levert van een ervaring op het gebied van de media en de opvoeding tot de media;p) een vertegenwoordiger van de Adviescommissie van de jeugdorganisaties, aangewezen op de voordracht van deze, die het bewijs levert van een ervaring op het gebied van de media en de opvoeding tot de media;q) een vertegenwoordiger van de adviescommissie voor de jeugdhuizen en -centra, aangewezen op de voordracht van deze, die het bewijs levert van een ervaring op het gebied van de media en de opvoeding tot de media;r) een vertegenwoordiger van de raad voor permanente opvoeding, aangewezen op de voordracht van deze, die het bewijs levert van een ervaring op het gebied van de media en de opvoeding tot de media;s) een vertegenwoordiger van de Hoge Raad voor de audiovisuele sector, aangewezen op de voordracht van deze, die het bewijs levert van een ervaring op het gebied van de media en de opvoeding tot de media;t) een vertegenwoordiger van elk documentatiecentrum bedoeld in artikel 20. § 3. De Regering stelt een reservelijst op, dat, voor zover mogelijk, ten minste één plaatsvervanger voor elk profiel van lid opgesomd in paragraaf 1 telt.

Ieder lid wordt tijdelijk vervangen door een plaatsvervanger met hetzelfde profiel voor de periode van de tijdelijke afwezigheid.

Ieder lid wordt door een plaatsvervanger met hetzelfde profiel definitief vervangen als het ontslag neemt of als het de titel of de hoedanigheid verliest op grond waarvan het werd aangewezen.

Als ontslagnemend wordt beschouwd, ieder lid dat bij drie opeenvolgende vergaderingen afwezig is geweest zonder zijn afwezigheid te rechtvaardigen.

De voorzitter, of, als deze afwezig is, de ondervoorzitter, stelt het ontslag van de leden van de Hoge Raad of het verlies van de titel of de hoedanigheid op grond waarvan ze werden aangewezen, vast.

De Regering kan een vacant mandaat toekennen zonder in de reserve van de plaatsvervangers te zoeken, indien deze niet het profiel hebben dat vereist is voor de aanwijzing.

Bij definitieve vervanging, oefent de plaatsvervanger het vacante mandaat uit tot het einde van de oorspronkelijk vastgestelde termijn. § 4. Met raadgevende stem hebben zitting : a) de secretaris van de Hoge Raad bedoeld in artikel 14, § 1 en § 2, hierna de secretaris genoemd;b) een vertegenwoordiger van het secretariaat-generaal van de Franse Gemeenschap;c) een vertegenwoordiger van het algemeen bestuur onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;d) een vertegenwoordiger van de algemene dienst audiovisuele sector en multimedia;e) de opdrachthouders, lid van het secretariaat van de Hoge Raad en van de documentatiecentra, respectief bedoeld in artikel 14, § 3, en in artikel 24, § 1; § 5. Als waarnemer hebben zitting : a) vier leden, die door het Parlement van de Franse Gemeenschap worden aangewezen, en die, samen, alle ideologische en filosofische strekkingen vertegenwoordigen, zoals die bepaald zijn in artikel 3 van de wet van 16 juli 1973 waarbij de bescherming van de ideologische en filosofische strekkingen gewaarborgd wordt, b) de vertegenwoordigers van de minister(s) bevoegd voor onderwijs, audiovisuele sector, jeugd en permanente opvoeding.

Art. 9.§ 1. Het mandaat van stemgerechtigd lid van de Hoge Raad duurt vijf jaar. Het kan één keer worden vernieuwd, met inbegrip van het mandaat van voorzitter en het mandaat van ondervoorzitter.

Gedurende een periode van twee jaar, kunnen de aftredende voorzitter en ondervoorzitter de vergaderingen van de Hoge Raad met raadgevende stem bijwonen. § 2. Ieder lid oefent tegelijk één enkel mandaat binnen de Hoge Raad en wordt aangewezen op grond van één enkel ambt of één enkele titel of hoedanigheid.

Art. 10.§ 1. De Hoge Raad wordt ten minste vijf keer per burgerlijk jaar door de voorzitter voor een voltallige vergadering bijeengeroepen. De oproepingsbrief bevat de agenda.

De Hoge Raad beraadslaagt en beslist pas geldig als de meerderheid van de leden bedoeld in artikel 8, § 1, aanwezig is.

Hij neemt zijn beslissingen bij consensus of, zo niet, met een tweederde meerderheid van alle aanwezige stemgerechtigde leden. Er kunnen minderheidsnota's worden voorgelegd.

Wordt het aanwezigheidsquorum niet bereikt, dan roept de voorzitter binnen de veertien dagen een nieuwe vergadering bijeen die met de volstrekte meerderheid van de aanwezige stemgerechtigde leden beraadslaagt en beslist. § 2. Het lid of de leden van de Hoge Raad dat/die rechtstreeks betrokken zou(den)zijn of die/dat een ambt uitoefent(nen) waarbij een persoonlijk of functioneel belangenconflict zou kunnen ontstaan ten opzichte van een initiatief, actie, experiment, pedagogisch instrument, onderzoek of evaluatie, gevoerd of uitgevoerd inzake opvoeding tot de media, waarvoor de Hoge Raad, op eigen initiatief of op aanvraag van een betrokken instantie, een advies of een voorstel wenst te formuleren, kan(kunnen) niet deelnemen aan de beraadslaging en beslissing bedoeld in § 1 van dit artikel. § 3. De Hoge Raad kan vaste of tijdelijke werkgroepen in zichzelf organiseren.

Art. 11.De vertegenwoordiging van de Hoge Raad, inzonderheid op gemeenschaps-, nationaal en internationaal vlak, wordt bij voorrang en opeenvolgend door de voorzitter of de ondervoorzitter en, bij afwezigheid van deze, door de secretaris van de Hoge Raad waargenomen.

De Hoge Raad kan op bepaalde gebieden zijn vertegenwoordiging delegeren aan één of meer van zijn leden.

Art. 12.De Hoge Raad stelt zijn huishoudelijk reglement vast en legt het de Regering ter goedkeuring voor. Dat huishoudelijk reglement bepaalt inzonderheid de voorwaarden waaronder de leden van de Hoge Raad zich door een medewerker kunnen laten bijstaan bij de voltallige vergaderingen of binnen de werkgroepen, de nadere regels voor de indiening van één of meer minderheidsnota's, alsook de nadere regels voor de geldigverklaring en uitvoering van de beslissingen van de Hoge Raad door het secretariaat.

De Hoge Raad richt een bureau in zijn midden op. Het bureau zorgt voor de uitvoering van de opdrachten waarmee het secretariaat belast wordt.

De Regering stelt de samenstelling en de werking van het bureau vast, op voorstel van de Hoge Raad.

Ze kan het bureau aanvullende opdrachten toekennen, op voorstel van de Hoge Raad.

Art. 13.De notulen, adviezen en voorstellen van de Hoge Raad worden aan de Regering na elke voltallige vergadering door het secretariaat van de Hoge Raad overgezonden. HOOFDSTUK III. - Secretariaat van de Hoge Raad en menselijke en begrotingsmiddelen

Art. 14.§ 1. Het secretariaat wordt door de secretaris geleid, onder het gezag van de voorzitter. De secretaris staat onder het administratieve gezag van de secretaris-generaal.

Het secretariaat-generaal kan de Hoge Raad een logistieke steun of een steun inzake personeel verlenen. § 2. De secretaris wordt door de Regering aangewezen uit de personen die het bewijs leveren van een ervaring op pedagogisch gebied of op het gebied van de opvoeding tot de media.

Hij geniet een verlof wegens opdracht in het belang van de dienst voor een vernieuwbare periode van twee jaar. § 3. De secretaris wordt door ten minste twee opdrachthouders bijgestaan, paritair gedetacheerd uit het basisonderwijsniveau en het secundair onderwijsniveau. Ze staan onder het administratief gezag van de secretaris-generaal. § 4. De verloven wegens opdracht worden toegekend overeenkomstig artikel 5 van het decreet van 24 juni 1996 houdende regeling van de opdrachten, verloven wegens opdracht en terbeschikkingstelling wegens opdracht in het door de Franse Gemeenschap georganiseerd of gesubsidieerd onderwijs.

Art. 15.Het secretariaat heeft de volgende opdrachten : 1° de activiteiten en werkzaamheden van de Hoge Raad, voor elk van zijn opdrachten bedoeld in artikel 4, alsook van de werkgroepen bedoeld in artikel 10, § 3;26, § 5; 27, § 5; 28, § 5 en 29, § 5, organiseren; 2° de vergaderingen van de Hoge Raad voorbereiden en er het secretariaat van waarnemen;3° de beslissingen van de Hoge Raad uitvoeren;4° met de overheid en de administraties de contacten leggen die noodzakelijk zijn voor de vervulling van de opdrachten van de Hoge Raad en van zijn opdrachten;5° de activiteiten en werkzaamheden van de Hoge Raad bekendmaken, inzonderheid via zijn internetsite, en zorgen voor de goede informatie van het publiek binnen en buiten de school op het gebied van de opvoeding tot de media.

Art. 16.Het secretariaat neemt elke bepaling die nuttig is voor de werking van de Hoge Raad.

De voorzitter en de secretaris brengen verslag uit over hun acties en initiatieven bij de eerstvolgende vergadering van de Hoge Raad.

Art. 17.Binnen de perken van de beschikbare begrotingsmiddelen, wordt een minimaal jaarbedrag van euro 88.000 bestemd voor de financiering van de Hoge Raad. Het dekt de werkingskosten van de Hoge Raad en van het secretariaat, met inbegrip van de kosten in verband met een eventueel beroep op externe diensten of deskundigendiensten zoals bedoeld in artikel 18 en met het presentiegeld en de reiskosten zoals bedoeld in artikel 19.

Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten, vanaf het begrotingsjaar 2009, wordt het bedrag van die kredieten minstens elk jaar geïndexeerd en gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand december van het voorafgaande jaar.

Die uitgave wordt uitgetrokken op een specifieke basisallocatie in de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschap.

Art. 18.De Hoge Raad en zijn secretariaat kunnen een beroep doen op externe diensten of op deskundigen om ze bij de uitoefening van hun opdrachten bij te staan.

Art. 19.De Regering bepaalt het presentiegeld en de vergoedingen voor reiskosten waarop een deel of het geheel van de leden van de Hoge Raad aanspraak kunnen maken.

TITEL III. - Documentatiecentra voor opvoeding tot de media in de Franse Gemeenschap

Art. 20.Na het advies van de Hoge Raad te hebben ingewonnen, erkent de Regering hoogstens drie documentatiecentra voor opvoeding tot de media in de Franse Gemeenschap, hierna de documentatiecentra genoemd.

De erkenning wordt voor een hernieuwbare periode van vijf jaar toegekend.

Art. 21.§ 1. Om als documentatiecentrum te worden erkend, moet een instelling of een vereniging voldoen aan de volgende criteria : 1° haar zetel hebben op het grondgebied van het Frans taalgebied of van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad;2° het bewijs leveren van een ervaring en een deskundigheid zowel op het gebied van de media, het onderwijs in het kader van een partnerschap met een erkende groepering van schoolinrichtingen of, in voorkomend geval, met een aanzienlijk aantal schoolinrichtingen en inrichtingen voor opvoeding tot de media in de Franse Gemeenschap;3° haar globale visie van haar ambt in de sector opvoeding tot de media in de Franse Gemeenschap voorstellen en een vijfjarenplan voorstellen dat de concrete acties en middelen beschrijft waardoor zij van plan is haar opdracht bedoeld in artikel 23 te vervullen.4° het bewijs leveren van een duurzame activiteit zowel in het verleden als tegenwoordig. De Regering kan, na het advies van de Hoge Raad te hebben ingewonnen, de criteria bedoeld in het eerste lid nader bepalen. § 2. De erkenning geschiedt op grond van een oproep tot kandidaten. De erkenningsprocedure wordt door de Regering vastgelegd.

Art. 22.De vertegenwoordiger van elk documentatiecentrum binnen de Hoge Raad brengt deze op de hoogte van de activiteiten en werkzaamheden die worden gevoerd door het documentatiecentrum dat hij vertegenwoordigt.

Art. 23.§ 1. Elk documentatiecentrum heeft als opdracht initiatieven, acties, experimenten, pedagogische instrumenten, onderzoeken of evaluaties die op het gebied van de opvoeding tot de media in de Franse Gemeenschap worden gevoerd of uitgevoerd, op te vatten, te bevorderen en te omkaderen, voornamelijk met bestemming tot de schoolinrichtingen van het gewoon en gespecialiseerd basis- en secundair onderwijs dat door de Franse Gemeenschap wordt georganiseerd of gesubsidieerd, tot hun pedagogische teams en hun leerlingen en studenten.

In dat kader oefent elk documentatiecentrum de volgende opdrachten uit : 1° het werkt mede tot de uitvoering van de beslissingen van de Hoge Raad, voor de materies die het aangaan;2° het verleent zijn medewerking aan de vorming van de opleiders en operatoren op het gebied van de opvoeding tot de media;3° het verleent zijn medewerking aan de voortgezette vorming op het gebied van de opvoeding tot de media in het algemeen, inzonderheid deze die bestemd is voor de leden van het onderwijzend personeel van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs in het kader van de decreetvoorschriften die terzake gelden in de Franse Gemeenschap;4° het bereidt de werkvergaderingen binnen en buiten de schoolinrichtingen voor, leidt die en deelt zijn deskundigheid mee aan de pedagogische teams, op eigen initiatief of op verzoek, in het kader van een pedagogisch project of van een bijzonder initiatief inzake opvoeding tot de media.In dat kader wordt een bijzondere aandacht besteed aan de initiatieven inzake media-productie, zoals de schoolkranten en -radio's, de ateliers voor videorealisatie en -montage, etc.; 5° het verleent zijn medewerking aan de organisatie en de pedagogische omkadering van de initiatieven bedoeld in titel IV;6° leent en levert de schoolinrichtingen documenten en materieel in verband met de opvoeding tot de media. Elk documentatiecentrum deelt de Hoge Raad de relevante gegevens, inlichtingen en getuigenissen waarover het beschikt mee, die vooral door de schoolinrichtingen worden geleverd.

Het deelt de Regering en de Hoge Raad, in de loop van het eerste semester van elk burgerlijk jaar, een jaarverslag mee, dat inzonderheid de volgende gegevens bevat : a) een gedetailleerde voorstelling betreffende zijn activiteiten inzake opvoeding tot de media en betreffende de operationalisering gedurende het jaar dat voorafgaat aan het jaar van de opdracht bedoeld in dit artikel;b) een activiteitenprogramma voor het volgende dienstjaar;c) een financiële balans en begrotingsvooruitzichten voor het volgende dienstjaar. § 2. Elk documentatiecentrum kan een overeenkomst sluiten met één of meer vertegenwoordigings- of coördinatieorganen van inrichtende machten en/of met de algemene dienst sturing van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs. § 3. Elk documentatiecentrum vervult zijn opdracht ten aanzien van alle schoolinrichtingen, pedagogische teams, leerlingen en studenten van het gewoon en gespecialiseerd basis- en secundair onderwijs dat door de Franse Gemeenschap wordt georganiseerd of gesubsidieerd.

In afwijking van het eerste lid, indien een centrum een overeenkomst met één of meer vertegenwoordigings- of coördinatieorganen van de inrichtende machten of met de algemene dienst sturing van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs heeft aangegaan, verleent het zijn medewerking bij voorrang aan de schoolinrichtingen die onder dit of deze organen of die algemene dienst ressorteren, alsook aan hun pedagogische teams en hun leerlingen. § 4. Elk documentatiecentrum werkt collegiaal met het secretariaat.

Art. 24.§ 1. Een opdrachthouder wordt voor elk documentatiecentrum aangewezen. Bijkomende opdrachthouders kunnen voor elk centrum worden aangewezen. § 2. Iedere in dit artikel bedoelde opdrachthouder geniet een verlof wegens opdracht in het belang van het onderwijs voor een hernieuwbare periode van één jaar.

Hij wordt, onder de verantwoordelijkheid de verantwoordelijke van het documentatiecentrum, belast met de uitvoering van de opdrachten die aan de documentatiecentra worden toegekend. § 3. De verloven wegens opdracht bedoeld in dit artikel worden toegekend overeenkomstig artikel 6 van het decreet van 24 juni 1996 houdende regeling van de opdrachten, verloven wegens opdracht en terbeschikkingstelling wegens opdracht in het door de Franse Gemeenschap georganiseerd of gesubsidieerd onderwijs.

Art. 25.Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten, wordt een minimaal jaarbedrag van euro 280.000 besteed aan de financiering van de documentatiecentra. Het dekt werkingskosten en de bezoldigingen van iedere opdrachthouder bedoeld in artikel 24.

Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten, wordt het minimaal jaarlijks geïndexeerd bedrag van die kredieten jaarlijks geïndexeerd en gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand december van het voorafgaande jaar.

Een derde van die begroting wordt verdeeld over de verschillende documentatiecentra, waarbij aan de centra die een overeenkomst zoals bedoeld in artikel 23, § 2, hebben aangegaan, wordt gewaarborgd dat ze een deel van dit derde ontvangen in verhouding tot het aantal leerlingen die school lopen in schoolinrichtingen die ressorteren ofwel onder één of meer vertegenwoordigings- of coördinatieorganen, ofwel onder de algemene dienst sturing van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde net waarmee ze die overeenkomst hebben aangegaan.

Die uitgave wordt uitgetrokken op een specifieke basisallocatie in de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschap.

TITEL IV. - Ontwikkeling van initiatieven en bijzondere middelen inzake opvoeding tot de media in de Franse Gemeenschap

Art. 26.§ 1. Elk jaar wordt in de Franse Gemeenschap een initiatief inzake opvoeding tot de media genomen in verband met de dagbladpers en inzake aankoop, door de Franse Gemeenschap, tegen hoogstens de helft van hun kleinhandelsprijs, van dagbladen die kosteloos ter beschikking worden gesteld van de schoolinrichtingen van het gewoon en gespecialiseerd basis- en secundair onderwijs dat door de Franse Gemeenschap wordt georganiseerd of gesubsidieerd, de diensten voor schoolherinschakeling, de diensten voor hulpverlening in open milieu, de huiswerkinstituten, de centra voor alfabetisering, de openbare bibliotheken alsook de verenigingen voor permanente opvoeding die werkzaam zijn op het gebied van de opvoeding tot de media in de Franse Gemeenschap.

De aanvragen om deelneming aan dat initiatief worden zonder discriminatie behandeld, ongeacht het net, het onderwijsniveau of de geografische ligging van de aanvragende schoolinrichting, of ongeacht de aanvrager. § 2. Na het advies van de Hoge Raad te hebben ingewonnen, wijst de Regering, voor een hernieuwbare periode van vijf jaar, een operator aan, belast met de uitvoering van het initiatief bedoeld in § 1. Om te worden aangewezen, moet de operator voldoen aan de volgende criteria : 1° sedert ten minste vijf jaar, opgericht zijn als een vennootschap of een vereniging met de rechtspersoonlijkheid;2° zijn zetel hebben op het grondgebied van het Frans taalgebied of van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad;3° de uitgevers van de geschreven dagbladpers die op het grondgebied van de Franse Gemeenschap aanwezig zijn, op een relevante wijze vertegenwoordigen;4° inzonderheid als doel hebben het imago van de pers te bevorderen;5° het bewijs leveren van een duurzame activiteit zowel vroeger als nu. De Regering stelt de procedure voor de aanwijzing vast. § 3. Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten, worden kredieten voor een minimaal jaarbedrag van euro 515.000 bestemd voor het in § 1 bedoelde initiatief. Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten, kan het bedrag worden verhoogd, als de context of de omvang van het initiatief grondig wordt gewijzigd.

Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten, wordt het bedrag van die kredieten vanaf het begrotingsjaar 2009 ten minste jaarlijks geïndexeerd en gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand december van het voorafgaande jaar. § 4. De nadere regels voor het initiatief en de verspreiding van de dagbladen bedoeld in § 1 worden de Regering ter goedkeuring voorgelegd. Deze houden inzonderheid rekening met het onderwijsniveau, waarbij de nadruk wordt gelegd op het feit dat de dagbladen pedagogisch werkelijk worden geëxploiteerd binnen de schoolinrichtingen.

Ze kan andere instellingen en diensten toevoegen die in aanmerking kunnen komen voor de terbeschikkingstelling van de dagbladen dan deze die reeds bedoeld zijn in § 1.

De algemene inspectiedienst wordt belast met de controle en de evaluatie van de pedagogische exploitatie van dat initiatief door de instellingen en diensten die in aanmerking komen voor dat initiatief. § 5. Een comité dat inzonderheid samengesteld is uit vertegenwoordigers van de Hoge Raad, het secretariaat, elk van de documentatiecentra en de door de Regering aangewezen operator, zorgt voor de begeleiding van het in dit artikel beschreven initiatief.

Art. 27.§ 1. Elk jaar wordt in de Franse Gemeenschap een initiatief inzake opvoeding tot de media georganiseerd dat betrekking heeft op het kosteloze bezoek van beroepsjournalisten in de schoolinrichtingen van het gewoon en gespecialiseerd basis- en secundair onderwijs dat door de Franse Gemeenschap wordt georganiseerd of gesubsidieerd, de diensten voor schoolherinschakeling, de diensten voor hulpverlening in open milieu, de huiswerkinstituten, de centra voor alfabetisering in de Franse Gemeenschap.

De aanvragen om deelneming aan dat initiatief worden in de volgorde van hun indiening behandeld, ongeacht het net, het onderwijsniveau of de geografische ligging van de aanvragende schoolinrichting. De aanvragen die geen positief antwoord krijgen, worden het volgende jaar prioritair behandeld. § 2. Na het advies van de Hoge Raad te hebben ingewonnen, wijst de Regering, voor een hernieuwbare periode van vijf jaar, een operator aan die belast wordt met de uitvoering van het initiatief bedoeld in § 1. Om te kunnen worden aangewezen, moet de operator voldoen aan de volgende criteria : 1° opgericht zijn in de vorm van een beroepsvereniging;2° zijn zetel hebben op het grondgebied van het Franse taalgebied of van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad;3° zijn activiteiten sedert ten minste vijf jaar uitoefenen;4° de beroepsjournalisten op relevante wijze vertegenwoordigen;5° samengesteld zijn uit leden die in verschillende media werkzaam zijn;6° het bewijs leveren van een duurzame activiteit, zowel vroeger als nu. De Regering stelt de aanwijzingsprocedure vast. § 3. Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten, worden kredieten voor een minimaal jaarbedrag van euro 99.000 besteed aan de organisatie van het initiatief bedoeld in § 1. Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten, kan het bedrag worden verhoogd, als de context of de omvang van het initiatief grondig wordt gewijzigd.

Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten, vanaf het begrotingsjaar 2009, wordt het bedrag van die kredieten minstens jaarlijks geïndexeerd en gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand december van het voorafgaande jaar. § 4. De nadere regels voor de bezoeken van beroepsjournalisten bedoeld in § 1 worden de Regering ter goedkeuring voorgelegd. Deze houden inzonderheid rekening met het onderwijsniveau, waarbij de nadruk wordt gelegd op het feit dat die bezoeken pedagogisch werkelijk worden geëxploiteerd binnen de schoolinrichtingen.

Ze kan andere instellingen en diensten toevoegen die in aanmerking kunnen komen voor de bezoeken van de beroepsjournalisten dan deze die reeds bedoeld zijn in § 1.

De algemene inspectiedienst wordt belast met de controle en de evaluatie van de pedagogische exploitatie van dat initiatief door de schoolinrichtingen. § 5. Een comité dat inzonderheid samengesteld is uit vertegenwoordigers van de Hoge Raad, het secretariaat, elk van de documentatiecentra en de door de Regering aangewezen operator, zorgt voor de begeleiding van het in dit artikel beschreven initiatief.

Art. 28.§ 1. Elk jaar wordt een cultureel initiatief inzake opvoeding tot de media georganiseerd dat betrekking heeft op de programmering, tegen verminderde prijzen, van films in bioscoopzalen voor de leerlingen van de schoolinrichtingen van het gewoon en gespecialiseerd basis- en secundair onderwijs dat door de Franse Gemeenschap wordt georganiseerd of gesubsidieerd en op de verwezenlijking van pedagogische films die gepaard gaan met die films.

De aanvragen om deelneming aan dat initiatief worden gerangschikt en onderzocht in de volgorde van hun indiening, ongeacht het net, het onderwijsniveau of de geografische ligging van de aanvragende schoolinrichting. De aanvragen waarop geen positief antwoord kan worden gegeven, worden gerangschikt en worden het volgend jaar prioritair behandeld. § 2. Na het advies van de Hoge Raad te hebben ingewonnen, wijst de Regering, voor een hernieuwbare periode van vijf jaar, een operator aan die belast wordt met de uitvoering van het initiatief bedoeld in § 1. Om te kunnen worden aangewezen, moet de operator voldoen aan de volgende criteria : 1° opgericht zijn in de vorm van een vereniging met de rechtspersoonlijkheid;2° zijn zetel hebben op het grondgebied van het Franse taalgebied of van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad;3° zijn activiteiten sedert ten minste vijf jaar uitoefenen;4° op geschikte plaatsen en op geregelde wijze films programmeren die een pedagogisch nut hebben, zowel op thematisch als op esthetisch vlak;5° activiteiten uitoefenen die, rechtstreeks of door middel van een partnerschapsverband, betrekking hebben op het grondgebied van het Frans taalgebied en het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad;6° erkend zijn als vereniging voor permanente opvoeding gedurende ten minste tien jaar; 7° een schoolpubliek van ten minste 25.000 leerlingen van het leerplichtonderwijs bereiken; 8° het bewijs leveren van een ervaring bij het opvatten en opstellen van pedagogische dossiers betreffende films, bestemd voor het schoolpubliek, die door de leerkrachten van verschillende disciplines kunnen worden gebruikt;9° het bewijs leveren van een duurzame activiteit, zowel vroeger als nu. De Regering stelt de aanwijzinsprocedure vast. § 3. Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten, kunnen kredieten voor een minimaal jaarbedrag van euro 150.000 worden bestemd voor de organisatie van het initiatief. Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten, kan het bedrag worden verhoogd, als de context of de omvang van het initiatief grondig wordt gewijzigd.

Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten, wordt het bedrag van die kredieten vanaf het begrotingsjaar 2009 ten minste jaarlijks geïndexeerd en gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand december van het voorafgaande jaar. § 4. De nadere regels voor het initiatief bedoeld in § 1 worden de Regering ter goedkeuring voorgelegd. Deze houden inzonderheid rekening met het onderwijsniveau, waarbij de nadruk wordt gelegd op het feit dat het initiatief pedagogisch werkelijk worden geëxploiteerd binnen de schoolinrichtingen.

De algemene inspectiedienst wordt belast met de controle en de evaluatie van de pedagogische exploitatie van dat initiatief door de schoolinrichtingen. § 5. Een comité dat inzonderheid samengesteld is uit vertegenwoordigers van de Hoge Raad, het secretariaat, elk van de documentatiecentra en de door de Regering aangewezen operator, zorgt voor de begeleiding van het in dit artikel beschreven initiatief.

Art. 29.§ 1. Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten, worden kredieten voor een minimaal jaarbedrag van euro 20.000 bestemd voor de jaarlijkse organisatie in de Franse Gemeenschap van een initiatief inzake opvoeding tot de media met betrekking tot de ondersteuning van plaatselijke schoolprojecten inzake opvoeding tot de media, georganiseerd voor leerlingen van het basis- en secundair onderwijs door één of meer schoolinrichtingen in de Franse Gemeenschap.

De eerste helft van die kredieten wordt bestemd voor de inrichtingen van het basisonderwijs en de tweede helft voor de schoolinrichtingen van het secundair onderwijs.

De bedragen worden aan de begunstigden per schijf van euro 2.000 toegekend.

De Hoge Raad bepaalt op zijn website inzonderheid, na goedkeuring door de Regering, de criteria voor de selectie van de inrichtingen en de projecten die voor een subsidie in aanmerking komen.

Binnen de perken van de beschikbare begrotingsmiddelen, wordt het bedrag van die kredieten, vanaf het begrotingsjaar 2009, ten minste jaarlijks geïndexeerd en gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand december van het voorafgaande jaar. § 2. De Hoge Raad wordt belast met de organisatie en het beheer van de verrichting bedoeld in § 1.

Hij laat elk jaar het geheel van de inrichtingen van het gewoon en gespecialiseerd basis- en secundair onderwijs dat door de Franse Gemeenschap wordt georganiseerd of gesubsidieerd deelnemen door toedoen van een oproep tot lokale schoolprojecten inzake opvoeding tot de media en, op grond van de projecten die hem in dat kader worden voorgelegd, en uiterlijk voor 31 oktober van elk jaar, deelt hij de minister bevoegd voor het leerplichtonderwijs een selectie van vijf tot vijftien lokale schoolprojecten en een voorstel tot verdeling over deze van de in § 1 bepaalde middelen mee.

De Hoge Raad voegt een met redenen omkleed verslag bij over die selectie en over dat voorstel tot verdeling van de in § 1 bepaalde middelen.

Op die basis, bestemt de Regering de middelen bedoeld in § 1 voor de verschillende geselecteerde schoolinrichtingen. § 3. De Hoge Raad bepaalt de selectie van de plaatselijke schoolprojecten voor opvoeding tot de media bedoeld in § 2 volgens de volgende criteria : 1° de deelneming, inzonderheid van de leerlingen en de leerkrachten aan het project en de activiteiten die daar worden ontwikkeld;2° de voorbereidingsgraad van het project, de kwaliteit van zijn doelstellingen en van de gebruikte methoden;3° de pedagogische exploitatie van het project en zijn overeenstemming met de gemeenschappelijke referentiesystemen;4° De duurzaamheid van het project en de voortzetting ervan nadat de activiteit gerealiseerd is;5° de originaliteit van het project. § 4. Om ontvankelijk te zijn en onderzocht te worden door de Hoge Raad, moet het project : 1° aan de Hoge Raad gericht worden met inachtneming van de vormen, de nadere regels en het tijdschema die hij te dien einde bepaalt;2° onder meer een nauwkeurige beschrijving omvatten van het project inzake opvoeding tot de media alsook gedetailleerde begrotingsvooruitzichten;3° worden goedgekeurd door het inrichtingshoofd, voor het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, en door de inrichtende macht, voor het door de Franse Gemeenschap gesubsidieerde onderwijs. § 5. Een Comité, inzonderheid samengesteld uit vertegenwoordigers van de Hoge Raad, het secretariaat en elk van de documentatiecentra, wordt geïnstalleerd met het oog op de omkadering van dit initiatief.

TITEL V. - Wijzigingsbepalingen

Art. 30.§ 1. In artikel 1 van het decreet van 27 februari 2003 betreffende de radio-omroep, worden de woorden « 8° Raad voor Media-opvoeding : de Raad voor Media-opvoeding, zoals geregeld bij het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 19 mei 1995 houdende oprichting van een Raad voor Media-opvoeding en erkenning van documentatiecentra voor Media-opvoeding » vervangen door de woorden « 8° Hoge Raad voor Opvoeding tot de Media : de Hoge Raad voor Opvoeding tot de Media, zoals georganiseerd door het decreet van 5 juni 2008 houdende oprichting van de Hoge Raad voor Opvoeding tot de Media en tot ontwikkeling van bijzondere initiatieven en middelen terzake in de Franse Gemeenschap ». § 2. In de artikelen 62 en 144 van hetzelfde decreet, worden de woorden « Raad voor Media-opvoeding » vervangen door de woorden « Hoge Raad voor Opvoeding tot de Media ».

Art. 31.§ 1. In artikel 1 van het decreet van 31 maart 2004 betreffende de steun aan de Franstalige geschreven dagbladpers en aan de ontwikkeling van initiatieven van de Franstalige geschreven dagbladpers in het schoolmilieu, worden de woorden « 16 ° CEM : de "Conseil de l'Education aux Médias" (Raad voor media-opvoeding), ingesteld door het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 19 mei 1995 houdende oprichting van een Raad voor Media-opvoeding en erkenning van documentatiecentra voor Media-opvoeding. » vervangen door de woorden « 16° Hoge Raad voor Opvoeding tot de Media : de Hoge Raad voor Opvoeding tot de Media, zoals georganiseerd door het decreet van 5 juni 2008 houdende oprichting van de Hoge Raad voor Opvoeding tot de Media en tot ontwikkeling van bijzondere initiatieven en middelen terzake in de Franse Gemeenschap ». § 2. In het tweede lid van artikel 9, van hetzelfde decreet, worden de woorden « Na advies van de Raad voor media-opvoeding » vervangen door de woorden « Als het gaat om programma's voor opvoeding tot de media, na advies van de Hoge Raad voor Opvoeding tot de Media ».

Art. 32.In artikel 3, 4°, van het decreet van 27 maart 2002 betreffende de sturing van het onderwijssysteem van de Franse Gemeenschap, worden de woorden « Hiervoor zal de administratieve coördinatiecel voor preventieve acties inzake het vroegtijdig verlaten van de school en geweld op school, opgericht door het decreet van 12 mei 2004, voor 15 september van elk jaar haar aanbevelingen met betrekking tot de vorming inzake de preventie en het beheer van crisissituaties in het schoolmilieu aan de Begeleidingscommissie doorgeven » vervangen door de woorden « Hiervoor zullen de administratieve coördinatiecel voor acties inzake preventie van schoolafhaken en van geweld, opgericht door het decreet van 12 mei 2004, en de Hoge Raad voor opvoeding tot de media, opgericht bij het decreet van 5 juni 2008 houdende oprichting van de Hoge Raad voor Opvoeding tot de Media en tot ontwikkeling van bijzondere initiatieven en middelen terzake in de Franse Gemeenschap, aan de sturingscommissie, elk afzonderlijk, hun aanbevelingen inzake opleiding tot de preventie van schoolafhaken en van geweld, enerzijds, en hun aanbevelingen inzake opleiding tot opvoeding tot de media, anderzijds », voorleggen ».

TITEL VI. - Opheffings- en overgangsbepalingen

Art. 33.§ 1. De artikelen 15 en 16 van het decreet van 31 maart 2004 betreffende de steun aan de Franstalige geschreven dagbladpers en aan de ontwikkeling van initiatieven van de Franstalige geschreven dagbladpers in het schoolmilieu worden opgeheven. § 2. Het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 19 mei 1995 houdende oprichting van een Raad voor Media-opvoeding en erkenning van documentatiecentra voor Media-opvoeding wordt opgeheven, met het volgende voorbehoud : De Raad voor Opvoeding tot de Media blijft bestaan voor de toepassing van artikel 4, eerste lid, van dit decreet, totdat de Hoge Raad wordt geïnstalleerd.

Hij wordt verder binnen het adviescollege van de Hoge Raad voor de audiovisuele sector vertegenwoordigd, totdat de Hoge Raad wordt geïnstalleerd.

Art. 34.In afwijking van de bepaling bedoeld in artikel 20 van dit decreet, voor een eerste cyclus van vijf jaar die op 1 januari 2008 begint, worden drie instellingen erkend als documentatiecentra voor opvoeding tot de media in de Franse Gemeenschap, namelijk de vereniging zonder winstooogmerk « Média Animation », de vereniging zonder winstoogmerk « Centre audiovisuel Liège » en het « Centre d'autoformation et de formation continuée de l'enseignement organisé par la Communauté française de Belgique » (Centrum voor zelfopleiding en voortgezette opleiding van het door de Franse Gemeenschap van België georganiseerde onderwijs).

TITEL VII. - Slotbepalingen

Art. 35.Binnen de vijf jaar volgend op de afkondiging van dit decreet, verricht de Regering van de Franse Gemeenschap een evaluatie ervan, met inbegrip van de menselijke en budgettaire middelen die daarvoor bestemd zijn, ten opzichte van de bepaalde opdrachten, inzonderheid van de gevolgen van die bepaling binnen de scholen.

Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Brussel, 5 juni 2008.

De Minister-President, R. DEMOTTE De Vice-Presidente, Minister van Hoger Onderwijs, Wetenschappelijk Onderzoek en Internationale Betrekkingen, Mevr. M.-D. SIMONET De Vice-President, Minister van Begroting, Financiën, Ambtenarenzaken en Sport, M. DAERDEN De Minister van Cultuur en Audiovisuele Sector, Mevr. F. LAANAN De Minister van Kinderwelzijn, Hulpverlening aan de Jeugd en Gezondheid, Mevr. C. FONCK De Minister van Jeugd en Onderwijs voor Sociale Promotie, M. TARABELLA _______ Nota (1) Zitting 2007-2008. Stukken van de Raad. - Ontwerp van decreet, nr. 540-1. - Commissieamendementen, nr. 540-2. - Verslag, nr. 540-3.

Integraal verslag. - Bespreking en aanneming. Vergadering van 3 juni 2008.

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^