Decreet van 07 mei 2004
gepubliceerd op 09 juli 2004
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Decreet houdende de organisatie en subsidiëring van een cultureel-erfgoedbeleid

bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
numac
2004036066
pub.
09/07/2004
prom.
07/05/2004
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

7 MEI 2004. - Decreet houdende de organisatie en subsidiëring van een cultureel-erfgoedbeleid (1)


Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : Decreet houdende de organisatie en subsidiëring van een cultureel-erfgoedbeleid TITEL I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.Dit decreet regelt een gemeenschaps- en gewest-aangelegenheid.

Art. 2.In dit decreet wordt verstaan onder : 1° cultureel erfgoed : materiële en immateriële betekenisdragers uit het verleden, die gemeenschappelijke betekenissen verkrijgen binnen een cultureel referentiekader;2° zorg voor het cultureel erfgoed : het voor de gemeenschap bewaren en onderzoeken van het cultureel erfgoed;3° ontsluiting van het cultureel erfgoed : het voor een breed publiek zichtbaar maken, het toegankelijk maken van de betekenissen van het cultureel erfgoed voor de gemeenschap en het voortdurend actualiseren van deze betekenissen;4° gemeentelijk cultuurbeleidsplan : een beleidsplan als bedoeld in artikel 4 van het decreet van 13 juli 2001 houdende het stimuleren van een kwalitatief en integraal lokaal cultuurbeleid;5° archiefdecreet : het decreet van 19 juli 2002 houdende de privaatrechtelijke culturele archiefwerking;6° decreet houdende de intergemeentelijke samenwerking : het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;7° werkingssubsidie : een subsidie die toegekend wordt ter ondersteuning van de personeels- en werkingskosten voortvloeiend uit een structurele activiteit die een continu en permanent karakter vertoont;8° projectsubsidie : een subsidie die toegekend wordt ter ondersteuning van een activiteit die zowel qua opzet of doelstelling als in de tijd kan worden afgebakend;9° steunpunt : een facilitaire organisatie die een intermediaire rol vervult tussen het veld en de overheid met als belangrijkste taken : praktijkondersteuning, praktijkontwikkeling, beeldvorming en communicatie;10° instelling van de Vlaamse Gemeenschap : een museum dat als zodanig wordt aangewezen door de Vlaamse regering.

Art. 3.§ 1. Dit decreet heeft tot doel een cultureel-erfgoedbeleid uit te bouwen, met name vanuit een geïntegreerde aanpak een kwaliteitsvolle en duurzame zorg voor en ontsluiting van het cultureel erfgoed te stimuleren. Dit impliceert het verbreden van het maatschappelijke draagvlak en het uitbouwen van een netwerk van expertise. § 2. Hiertoe voorziet het decreet in erkenning en subsidiëring van musea, in de toekenning van subsidies voor de uitvoering van erfgoedconvenants, in subsidiëring van cultureel-erfgoedpublicaties en in subsidiëring van cultureel-erfgoedprojecten.

Dit decreet regelt eveneens de opdracht en de subsidiëring van het steunpunt voor de musea, de archiefinstellingen, de bewaarbibliotheken, de documentatiecentra en de erfgoedconvenantswerking.

TITEL II. - Organisatie en subsidiëring van een cultureel-erfgoedbeleid HOOFDSTUK I. - Musea Afdeling 1. - Erkenning

Art. 4.§ 1. Om erkend te worden en te blijven, moet een museum voldoen aan de volgende erkenningsvoorwaarden : 1° een permanente instelling zijn ten dienste van de gemeenschap en haar ontwikkeling toegankelijk voor het publiek, niet gericht op het maken van winst, die de materiële en immateriële getuigenissen van de mens en zijn omgeving verzamelt, beheert, behoudt, wetenschappelijk onderzoekt, presenteert en hierover informeert voor doeleinden van studie, educatie en genoegen. Instellingen als sciencecenters, planetaria, dieren- en plantentuinen, natuurmonumenten en bezoekerscentra komen niet in aanmerking; 2° beschikken over een museumwaardige collectie cultureel erfgoed;3° een aan de inhoud van het cultureel erfgoed aangepast museaal concept hanteren en culturele en wetenschappelijke doelstellingen nastreven;4° de verzamelfunctie, behoud- en beheerfunctie, de wetenschappelijke en de publieksgerichte functies, hierna de basisfuncties te noemen, vervullen en aan het cultureel erfgoed aangepaste, kwaliteitsvolle en dynamische werkvormen en -methoden hanteren;5° opgericht of overgenomen zijn en beheerd worden door een publiekrechtelijke of een privaatrechtelijke rechtspersoon zonder winstgevend doel, hierna het bevoegde gezag te noemen;6° voldoende garanties geven op het vlak van toegankelijkheid, infrastructuur en financiële en personele middelen zodat de basisfuncties, binnen het kader van het museale concept en de nagestreefde culturele en wetenschappelijke doelstellingen, vervuld kunnen worden;7° voldoende garanties geven op het vlak van infrastructuur en management zodat de museale bestemming van het cultureel erfgoed in de toekomst blijft bestaan;8° de algemeen aanvaarde deontologische regels voor het museumberoep in acht nemen;9° gevestigd zijn in het Nederlandse taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en wegens zijn activiteiten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de Vlaamse Gemeenschap. De Vlaamse regering bepaalt de nadere specificaties van de erkenningsvoorwaarden. § 2. Een structurele samenwerking van twee of meer musea voor het geheel van de museumwerking en vanuit één museaal concept met een aantoonbare meerwaarde wordt voor de erkenning als één museum beschouwd.

Art. 5.§ 1. Een aanvraag tot erkenning van een museum wordt ingediend door het bevoegde gezag en bevat een beleidsplan waarin de visie, de doelstellingen en de werking van het museum worden geformuleerd.

Het museum geeft daarbij aan op welke wijze het voldoet aan de erkenningsvoorwaarden.

Dit beleidsplan, het gemeentelijke of provinciale cultuurbeleidsplan en, in voorkomend geval, het beleidsplan over de uitvoering van het erfgoedconvenant, moeten op elkaar afgestemd zijn.

Dit beleidsplan slaat op een periode van maximaal zes jaar, die loopt tot en met 31 december van het tweede jaar van een volgende gemeentelijke of provinciale beleidsperiode. § 2. De Vlaamse regering beslist over een erkenning als museum, na advies van de bevoegde beoordelingscommissie, bedoeld in artikel 44, en van de betrokken provincie of gemeente, indien deze niet het bevoegde gezag zijn. § 3. Een erkenning als museum is van onbepaalde duur. § 4. De Vlaamse regering kan de erkenning als museum, na advies van de bevoegde beoordelingscommissie, bedoeld in artikel 44, schorsen of intrekken als niet meer voldaan is aan de erkenningsvoorwaarden. § 5. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot de aanvraag, de procedure met inbegrip van de verhaal- en beroepsprocedures, het toezicht, de evaluatie en de procedure tot schorsing of intrekking van een erkenning als museum.

Art. 6.Alleen een instelling die erkend is op grond van artikel 4 mag de naam "museum erkend door de Vlaamse Gemeenschap" dragen.

De Vlaamse regering bepaalt het herkenningsteken van "erkend museum". Afdeling 2. - Instellingen van de Vlaamse Gemeenschap

Art. 7.De instellingen van de Vlaamse Gemeenschap moeten voldoen aan de erkenningsvoorwaarden van een museum, bedoeld in artikel 4, § 1.

Deze instellingen worden door de Vlaamse regering gelijkgesteld met erkende musea en mogen het herkenningsteken als bedoeld in artikel 6, dragen.

Art. 8.§ 1. De instellingen van de Vlaamse Gemeenschap die ze zelf beheert stellen een beleidsplan op als bedoeld in artikel 5, § 1, eerste lid, voor een periode van vijf jaar, die loopt van 1 januari van het tweede volledige kalenderjaar van een legislatuur van het Vlaams Parlement tot en met 31 december van het eerste volledige kalenderjaar van een volgende legislatuur van het Vlaams Parlement.

De Vlaamse regering beslist, na advies van de bevoegde beoordelingscommissie, bedoeld in artikel 44, over de goedkeuring van het beleidsplan.

De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot de procedure voor het indienen en het goedkeuren van het beleidsplan. § 2. Met de instellingen van de Vlaamse Gemeenschap die ze niet zelf beheert sluit de Vlaamse regering een beheersovereenkomst.

Deze beheersovereenkomst bepaalt nader de opdrachten die de Vlaamse Gemeenschap aan de instellingen geeft, evenals hun missie en doelstellingen, de resultaatgebieden, de hoogte van de werkingssubsidie en de modaliteiten inzake werking, evaluatie, toezicht en sanctionering.

De beheersovereenkomst slaat op een periode van vijf jaar, die loopt van 1 januari van het tweede volledige kalenderjaar van een legislatuur van het Vlaams Parlement tot en met 31 december van het eerste volledige kalenderjaar van een volgende legislatuur van het Vlaams Parlement. Ze wordt gesloten minstens zes maanden voor ze in werking treedt en wordt door de Vlaamse regering meegedeeld aan het Vlaams Parlement.

Ter voorbereiding van de beheersovereenkomst dienen deze instellingen een beleidsplan in als bedoeld in artikel 5, § 1, eerste lid, betreffende de periode van de beheersovereenkomst.

De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot de procedure ter voorbereiding van de beheersovereenkomst. Afdeling 3. - Subsidiëring

Art. 9.§ 1. De Vlaamse regering kan aan een erkend museum een jaarlijkse werkingssubsidie toekennen voor de optimalisering van de museumwerking.

Daartoe deelt de Vlaamse regering, na advies van de bevoegde beoordelingscommissie, bedoeld in artikel 44, de erkende musea in drie niveaus in : een landelijk niveau, een regionaal niveau en een basisniveau. § 2. Om een erkend museum in te delen, worden de inhoud en de werking ervan getoetst aan de volgende criteria : 1° het belang van het cultureel erfgoed;2° de culturele en maatschappelijke verantwoordelijkheid die door het museum wordt opgenomen;3° de kwaliteit van de uitvoering van de basisfuncties;4° de kwaliteit van de bedrijfsvoering;5° de geografische reikwijdte. De Vlaamse regering bepaalt de nadere specificaties van de criteria.

Art. 10.§ 1. Om in aanmerking te komen voor de subsidiëring, bedoeld in artikel 9, § 1, moet het erkende museum een beleidsplan indienen als bedoeld in artikel 5, § 1.

Dit beleidsplan, het gemeentelijke of provinciale cultuurbeleidsplan en, in voorkomend geval, het beleidsplan over de uitvoering van het erfgoedconvenant, moeten op elkaar afgestemd zijn.

Dit beleidsplan slaat op een periode van maximaal zes jaar, die loopt van 1 januari van het derde jaar van een gemeentelijke of provinciale beleidsperiode of van 1 januari van het jaar volgend op de erkenning, tot en met 31 december van het tweede jaar van een volgende gemeentelijke of provinciale beleidsperiode. § 2. Het beleidsplan wordt halverwege geactualiseerd, als het een periode van minstens drie jaar betreft.

De Vlaamse regering keurt dit beleidsplan goed, na advies van de bevoegde beoordelingscommissie, bedoeld in artikel 44.

Art. 11.§ 1. De werkingssubsidie bevat : 1° voor erkende musea, ingedeeld bij het landelijke niveau, bedoeld in artikel 9, de financiële middelen voor de ondersteuning van de basisfuncties en bedraagt per museum een gelijk forfaitair bedrag van ten minste 250.000 euro per jaar; 2° voor erkende musea, ingedeeld bij het regionale niveau, bedoeld in artikel 9, de financiële middelen voor de ondersteuning van de uitbouw van expertise ten behoeve van het cultureel erfgoed in de regio en bedraagt per museum een gelijk forfaitair bedrag van ten minste 50.000 euro per jaar; 3° voor erkende musea, ingedeeld bij het basisniveau, bedoeld in artikel 9, de financiële middelen voor de ondersteuning van de basisfuncties en bedraagt per museum een gelijk forfaitair bedrag van ten minste 12.500 euro per jaar. § 2. De werkingssubsidie wordt toegekend voor de periode waarop het beleidsplan betrekking heeft en kan tussentijds verhoogd worden. § 3. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot de aanvraag, de procedure met inbegrip van de verhaal- en beroepsprocedures, de toekenning, het toezicht en de evaluatie van de werkingssubsidies.

Art. 12.§ 1. De Vlaamse regering kan een jaarlijkse werkingssubsidie toekennen aan een overkoepelend samenwerkingsverband dat een gespecialiseerde landelijk relevante expertise heeft ontwikkeld voor één of meerdere basisfuncties van de museumwerking en een pilootfunctie vervult voor het cultureel-erfgoedveld. § 2. Om in aanmerking te komen, moet het samenwerkingsverband voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° een samenwerkingsverband zijn van minstens drie erkende musea dat een meerwaarde betekent voor de verschillende partners;2° beschikken over een publiekrechtelijke of een privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid zonder winstoogmerk;3° gevestigd zijn in het Nederlandse taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en wegens zijn activiteiten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de Vlaamse Gemeenschap;4° een beleidsplan indienen waarin de visie, de doelstellingen en de werking van het samenwerkingsverband worden geformuleerd.Dit beleidsplan slaat op een periode van maximaal vijf jaar die loopt tot en met 31 december van het eerste volledige kalenderjaar van een volgende legislatuur van het Vlaams Parlement.

Dit beleidsplan wordt halverwege geactualiseerd, als het een periode van minstens drie jaar betreft. De Vlaamse regering keurt dit beleidsplan goed, na advies van de bevoegde beoordelingscommissie, bedoeld in artikel 44. § 3. Dit samenwerkingsverband wordt getoetst aan de volgende criteria : 1° de gespecialiseerde landelijk relevante expertise voor één of meerdere basisfuncties van de museumwerking;2° de pilootfunctie van het samenwerkingsverband voor het cultureel-erfgoedveld;3° de visie en de doelstellingen van het samenwerkingsverband;4° de samenwerking met andere cultureel-erfgoed-actoren;5° de geografische reikwijdte. § 4. De Vlaamse regering kan na advies van de bevoegde beoordelingscommissie, bedoeld in artikel 44, op basis van een gemotiveerde rangorde elk jaar beslissen om drie nieuwe overkoepelende samenwerkingsverbanden als bedoeld in § 1, te subsidiëren. § 5. De werkingssubsidie bedraagt ten minste 50.000 euro per jaar en bevat de financiële middelen voor de ondersteuning van het samenwerkingsverband, bedoeld in § 1.

De werkingssubsidie wordt toegekend voor de periode waarop het beleidsplan betrekking heeft en kan tussentijds aangepast worden op basis van het goedgekeurd geactualiseerd beleidsplan als bedoeld in § 2, 4°. § 6. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot de criteria, de aanvraag, de procedure met inbegrip van de verhaal- en beroepsprocedures, de toekenning, het toezicht en de evaluatie van de werkingssubsidies.

Art. 13.§ 1. De Vlaamse regering kan een jaarlijkse werkingssubsidie toekennen aan een overkoepelend samenwerkingsverband van minstens drie erkende musea waarvan de collecties thematisch bij elkaar aansluiten en dat een gespecialiseerde relevante expertise heeft ontwikkeld, die bijdraagt tot de internationale positionering en profilering van de betrokken musea. § 2. Om in aanmerking te komen moet het samenwerkingsverband voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° een samenwerkingsverband zijn van minstens drie erkende musea dat een meerwaarde betekent voor de verschillende partners;2° beschikken over een publiekrechtelijke of een privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid zonder winstoogmerk;3° gevestigd zijn in het Nederlandse taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en wegens zijn activiteiten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de Vlaamse Gemeenschap;4° een beleidsplan indienen waarin de visie, de doelstellingen en de werking van het samenwerkingsverband worden geformuleerd, in het bijzonder met het oog op de internationale positionering en profilering.Dit beleidsplan slaat op een periode van maximaal vijf jaar die loopt tot en met 31 december van het eerste volledige kalenderjaar van een volgende legislatuur van het Vlaams Parlement.

Dit beleidsplan wordt halverwege geactualiseerd, als het een periode van minstens drie jaar betreft. De Vlaamse regering keurt dit beleidsplan goed, na advies van de bevoegde beoordelingscommissie, bedoeld in artikel 44.

Een erkend museum kan slechts deel uitmaken van één overkoepelend samenwerkingsverband als bedoeld in § 1. § 3. Dit samenwerkingsverband wordt getoetst aan de volgende criteria : 1° het internationale belang van de gezamenlijke collecties cultureel erfgoed;2° de gespecialiseerde internationaal relevante expertise voor het geheel of voor deelgebieden van de werking van het samenwerkingsverband;3° de visie en de doelstellingen van het samenwerkingsverband;4° de samenwerking met andere cultureel-erfgoedactoren;5° de verantwoordelijkheid voor het cultureel-erfgoedveld;6° de internationale positionering en profilering. § 4. De Vlaamse regering kan na advies van de bevoegde beoordelingscommissie, bedoeld in artikel 44, op basis van een gemotiveerde rangorde elk jaar beslissen om één nieuw overkoepelend samenwerkingsverband als bedoeld in § 1, te subsidiëren. § 5. De werkingssubsidie bedraagt ten minste 125.000 euro per jaar en bevat de financiële middelen voor de ondersteuning van het samenwerkingsverband als bedoeld in § 1.

De werkingssubsidie wordt toegekend voor de periode waarop het beleidsplan betrekking heeft en kan tussentijds aangepast worden op basis van het goedgekeurd geactualiseerd beleidsplan als bedoeld in § 2, 4°. § 6. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot de criteria, de aanvraag, de procedure met inbegrip van de verhaal- en beroepsprocedures, de toekenning, het toezicht en de evaluatie van de werkingssubsidies.

Art. 14.Eenzelfde overkoepelend samenwerkingsverband komt slechts in aanmerking voor één werkingssubsidie als bedoeld in artikel 12 en 13.

Art. 15.§ 1. Met het oog op het oprichten van een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 4, § 2, artikel 12, § 1, en artikel 13, § 1, kunnen twee of meer gemeenten of twee of meer provincies zich verenigen, al dan niet samen met andere publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersonen. Die verenigingen zijn publiekrechtelijke rechtspersonen. Zij hebben geen handelskarakter. In afwijking van het decreet houdende de intergemeentelijke samenwerking, nemen die verenigingen de rechtsvorm aan van een vereniging zonder winstoogmerk. De wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen is op die verenigingen van toepassing voorzover de statuten er niet van afwijken wegens de bijzondere aard van de vereniging. In geen geval mogen de verenigingen nijverheids- of handelszaken drijven of trachten een stoffelijk voordeel aan hun leden te verschaffen. § 2. De Vlaamse regering wordt gemachtigd om, met betrekking tot de erkende musea beheerd door de Vlaamse Gemeenschap, bedoeld in artikel 8, § 1, mee te werken aan de oprichting van een overkoepelend samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 12, § 1, en artikel 13, § 1, of om erin deel te nemen.

De Vlaamse regering kan statutair personeel dat verbonden is aan de musea, bedoeld in het eerste lid, ter beschikking stellen van het overkoepelende samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, overeenkomstig artikel XI 53 en volgende van het besluit van de Vlaamse regering van 15 juli 2002 houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel, voorzover de betrokken personeelsleden hiermee instemmen.

Het overkoepelend samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, kan contractueel personeel van de Vlaamse Gemeenschap dat verbonden is aan de musea, bedoeld in het eerste lid, overnemen.

Art. 16.§ 1. De Vlaamse regering kan, na advies van de bevoegde beoordelingscommissie, bedoeld in artikel 44, een projectsubsidie toekennen aan een erkend museum voor initiatieven ter versterking van de basisfuncties van de museumwerking, bedoeld in artikel 4, § 1.

Daartoe voorziet de Vlaamse regering jaarlijks in een krediet van ten minste 1.300.000 euro.

De Vlaamse regering kan voorrang geven aan de ondersteuning van een van de basisfuncties, op basis van de beleidsprioriteiten zoals gesteld in de Beleidsnota Cultuur. § 2. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot de criteria, de aanvraag, de procedure, de toekenning, het toezicht en de evaluatie van de projectsubsidies. HOOFDSTUK II. - Erfgoedconvenants Afdeling 1. - Erfgoedconvenants met gemeenten of

samenwerkingsverbanden van omliggende gemeenten

Art. 17.§ 1. Een erfgoedconvenant is een overeenkomst met resultaatsverbintenis tussen de Vlaamse Gemeenschap en een gemeente of een samenwerkingsverband van omliggende gemeenten als bedoeld in § 2, met het oog op de uitbouw van een duurzaam en integraal beleid met betrekking tot het cultureel erfgoed op lokaal niveau. § 2. De Vlaamse regering kan een erfgoedconvenant sluiten met : 1° een gemeente met meer dan 20.000 inwoners; 2° een samenwerkingsverband van omliggende gemeenten met rechtspersoonlijkheid als bedoeld in het decreet houdende de intergemeentelijke samenwerking, waarvan het totale inwonersaantal minstens 20.000 bedraagt. § 3. Een gemeente kan slechts deel uitmaken van één samenwerkingsverband als bedoeld in § 2, 2°.

Art. 18.§ 1. Een gemeente of een samenwerkingsverband van omliggende gemeenten als bedoeld in artikel 17, § 2, 2°, kan een aanvraag indienen om een eerste erfgoedconvenant met de Vlaamse regering te sluiten. § 2. De aanvraag omvat een 'intentienota erfgoedconvenant' met : 1° een omgevingsanalyse die aansluit bij het gemeentelijke cultuurbeleidsplan van de betrokken gemeente(n) waarin de erfgoedactoren, het aanwezige cultureel erfgoed en de culturele en maatschappelijke verantwoordelijkheid ten opzichte van het cultureel erfgoed in de omgeving beschreven worden;2° de visie op en de doelstellingen van het cultureel-erfgoedbeleid in de betrokken gemeente(n) en, in voorkomend geval, de meerwaarde voor het samenwerkingsverband;3° de situering en planning van de werking van een erfgoedcel, die binnen het kader van het erfgoedconvenant de reeds aanwezige expertise coördineert en via ontsluiting van cultureel erfgoed een ruim maatschappelijk draagvlak voor het cultureel erfgoed realiseert;4° de effecten die men wil bereiken en de middelen die hiervoor worden ingezet. § 3. De aanvraag wordt getoetst aan de volgende criteria : 1° het belang van het aanwezige cultureel erfgoed en de erfgoedactoren in de betrokken gemeente(n);2° de visie op en de doelstellingen van een geïntegreerd cultureel-erfgoedbeleid;3° de regionale spreiding voor Vlaanderen van de erfgoedconvenants;4° de inbreng van middelen door de gemeente of het samenwerkingsverband van omliggende gemeenten. § 4. De Vlaamse regering beslist elk jaar, na advies van de bevoegde beoordelingscommissie, bedoeld in artikel 44, op basis van een gemotiveerde rangorde, met welke gemeente of samenwerkingsverband van omliggende gemeenten een erfgoedconvenant wordt gesloten.

De Vlaamse regering kan elk jaar beslissen het aantal erfgoedconvenants te vermeerderen met drie. § 5. Een eerste erfgoedconvenant wordt gesloten, na onderhandeling, voor een periode van maximaal zes jaar, die loopt van 1 januari van het jaar volgend op de beslissing tot en met 31 december van het tweede jaar van een volgende gemeentelijke beleidsperiode. § 6. Bij de aanvang van elke nieuwe convenantperiode van zes jaar blijft het aantal erfgoedconvenants van het voorgaande jaar behouden, eventueel vermeerderd met drie erfgoedconvenants, overeenkomstig § 4, tweede lid.

Art. 19.§ 1. De gemeente of het samenwerkingsverband van omliggende gemeenten, waarmee een erfgoedconvenant werd gesloten als bedoeld in artikel 18, § 4, dient tijdens het eerste jaar van het eerste erfgoedconvenant een beleidsplan in waarin de visie, de doelstellingen en de uitvoering van het erfgoedconvenant worden geformuleerd.

Dit beleidsplan, het gemeentelijke cultuurbeleidsplan en, in voorkomend geval, de beleidsplannen van musea en archiefinstellingen, moeten op elkaar afgestemd zijn.

Het beleidsplan slaat op een periode van maximaal zes jaar die uiterlijk loopt tot en met 31 december van het tweede jaar van een volgende gemeentelijke beleidsperiode. § 2. Dit beleidsplan wordt halverwege geactualiseerd, als het een periode van minstens drie jaar betreft. § 3. De Vlaamse regering keurt het beleidsplan of het geactualiseerde beleidsplan goed, na advies van de bevoegde beoordelingscommissie, bedoeld in artikel 44.

Art. 20.§ 1. De Vlaamse regering kan, na een eerste erfgoedconvenant, opeenvolgende erfgoedconvenants sluiten met een gemeente of een samenwerkingsverband van omliggende gemeenten met rechtspersoonlijkheid, voor telkens een periode van zes jaar, na onderhandeling, op basis van een nieuw beleidsplan.

Het beleidsplan slaat op een periode van zes jaar die loopt van 1 januari van het derde jaar van een gemeentelijke beleidsperiode tot en met 31 december van het tweede jaar van een volgende gemeentelijke beleidsperiode.

Dit beleidsplan, het gemeentelijke cultuurbeleidsplan en, in voorkomend geval, de beleidsplannen van musea en archiefinstellingen, moeten op elkaar afgestemd zijn. § 2. Dit beleidsplan wordt geactualiseerd halverwege de periode van het beleidsplan. § 3. De Vlaamse regering keurt het beleidsplan of het geactualiseerde beleidsplan goed, na advies van de bevoegde beoordelingscommissie, bedoeld in artikel 44.

Art. 21.§ 1. De Vlaamse regering voorziet voor de uitvoering van het erfgoedconvenant in een werkingssubsidie die de financiële middelen voor de ondersteuning van de werking van de erfgoedcel, bedoeld in artikel 18, § 2, 3°, bevat en : 1° 100.000 euro per jaar bedraagt voor een gemeente met meer dan 20 000 en hoogstens 35 000 inwoners of voor een samenwerkingsverband van omliggende gemeenten met rechtspersoonlijkheid, waarvan het totale inwonersaantal meer dan 20 000 en hoogstens 35 000 bedraagt; 2° ten minste 200.000 euro per jaar bedraagt voor een gemeente met meer dan 35 000 en hoogstens 100 000 inwoners of voor een samenwerkingsverband van omliggende gemeenten met rechtspersoonlijkheid, waarvan het totale inwonersaantal meer dan 35 000 en hoogstens 100 000 bedraagt; 3° ten minste 300.000 euro per jaar bedraagt voor een gemeente met meer dan 100 000 inwoners of voor een samenwerkingsverband van omliggende gemeenten met rechtspersoonlijkheid, waarvan het totale inwonersaantal meer dan 100 000 bedraagt. § 2. De werkingssubsidie wordt toegekend voor de periode waarop het beleidsplan betrekking heeft en kan tussentijds aangepast worden op basis van het goedgekeurd geactualiseerd beleidsplan als bedoeld in artikel 19, § 3, en artikel 20, § 3.

Art. 22.§ 1. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels voor de aanvraag en de procedure voor het sluiten van een erfgoedconvenant en de evaluatie van het convenant. § 2. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels voor de opmaak van het beleidsplan en de procedure tot goedkeuring van het beleidsplan. § 3. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot de criteria, de aanvraag, de procedure met inbegrip van de verhaal- en beroepsprocedures, de toekenning, het toezicht en de evaluatie van de werkingssubsidies. Afdeling 2. - Erfgoedconvenant met de Vlaamse Gemeenschapscommissie

Art. 23.§ 1. De Vlaamse regering kan met de Vlaamse Gemeenschapscommissie opeenvolgende erfgoedconvenants sluiten met het oog op de uitbouw van een duurzaam en integraal beleid met betrekking tot het cultureel erfgoed in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. § 2. Het erfgoedconvenant met de Vlaamse Gemeenschapscommissie wordt gesloten, na onderhandeling, telkens voor een periode van vijf jaar, op basis van een beleidsplan waarin de visie, de doelstellingen en de uitvoering van het erfgoedconvenant worden geformuleerd.

Dit beleidsplan en het cultuurbeleidsplan van de Vlaamse Gemeenschapscommissie moeten op elkaar afgestemd zijn.

Het beleidsplan slaat op een periode van vijf jaar, die loopt van 1 januari van het derde volledige kalenderjaar van een legislatuur van het Vlaams Parlement tot en met 31 december van het tweede volledige kalenderjaar van een volgende legislatuur van het Vlaams Parlement. § 3. Het beleidsplan wordt geactualiseerd halverwege de periode van het beleidsplan. § 4. De Vlaamse regering keurt het beleidsplan of het geactualiseerde beleidsplan goed, na advies van de bevoegde beoordelingscommissie, bedoeld in artikel 44.

Art. 24.§ 1. De Vlaamse regering voorziet voor de uitvoering van het erfgoedconvenant met de Vlaamse Gemeenschapscommissie in een werkingssubsidie die de financiële middelen voor de ondersteuning van de werking van de erfgoedcel bevat en ten minste 245.000 euro per jaar bedraagt. § 2. De werkingssubsidie wordt toegekend voor de periode waarop het beleidsplan betrekking heeft en kan tussentijds aangepast worden op basis van het goedgekeurd geactualiseerd beleidsplan, bedoeld in artikel 23, § 4.

Art. 25.§ 1. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels voor de aanvraag en de procedure voor het sluiten van het erfgoedconvenant en de evaluatie van het convenant. § 2. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels voor de opmaak van het beleidsplan en de procedure tot goedkeuring van het beleidsplan. § 3 De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot de criteria, de aanvraag, de procedure met inbegrip van de verhaal- en beroepsprocedures, de toekenning, het toezicht en de evaluatie van de werkingssubsidie. HOOFDSTUK III. - Cultureel-erfgoedpublicaties

Art. 26.§ 1. De Vlaamse regering kan, na advies van de bevoegde beoordelingscommissie, bedoeld in artikel 44, ongeacht de drager, een subsidie toekennen aan de uitgever die voldoet aan de voorwaarden zoals bepaald in artikel 27, § 1, voor : 1° een periodieke cultureel-erfgoedpublicatie, die minstens tweemaal per kalenderjaar verschijnt in eenzelfde reeks;2° een niet-periodieke of éénmalige cultureel-erfgoedpublicatie. Daartoe voorziet de Vlaamse regering jaarlijks in een krediet van ten minste 100.000 euro. § 2. De subsidies, bedoeld in § 1, 1°, kunnen om de vier jaar toegekend worden in de vorm van een vierjarige werkingssubsidie.

De subsidies, bedoeld in § 1, 1°, kunnen om de twee jaar toegekend worden in de vorm van een tweejarige werkingssubsidie.

De Vlaamse regering kan een tweejarige subsidie toekennen aan publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersonen die een vierjarige subsidiëring aanvragen. § 3. De subsidies voor niet-periodieke publicaties, bedoeld in § 1, 2°, zijn projectsubsidies.

Art. 27.§ 1. Om in aanmerking te komen voor subsidiëring, bedoeld in artikel 26, § 1, moet de uitgever van een publicatie voldoen aan volgende voorwaarden : 1° gevestigd zijn in het Nederlandse taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.In het geval van een niet-periodieke publicatie kan hiervan worden afgeweken voor een natuurlijke persoon, als het belang van de publicatie voor het cultureel-erfgoedveld in Vlaanderen kan aangetoond worden; 2° beschikken over rechtspersoonlijkheid.In het geval van een niet-periodieke publicatie kan de uitgever een natuurlijke persoon zijn; 3° voldoende expertise kunnen voorleggen met betrekking tot het uitgeven en distribueren van publicaties, of kunnen aantonen dat hij daarop afdoende een beroep kan doen. § 2. Om in aanmerking te komen voor subsidiëring, bedoeld in artikel 26, § 1, moet de publicatie voldoen aan de volgende criteria : 1° een inhoudelijke relevantie hebben voor het cultureel-erfgoedveld in Vlaanderen;2° een bovenregionale reikwijdte en eventueel een internationale reikwijdte kunnen aantonen;3° een degelijke kwaliteit bieden, zowel naar inhoud en taal als naar vormgeving;4° voldoende publieksgerichtheid, distributie en communicatie beogen;5° een gedegen zakelijk beheer en financiële onderbouw waarborgen. Naast de criteria, genoemd in het eerste lid, kan de Vlaamse regering aanvullende criteria bepalen in functie van de door haar geformuleerde prioriteiten.

De adviescommissie, bedoeld in artikel 43, adviseert de Vlaamse regering bij het bepalen van aanvullende criteria met betrekking tot de inhoudelijke kwaliteit van de gesubsidieerde activiteit. Ze kan zelf ook aanvullende inhoudelijke criteria ter goedkeuring voorleggen aan de Vlaamse regering.

De lijst van aanvullende criteria moet, uiterlijk drie maanden voor de aanvraag tot subsidiëring moet worden ingediend, kenbaar gemaakt worden. Als dit niet is gebeurd, gelden de aanvullende criteria die het laatst van toepassing zijn. § 3. De volgende publicaties komen niet in aanmerking voor subsidiëring als bedoeld in artikel 26, § 1 : 1° publicaties die gesubsidieerd kunnen worden op basis van een ander decreet;2° wetenschappelijke publicaties en inventarissen;3° periodieke publicaties van publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersonen die gesubsidieerd worden op grond van titel II, hoofdstuk I en II.

Art. 28.De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot de criteria, de aanvraag, de procedure met inbegrip van de verhaal- en beroepsprocedures, de toekenning, het toezicht en de evaluatie van de subsidies. HOOFDSTUK IV. - Projecten cultureel erfgoed Afdeling 1. - Cultuurhistorische tentoonstellingen

Art. 29.De Vlaamse regering kan, na advies van de bevoegde beoordelingscommissie, bedoeld in artikel 44, een projectsubsidie toekennen aan een publiekrechtelijke of een privaatrechtelijke rechtspersoon zonder winstgevend doel voor de productie van een cultuurhistorische tentoonstelling met het oog op de ontsluiting van het cultureel erfgoed.

Daartoe voorziet de Vlaamse regering jaarlijks in een krediet van ten minste 400.000 euro.

Art. 30.Om in aanmerking te komen voor subsidiëring, wordt het project getoetst aan de volgende criteria : 1° de relevantie van het thema voor de cultuurgeschiedenis;2° de ontsluiting van de resultaten van wetenschappelijk cultuurhistorisch onderzoek;3° het publieksgericht concept van de tentoonstelling;4° het bovenregionale belang;5° de samenwerking met andere culturele actoren in binnen- en buitenland;6° de voorbeeldwerking op het vlak van ontsluiting van cultureel erfgoed;7° de geografische reikwijdte. Projecten die gesubsidieerd worden met toepassing van andere decreten, komen niet in aanmerking voor subsidiëring als bedoeld in artikel 29, § 1.

Art. 31.De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot de criteria, de aanvraag, de procedure, de toekenning, het toezicht en de evaluatie van de projectsubsidies. Afdeling 2. - Ontwikkelingsgerichte projecten cultureel erfgoed

Art. 32.De Vlaamse regering kan, na advies van de bevoegde beoordelingscommissie, bedoeld in artikel 44, een projectsubsidie toekennen aan een publiekrechtelijke of een privaatrechtelijke rechtspersoon zonder winstgevend doel voor een ontwikkelingsgericht project met het oog op de zorg voor en de ontsluiting van het cultureel erfgoed.

Daartoe voorziet de Vlaamse regering jaarlijks in een krediet van ten minste 1.500.000 euro.

Art. 33.§ 1. Om in aanmerking te komen voor subsidiëring, wordt het project getoetst aan de volgende criteria : 1° de voorbeeldwerking;2° de samenwerking met andere culturele actoren;3° een duidelijk omschreven doelgroep;4° het bovenlokale belang. § 2. De Vlaamse regering kan beleidsprioriteiten stellen op basis van de Beleidsnota Cultuur. § 3. De volgende projecten komen niet in aanmerking voor subsidiëring als bedoeld in artikel 32, eerste lid : 1° projecten die gesubsidieerd worden met toepassing van andere decreten;2° projecten die gesubsidieerd worden op grond van titel II, hoofdstukken I, II en V.

Art. 34.De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot de criteria, de aanvraag, de procedure, de toekenning, het toezicht en de evaluatie van de projectsubsidies. Afdeling 3. - Internationale projecten

Art. 35.De Vlaamse regering kan, na advies van de bevoegde beoordelingscommissie, bedoeld in artikel 44, een projectsubsidie toekennen aan een publiekrechtelijke of een privaatrechtelijke rechtspersoon zonder winstgevend doel voor een internationaal project met betrekking tot het cultureel erfgoed.

Daartoe voorziet de Vlaamse regering jaarlijks in een krediet van ten minste 200.000 euro.

Art. 36.§ 1. Om in aanmerking te komen voor subsidiëring, wordt het project getoetst aan de volgende criteria : 1° de bevordering van de internationale samenwerking, uitwisseling en expertise;2° het internationale belang van het project of van de partners binnen hun werkterrein;3° de inhoudelijke kwaliteit van het project;4° de samenwerking met andere culturele actoren in binnen- en buitenland;5° de geografische spreiding. § 2. In aanvulling op de criteria, genoemd in § 1, kan de Vlaamse regering prioritaire landen of regio's bepalen. § 3. Projecten die gesubsidieerd worden op grond van de bepalingen in andere hoofdstukken of afdelingen van dit decreet of met toepassing van andere decreten, komen niet in aanmerking voor subsidiëring als bedoeld in artikel 35, eerste lid.

Art. 37.De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot de criteria, de aanvraag, de procedure, de toekenning, het toezicht en de evaluatie van de projectsubsidies. HOOFDSTUK V. - Het steunpunt voor de musea, de archiefinstellingen, de bewaarbibliotheken, de documentatiecentra en de erfgoedconvenantswerking

Art. 38.§ 1. Het steunpunt heeft als doel de musea, de archiefinstellingen, de bewaarbibliotheken, de documentatiecentra en de erfgoedconvenantswerking te ondersteunen en de ontwikkeling van het cultureel-erfgoedveld te coördineren en te stimuleren, met het oog op het zichtbaar maken van het cultureel erfgoed. § 2. Het steunpunt zal deze doelstelling realiseren door middel van zijn kerntaken : 1° praktijkondersteuning : coördineren, informeren, adviseren en begeleiden met het oog op deskundigheidsbevordering;2° praktijkontwikkeling : coördineren, initiëren en ontwikkelen van visie en methodieken in en ten gunste van het cultureel-erfgoedveld;3° beeldvorming en communicatie : organiseren en coördineren van initiatieven die de kennis over en de omgang met het cultureel erfgoed bevorderen.

Art. 39.De Vlaamse regering erkent en subsidieert de vereniging zonder winstgevend doel Culturele Biografie Vlaanderen als steunpunt voor de musea, de archiefinstellingen, de bewaarbibliotheken, de documentatiecentra en de erfgoedconvenantswerking, hierna het steunpunt te noemen.

Het steunpunt realiseert zijn kerntaken in samenspraak met andere steunpunten, inzonderheid met het Vlaams Centrum voor Volkscultuur v.z.w., en binnen een netwerk van andere erfgoedactoren.

De Vlaamse regering kan aan het steunpunt aanvullende taken toewijzen.

Art. 40.§ 1. De Vlaamse regering sluit met het steunpunt een beheersovereenkomst die betrekking heeft op : 1° de invulling van de kerntaken;2° de samenwerking met andere steunpunten;3° de evaluatie en het toezicht van de beheersovereenkomst. Deze beheersovereenkomst slaat op een periode van vijf jaar, die loopt van 1 januari van het tweede volledige kalenderjaar van een legislatuur van het Vlaams Parlement tot en met 31 december van het eerste volledige kalenderjaar van een volgende legislatuur van het Vlaams Parlement. § 2. Aanvullende taken als bedoeld in artikel 39, derde lid, zijn onderwerp van een afzonderlijke overeenkomst.

Art. 41.§ 1. Het steunpunt concretiseert de beheersovereenkomst in een beleidsplan waarin de visie, de doelstellingen en de werking van het steunpunt worden geformuleerd.

Het beleidsplan slaat op de periode waarop de beheersovereenkomst betrekking heeft, met een tussentijdse actualisering halverwege de periode van het beleidsplan.

De Vlaamse regering keurt het beleidsplan en het geactualiseerde beleidsplan goed. § 2. De procedure voor het indienen van het beleidsplan, de voorwaarden waaraan het plan moet voldoen en de wijze waarop de evaluatie zal worden georganiseerd, worden opgenomen in de beheersovereenkomst.

Art. 42.§ 1. De Vlaamse regering voorziet in een werkingssubsidie die de financiële middelen voor de ondersteuning van de uitoefening van de kerntaken van het steunpunt bevat en ten minste 800.000 euro per jaar bedraagt.

De werkingssubsidie wordt toegekend voor de periode waarop het beleidsplan betrekking heeft en kan tussentijds aangepast worden in het derde jaar van deze periode. § 2. De procedure voor het aanvragen en het toezicht op de aanwending van de werkingssubsidie worden opgenomen in de beheersovereenkomst.

TITEL III. - Organisatie van de advisering

Art. 43.§ 1. De Vlaamse regering richt een adviescommissie op voor de kwaliteitsbeoordeling inzake het beleidsveld cultureel erfgoed. § 2. De kerntaken van de adviescommissie zijn : 1° waken over een kwaliteitsvolle organisatie van de interne werking van de beoordelingscommissies en daartoe de visie, de methodiek en de evaluatie van de kwaliteitsbeoordeling ontwikkelen;2° formuleren van beleidsgericht advies op basis van de kwaliteitsbeoordeling in de beoordelingscommissies van het beleidsveld;3° kwaliteitsbeoordeling van transversale dossiers voorzover die niet worden behandeld door een beoordelingscommissie. § 3. De leden van de adviescommissie hebben een totaalvisie op het beleidsveld. De adviescommissie wordt samengesteld uit deskundigen uit de verschillende onderdelen van het beleidsveld.

De leden van de beoordelingscommissies kunnen lid zijn van de adviescommissie.

Art. 44.§ 1. De Vlaamse regering richt beoordelingscommissies op voor het kwalitatieve, inhoudelijke advies over erkennings- en subsidieaanvragen als bedoeld in titel III, hoofdstuk II en hoofdstuk III van het archiefdecreet en als bedoeld in titel II van dit decreet, met uitzondering van de erkenning en subsidiëring van het steunpunt, bedoeld in hoofdstuk V. Deze beoordelingscommissies worden samengesteld voor onderdelen van het beleidsveld cultureel erfgoed of voor transversale beleidsaspecten. § 2. Voor de beoordeling van de instellingen van de Vlaamse Gemeenschap, bedoeld in artikelen 7 en 8, kan de Vlaamse regering afzonderlijke beoordelingscommissies oprichten. Deze commissies worden samengesteld uit drie leden van de betrokken reguliere beoordelingscommissie en drie buitenlandse experts. De voorzitter van de adviescommissie is tevens de voorzitter van deze afzonderlijke beoordelingscommissies. § 3. De leden van de beoordelingscommissies worden aangesteld omwille van hun expertise over of betrokkenheid bij het te beoordelen onderdeel van het beleidsveld. De beoordelingscommissies worden op evenwichtige wijze samengesteld uit leden die de verschillende aspecten van het te beoordelen onderdeel van het beleidsveld vertegenwoordigen.

Art. 45.Het lidmaatschap van een adviescommissie of een beoordelingscommissie is onverenigbaar met een mandaat in het Europees Parlement, de Kamer van Volksvertegenwoordigers, de Senaat, het Vlaams Parlement en de Brusselse Hoofdstedelijke Raad, met het ambt van minister, staatssecretaris en hun kabinetsleden, met het ambt van personeelslid in dienst van de Vlaamse Gemeenschap of instellingen van de Vlaamse overheid die in het kader van zijn functie betrokken is bij de uitvoering van dit decreet, met het ambt van personeelslid van het Vlaams Parlement, en van personeelsleden en leden van de raad van bestuur van steunpunten en belangenbehartigers uit de betreffende sector. Zij kunnen wel op uitnodiging van het betreffende orgaan met raadgevende stem deelnemen aan haar vergaderingen.

Art. 46.§ 1. Elk jaar leggen de beoordelingscommissies en de adviescommissie een verslag met de evaluatie van hun werking voor aan de Vlaamse regering. § 2. De Vlaamse regering bepaalt de algemene procedure voor de beoordeling van dossiers. § 3. De Vlaamse regering voorziet, binnen de perken van de door het Vlaams Parlement goedgekeurde kredieten, in een bedrag waarmee de werkzaamheden van de adviescommissie en de beoordelingscommissies kunnen worden vergoed. § 4. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels voor de samenstelling, de aanstelling en het ontslag van de leden, alsook de vergoeding.

TITEL IV. - Algemene bepalingen over subsidiëring

Art. 47.De in dit decreet voorziene werkings- en projectsubsidies worden toegekend binnen de perken van de door het Vlaams Parlement goedgekeurde kredieten.

Art. 48.§ 1. De in dit decreet voorziene werkings- en projectsubsidies worden in de vorm van voorschotten beschikbaar gesteld. De Vlaamse regering bepaalt hoe de voorschotten berekend en uitbetaald kunnen worden. § 2. Onverminderd artikel 41 en artikel 50 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991, worden voorschotten ten belope van maximum 90 procent van de toegekende subsidies, vrijgesteld van het voorafgaand visum van het Rekenhof.

Art. 49.De subsidiebedragen, vermeld in artikel 11, § 1, artikel 12, § 5, artikel 13, § 5, artikel 21, § 1, artikel 24, § 1, artikel 26, § 1, 1°, en artikel 42, § 1, worden jaarlijks gekoppeld aan het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van het concurrentievermogen.

Art. 50.§ 1. In afwijking van artikel 55, § 2, van het decreet van 7 mei 2004 houdende regeling van de begrotingen, de boekhouding, de controle inzake subsidies en de controle door het Rekenhof, kan een publiekrechtelijke rechtspersoon of een privaatrechtelijke rechtspersoon die werkingssubsidies ontvangt als bedoeld in artikel 11, § 1, artikel 12, § 5, artikel 13, § 5, artikel 21, § 1, artikel 24, § 1, en artikel 42, § 1, gedurende de beleidsperiode onbeperkt een reserve aanleggen met eigen inkomsten en subsidies. Die reserve moet voldoen aan de geldende boekhoudkundige regels en moet aangewend worden voor de realisatie van het erfgoedconvenant, bedoeld in artikel 17 en artikel 23, en het beleidsplan, bedoeld in artikel 10, artikel 12, artikel 13 en artikel 41. § 2. Als de publiekrechtelijke rechtspersoon of de privaatrechtelijke rechtspersoon op het einde van de beleidsperiode nog beschikt over een reserve, aangelegd overeenkomstig § 1, kan die reserve overgedragen worden naar een volgende beleidsperiode op voorwaarde dat deze reserve niet meer bedraagt dan tien percent van de gemiddelde jaarlijkse personeels- en werkingskosten, berekend over de voorbije beleidsperiode. De personeels- en werkingskosten omvatten alle kosten die betrekking hebben op de uitvoering en de realisatie van het erfgoedconvenant, bedoeld in artikel 17 en artikel 23, en het beleidsplan, bedoeld in artikel 10, artikel 12, artikel 13 en artikel 41, en die in de voorbije beleidsperiode tot stand zijn gekomen. Bij de berekening van de overdraagbare reserve wordt geen rekening gehouden met éénmalige uitzonderlijke inkomsten. De Vlaamse regering bepaalt de éénmalige uitzonderlijke inkomsten die in aanmerking komen.

De Vlaamse regering kan een afwijking toestaan van het in het eerste lid bepaalde percentage op voorwaarde dat de publiekrechtelijke rechtspersoon of de privaatrechtelijke rechtspersoon daartoe een gemotiveerd bestedingsplan voorlegt.

De overgedragen reserve, bedoeld in het eerste lid, moet aangewend worden voor de realisatie van het erfgoedconvenant, bedoeld in artikel 17 en artikel 23, en het beleidsplan, bedoeld in artikel 10, artikel 12, artikel 13 en artikel 41. § 3. Als bij de afrekening van het laatste werkingsjaar van de beleidsperiode, bedoeld in § 1, de resterende reserve, bedoeld in § 2, eerste lid, meer bedraagt dan hetgeen bepaald werd in § 2, dan moet het teveel ingehouden worden van het nog uit te keren saldo van de werkingssubsidie, toegekend aan de publiekrechtelijke rechtspersoon of de privaatrechtelijke rechtspersoon, en moet het eventueel daarna nog resterende bedrag door de publiekrechtelijke rechtspersoon of de privaatrechtelijke rechtspersoon, teruggestort worden aan de Vlaamse Gemeenschap tot een maximum van de door de Vlaamse Gemeenschap toegekende werkingssubsidies in het laatste jaar van de beleidsperiode.

Als aan een publiekrechtelijke rechtspersoon of een privaatrechtelijke rechtspersoon, bedoeld in § 1, na afloop van de beleidsperiode waarop het erfgoedconvenant, bedoeld in artikel 17 en artikel 23, en het beleidsplan, bedoeld in artikel 10, artikel 12, artikel 13 en artikel 41, betrekking heeft, geen werkingssubsidies meer worden verleend, dan is de publiekrechtelijke rechtspersoon of de privaatrechtelijke rechtspersoon verplicht een bestedingsplan voor de aangelegde reserve, aangelegd overeenkomstig § 1, in te dienen bij de door de Vlaamse regering aangewezen dienst. De reserve moet in voorkomend geval prioritair aangewend worden voor het voldoen van de arbeidsrechtelijke verplichtingen.

TITEL V. - Slotbepalingen HOOFDSTUK I. - Wijzigingsbepalingen

Art. 51.§ 1. In artikel 10 van het archiefdecreet worden § 6 en § 7 vervangen door wat volgt : « § 6. De Vlaamse regering stelt de subsidie vast, op voorstel van de administratie en rekening houdend met de kwaliteitsbeoordeling van de beoordelingscommissie, bedoeld in artikel 44 van het Erfgoeddecreet. § 7. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot de aanvraag en de procedure tot toekenning van de subsidies. ». § 2. In artikel 14 van het archiefdecreet wordt § 2 vervangen door wat volgt : « § 2. De Vlaamse regering stelt de subsidie vast, op voorstel van de administratie en rekening houdend met de kwaliteitsbeoordeling van de beoordelingscommissie, bedoeld in artikel 44 van het Erfgoeddecreet. » § 3. Artikel 15 van het archiefdecreet wordt vervangen door wat volgt : « De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot de aanvraag en de procedure tot toekenning van de subsidies. » HOOFDSTUK II. - Opheffingsbepalingen

Art. 52.Het decreet van 20 december 1996 tot erkenning en subsidiëring van musea wordt opgeheven.

Art. 53.Artikel 10 van het decreet van 19 december 1997 houdende oprichting van een Raad voor Cultuur, een Raad voor de Kunsten, een Raad voor Volksontwikkeling en Cultuurspreiding en van een adviserende beroepscommissie inzake culturele aangelegenheden, wordt opgeheven.

Art. 54.Art. 10, § 5, 14, § 1, 16 en 17, van het archiefdecreet worden opgeheven. HOOFDSTUK III. - Overgangsbepalingen

Art. 55.In afwijking van artikel 5 blijven de musea, erkend op 31 december 2004 in toepassing van het decreet van 20 december 1996 tot erkenning en subsidiëring van musea, erkend als museum op basis van artikel 4.

Deze musea blijven, tot 31 december 2005, ingedeeld en gesubsidieerd in toepassing van artikel 5 en artikel 6, eerste lid en tweede lid, 2° en 3°, van het decreet van 20 december 1996 tot erkenning en subsidiëring van musea.

Voor de toepassing van artikel 11, in afwijking van artikel 10, worden de op 31 december 2005, volgens het eerste lid erkende musea, in toepassing van het decreet van 20 december 1996 tot erkenning en subsidiëring van musea, gelijkgesteld met de indeling als bedoeld in artikel 9, tot en met 31 december 2008.

De in voorgaand lid bedoelde musea moeten een volgend beleidsplan als bedoeld in artikel 10, indienen in 2008.

Art. 56.§ 1. In afwijking van artikel 18, § 4, wordt met Antwerpen, Gent, Brugge, Leuven, Mechelen, Tongeren, Ieper en Kortrijk, een erfgoedconvenant gesloten voor de periode die loopt van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2008. § 2. In afwijking van artikel 20, § 1, wordt door de in § 1 vermelde gemeenten, een beleidsplan ingediend voor de periode die loopt van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2008. § 3. In afwijking van artikel 21, § 1, behouden Antwerpen, Gent en Tongeren, tot en met 2008, een minimum werkingssubsidie van respectievelijk 500.000 euro, 400.000 euro en 200.000 euro per jaar. § 4. In afwijking van artikel 23, § 2, wordt met de Vlaamse Gemeenschapscommissie, een erfgoedconvenant gesloten voor de periode die loopt van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2006, op basis van een beleidsplan voor die periode.

Art. 57.In afwijking van artikel 40, § 1, sluit de Vlaamse regering een eerste beheersovereenkomst met het steunpunt voor een periode die loopt tot en met 31 december 2005. HOOFDSTUK IV. - Slotbepalingen

Art. 58.Dit decreet wordt aangehaald als : Erfgoeddecreet.

Art. 59.Artikel 4 tot en met 8, artikel 16, artikel 21, artikel 24, artikel 26 tot en met 37 en artikel 52, treden in werking op 1 januari 2005.

Artikel 9 tot en met 14 treden in werking op 1 januari 2006.

Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Brussel, 7 mei 2004. _______ Nota (1) Zitting 2003-2004. Stukken. - Ontwerp van decreet : 2018, nr. 1. - Verslag over hoorzitting : 2018, nr. 2. - Amendementen : 2018, nr. 3. - Verslag : 2018, nr. 4. - Tekst aangenomen door de plenaire vergadering : 2018, nr. 5.

Handelingen. - Bespreking en aanneming. Vergaderingen van 27 en 29 april 2004.

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^