Decreet van 07 november 2013
gepubliceerd op 18 december 2013
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Decreet tot bepaling van het hogeronderwijslandschap en de academische organisatie van de studies

bron
ministerie van de franse gemeenschap
numac
2013029625
pub.
18/12/2013
prom.
07/11/2013
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

7 NOVEMBER 2013. - Decreet tot bepaling van het hogeronderwijslandschap en de academische organisatie van de studies (1)


Het Parlement van de Franse Gemeenschap heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : TITEL I. - Gemeenschappelijke bepalingen HOOFDSTUK I. - Opdrachten van het hoger onderwijs

Artikel 1.§ 1. Dit decreet betreft het hoger onderwijs met volledig leerplan, in de zin van de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs. Het wordt verstrekt binnen instellingen voor hoger onderwijs, die door de Franse Gemeenschap worden georganiseerd of gesubsidieerd. Die instellingen dragen de naam Universiteit, Hogescholen of Hogere Kunstscholen, naargelang van hun specificiteit.

Ongeacht of die instellingen door de Franse Gemeenschap worden georganiseerd of gesubsidieerd, ze worden in dit decreet « instellingen voor hoger onderwijs » genoemd. § 2. Worden eveneens als instellingen voor hoger onderwijs in de zin van dit decreet beschouwd, de instellingen voor sociale promotie die op het niveau van het hoger onderwijs een afdeling organiseren, bedoeld in artikel 10, § 2, van het decreet van 16 april 1991 houdende organisatie van het onderwijs voor sociale promotie.

Daar de instellingen geen instellingen voor onderwijs met volledig leerplan zijn, wordt de organisatie van de studies daar niet geregeld bij de bepalingen van TITEL III.-, HOOFDSTUK III.-, HOOFDSTUK VIII.-, HOOFDSTUK X.-, Afdeling 2. - en Afdeling 3.-, en HOOFDSTUK XI.-.

Art. 2.Het hoger onderwijs in de Franse Gemeenschap is een openbare dienst van algemeen nut. Alleen de instellingen die bij dit decreet bedoeld zijn, worden ertoe gemachtigd de opdrachten uit te oefenen die hun wettelijk worden toevertrouwd, inzonderheid : de academische bekwaamheidsbewijzen en graden die de hogere studies bekrachtigen, toekennen, en de overeenstemmende diploma's en getuigschriften uitreiken.

Die instellingen, met hun personeel, oefenen, naargelang van hun vakken, middelen en specificiteit, maar altijd met het oog op uitstekende resultaten en kwaliteitsvolle dienstverlening aan de samenleving, de drie aanvullende opdrachten uit : 1° onderwijscursussen en initiële en voortgezette hogere opleidingen, overeenstemmend met de niveaus 5 tot 8 van het Franstalige kwalificatiekader, aanbieden, en de overeenstemmende verworven kennis en competenties bekrachtigen, op het einde van de studiecyclussen of door persoonlijke, beroeps- en opleidingsverworvenheden in aanmerking te nemen;2° deelnemen aan individuele of collectieve activiteiten inzake onderzoek, innovatie of creatie, en zo zorgen voor de ontwikkeling, de bewaring en de overdracht van de kennis en het cultureel, artistiek en wetenschappelijk erfgoed;3° zorgen voor de dienstverlening aan de samenleving, dank zij hun deskundigheid en hun onafhankelijkheidsplicht, hun antwoord op de maatschappelijke behoeften, in medewerking of dialoog met de educatieve, sociale, culturele, economische en politieke wereld. Die verschillende opdrachten worden uitgeoefend in het kader van samenwerkingsverbanden en internationale uitwisselingen met federale, regionale of andere Belgische gemeenschappen of binnen de Franse Gemeenschap. HOOFDSTUK II. - Doelstellingen en finaliteiten

Art. 3.§ 1. Voor de uitoefening van hun onderwijsopdracht, streven de instellingen voor hoger onderwijs in de Franse Gemeenschap, gelijktijdig en zonder hiërarchie, inzonderheid de volgende algemene doelstellingen na : 1° studenten begeleiden in hun rol als verantwoordelijke burgers, die kunnen bijdragen tot de ontwikkeling van een democratische, pluralistische en solidaire maatschappij;2° de zelfstandigheid en de ontplooiing van studenten bevorderen, inzonderheid door hun wetenschappelijke en artistieke nieuwsgierigheid op te wekken, hun kritische zin, hun verantwoordelijkheidszin en hun individuele en collectieve plichtsbesef te ontwikkelen;3° zowel via de inhoud van het verstrekte onderwijs als door de andere activiteiten die door de instelling worden georganiseerd, de humanistische waarden, de creative en innoverende tradities, alsook het artistieke, wetenschappelijke, filosofische en politieke culturele erfgoed, dat de historische grondslag van dat onderwijs uitmaakt, overdragen, met inachtneming van de specificiteit van iedereen;4° een algemene en gespecialiseerde, zowel fundamentele en conceptuele als praktische opleiding op het hoogste niveau verstrekken, om studenten de mogelijkheid te verschaffen om een actieve rol in het beroeps-, sociale, economische en culturele leven te spelen, en gelijke kansen inzake maatschappelijke emancipatie te bieden;5° duurzame nauwkeurige competenties ontwikkelen, waarbij studenten de mogelijkheid wordt geboden om er de relevantie van te behouden, op autonome wijze of in het kader van een leven lang leren;6° die initiële en aanvullende opleidingen verstrekken ter bevordering van wetenschappelijke, artistieke, beroeps- en culturele opening, waarbij leerkrachten, studenten en afgestudeerden aangezet worden tot mobiliteit en medewerking tussen de Gemeenschappen en op internationaal vlak. Het hoger onderwijs past aan de verschillende vakken aangepaste methoden en middelen toe om de bedoelde algemene doelstellingen te bereiken, om dit onderwijs toegankelijk te maken voor iedereen volgens zijn eigen vaardigheden. § 2. Het hoger onderwijs is bestemd voor een volwassen en vrijwillig publiek. Het past didactische methoden toe die aan die karakteristiek aangepast zijn en die aan zijn doelstellingen beantwoorden. Die pedagogie steunt inzonderheid op collectieve of individuele activiteiten, onder de rechtstreekse of onrechtstreekse leiding van leerkrachten, maar ook op persoonlijke werken van studenten die zij autonoom hebben uitgevoerd. Die methoden rusten logischerwijs op de eindcompetenties en gemeenschappelijke kennis die vereist zijn op het einde van het onderwijs dat er toegang toe geeft.

De instellingen, hun personeel en de studenten moeten elk bijdragen tot het nastreven van die doelstellingen in deze context. § 3. De onderwijsopdrachten betreffen zowel de initiële cursussen als het levenslange leren, ongeacht of het gaat om onderwijs met volledig leerplan of voor sociale promotie. De instellingen voor hoger onderwijs zorgen voor de voortgezette opleiding van afgestudeerden en waarborgen de voorwaarden voor het voortzetten of hervatten van hogere studies gedurende het hele leven. Zij alleen worden ertoe gemachtigd de bekwaamheidsbewijzen, academische graden, diploma's en getuigschriften uit te reiken die met de niveaus 5 tot 8 van het Franstalige kwalificatiekader overeenstemmen. § 4. De Franse Gemeenschap accrediteert als hogere studies alleen zij die door de bij dit decreet bedoelde instellingen voor hoger onderwijs worden georganiseerd en maakt de financiering van de instellingen die deze organiseren afhankelijk van de naleving van die doelstellingen en de wettelijke bepalingen die het hoger onderwijs als doel hebben.

Art. 4.§ 1. Het hoger onderwijs heeft als doel gediplomeerden op te leiden die beantwoorden aan zijn algemene doelstellingen. Naargelang van de vakken, worden die doelstellingen bereikt op het einde van initiële, aanvullende of voortgezette opleidingen die behoren tot één van de volgende typen : 1° het hoger onderwijs van het korte type dat, op pedagogisch vlak, theorie en praktijk, stages in de beroepswereld of in laboratoria nauw verweeft, en dat zo aan nauwkeurige beroepsdoelstellingen beantwoordt; het wordt verstrekt in hogescholen, hogere kunstscholen of in het hoger onderwijs voor sociale promotie en kan leiden tot een kwalificatie van niveau 5 of 6; 2° het hoger onderwijs van het lange type, dat uitgaat van fundamentele concepten, experimenteren en illustreren, en zo een algemene en diepgaande opleiding in twee cyclussen biedt;het wordt verstrekt in de universiteiten, hogescholen, hogere kunstscholen of hoger onderwijs voor sociale promotie en kan leiden tot een eindkwalificatie van niveau 7; 3° de doctoraatsopleidingen en doctoraatsvoorbereidende werkzaamheden worden gevoerd binnen onderzoeksteams, in de universiteiten of in nauwe medewerking met deze en onder haar leiding;ze kunnen leiden tot een kwalificatie van niveau 8, die uitsluitend door een universiteit wordt uitgereikt. § 2. De diploma's en de getuigschriften die aanleiding geven tot de toekenning van studiepunten die worden uitgereikt overeenkomstig dit decreet, zijn de enige kwalificaties die erkend zijn in de niveaus 5 tot 8 van het Franstalige kwalificatiekader. De leerresultaten en transversale competenties die met die niveaus overeenstemmen, worden bepaald in bijlage I bij dit decreet. § 3. Het universitair onderwijs rust op een nauwe band tussen het wetenschappelijk onderzoek en de stof die wordt gedoceerd.

Het hoger onderwijs dat in hogescholen en in de instellingen voor sociale promotie wordt georganiseerd, streeft een beroepsfinaliteit van hoge kwalificatie na. De instellingen die het organiseren, oefenen hun opdracht inzake toegepast onderzoek in verband met dat onderwijs uit in nauw verband met de beroepswereld en de universitaire instellingen.

Het onderwijs in hogere kunstscholen rust in wezen op een nauwe band tussen de kunstpraktijk en het kunstonderwijs. Kunstonderzoek wordt daar uitgevoerd in nauw verband met de kunstpraktijk van leerkrachten, de kunstwereld en de professionele wereld.

Art. 5.§ 1. Het fundamenteel wetenschappelijk onderzoek heeft betrekking op de onderzoekswerken en -werkzaamheden, voortvloeiend uit waarnemingen, experimenten of theorieën, die worden ondernomen om originele kennis te verwerven of om verschijnselen te begrijpen. Die werken en werkzaamheden dragen bij tot de studie van eigenschappen, structuren, verschijnselen of redeneringen, om die dan voor te stellen door middel van uitleggende schema's of interpretatieve theorieën, waarbij geen toepassing of praktische aanwending rechtstreeks of a priori moet worden bepaald. Het wordt in de universiteiten georganiseerd.

Het toegepast wetenschappelijk onderzoek heeft betrekking op de onderzoekswerken en -werkzaamheden om de potentiële toepassingen van de resultaten van het fundamenteel onderzoek te bepalen of om nieuwe oplossingen te vinden of processen te verbeteren, met het oog op het bereiken van een a priori bepaald en vastgelegd doel. Het wordt in de universiteiten en de hogescholen georganiseerd.

Het kunstonderzoek heeft betrekking op alle reflexieve, analytische of prospectieve werken en werkzaamheden in verband met kunstexpressie, -opleiding, -praktijk of creatie in alle vormen. Het wordt ontwikkeld op grond van de ervaring en de persoonlijke kunstpraktijk van de onderzoeker en wordt vooral in de hogere kunstscholen georganiseerd of in samenwerking met de universiteiten en de hogescholen. § 2. Voor de uitoefening van die onderzoeksopdrachten, ontvangen of erkennen de instellingen de leden van andere instellingen, alsook de onderzoekers van andere onderzoeksinstellingen, inzonderheid, voor de universiteiten, die van het FRS-FNRS en zijn geassocieerde fondsen. In die instellingen behoren die onderzoekers met onbepaalde duur tot het academisch personeel en krijgen toegang tot de hulpmiddelen.

Art. 6.De opdrachten voor dienstverlening aan alle instellingen worden uitgeoefend in rechtstreeks verband met de onderwijs- of onderzoeksactiviteiten die daar worden gevoerd.

Art. 7.De samenwerkingsverbanden, het beheer van infrastructuren en uitrustingen, alsook de ondersteuning van de onderwijs- en onderzoeksactiviteiten en andere opdrachten die prioritair onder de instellingen ressorteren, kunnen, in voorkomend geval, door ze aan een academische pool of aan de ARES worden toevertrouwd.

Art. 8.Elke instelling voor hoger onderwijs kan haar activiteiten inzake onderwijs, onderzoek en dienstverlening aan de samenleving vrij voeren en organiseren, om haar verschillende opdrachten best uit te voeren.

Voor de uitoefening van zijn opdrachten, geniet elk personeelslid van een instelling voor hoger onderwijs de academische vrijheid binnen die instelling.

Art. 9.De instellingen moeten zorgen voor de kwaliteit van al hun activiteiten en alle maatregelen nemen met het oog op een werkelijke interne zelfevaluatie en het opvolgen ervan. HOOFDSTUK III. - Instellingen

Art. 10.De universiteiten zijn de volgende instellingen : 1° Université de Liège;2° Université catholique de Louvain;3° Université libre de Bruxelles;4° Université de Mons;5° Université de Namur;6° Université Saint-Louis - Bruxelles.

Art. 11.De hogescholen zijn de volgende instellingen : 1° Haute Ecole de la Province de Liège;2° Haute Ecole Louvain en Hainaut;3° Haute Ecole provinciale de Hainaut - Condorcet;4° Haute Ecole Léonard de Vinci;5° Haute Ecole libre mosane;6° Haute Ecole de Namur-Liège-Luxembourg;7° Haute Ecole Galilée;8° Haute Ecole Ephec;9° Haute Ecole de la Communauté française en Hainaut;10° Haute Ecole Charlemagne;11° Haute Ecole « Groupe ICHEC - ISC Saint-Louis - ISFSC »;12° Haute Ecole Francisco Ferrer;13° Haute Ecole de Bruxelles;14° Haute Ecole Albert Jacquard;15° Haute Ecole libre de Bruxelles - Ilya Prigogine;16° Haute Ecole Paul-Henri Spaak;17° Haute Ecole Robert Schuman;18° Haute Ecole de la Ville de Liège;19° Haute Ecole Lucia de Brouckère;20° Haute Ecole de la Province de Namur.

Art. 12.De hogere kunstscholen zijn de volgende instellingen : 1° Conservatoire royal de Brussel;2° Arts2;3° Conservatoire royal de Liège;4° Ecole supérieure des Arts Saint-Luc de Liège;5° Ecole nationale supérieure des Arts visuels de La Cambre;6° Institut des Arts de Diffusion;7° Ecole supérieure des Arts Saint-Luc de Bruxelles;8° Ecole supérieure des Arts Institut Saint-Luc de Tournai;9° Ecole supérieure des Arts - Ecole de Recherche graphique;10° Académie royale des Beaux-Arts de la Ville de Bruxelles - Ecole supérieure des Arts;11° Académie des Beaux-Arts de la Ville de Tournai;12° Ecole supérieure des Arts de la Ville de Liège;13° Institut national supérieur des Arts du Spectacle et des Techniques de Diffusion;14° Institut supérieur de Musique et de Pédagogie;15° Ecole supérieure communale des Arts de l'Image « Le 75 »;16° Ecole supérieure des Arts du Cirque.

Art. 13.De instellingen voor sociale promotie die, voor hun afdelingen hoger onderwijs, worden beschouwd als instellingen voor hoger onderwijs, zijn de volgende : 1° Ecole industrielle et commerciale de la ville d'Andenne te 5300 Andenne;2° Institut d'enseignement de promotion sociale de la Communauté française (IEPSCF) d'Ans te 4432 Ans;3° Institut d'enseignement de promotion sociale de la Communauté française (IEPSCF) d'Arlon-Musson te 6700 Aarlen;4° Ecole industrielle et commerciale te 6700 Aarlen;5° Institut d'enseignement de promotion sociale de la Communauté française (IEPSCF) d'Ath-Flobecq te 7800 Aat;6° Institut supérieur Plus Oultre te 7130 Binche;7° Institut d'enseignement de promotion sociale de la Communauté française (IEPSCF) de Blegny te 4670 Blegny;8° Institut d'enseignement de promotion sociale de la Communauté française (IEPSCF) de Braine-l'Alleud te 1420 Eigenbrakel;9° Centre de formation pour les secteurs infirmier et de santé te 1200 Brussel;10° Centre d'études supérieures d'optométrie appliquée te 1080 Brussel;11° Cours industriels te 1000 Brussel;12° Ecole de promotion sociale Saint-Luc te 1060 Brussel;13° Ecole pratique des hautes études commerciales (EPHEC) te 1200 Brussel;14° Enseignement de Promotion et de Formation Continue 1 (EPFC) te 1050 Brussel;15° Enseignement de Promotion et de Formation Continue 2 (EPFC) te 1050 Brussel;16° Enseignement de Promotion et de Formation Continue 3 (EPFC) te 1050 Brussel;17° Enseignement de Promotion et de Formation Continue 5 (EPFC) te 1050 Brussel;18° Enseignement de Promotion et de Formation Continue 7 (EPFC) te 1050 Brussel;19° Enseignement de Promotion et de Formation Continue 8 (EPFC) te 1050 Brussel;20° Enseignement de Promotion et de Formation Continue 9 (EPFC) te 1050 Brussel;21° Institut Fernand Cocq - cours de promotion sociale d'Ixelles te 1050 Brussel;22° Institut des carrières commerciales, te 1000 Brussel;23° Institut Diderot te 1000 Brussel;24° Institut d'optique Raymond Tibaut te 1050 Brussel;25° Institut d'urbanisme et de rénovation urbaine te 1060 Brussel;26° Institut Jean-Pierre Lallemand te 1050 Brussel;27° Institut Machtens - enseignement communal de promotion sociale te 1080 Brussel;28° Institut Roger Guilbert te 1070 Brussel;29° Institut Roger Lambion te 1070 Brussel;30° Institut supérieur de formation continue te 1040 Brussel;31° Institut technique supérieur Cardinal Mercier te 1030 Brussel;32° Centre de formation professionnelle des Femmes prévoyantes socialistes te 6000 Charleroi;33° Collège technique des Aumôniers du travail te 6000 Charleroi;34° Ecole industrielle communale te 6030 Charleroi;35° Institut provincial supérieur des sciences sociales et pédagogiques te 6000 Charleroi;36° Institut d'enseignement technique commercial te 6000 Charleroi;37° Institut provincial supérieur industriel du Hainaut te 6000 Charleroi;38° Etablissement communal enseignement technique industriel et commercial te 6200 Châtelet;39° Cours industriels et commerciaux de Couillet te 6010 Couillet;40° Ecole industrielle et commerciale de Courcelles te 6180 Courcelles;41° Ecole communale de promotion sociale te 5660 Couvin;42° Institut d'enseignement de promotion sociale - Mons-formations te 7033 Cuesmes;43° Institut d'enseignement de promotion sociale de la Communauté française (IEPSCF) de Verviers-Plombières-Limbourg-Pepinster te 4820 Dison;44° Institut d'enseignement de promotion sociale de la Communauté française (IEPSCF) de Dour te 7370 Dour;45° Cours industriels et commerciaux te 7190 Ecaussinnes;46° Enseignement de promotion sociale d'Enghien (EPSE) te 7850 Edingen;47° Ecole d'arts et métiers te 6560 Erquelinnes;48° Institut d'enseignement de promotion sociale de la Communauté française (IEPSCF) d'Evere-Laeken te 1140 Evere;49° Institut d'enseignement de promotion sociale de la Communauté française (IEPSCF) de Soumagne te 4623 Fléron;50° Institut d'enseignement de promotion sociale de la Communauté française (IEPSCF) de Frameries te 7080 Frameries;51° Institut d'enseignement de promotion sociale de la Communauté française (IEPSCF) de Grâce-Hollogne te 4460 Grâce-Hollogne;52° Institut provincial d'enseignement de promotion sociale te 4040 Herstal;53° Centre provincial d'enseignement de promotion sociale du Borinage te 7301 Hornu;54° Institut provincial d'enseignement de promotion sociale te 4500 Hoei;55° Institut d'enseignement de promotion sociale de la Communauté française (IEPSCF) de Mons (Jemappes) te 7012 Jemappes;56° Format 21 - Centre de formation continue Gustave Piton te 7100 La Louvière;57° Institut provincial des arts et métiers du Centre te 7100 La Louvière;58° Cours te chniques, commerciaux et professionnels secondaires te 7860 Lessen;59° Institut provincial d'enseignement de promotion sociale du Hainaut occidental te 7900 Leuze-en-Hainaut;60° Institut d'enseignement de promotion sociale de la Communauté française (IEPSCF) de Libramont-Bertrix te 6800 Libramont;61° Cours de promotion sociale Saint-Luc te 4000 Luik;62° Cours pour éducateurs en fonction te 4030 Luik;63° Ecole de commerce et d'informatique - enseignement de promotion sociale te 4000 Luik;64° Institut provincial d'enseignement de promotion sociale de Liège te 4020 Luik;65° Institut de formation continuée - enseignement de promotion sociale te 4000 Luik;66° Institut de technologie - enseignement de promotion sociale te 4020 Luik;67° Institut des langues modernes - enseignement de promotion sociale te 4000 Luik;68° Institut des travaux publics - enseignement de promotion sociale te 4000 Luik;69° Institut Saint-Laurent - enseignement de promotion sociale te 4000 Luik;70° Institut d'enseignement de promotion sociale de la Communauté française (IEPSCF) de Marche-en-Famenne te 6900 Marche-enFamenne;71° Ecole industrielle supérieure te 7000 Bergen;72° Institut Reine Astrid (IRAM) te 7000 Bergen;73° Institut d'enseignement de promotion sociale de la Communauté française (IEPSCF) de Morlanwelz-Mariemont te 7140 Morlanwelz;74° Institut d'enseignement de promotion sociale de la Communauté française (IEPSCF) de Mouscron-Comines te 7700 Moeskroen;75° Collège technique Saint-Henri te 7700 Moeskroen;76° Institut d'enseignement de promotion sociale de la Communauté française (IEPSCF) de Namur (cadets) te 5000 Namen;77° Institut d'enseignement de promotion sociale de la Communauté française (IEPSCF) de Namur (CEFOR) te 5000 Namen;78° Ecole industrielle et commerciale de la ville de Namur te 5000 Namen;79° Ecole supérieure des affaires te 5000 Namen;80° Institut libre de formation permanente te 5000 Namen;81° Institut provincial de formation sociale te 5000 Namen;82° Institut technique - promotion sociale te 5000 Namen;83° Institut provincial de promotion sociale et de formation continuée te 1400 Nijvel;84° Centre d'enseignement supérieur de promotion sociale et de formation continuée du Brabant wallon te 1348 Ottignies-Louvain-la-Neuve;85° Institut d'enseignement de promotion sociale de la Communauté française (IEPSCF) de Peruwelz te 7600 Peruwelz;86° Institut d'enseignement de promotion sociale de la Communauté française (IEPSCF) de Philippeville-Florennes te 5600 Philippeville;87° Institut d'enseignement de promotion sociale de la Communauté française (IEPSCF) de Sivry-Rance te 6470 Rance;88° Centre d'enseignement supérieur pour adultes te 6044 Roux;89° Institut d'enseignement de promotion sociale de la Communauté française (IEPSCF) de Saint-Georges-sur-Meuse-Ouffet te 4470 Saint-Georges-sur-Meuse;90° Ecole industrielle et commerciale de Saint-Ghislain te 7330 Saint-Ghislain;91° Institut provincial d'enseignement supérieur de promotion sociale de Seraing te 4100 Seraing;92° Institut technique et agricole de la Province de Hainaut te 7060 Zinnik;93° Ecole industrielle commerciale et de sauvetage te 5060 Tamines;94° Institut d'enseignement de promotion sociale de la Communauté française (IEPSCF) de Thuin te 6530 Thuin;95° Institut d'enseignement de promotion sociale de la Communauté française (IEPSCF) de Tournai-Antoing-Templeuve te 7500 Doornik;96° Institut d'enseignement de promotion sociale de la Communauté française (IEPSCF) d'Uccle-Anderlecht-Brussel te 1180 Ukkel;97° Cours de promotion sociale d'Uccle te 1180 Ukkel;98° Institut d'enseignement de promotion sociale - orientation commerciale te 4800 Verviers;99° Institut d'enseignement de promotion sociale - orientation technologique te 4800 Verviers;100° Institut d'enseignement de promotion sociale de la Communauté française (IEPSCF) de Waremme te 4300 Borgworm;101° Institut d'enseignement de promotion sociale de la Communauté française (IEPSCF) de Colfontaine te 7340 Wasmes;102° Institut de formation supérieure de Wavre te 1300 Waver. De Regering kan de bepalingen van dit artikel aanpassen ingevolge de wijzigingen die werden aangebracht aan het decreet van 16 april 1991 houdende organisatie van het onderwijs voor sociale promotie.

Art. 14.Geen instelling of vereniging mag die Franstalige benamingen « Université », « Haute Ecole » of « Ecole supérieure des Arts », « Etablissements d'enseignement supérieur des Arts », « Etablissement d'enseignement supérieur », « Faculté », dragen als zij daar activiteiten uitoefent die gelijkaardig zijn met de opdrachten van de instellingen voor hoger onderwijs in de Franse Gemeenschap, behalve als zij als zodanig erkend wordt krachtens een andere Belgische of buitenlandse wetgeving. In dit geval moet zij die wetgeving uitdrukkelijk in al die mededelingen vermelden en zeggen dat zij bekwaamheidsbewijzen uitreikt die niet in de « Federatie Wallonië-Brussel » erkend zijn. HOOFDSTUK IV. - Definities

Art. 15.§ 1. Voor de toepassing van dit decreet en de besluiten tot uitvoering ervan, wordt verstaan onder : 1° leerresultaten : vermelding van wat een leerling moet kennen, begrijpen, en kunnen doen na voltooiing van een leerproces, een cursus of een gevalideerde onderwijseenheid;de leerresultaten worden beschreven in termen van kennis, vaardigheden en competenties; 2° remediëringsactiviteiten : activiteiten voor hulpverlening tot bevordering van de slaagkansen, die geen deel uitmaken van een studieprogramma, om eventuele leemten van studenten te verhelpen of die helpen een studieprogramma met betere slaagkansen te volgen of te hervatten;3° activiteiten voor inschakeling in het arbeidsproces : activiteiten voor het leren van sommige studieprogramma's, bestaande uit activiteiten in verband met de toepassing van de cursussen, in een disciplinair of interdisciplinair kader, die onder meer de vorm kunnen aannemen van stages, klinisch onderwijs, eindstudiewerken, seminaries, kunstcreaties of gevallenstudies;4° toelating : administratief en academisch proces dat tot doel heeft na te kijken of een student voldoet aan de criteria op grond waarvan hij ertoe wordt toegelaten een bepaalde studiecyclus te ondernemen en er de eventuele aanvullende voorwaarden van te bepalen;5° GHSO : geaggregeerde voor het hoger secundair onderwijs, academische specialisatiegraad van niveau 7 uitgereikt overeenkomstig het decreet van 8 februari 2001 tot vaststelling van de initiële opleiding van de geaggregeerden voor het hoger secundair onderwijs of van het decreet van 17 mei 1999 betreffende het hoger kunstonderwijs;6° academiejaar : cyclus in de organisatie van de onderwijsopdrachten die op 14 september begint en op 13 september van het volgende jaar eindigt;de activiteiten, beslissingen en handelingen in verband met die opdrachten hebben betrekking op één academiejaar, maar kunnen zich uitstrekken buiten die periode; 7° jaarprogramma van de student : door de examencommissie goedgekeurd samenhangend geheel van onderwijseenheden van een studieprogramma waarvoor een student zich regelmatig laat inschrijven voor een academiejaar tijdens hetwelk hij aan de activiteiten deelneemt, er de examens van aflegt en door de examencommissie zal worden gedelibereerd;8° attest : document dat geen academische graad of studiepunten toekent maar dat de deelneming aan een vorming en, in voorkomend geval, de ermee gepaard gaande evaluatie en het niveau ervan, bevestigt;9° academische autoriteiten : de instanties die, in elke instelling, ertoe worden gemachtigd de bevoegdheden in verband met de organisatie van het onderwijs uit te oefenen;10° bachelor (BA) : academische graad van niveau 6 tot bekrachtiging van de studies van de eerste cyclus die minstens 180 studiepunten tellen;11° bachelor specialisatie : studies die leiden tot een academische graad van bijzondere bachelor (van niveau 6) tot bekrachtiging van de specifieke studies van de eerste cyclus van ten minste 60 studiepunten, die een voorafgaande opleiding van bachelor aanvullen;12° brevet van het hoger onderwijs : bekwaamheidsbewijs van niveau 5 tot bekrachtiging van de studies van minstens 120 studiepunten, beroepsgericht, toegang gevend tot een duidelijk geïdentificeerd beroep;13° kwalificatiekader : instrument voor de rangschikking van de kwalificaties op grond van een geheel van criteria die overeenstemmen met bepaalde leerniveaus;14° CAPAES : « Certificat d'Aptitude Pédagogique Approprié à l'Enseignement Supérieur », getuigschrift van pedagogische bekwaamheid voor het hoger onderwijs, bedoeld in het decreet van 17 juli 2002 tot bepaling van het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid voor het hoger onderwijs (CAPAES - "Certificat d'aptitude pédagogique approprié à l'enseignement supérieur") in de hogescholen en in het hoger onderwijs voor sociale promotie en van de voorwaarden voor het verkrijgen ervan;15° categorie : eenheid van een hogeschool die één of meer afdelingen of onderafdelingen die een bijzondere cursus organiseren, omvat;16° getuigschrift : document dat geen academische graad toekent maar dat bevestigt dat een student geslaagd is voor een gestructureerde opleiding van minstens 10 studiepunten, door een instelling voor hoger onderwijs georganiseerd, dat die instelling ermee gepaard gaande studiepunten toekent, en dat het niveau van die studiepunten bevestigt;17° kwalificatie : formeel resultaat van een evaluatie- en validatieproces, dat bevestigt dat een individu op het einde van een leerproces de competenties heeft verworven die met een gegeven niveau overeenstemmen, en dat leidt tot de uitreiking van een diploma of een getuigschrift;18° gezamenlijke diplomering : bijzondere vorm van co-organisatie van gezamenlijke studies waarvoor alle partners in de Franse Gemeenschap die aan gezamenlijke diplomering doen voor die studies daartoe gemachtigd of samen gemachtigd zijn, waarvan de leeractiviteiten gezamenlijk worden georganiseerd, beheerd en verstrekt, en waarvoor een collegiale bekrachtiging voor het slagen ervoor wordt verleend, leidend tot het uitreiken van een uniek diploma of van diploma's die worden uitgereikt volgens de wetgeving die elke partner eigen is; 19° academische gemeenschap : geheel van de actoren van een instelling voor hoger onderwijs, samengesteld uit leden van haar personeel en onderzoekers erkend in de zin van artikel 5.- § 2, alsook uit de studenten die regelmatig ingeschreven zijn voor een studieprogramma dat door die instelling wordt georganiseerd; 20° competentie : capaciteit, evalueerbaar voor een individu, individuele of collectieve middelen in te zetten, te combineren, over te brengen en toe te passen in een bijzondere context op een bepaald ogenblik;door middelen wordt onder meer verstaan : kennis, know-how, ervaringen, vaardigheden, ingesteldheid en attitudes; 21° kennis : samenhangend geheel van kennis en ervaringen, voortvloeiend uit het opnemen, door middel van een leerproces, van informatie, feiten, theorieën, praktijken, technieken betreffende één of meer studiegebieden, werkgebieden, artistieke of socioprofessionele gebieden;22° co-organisatie : partnerschap tussen twee of meer instellingen die zich, door middel van een overeenkomst, bereid verklaren om werkelijk deel te nemen aan de administratieve en academische organisatie van de leeractiviteiten van een opleiding of van een gezamenlijk studieprogramma waartoe ten minste één onder die gemachtigd is;een dergelijke overeenkomst kan betrekking hebben op het aanbod en de organisatie van cursussen, de uitwisseling van personeelsleden of van infrastructuren; 23° het medevereiste van een onderwijseenheid : geheel van andere onderwijseenheden van een studieprogramma die vóór of uiterlijk gedurende hetzelfde academiejaar moeten gevolgd zijn;24° studiepunt : eenheid die overeenstemt met de tijd die door de student, binnen een studieprogramma, besteed wordt aan een leeractiviteit;25° cursus : samenhangend geheel van één of meer studiecyclussen dat een bepaalde initiële opleiding uitmaakt;binnen een cursus kunnen de tussengraden overgangsgraden zijn, die dus de voorbereiding tot de volgende cyclus als hoofddoel hebben, en is de eindgraad « beroepsgericht »; 26° cyclus : studies die leiden tot het behalen van een academische graad;het hoger onderwijs wordt in drie cyclussen georganiseerd; 27° diploma : document dat bevestigt dat een student geslaagd is voor studies die in overeenstemming zijn met de bepalingen van dit decreet en dat het bekwaamheidsbewijs of de academische graad die op het einde van die studiecyclus wordt toegekend, bevestigt;28° studiegebied : tak van de kennis die met één of meer cursussen overeenstemt; 29° doctor (DOC) : academische graad van niveau 8 die de studies van de derde cyclus bekrachtigt, uitgereikt door een universiteit en behaald na verdediging van een proefschrift overeenkomstig artikel 71.- § 2; 30° doctoraatsschool : coördinatiestructuur die als opdracht heeft de oprichting van thematische doctoraatsscholen op haar gebied toe te laten, te bevorderen en te stimuleren;31° thematische doctoraatsschool : onderzoeks- en onderwijsstructuur, belast met het verstrekken van de doctoraatsopleiding op de studiegebieden van de doctoraatsscholen waaronder ze ressorteert;32° gelijkstelling : proces tot gelijkstelling van de competenties en kennis van een student, bekrachtigd door één of meer bekwaamheidsbewijzen, studiegetuigschriften of buitenlandse diploma's, met deze die vereist zijn op het einde van studies in de instellingen voor hoger onderwijs die door de Franse Gemeenschap worden georganiseerd of gesubsidieerd;33° referentie-instelling : in het kader van de co-organisatie van een gezamenlijk studieprogramma, inzonderheid gezamenlijke diplomering, instelling die belast wordt met de centralisatie van het administratieve en academische beheer van het programma en de studenten, die wordt gekozen uit deze die in de Franse Gemeenschap voor de bedoelde studies gemachtigd zijn;34° studies voor voortgezette opleiding : gestructureerd geheel van leeractiviteiten die door een instelling voor hoger onderwijs worden georganiseerd, maar die niet leiden tot een bekwaamheidsbewijs of een academische graad, met uitzondering van sommige studies voor sociale promotie, dat tot doel heeft de verworven competenties en kennis van de gediplomeerden van het hoger onderwijs of van personen die gelijkaardige professionele of persoonlijke verworven competenties en kennis kunnen laten gelden, aan te vullen, uit te breiden, te verbeteren, bij te werken of te vervolmaken.35° eerstegeneratiestudent : voor statistische doeleinden, regelmatig ingeschreven student die nooit gedurende een vroeger academiejaar ingeschreven werd voor hogere studies, in de Franse Gemeenschap of buiten de Franse Gemeenschap, of voor elke cursus ter voorbereiding van examens of vergelijkende examens die toelaten die studies te ondernemen of voort te zetten;36° voor financiering in aanmerking komende student : regelmatig ingeschreven student die, op grond van eigen karakteristieken, het type inschrijving of het studieprogramma waarvoor hij ingeschreven is, in aanmerking komt voor de financiering van de instelling voor hoger onderwijs die de studies organiseert;37° finaliteit : samenhangend geheel van onderwijseenheden dat 30 studiepunten vertegenwoordigt van een studieprogramma voor master dat minstens 120 studiepunten telt, leidend tot aanvullende gespecialiseerde competenties die door een afzonderlijke academische graad worden bekrachtigd;38° initiële opleiding : cursus die leidt tot het uitreiken van een academische graad van bachelor of van master, met uitsluiting van de graden bachelor of master specialisatie;39° onderwijsvorm : specificiteit in de organisatie van studies in verband met het type onthaalinstelling : universiteit, hogeschool, hogere kunstschool of instelling voor sociale promotie;40° FRS-FNRS : « Fonds de la Recherche scientifique » bedoeld bij het decreet van 17 juli 2013 betreffende de financiering van het Onderzoek door het « Fonds national de la Recherche scientifique »;41° academische graad : bekwaamheidsbewijs dat het slagen bekrachtigt voor een studiecyclus die overeenstemt met een kwalificatieniveau, erkend bij dit decreet en bekrachtigd door een diploma;42° machtiging : bevoegdheid die bij decreet aan een instelling voor hoger onderwijs toegekend wordt op een bepaald grondgebied een studieprogramma te organiseren, een academische graad toe te kennen en de ermee gepaard gaande getuigschriften en diploma's uit te reiken;43° vestiging of Campus : infrastructuur of geheel van gegroepeerde infrastructuren waarin een instelling onderwijs- of onderzoeksactiviteiten organiseert;44° regelmatige inschrijving : inschrijving voor een academiejaar dat betrekking heeft op een samenhangend en door de examencommissie bekrachtigd geheel van onderwijseenheden van een studieprogramma waarvoor de student aan de toegangsvoorwaarden voldoet en zijn administratieve en financiële verplichtingen nakomt;45° examencommissie : academische instantie die hoofdzakelijk belast wordt met de toelating tot de studies, de begeleiding van studenten, de evaluatie van de leerresultaten, hun kwalificatie en de organisatie van overeenstemmende examens;46° master (MA) : academische graad van niveau 7 ter bekrachtiging van de studies van de tweede cyclus die minstens 60 studiepunten tellen en, als zij een bijzondere finaliteit nastreven, minstens 120 studiepunten tellen;47° master specialisatie : studies die leiden tot een academische graad van bijzonder master (van niveau 7), uitgereikt door een universiteit of in het kader van een gezamenlijke diplomering met een andere universiteit, ter bekrachtiging van specifieke studies van de tweede cyclus van minstens 60 studiepunten, tot aanvulling van een voorafgaande masteropleiding;48° graad van verdienste : beoordeling door een examencommissie van de kwaliteit van het werk van een student, wanneer zij hem een academische graad toekent;49° optie : samenhangend geheel van onderwijseenheden van het programma van een studiecyclus die 15 tot 30 studiepunten telt;50° studierichting : geheel van onderwijseenheden van een programma van een studiecyclus dat overeenstemt met een specifiek competentiereferentiesysteem en een specifiek onderwijsprofiel, dat door een afzonderlijke academische graad wordt bekrachtigd;51° overgang : academisch proces waarbij een student toelating krijgt om zijn studies in een andere cursus voort te zetten;52° academisch personeel : contractueel of statutair personeel van een instelling voor hoger onderwijs dat ofwel tot het bestuurs- en onderwijzend personeel behoort, ofwel tot het wetenschappelijk personeel van ten minste rang B in de zin van het koninklijk besluit van 31 oktober 1953 tot vaststelling van het statuut van de geaggregeerden, de repetitors en het wetenschappelijk personeel bij de Rijksuniversiteiten, of erkend als ten minste van niveau B in de zin van het decreet van 19 juli 1991 betreffende de loopbaan van de wetenschappelijke navorsers, voor onbepaalde tijd aangeworven, alsook de onderzoekers die voor een bepaalde tijd aangeworven werden, bedoeld in artikel 5, § 2;53° administratief, technisch en werkliedenpersoneel : contractueel of statutair personeel van een instelling voor hoger onderwijs, in de zin van het koninklijk besluit van 30 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van het bestuurs- en toegevoegd personeel, hulppersoneel voor onderzoek, beheerspersoneel, de kinderverzorgsters, werkopzichters en tekenaars, het paramedisch en gespecialiseerd personeel van de universiteiten en de universitaire faculteit van de Franse Gemeenschap, van het decreet van 20 juni 2008 betreffende de administratieve personeelsleden van de door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde Hogescholen, Hogere Kunstscholen en Hogere Instituten voor architectuur of van het decreet van 12 mei 2004 tot bepaling van het statuut van de leden van het administratief personeel, het meester-, vak- en dienstpersoneel van de onderwijsinrichtingen ingericht door de Franse Gemeenschap;54° wetenschappelijk personeel : contractueel of statutair personeel van een instelling voor hoger onderwijs dat behoort tot het wetenschappelijk personeel van rang A in de zin van het koninklijk besluit van 31 oktober 1953 tot vaststelling van het statuut van de geaggregeerden, de repetitors en het wetenschappelijk personeel bij de Rijksuniversiteiten, of erkend als van niveau B in de zin van het decreet van 19 juli 1991 betreffende de loopbaan van de wetenschappelijke navorsers, alsook de onderzoekers bedoeld in artikel 5, § 2, die in het academisch personeel niet opgenomen zijn;55° academische pool : vereniging van instellingen voor hoger onderwijs, gestoeld op de geografische nabijheid van hun vestigingen voor onderwijs en onderzoek, hoofdzakelijk belast met het aanmoedigen en samenvoegen van hun gemeenschappelijke of transversale medewerking en activiteiten;56° voorvereiste van een onderwijseenheid : geheel van andere onderwijseenheden van een studieprogramma waarvan de leerresultaten moeten worden bekrachtigd en de overeenstemmende studiepunten worden toegekend door de examencommissie vóór de inschrijving voor die onderwijseenheid, behalve een door de examencommissie toe te kennen afwijking;57° onderwijsprofiel : gestructureerd geheel van de in de leerresultaten beschreven onderwijseenheden, die in overeenstemming zijn met het referentiesysteem voor de competenties van de studiecyclus(sen) waarvan ze deel uitmaken, eigen aan een instelling voor hoger onderwijs die het geheel of een deel van een studieprogramma organiseert en die de ermee gepaard gaande diploma's en getuigschriften uitreikt;58° studieprogramma : geheel van de leeractiviteiten, gegroepeerd in onderwijseenheden, waarvan sommige verplicht zijn, andere naar keuze van elke ingeschreven leerling, dat in overeenstemming is met het referentiesysteem voor de competenties van een studiecyclus;het programma bepaalt de ermee gepaard gaande studiepunten en de organisatie van het tijdschema en van het voorvereiste of medevereiste van de verschillende onderwijseenheden; 59° quadrimester : organisatorische opdeling van de leeractiviteiten van een academiejaar die zich over ongeveer vier maanden uitstrekt; het academiejaar is in drie quadrimesters gedeeld; 60° referentiesysteem voor de competenties : gestructureerd geheel van competenties eigen aan een academische graad, een bekwaamheidsbewijs of een kwalificatie;61° sector : geheel van verschillende studiegebieden;62° specialiteit : in het hoger kunstonderwijs, bijzondere kwalificatie van een cursus of een studierichting;63° stages : bijzondere activiteiten voor inschakeling in het arbeidsproces, gevoerd in samenwerking met de socioprofessionele wereld in verband met het studiegebied, erkend en geëvalueerd door de betrokken examencommissie;64° type : karakteristiek van hogere studies in verband met haar professionele finaliteit, haar pedagogische methoden en het aantal cyclussen initiële opleiding;het hoger onderwijs van het korte type bevat één enkele cyclus; het hoger onderwijs van het lange type omvat twee basiscyclussen; 65° onderwijseenheid : leeractiviteit of geheel van leeractiviteiten die worden gegroepeerd, omdat ze gemeenschappelijke doelstellingen nastreven en een pedagogisch geheel vormen op het vlak van de verwachte leerresultaten;66° valorisatie van de verworven kennis en competentie : proces van de evaluatie en erkenning van de kennis verworven in het kader van een leerproces, voortvloeiend uit de ervaring of de opleiding, en van de competenties van een kandidaat in de context van een toelating tot de studies. De Regering stelt de overeenstemming vast tussen die termen en deze die werden gebruikt in andere bepalingen die vóór dit decreet bestonden.

De Regering stelt ook de overeenstemming vast tussen die termen of andere in dit decreet bepaalde begrippen en de termen die worden gebruikt binnen de Europese Unie, alsook hun officiële vertalingen. § 2. In dit decreet is het gebruik, in het Frans, van mannelijke namen voor de verschillende termen, titels, graden en ambten gemeenslachtig, opdat de tekst verstaanbaar zou zijn, niettegenstaande de bepalingen van het decreet van 21 juni 1993 betreffende de vervrouwelijking van de namen van beroep, ambt, graad of titel.

Art. 16.Het adjectief « academisch » wordt voorbehouden om eenheden, structuren of organen aan te duiden die in rechtstreeks verband staan met de organisatie van het hoger onderwijs. Het adjectief « universitair » wordt voorbehouden om de eenheden, structuren of organen van de universiteiten of die door deze worden gecoördineerd, aan te duiden.

TITEL II. - Structuur en landschap van het hoger onderwijs

Art. 17.Met toepassing van artikel 24, § 2 van de Grondwet, worden de bepalingen van deze titel bij een bijzonder decreet geregeld. HOOFDSTUK I. - Algemene structuur

Art. 18.Het door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde onderwijs bestaat uit instellingen voor hoger onderwijs die werkzaam zijn binnen academische polen en die worden gecoördineerd door een « Académie de Recherche et d'Enseignement supérieur », (Academie Onderzoek en Hoger Onderwijs), hierna « ARES » genoemd.

Art. 19.De instellingen voor hoger onderwijs zijn autonoom ten opzichte van de andere instellingen, academische polen en de ARES. De door de Franse Gemeenschap toegekende subsidies en financieringen worden hun voor de uitoefening van hun opdrachten rechtsreeks toegekend.

Hun eenheidskarakter wordt gewaarborgd ondanks hun aanwezigheid binnen verschillende academische polen. HOOFDSTUK II. - « Académie de Recherche et d'Enseignement supérieur » (Academie Onderzoek en Hoger Onderwijs) Afdeling I. - Opdrachten en structuren

Art. 20.Er wordt een instelling van openbaar nut van categorie B opgericht in de zin van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, « Académie de Recherche et d'Enseignement supérieur » genoemd, ook « ARES » genoemd.

De ARES is een federatie van de instellingen voor hoger onderwijs in de Franse Gemeenschap, ermee belast de uitoefening te waarborgen van de verschillende opdrachten inzake hoger onderwijs, onderzoek en dienstverlening aan de samenleving, overeenkomstig de algemene doelstellingen, en samenwerkingsverbanden tussen de instellingen aan te moedigen. De ARES oefent haar verschillende opdrachten uit zonder de autonomie van de instellingen voor hoger onderwijs in het gedrang te brengen.

Art. 21.De ARES heeft als opdracht : 1° voor de Regering, op eigen initiatief of op aanvraag van deze, een advies van een instelling voor hoger onderwijs of van een academische pool uit te brengen over elk vraagstuk betreffende één van de opdrachten van de instellingen voor hoger onderwijs;2° door een met redenen omkleed advies een antwoord te brengen op elk voorstel van een pooloverschrijdende academische zone betreffende het aanbod van hoger onderwijs van het korte type, en de Regering machtigingen voor te stellen, waarbij de concurrentie tussen de instellingen, de onderwijsvormen en de academische polen dient te worden beperkt;3° voor het overige, de Regering voor te stellen het onderwijsaanbod te laten evolueren, na het advies van de betrokken thematische kamers te hebben ingewonnen, op aanvraag van één of meer instellingen of om het advies van de oriëntatieraad gevolg te geven;4° in haar adviezen te zorgen voor de samenhang van het aanbod en de inhoud van de studies en de opleidingen, waarbij elke onverantwoorde herhaling, optie of specialisatie wordt vermeden;5° te zorgen voor de materiële organisatie van de gemeenschappelijke toelatingstests, -proeven of -examens;6° het overleg te organiseren over elk vraagstuk betreffende haar opdrachten en de samenwerkingsverbanden te bevorderen tussen de instellingen voor hoger onderwijs of academische polen, en met andere instellingen of verenigingen van instellingen voor hoger onderwijs of onderzoeksinstellingen buiten de Franse Gemeenschap, inzonderheid met federale instellingen en andere Belgische deelstaten;7° de verbinding te zijn tussen die polen en instellingen en de gemeenschaps-, gewest of federale instellingen of organen, inzonderheid het « Agence pour l'Evaluation de la Qualité de l'Enseignement Supérieur » (AEQES)(Agentschap voor de Evaluatie van het Hoger Onderwijs), de « Conseil supérieur de la Mobilité étudiante (CSM) » (Hoge Raad voor Studentenmobiliteit), de « Conseils de la politique scientifique (CPS)(Raden voor het wetenschapsbeleid), het « Fonds de la Recherche scientifique (FRS-FNRS);8° in samenwerking met de diensten van het Ministerie van de Franse Gemeenschap, de vertegenwoordiging van de instellingen voor hoger onderwijs in de Franse Gemeenschap te coördineren in het kader van opdrachten en betrekkingen tussen de Gemeenschappen en op internationaal vlak;9° de internationale zichtbaarheid van het hoger onderwijs in de Franse Gemeenschap te bevorderen en de internationale betrekkingen van de polen en instellingen te coördineren, inzonderheid inzake onderwijsaanbod en gezamenlijke diplomering;10° de deelneming van polen en instellingen aan de academische ontwikkelingssamenwerking en alle gelijkaardige en humanitaire projecten te verdelen;11° de gezamenlijke onderzoeksactiviteiten te bevorderen en adviezen en aanbevelingen uit te brengen over de oriëntering van het wetenschapsbeleid, de aan te wenden middelen ter bevordering van de ontwikkeling en de verbetering van het wetenschappelijk of artistiek onderzoek, en over de deelneming van de Franse Gemeenschap en de instellingen die eronder ressorteren aan nationale of internationale onderzoeksprogramma's of -projecten;12° in overleg met de doctoraatsscholen bij het FRS-FNRS, de thematische doctoraatsscholen en de doctoraatsopleidingen te organiseren en het reglement op te stellen van de examencommissies belast met het uitreiken, binnen de universiteiten, van de graad van doctor;13° de studies inzake voortgezette opleiding die leiden tot de toekenning van studiepunten;14° de bedragen vast te leggen van de inschrijvingsrechten voor de studies en opleidingen die niet bij de wetgeving worden geregeld;15° de collectieve structuren voor de activiteiten inzake een leven lang leren van het hoger onderwijs te ontwikkelen en te coördineren;16° op voorstel van daartoe door de ARES opgerichte commissies en van de betrokken instellingen, de referentiesystemen voor de competenties die met de uitgereikte academische graden overeenstemmen, te bepalen, en te bevestigen dat de door de instellingen voorgestelde studieprogramma's worden nageleefd en dat ze in overeenstemming zijn met de andere bepalingen inzake toegang tot het arbeidsproces voor de afgestudeerden;17° een volledige en objectieve informatie te verstrekken en te verspreiden over de hogere studies in de Franse Gemeenschap, over de uitgereikte bekwaamheidsbewijzen en over de beroepen waartoe ze leiden, en over de competentie- en kwalificatieprofielen op het einde van die studies;18° een systeem voor de inzameling van statistische gegevens betreffende alle opdrachten van het hoger onderwijs en de toekomst van zijn afgestudeerden te beheren, de syntheseanalysen en een gedetailleerde boordtabel ervan bekend te maken, betreffende zowel de studenten als de personeelsleden, en te zorgen voor de interoperabiliteit van de systemen die een permanent vertrouwelijk opvolgen van het persoonlijke traject van de studenten binnen de instelling voor hoger onderwijs mogelijk maken;19° de inlichtingen in te zamelen betreffende de sociale toestand en het welzijn van de studenten, de diensten en steun die hun worden verleend, de studietoelagen en -leningen en de activiteiten voor steunverlening ter verbetering van de slaagkansen, remediëring, pedagogisch opvolgen, en raadgeving en begeleiding van de persoonlijke studietrajecten;20° de doeltreffendste maatregelen en de goede praktijken inzake steunverlening ter verbetering van de slaagkansen van studenten en pedagogische ondersteuning van leerkrachten, te bepalen, en de toepassing ervan te bevorderen binnen de academische polen en de instellingen;21° als informatiebron te dienen voor het « Agence pour l'Evaluation de la Qualité de l'Enseignement Supérieur » (AEQES)(Agentschap voor de Evaluatie van het Hoger Onderwijs), de « Conseil supérieur de la Mobilité étudiante (CSM) » (Hoge Raad voor Studentenmobiliteit), de instellingen voor hoger onderwijs, alsook voor de commissarissen en afgevaardigden van de Regering bij die instellingen;22° voor de materie hoger onderwijs in de Franse Gemeenschap en in samenwerking met de administratie ervan, de bepalingen vervat in de Verordening (EG) nr.452/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de productie en ontwikkeling van statistieken over onderwijs en een leven lang leren toe te passen; 23° studies en wetenschappelijk onderzoek uit te voeren of te laten uitvoeren betreffende het hoger onderwijs, meer bepaald de studentenbevolking, de studietrajecten, de voorwaarden voor het slagen en de uitgereikte diploma's, op eigen initiatief of op aanvraag van de Minister bevoegd voor het hoger onderwijs;24° meer in het algemeen, bij te dragen tot de ontwikkeling van instrumenten voor de analyse en de evaluatie van het hoger onderwijs, een inventaris op te zetten en bij te houden van de studies en het wetenschappelijk onderzoek op dat gebied en te waken over de goede werking van die instrumenten die in de Franse Gemeenschap, op Europees of internationaal niveau worden ontwikkeld;25° een administratieve en logistieke steun te verlenen voor elke opdracht van de instellingen voor hoger onderwijs of de academische polen, op hun aanvraag en met de instemming van haar raad van bestuur, of die haar bij de wetgeving wordt toevertrouwd. Elke aanvraag om advies of voorstel die krachtens die bepalingen wordt ingediend, moet worden onderzocht en moet het advies worden gezet op de agenda van de eerstvolgende vergadering van de raad van bestuur van de ARES die met ten minste veertien dagen volgt op de datum van de ontvangst van de aanvraag. Om gemotiveerde dringende redenen, kan de Regering een advies van de ARES binnen een kortere termijn aanvragen; het uitvoerend bureau moet dan dringend eraan gevolg geven.

De Regering geeft een bijzondere motivatie van haar beslissing, wanneer ze van het advies van de ARES afwijkt.

Art. 22.De ARES wordt bestuurd door een raad van bestuur en heeft een oriëntatieraad. Ze omvat drie bij dit decreet geregelde thematische kamers en vaste commissies, die met specifieke onderwerpen en opdrachten worden belast.

Art. 23.Op de voordracht van de raad van bestuur van de ARES, wijst de Regering een Administrateur van de ARES aan. Zijn mandaat duurt 5 jaar en kan worden hernieuwd.

Het administratieve beheer van de ARES en van zijn personeel wordt uitgeoefend onder de verantwoordelijkheid van de Administrateur, onder de controle van haar raad van bestuur en haar uitvoerend bureau.

Het statuut van de Administrateur en zijn bezoldiging zijn in overeenstemming met de bepalingen van artikel 51 bis van de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het universitair onderwijs door de Staat.

Art. 24.De Regering stelt de personeelsformatie, de statuten, de bezoldigingen en de vergoedingen van het personeel van de ARES vast.

Het personeel wordt aangeworven, benoemd, bevorderd of aangesteld overeenkomstig de bepalingen die door de Regering worden vastgesteld; het staat onder het gezag van de Administrateur.

Art. 25.Het financiële beheer van de ARES wordt uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut en de besluiten tot uitvoering ervan.

Voor haar financiële beheer wordt de ARES ertoe gemachtigd elk saldo van haar rekeningen naar het volgende begrotingsjaar over te dragen. Afdeling II. - Middelen

Art. 26.Voor de uitvoering van haar opdrachten en naargelang van de beschikbare middelen, kan de Regering personeel en materiële en financiële middelen ter beschikking van de ARES stellen. De instellingen voor hoger onderwijs kunnen eveneens haar personele, materiële en financiële middelen ter beschikking stellen. Het betrokken personeel behoudt zijn statuut, rechten en voordelen integraal.

De instellingen voor hoger onderwijs kunnen, indien ze dit wensen, met de ARES alle financiële overdrachten uitvoeren die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de verplichtingen van de ARES in het kader van haar opdrachten.

Art. 27.Onverminderd het vorige artikel, kent de Franse Gemeenschap de ARES een jaarlijkse werkingstoelage van 2.500.000 euro toe.

Elk jaar wordt dat bedrag aangepast aan de schommelingen van de gezondheidsindex van de consumptieprijzen, door dat bedrag te vermenigvuldigen met de coëfficiënt : Gezondheidsindex van december van het betrokken begrotingsjaar, gedeeld door de gezondheidsindex van december 2013. Afdeling III. - Beheersorganen

Art. 28.§ 1. De raad van bestuur van de ARES bestaat uit 29 leden, die alle stemgerechtigd zijn. Ze worden door de Regering benoemd, met uitzondering van deze die bedoeld zijn bij 2° hieronder, verdeeld als volgt : 1° een voorzitter;2° de zes rectoren van de universiteiten;3° zes vertegenwoordigers van de hogescholen, waarvan ten minste vier directeurs-voorzitters die de hogescholen vertegenwoordigen, voorgedragen door de meerderheid van de directeurs-voorzitters van de hogescholen, opdat elk pool, en elk net (georganiseerd door de Franse Gemeenschap, officieel gesubsidieerd en vrij gesubsidieerd) zou worden vertegenwoordigd;4° twee directeurs die de hogere kunstscholen vertegenwoordigen, voorgedragen door de meerderheid van de directeurs van de hogere kunstscholen;5° twee vertegenwoordigers van het hoger onderwijs voor sociale promotie, voorgedragen door de Hoge Raad voor het Onderwijs voor Sociale promotie, bedoeld in artikel 78 van het decreet van 16 april 1991 houdende organisatie van het onderwijs voor sociale promotie;6° zes vertegenwoordigers van het personeel, voorgedragen door de vakorganisaties, aangesloten bij de vakorganisaties die vertegenwoordigd zijn in de Nationale Arbeidsraad, en die in het hoger onderwijs aansluiting bieden;7° zes studenten, waarvan een vertegenwoordiger voor elke academische pool, voorgedragen door de representatieve studentenorganisaties die op gemeenschapsvlak erkend zijn. Voor elke categorie bedoeld bij 3° tot 5°, kunnen de voorgedragen vertegenwoordigers niet afkomstig zijn uit dezelfde instellingen als die waaruit de aftredende leden afkomstig waren; dit geldt ook voor de vertegenwoordigers van de studenten bedoeld in 7° na vier opeenvolgende jaarlijkse hernieuwingen. Onder alle leden bedoeld in 7° moet overigens ten minste één lid afkomstig zijn uit een universiteit, één uit een hogeschool, één uit een hogere kunstschool en één uit een instelling voor sociale promotie.

Met uitzondering van het lid bedoeld in 1°, heeft elk lid een plaatsvervanger, voorgedragen volgens dezelfde nadere regels; de plaatsvervanger van een rector is er de eerste vicerector van zijn universiteit of, indien die functie niet binnen de betrokken universiteit bestaat, een andere vicerector die door haar voor die functie wordt aangewezen. Het plaatsvervangende lid heeft alleen bij afwezigheid van het werkend lid zitting.

Met uitzondering van de leden bedoeld in 1°, 2° en 7°, worden de leden van de raad van bestuur van de ARES voor een periode van vijf jaar benoemd. De vertegenwoordigers van de studenten bedoeld in 7° worden benoemd voor een hernieuwbaar mandaat van één jaar, zonder vijf opeenvolgende mandaten te kunnen overschrijden.

De voorzitter van de ARES wordt door de Regering voor een periode van drie jaar benoemd, op eensluidend advies van de andere leden van de raad; de voorzitter wordt niet gekozen uit de andere leden van de raad van bestuur van de ARES. Met uitzondering van de leden bedoeld in 1° en 2°, moet minstens één derde, afgerond naar de hogere eenheid, van het aantal voorgedragen personen, personen van verschillend geslacht zijn als de andere voor die categorie voorgedragen personen, behalve als het behoorlijk wordt bewezen dat die verhouding onmogelijk is.

Elk lid dat de hoedanigheid heeft verloren waarvoor het aangewezen werd, wordt als ontslagnemend beschouwd. Wanneer een lid ontslag neemt of overlijdt gedurende zijn mandaat, wordt het gedurende het jaar vervangen voor de voleindiging van zijn mandaat volgens dezelfde nadere regels. Zijn plaatsvervanger neemt het interim waar. § 2. De Regering benoemt ook, uit de werkende leden van de raad van bestuur : 1° een ondervoorzitter, uit de leden bedoeld bij § 1, 2°, op de voordracht van deze;2° een ondervoorzitter, uit de leden bedoeld bij § 1, 3°, op de voordracht van deze;3° een ondervoorzitter, uit de leden bedoeld bij § 1, 4°, op de voordracht van deze;4° een ondervoorzitter, uit de leden bedoeld in § 1, 5°, op de voordracht van deze. Hun mandaat bedraagt één jaar en is hernieuwbaar.

Bij verhindering van de voorzitter of als de functie vacant is, wordt de functie voorlopig uitgeoefend door een ondervoorzitter die door hen collegiaal wordt gekozen, of, bij gebreke van die, door de oudste onder hen.

Art. 29.De raad van bestuur van de ARES vergadert ten minste zes keer per academiejaar, als de voorzitter de bijeenroeping organiseert, of op aanvraag van ten minste één vijfde van zijn leden.

Zijn beslissingen worden met een quorum van 50 % van de aanwezige werkende of plaatsvervangende leden genomen, met uitzondering van de aangelegenheden bedoeld in artikel 21, 1°, 2°, 3°, 4°, 13°, 14°, 15° en 16°, waarvoor een gekwalificeerde tweederdemeerderheid vereist is; zijn huishoudelijk reglement kan andere regels vaststellen inzake quorum van de aanwezige leden en versterkte meerderheden dan deze bepaling.

De beraadslagingen verlopen achter gesloten deuren, maar de beslissingen worden bekendgemaakt. De leden van de raad van bestuur zijn ertoe gehouden die vertrouwelijkheid in acht te nemen, te zorgen voor de collegialiteit van de beslissingen van die Raad en zich te onthouden van elke actie die in strijd zou zijn met de opdrachten van de ARES, op straffe van ontslagverlening of schorsing door de Regering.

De raad kan iedere persoon horen die hij wenst te horen over een punt van zijn agenda; deze woont de beraadslaging niet bij. Hij nodigt zo de voorzitter van zijn commissies voor de punten waarvoor ze werden geraadpleegd, voor.

Art. 30.De raad van bestuur van de ARES stelt zijn huishoudelijk reglement op, dat het de Regering ter goedkeuring voorlegt.

Art. 31.De raad van bestuur van de ARES brengt, uiterlijk op 1 december, een verslag uit over zijn activiteiten van het verlopen academiejaar aan de Regering, die het vervolgens aan het Parlement van de Franse Gemeenschap overzendt.

Art. 32.Het uitvoerend bureau van de ARES wordt door de raad van bestuur aangesteld; het is uit 9 leden samengesteld : de voorzitter, de vier ondervoorzitters en twee leden van elk van de categorieën 6° en 7°, voorgedragen door dezen. Hun mandaat duurt één jaar en is hernieuwbaar.

Ieder lid van het bureau kan een plaatsvervanger hebben, aangewezen volgens de door de raad van bestuur nader te bepalen regels.

Het uitvoerend bureau neemt alle dringende maatregelen, op voorwaarde dat ze door de raad van bestuur bij de eerstvolgende vergadering worden goedgekeurd.

Het uitvoerend bureau neemt ook alle maatregelen inzake beheer van het personeel die hem door de Regering bij toepassing van artikel 24 worden toevertrouwd.

Het stelt, in overleg met de Administrateur, de agenda van de vergaderingen van de raad van bestuur vast. Een punt wordt op de agenda van de volgende vergadering gezet op aanvraag van ten minste één vijfde van de leden van de raad van bestuur.

Art. 33.De Administrateur woont de vergadering bij van de raad van bestuur, het uitvoerend bureau, de thematische kamers, de vaste commissies en de raad van bestuur van de ARES. Hij kan zich daar laten vertegenwoordigen door een personeelslid van de ARES. Hij maakt de notulen van die vergaderingen op en, zodra ze goedgekeurd zijn, zendt hij die aan de Regering voor informatie over.

Hij zorgt voor de publiciteit van de raad en het bureau, alsook van de adviezen die worden uitgebracht door de thematische kamers, de vaste commissies en de oriëntatieraad.

Art. 34.De volgende personen wonen de vergaderingen van de raad van bestuur met raadgevende stem bij : 1° de voorzitter van de oriëntatieraad van de ARES;2° de voorzitter van de sturingscommissie van het door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde onderwijs, opgericht bij het decreet van 27 maart 2002 betreffende de sturing van het onderwijssysteem van de Franse Gemeenschap;3° de directeur-generaal van het niet-verplicht onderwijs en van het wetenschappelijk onderzoek van het Ministerie van de Franse Gemeenschap of de vertegenwoordiger ervan;4° de secretaris-generaal van het FRS-FNRS of diens vertegenwoordiger;5° de voorzitter van de raad voor het wetenschapsbeleid in het Waalse Gewest;6° de voorzitter van de raad voor het wetenschapsbeleid van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Afdeling IV. - Controle

Art. 35.De Regering wijst een commissaris bij de ARES aan. Deze woont, met raadgevende stem, de vergaderingen van de raad van bestuur en het uitvoerend bureau bij; hij kan eveneens de vergaderingen van de thematische kamers en de vaste commissies van de ARES bijwonen.

Art. 36.De commissaris van de Regering beschikt over een termijn van één week om een beroep in te dienen tegen de uitvoering van elke beslissing die hij strijdig acht met de wetten, decreten of besluiten en verordeningen, genomen krachtens die wetten en decreten of het algemeen belang. Het beroep is opschortend. Dat beroep loopt vanaf de dag van de vergadering waarop de beslissing werd genomen, voor zover de commissaris van de Regering daarvoor regelmatig werd opgeroepen, en, zo niet, vanaf de dag waarop hij daarvan in kennis werd gesteld.

De commissaris dient zijn beroepen bij de Regering in. Indien de Minister bij wie het beroep aanhangig werd gemaakt niet binnen een termijn van één maand die op dezelfde dag als de in het eerste lid bedoelde termijn begint, de intrekking heeft uitgesproken, wordt de beslissing definitief. De intrekking van de beslissing wordt aan de raad van bestuur meegedeeld door de Minister die ze heeft uitsproken. Afdeling V. - Kamers en commissies

Art. 37.Om te beslissen over de aangelegenheden in verband met onderzoek, inhoud van de studies en opleidingen en studieaanbod, met inbegrip van de machtigingen, neemt de raad van bestuur het advies in van één of meer thematische kamers, naargelang van hun bevoegdheden.

Dat advies wordt door de ARES meegedeeld of gevoegd bij het advies van de ARES. De ARES geeft een bijzondere motivatie voor haar beslissing, wanneer deze afwijkt van het advies van haar thematische kamers.

De volgende thematische kamers worden opgericht, met als uitsluitende bevoegdheden : 1° voor de kamer van de universiteiten : de materies in verband met het fundamenteel of toegepast wetenschappelijk onderzoek, verricht binnen de universiteiten, met inbegrip van de interacties met het FRS-FNRS, met de studies van de 3e cyclus (niveau 8), waaronder de regeling van de doctoraatsopleidingen en de organisatie van de thematische doctoraatsscholen en de gezamenlijke onderzoeksactiviteiten, en de master specialisatie, alsook deze die verband houden met de studies van het lange type (niveaus 6 en 7), uitsluitend georganiseerd aan de universiteit vóór de inwerkingtreding van dit decreet;2° voor de kamer van de hogescholen en het hoger onderwijs voor sociale promotie : de materies in verband met het toegepast wetenschappelijk onderzoek, verricht binnen de hogescholen, de studies in één cyclus of minder (niveaus 5 en 6), specialisatie van niveau 6, alsook deze die verband houden met de studies van het lange type (niveaus 6 en 7), uitsluitend in hogescholen georganiseerd of als onderwijs voor sociale promotie vóór de inwerkingtreding van dit decreet;3° voor de kamer van de hogere kunstscholen : de materies in verband met het kunstonderzoek, de kunststudies van de eerste cyclus en van de tweede cyclus (niveaus 6 en 7). De andere materies in verband met de studies en de opleiding, inzonderheid de evolutie van het aanbod van niet artistieke studies van het lange type (niveaus 6 en 7), behoren tot de gedeelde bevoegdheid van twee of de drie kamers die vergaderen en zich gezamenlijk uitspreken. Dit geldt ook voor de doctoraatsopleiding kunst en kunstwetenschap die tot de gemeenschappelijke bevoegdheid van de kamer van de universiteiten en de kamer van de hogere kunstscholen behoort.

Overeenkomstig artikel 42, kunnen die kamers ook elke specifieke gemeenschappelijke commissie oprichten, inzonderheid om de transversale doelstelling van het onderwijsaanbod te bereiken.

Art. 38.De leden van het bureau van de ARES zijn van rechtswege lid van de thematische kamers, en iedere ondervoorzitter, afkomstig uit de categorieën 2°, 3° en 4° bedoeld in artikel 28, § 1, zit de thematische kamer voor die specifiek is voor zijn type instelling. Ze roepen die, in overleg met de Administrateur, bijeen en maken de agenda op, waarbij ze zorgen voor de globale samenhang van de werkzaamheden tussen de verschillende kamers. Op aanvraag van minstens één vijfde van de leden van een thematische kamer, wordt een punt op de agenda van de volgende vergadering gezet.

Om die samenhang te waarborgen, kan een verhinderd lid van het bureau van de ARES zich door zijn plaatsvervanger laten vervangen op het uitvoerend bureau van de ARES. Ze brengen systematisch verslag over de vergaderingen van de thematische kamers uit aan de raad van bestuur van de ARES.

Art. 39.De thematische kamers zijn, naast uit de leden van het bureau van de ARES, samengesteld uit de volgende leden : 1° voor de kamer van de universiteiten : de rectoren van de universiteiten;2° voor de kamer van de hogescholen en het hoger onderwijs voor sociale promotie : de directeurs-voorzitters van de hogescholen en een vertegenwoordiger, afkomstig uit de instellingen voor hoger onderwijs voor sociale promotie van elke academische pool, door deze voorgedragen;3° voor de kamer van de hogere kunstscholen : de directeurs van de hogere kunstscholen. Aan die leden worden personeelsleden en studenten toegevoegd, afkomstig uit de instellingen waarop elke thematische kamer betrekking heeft, zodat ze in totaal uit minstens 20 % vertegenwoordigers van het personeel en 20 % studenten zou bestaan, onder wie, voor de kamer van de hogescholen en het hoger onderwijs voor sociale promotie, minstens één personeelslid en één student, afkomstig uit een instelling voor sociale promotie, voorgedragen door de leden van de raad van bestuur van de ARES respectievelijk bedoeld bij 6° en 7°.

Een lid van een thematische kamer die verhinderd is, kan zich laten vertegenwoordigen door een plaatsvervanger, die volgens de in artikel 28 nader bepaalde regels wordt aangewezen.

De leden van het bureau van de ARES die niet afkomstig zijn uit de instellingen waarop de thematische kamer betrekking heeft, hebben daar alleen met raadgevend stem zitting.

In de kamer van de hogescholen en het hoger onderwijs voor sociale promotie, voor alle materies betreffende de overeenstemming of de gelijkwaardigheid van bekwaamheidsbewijzen tussen beide vormen van onderwijs, zorgt de weging van de stemmen voor een gelijk aantal leden afkomstig uit de hogescholen en deze die afkomstig zijn uit de instellingen voor sociale promotie.

De raad van bestuur van de ARES wijst de leden van de thematische kamers aan.

De mandaten van de leden van de kamers worden in overeenstemming gebracht met die van de raad van bestuur van de ARES, volgens dezelfde nadere regels.

De ARES zendt de Regering de samenstelling van de thematische kamers over.

Art. 40.De ARES stelt de volgende vaste commissies samen, die, op haar aanvraag, worden belast met het voorbereiden van haar beraadslagingen en beslissingen : 1° de « Commission de la Mobilité des étudiants et du personnel (CoM) » (Commissie voor de mobiliteit van studenten en personeel);2° de « Commission de l'Information sur les Etudes (CIE) » (Commissie voor de informatie over de studies) ;3° de « Commission de l'aide à la réussite (CAR) » (Commissie voor de verbetering van de slaagkansen);4° de « Commission de la Coopération au Développement (CCD) »(Commissie voor ontwikkelingssamenwerking);5° de « Commission des Relations internationales « (CRI)(Commissie voor internationale betrekkingen);6° de « Commission de la Vie étudiante, Démocratisation et Affaires sociales (CoVEDAS) »(Commissie voor studentenleven, democratisering en sociale zaken);7° de « Commission Développement Durable (CDD) » (Commissie voor duurzame ontwikkeling);8° de « Commission pour la Qualité de l'Enseignement et de la Recherche (CoQER) »(Commissie voor de kwaliteit van onderwijs en onderzoek);9° de « Commission de la Valorisation de la Recherche et de la Recherche interuniversitaire (CoVRI) »(Commissie voor herwaardering van onderzoek en interuniversitair onderzoek);10° de « Commission Observatoire et Statistiques (COS) »(Commissie waarnemingscentrum en statistiek);11° de « Commission des Bibliothèques et Services académiques collectifs (CBS) »(Commissie bibliotheken en collectieve academische dienstverlening);12° de « Commission de la Formation continue et de l'Apprentissage tout au long de la Vie (CoFoC)(Commissie voortgezette opleiding en leven lang leren). De ARES omvat ook de commissie belast met het ontvangen van de klachten van de studenten betreffende de weigering van een inschrijving, bedoeld in artikel 97, waarvan ze de griffie waarneemt.

Art. 41.De raad van bestuur van de ARES bepaalt de samenstelling van die vaste commissies en benoemt er de leden van, die worden gekozen voor hun bijzondere bekwaamheid in verband met het doel van de commissie. De « Commission de l'aide à la réussite (CAR) » (Commissie voor de verbetering van de slaagkansen) en de « Commission de la Vie étudiante, Démocratisation et Affaires sociales (CoVEDAS) »(Commissie voor studentenleven, democratisering en sociale zaken) tellen 50 % studenten; de « Commission de la Formation continue et de l'Apprentissage tout au long de la Vie (CoFoC) » (Commissie voortgezette opleiding en leven lang leren) telt ten minste een vertegenwoordiger en een student afkomstig uit een instelling voor sociale promotie. De raad van bestuur van de ARES stelt een voorzitter voor elke vaste commissie aan.

De mandaten van de leden van de vaste commissie worden in overeenstemming gebracht met die van de raad van bestuur van de ARES. Ze zijn hernieuwbaar.

Art. 42.De raad van bestuur van de ARES en de thematische kamers kunnen andere commissies samenstellen die worden belast met een bijzonder vraagstuk voor een beperkte duur. De leden worden gekozen voor hun bijzondere bekwaamheid in rechtstreeks verband met het onderwerp van het vraagstuk.

Art. 43.Het huishoudelijk reglement van de ARES bepaalt de werkwijze van de thematische kamers en de commissies van de ARES. Afdeling VI. - Oriëntatieraad

Art. 44.De Oriëntatieraad van de ARES wordt belast met het uitbrengen van adviezen aan de Raad van bestuur van de ARES met als doel het bijdragen tot een betere organisatie van het hogeronderwijssysteem in de Franse Gemeenschap en een aanbod aan studies dat best in overeenstemming is met de algemene opdrachten van het hoger onderwijs, in functie van de socio-economische en sociaal-culturele werkelijkheden en de behoeften op lange termijn inzake intellectuele, wetenschappelijke, artistieke en technische competenties.

Hij kan beraadslagen over alle onderwerpen die de toekomst kunnen beïnvloeden van het Hoger onderwijs en het Wetenschappelijk onderzoek in de Franse Gemeenschap.

Art. 45.De Oriëntatieraad van de ARES wordt samengesteld uit 33 leden, die allemaal stemgerechtigd zijn, en die door de Regering aangewezen worden, met de volgende verdeling: 1° acht vertegenwoordigers van de profit and non-profit socio-economische sectoren vertegenwoordigd door de interprofessionele syndicale verenigingen en de werkgeversorganisaties;2° twee vertegenwoordigers van de culturele wereld gekozen om hun internationale faam;3° twee wetenschappers gekozen wegens hun internationale faam;4° twee personen gekozen om hun bekwaamheden in verband met het hoger onderwijs, voorgedragen door de Raad van bestuur van de ARES buiten zijn leden;5° zes vertegenwoordigers van de politieke wereld, verdeeld in functie van de samenstelling van het Parlement van de Franse Gemeenschap en voorgedragen door hem;6° vier vertegenwoordigers van de inrichtende machten van het leerplichtonderwijs;7° vier vertegenwoordigers van de inrichtende machten van het hoger onderwijs;8° twee vertegenwoordigers van de verenigingen die de studenten vertegenwoordigen en die op gemeenschapsniveau erkend zijn;9° één vertegenwoordiger van het FRS-FNRS;10° één vertegenwoordiger van het Agence pour l'Evaluation de la Qualité de l'enseignement supérieur organisé ou subventionné par la Communauté française (Agentschap voor de Evaluatie van de Kwaliteit van het hoger onderwijs ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap (AEQES));11° de Voorzitter van de Sturingscommissie van het Onderwijs ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap. Ieder lid kan een plaatsvervanger hebben. Het plaatsvervangend lid zetelt enkel bij afwezigheid van het werkend lid.

De leden van de Oriëntatieraad van de ARES worden voor een periode van vijf jaar aangewezen. Hun mandaat kan vernieuwd worden.

Elk lid dat de hoedanigheid heeft verloren wegens welke het aangewezen werd, wordt als ontslagnemend geacht. Wanneer een lid zijn ontslag indient of tijdens zijn mandaat overlijdt, wordt het volgens dezelfde nadere regels vervangen om zijn mandaat te voleindigen.

De Directeur-generaal van het niet-verplicht onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek van het Ministerie van de Franse Gemeenschap of diens vertegenwoordiger woont de Oriëntatieraad met raadgevende stem bij.

Art. 46.De Leden van het Uitvoerend bureau van de ARES alsook zijn Administrateur of zijn vertegenwoordiger wonen de vergaderingen van de Oriëntatieraad met raadgevende stem bij. De Administrateur stelt de notulen van deze vergaderingen op en zendt ze, zodra ze goedgekeurd worden, ter informatie aan de Raad van bestuur van de ARES over.

Art. 47.De Oriëntatieraad verkiest in zijn midden een Voorzitter, onder de werkende leden van de Oriëntatieraad van de categorieën 1° tot 3° van artikel 45.

Zijn mandaat bedraagt vijf jaar en kan vernieuwd worden. Indien hij zijn hoedanigheid als lid van de Oriëntatieraad verliest of als hij zijn ontslag indient, wordt hij vervangen voor het voleindigen van zijn mandaat volgens dezelfde nadere regels.

In afwezigheid van de Voorzitter van de Oriëntatieraad, verkiezen de aanwezigen leden een vergaderingsvoorzitter.

Art. 48.De Oriëntatieraad van de ARES vergadert minstens één keer om het jaar, en op elk verzoek van de raad van bestuur van de ARES, de Regering of minstens één vijfde van de leden.

De agenda van de vergaderingen wordt door de Voorzitter vastgesteld, in overleg met de Administrateur en het Uitvoerend bureau van de ARES. Een punt komt voor op de agenda van de eerstvolgende vergadering op aanvraag van minstens één vijfde van de leden van de Oriëntatieraad.

De adviezen van de Oriëntatieraad worden publiek gemaakt. Ze worden gevoegd bij het jaarverslag van de ARES.

Art. 49.De Oriëntatieraad van de ARES stelt zijn eigen huishoudelijk reglement op dat hij aan de goedkeuring van de Regering voorlegt.

Art. 50.Overeenkomstig artikel 42 kan de Oriëntatieraad aan de ARES de samenstelling van commissies voorstellen die belast zouden zijn met bijzondere kwesties, voor een bepaalde duur en waarvan de leden gekozen worden wegens hun specifieke competentie in rechtstreeks verband met het doel van de Commissie.

Art. 51.De Orientatieraad van de ARES brengt elk jaar voor de Raad van bestuur van de ARES, ten laatste op 1 november, een advies uit over het aanbod inzake studies en voortgezette opleiding.

Binnen de maand voegt de ARES, eventueel met commentaar, dit advies bij zijn jaarverslag. HOOFDSTUK III. - Academische pool Afdeling I. - Definities en opdrachten

Art. 52.Een academische pool is een vereniging zonder winstoogmerk waarvan de leden instellingen voor hoger onderwijs zijn, waaronder minstens een Universiteit, vereniging die op de geografische nabijheid van hun vestigingen steunt.

Elke instelling voor hoger onderwijs behoort tot een of meerdere Academische polen, naargelang de plaats van de vestigingen. Het behoren tot een pool wordt door de lijst van de machtigingen om initiële studies van de eerste en de tweede cyclussen in te richten bedoeld bij artikel 88, § 1, bepaald.

Art. 53.Een Academische pool is een overleg- of dialoogplaats tussen instellingen voor hoger onderwijs. Hij heeft tot hoofdopdracht de promotie van alle vormen van samenwerking tussen de leden en het steunen ervan alsook het bevorderen van de samenwerking om de studenten kwaliteitsdiensten aan te bieden.

Dus, onverminderd de opdrachten van de ARES en de academische zones, zorgt een Academische pool voor: 1° de promotie en de begeleiding van de mobiliteit van de studenten en de leden van het personeel, mits inachtneming van hun statuut en op vrijwillige basis, tussen de verschillende vestigingen en de instellingen, met inbegrip van de nadere praktische en financiële regels;2° het aanbod van collectieve diensten bestemd voor het personeel en de studenten van zijn leden, inzonderheid van de bibliotheken en studiezalen, de restaurants en leefvriendelijke plaatsen, medische, sociale diensten en diensten voor psychologische begeleiding, sport- en culturele activiteiten, en het beheren van de ermee gepaard gaande ontvangsten en uitgaven;3° het federeren en inrichten van de raadgeving en begeleiding voor persoonlijke studiegangen alsook de pedagogische steun voor de leerkrachten;4° de coördinatie van het informeren en het oriënteren van de toekomstige studenten omtrent de verschillende ingerichte studies en de vertegenwoordiging van zijn leden bij elke informatieactiviteit in verband met de hogere studies of in verband met het leerplichtonderwijs;5° de coördinatie van de opleidingen die op de hogere studies voorbereiden en elke andere activiteit die de overgang tussen het leerplichtonderwijs en het hoger onderwijs kan bevorderen;6° het behartigen van de relaties tussen alle lidinstellingen, hun personeel en hun studenten met de plaatselijke actoren, of ze privé of openbaar zijn;7° het bevorderen van de creatie op zijn niveau van gefedereerde centra betreffende de disciplines voor onderzoek, onderwijs of diensten, die de competenties en teams van lidinstellingen van de Pool samenbrengen;8° het behartigen van een gedeeld gebruik van de infrastructuren, uitrustingen en roerende en onroerende goederen prioritair bestemd voor de opdrachten inzake onderwijs, onderzoek en dienst ten bate van de collectiviteit;9° en, meer algemeen, het aanbieden van een bevoorrechte plaats voor dialoog en reflectie onder leden. De statuten van elke Academische pool vermelden hoe deze opdrachten verwezenlijkt moeten worden.

Art. 54.Voor de uitoefening van zijn opdrachten kan een Academische pool of een instelling voor hoger onderwijs partnerschapsbanden leggen met andere Academische polen of instellingen voor hoger onderwijs in de Franse Gemeenschap of groepen van instellingen voor hoger onderwijs buiten de Franse Gemeenschap. Deze maken het voorwerp uit van een overeenkomst.

Art. 55.Voor de verwezenlijking van zijn opdrachten en in functie van de beschikbare middelen kan de Regering menselijke, materiële en financiële middelen ter beschikking stellen van de Pool, indien nodig.

De lidinstellingen van een Pool kunnen hem ook menselijke, materiële en financiële middelen ter beschikking stellen. Het betrokken personeel behoudt integraal zijn statuut, zijn rechten en zijn voordelen.

De lidinstellingen van een Academische pool kunnen, indien gewenst, alle nodige geldoverdrachten maken die noodzakelijk zijn voor hun verplichtingen in het kader van de Pool of van de verschillende ermee gepaard gaande samenwerkingsverplichtingen.

Art. 56.Onverminderd de vorige artikelen, kent de Franse Gemeenschap aan iedere Pool een jaarlijkse subsidie toe van 250,000 euro bestemd voor het dekken van zijn behoeften inzake eigen personeel en werking.

Elk jaar wordt dit bedrag aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer voor de consumptieprijzen door dit bedrag te vermenigvuldigen met de coëfficiënt: Indexcijfer gezondheid van december van het betrokken begrotingsjaar gedeeld door het indexcijfer van december 2013. Afdeling II. - Organisatie

Art. 57.Een Academische pool wordt beheerd door een Raad van bestuur samengesteld uit 30 leden maximum komend uit de lidinstellingen. Hij is bevoegd voor alle aangelegenheden, met uitzondering van deze die uitdrukkelijk onder de bevoegdheid vallen van zijn Algemene vergadering, krachtens artikel 58.

Hij wordt voorgezeten door de Rectoren van Universiteiten die hun maatschappelijke zetel hebben op het grondgebied van de Pool en door een Directeur-Voorzitter van een hogeschool die haar maatschappelijke zetel heeft op het grondgebied van de Pool, als die bestaat. Deze laatste wordt beurtelings door de Raad van bestuur van de Pool aangewezen onder de Directeurs-Voorzitters van één van de bedoelde hogescholen. De Raad stelt ook twee Ondervoorziters aan: één onder de Directeurs van de Hogere kunstscholen die hun maatschappelijke zetel hebben op het grondgebied van de Pool, één ander onder de Directeurs van de Instellingen voor sociale promotie die hun maatschappelijke zetel hebben op het grondgebied van de Pool.

De samenstelling van de Raad van bestuur van een Academische pool is een weerspiegeling van de relatieve omvang van de instellingen inzake aantal gediplomeerden van de initiële BES-opleiding, bachelor en master voortkomend uit studies gevolgd op het grondgebied van de Pool krachtens een machtiging verkregen door de instelling op dat grondgebied, met een minimale vertegenwoordiging, mogelijk onrechtstreeks, van de instellingen met gereduceerde omvang. Ze zorgt voor de aanwezigheid van elke vorm van onderwijs en van de verscheidene categorieën van de academische gemeenschap ervan, waaronder minstens 20% van vertegenwoordigers van het personeel en minstens 20% van studenten. Met uitsluiting van de leden ex officio, moet minstens een derde, afgerond naar de hogere eenheid, van de leden van de Raad van bestuur personen zijn van het ander geslacht, behoudens met redenen omklede onmogelijkheid.

Binnen deze raad, voor de aangelegenheden die betrekking hebben op het onderwijsaanbod op het grondgebied van de Pool, zijn de vertegenwoordigers van de instellingen die over geen machtiging beschikken in een vestiging van de Pool voor studies van de eerste of tweede cyclus van het studiegebied niet stemgerechtigd.

Art. 58.De Algemene vergadering van de lidinstellingen van een Academische pool stelt de statuten ervan vast. Ze is ook als enige bevoegd voor elke wijziging van deze. Binnen de Algemene vergadering, beschikt elke instelling over een aantal stemmen dat evenredig is met het aantal gediplomeerden van de initiële BES-opleiding, bachelor en master voortkomend uit studies gevolgd op het grondgebied van de Pool krachtens een machtiging verkregen door de instelling op dit grondgebied. De Algemene vergadering beslist bij de eenvoudige meerderheid, met een eenvoudige meerderheid onder de vertegenwoordigers van respectief de Universiteiten, de hogescholen, de Hogere kunstscholen en de Instellingen voor sociale promotie.

De statuten alsook elke wijziging in verband ermee worden zonder verwijl ter goedkeuring aan de Regering overgezonden. De Regering bepaalt de statuten van de Academische pool bij gebreke aan beslissing van de Algemene vergadering binnen de zes maanden van de inwerkingtreding van dit decreet.

Deze statuten bepalen inzonderheid: 1° het implementeren van de opdrachten bepaald bij artikel 53, tweede lid, alsook de bijzondere opdrachten toevertrouwd aan de Pool door zijn leden;2° de werkwijze van de Pool;3° de maatschappelijke zetel ervan;4° de competenties, de samenstelling, de mode voor de aanwijzing van de leden en de werkwijze van zijn Raad van bestuur, alsook van de andere beheers- of adviesorganen bestaande binnen de Pool om de opdrachten ervan te verwezenlijken.

Art. 59.Met doeltreffendheid als doel, inzonderheid om zijn opdrachten bedoeld bij artikel 53, 2° en 8°, te vervullen, kan een Academische pool organen oprichten meer specifiek belast met een deel van zijn grondgebied.

Wanneer de Algemene vergadering van een Academische pool de statuten ervan vaststelt, zoals bepaald bij artikel 58, brengt ze een advies uit over de oprichting ervan. De beslissing om er al dan niet één op te richten wordt bij consensus genomen. De samenstelling en de opdrachten van deze organen worden ook tijdens een beraadslaging met consensusprocedure vastgelegd. Bij gebreke aan een consensus onder de leden, kan de Academische pool de zaak bij de Regering aanhangig maken, die dan definitief de statuten van deze organen bepaalt.

Art. 60.De Regering wijst een Regeringscommissaris aan bij elke Academische pool, gekozen onder deze die bij een lidinstelling aangesteld worden.

Het ambt van Regeringscommissaris bij een Academische pool wordt overeenkomstig het decreet van 12 juli 1990 op de controle van de universitaire instellingen, uitgeoefend.

Art. 61.Voor het financiële beheer van de Academische polen wordt gezorgd overeenkomstig de bepalingen betreffende de instellingen van openbaar nut van categorie B van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut en de uitvoeringsbesluiten ervan.

In zijn financiële beheer wordt een Academische pool ertoe gemachtigd elk mogelijk saldo van zijn rekeningen naar het volgende begrotingsjaar over te dragen.

Art. 62.Er worden vijf Academische polen opgericht, verdeeld als volgt: 1° de Pool Luik-Luxemburg, op het grondgebied van de Provincies Luik en Luxemburg;2° de Pool « Louvain », op het grondgebied van de Provincie Waals Brabant;3° de Pool Brussel, op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;4° de Pool Henegouwen, op het grondgebied van de Provincie Henegouwen;5° de Pool Namen, op het grondgebied van de Provincie Namen. HOOFDSTUK IV. - Academische zones

Art. 63.Een academische zone tussen verscheidene polen is een adviesinstantie bestaande uit de leden van de Raden van bestuur van de Academische polen ervan.

Een academische zone tussen verscheidene polen heeft enkel als opdrachten de ARES een evolutie van het aanbod aan hoger onderwijs van het korte type voor te stellen en projecten aan te moedigen of te coördineren inzake steun tot het slagen van studenten.

Art. 64.De beslissingen van een academische zone tussen verscheidene polen worden bij de tweederde meerderheid en bij de eenvoudige meerderheid binnen elke Raad van bestuur van de Academische polen waaruit ze bestaat, genomen.

De Regering kan nadere regels bepalen voor de werking van de academische zones tussen verscheidene polen.

Art. 65.Er bestaan drie academische zones tussen verscheidene polen, verdeeld als volgt: 1° de zone Luik-Luxemburg- Namen die de Academische polen samenbrengt bedoeld bij artikel 62, 1° en 5° ;2° de zone Brussel-Waals Brabant die de Academische polen bedoeld bij artikel 62, 3° en 2°, bijeenbrengt;3° de zone Henegouwen die met de Academische pool bedoeld bij artikel 62, 4°, overeenstemt. TITEL III. - Organisatie van de studies en statuut van de student HOOFDSTUK I. - Structuur en minimale inhoud van de studies

Art. 66.§ 1. De hogere studies worden in drie cyclussen ingericht.

De initiële cursussen bevatten één of twee studiecyclussen, naargelang het onderwijstype.

De specialisatiestudies vervolledigen de initiële opleiding van een gediplomeerde van de eerste of tweede cyclus en behoren tot datzelfde niveau, inzonderheid wanneer de bijzondere voorwaarden voor de toegang tot het beroep het vergen. Meer specifiek, de studies die tot de graad van geaggregeerde van het hoger secundair onderwijs (GHSO) leiden zijn toegankelijk voor de houders van een academische graad van master en worden in aanmerking genomen als 30 studiepunten van niveau 7.

De studies van de derde cyclus omvatten de doctorale opleidingen en de werkzaamheden in verband met de voorbereiding van een doctoraatsthesis.

De diploma's en getuigschriften die aanleiding geven tot de toekenning van studiepunten uitgereikt overeenkomstig dit decreet zijn de enige erkende kwalificaties voor de niveaus 5 tot 8 van het Franstalige kwalificatiekader. § 2. De studies van voortgezette opleiding bieden aan de gediplomeerden van het hoger onderwijs en de personen die de verworven kennis en vaardigheden op professioneel of persoonlijk niveau in aanmerking kunnen laten nemen of gelijkwaardig personeel, op het einde van hun initiële opleiding of levenslang en met een persoonlijk, maatschappelijk of beroepsdoel, gestructureerde gehelen van leeractiviteiten met als doel het vervolledigen, uitbreiden, verbeteren, actualiseren of de vervolmaking van hun kennis, knowhow, vaardigheden en kwalificaties, verworven zowel tijdens hun vorige studies als door hun persoonlijke of beroepservaring.

Deze studies kunnen tot de uitreiking leiden van diploma's, bekwaamheidsbewijzen, getuigschriften of attesten, naargelang hun inhoud en hun statuut. Het gaat om studies van de eerste of tweede cyclus naargelang van het niveau van de leeractiviteiten die ze bevatten. § 3. De instellingen voor hoger onderwijs kunnen ook andere activiteiten inrichten of opleidingen die tot geen van deze categorieën behoren; deze worden niet door een bekwaamheidsbewijs of een academische graad bekrachtigd en leiden niet tot de uitreiking van een diploma of een getuigschrift. § 4. Voor de studies en de opleidingen bedoeld bij de paragrafen 2 en 3, dragen het inschrijvingsgeld gevergd van de studenten, de mogelijke specifieke financiering en de eigen vermogensmiddelen bestemd door de instelling bij tot de dekking van de kosten die gepaard gaan met de organisatie van dit onderwijs. Deze bepaling is niet van toepassing op de opleiding van het CAPAES noch op de opleidingen ingericht door de Instellingen voor sociale promotie.

Art. 67.Het studiepunt is een meetinstrument voor het geheel van de werkzaamheden van een student voor één of meerdere leeractiviteiten, binnen een studieprogramma, ervan uitgaande dat de werkzaamheden van een student die zich voltijds aan zijn studies besteedt gedurende een academiejaar voor hem een last van 60 studiepunten vertegenwoordigen.

Een studiepunt stemt forfaitair overeen met 30 uren leeractiviteiten.

Deze tijdopdracht is enkel gedeeltelijk besteed aan onderwijs rechtstreeks ingericht door de instelling en bevat andere geassocieerde activiteiten, zoals de werkzaamheden, de persoonlijke oefeningen, voorbereidingen, studies, projecten, documentaire opzoekingen, toetsen of sociaalprofessionele onderdompeling.

De studiepunten die geassocieerd worden met een leereenheid binnen een studieprogramma worden in hele getallen uitgedrukt, zonder dat een onderwijseenheid tot meer dan dertig studiepunten aanleiding kan geven. Bij uitzondering daarop, in de studies van de tweede cyclus van de kunstsector, kan een onderwijseenheid aanleiding geven tot meer dan dertig studiepunten indien de toekenning van deze het resultaat is van meerdere evaluaties van aparte leeractiviteiten, waarbij elke activiteit voor minder dan dertig studiepunten in aanmerking wordt genomen.

De activiteiten van opniveaustelling, remediëring, zelfopleiding en persoonlijke verrijking maken niet het voorwerp uit van een berekening in studiepunten in een studieprogramma en worden dus niet in deze definitie van de opdracht van een student in aanmerking genomen.

Nochtans, op de voorwaarden vastgelegd door de academische autoriteiten, kunnen dergelijke activiteiten in aanmerking worden genomen door de examencommissie in de context van een procedure van toelating tot de studies, van heroriëntatie of van een persoonlijk remediëringsprogramma.

Art. 68.Geen enkele student kan aan de leeractiviteiten deelnemen, noch zich aanbieden bij de evaluaties en examens ingericht door een instelling voor onderwijs, noch de overeenstemmende studiepunten toegekend krijgen, als hij voor dit onderwijs niet werkelijk ingeschreven is.

Art. 69.§ 1. De initiële cursussen van het korte type worden in één studiecyclus ingericht. Ze omvatten 180 studiepunten. Deze cursussen worden met de academische graad van bachelor bekrachtigd.

Bij uitzondering daarop, kunnen sommige initiële cursussen van het korte type 240 studiepunten bevatten. § 2. De hogere studies kunnen tot het verkrijgen leiden van het BES (Brevet Hoger Onderwijs) indien ze studies van minstens 120 studiepunten bekrachtigen van beroepsgerichte aard en toegang verlenen tot een duidelijk geïdentificeerd beroep. Deze studies kunnen daarna in een studiecyclus van het korte type geïntegreerd of in aanmerking genomen worden.

Art. 70.§ 1. De initiële cursussen van het lange type worden in twee studiecyclussen ingericht: 1° een eerste cyclus bekrachtigd met de graad van bachelor die 180 studiepunten telt;2° een tweede cyclus bekrachtigd met de graad van master die 60 studiepunten bevat of, als het een bijzondere finaliteit heeft, 120 studiepunten. Sommige studiecyclussen kunnen deel uitmaken van meerdere verschillende cursussen van het lange type.

Bij uitzondering daarop, omvatten de tweede cyclussen in de geneeskunde en de diergeneeskunde 180 studiepunten. De tweede studiecyclus in de geneeskunde wordt bekrachtigd met de graad van arts; de tweede studiecyclus in de diergeneeskunde wordt bekrachtigd met de graad van dierenarts. § 2. De studies van master in minstens 120 studiepunten kunnen één of meerdere keuzen bevatten van 30 specifieke studiepunten die aan deze studies één van de volgende finaliteiten geven: 1° De didactische finaliteit die de specifieke pedagogische opleiding omvat met toepassing van het decreet van 8 februari 2001 tot vaststelling van de initiële opleiding van de geaggregeerden voor het hoger secundair onderwijs of van het decreet van 17 mei 1999 betreffende het kunsthoger onderwijs;ze wordt enkel voor de academische graden ingericht die overeenstemmen met de vereiste bekwaamheidsbewijzen in het onderwijs ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap. De Regering bepaalt deze overeenstemming. 2° De grondige finaliteit die tot wetenschappelijk of artistiek onderzoek leidt.Ze bevat tezelfdertijd grondig onderwijs in een bijzonder vak en een algemene opleiding voor het beroep navorser. Ze wordt exclusief in de universiteit of, voor kunststudies, in Hogere Kunstscholen in medeorganisatie met een gemeenschappelijk programma ingericht met een universiteit die deel neemt aan een overeenstemmende thematische doctorale school. 3° Een gespecialiseerde finaliteit in een bijzonder vak van het gebied waartoe de cursus die bijzondere beroepscompetenties of bijzondere artistieke competenties beoogt, behoort.De instellingen voor hoger onderwijs kunnen één of meerdere verschillende gespecialiseerde finaliteiten inrichten voor eenzelfde master.

De ARES zorgt voor de coherentie van het aanbod aan dergelijke finaliteiten en vermijdt elke onverantwoorde overbodige herhaling. § 3. De studies van master die reeds bestonden vóór de inwerkingtreding van dit decreet mogen enkel 60 studiepunten bevatten binnen een cursus van het lange type van 240 studiepunten. Ze bevatten geen finaliteit. De lijst van deze studies wordt als bijlage III bij dit decreet opgenomen.

Om de twee jaar brengt de ARES voor de Regering een evaluatie uit over deze cursussen.

Art. 71.§ 1. De cursussen van de derde cyclus omvatten de doctorale opleiding en de werkzaamheden in verband met de voorbereiding van een doctoraatsthesis. § 2. De doctorale opleidingen worden begeleid door teams die geassocieerd worden in een thematische doctoraatsschool erkend door de ARES op advies van de Universitaire thematische raad. Ze worden verbonden met de specifieke competenties van de onderzoeksteams en geven aan de gediplomeerde een hoge wetenschappelijke en professionele kwalificatie.

Ze kunnen tot de uitreiking leiden van een getuigschrift van opleiding tot het onderzoek dat forfaitair 60 opleidingsstudiepunten bekrachtigt. Ze bestaan essentieel uit specifieke activiteiten in verband met het beroep navorser en mogen dus niet meer dan 30 studiepunten van leeractiviteiten van het type bedoeld bij 1° van artikel 76, bevatten. De houders van een bekwaamheidsbewijs van master met een grondige finaliteit van hetzelfde studiegebied genieten een automatische inaanmerkingneming van maximum 30 studiepunten in verband met deze leeractiviteiten. § 3. De academische graad van doctor wordt toegekend na de verdediging van een thesis die getuigt van de vaardigheden tot creativiteit, wetenschappelijk onderzoek en verspreiding van zijn resultaten door de doctorandus.

De doctorale proef bestaat uit: 1° het opstellen van een persoonlijk en origineel werk dat de vorm kan aannemen van een dissertatie in het vak, van een proefwerk van de kandidaat dat de coherentie laat uitkomen van een geheel van publicaties van wetenschappelijke aard met de doctorandus als auteur of medeauteur, of een dissertatie in verband met een werk, een project of verwezenlijkingen met de doctorandus als auteur of medeauteur;2° de publieke voordracht van dat werk waarbij wordt aangetoond dat dit werk van kwaliteit is, origineel en dat de kandidaat het vermogen heeft dat werk wetenschappelijk te verspreiden. De werkzaamheden in verband met de voorbereiding van een doctoraatsproefschrift stemmen forfaitair overeen met 180 studiepunten verworven na een initiële opleiding bekrachtigd door een academische graad van master of gelijkwaardig niveau.

Art. 72.Op het einde van een initiële opleiding bekrachtigd door een academische graad van bachelor, kunnen specialisatiestudies van de eerste cyclus tot een andere academische graad van bachelor leiden, na het slagen, volgens het studieprogramma, voor minstens 60 bijkomende studiepunten.

Deze studies hebben tot doel een gespecialiseerde beroepskwalificatie te verlenen die inzonderheid toegang verlenen tot sommige beroepen.

Art. 73.Op het einde van een initiële opleiding bekrachtigd door een academische graad van master in minstens 120 studiepunten of van gelijkwaardig niveau, kunnen specialisatiestudies van de tweede cyclus tot een andere academische graad van master leiden, na het slagen, volgens het studieprogramma, voor minstens 60 bijkomende studiepunten.

Deze studies hebben tot doel een gespecialiseerde beroepskwalificatie te verlenen die overeenstemt met minstens één van de volgende doelstellingen: 1° de uitoefening van sommige beroepen toe te laten, met inachtneming van de overeenstemmende wetsbepalingen, inzonderheid in de gezondheidssector;2° een antwoord te geven aan de behoeften inzake specifieke opleidingen in het kader van programma's voor ontwikkelingssamenwerking;3° toegang te verlenen tot de bijzondere bekwaamheidsbewijzen en graden vereist door de wet of tot de bijzondere competenties erkend door de onderzoeks- en onderwijsteams, die gericht zijn op originaliteit, uniciteit en wetenschappelijke of artistieke specificiteit in de Franse Gemeenschap. De ARES zorgt voor de coherentie van deze studies en waarborgt er de overeenstemming van in verband met deze criteria.

Art. 74.De instellingen voor hoger onderwijs kunnen studies van voortgezette opleiding inrichten ter bestemming van gediplomeerden van het hoger onderwijs of houders van gelijkwaardige bekwaamheidsbewijzen.

Deze studies hebben één of meerdere doelstellingen: 1° het actualiseren van de kennis van de gediplomeerden, inzonderheid in functie van het bijzondere beroepsprofiel van de studenten;2° het perfectioneren of specialiseren van hun kennis en competenties in een of ander bijzonder vak, in hetzelfde studiegebied als hun initiële diploma of in een verschillend gebied.Tot deze categorie behoren inzonderheid de opleiding van wederinschakeling in het arbeidsproces of heroriëntatie; 3° het aanvullen en perfectioneren van hun opleiding, in rechtstreeks verband met hun huidige of komende beroepsactiviteit, met als doel de continuïteit van hun beroepstraject;4° het uitbreiden en verrijken van hun persoonlijke opleiding, als actieve burger met kritische zin. Voor deze studies van voortgezette opleiding, is uit essentie de professionele en persoonlijke inaanmerkingneming van toepassing en kadert in het levenslange leerproces.

De ARES, op advies van de Academische polen, zorgt voor de coherentie van het aanbod aan dergelijke studies en de voorwaarden voor de toegang ertoe en voor het vermijden van elke concurrentie.

Het slagen voor deze studies wordt niet met een academische graad bekrachtigd. Ze kunnen het uitreiken toelaten van sommige getuigschriften en de toekenning van studiepunten aan de studenten die overeenstemmen met de met succes gevolgde studies, indien ze minstens betrekking hebben op 10 studiepunten en dezelfde criteria in acht nemen inzake organisatie, toegang, inhoud en kwaliteit als de studies die tot academische graden leiden. Deze overeenstemming wordt door de ARES bevestigd.

Deze studies van voortgezette opleiding komen niet in aanmerking voor het algemene systeem van financiering van de hogere studies, met uitzondering van de studies ingericht door de Instellingen voor sociale promotie. Nochtans kan de Regering specifieke regels bepalen voor de financiering van sommige onder hen, na advies van de ARES. HOOFDSTUK II. - Organisatie van het onderwijs

Art. 75.§ 1. De administratieve taal van de instellingen voor hoger onderwijs is de Franse taal. § 2. De onderwijs- en evaluatietaal van de leeractiviteiten is het Frans.

Nochtans kunnen activiteiten in een andere taal ingericht en geëvalueerd worden: 1° in de eerste studiecyclus, naar rata van ten hoogste een vierde van de studiepunten;2° voor de studies die leiden tot de academische graad van master, behoudens voor de studiepunten die specifiek zijn voor de didactische finaliteit, naar rata van de helft van de studiepunten;3° voor de studies die gezamenlijk ingericht worden door meerdere instellingen voor hoger onderwijs overeenkomstig artikel 82, waaronder minstens één instelling buiten de Franse Gemeenschap;4° voor de specialisatiestudies;5° voor de studies van de derde cyclus;6° voor de studies van voortgezette opleiding en andere opleidingen. In het algemeen kan elke leeractiviteit van een cursus van de eerste of tweede cyclus gegeven of geëvalueerd worden in een andere taal indien ze ook in het Frans wordt ingericht; aan deze verplichting wordt voldaan voor de opties of de activiteiten op individuele keuze van de student, in de zin van artikel 127, als er minstens een andere keuze bestaat inzake optie of activiteit in het Frans.

Voor de toepassing van paragraaf 2 van het tweede lid, 1° en 2°, komen het onderwijs in vreemde talen, het eindstudiewerk, de activiteiten inzake beroepsintegratie alsook de leeractiviteiten die gezamenlijk ingericht worden door instellingen buiten de Franse Gemeenschap die erkend zijn door hun bevoegde overheid inzake hoger onderwijs, niet in aanmerking.

Voor de studies van de tweede cyclus, kan bovendien de Regering aan de instellingen voor hoger onderwijs afwijkingen toestaan wanneer de beoogde studies een internationale aard hebben voortvloeiend uit de excellentie van het wetenschappelijke of artistieke gebied, of van zijn bijzondere aard. De afwijkingen worden op de voordracht van de ARES toegestaan.

Art. 76.De leeractiviteiten omvatten: 1° lessen ingericht door de instelling, inzonderheid meesterlessen, begeleide oefeningen, praktische werkzaamheden, laboratoriumwerkzaamheden, seminaries, creatieoefeningen en onderzoek in ateliers, uitstapjes, bezoekuitstapjes en stages;2° individuele of groepsactiviteiten, inzonderheid voorbereidingsessies, werkzaamheden, informatieopzoeking, eindstudiewerk, projecten en activiteiten ter beroepsinschakeling;3° studie, zelfopleidingsactiviteiten en activiteiten voor de persoonlijke verrijking. Al deze activiteiten kunnen het voorwerp uitmaken van een evaluatie of een inaanmerkingneming als studiepunten.

Art. 77.Iedere onderwijseenheid binnen een studieprogramma omvat één of meerdere leeractiviteiten. Een eenheid wordt gekenmerkt door de volgende elementen: 1° haar identificatie, haar benaming, haar vak;2° het aantal ermee gepaard gaande studiepunten;3° haar bijdrage tot het onderwijsprofiel van het programma, alsook de specifieke leerresultaten bekrachtigd door de evaluatie;4° de beschrijving van de doelstellingen, de inhoud en de bronnen, referenties en mogelijke steun, met vermelding van deze die onontbeerlijk zijn voor het verwerven van de vereiste competenties;5° de cyclus en het niveau van het Franstalige Kwalificatiekader waartoe ze behoort en, indien relevant, de chronologische plaats in het cyclusprogramma;6° haar verplichte aard of haar individuele keuzeoptie voor de student binnen het programma of de opties;7° de lijst van de voorvereiste en medevereiste onderwijseenheden binnen het programma en als andere bijzondere kennis en competenties voorvereist zijn;8° de gegevens betreffende de dienst van de leerkracht(-en) die verantwoordelijk is (zijn) voor de organisatie en de evaluatie ervan;9° haar organisatie, inzonderheid de uuromvang, de vestiging en de periode van het academiejaar;10° de beschrijving van de verscheidene leeractiviteiten waaruit ze bestaat, de onderwijs- en leermethodes;11° de evaluatiewijze en, desgevallend, de relatieve weging van de verschillende leeractiviteiten;12° de onderwijs- en evaluatietaal (-talen). Binnen een studieprogramma kan de evaluatie van een onderwijseenheid het voorwerp uitmaken van een weging met als doel de beraadslagingen van een examencommissie bij de berekening van het gemiddelde bedoeld bij artikel 139 en artikel 140. Deze weging wordt tevens vermeld. Bij gebreke daaraan wordt een gelijk gewicht gegeven aan de evaluatie van elke onderwijseenheid.

Deze beschrijving van de onderwijseenheden kan niet gewijzigd worden gedurende het academiejaar waarop ze betrekking heeft, behoudens overmacht ten opzichte van de verantwoordelijke leerkrachten.

Art. 78.Iedere Universiteit, hogeschool en Hogere Kunstschool ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap wordt ertoe gehouden ter beschikking van de regelmatig ingeschreven studenten te stellen, op een intranetsite, de lesdragers waarvan de lijst, voor de Universiteit, bepaald wordt door het orgaan bedoeld bij artikel 17 van het decreet van 21 september 2012 betreffende de deelneming en de vertegenwoordiging van de studenten in het hoger onderwijs, voor de hoge scholen, door de Pedagogische raad en, voor de Hogere Kunstscholen, door de Pedagogische beheersraad.

Deze terbeschikkingstelling van de lesdragers bedoeld bij het vorige lid wordt effectief ten laatste één maand na het begin van de beoogde leeractiviteiten.

Deze lesdragers kunnen gewijzigd worden volgens de evolutie van de precieze inhoud en de vorm van de leeractiviteiten. Nochtans moeten ze ten laatste zes weken vóór de overeenstemmende evaluatieproef online worden gesteld.

De student die een studiesubsidie geniet die het aanvraagt, kan ten laste van de sociale begrotingen van de Universiteit, hogeschool of Hogere Kunstschool, gratis een papierexemplaar krijgen van de lesdragers voor de cursus waarvoor hij ingeschreven is en die bedoeld zijn in de lijst bepaald bij het eerste lid? In de instellingen voor hoger onderwijs die, anderzijds, de lesdragers via een drukexemplaar de lesdragers ter beschikking stellen van hun studenten, wordt de kosten van deze druk ter advies van de overlegcommissie voorgelegd, die belast is met het uitbrengen van een advies over de kosten op de reële waarde geraamd met betrekking tot de goederen en diensten verleend aan de studenten. HOOFDSTUK III. - Studieritme

Art. 79.Het geheel van de leeractiviteiten van elke onderwijseenheid van de cursussen die leiden tot een academische graad van de eerste of tweede cyclus wordt verdeeld over één van de eerste twee kwadrimesters van het academiejaar, met uitzondering van sommige evaluaties, stages, projecten of activiteiten voor de beroepsinschakeling. Bij wijze van uitzondering en om met redenen omklede pedagogische redenen, kunnen sommige onderwijseenheden van de eerste cyclus verdeeld worden over de eerste twee kwadrimesters van het academiejaar; in dat geval, wordt een gedeeltelijke proef ingericht op het einde van het eerste kwadrimester, overeenkomstig de bepalingen van artikel 150, § 1er.

Het eerste kwadrimester begint op 14 september; het tweede op één februari; het derde op één juli. De eerste twee kwadrimesters bevatten minstens 12 weken leeractiviteiten. De leeractiviteiten beginnen op de eerste maandag van het kwadrimester.

Op het einde van ieder van deze kwadrimesters wordt een evaluatieperiode ingericht dat de verwerving van studiepunten toelaat.

Deze heeft minimum betrekking op het geheel van de leeractiviteiten ingericht gedurende het kwadrimester.

Een derde kwadrimester omvat evaluatieperiodes, alsook activiteiten voor de beroepsinschakeling of persoonlijke werkzaamheden. § 2. Bij uitzondering op de vorige paragraaf, kunnen, de autoriteiten van de instelling voor hoger onderwijs, wegens degelijk met redenen omklede overmacht, een evaluatieperiode van een student verlengen tot het volgende kwadrimester, zonder nochtans een periode van twee maand en half na het einde van het kwadrimester te mogen overschrijden. § 3. De leeractiviteiten van de studies van de derde cyclus, van de studies van voortgezette opleiding en van de andere opleidingen kunnen over de drie kwadrimesters verdeeld worden.

Art. 80.De leeractiviteiten bedoeld bij artikel 76, 1°, en de evaluaties, met uitzondering van de activiteiten voor beroepsinschakeling, tochten, bezoekuitstapjes en stages, kunnen door de instellingen noch op zondag, noch op feestdagen, noch op 27 september ingericht worden.

De autoriteiten van deze instellingen voor hoger onderwijs kunnen andere dagen voor het ophouden van de activiteiten bepalen die eigen zijn aan hun instelling. HOOFDSTUK IV. - Mobiliteit, samenwerking en gezamenlijke diplomering

Art. 81.Studenten ingeschreven in een instelling voor hoger onderwijs met als doel het behalen van een academische graad, volgen de leeractiviteiten en voeren de werkzaamheden uit die in hun studieprogramma voorkomen en die door de instelling worden ingericht.

Ze leggen er de proeven en examens af in verband met hun studieprogramma.

Overeenkomsten gesloten met andere Belgische of buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs, in de Franse Gemeenschap of buiten deze laatste, kunnen echter bepalen dat sommige van deze cursussen en werkzaamheden door deze andere instellingen ingericht zullen worden en dat de examens over deze leerstof eveneens in deze instellingen zullen worden afgelegd, overeenkomstig de geldende regels. Ze kunnen ook in het uitwisselen van personeelsleden voorzien.

De instellingen buiten de Franse Gemeenschap waarmee deze overeenkomsten kunnen worden afgesloten, moeten erkend zijn door hun bevoegde autoriteiten inzake hoger onderwijs, moeten lessen inrichten of aan de organisatie deelnemen van cursussen en moeten graden uitreiken die gelijkwaardig zijn met minstens een graad van de eerste cyclus zoals bedoeld bij dit decreet.

Art. 82.§ 1. In het kader van hun opdrachten ontwikkelen de instellingen voor hoger onderwijs partnerschappen onderling, alsook met andere instellingen of rechtspersonen uit de wereld van de wetenschappen, het onderwijs, uit het beroepsleven en de cultuur. De gekozen partners kunnen Belgisch zijn of uit het buitenland komen. Ze kunnen samenwerkingsovereenkomsten met deze partners sluiten.

Voor de overeenkomsten inzake onderwijs, moeten de partnerinstellingen door hun bevoegde overheid erkend worden inzake hoger onderwijs. § 2. Twee of meerdere instellingen voor hoger onderwijs, in de Franse Gemeenschap of buiten de Franse Gemeenschap, kunnen onderling samenwerkingsovereenkomsten in de zin van de vorige paragraaf sluiten voor de gezamenlijke administratieve en academische organisatie van leeractiviteiten van een opleiding of een gezamenlijk studieprogramma waartoe minstens één van ze gemachtigd is. Een dergelijke overeenkomst kan betrekking hebben op het aanbod en de organisatie van onderwijs, het uitwisselen van personeelsleden of het delen van infrastructuren.

De overeenkomst wijst, onder de instellingen die ertoe gemachtigd worden voor de bedoelde studies, de referentie-instelling aan die belast is met de centralisatie van het administratieve en academische beheer van het programma en de studenten. De Regering kan de minimale inhoud van een dergelijke overeenkomst aanvullen. § 3. Een gezamenlijk studieprogramma kan tot een gezamenlijke diploma-uitreiking leiden wanneer het gezamenlijk ingericht wordt in de zin van de vorige paragraaf, alle partners in de Franse Gemeenschap ertoe gemachtigd zijn of gezamenlijk gemachtigd zijn voor deze studies, de leeractiviteiten gezamenlijk ingericht, beheerd en verstrekt worden en het slagen daarvoor collegiaal bekrachtigd wordt en wanneer het leidt tot de gezamenlijke uitreiking van een enkel diploma, ondertekend door alle partners, ofwel diploma's uitgereikt door iedere instelling krachtens hun eigen machtiging en wetgeving.

Om een programma voor de gezamenlijke diplomering voor te dragen, moeten de partnerinstellingen in de Franse Gemeenschap, elk, in het kader van de overeenkomst, minstens 15% ten laste nemen van de leeractiviteiten van het programma van de betrokken studiecyclus.

Daarenboven, zal elke student effectief leeractiviteiten hebben gevolgd ingericht door minstens twee verschillende partners.

Dit laatste lid is niet van toepassing op de studies die aanleiding geven tot een gezamenlijke diplomering en die ingericht worden in het kader van de bijzondere programma's bepaald door de Europese Unie.

De overeenkomst inzake gezamenlijke diplomering bepaalt inzonderheid: 1° de bijzondere voorwaarden voor de toegang tot de studies;2° de nadere regels voor de inschrijving;3° de organisatie van leeractiviteiten;4° de nadere regels voor de evaluatie, de beraadslaging en de bekrachtiging op het einde van de cyclus;5° het opschrift van de graad (graden), bekwaamheidsbewijzen of diploma's die uitgereikt worden, alsook het model ervan;6° de regels voor de herverdeling van de ontvangsten en de verdeling van de uitgaven over de partnerinstellingen;7° de instelling voor hoger onderwijs in de Franse Gemeenschap aangewezen als referentie in de Franse Gemeenschap;8° de bepalingen met betrekking tot de verzekeringen aangegaan door de studenten. De nadere regels voor de evaluatie en de organisatie bepaald in de overeenkomst moeten overeenstemmen met de wetgeving die geldt in één van de partnerinstellingen. § 4. Met het oog op de begeleiding van sommige werkzaamheden betreffende de voorbereiding van een doctoraatsthesis, kunnen de universiteiten overeenkomsten van gezamenlijke voogdij over een thesis met andere universiteiten of instellingen voor hoger onderwijs sluiten, of die in de Franse Gemeenschap of buiten deze bestaan, die ertoe gemachtigd worden de graad van doctor toe te kennen. Deze overeenkomsten worden gelijkgesteld met overeenkomsten inzake gezamenlijke diplomering, maar blijven specifiek voor elke student; erin wordt de doctoraatsschool vermeld die de opleiding begeleidt. HOOFDSTUK V. - Academische graden

Art. 83.§ 1. De hogere studies worden in de volgende studiegebieden ingericht: 1° filosofie;2° theologie;3° taal-, letterkunde en traductologie;4° geschiedenis, kunstgeschiedenis en archeologie;5° informatie en communicatie;6° politieke en sociale wetenschappen;7° rechtswetenschappen;8° criminologie;9° economische wetenschappen en beheerswetenschappen;10° psychologische en opvoedingswetenschappen;11° geneeskundige wetenschappen;12° diergeneeskundige wetenschappen;13° tandwetenschappen;14° biomedische en farmaceutische wetenschappen;15° wetenschappen van de volksgezondheid;16° wetenschappen van de motoriek;17° wetenschappen;18° landbouwkundige wetenschappen en biologische engineering; 19 ° ingenieurwetenschappen en technologie; 20° bouwkunst en stedenbouw;21° Kunst en kunstwetenschappen;22° Plastische, visuele en ruimtekunsten;23° Muziek;24° Theater en spreekkunsten;25° Vertoningskunsten en techniek van de verspreiding en de communicatie;26° Dans. De werkzaamheden met betrekking tot de voorbereiding van een doctoraatsthesis worden in één of meerdere studiegebieden gerangschikt.

De Studies van voortgezette opleiding en andere opleidingen ingericht door de instellingen worden tevens als behorend tot één of meerdere studiegebieden gerangschikt.

De lijst van de academische graden geassocieerd met deze studiegebieden wordt door deze van de overeenstemmende machtigingen bepaald. § 2. De studiegebieden worden over vier sectoren verdeeld, als volgt: 1° humane en sociale wetenschappen: de studiegebieden 1° tot 10° ;2° gezondheid: de studiegebieden 11° tot 16° ;3° wetenschappen en technieken: de studiegebieden 17° tot 20° ;4° kunst: de studiegebieden 21° tot 26°.

Art. 84.Geen enkel bekwaamheidsbewijs of geen enkele academische graad kan door een instelling voor hoger onderwijs uitgereikt wordt aan een student die niet werkelijk minimum 60 studiepunten zou hebben gevolgd van het overeenstemmende programma en die niet regelmatig zou zijn ingeschreven voor de studies die leiden tot deze graad.

Bij uitzondering op het vorige lid kan aan de houder van een graad van master van 120 studiepunten de academische graad toegekend worden die overeenstemt met een andere finaliteit van deze graad van master na geslaagd te zijn voor bijkomende studiepunten die eigen zijn aan deze finaliteit. Op dezelfde wijze kan de graad van geaggregeerde van het hoger secundair onderwijs toegekend worden aan de studenten die regelmatig ingeschreven zijn voor deze studies en die aan de proeven van het overeenstemmende studieprogramma hebben voldaan.

Bij uitzondering van het eerste lid en om verantwoorde redenen, kan de academische graad van het brevet van het hoger onderwijs aan een student toegekend worden die effectief minstens 20 studiepunten zou hebben gevolgd van het overeenstemmende programma en die daar regelmatig ingeschreven zou zijn voor de studies die tot deze graad leiden gedurende minstens één academiejaar.

Art. 85.§ 1. Met uitzondering van de graad van doctor, omvat elke academische graad een generische benaming - bachelor, master, arts, dierenarts - en een kwalificatie samengesteld uit de volgende elementen: 1° de titel van de cursus, voorafgegaan door « : « of het woord " in " of " ès ";2° de mogelijke richting voorafgegaan door " richting ", alsook de mogelijke specialiteit;3° de finaliteit eventueel gevolgd of voorafgegaan door " met finaliteit ". Voor de universitaire studies van de derde cyclus wordt de graad van doctor bepaald door de titel van de verdedigde doctoraatsthesis en ofwel door de thematische doctoraatsschool die de opleiding heeft begeleid of het (de) onderzoeksdomein(en) waarbij ze aansluit. § 2. De oriëntatie en de mogelijke opties bepalen de inhoud van het studieprogramma bekrachtigd door de academische graad die aan deze studie een bijzonder competentieprofiel verleent.

Een oriëntatie, mogelijks nader bepaald door een specialiteit, vermeldt een referentiesysteem voor de competenties en een onderwijsprofiel die specifiek zijn voor het programma van de studiecyclus die ertoe leidt en die overeenstemmen met een geheel aan onderwijseenheden van meer dan 60 studiepunten en met niet meer dan de twee derde studiepunten die de studiecyclus uitmaken.

Een optie betekent een keuze, door de student, van een coherent geheel aan bijzondere onderwijseenheden die overeenstemmen met 15 tot 30 studiepunten, dat heel of een gedeelte van het programma van de studiecyclus kenmerkt, zonder dat het totaal van de opties de helft van de studiepunten van de studiecyclus mag overschrijden en zonder dat deze tot een aparte academische graad kan leiden. HOOFDSTUK VI. - Machtigingen

Art. 86.§ 1. De machtiging om hogere studies te organiseren en om de academische graden toe te kennen die ze bekrachtigen, wordt aan een instelling voor hoger onderwijs bij decreet toevertrouwd of ingetrokken.

De machtiging heeft betrekking op de studies die leiden tot een bijzonder bekwaamheidsbewijs, alsook op het geografische grondgebied waarop deze studies ingericht kunnen worden, met uitzondering van de werkzaamheden betreffende de voorbereiding van een doctoraatsthesis die niet in verband staan met een specifieke vestiging. Een machtiging wordt verleend voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of, in het Waalse Gewest, voor één of meerdere bestuursarrondissementen.

Op eensluidend advies van de ARES kan een instelling voor hoger onderwijs een deel van de leeractiviteiten inrichten buiten de aldus bepaalde vestigingen, voor zover deze gedecentraliseerde activiteiten niet 15 studiepunten per studiecyclus overschrijden en nooit een dubbele onderwijsactiviteit zijn. § 2. Elke gezamenlijke instelling van een studiecyclus, met of zonder gezamenlijke diplomering, tussen meerdere instellingen voor hoger onderwijs in de Franse Gemeenschap met toepassing van de bepalingen van artikel 82, § 2 of § 3, wordt eerst aan het gunstige advies van de ARES voorgelegd.

Deze bepaling betreft niet de reeds bestaande gezamenlijke organisaties bij de inwerkingtreding ervan.

Art. 87.Een machtiging wordt "voorwaardelijk" genoemd wanneer ze onderworpen is aan de voorwaarde dat de instellingen aan wie deze gezamenlijke machtiging wordt toegekend, een overeenkomst van gezamenlijke diplomering met elkaar sluiten, in de zin van artikel 82, § 3.

Behoudens uitdrukkelijke verantwoording, is elke nieuwe machtiging voorgedragen door de ARES, ofwel een voorwaardelijke gezamenlijke machtiging, ofwel moet deze in een project kaderen van samenwerking of gezamenlijke organisatie tussen verschillende instellingen volgens de bepalingen van artikel 82.

De lijst van deze machtigingen wordt als bijlage IV bij dit decreet opgenomen.

Art. 88.§ 1. De machtigingen om initiële cursussen van de eerste en tweede cyclussen en van specialisatiebachelor kunnen herzien worden, op voorstel of na advies van de ARES, met uitwerking voor het academiejaar dat een aanvang neemt gedurende het jaar dat op het jaar van de aanneming van het decreet ter toekenning van deze machtigingen volgt. In zijn voorstellen verantwoordt de ARES en zorgt deze voor een collectief evenwicht, in harmonie met de lokale aanvragen en de menselijke, intellectuele, materiële en financiële middelen die beschikbaar zijn, en waarbij elke concurrentie of overbodige herhaling vermijdend. Het advies van de ARES over de nieuwe machtigingen steunt inzonderheid op de bestaande specifieke competenties, op de opvangcapaciteiten voor studenten en de globale coherentie van het aanbod, daarbij steriele concurrentie tussen instellingen en Academische polen wordt belet.

De lijst van de machtigingen om de initiële studies van de eerste en de tweede cyclussen en de specialisatiebachelor in te richten wordt als bijlage II bij dit decreet opgenomen. § 2. Uiterlijk op het begin van het academiejaar 2020 moeten de studiecyclussen van het korte type, buiten specialisatiestudies, die leiden tot dezelfde academische graad ingericht in hetzelfde arrondissement en waarvan minstens één diploma's toekent aan minder dan 10 studenten per jaar en gemiddeld over de vijf academiejaren, gezamenlijk ingericht worden door de instellingen die gemachtigd zijn binnen de Academische pool van de betrokken vestigingen, op straffe van verlies van deze machtiging voor deze vestigingen. Deze bepaling betreft niet de studies ingericht een keer op het grondgebied van een Academische pool of die gezamenlijk als gezamenlijke diplomering door minstens drie gemachtigde instellingen worden ingericht. De ARES kan de wetgever uitzonderingen op deze bepaling, die degelijk met redenen omkleed moeten worden, voorstellen. § 3. De machtiging om de grondige finaliteit van een master in te richten wordt verleend aan de universiteiten die gemachtigd zijn voor deze master in 120 studiepunten en die aan een thematische doctoraatsschool deelnemen van het studiegebied. Bij uitzondering daarop wordt de machtiging om de grondige finaliteit in te richten ook toegekend aan de Hogere Kunstscholen als deze ook ingericht wordt in het kader van een gezamenlijk programma met een universiteit die aan de doctoraatsschool in de kunsten en kunstwetenschappen deelneemt.

Art. 89.De machtiging om specialisatiemasterstudies in te richten wordt enkel toegekend aan de instellingen die ertoe gemachtigd zijn een academische graad van het lange type van hetzelfde studiegebied toe te kennen. Deze studies worden noodzakelijkerwijze ofwel ingericht door een universiteit of een Hogere Kunstschool, ofwel gezamenlijk door meerdere instellingen waarvan minstens één universiteit.

Nochtans, wordt een dergelijke machtiging verloren voor de instelling die de overeenstemmende studies inricht, ofwel het geheel van de instellingen die de overeenstemmende studies gezamenlijk inrichten, indien ze gemiddeld niet minstens tien studenten een diploma hebben uitgereikt gedurende de drie vorige academiejaren, rekening houdend met het eerste organisatiejaar, behoudens als deze studies ingericht of gezamenlijk ingericht worden als enige in de Franse Gemeenschap. De ARES kan de wetgever uitzonderingen, degelijk met redenen omkleed, op deze bepaling voorstellen.

De lijst van de academische graden die de studies bedoeld bij artikel 73, 3°, bekrachtigen, wordt als bijlage V bij dit decreet opgenomen; de Regering bepaalt de lijst van deze die bedoeld worden bij de categorieën 1° en 2° in coherentie met de andere wetgevingen en reglementeringen die ermee verband houden.

Art. 90.De instellingen voor hoger onderwijs worden ertoe gemachtigd studies van voortgezette opleiding in te richten in de studiegebieden waarvoor ze gemachtigd worden studies te organiseren van de eerste of tweede cyclus. De ARES kan uitzonderingen, degelijk met redenen omkleed, toestaan op deze bepaling.

Art. 91.De machtiging om de doctorale opleiding in te richten wordt toegekend, per studiegebied of geheel van studiegebieden, gezamenlijk aan de Universiteiten die een thematische doctoraatsschool omvatten die erkend is door de ARES en die bij de overeenstemmende doctoraatsschool bij het FRS-FNRS hoort. Deze is de enige in de Franse Gemeenschap.

De machtiging om de academische graad van doctor toe te kennen wordt toegekend aan elke Universiteit.

Voor de uitreiking van het doctoraat in de kunst en kunstwetenschappen werken de universiteiten die een erkende doctoraatsschool omvatten die onder de doctoraatsschool van het studiegebied ressorteert noodzakelijkerwijze in samenwerking met één of meerdere Hogere Kunstscholen. HOOFDSTUK VII. - Gelijkstelling

Art. 92.De Regering kan de gelijkwaardigheid erkennen tussen een bekwaamheidsbewijs, diploma of getuigschrift van studies uitgereikt in het buitenland en één van de academische graden die worden toegekend krachtens de bepalingen van dit decreet.

Via een individuele maatregel kan de Regering beslissen over de toekenning van de volledige gelijkwaardigheid van studies die gevolgd werden buiten de Franse Gemeenschap, en die niet vallen onder de maatregel die wordt besproken in het voorgaande lid, met de verschillende academische graden van bachelor voor de studies van het korte type en van master, arts en dierenarts voor de studies van het lange type. De toekenning van de volledige gelijkwaardigheid kan afhankelijk worden gemaakt van het slagen voor een bijzondere proef in de gevallen en binnen de perken vastgelegd door de Regering.

Onder voorbehoud van het eerste lid en het tweede lid en onafhankelijk van een toelatingsprocedure voor de studies, beslissen de examencommissies over de volledige of gedeeltelijke gelijkwaardigheid van studies die werden gedaan buiten de Franse Gemeenschap met de academische graden die ervoor worden toegekend.

De Regering legt de voorwaarden en de procedure voor de toekenning van de gelijkstelling bedoeld in het tweede lid en het derde lid vast.

Art. 93.Via individuele maatregelen beslist de Regering over de gelijkwaardigheid van het behaalde studieniveau in het buitenland met het studieniveau dat wordt bekrachtigd met de toekenning van een generieke academische graad van bachelor of master.

De Regering legt de voorwaarden en de procedure voor de aanneming van deze beslissingen over gelijkwaardigheid van het studieniveau vast. HOOFDSTUK VIII. - Inschrijving voor de studies

Art. 94.De student kiest vrij de instelling voor hoger onderwijs waar hij zich wil inschrijven.

De inschrijving van de student houdt in dat hij het studiereglement in acht zal nemen.

Art. 95.§ 1. Een inschrijvings- of toelatingsaanvraag wordt ingediend volgens de procedure bepaald in het studiereglement. Ze is onontvankelijk als de student niet voldoet aan alle toelatingsvoorwaarden voor de beoogde studies of de bepalingen van het studiereglement niet in acht nemen. Daarvan wordt rechtstreeks aan de kandidaat kennisgegeven zonder dat er sprake kan zijn van een weigering om inschrijving in de zin van artikel 96.

Bij de Commissarissen en Afgevaardigden van de Regering die bij de instellingen aangewezen worden, kan een beroep tegen deze beslissing ingesteld worden. Ze worden ertoe gemachtigd, om met redenen omklede motieven, deze beslissing ongeldig te verklaren of te bevestigen.

Het bewijs dat de student voldoet aan de toelatingsvoorwaarden voor de studies rust op hem. Dit bewijs kan elk bewijskrachtig officieel document zijn, of bij door de overmacht behoorlijk aangetoond gebrek aan dat document, een verklaring op eer getekend door de student waarmee wordt gestaafd dat een dergelijk document materieel niet ingediend kan worden.

Elke valse verklaring of een vervalsing in de samenstelling van een toelatings- of inschrijvingsdossier wordt gelijkgesteld met een fraude bij de inschrijving.

De instellingen voor hoger onderwijs kunnen voorlopig studenten inschrijven in afwachting dat ze aan bepaalde toelatingsvoorwaarden voldoen. Deze voorlopige inschrijving moet ten laatste tegen 30 november geregulariseerd worden, behoudens als de student niet verantwoordelijk is voor de vertraging bij het indienen van de afwezige documenten of attesten. § 2. Bij zijn aanvraag om inschrijving krijgt de student alle nuttige informatie in verband met de instelling en de beoogde studies, inzonderheid het studiereglement, alsook het gedetailleerde studieprogramma.

Voor de studies die tot een beroepsbekwaamheidsbewijs kunnen leiden dat onderworpen is aan regels en beperkingen inzake erkenning of van bijzondere beroepsinstellingen, moet deze nauwkeurige informatie schriftelijk vanaf de aanvraag om inschrijving bekend gemaakt worden en ingediend. De Regering kan de inhoud van dat document bepalen. Een door de student ondertekend ontvangstbewijs bewijst de overzending van dat document.

Art. 96.§ 1. Bij met redenen omklede beslissing kunnen de autoriteiten van de instelling voor hoger onderwijs, volgens de procedure waarin wordt voorzien in het studiereglement, de inschrijving van een student weigeren: 1° wanneer deze student in de voorbije vijf jaar het voorwerp is geweest van een maatregel tot uitsluiting uit een instelling voor hoger onderwijs wegens fraude bij de inschrijving of zware fraude;2° wanneer de inschrijvingsaanvraag betrekking heeft op studies die niet aanleiding geven tot een financiering;3° wanneer deze student niet gefinancierd kan worden. Van de beslissing tot weigering van de inschrijving moet aan de student via aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs ten laatste veertien dagen na de ontvangst van zijn eindaanvraag om effectieve inschrijving kennis worden gegeven.

De kennisgeving van de weigering om inschrijving moet de nadere regels vermelden voor de uitoefening van de rechten op beroep. § 2. Het studiereglement bepaalt een interne beroepsprocedure bij de academische autoriteiten van de instelling tegen de beslissingen tot weigering bedoeld in de vorige paragraaf.

Art. 97.§ 1. Er wordt een commissie belast met het ontvangen van de klachten van de studenten betreffende een weigering om inschrijving bedoeld bij artikel 96 opgericht. Voor deze wordt door de ARES gezorgd, die er de logistieke en administratieve steun aan geeft; een personeelslid van de ARES neemt het secretariaat waar. § 2. De Regering wijst de leden van deze commissie aan, op de voordracht van de ARES. Ze bestaat uit minstens vijf werkende leden en vijf plaatsvervangende leden. Deze leden worden gekozen onder de leden van het personeel en de studenten van de instellingen voor hoger onderwijs, waaronder minstens 20% studenten. Daarenboven, moet minimum een derde, afgerond naar de hogere eenheid, van de leden van de commissie personen zijn van een verschillend geslacht als dat van de andere personen, behoudens onmogelijkheid, degelijk met redenen omkleed.

Deze commissie kan meerdere raden bevatten die samengesteld zijn en aangewezen op gelijkaardige wijze.

Het mandaat van de leden van de commissie bedraagt vijf jaar, met uitzondering van de leden studenten die voor één jaar aangewezen worden. De mandaten kunnen vernieuwd worden.

De leden kunnen hun ontslag indienen op elk ogenblik. De Regering kan enkel een lid ontslaan in geval van zware nalatigheid of onbetwistbaar wangedrag. De leden blijven hun ambt vervullen totdat ze vervangen worden, behoudens ontslag door de Regering. § 3. De Regering bepaalt de nadere regels voor de werking van deze commissie. Noch de Regering noch enig lid van de ARES of van een instelling voor hoger onderwijs kan geenszins onderrichtingen geven aan de leden van de commissie over de wijze waarop ze hun bevoegdheid moeten uitoefenen.

Geen enkel lid van deze commissie kan aan het onderzoek van een klacht betreffende een weigering met betrekking tot een instelling waar hij aan gebonden is als personeelslid of als student, deelnemen.

Na de kennisgeving van de verwerping van het interne beroep bedoeld bij artikel 96, § 2, beschikt de student over veertien dagen om de beslissing te betwisten die genomen werd op het einde van deze procedure vóór genoemde commissie bij aangetekend schrijven. Dit verzoek vermeldt duidelijk de identiteit van de student en het precieze voorwerp van het beroep; het bevat alle elementen en alle documenten die hij nodig acht om zijn beroep met redenen te omkleden.

De commissie is niet bevoegd om zich uit te spreken over de academische redenen die tot de beslissing hebben geleid, maar kan de weigering om inschrijving binnen de veertien dagen vanaf de ontvangst van de klacht invalideren indien elementen die de beslissing over de aanvraag om inschrijving gunstig hadden kunnen beïnvloeden niet in aanmerking werden genomen bij dit interne beroep. Indien, na het verstrijken van deze termijn, de commissie deze weigering niet heeft geïnvalideerd, wordt de beslissing van de academische autoriteiten definitief.

Art. 98.In geval van fraude bij de inschrijving verliest de student onmiddellijk zijn hoedanigheid als regelmatig ingeschreven student, alsook alle rechten die met deze hoedanigheid samengaan en de rechtsgevolgen verbonden aan het slagen voor proeven tijdens het betrokken academiejaar. De inschrijvingsgelden die aan de instelling werden betaald, worden definitief aan deze toegewezen.

Art. 99.Een inschrijving blijft geldig voor één academiejaar en heeft betrekking op een coherent geheel van onderwijseenheden van een bepaalde cursus. Deze lijst van onderwijseenheden vormt het jaarlijkse programma van de student voor het academiejaar opgesteld overeenkomstig artikel 100.

Met de instemming van de academische autoriteiten kan een student meerdere inschrijvingen gedurende eenzelfde academiejaar cumuleren.

Art. 100.§ 1. Het programma van een student die zich voor de eerste keer inschrijft voor een eerste cyclus stemt verplicht overeen met de eerste 60 studiepunten van het studieprogramma, behoudens vermindering zoals bedoeld bij artikel 151.

Indien hij verworven studiepunten geniet of studiepunten in aanmerking genomen voor onderwijseenheden van dit programma, kan hij zijn inschrijving aanvullen met activiteiten inzake remediëring of aanvullende activiteiten met als doel het vergroten van zijn slaagkansen, overeenkomstig artikel 148.

De student die al minstens 45 studiepunten zou hebben verworven of voor wie ze in aanmerking zouden worden genomen onder de eerste 60 studiepunten van het studieprogramma van de eerste cyclus kan kiezen om zijn inschrijving aan te vullen met onderwijseenheden uit het verdere verloop van het cyclusprogramma, overeenkomstig de algemene bepalingen van de volgende paragraaf. § 2. Na deze eerste 60 studiepunten van het studieprogramma van de eerste cyclus bevat het programma van een student: 1° de onderwijseenheden van het studieprogramma waarvoor hij al ingeschreven was en waarvan hij de overeenstemmende studiepunten nog niet verkregen heeft, met uitzondering van de optie-eenheden van het programma die door de student werden gekozen en die hij mag verwaarlozen;2° onderwijseenheden van het vervolg van het cyclusprogramma of onder de bijkomende lessen bepaald als voorwaarde voor de toegang tot de cyclus, waarvoor hij aan de voorvereisten voldoet;3° eventueel, op het einde van de cyclus, onderwijseenheden van de studiecyclus volgens dezelfde cursus waarvoor hij aan de voorvereisten voldoet en met de instemming van de examencommissie van deze studiecyclus. Het programma van een student wordt aan de goedkeuring door de examencommissie onderworpen, die over de naleving van de voorvereisten en de gezamenlijke vereisten waakt en ervoor zorgt dat de jaarlijkse opdracht van de student minstens 60 studiepunten bedraagt, behoudens op het einde van de cyclus of bij de vermindering bedoeld bij artikel 151. Op individuele beslissing rustend op het traject van de student en om hem toe te laten zijn studies voort te zetten met een voldoende jaarlijkse opdracht, kan een voorvereiste omgevormd worden tot een gezamenlijke vereiste door de examencommissie. § 3. Bij uitzondering op de bepalingen van de vorige paragraaf heeft de inschrijving voor de studies van de derde cyclus betrekking op het geheel van het programma; de inschrijving voor de studies van voortgezette opleiding heeft betrekking op een verpersoonlijkt programma opgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 151.

Art. 101.Met uitzondering van de inschrijving voor de studies van de derde cyclus wordt de einddatum voor de inschrijving op 31 oktober bepaald na het begin van het academiejaar; voor de studenten bedoeld bij artikel 79, § 2, wordt deze einddatum tot 30 november verlengd.

Nochtans, bij wijze van afwijking, kan de Regering, op advies van de instelling voor hoger onderwijs, uitzonderlijk een student ertoe machtigen zich in te schrijven na deze datums wanneer de omstandigheden het verantwoorden.

Om aan de administratieve en academische eisen te voldoen die uit hun bijzondere toestand voortvloeien, kan het studiereglement van de instelling voor sommige categorieën van studenten einddatums bepalen, voor de indiening van een aanvraag om toelating of inschrijving, vóór de einddatum voor de effectieve inschrijving.

Art. 102.§ 1. Om in aanmerking te worden genomen, moet een inschrijving van een student ingediend worden met alle documenten ter staving van zijn toelaatbaarheid, alsook deze die eventueel noodzakelijk zijn voor het bewijzen van de authenticiteit van de ingediende documenten, en moet de student geen geld verschuldigd zijn aan enige instelling voor hoger onderwijs in de Franse Gemeenschap op de dag van zijn inschrijving en moet hij 10% hebben betaald van het bedrag van het inschrijvingsgeld, overeenkomstig het tijdsschema bepaald bij artikel 101. De aldus ingeschreven student krijgt van de instelling alle documenten die bewijzen dat hij ingeschreven is binnen de veertien dagen.

Behoudens overmacht, bij gebrek aan het betalen van het saldo van het bedrag van zijn inschrijving ten laatste op 4 januari of zodra hij ingeschreven is indien deze inschrijving later geschiedt, heeft de student geen toegang tot de leeractiviteiten vanaf deze datum, kan over zijn geval niet meer beraadslaagd worden en kan hij geen overdracht of inaanmerkingneming van studiepunten genieten, maar hij blijft beschouwd als ingeschreven geweest zijnde voor het academiejaar.

Het studiereglement van de instelling kan geen andere termijnen bepalen voor de betaling van dit geld.

Bij de Commissarissen en Afgevaardigden van de Regering die bij de instellingen aangewezen worden, kan beroep ingesteld worden tegen de nietigverklaring van de inschrijving. Ze worden ertoe gemachtigd, om met redenen omklede motieven, deze beslissing te invalideren en de inschrijving van de student te bevestigen. § 2. Een inschrijving kan nietig verklaard worden op uitdrukkelijke aanvraag van de student vóór 1 december; enkel 10% van het bedrag van het inschrijvingsgeld wordt verschuldigd.

Art. 103.Om als regelmatig beschouwd te worden moet een inschrijving de voorwaarden in acht nemen van artikel 100 en artikel 102.

Bovendien, is de inschrijving van een student voor een gezamenlijke studiecursus, al dan niet in gezamenlijke diplomering, die ingericht wordt door meerdere partnerinstellingen van een overeenkomst bedoeld bij artikel 82, § 2, als regelmatig beschouwd wanneer ze totaal op minstens dertig studiepunten betrekking heeft van de cursus bedoeld bij het geheel van de instellingen in de Franse Gemeenschap, die partners zijn van de overeenkomst, behoudens toestanden van lagere totale opdracht bedoeld bij artikel 100 in het eerste jaar, op het einde van de cyclus of in geval van vermindering.

Art. 104.Wanneer een inschrijving betrekking heeft op studies die gezamenlijk ingericht worden door meerdere instellingen voor hoger onderwijs bedoeld bij artikel 82, schrijft de student zich in in één van de partnerinstellingen voor hoger onderwijs, overeenkomstig de nadere regels van de overeenkomst en de algemene voorwaarden van het studiereglement van die instelling. Als het om een gezamenlijk programma of studies van gezamenlijke diplomering gaat, gebeurt de inschrijving noodzakelijkerwijze bij de referentie-instelling in de Franse Gemeenschap. Deze ontvangt en controleert de inschrijving en int het overeenstemmende inschrijvingsgeld.

De informatie bestemd voor de student vermelden deze gezamenlijke organisatie en beschrijven nauwkeurig de verdeling van de leeractiviteiten over de partnerinstellingen voor hoger onderwijs.

Iedere partnerinstelling zendt minstens jaarlijks de informatie over betreffende de inschrijvingen die zij heeft aangenomen aan alle partnerinstellingen van de overeenkomst.

Art. 105.§ 1. Het bedrag van het inschrijvingsgeld voor de studies wordt bij decreet bepaald.

Deze bedragen omvatten de inschrijving op de rol, de inschrijving voor het academiejaar en de inschrijving voor de proeven en examens ingericht gedurende dit academiejaar. Geen enkel aanvullend geld kan gevraagd worden.

In iedere instelling voor hoger onderwijs wordt een overlegcommissie belast met het opstellen van de lijst van de kosten geraamd in functie van de werkelijke kosten van de goederen en diensten geleverd aan de studenten en die niet beschouwd worden als inning van een aanvullend inschrijvingsgeld. Deze kosten worden in het studiereglement vermeld van elke instelling. Deze commissie wordt samengesteld, in gelijke delen, uit vertegenwoordigers van de academische autoriteiten, de vertegenwoordigers van de personeelsleden van de instelling en de vertegenwoordigers van de studenten. In de Hogere Kunstscholen en de hogescholen, komen de vertegenwoordigers van de studenten uit de Studentenraad. De Commissaris of Afgevaardigde van de Regering woont de werkzaamheden van deze commissie bij.

Voor de studenten die niet in aanmerking komen voor een financiering, met uitzondering van deze die afkomstig zijn uit landen van de Europese Unie, uit minder gevorderde landen - opgenomen op de LDC (Least Developed Countries) lijst van de UNO - of uit landen waarmee de Franse Gemeenschap een overeenkomst heeft gesloten ertoe strekkend de gelijkheid te verklaren van het inschrijvingsgeld van die studenten met dat van studenten die voor financiering in aanmerking komen, bepaalt de ARES de bedragen van het inschrijvingsgeld, zonder dat dit geld vijf keer het bedrag van het inschrijvingsgeld bedoeld bij het eerste lid mag overschrijden.

Deze paragraaf is niet van toepassing op de studies die tot een gezamenlijke diplomering leiden ingericht in het kader van bijzondere cursussen bepaald door de Europese Unie. § 2. Wat betreft de studenten die een toelage genieten toegekend door de dienst voor studietoelagen van de Franse Gemeenschap krachtens de wet van 19 juli 1971 betreffende de toekenning van studietoelagen en studieleningen en het decreet van 7 november 1983 tot regeling, voor de Franse Gemeenschap, van de toekenning van de studietoelagen, alsook de studenten die houder zijn van een attest van bursaal uitgereikt door het algemeen bestuur van de Ontwikkelingssamenwerking, kan geen inschrijvingsgeld gevraagd worden.

Zo gaat het ook voor de leden van het personeel van een instelling voor hoger onderwijs of de navorsers waarvoor ze zorgt overeenkomstig artikel 5, § 2, wanneer ze zich inschrijven voor studies van de derde cyclus of specialisatiemasters. § 3. De minvermogende studenten genieten een gereduceerd inschrijvingsgeld dat bij decreet bepaald wordt.

De Regering bepaalt de voorwaarden waaraan voldaan moet worden door de kandidaten om als minvermogend te worden beschouwd. § 4. De instellingen voor hoger onderwijs kunnen aan sommige studenten, bij wijze van individuele maatregel, andere kortingen toestaan inzake inschrijvingsgeld ten laste van hun sociale toelagen of subsidies toegekend krachtens de wet van 3 augustus 1960 houdende toekenning van sociale voordelen aan de universiteiten en gelijkgestelde inrichtingen, artikel 89 van het decreet van 5 augustus 1995 houdende de algemene organisatie van het hoger onderwijs in de hogescholen of artikel 58 van het decreet van 20 december 2001 tot vaststelling van de regels die specifiek zijn voor het hoger kunstonderwijs georganiseerd in de hogere kunstscholen (organisatie, financiering, omkadering, statuut van het personeel, rechten en plichten van studenten). In geval van intrekking van de inschrijving door de student, worden deze bedragen naar de sociale begroting van de instelling overgedragen.

Art. 106.De lijst van de regelmatig ingeschreven studenten wordt door elke instelling bepaald en aan de Commissaris of Afgevaardigde van de Regering bij de instelling ten laatste op één februari overgezonden.

Tegen één juni van het academiejaar ten laatste, zenden de instellingen aan de ARES de lijst, geldig verklaard door de Commissarissen en Afgevaardigden van de Regering bij de instellingen, van de aanvragen om inschrijving over die geweigerd werden in de zin van artikel 96, met vermelding van de reden van de weigering, de fraudes inzake inschrijving, de inschrijvingen en voorinschrijvingen die in aanmerking werden genomen en de regelmatige inschrijvingen voor het lopend academiejaar, alsook de aanpassingen die moeten worden gedaan van de lijst van het vorig academiejaar en de studiepunten verworven door de regelmatig ingeschreven studenten gedurende dit academiejaar en de academische graden die hen eventueel uitgereikt werden.

ARES kan, in overleg met de Commissarissen en Afgevaardigden van de Regering bij de instellingen, de vorm bepalen waarin deze informatie overgezonden wordt en coördineert de ontwikkeling van een automatisch en gecentraliseerd systeem voor het inwinnen van de gegevens en de inschrijvingen. De Regering bepaalt er de nadere regels van en, na raming van de kosten en binnen de perken van de beschikbare middelen, kent de ARES de nodige middelen toe.

De ARES zendt daarna aan de Regering de samengevoegde inlichtingen over die noodzakelijk zijn voor de berekening van de verscheidene wettelijke toelagen bestemd voor deze instellingen. HOOFDSTUK IX. - Toegang tot studies Afdeling I. - Toegang tot studies van de eerste cyclus.

Art. 107.Onder voorbehoud van de andere bijzondere wetsbepalingen en met het oog op het behalen van de academische graad die ze bekrachtigt, hebben toegang tot studies van de eerste cyclus, de studenten die het bewijs leveren van : 1° ofwel een getuigschrift voor hoger secundair onderwijs dat uitgereikt wordt vanaf het schooljaar 1993-1994 door een inrichting voor secundair onderwijs met volledig leerplan of voor sociale promotie van de Franse Gemeenschap en dat, in voorkomend geval, bekrachtigd wordt indien uitgereikt door een schoolinrichting vóór 1 januari 2008 of dat bekleed wordt met een zegel indien uitgereikt na deze datum, alsook de titularissen van hetzelfde getuigschrift uitgereikt vanaf het kalenderjaar 1994 door de examencommissie van de Franse Gemeenschap;2° ofwel een getuigschrift voor hoger secundair onderwijs dat uitgereikt wordt ten laatste na het schooljaar 1992-1993 met, voor de toegang tot studies van de eerste cyclus van een cursus van het lange type, het bekwaamheidsdiploma voor toegang tot het hoger onderwijs;3° ofwel een diploma dat uitgereikt wordt door een instelling voor hoger onderwijs in de Franse Gemeenschap dat een academische graad uitgereikt met toepassing van dit decreet bekrachtigt, ofwel een diploma dat uitgereikt wordt door een universitaire instelling of een instelling die het hoger onderwijs met volledig leerplan organiseert overeenkomstig de vroegere wetgeving;4° ofwel een getuigschrift of een diploma van hoger onderwijs dat uitgereikt wordt door een instelling voor onderwijs voor sociale promotie;5° ofwel een slaagattest voor één van de toelatingsexamens georganiseerd door de instellingen voor hoger onderwijs of door een examencommissie van de Franse Gemeenschap;dit attest geeft toegang tot de studies van de sectoren, vakgebieden of cursussen die erop worden vermeld; 6° ofwel een diploma, bekwaamheidsbewijs of getuigschrift voor studies die gelijkaardig zijn met deze vermeld in de vorige punten en dat uitgereikt wordt door de Vlaamse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap of de Koninklijke militaire school;7° ofwel een diploma, bekwaamheidsbewijs of studiegetuigschrift van buitenlandse studies erkend als gelijkaardig aan deze vermeld in de punten 1° tot 4° met toepassing van een federale, gemeenschaps-, Europese wetgeving of van een internationale overeenkomst;8° ofwel een bekwaamheidsdiploma voor toegang tot het hoger onderwijs toegekend door de examencommissie van de Franse Gemeenschap; Onder voorbehoud van andere bijzondere bepalingen wordt de toegang verleend aan de studies van bachelor specialisatie op voorwaarde dat een diploma van bachelor van het korte type in hetzelfde vakgebied behaald wordt.

Art. 108.§ 1. Met uitzondering van de studenten die een cursus volgen in een Koninklijke militaire school, kan iemand die de Franse taal niet voldoende beheerst, niet worden toegelaten tot de proeven van een studiejaar van de eerste cyclus. § 2. Dit bewijs kan worden aangebracht : 1° ofwel door het bezit van een diploma, bekwaamheidsbewijs of studiegetuigschrift vermeld in artikel 107.- uitgereikt door de Franse Gemeenschap of als bekrachtiging van studies waarin voldoende cursussen worden onderwezen in de Franse taal; de Regering bepaalt de minimumvoorwaarden waaraan moet worden voldaan voor deze studies; 2° ofwel door het slagen voor een examen dat specifiek hiertoe wordt georganiseerd door de ARES, volgens de bepalingen vastgesteld door de Regering;3° ofwel door een slaagattest voor een van de examens, proeven of toelatingsexamens voor studies van het hoger onderwijs voorzien door dit decreet en georganiseerd binnen de Franse Gemeenschap. De ARES organiseert minstens tweemaal per academiejaar een proef voor een afdoende beheersing van de Franse taal.

Art. 109.§ 1. Enkel studenten die aan de algemene voorwaarden voor de toegang tot de studies van de eerste cyclus bedoeld in artikel 107.- beantwoorden en die het bewijs leveren van een attest van een werkelijke deelname aan een oriëntatieproef van de gezondheidssector, hebben toegang tot de studies van de eerste cyclus binnen het vakgebied van de medische wetenschappen met als doel het behalen van de graad die deze studies bekrachtigt.

Deze proef wordt georganiseerd in de vorm van een geschreven proef.

Onder werkelijke deelname aan deze proef wordt verstaan het geheel van de proef te hebben afgelegd en een hoger resultaat te hebben bekomen dan het resultaat dat gelijk is aan het gebrek aan elk antwoord.

Deze proef dat gelijk en simultaan is in alle universitaire instellingen, wordt collegiaal elk jaar georganiseerd en dit één keer tijdens de eerste veertien dagen van juli en een tweede keer tijdens de eerste veertien dagen van september, door de universitaire instellingen die ertoe gemachtigd worden ze te organiseren en die studies organiseren van de eerste cyclus op het gebied van de medische wetenschappen met inachtneming van de opdrachten bepaald in artikel 21.5° ; ze zijn ertoe gehouden deel te nemen aan de organisatie en aan de evaluatie van de proef onder de voorwaarden bepaald door de Regering.

Deze proef is toegankelijk voor elke kandidaat die zich in een toestand bevindt om volledig aan de algemene voorwaarden bedoeld in artikel 107.- voor het begin van het academiejaar te beantwoorden.

De proef is bedoeld om een evaluatie te maken van de specifieke vaardigheden en de vereiste competenties om de beoogde studies aan te vatten. Ze gaat over de volgende onderwerpen : 1° Kennis en begrip van de wetenschappelijke vakken : a) biologie;b) chemie;c) fysica;d) wiskunde.2° Communicatie en kritische analyse van de informatie.a) geschreven communicatie;b) analyse, synthese en argumentatie;c) kennis van de Franse en Engelse talen. Met uitzondering van de evaluatie van de kennis van de talen wordt het gebruik van een Frans of tweetalig woordenboek toegelaten. De Regering bepaalt het gedetailleerde programma van de proef.

Elke deelnemer krijgt persoonlijk het detail van de resultaten van zijn proef. De resultaten van de proef mogen niet verspreid noch meegedeeld worden waarbij de identiteit of de kwaliteiten van de kandidaten hieruit zouden kunnen afleiden. § 2. In afwijking van § 1 hebben ook toegang tot de studies van de eerste cyclus op het gebied van de medische wetenschappen, de studenten die ten minste 45 studiepunten hebben behaald van een studieprogramma van de eerste cyclus in de gezondheidssector in een instelling voor hoger onderwijs van de Franse Gemeenschap of van een studieprogramma van een Belgische instelling voor hoger onderwijs vanaf het ogenblik dat deze studies tot de uitreiking van gelijkaardige academische graden leiden.

De studenten bedoeld in artikel 27, § 7, van de wet van 27 juli 1971 op de financiering en de controle van de universitaire instellingen of die al bedoeld zouden geweest zijn in dezelfde bepalingen bij de inschrijving bedoeld in het vorige lid, komen nochtans niet in aanmerking voor de studies van de eerste cyclus op het gebied van de medische wetenschappen.

Art. 110.Voor elke inschrijving in een Hogere Kunstschool legt de student bovendien een toelatingsproef voor 21 september af. Zijn deelname aan de proef houdt zijn toetreding tot het pedagogische en artistieke project van de Hogere Kunstschool in.

Indien een student na deze datum toegelaten wordt, moet een toelatingsproef in gelijkaardige omstandigheden georganiseerd zijn. Afdeling II. - Toegang tot studies van de tweede cyclus

Art. 111.§ 1. Hebben toegang tot de studies van de tweede cyclus met als doel het behalen van de academische graad die deze studies bekrachtigt, de studenten die houder zijn van : 1° een academische graad van de eerste cyclus van dezelfde cursus;2° dezelfde academische graad van de tweede cyclus, maar met een andere finaliteit;3° een academische graad van de eerste of tweede cyclus van het lange type, krachtens een beslissing van de academische autoriteiten en aan de bijkomende voorwaarden die zij vastleggen;4° een academische graad die gelijkaardig is aan deze vermeld in de vorige punten, uitgereikt door een instelling voor hoger onderwijs in of buiten de Franse Gemeenschap krachtens een beslissing van de academische autoriteiten en aan de bijkomende voorwaarden die zij vastleggen;5° een buitenlandse academische graad erkend als gelijkwaardig aan deze vermeld in de vorige punten met toepassing van dit decreet, een Europese richtlijn, een internationale overeenkomst, onder dezelfde voorwaarden. Is gelijkaardig aan een academische graad uitgereikt in de Franse Gemeenschap, een bekwaamheidsbewijs of een graad die/dat tot dezelfde vaardigheden leidt voor de toegang tot het beroep of de voortzetting van de studies in het oorspronkelijke systeem.

De bijkomende toelatingsvoorwaarden bedoeld in 3° en 4° zijn bedoeld om te verzekeren dat de student de vereiste voorkennis voor de onderwerpen van de beoogde studies heeft verworven. Als deze bijkomende toelatingsvoorwaarden bestaan uit een of meerdere bijkomende cursussen, mogen deze voor de student niet meer dan 15 bijkomende studiepunten inhouden, rekening houdend met het geheel van studiepunten dat hij elders kan valoriseren bij zijn toelating. Deze cursussen maken deel uit van zijn studieprogramma van de tweede cyclus.

Een student die titularis is van een academische graad van master met 60 studiepunten bedoeld in artikel 70.- § 3, kan ten minste 45 studiepunten valoriseren als hij zich inschrijft voor de studies die tot de overeenstemmende academische graad van master in 120 studiepunten leiden. § 2. Hebben ook toegang tot de studies van de tweede cyclus met als doel het behalen van de academische graad die deze studies bekrachtigt, de studenten die houder zijn van : 1° een academische graad van de eerste cyclus van het korte type krachtens een beslissing van de Regering of van de academische autoriteiten en onder de bijkomende voorwaarden die zij vastleggen zonder dat deze voorwaarden meer beperkend kunnen zijn dan deze bepaald door de Regering of dat ze een onderscheiding maken tussen de instellingen die de academische graad hebben uitgereikt;2° een gelijkaardige academische graad uitgereikt door een instelling voor hoger onderwijs in of buiten de Franse Gemeenschap krachtens een beslissing van de academische autoriteiten en onder de bijkomende voorwaarden die zij vastleggen;3° een buitenlandse academische graad erkend als gelijkwaardig aan deze vermeld in de vorige punten met toepassing van dit decreet, een Europese richtlijn, een internationale overeenkomst of een andere wetgeving, onder dezelfde voorwaarden. De bijkomende toelatingsvoorwaarden zijn bedoeld om te verzekeren dat de student de vereiste voorkennis voor de onderwerpen van de beoogde studies heeft verworven. Als deze bijkomende toelatingsvoorwaarden bestaan uit een of meerdere bijkomende cursussen, mogen deze voor de student niet meer dan 60 bijkomende studiepunten inhouden, rekening houdend met het geheel van studiepunten dat hij elders kan valoriseren bij zijn toelating. Deze cursussen maken deel uit van zijn het studieprogramma van de tweede cyclus. § 3. In afwijking hiervan hebben ook toegang tot de studies van de tweede cyclus de studenten die, om de academische graad te behalen, nog moeten slagen voor meer dan 15 studiepunten en gelijktijdig regelmatig ingeschreven zijn voor deze studies in een instelling voor hoger onderwijs in de Franse Gemeenschap.

Studenten die krachtens deze bepaling werden toegelaten, kunnen echter niet in aanmerking komen voor een deliberatie door een examencommissie voor de tweede cyclus, alvorens volledig te hebben voldaan aan de toelatingsvoorwaarden en de hiertoe nodige academische graad van de eerste cyclus te hebben behaald. § 4. Volgens de algemene voorwaarden vastgesteld door de academische autoriteiten kan de student die houder is van een bekwaamheidsbewijs, een diploma, een graad of een getuigschrift uitgereikt buiten de Franse Gemeenschap waarbij hij geen toelating krijgt tot de studies van de tweede cyclus overeenkomstig de vorige paragrafen, nochtans toegelaten worden door de examencommissie van de beoogde studies, als het geheel van de hogere studies die hij met vrucht gevolgd heeft, door de examencommissie voor ten minste 180 studiepunten gevaloriseerd worden. Wat de bijkomende cursussen betreft wordt de student gelijkgesteld met deze die onder de voorwaarden bedoeld in § 2 toegelaten worden.

Art. 112.Volgens de algemene voorwaarden vastgesteld door de academische autoriteiten hebben toegang tot de studies van master specialisatie de studenten die aan de toelatingsvoorwaarden bedoeld in artikel 111.- beantwoorden en die houder zijn van een bekwaamheidsbewijs, een diploma, een graad of een getuigschrift van de tweede cyclus in of buiten de Franse Gemeenschap of die de competenties hebben verworven die voor ten minste 300 studiepunten door de examencommissie gevaloriseerd worden.

Art. 113.§ 1. Iemand die de Franse taal niet voldoende beheerst, kan niet worden toegelaten tot de studies van master met didactische finaliteit of studies die leiden tot het bekwaamheidsbewijs van geaggregeerde van het hoger secundair onderwijs (GHSO).

De academische autoriteiten bepalen de vorm en de organisatie van deze proef met inachtneming van de opdrachten vastgesteld in artikel 21.5°. § 2. De toegang tot de studies die leiden tot het bekwaamheidsbewijs van geaggregeerde van het hoger secundair onderwijs (GHSO) is voorbehouden aan de houders van een academische graad van de tweede cyclus uitgereikt in de Franse Gemeenschap of van een buitenlandse academische graad erkend als gelijkaardig met toepassing van dit decreet, een Europese richtlijn, een internationale overeenkomst of een andere wetgeving, onder dezelfde voorwaarden.

De studenten die ingeschreven zijn aan het einde van een cyclus van master met ten minste 120 studiepunten bij een instelling van de Franse Gemeenschap, kunnen zich simultaan inschrijven voor de studies die leiden tot het bekwaamheidsbewijs van geaggregeerde van het hoger secundair onderwijs (GHSO). De studenten die krachtens deze bepaling toegelaten worden, zullen nochtans niet geproclameerd worden alvorens de nodige academische graad van master te hebben behaald.

Art. 114.Wanneer de academische autoriteiten hun studieprogramma's opstellen, moeten ze de onvoorwaardelijke toelating tot de tweede cyclus waarborgen, zonder bijkomende cursussen, voor alle houders van een academische graad van de eerste cyclus van het lange type afgeleverd door de Franse Gemeenschap. De ARES stelt de lijst ervan op en garandeert deze bepaling. Afdeling III. - Toegang tot studies van de derde cyclus

Art. 115.§ 1. Volgens de algemene voorwaarden vastgesteld door de academische autoriteiten, hebben toegang tot de studies van de derde cyclus met als doel het behalen van de graad die deze studies bekrachtigt, de studenten die houder zijn van : 1° een academische graad van master van minstens 120 studiepunten;2° een gelijkaardige academische graad, uitgereikt door een instelling van hoger onderwijs in of buiten de Franse Gemeenschap, krachtens een beslissing van de academische autoriteiten en aan de bijkomende voorwaarden die zij vastleggen;3° een buitenlandse academische graad erkend als gelijkwaardig aan de graden vermeld in de punten 1° tot 2° , met toepassing van dit decreet, een Europese richtlijn, een internationale overeenkomst of een andere wetgeving, aan dezelfde voorwaarden. De bijkomende toelatingsvoorwaarden bedoeld in 2° zijn bedoeld om te verzekeren dat de student de vereiste vakgebieden en competenties van de beoogde studies heeft verworven. Als deze bijkomende toelatingsvoorwaarden bestaan uit een of meerdere bijkomende cursussen, mogen deze voor de student niet meer dan 60 bijkomende studiepunten inhouden, rekening houdend met het geheel van studiepunten dat hij elders kan valoriseren bij zijn toelating. Deze cursussen maken deel uit van zijn studieprogramma. § 2. Volgens de algemene voorwaarden vastgesteld door de academische autoriteiten kan de student die houder is van een bekwaamheidsbewijs, een diploma, een graad of een getuigschrift van de tweede cyclus uitgereikt in of buiten de Franse Gemeenschap waarbij hij geen toelating krijgt tot de studies van de derde cyclus overeenkomstig de vorige paragraaf, nochtans toegelaten worden door de examencommissie van de beoogde studies onder de bijkomende voorwaarden die ze vaststelt, als het geheel van de hogere studies die hij met vrucht gevolgd heeft, door de examencommissie voor ten minste 300 studiepunten gevaloriseerd worden. § 3. In afwijking van deze algemene voorwaarden, onder de bijkomende voorwaarden die ze vaststellen, kunnen de academische autoriteiten ook de toelating geven tot de studies van de derde cyclus aan de houders van een bekwaamheidsbewijs, een diploma, een graad of een getuigschrift uitgereikt buiten de Franse Gemeenschap dat/die, in dit oorspronkelijke systeem, rechtstreeks toegang verleent tot de doctorale opleidingen of studies of werkzaamheden betreffende de voorbereiding van een doctoraatsthesis zelfs als de studies die bekrachtigd worden met deze bekwaamheidsbewijzen of graden niet georganiseerd worden in onderscheidende cyclussen of in minstens vijf jaren.

Deze toelating moet uitzonderlijk zijn en behoorlijk gemotiveerd worden op basis, inzonderheid van het formele en authentieke bewijs van deze bekwaamheid om de doctorale studies in het oorspronkelijke systeem voort te zetten.

Art. 116.Iemand die niet met vrucht een overeenstemmende doctorale opleiding gevolgd heeft, kan de graad van doctor niet behalen. Afdeling 4. - Gepersonaliseerde toelatingen

Art. 117.Volgens de algemene voorwaarden vastgesteld door de autoriteiten van de instelling voor hoger onderwijs, met als doel de toelating tot de studies, valoriseren de examencommissies de studiepunten verworven door de studenten tijdens hun hogere studies of delen van de hogere studies die ze reeds met vrucht hebben beëindigd.

Studenten die deze studiepunten toegewezen krijgen, worden vrijgesteld van de overeenstemmende delen van het studieprogramma.

Wanneer de examencommissie de studiepunten valoriseren die verworven worden in het kader van de voorafgaande studies, kan ze niet meer studiepunten valoriseren dan die toegekend door de examencommissie van de instelling waar de overeenstemmende cursussen gevolgd, geëvalueerd en bekrachtigd worden.

Art. 118.De Regering kan op eensluidend advies van de ARES overeenkomsten opstellen met de openbare operatoren inzake opleiding met als doel de valorisatie van de verworven kennis zoals de opleidingen bij het proces inzake toelating tot de studies van het korte type. In dit geval wordt hoogstens tweederde van de studiepunten van de cyclus van de beoogde studies gevaloriseerd onder de voorwaarden vastgesteld door de Regering en onverminderd de bepalingen van artikel 84.- § 1.

Art. 119.§ 1. Volgens de algemene voorwaarden vastgesteld door de autoriteiten van de instelling voor hoger onderwijs, met als doel de toelating tot de studies, valoriseren de examencommissies de kennis en de competentie van de studenten verworven door hun professionele of persoonlijke ervaring.

Deze persoonlijke of professionele ervaring moet overeenstemmen met ten minste vijf jaar activiteiten, waarbij de jaren van hogere studies slechts in aanmerking mogen worden genomen naar rata van een jaar per 60 verworven studiepunten zonder 2 jaar te mogen overschrijden. Na een evaluatieprocedure georganiseerd door de autoriteiten van de instelling voor hoger onderwijs stelt de examencommissie vast of de vaardigheden en kennis van de student voldoende zijn om deze studies met vrucht voort te zetten.

Na deze evaluatie bepaalt de examencommissie de bijkomende cursussen en de mogelijke vrijstellingen waaruit de bijkomende voorwaarden voor toegang tot de studies voor de student bestaan. § 2. Met het oog op de toelating tot de studies via de valorisatie van de kennis en competentie van de studenten verworven door hun professionele of persoonlijke ervaring, organiseert de instelling voor hoger onderwijs een geïndividualiseerde begeleiding met als doel de student te informeren over de te volgen procedure, zoals vastgesteld door de autoriteiten van de instelling en bepaald in het studiereglement en de stappen van de student te vergemakkelijken tot het einde van de evaluatieprocedure bedoeld in § 1.

Op voostel van de ARES kan de Regering de vorm en de inhoud van het toelatingsdocument in deze context bepalen.

Art. 120.Voor de studies gezamenlijk georganiseerd door verschillende instellingen die partner zijn van een overeenkomst van de mede organisatie van een gezamenlijk programma, met of zonder de gezamenlijke diplomering bedoeld in artikel 82.- § 2 en § 3, kan de Regering een afwijking toekennen aan de algemene bepalingen betreffende de toegang tot de studies, op eensluidend advies van de ARES. De gemotiveerde aanvraag wordt gezamenlijk gestuurd door de instellingen die partner zijn van de ARES en dit, vóór 1 maart voorafgaand aan het academiejaar. HOOFDSTUK X. - Studieprogramma's en evaluaties Afdeling I. - Studieprogramma's

Art. 121.Overeenkomstig het model bepaald door de Regering en volgens de procedure bepaald door de Regering stelt de ARES voor elke wijziging of ontwikkeling van een cursus van het korte type, een minimaal studieprogramma op dat ze aan de Regering bezorgt vóór 1 maart voor het volgende academiejaar. De Regering bepaalt, per studiegebied, de globale minimale uurrooster van leeractiviteiten die werkelijk door de instelling worden georganiseerd en die omkaderd worden door zijn personeel dat een programma van een cursus van het korte type moet bevatten, ongeacht het aantal studiepunten verbonden met de diverse onderwijseenheden.

De academische autoriteiten van de instelling voor hoger onderwijs stellen de onderwijsprofielen, de programma's en de gedetailleerde kalenders vast van de leeractiviteiten die verenigd worden in onderwijseenheden, de studies waarvoor hun instelling een machtiging heeft gekregen en die ze willen organiseren tijdens het academiejaar.

Voor één juni dat voorafgaat aan het academiejaar delen de instellingen de lijst van de georganiseerde cursussen, hun onderwijsprofiel en hun gedetailleerde programma mee aan de Academische pool en aan de ARES die zorgt voor coherentie van deze met de referentiesystemen van de competenties en de minimale programma's die goedgekeurd worden overeenkomstig het eerste lid. De ARES kan de vorm bepalen volgens dewelke deze lijst en deze programma's haar moeten meegedeeld worden.

In afwijking van de vorige leden organiseren de instellingen voor het onderwijs voor sociale promotie de afdelingen van hoger onderwijs overeenkomstig de pedagogische dossiers die op eensluidend advies door de Algemene Raad voor het onderwijs voor sociale promotie goedgekeurd worden en die erkend worden als overeenstemmend of gelijkwaardig in de zin van artikel 75 van het decreet van 16 april 1991. De thematische kamers bedoeld in artikel 37.-, elk voor de niveaus en de studiegebieden die ze betreffen, brengen een gemotiveerd advies uit over de overeenstemming of de gelijkwaardigheid van het niveau van de pedagogische dossiers die door de Algemene Raad voor het onderwijs voor sociale promotie goedgekeurd worden. Het advies van de kamers wordt ter goedkeuring door de ARES aan de Regering voorgelegd.

Art. 122.De academische autoriteiten zorgen ervoor dat deze programma's de andere wetsbepalingen naleven en aan de algemene doelstellingen van het hoger onderwijs en aan de bijzondere doelstellingen van de betrokken cursus beantwoorden, met name de toelatingscriteria voor de ermee gepaard gaande professionele bekwaamheidsbewijzen. Deze programma's omvatten met name de vakgebieden die bijdragen tot de algemene opleiding van de student, alsook de vakgebieden die specifiek zijn voor de disciplines die bijdragen tot het verwerven van de meer technische en diepgaandere competenties binnen het studiegebied.

Art. 123.Om een voldoende aanbod te garanderen van alle initiële cursussen binnen de Franse Gemeenschap, kan de Regering, na advies van de ARES, voor elke instelling voor hoger onderwijs een lijst met studiecycli vastleggen die ze moet blijven organiseren en de vestigingsplaats waar ze moeten worden georganiseerd, met inachtneming van de machtigingen, op straffe van het verlies van elke subsidie en machtiging voor andere studies die ze organiseert. Deze verplichting moet twee maanden vóór het begin van het volgende quadrimester meegedeeld worden.

Art. 124.De lijst van de onderwijseenheden van het programma van de beoogde cyclus van de studies georganiseerd tijdens het academiejaar, wordt aan de student vanaf zijn aanvraag om inschrijving meegedeeld.

Ze bevat een beschrijving van de doelstellingen en finaliteiten van de cursus, het overeenstemmende onderwijsprofiel en de omstandige lijst van de leeractiviteiten die in onderwijseenheden verenigd worden en de nadere regels voor de organisatie en de evaluatie ervan.

Het programma geeft een chronologisch overzicht van heel de cyclus in studiejaren van 60 studiepunten en geeft de onderlinge samenhang weer tussen de onderwijseenheden, met name in functie van het voorvereiste en het medevereiste. Binnen het programma van een studiecyclus kan een onderwijseenheid niet beschouwd worden als een voorvereiste met meer dan 30 studiepunten van het volgende studiejaar en kan een onderwijseenheid niet als voorvereiste meer dan 30 studiepunten van het vorige studiejaar hebben.

Bij belangrijke wijzigingen van het programma kan de geleverde gedetailleerde informatie slechts betrekking hebben op de onderwijseenheden die werkelijk tijdens het betrokken academiejaar georganiseerd worden.

Art. 125.§ 1. Om een harmonisatie te verzekeren tussen de opleidingen die nodig zijn voor het volgen van studies binnen de Franse Gemeenschap en de Europese Unie, alsook om de leerresultaten en transversale competenties bekrachtigd met de academische graden te garanderen, kan de Regering minimaal verplichte inhouden opleggen voor de programma's van de initiële cursussen, op voorstel van de ARES. § 2. De studieprogramma's voor bachelor moeten voor elke cursus van het lange type minstens 60 % omvatten - wat overeenstemt met 108 studiepunten - van gemeenschappelijke cursussen en voor elke cursus van het korte type minstens 80% van gemeenschappelijke cursussen, wat overeenstemt met 144 studiepunten.

De ARES garandeert de naleving van de bepalingen bedoeld in het vorige lid : ze stelt de minimale gemeenschappelijke inhoud van deze cursussen op.

Art. 126.Elk studieprogramma dat wordt bekrachtigd met een academische graad van de tweede cyclus en de eerste cyclus voor de studies van het korte type omvat een proefschrift, een persoonlijk eindwerk, dossier of project dat in aanmerking komt voor 15 tot 30 studiepunten. Deze studiepunten kunnen later gelden, volgens de algemene voorwaarden vastgesteld door de academische autoriteiten, in elk ander studiejaar dat leidt tot een academische graad van dezelfde cyclus.

Dit werk en de evaluatie ervan kunnen betrekking hebben op elke leeractiviteit, met inbegrip van de stages en de andere activiteiten voor professionele integratie, die toelaten om met name de autonomie, de kritische zin, de persoonlijke kwaliteiten en de professionele bekwaamheden van de student aan te tonen. Dit werk bestaat, onder andere, uit de redactie van een geschreven document. Mits de toestemming van de examencommissie en de academische autoriteiten, mag dit document volledig of gedeeltelijk worden opgesteld in een vreemde taal.

Art. 127.Een studieprogramma omvat verplichte cursussen en eventueel cursussen die de student zelf kiest, volgens de academische graad, de studierichting, de finaliteit en de gekozen opties.

Art. 128.Een student die regelmatig in een instelling ingeschreven is, kan een of meerdere cursussen volgen van een studieprogramma dat tot de dezelfde academische graad of tot een verschillende academische graad leidt, georganiseerd door een andere instelling voor hoger onderwijs erkend door de bevoegde autoriteiten voor hoger onderwijs, mits de toestemming van deze instelling.

De studiepunten die hiermee samengaan, komen in aanmerking voor deze studies onder de voorwaarden vastgelegd door de examencommissie van de instelling waar de student zich inschreef.

Art. 129.Een studieprogramma kan een minimum aantal studiepunten opleggen gevolgd in een andere instelling voor hoger onderwijs dan die waar de student is ingeschreven. Als de student geen alternatief heeft voor de aldus opgelegde mobiliteit en deze mobiliteit hem buiten de Franse Gemeenschap leidt, moet de instelling voor hoger onderwijs ofwel de verplaatsing zonder kosten voor de studenten organiseren, ofwel de bijkomende kosten van de inschrijving, de reis, het verblijf of de huisvesting ten laste nemen zodat de student deze cursussen kan volgen.

De student wordt beschouwd als geen alternatief te hebben voor de opgelegde mobiliteit wanneer de instelling voor hoger onderwijs hem de mogelijkheid niet geeft om zonder mobiliteit buiten de Franse Gemeenschap een ander studieprogramma te volgen dat leidt tot dezelfde academische graad, in voorkomend geval, dezelfde richting en hetzelfde type didactische, grondige of gespecialiseerde finaliteit.

Deze verplichting om de kosten ten laste te nemen door de instelling is niet van toepassing als de student een eerste diploma van de eerste cyclus of een eerste diploma van de tweede cyclus voorbereidt. Ze is niet van toepassing op de studies van de gezamenlijke diplomering bedoeld in artikel 82.- § 3.

Art. 130.Minstens 30 studiepunten van elke studiecyclus moeten effectief worden gevolgd bij de instelling voor hoger onderwijs die de academische graad toekent waarbij de studies bekrachtigd worden of het diploma uitreikt dat het slagen voor deze studies bewijst.

In het kader van een samenwerkingsovereenkomst voor de organisatie van een gezamenlijk studieprogramma bedoeld in artikel 82.- § 2, indien één of meer instellingen buiten de Franse Gemeenschap partner zijn, moeten nochtans minstens 30 studiepunten van elke studiecyclus in totaal gevolgd worden bij het geheel van de instellingen voor hoger onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap die partner zijn van de overeenkomst en die ertoe gemachtigd zijn deze studies te organiseren.

Dit artikel is niet van toepassing op de studies voor de gezamenlijke diplomering die in het kader van de bijzondere programma's bepaald door de Europese Unie georganiseerd worden. Afdeling II. - De examencommissies

Art. 131.§ 1. De autoriteiten van de instelling voor hoger onderwijs vormen een examencommissie voor elke studiecyclus die leidt tot een academische graad. Een onderscheidende subexamencommissie kan eventueel opgericht worden voor het eerste jaar van de eerste cyclus.

Een examencommissie is samengesteld uit minstens vijf leden, waaronder een voorzitter en een secretaris. De namen van de voorzitter en de secretaris van de examencommissie komen voor in het studieprogramma.

De examencommissies zijn belast met het bekrachtigen van het behalen van studiepunten, de proclamatie van het slagen voor een studieprogramma, het verlenen van de academische graad die de studiecyclus bekrachtigt, met het erkennen, in voorkomend geval, van de gelijkwaardigheid van buitenlandse bekwaamheidsbewijzen, het toelaten van studenten tot overeenstemmende studies en, binnen deze context, de valorisatie van de verworven kennis van de kandidaten. § 2. Een examencommissie omvat inzonderheid alle leerkrachten die, binnen de instelling voor hoger onderwijs, verantwoordelijk zijn voor een onderwijseenheid van het studieprogramma die geen individuele keuze is van de student, overeenkomstig artikel 127.-, en kan slechts geldig beraadslagen als meer dan de helft van de leerkrachten die aan de proeven van het academiejaar hebben deelgenomen, aanwezig is.

De verantwoordelijken voor de andere onderwijseenheden van het programma die in de loop van het academiejaar werden gevolgd door minstens één student die regelmatig ingeschreven is, nemen met recht deel aan de beraadslaging.

Voor de hogere kunststudies is de examencommissie belast met de evaluatie van de voornaamste kunstcursus op het einde van de cyclus, in meerderheid samengesteld uit leden buiten de Hogere Kunstschool. § 3. Met het oog op het verlenen van de graad van doctor, stellen de academische autoriteiten van de universiteit een specifieke examencommissie samen voor elke student. Deze bestaat uit minstens vijf leden die houder zijn van een doctorstitel of die een erkenning van een hoge wetenschappelijke of kunstcompetentie op dat gebied genieten. De examencommissie wordt voorgezeten door een leerkracht van de universiteit; ze moet samengesteld worden uit promotoren van het onderzoekswerk, maar ook uit leden buiten de universiteiten gekozen in functie van hun bijzondere bekwaamheid op het gebied van het onderwerp van de gesteunde thesis. § 4. Voor haar opdrachten in verband met de goedkeuring en de opvolging van het programma van de student, met de toelating, gelijkwaardigheid of valorisatie van de verworven kennis, kan de examencommissie binnen haar groep commissies vormen van minstens drie leden, waaronder de voorzitter en de secretaris van de examencommissie, waarbij een vertegenwoordiger van de academische autoriteiten wordt gevoegd. Deze Commissies worden voor ten minste één academiejaar samengesteld. § 5. Voor de andere studies en opleidingen stellen de autoriteiten van de instelling voor hoger onderwijs examencommissies samen volgens gelijkaardige nadere regels.

Art. 132.§ 1. De examencommissie beraadslaagt op basis van de evaluaties die betrekking hebben op de verworven kennis van elke student voor elke onderwijseenheid gevolgd tijdens het academiejaar.

Ze kent ook studiepunten toe die horen bij de onderwijseenheden gevolgd buiten het programma en waarover zij beslist dat de resultaten afdoende zijn.

Na een studiecyclus verleent de examencommissie de student de overeenstemmende academische graad, als ze vaststelt dat het minimale aantal studiepunten verworven zijn, dat de voorwaarden van het studieprogramma nageleefd worden, dat aan de voorwaarden voor de toegang tot de studies voldaan werd en dat de student hiervoor regelmatig ingeschreven werd. De examencommissie bepaalt ook de mogelijke vermelding op basis van het geheel aan cursussen gevolgd tijdens de cyclus. Bij wijze van uitzondering wordt de graad van doctor zonder graad van verdienste toegekend.

Voor de eindjaren van een studiecyclus kan de examencommissie beraadslagen over de studiecyclus vanaf het einde van het eerste quadrimester voor de studenten die al het geheel van de proeven van de cyclus hebben afgelegd.

Volgens dezelfde nadere regels bekrachtigt ze het slagen voor studies en opleidingen die niet tot een academische graad leiden. § 2. De leerkrachten die verantwoordelijk zijn voor één van de betrokken onderwijseenheden nemen deel aan de beraadslaging, zonder dat de afwezigheid of de onthouding van een lid van de examencommissie kan worden ingeroepen om de beslissing uit te stellen of ongeldig te verklaren.

Binnen een examencommissie belast met het uitreiken van een graad van doctor nemen alle leden deel aan de beraadslaging in persoon of via een geschreven evaluatie.

Art. 133.De beraadslagingen van examencommissies vinden plaats achter gesloten deuren. Alle leden van de examencommissie moeten de geheimhouding van de beraadslaging en van de eventuele stemmingen respecteren. De beslissingen van de examencommissie worden bekend gemaakt tijdens de proclamatie en worden daarna minstens 15 dagen na de proclamatie uitgehangen.

De examencommissie beslist soeverein en collegiaal. Haar beslissingen zijn gemotiveerd.

Na de proclamatie ontvangt een student, op eenvoudige aanvraag, een gedetailleerd overzicht van zijn evaluaties voor de cursussen waarop de beraadslaging betrekking had.

Art. 134.De autoriteiten van de instelling voor hoger onderwijs leggen het studiereglement en de bijzondere regels van de werking van de examencommissies vast. Deze bepalingen worden bij het studiereglement gevoegd.

Onder voorbehoud van andere wetsbepalingen legt dit reglement van de examencommissie onder andere het volgende vast : 1° de procedure voor de inschrijving voor de proeven;bij gebrek aan een bepaalde procedure worden de studenten geacht ingeschreven te zijn voor alle proeven voor het einde van het quadrimester voor het geheel van de onderwijseenheden georganiseerd tijdens dit quadrimester waarvoor ze zich ingeschreven hadden voor het academiejaar; 2° de exacte samenstelling van de examencommissie, haar werkwijze en de bekendmaking van de beslissingen;3° de organisatie van de beraadslagingen en van het toekennen van studiepunten;4° de procedure voor de toelating tot de studies en de valorisatie van de verworven kennis, alsook de leden van de examencommissie belast met deze taak;5° de nadere regels voor de procedure voor gelijkstelling, alsook de leden van de examencommissie belast met deze taak;6° de periodes van de evaluatie en de nadere regels voor de organisatie en het verloop van de proeven;7° de sancties voor fraude vastgesteld tijdens het verloop van de evaluaties of de samenstelling van de dossiers voor toelating of gelijkstelling die bij de examencommissie worden ingediend;8° de wijze van indienen, behandelen en regelen van klachten van studenten over onregelmatigheden in het verloop van de evaluaties of bij de behandeling van de dossiers. Voor de examencommissies belast met het verlenen van de graad van doctor wordt een uniek reglement vastgesteld door de ARES. De academische autoriteiten stellen de uurrooster vast van de proeven door voldoende termijnen tussen de opeenvolgende proeven tijdens eenzelfde periode van evaluatie te behouden.

Art. 135.Wanneer een studieprogramma gezamenlijk georganiseerd wordt in gezamenlijke diplomering door verschillende instellingen, stellen de autoriteiten van de instellingen voor hoger onderwijs een gezamenlijke unieke examencommissie samen en bepalen ze het studiereglement en de regels voor de werking van de examencommissie die van kracht zijn voor deze studies.

Art. 136.De Regering kan een of meerdere examencommissies samenstellen van de Franse Gemeenschap, belast met het verlenen van academische graden van de eerste en de tweede oorspronkelijke cyclussen.

De toegang tot de proeven georganiseerd door deze examencommissies is beperkt tot personen die, om objectieve redenen die soeverein worden aanvaard door de examencommissie, de leeractiviteiten van de cursussen niet regelmatig kunnen volgen.

Na overleg en op eensluidend advies van de ARES, legt de Regering de bevoegdheid van deze examencommissies vast, regelt ze hun organisatie en hun werking en bepaalt ze, onder voorbehoud van de voorwaarden voor de toelating tot overeenstemmende studies, de bijkomende voorwaarden voor de toelating tot en inschrijving voor de examens. Afdeling III. - Evaluatie

Art. 137.De evaluatie die overeenstemt met een cursus kan bestaan uit een mondeling en/of schriftelijk examen, een kunstevaluatie, een voortgezette evaluatie of elke andere opdracht hiertoe uitgevoerd door de student.

De mondelinge examens en de kunstevaluaties zijn openbaar. Het publiek mag op geen enkele manier tijdens de proef de leerkracht of de verkrijger beïnvloeden, of het goede verloop ervan verstoren.

De openbaarheid van de andere schriftelijke proeven en werken houdt in dat de verbeterde exemplaren kunnen worden geraadpleegd door de student binnen de materiële omstandigheden die deze raadpleging mogelijk maken. Deze raadpleging zal gebeuren in aanwezigheid van de verantwoordelijke voor de proef of zijn afgevaardigde, binnen de maand volgend op de mededeling van de resultaten van de proef, op een datum die door hem wordt bepaald en minstens een week op voorhand werd meegedeeld.

Op gewone aanvraag, ten laatste één maand na de evaluatieperiode van het einde van het quadrimester, krijgt de student de gedetailleerde resultaten van de evaluaties waaraan hij deelgenomen heeft.

Art. 138.De instelling voor hoger onderwijs is ertoe gehouden ten minste twee evaluaties te organiseren van eenzelfde onderwijseenheid van het einde van twee verschillende quadrimesters van eenzelfde academiejaar.

De academische autoriteiten kunnen echter, om uitzonderlijke redenen die behoorlijk worden gemotiveerd en die door hen worden aanvaard, een student toelaten om zich meer dan tweemaal aan te melden voor evaluaties van eenzelfde academiejaar.

Voor elke onderwijseenheid bepalen de autoriteiten van de instelling voor hoger onderwijs de periodes waarin deze evaluaties worden georganiseerd.

Als uitzondering op het eerste lid kunnen de evaluaties van bepaalde leeractiviteiten - inzonderheid praktische werken, stages, verslagen, persoonlijke werken, projecten en kunstevaluaties - slechts eenmaal worden georganiseerd over een periode van drie opeenvolgende quadrimesters.

Art. 139.De eindevaluatie van een onderwijseenheid wordt uitgedrukt aan de hand van een cijfer - tussen 0 en 20, waarbij de slaagdrempel op 10/20 ligt. De studiepunten worden definitief verworven. Een examencommissie mag niet weigeren studiepunten toe te kennen die gebonden zijn aan de proeven waarvoor de student deze slaagdrempel bereikt heeft, ongeacht het behaalde globale gemiddelde.

De globale evaluatie van het geheel van de eenheden gevolgd tijdens een academiejaar of een studiecyclus wordt uitgedrukt op dezelfde manier, waarbij de slaagdrempel op gemiddeld 10/20 ligt voor zover de studiepunten van de beoogde onderwijseenheden werden toegekend.

Art. 140.Op het einde van het tweede en het derde quadrimester, op basis van de proeven die door de student worden afgelegd tijdens het academiejaar en van hun gemiddelde, kent de examencommissie de studiepunten toe voor de onderwijseenheden waarvan de evaluatie voldoende is of waarvoor het tekort aanvaardbaar is na inzage van het geheel van de resultaten.

De examencommissie kan dus soeverein het slagen proclameren voor een onderwijseenheid, het geheel van de eenheden gevolgd tijdens het academiejaar of een studiecyclus zelfs als de criteria bedoeld in artikel 139.- niet bereikt werden.

In dit geval kent ze definitief de overeenstemmende studiepunten toe, ongeacht het gemiddelde of het behaalde cijfer; dit cijfer wordt dus beschouwd als de slaagdrempel te hebben bereikt en wordt in die zin gewijzigd na de beraadslaging, indien nodig.

Art. 141.Indien een student, na het einde van het eerste jaar van een eerste cyclus, de keuze doet in zijn programma van het academiejaar onderwijseenheden van meer dan 60 studiepunten in te schrijven, wordt over het geheel van die proeven gedelibereerd, behalve als de inaanmerkingneming van deze overtollige eenheden tot de beslissing leidt dat de student gezakt is, terwijl zonder deze de beslissing geweest zou zijn dat de student geslaagd is. Afdeling IV. - Diploma's

Art. 142.De diploma's die de academische graden bevestigen en de getuigschriften die het slagen voor de studies bekrachtigen, worden uitgereikt door de examencommissies samengesteld door de academische autoriteiten of door de gemeenschappelijke examencommissies.

Ze kunnen enkel worden uitgereikt aan studenten die behoorlijk geproclameerd werden door de examencommissie met de volledige inachtneming van de voorwaarden bedoeld in artikel 132.-.

Ze worden uitgereikt binnen de drie maanden na de proclamatie waarbij de academische graad wordt meegedeeld.

Art. 143.Bij studies met gezamenlijke diplomering georganiseerd door verschillende instellingen in het kader van een samenwerkingsovereenkomst voor de organisatie van studies met gezamenlijke diplomering bedoeld in artikel 82.- § 3, krijgt de student een uniek gezamenlijk diploma of getuigschrift ondertekend door alle partners. Wanneer de overeenkomst afgesloten is met één of meer instellingen buiten de Franse Gemeenschap, kan de student ook diploma's of getuigschriften van deze instellingen krijgen.

Bij de uitreiking van een gezamenlijk diploma moet op het diploma één van de opschriften vermeld worden van de academische graad uitgereikt in de Franse Gemeenschap. Bij de uitreiking van een diploma of een getuigschrift door verschillende partnerinstellingen verwijzen het diploma of het getuigschrift uitgereikt in de Franse Gemeenschap of het diplomasupplement naar de diverse instellingen en vermelden ze de andere diploma's of getuigschriften uitgereikt in dit kader.

De samenwerkingsovereenkomst voor de organisatie van studies bepaalt de aard en de opschriften van de behaalde diploma's en getuigschriften.

Art. 144.De diploma's en getuigschriften worden ondertekend door een academische autoriteit, en door de voorzitter en de secretaris van de examencommissie.

Art. 145.De diploma's die de academische graden bevestigen, leven de vorm na die bepaald wordt door de Regering. Ze verwijzen duidelijk naar het diplomasupplement dat ermee gepaard gaat.

De minimale vermeldingen die door de Regering bepaald worden met toepassing van het vorige lid worden in het Frans op het diploma opgenomen, samen met hun vertaling in een andere taal als het om een gezamenlijk diploma gaat of als het geheel of een gedeelte van de studies in een andere taal georganiseerd wordt.

Art. 146.De diploma's die de academische graden bekrachtigen, worden uitgereikt vergezeld van een diplomasupplement met, inzonderheid, de lijst van de cursussen van het studieprogramma die gevolgd werden door de student, de voorwaarden voor de toelating tot de studies en de evaluaties bekrachtigd door de toegekende academische graad.

Het diplomasupplement wordt ondertekend door de secretaris van de examencommissie.

De persoonlijke gegevens van dit supplement verbonden aan elke student kunnen worden verenigd in een bijlage bij het supplement. In dit geval moet enkel deze bijlage worden ondertekend door de secretaris van de examencommissie, aangezien het gemeenschappelijke deel van het supplement bekrachtigd wordt door de instelling.

Het diplomasupplement wordt opgesteld volgens de vorm en de inhoud vastgesteld door de Regering.

Ongeacht de nadere regels voor de uitreiking van de diploma's bedoeld in artikel 143.-, wordt één enkel diplomasupplement uitgereikt.

Art. 147.Een getuigschrift of een attest vermeldt duidelijk dat het geen enkele academische graad bevestigt en dat het niet de rechtsgevolgen kan hebben die aan deze worden voorbehouden. HOOFDSTUK XI. - Hulp voor het slagen

Art. 148.De instellingen voor hoger onderwijs organiseren de hulp voor het slagen van de studenten binnen hun instelling of in samenwerking met andere instellingen.

Deze activiteiten worden prioritair gebruikt voor de bevordering van het slagen van de studenten van het eerste jaar van de eerste cyclus die deze uitoefenen. Deze lijst is niet exhaustief, maar houdt onder andere de volgende maatregelen in : 1° de oprichting van een didactisch centrum voor hoger onderwijs in het kader van de academische pool.Dit centrum heeft als opdracht het adviseren, opleiden en omkaderen van de leerkrachten die vooral deze studenten opleiden; 2° het aanbod aan specifieke activiteiten voor de studenten om hen de methodes en technieken aan te leren waardoor ze betere slaagkansen hebben;3° het ter beschikking stellen van middelen voor zelfevaluatie en van adviesdiensten om de bekwaamheden en de eventuele leemten van studenten te erkennen;4° de organisatie van remediëringsactiviteiten om tegemoet te komen aan de mogelijke leemten van de studenten in één of andere cursus of, meer in het algemeen, ze te helpen de moeilijkheden boven te komen bij het begin van het hoger onderwijs en hen te helpen het volgende academiejaar te beginnen met de beste slaagkansen;5° de begeleiding van de studenten in hun keuze van hun studieprogramma en de remerdiëringsactiviteiten of meer in het algemeen de hulp voor het slagen en voor de interpretatie van hun resultaten;6° het aanbod aan leeractiviteiten in kleine groepen en gewijd aan praktische oefeningen in minstens één discipline die kenmerkend is voor het gekozen studiedomein, om zich te verzekeren van de juiste studiekeuze van de student;7° de ontwikkeling van vernieuwende didactische methodes gericht op het profiel van studenten van het eerste jaar binnen een domein van welbepaalde studies. Deze diverse activiteiten kunnen gedeeltelijk of volledig georganiseerd worden in het derde quadrimester van het academiejaar.

Op basis van een gezamenlijke aanvraag ingediend door ARES, kan de Regering bijkomende middelen daartoe toekennen.

Volgens de voorwaarden vastgesteld door de academische autoriteiten kan de actieve deelname van een student van het eerste jaar aan één van deze activiteiten gevaloriseerd worden door de examencommissie tijdens de studiecyclus als ze het voorwerp heeft uitgemaakt van een proef of een specifieke evaluatie; deze valorisatie mag geen 5 studiepunten overschrijden. Deze mogelijke proef wordt slechts één keer georganiseerd tijdens het quadrimester waarin deze activiteiten plaatsgevonden hebben.

Worden beschouwd als studenten van het eerste jaar van de eerste cyclus, de studenten die ten minste nog geen 45 studiepunten verworven of gevaloriseerd hebben onder de 60 eerste studiepunten van de eerste cyclus.

Art. 149.Bovendien kunnen de academische polen, onder de coördinatie van hun didactische centra voor honger onderwijs, voorbereidende activiteiten voor hogere studies gezamenlijk organiseren. Ze kunnen samenwerkingsovereenkomsten daarover sluiten met andere instellingen voor hoger onderwijs, inrichtingen voor sociale promotie of inrichtingen voor secundair onderwijs georganiseerd, gesubsidieerd of erkend in de Franse Gemeenschap.

Op basis van een gezamenlijke aanvraag van de betrokken instellingen die goedgekeurd en bezorgd wordt door de ARES, kan de Regering ze bijkomende middelen daaromtrent toekennen.

Art. 150.§ 1. Voor de studenten van het eerste jaar van de eerste cyclus is de deelname aan de proeven van het einde van het eerste quadrimester een voorwaarde voor de toelating tot de andere proeven van het academiejaar.

Voor de studenten die aan de proef hebben deelgenomen maar die de slaagdrempel voor één van de evaluaties niet hebben bereikt, is de instelling ertoe gehouden ten minste twee andere evaluatieperiodes te organiseren die overeenstemmen met dezelfde cursussen op het einde van de twee volgende quadrimesters van het academiejaar.

In afwijking van de bepalingen van artikel 100.- kunnen dezelfde studenten voor 15 februari kiezen voor een vermindering van hun activiteitsprogramma van het tweede quadrimester. Dit gewijzigde programma wordt opgesteld in overleg met de examencommissie en kan de specifieke remediëringsactiviteiten bevatten. Ze worden dus gelijkgesteld met de studenten die in aanmerking komen voor de bepalingen van artikel 151.-. § 2. Voor deze studenten bedoeld in artikel 109.-, § 1er en die voor de proeven van het einde van het eerste quadrimester niet geslaagd zijn, d.w.z. waarvan het gemiddelde van de resultaten lager is dan 10/20 bij zijn beraadslaging, formuleert de examencommissie de volgende aanbevelingen : 1° een programma van bijkomende remediëringsactiviteiten tijdens het tweede quadrimester;2° een verminderd programma voor de twee volgende quadrimesters, in de zin van de vorige paragraaf, alsook de specifieke remediëringsactiviteiten;3° de verwijzing naar andere studieprogramma's van de gezondheidssector, de universiteit of een hogeschool. De examencommissie of elke persoon die door haar ertoe gemachtigd is, verhoort de betrokken student die expliciet binnen de veertien dagen erom vraagt, als hij het voorstel niet kan aanvaarden. Bij gebrek aan een akkoord over een aldus gewijzigd en aanvaard programma door de student en de examencommissie, en op voorlegging van een geschreven verslag van het onderhoud kan de examencommissie een programma opleggen zoals voorzien in 1° hierboven of voor de studenten waarvan het gemiddelde van de resultaten lager is dan 8/20, het specifieke remediëringsprogramma zoals voorzien in 2° hierboven.

Daartoe stellen de betrokken universiteiten een uniek reglement van de examencommissies op dat ter goedkeuring van de Regering wordt voorgelegd.

De studenten die regelmatig ingeschreven zijn, zoals bedoeld in 3° hierboven, kunnen dus hun inschrijving tot 15 februari wijzigen zonder kosten en bijkomend recht om hun academiejaar voort te zetten binnen hun universiteit of een hogeschool overeenkomstig de geformuleerde aanbeveling.

Art. 151.Bij individuele en gemotiveerde beslissing kunnen de academische autoriteiten uitzonderlijk afwijkingen toekennen over de organisatie van studies van bepaalde studenten inzonderheid de inschrijving voor een programma met eventueel minder dan 30 studiepunten voor een academiejaar. Deze afwijking maakt het voorwerp uit van een overeenkomst met de academische autoriteiten die opgesteld wordt bij de inschrijving die jaarlijks hernieuwd kan worden.

Deze afwijkingen kunnen slechts toegekend worden om professionele, sociale of behoorlijk medisch bevestigde redenen.

Worden beschouwd als studenten die in aanmerking komen voor het recht op zulke afwijking, de studenten waarvoor de deelname aan de leeractiviteiten moeilijk is geworden wegens hun handicap of de studenten waarvan de hoedanigheid van topsporter, sportbelofte of trainingspartner erkend wordt overeenkomstig hoofdstuk III van het decreet van 8 december 2006 houdende organisatie en subsidiëring van de sport in de Franse Gemeenschap.

Onverminderd de bepalingen van artikel 103.- is zulke inschrijving beschouwd als regelmatig, ongeacht het aantal studiepunten waarop ze betrekking heeft.

TITEL IV. - Wijzigings-, overgangs-, opheffings- en slotbepalingen HOOFDSTUK I. - Stuctuur en instellingen

Art. 152.Het eerste activiteitenverslag van de ARES bedoeld in artikel 31.- zal betrekking hebben op de periode van 1 januari 2014 tot het einde van het academiejaar 2014-2015.

Art. 153.De duur van het mandaat van de eerste leden van de Raad van bestuur en van de Adviesraad van ARES kan uitzonderlijk verlengd worden met hoogstens één jaar.

Voor de aanstelling van de eerste Voorzitter van de ARES wordt dit ambt ad interim waargenomen door de uittredende voorzitter van de Interuniversitaire Raad van de Franse Gemeenschap (CIUF).

Art. 154.Bij de aanstelling door de Regering van de leden van de eerste Raad van bestuur van de ARES wordt het Waarnemingscentrum opgericht bij artikel 15 van het decreet van 18 juli 2008 tot democratisering van het hoger onderwijs, ter bevordering van de slaagkansen van de studenten en tot oprichting van het Waarnemingscentrum voor het hoger onderwijs met het personeel en de middelen die hiervoor toegewezen worden, overgedragen naar de ARES. Vanaf deze datum neemt de ARES alle opdrachten, rechten en plichten over.

Art. 155.Vanaf dezelfde datum zijn de Interuniversitaire Raad van de Franse Gemeenschap (CIUF), alsook het Overlegcomité tussen de verschillende representatieve organen van het hoger onderwijs bedoeld in het decreet van 9 januari 2003 betreffende de adviesorganen op het vlak van het wetenschappelijk en universitair beleid en het overleg tussen de verschillende adviesorganen uit het hoger onderwijs ontbonden en worden het personeel en de middelen die hiervoor toegewezen worden naar de ARES overgedragen. Vanaf deze datum neemt de ARES alle opdrachten, rechten en plichten over.

Art. 156.Vanaf dezelfde datum is de Algemene Raad voor Hogescholen (CGHE) bedoeld in artikel 79 van het decreet van 5 augustus 1995 houdende de algemene organisatie van het hoger onderwijs in hogescholen ontbonden en worden het personeel en de middelen die hiervoor toegewezen worden naar de ARES overgedragen. Vanaf deze datum neemt de ARES alle opdrachten, rechten en plichten over.

Art. 157.Vanaf dezelfde datum worden de Hoge Raad voor het hoger kunstonderwijs (CSESA) bedoeld in artikel 26 van het decreet van 17 mei 1999 betreffende het hoger kunstonderwijs, alsook het Vast bureau belast met de organisatie van een overleg tussen het hoger onderwijs voor sociale promotie en het hoger onderwijs met volledig leerplan bedoeld in artikel 74 van het decreet van 16 april 1991 houdende organisatie van het onderwijs voor sociale promotie, ontbonden en worden het personeel en de middelen die hiervoor toegewezen worden naar de ARES overgedragen. Vanaf deze datum neemt de ARES alle opdrachten, rechten en plichten over.

Art. 158.Tot hun ontbinding door de ARES en ten laatste op het einde van het academiejaar 2014-2015, worden de raden en de commissies van de CIUF, CGHE en CSES beschouwd als commissies van de overeenstemmende thematische kamer in de zin van artikel 42.-; vanaf de overdracht naar de ARES van de Raad waarvan ze afhangen.

Art. 159.Tot het einde van het project en de ontbinding door de ARES wordt een commissie opgericht in de zin van artikel 42.- belast met de organisatie, in de Federatie Wallonë-Brussel, van de Open University en de Eurometropolitan e-Campus, van samenwerkende projecten tussen de instellingen voor hoger onderwijs met het oog op de coördinatie van de leeractiviteiten, studies van voortgezette opleiding en andere opleidingen.

Art. 160.Vanaf de goedkeuring door de Regering van de statuten van de academische polen waartoe de betrokken universiteiten behoren, wordt de universitaire academie die ze verenigt, ontbonden. Haar vermogen wordt verdeeld over de universiteiten die lid zijn, alsook de rechten en plichten volgens de statutaire overeenkomst van deze universitaire academie of, bij gebrek aan bepalingen in die zin in deze overeenkomst, volgens de beslissing van haar raad.

Onverminderd het eerste lid, op dezelfde datum, worden de machtigingen om de studies te organiseren en de academische graden uit te reiken die ze bekrachtigen, behaald door de universitaire academie, naar de universiteiten overgebracht in de vestigingen waarin deze studies georganiseerd worden. De studenten ingeschreven voor deze studies op de datum van de overdracht worden geacht ingeschreven te zijn bij één van de betrokken universiteiten sinds het begin van het academiejaar van de overdracht; de raad van de universitaire academie bepaalt de lijst van de ingeschreven studenten die aldus verdeeld worden, na controle door de Commissaris of de Afgevaardigde van de Regering bij de universitaire academie.

Onverminderd het eerste lid, op dezelfde datum, wordt het centrum voor hogere didactiek opgericht binnen de universitaire academie ontbonden; zijn opdrachten worden overgedragen naar de didactische centra voor hoger onderwijs van de academische polen waartoe de betrokken universiteiten behoren. De universiteiten stellen de nodige middelen voor de voorzetting van deze activiteiten ter beschikking van de academische polen. HOOFDSTUK II. - Organisatie van studies

Art. 161.Een academische graad behaald overeenkomstig de vroegere bepalingen van dit decreet is gelijkgesteld met de overeenstemmende academische graad uitgereikt volgens de nieuwe bepalingen. Hij waarborgt dezelfde mogelijkheden voor de toegang en de voortzetting van de studies.

Art. 162.Elke student wordt toegelaten tot de voortzetting van een studiecyclus volgens de nieuwe bepalingen met toepassing van artikel 117.-; de studiejaren en de studiepunten die hij verworven heeft in deze cyclus, worden allemaal automatisch gevaloriseerd in de voortzetting van zijn studiecyclus.

Een studieprogramma van de eerste of tweede cyclus kan nochtans georganiseerd worden in een instelling volgens de oude bepalingen voor elke student die daar ten minste voor een studiejaar van deze cyclus zou geslaagd zijn en die financierbaar zou zijn voor zijn inschrijving tijdens een aantal academiejaren, hoger met één jaar, dan de minimale duur van deze studiecyclus. De inschrijvingsgelden voor deze studies blijven vastgesteld op het bedrag dat gevraagd werd aan deze studenten voor het academiejaar 2012-2013.

Art. 163.De machtigingen om studies te organiseren waarover de instellingen beschikken overeenkomstig de bepalingen voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit decreet, worden behouden, behoudens wijziging door de wetgever. HOOFDSTUK III. - Wijzigings- en opheffingsbepalingen

Art. 164.Het decreet van 31 maart 2004 betreffende de organisatie van het hoger onderwijs ter bevordering van de integratie in de Europese ruimte van het hoger onderwijs en betreffende de herfinanciering van de universiteiten wordt opgeheven, met uitzondering van de geleidelijk opgeheven bepalingen die tijdelijk van kracht worden behouden overeenkomstig dit decreet.

Nochtans blijven de artikelen 50, 107 en 159, zoals gewijzigd, van dit decreet van 31 maart 2004, tot hun expliciete opheffing, van kracht.

Art. 165.In het decreet van 5 augustus 1995 houdende de algemene organisatie van het hoger onderwijs in hogescholen, 1° in artikel 1, wordt 12° opgeheven;2° worden de artikelen 12bis, 15, 18 tot 22, 24 tot 26, 29 tot 31, 34, 35, 38 tot 49, 79, 87, 88 opgeheven;3° in de artikelen 23, 37bis en 63bis worden de woorden « Algemene Raad » systematisch vervangen door « ARES ».

Art. 166.In het decreet van 12 december 2000 tot vastlegging van de initiële opleiding van onderwijzers en regenten, 1° in artikel 4 wordt het laatste lid geschrapt;2° in artikel 15, tweede lid, worden de woorden « de derdejaars- » geschrapt;3° in artikel 20 tweede lid worden de woorden « Vanaf het tweede jaar » vervangen door de woorden « Tijdens de onderwijsstages »;4° in artikel 20, laatste lid worden de woorden « de studenten uit het tweede en derde jaar » vervangen door de woorden « de studenten in onderwijsstages »;5° in artikel 21 wordt de laatste zin geschrapt.

Art. 167.De artikelen 1, 2 en 4 van het decreet van 18 juli 2008 tot democratisering van het hoger onderwijs, ter bevordering van de slaagkansen van de studenten en tot oprichting van het Waarnemingscentrum voor het hoger onderwijs, worden opgeheven.

Art. 168.In het decreet van 20 december 2001 tot vaststelling van de regels die specifiek zijn voor het hoger kunstonderwijs georganiseerd in de hogere kunstscholen (organisatie, financiering, omkadering, statuut van het personeel, rechten en plichten van studenten) worden de artikelen 41 tot 47 opgeheven, behalve voor de tijdelijke toepassing van artikel 162.-, tweede lid.

Art. 169.Het derde lid van artikel 45 van het decreet van 16 april 1991 houdende organisatie van het onderwijs voor sociale promotie, zoals gewijzigd, wordt geschrapt.

Het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 23 juni 2011 tot bepaling van de regels met betrekking tot de machtigingen toegekend aan de inrichtingen van het onderwijs voor sociale promotie voor de organisatie van afdelingen bekrachtigd door de graden van bachelor, specialisatie of master en door het " Brevet de l'enseignement supérieur " (brevet voor het hoger onderwijs), wordt opgeheven.

Art. 170.Het decreet van 9 januari 2003 betreffende de adviesorganen op het vlak van het wetenschappelijk en universitair beleid en het overleg tussen de verschillende adviesorganen uit het hoger onderwijs, wordt opgeheven. HOOFDSTUK IV. - Inwerkingtreding en uitvoerende bepalingen

Art. 171.Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2014, met uitzondering van de bepalingen van TITEL III.- die voor het academiejaar 2014-2015 in werking treden.

De inwerkingtreding van de bepalingen van het tweede lid van artikel 105.-, § 1 wordt vastgesteld op de wijziging bij decreet van het bedrag van de inschrijvingsgelden.

De voorwaardelijke gezamenlijke machtigingen die met een asterisk aangeduid worden in bijlage IV van dit decreet treden in werking ten vroegste voor het academiejaar 2016-2017, op de Regering vast te stellen datum.

Art. 172.De studies van de eerste cyclus worden georganiseerd volgens de nieuwe bepalingen, geleidelijk tijdens de drie academiejaren vanaf het academiejaar 2014-2015. De studies van de tweede cyclus en de bijkomende studies worden georganiseerd volgens de nieuwe bepalingen ten laatste vanaf het academiejaar 2017-2018. De studies van de derde cyclus, de voortgezette opleidingen en de andere opleidingen worden georganiseerd volgens de nieuwe bepalingen vanaf het academiejaar 2014-2015.

De artikelen 139 tot 141 zijn nochtans onmiddellijk van toepassing op alle eindevaluaties die vanaf het academiejaar 2014-2015 georganiseerd worden.

Art. 173.De informatie die vereist is door dit decreet, wordt elektronisch overgebracht.

Art. 174.Het academiejaar 2013-2014 bepaald volgens de bepalingen voorafgaand aan dit decreet, zal eindigen op 13 september 2014, behalve voor de bepalingen betreffende het statuut van het personeel, waarvoor het academiejaar op 30 september 2014 zal eindigen.

Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Brussel, 7 november 2013.

De Minister-President van de Regering van de Franse Gemeenschap, R. DEMOTTE De Vice-President en Minister van Kind, Onderzoek en Ambtenarenzaken, J.-M. NOLLET De Vice-President en Minister van Begroting, Financiën en Sport, A. ANTOINE De Vice-President en Minister van Hoger Onderwijs, J.-C. MARCOURT De Minister van Jeugd, Mevr. E. HUYTEBROECK De Minister van Cultuur, Audiovisuele Sector, Gezondheid en Gelijke Kansen, Mevr. F. LAANAN De Minister van Leerplichtonderwijs en van Onderwijs voor Sociale Promotie, Mevr. M.-M. SCHYNS _______ Nota (1) Zitting 2012-2013 Stuk van het Parlement.- Ontwerp van decreet, nr. 537-1.

Zitting 2013-2014 Stukken van het Parlement. - Commissie-amendementen, nr. 537-2 - Verslag, nr. 537-3. - Vergaderingsamendementen, nr. 537-4.

Integraal verslag. - Bespreking en aanneming. Vergadering van 6 november 2013.

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^