Decreet van 09 december 2016
gepubliceerd op 17 januari 2017
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Decreet betreffende de tijdelijke werkervaring, het regelen van stages en diverse bepalingen in het kader van de zesde staatshervorming

bron
vlaamse overheid
numac
2016036771
pub.
17/01/2017
prom.
09/12/2016
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

Numac : 2016036771

VLAAMSE OVERHEID


9 DECEMBER 2016. - Decreet betreffende de tijdelijke werkervaring, het regelen van stages en diverse bepalingen in het kader van de zesde staatshervorming (1)


Het VLAAMS PARLEMENT heeft aangenomen en Wij, REGERING, bekrachtigen hetgeen volgt: Decreet betreffende de tijdelijke werkervaring, het regelen van stages en diverse bepalingen in het kader van de zesde staatshervorming. HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen en definities

Artikel 1.Dit decreet regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid.

Art. 2.Dit decreet wordt aangehaald als: Tijdelijkewerkervaringsdecreet van 9 december 2016.

Art. 3.In dit decreet wordt verstaan onder: 1° VDAB: de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding, opgericht bij het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding";2° werkzoekende: de werkzoekende, vermeld in artikel 1, eerste lid, 7°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding;3° leefloongerechtigde: de leefloongerechtigde, vermeld in artikel 2, eerste lid, 13°, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding";4° traject tijdelijke werkervaring: het competentieversterkend traject dat erop gericht is werkervaring te verwerven binnen een reële arbeidsmarktomgeving;5° controledienst: de dienst, vermeld in artikel 1, eerste lid, 24°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding;6° partnerorganisaties: de partnerorganisaties, vermeld in artikel 1, 25°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding. HOOFDSTUK 2. - Het traject tijdelijke werkervaring Afdeling 1. - Werkingsprincipes

Art. 4.Het traject tijdelijke werkervaring heeft als doelstelling om werkzoekenden met een grote afstand tot de reguliere arbeidsmarkt competenties te laten opbouwen binnen een reële arbeidsmarktomgeving, met het oog op het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt.

Art. 5.Het traject tijdelijke werkervaring is een individueel traject dat toegankelijk is voor werkzoekenden. Tijdens dit traject wordt de werkzoekende begeleid om de doelstelling van het traject te verwezenlijken. Deze begeleiding kan door partnerorganisaties gegeven worden. De duurtijd van het traject tijdelijke werkervaring bedraagt maximum 24 maanden.

De Vlaamse Regering kan nadere voorwaarden en modaliteiten bepalen voor de toegang tot het traject tijdelijke werkervaring en de begeleiding tijdens het traject tijdelijke werkervaring en kan daarnaast nadere regels bepalen voor de duurtijd, verlenging, intrekking, schorsing, organisatie en opbouw van het traject tijdelijke werkervaring.

Art. 6.§ 1. Bij de aanvang van het traject tijdelijke werkervaring wordt tussen de VDAB of een partnerorganisatie en de werkzoekende een werkervaringsovereenkomst gesloten. Die overeenkomst bepaalt de duur en de modaliteiten van het traject tijdelijke werkervaring. § 2. De verplicht ingeschreven werkzoekende die werkloosheids- of inschakelingsuitkeringen geniet, kan worden vrijgesteld van beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt voor de duurtijd van de werkervaringsovereenkomst, met toepassing van artikel 5, § 1, 7°, b), van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding".

De werkzoekende die gedurende de duurtijd van de werkervaringsovereenkomst verplicht ingeschreven werkzoekende wordt en werkloosheids- of inschakelingsuitkeringen geniet, kan worden vrijgesteld van beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt voor de resterende duur van de werkervaringsovereenkomst.

In het eerste en tweede lid wordt verstaan onder verplicht ingeschreven werkzoekende: de werkzoekende, vermeld in artikel 2, eerste lid, 11°, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding". § 3. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen betreffende de in dit artikel vermelde aangelegenheden. Afdeling 2. - Werkplekleerinstrumenten

Art. 7.Gedurende het traject tijdelijke werkervaring kunnen verschillende instrumenten worden ingezet om algemene arbeids- en beroepsgerichte competenties aan te leren en toe te passen in een reële arbeidsmarktomgeving, waardoor de afstand tot de arbeidsmarkt wordt verkleind.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de instrumenten die kunnen worden ingezet gedurende het traject tijdelijke werkervaring, alsook de voorwaarden en de modaliteiten van de instrumenten. Afdeling 3. - Toezicht en handhaving met betrekking tot artikel

57quater, 60, § 7, en 61 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn

Art. 8.§ 1. De VDAB kan toezicht uitoefenen op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn wat betreft de toekenning en aanwending van toelagen voor tewerkstelling in het kader van artikel 57quater, 60, § 7, en 61 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

De VDAB kan boekhoudkundige stukken en andere relevante stukken met betrekking tot tewerkstelling in het kader van artikel 57quater, 60, § 7, en 61 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn opvragen bij de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. § 2. De VDAB kan de toelagen, vermeld in paragraaf 1, die ten onrechte zijn toegekend, terugvorderen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn als op basis van de boekhoudkundige en andere relevante stukken, vermeld in paragraaf 1, wordt vastgesteld dat er te veel toelagen zijn uitbetaald. § 3. Bij vaststelling van onregelmatigheden conform paragraaf 1 kan het dossier worden bezorgd aan de instantie die bevoegd is voor die aangelegenheden met toepassing van het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht van 30 april 2004. § 4. De Vlaamse Regering kan nadere regels uitwerken voor het toezicht op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn bij tewerkstelling in het kader van artikel 57quater, 60, § 7, en 61 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. HOOFDSTUK 3. - Subsidievoorwaarden voor leefloongerechtigden die in een traject tijdelijke werkervaring stappen

Art. 9.De VDAB zal de openbare centra voor maatschappelijk welzijn subsidiëren om de begeleiding van de werkzoekende in een traject tijdelijke werkervaring op zich te nemen. De Vlaamse Regering zal nadere regels en voorwaarden bepalen met betrekking tot deze subsidie.

De VDAB zal aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn een compensatie toekennen voor het realiseren van een activeringsbeleid.

De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag, de voorwaarden en de modaliteiten van deze compensatie. HOOFDSTUK 4. - Wijzigingsbepalingen

Art. 10.In artikel 5 van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, gewijzigd bij de programmawet van 2 augustus 2002, wordt paragraaf 4bis vervangen door wat volgt: " § 4bis. Aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt een toelage verleend die gelijk is aan het bedrag van het leefloon, vermeld in artikel 14, § 1, eerste lid, 3°, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, als het voormelde centrum als werkgever optreedt met toepassing van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn voor een persoon als vermeld in paragraaf 4, die voltijds wordt tewerkgesteld.

De toelage bedraagt maximaal het brutoloon van de tewerkgestelde persoon, zonder dat de toelage het gewaarborgde gemiddelde minimummaandinkomen kan overschrijden.

De toelage blijft verschuldigd aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn tot aan het einde van de arbeidsovereenkomst, ook als de familiale of inkomenstoestand van de betrokken werknemer in de loop van de arbeidsovereenkomst verandert of als hij zich in een andere gemeente vestigt.

De Vlaamse Regering kan de hoogte van de toelage bepalen bij een deeltijdse tewerkstelling, alsook de voorwaarden waaronder de toelage wordt toegekend, en kan het bedrag van de toelage verhogen en de voorwaarden ervan bepalen voor specifieke initiatieven die gericht zijn op sociale inschakeling.".

Art. 11.In de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, het laatste gewijzigd bij het decreet van 24 april 2015 houdende de implementatie van de zesde staatshervorming en houdende diverse bepalingen inzake het beleidsdomein Werk en Sociale Economie, wordt een artikel 61bis ingevoegd, dat luidt als volgt: "

Art. 61bis.Een tewerkstelling door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn met toepassing van artikel 60, § 7, van deze wet zal alleen het recht openen op de toelage die verbonden is aan de inschakeling van de persoon, vermeld in artikel 36 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, als er een werkervaringsovereenkomst is gesloten als vermeld in artikel 6 van het Tijdelijkewerkervaringsdecreet van 9 december 2016.".

Art. 12.Artikel 33 van de wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor werkgelegenheid, het laatst gewijzigd bij de wet van 24 april 2014, wordt opgeheven.

Art. 13.In artikel 36 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt: " § 1.Een toelage is verschuldigd aan het centrum als het optreedt in de hoedanigheid van werkgever met toepassing van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Bij een voltijdse tewerkstelling is het bedrag van de toelage gelijk aan het bedrag van het leefloon, vermeld in artikel 14, § 1, eerste lid, 3°, van deze wet.

De toelage bedraagt maximaal het brutoloon van de tewerkgestelde persoon, zonder dat de toelage het gewaarborgde gemiddelde minimummaandinkomen kan overschrijden.

De toelage blijft verschuldigd aan het centrum tot aan het einde van de arbeidsovereenkomst, zelfs als de familiale of inkomenstoestand van de betrokken werknemer in de loop van de arbeidsovereenkomst verandert of als hij zich in een andere gemeente vestigt."; 2° in paragraaf 2 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt: "De Vlaamse Regering kan de hoogte van de toelage bepalen bij een deeltijdse tewerkstelling, alsook de voorwaarden waaronder de toelage wordt toegekend.".

Art. 14.Artikel 37 van dezelfde wet wordt opgeheven.

Art. 15.Artikel 353bis/14 van de programmawet (I) van 24 december 2002, ingevoegd bij de wet van 24 april 2014 houdende aanpassingen van de vermindering van de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid ten gevolge van de 6e staatshervorming, ingevoegd bij de wet van 24 april 2014, wordt opgeheven.

Art. 16.Aan artikel 2, eerste lid, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding", gewijzigd bij de decreten van 21 november 2008, 12 juli 2013 en 24 april 2015, wordt een punt 13° toegevoegd, dat luidt als volgt: "13° leefloongerechtigde: iedere persoon die recht heeft op een leefloon als vermeld in de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, of die recht heeft op financiële maatschappelijke steun, equivalent aan het leefloon, vermeld in artikel 60, § 3, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, met uitzondering van de personen voor wie tewerkstelling niet haalbaar is om gezondheids- of billijkheidsredenen.".

Art. 17.In artikel 5, § 1, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 19 december 2008, 23 november 2012, 12 juli 2013 en 24 april 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in punt 3° wordt punt c) vervangen door wat volgt: "c) het toekennen van tegemoetkomingen voor een opleiding met het oog op de inschakeling op de arbeidsmarkt, inzonderheid de toekenning van opleidingscheques, opleidingsuitkeringen en compensatie-uitkeringen. De Vlaamse Regering kan na advies van de raad van bestuur van de VDAB nadere regels bepalen voor de toekenning, opheffing, wijziging, opschorting of vervanging van de opleidingsuitkeringen of compensatie-uitkeringen;"; 2° aan punt 3° worden een punt d) en een punt e) toegevoegd, die luiden als volgt: "d) het aanbieden of organiseren van stages om competenties te verwerven met het oog op de inschakeling op de arbeidsmarkt.De Vlaamse Regering kan na advies van de raad van bestuur van de VDAB nadere regels uitwerken om de stages op te heffen, te wijzigen of te vervangen; e) het toekennen van tegemoetkomingen voor stages, met inbegrip van stage-uitkeringen, met het oog op de inschakeling op de arbeidsmarkt. De Vlaamse Regering bepaalt na advies van de raad van bestuur van de VDAB de voorwaarden en de modaliteiten waaronder de tegemoetkomingen worden toegekend. De Vlaamse Regering kan na advies van de raad van bestuur van de VDAB nadere regels uitwerken om de tegemoetkomingen op te heffen, te wijzigen of te vervangen;"; 3° er wordt een punt 10° toegevoegd, dat luidt als volgt: "10° de VDAB is bevoegd voor de controle op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn wat betreft de toekenning en aanwending van toelagen voor tewerkstelling in het kader van artikel 57quater, 60, § 7, en 61 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.De VDAB is ook bevoegd om de ten onrechte toegekende toelagen terug te vorderen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.".

Art. 18.Aan hoofdstuk VI van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 19 december 2008, 23 november 2012, 12 juli 2013 en 24 april 2015, wordt een afdeling 5 toegevoegd, die luidt als volgt: "Afdeling 5. - Bepalingen over stages".

Art. 19.In hoofdstuk VI van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 19 december 2008, 23 november 2012, 12 juli 2013 en 24 april 2015, wordt aan afdeling 5, toegevoegd bij artikel 18, een artikel 22/15 toegevoegd, dat luidt als volgt: "

Art. 22/15.Elke stagegever kan toetreden tot de krachtens dit decreet uitgewerkte stagevormen als hij aan de toegangsvoorwaarden van de stagevorm voldoet.".

Art. 20.In hoofdstuk VI van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 19 december 2008, 23 november 2012, 12 juli 2013 en 24 april 2015, wordt aan dezelfde afdeling 5 een artikel 22/16 toegevoegd, dat luidt als volgt: "

Art. 22/16.De VDAB kan stages inzetten voor werkzoekenden om competenties aan te leren en toe te passen, waardoor de afstand tot de arbeidsmarkt wordt verkleind.

De bepalingen van deze afdeling zijn alleen van toepassing op de stagevormen die georganiseerd worden of erkend zijn door de VDAB. Deze bepalingen zijn onder meer niet van toepassing op de door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde stages, studies, leertijd of opleidingen in het kader van onderwijs, centra voor deeltijdse vorming en centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen en op het Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming Syntra Vlaanderen.

De Vlaamse Regering bepaalt na advies van de raad van bestuur van de VDAB de vormen, de voorwaarden en de nadere regels voor stages die ze organiseert. De Vlaamse Regering kan ook na advies van de raad van bestuur van de VDAB de regels voor aanvragen van stages en voor overeenkomsten in het kader daarvan bepalen, alsook de nadere regels voor de schorsing, stopzetting of verlenging van stages.".

Art. 21.In hoofdstuk VI van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 19 december 2008, 23 november 2012, 12 juli 2013 en 24 april 2015, wordt aan dezelfde afdeling 5 een artikel 22/17 toegevoegd, dat luidt als volgt: "

Art. 22/17.De kosten die verbonden zijn aan de stage, vermeld in deze afdeling, voor stagegever en stagiair kunnen geheel of gedeeltelijk gefinancierd worden door de VDAB. De Vlaamse Regering bepaalt na advies van de raad van bestuur van de VDAB de voorwaarden en modaliteiten waaronder ze een financiering verleent voor de stages.".

Art. 22.In hoofdstuk VI van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 19 december 2008, 23 november 2012, 12 juli 2013 en 24 april 2015, wordt aan dezelfde afdeling 5 een artikel 22/18 toegevoegd, dat luidt als volgt: "

Art. 22/18.De stagiair kan tijdens de duur van een stage recht hebben op een tegemoetkoming, met inbegrip van de stage-uitkering, hetzij ten laste van de stagegever, hetzij ten laste van de VDAB. De Vlaamse Regering kan na advies van de raad van bestuur van de VDAB nadere regels bepalen voor de voorwaarden, de toekenning, het bedrag van de tegemoetkoming en de uitbetaling van de tegemoetkoming.".

Art. 23.In hoofdstuk VI van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 19 december 2008, 23 november 2012, 12 juli 2013 en 24 april 2015, wordt aan dezelfde afdeling 5 een artikel 22/19 toegevoegd, dat luidt als volgt: "

Art. 22/19.Bij niet-naleving van de bepalingen van deze afdeling en de uitvoeringsbesluiten ervan, met inbegrip van de voortijdige stopzetting van een stage die uitsluitend aan de stagegever te wijten is, kan aan de laatstgenoemde het recht worden ontzegd om als stagegever op te treden voor een duur van ten hoogste drie jaar.

De Vlaamse Regering bepaalt na advies van de raad van bestuur van de VDAB de nadere regels ter uitvoering van het eerste lid.".

Art. 24.In het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering worden de volgende artikelen opgeheven: 1° artikel 36ter, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 13 maart 2006 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 december 2011;2° artikel 36quater, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 13 maart 2006 en vervangen bij het koninklijk besluit van 10 november 2012;3° artikel 36quinquies, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 13 maart 2006 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 10 november 2012.

Art. 25.In artikel 79, § 9, van hetzelfde koninklijk besluit, het laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 10 januari 2007, wordt het derde lid vervangen door wat volgt: "Het agentschap moet uiterlijk op 31 december van het jaar dat volgt op het jaar waarop de inkomsten betrekking hebben, voldaan hebben aan de verplichting om ten minste 25% van het bedrag, vermeld in het eerste lid, 2°, aangewend te hebben voor opleidingen of inschakelingsacties. Het niet-gebruikte saldo van die voormelde 25% is bestemd voor opleidingsinspanningen en moet binnen dezelfde termijn aan de VDAB worden gestort. Die storting wordt gelijkgesteld met een uitgave voor opleiding.".

Art. 26.In artikel 2 van het koninklijk besluit van 10 juni 1994 tot uitvoering van artikel 8, § 1 en § 6, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, het laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 11 december 2006 tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 juni 1994 tot uitvoering van artikel 8, § 1 en § 6, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, worden het zesde, zevende en achtste lid geschrapt.

Art. 27.Artikel 5 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de toekenningsvoorwaarden, het bedrag en de duur van de toelage, verstrekt aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor een deeltijdse tewerkstelling met toepassing van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, van een gerechtigde op maatschappelijke integratie wordt opgeheven.

Art. 28.Artikel 2 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot toekenning van een verhoogde staatstoelage aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn voor specifieke initiatieven, gericht op sociale inschakeling, binnen de sociale economie, wordt vervangen door wat volgt: "

Art. 2.Als een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een rechthebbende in dienst neemt met toepassing van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en het die werknemer bij overeenkomst ter beschikking stelt aan een sociale-economie-initiatief, wordt de toelage, vermeld in artikel 36 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, verhoogd tot het bedrag van het brutoloon van de werknemer, zonder dat de toelage het gewaarborgde gemiddelde minimummaandinkomen kan overschrijden.

De duur van de verhoogde toelage, vermeld in het eerste lid, is begrensd tot maximaal twaalf maanden.".

Art. 29.Artikel 3 van hetzelfde koninklijk besluit wordt vervangen door wat volgt: "

Art. 3.Als de werknemer niet voltijds is tewerkgesteld, wordt: 1° de verhoogde toelage, vermeld in artikel 2, teruggebracht tot een bedrag in verhouding tot de contractueel wekelijks bepaalde arbeidsduur in de deeltijdse betrekking; 2° de duur van de verhoogde toelage, vermeld in artikel 2, begrensd tot maximaal zes maanden.".

Art. 30.Artikel 2 van het koninklijk besluit van 4 september 2002 tot vaststelling van de toekenningsvoorwaarden van de toelage, verstrekt aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor een tewerkstelling met toepassing van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die ter beschikking wordt gesteld van een privé-onderneming, wordt vervangen door wat volgt: "

Art. 2.Wanneer een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een rechthebbende in dienst neemt met toepassing van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en het deze werknemer bij overeenkomst ter beschikking stelt van een privé-onderneming, geldt de volgende voorwaarde voor de toekenning en het behoud van de toelage, voorzien in de artikelen 36 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie: de rechthebbende wordt aangeworven met een arbeidsovereenkomst waarvan de duur: - hetzij gelijk is aan de duur die noodzakelijk is voor het verkrijgen van volledige sociale uitkeringen; - hetzij minstens één maand en hoogstens zes maanden bedraagt en niet hernieuwbaar is, in het geval de arbeidsovereenkomst ertoe strekt de werkervaring van de rechthebbende te bevorderen.".

Art. 31.Artikel 2 van het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de toekenningsvoorwaarden van de toelage, verstrekt aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, voor een tewerkstelling met toepassing van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp die ter beschikking wordt gesteld van een privé-onderneming, wordt vervangen door wat volgt: "

Art. 2.Wanneer een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp in dienst neemt met toepassing van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en het deze werknemer bij overeenkomst ter beschikking stelt van een privé-onderneming, geldt de volgende voorwaarde voor de toekenning en het behoud van de toelage, voorzien in artikel 5, § 4bis, van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn: de rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp wordt aangeworven met een arbeidsovereenkomst waarvan de duur: - hetzij gelijk is aan de duur die noodzakelijk is voor het verkrijgen van volledige sociale uitkeringen; - hetzij minstens één maand en hoogstens zes maanden bedraagt en niet hernieuwbaar is, in het geval de arbeidsovereenkomst ertoe strekt de werkervaring van de rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp te bevorderen.".

Art. 32.Artikel 2 van het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot toekenning van een verhoogde staatstoelage aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn voor specifieke initiatieven, gericht op sociale inschakeling, binnen de sociale economie, voor rechthebbenden op financiële maatschappelijke hulp wordt vervangen door wat volgt: "

Art. 2.Als een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een rechthebbende in dienst neemt met toepassing van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en het die werknemer bij overeenkomst ter beschikking stelt aan een sociale-economie-initiatief, wordt de toelage, vermeld in artikel 5, § 4bis, vierde lid, van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, verhoogd tot het bedrag van het brutoloon van de werknemer, zonder dat de toelage het gewaarborgde gemiddelde minimummaandinkomen kan overschrijden.

De duur van de verhoogde toelage, vermeld in het eerste lid, is begrensd tot maximaal twaalf maanden.".

Art. 33.Artikel 3 van hetzelfde koninklijk besluit wordt vervangen door wat volgt: "

Art. 3.Als de werknemer niet voltijds is tewerkgesteld, wordt: 1° de verhoogde toelage, vermeld in artikel 2, teruggebracht tot een bedrag in verhouding tot de contractueel wekelijks bepaalde arbeidsduur in de deeltijdse betrekking; 2° de duur van de verhoogde toelage, vermeld in artikel 2, begrensd tot maximaal zes maanden.".

Art. 34.Artikel 28/15 van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 24 april 2014, wordt opgeheven. HOOFDSTUK 5. - Slotbepalingen

Art. 35.Het koninklijk besluit van 2 april 1998 tot uitvoering van artikel 33 van de wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor werkgelegenheid wordt opgeheven.

Art. 36.De Vlaamse Regering bepaalt voor iedere bepaling van dit decreet de datum van inwerkingtreding, met uitzondering van: 1° artikel 25, dat in werking treedt op de dag na de bekendmaking van dit decreet in het Belgisch Staatsblad;2° artikel 26, dat in werking treedt op 1 januari 2017. Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Brussel, 9 december 2016.

De minister-president van de Vlaamse Regering, G. Bourgeois De Vlaamse minister van Werk, Economie, Innovatie en Sport, Ph. Muyters _______ Nota (1) Zitting 2016-2017 Documenten - Ontwerp van decreet : 922 - Nr.1.

Verslag : 922 - Nr. 2.

Reflectienota : 922 - Nr. 3.

Amendement (na indiening van het verslag) : 922 - Nr. 4.

In eerste lezing door de plenaire vergadering aangenomen artikelen : 922 - Nr. 5.

Tekst aangenomen door de plenaire vergadering : 922 - Nr. 6.

Handelingen - Bespreking en aanneming: Vergadering van 30 november 2016.


begin


Publicatie : 2017-01-

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^