Etaamb.openjustice.be
Decreet van 13 juli 2001
gepubliceerd op 27 november 2001

Decreet betreffende het onderwijs-XIII-Mozaïek

bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
numac
2001036320
pub.
27/11/2001
prom.
13/07/2001
ELI
eli/decreet/2001/07/13/2001036320/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

13 JULI 2001. - Decreet betreffende het onderwijs-XIII-Mozaïek (1)


Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : Ontwerp van decreet betreffende het onderwijs-XIII-Mozaïek HOOFDSTUK I. - Inleidende bepaling Artikel I.1 Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid. HOOFDSTUK II. - Algemene bepaling Artikel II.1 In artikel 27 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, toegevoegd bij het decreet van 31 juli 1990, wordt § 1 vervangen door wat volgt : « § 1. Weddentoelagen worden verleend voor de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, de leden van de pedagogische begeleidingsdiensten en voor de leden van het opvoedend hulppersoneel en van het ondersteunend personeel.

Zij kunnen verleend worden aan de categorieën van de leden van het administratief personeel en van het ondersteunend personeel die door een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit zijn vastgelegd.

Met uitzondering van het ambt van beheerder van het gesubsidieerd internaat, worden er geen weddentoelagen verleend voor het personeel van de gesubsidieerde internaten andere dan de tehuizen voor kinderen wier ouders geen vaste verblijfplaats hebben.

Het opvoedend hulppersoneel en het ondersteunend personeel van de scholen, benoemd na 31 augustus 1985, mag echter geheel of gedeeltelijk tewerkgesteld worden in het gesubsidieerd internaat dat aan de school of scholengroep verbonden is, terwijl het opvoedend hulppersoneel van het internaat geheel of gedeeltelijk mag ingezet worden in de school of groep van scholen waaraan het verbonden is bijaldien het voldoet aan de vereiste voorwaarden.

De te subsidiëren prestaties worden vastgelegd overeenkomstig de normen die voor hetzelfde onderwijsniveau en hetzelfde onderwijstype in het Rijksonderwijs gelden. » Artikel II.2 Artikel II.1 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1999. HOOFDSTUK III. - Basisonderwijs Artikel III.1 In artikel 3 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° er wordt een 9°bis ingevoegd, dat luidt als volgt : « 9°bis CLB : centrum voor leerlingenbegeleiding zoals bedoeld in het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding;»; 2° 23° wordt vervangen door wat volgt : « 23° hoofdopdracht : lesopdracht voor het onderwijzend personeel, kindgebonden opdracht voor het paramedisch, medisch, sociaal, psychologisch en orthopedagogisch personeel.In de hoofdopdracht kunnen bijzondere pedagogische taken en/of lestijden beleidsondersteuning begrepen zijn; »; 3° 50° wordt vervangen door wat volgt : « 50° schoolbestuur : de inrichtende macht zoals bedoeld in artikel 24, § 4, van de Grondwet, dit is de rechtspersoon of de natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor één of meer scholen;''.

Artikel III.2 In artikelen 16 en 98 van hetzelfde decreet wordt het woord « PMS-centrum » vervangen door het woord « CLB ».

Artikel III.3 Artikel 17 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt : «

Artikel 17.§ 1. In het gewoon onderwijs kan een leerling die 6 jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar nog één schooljaar in het kleuteronderwijs ingeschreven worden. In dit geval is de leerling onderworpen aan de controle op de leerplicht. Na kennisneming van en toelichting bij het advies van de klassenraad en van het CLB nemen de ouders daaromtrent een beslissing.

Voor leerplichtige kinderen die nog geen kleuteronderwijs volgden, is enkel een advies van een CLB vereist. § 2. In het buitengewoon onderwijs kan een leerling die 6 jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar in het kleuteronderwijs ingeschreven worden. In dit geval is de leerling onderworpen aan de controle op de leerplicht. Het volgen van kleuteronderwijs kan daarna nog met één schooljaar verlengd worden. Na kennisneming van en toelichting bij de adviezen van de klassenraad en van het CLB nemen de ouders daaromtrent een beslissing. » Artikel III.4 Artikel 18 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt : «

Artikel 18.In afwijking van artikel 13 kan een leerling die 5 jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar in het lager onderwijs ingeschreven worden. In dit geval is de leerling onderworpen aan de controle op de leerplicht. Na kennisneming van en toelichting bij de adviezen van de klassenraad en van het CLB nemen de ouders daaromtrent een beslissing. » Artikel III.5 Artikel 19 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt : «

Artikel 19.§ 1. In het gewoon onderwijs kan een leerling, in afwijking van artikel 14, minimum 4 jaar - behoudens, in uitzonderlijke omstandigheden, afwijking door de Vlaamse regering - en maximum 8 jaar in het lager onderwijs doorbrengen met dien verstande dat een leerling die 15 jaar wordt vóór 1 januari van het lopende schooljaar geen lager onderwijs meer kan volgen.

Voor toelating tot het achtste jaar is een gunstig advies van de klassenraad en een advies van het CLB vereist. § 2. In het buitengewoon onderwijs kan een leerling, in afwijking van artikel 14, maximum 9 jaar in het lager onderwijs doorbrengen met dien verstande dat een leerling die 15 jaar is vóór 1 januari van het lopende schooljaar geen lager onderwijs meer kan volgen.

Voor de leerlingen die 13 of 14 jaar zijn vóór 1 januari van het lopende schooljaar, nemen de ouders een beslissing na kennisneming van en toelichting bij het advies van de klassenraad en het CLB. » Artikel III.6 Aan artikel 20, 3°, van hetzelfde decreet wordt de volgende zin toegevoegd : « Voor de duur van een experiment inzake de controle op de inschrijvingen en de controle op het geregeld schoolbezoek zijn de bepalingen van dit punt niet van toepassing op leerlingen die ingeschreven zijn in scholen die deelnemen aan het experiment. » Artikel III.7 Artikel 28 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 14 juli 1998, wordt vervangen door wat volgt : «

Artikel 28.§ 1. Bij de eerste inschrijving van hun kind informeert het schoolbestuur de ouders schriftelijk over onder meer : 1° de juridische aard en de samenstelling van hun schoolbestuur;2° het pedagogisch project van de school;3° de organisatie van de schooluren;4° de voor- en naschoolse opvang indien daarin voorzien is;5° het leerlingenvervoer indien daarin voorzien is;6° de organisatie van de oudercontacten;7° het begeleidend CLB. § 2. In afwijking van § 1 informeert het schoolbestuur van een ziekenhuisschool, bij de eerste inschrijving, de ouders schriftelijk over onder meer : 1° de wijze waarop ouders overleg kunnen plegen met de directie van de school en contact kunnen opnemen met de voorzitter van het schoolbestuur;2° het pedagogisch project van de school;3° het begeleidend CLB.» Artikel III.8 Aan artikel 35, § 2, van hetzelfde decreet wordt de volgende zin toegevoegd : « Omwille van omstandigheden eigen aan het kind en mits omstandige motivering kan een andere school voor buitengewoon onderwijs worden aangeduid. » Artikel III.9 Artikel 37 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt : «

Artikel 37.§ 1. Een schoolbestuur moet, met uitzondering van de ziekenhuisscholen, voor elk van zijn scholen met toepassing van de regelgeving inzake medezeggenschap een schoolreglement opstellen dat de betrekkingen tussen het schoolbestuur en de ouders en leerlingen regelt. § 2. Voor het kleuteronderwijs bevat het schoolreglement ten minste de volgende elementen : 1° geldelijke en niet-geldelijke ondersteuning die niet afkomstig is van de Vlaamse Gemeenschap en de rechtspersonen die daarvan afhangen;2° de bijdrageregeling bedoeld in artikel 27, § 3. § 3. Voor het lager onderwijs bevat het schoolreglement ten minste de volgende elementen : 1° het orde- en tuchtreglement van de leerlingen met inbegrip van de interne beroepsmogelijkheden;2° de procedure volgens dewelke getuigschriften basisonderwijs worden toegekend en de procedure volgens dewelke een beroep kan ingediend worden tegen een beslissing van de klassenraad met betrekking tot het getuigschrift basisonderwijs;3° bepalingen in verband met onderwijs aan huis;4° richtlijnen inzake afwezigheden en te laat komen;5° afspraken in verband met huiswerk, agenda's en rapporten;6° geldelijke en niet-geldelijke ondersteuning die niet afkomstig is van de Vlaamse Gemeenschap en de rechtspersonen die daarvan afhangen;7° de bijdrageregeling bedoeld in artikel 27, § 3. § 4. Het schoolreglement wordt aan de ouders ter ondertekening voorgelegd bij de eerste inschrijving van hun kind en daarna bij elke wijziging ervan.

In het officieel onderwijs is de ondertekening ter kennisneming, in het vrij onderwijs voor akkoord. » Artikel III.10 Aan artikel 48 van hetzelfde decreet wordt een § 3 toegevoegd, die luidt als volgt : « § 3. De bepalingen van § 1 en § 2 gelden niet voor de leerlingen die ingeschreven zijn in een ziekenhuisschool. » Artikel III.11 Aan artikel 62, 9°, van hetzelfde decreet worden de volgende woorden toegevoegd : « en voor het buitengewoon basisonderwijs de bepalingen naleeft inzake handelingsplannen ».

Artikel III.12 In artikel 73, § 1, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° 1° wordt vervangen door wat volgt : « 1° onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie, behoudens door de Vlaamse regering te verlenen vrijstelling;»; 2° 2° wordt vervangen door wat volgt : « 2° de burgerlijke en politieke rechten genieten, behoudens een door de Vlaamse regering te verlenen vrijstelling die samengaat met de vrijstelling bedoeld in 1°;».

Artikel III.13 Artikel 75, eerste lid van hetzelfde decreet wordt opgeheven.

Artikel III.14 Artikel 77 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.

Artikel III.15 In artikel 82 van hetzelfde decreet wordt § 1, tweede lid, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998, vervangen door wat volgt : « Het wordt tevens verminderd met de bijdrage in het kostgeld zoals bedoeld in artikel 71 van de gecoördineerde wetten op het lager onderwijs. » Artikel III.16 In artikel 82bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998 en gewijzigd bij het decreet van 22 december 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1 wordt vervangen door wat volgt : « § 1.Het globale werkingsbudget van het gefinancierd en het gesubsidieerd basisonderwijs wordt gefaseerd verhoogd met 99,21 miljoen euro als volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 2° in § 2 worden de woorden « 3,502 miljard frank » vervangen door de woorden « 99,21 miljoen euro ». Artikel III.17 Artikel 84 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt : «

Artikel 84.De werkingsmiddelen van de scholengroepen van het gemeenschapsonderwijs worden elk jaar gestort in drie gelijke schijven, respectievelijk in januari, mei en september. » Artikel III.18 In artikel 109 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 2 wordt het tweede lid opgeheven;2° § 3 wordt opgeheven. Artikel III.19 In artikel 132 van het hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 20 oktober 2000, wordt § 1 vervangen door wat volgt : « § 1. In afwijking van artikel 131, worden de lestijden volgens de schalen in het gewoon onderwijs voor scholen in programmatie of voor scholen die een bijkomend onderwijsniveau oprichten, berekend op basis van het aantal regelmatige leerlingen ingeschreven op de eerste schooldag van oktober van het lopende schooljaar.

Ingeval van oprichting van een school voor basisonderwijs of voor lager onderwijs of van een onderwijsniveau lager onderwijs geldt deze teldag voor het schooljaar van oprichting en gedurende de vijf daarop volgende schooljaren.

In geval van oprichting van een school voor kleuteronderwijs of van een niveau kleuteronderwijs geldt die teldag voor het schooljaar van oprichting en de twee daarop volgende schooljaren. » Artikel III.20 Aan artikel 138, § 1, van hetzelfde decreet wordt een 5° toegevoegd, dat luidt als volgt : « 5° lestijden voor lichamelijke opvoeding in het gewoon kleuteronderwijs. » Artikel III.21 Artikel 146bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 20 oktober 2000, wordt vervangen door wat volgt : «

Artikel 146bis.In het gewoon kleuteronderwijs wordt het ambt van kinderverzorger gefinancierd of gesubsidieerd. Dit ambt wordt geput uit een afzonderlijk urenpakket dat berekend wordt op basis van normen en criteria die door de regering worden vastgelegd.

De regering bepaalt hoeveel uren er voor een voltijdse opdracht kinderverzorger uit dit urenpakket geput worden en legt de modaliteiten vast waaronder dit ambt kan worden ingericht. » Artikel III.22 Aan artikel 149, vierde streepje, van hetzelfde decreet wordt de volgende zin toegevoegd : « De Vlaamse regering kan per type de voorwaarden vastleggen waaronder leerlingen van deze bepaling kunnen worden uitgesloten, voor zover voor deze regeling de nodige kredieten worden ter beschikking gesteld door het Ministerie van Sociale Zaken en het departement Welzijn. » Artikel III.23 In hetzelfde decreet wordt een artikel 163bis ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 163bis.In de hoofdopdracht kunnen bijzondere pedagogische taken en/of lestijden beleidsondersteuning begrepen zijn.

Maximum 3 % van het lestijden- en urenpakket kan aangewend worden als lestijden bijzondere pedagogische taken. Het maximum kan enkel worden overschreden bij akkoord van het lokaal comité. » Artikel III.24 In artikel 194 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1 wordt het tweede lid vervangen door wat volgt : « Voor het gewoon kleuteronderwijs gelden volgende instapdata : 1° de eerste schooldag na de zomervakantie;2° de eerste schooldag na de herfstvakantie;3° de eerste schooldag na de kerstvakantie;4° de eerste schooldag van februari;5° de eerste schooldag na de krokusvakantie;6° de eerste schooldag na de paasvakantie.» 2° § 2 wordt opgeheven. Artikel III.25 In hetzelfde decreet wordt een artikel 194ter ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 194ter.In afwijking van artikel 23, 86, 124 en 134 bepaalt het schoolbestuur van de ziekenhuisschool voor het schooljaar 1998-1999 na hoeveel onderwijsdagen een leerling als regelmatige leerling wordt beschouwd. » Artikel III.26 In hetzelfde decreet wordt een artikel 194quinquies ingevoegd, dat luidt als volgt : « Artikel 194 quinquies. Tijdens de schooljaren 2001-2002 en 2002-2003 kunnen in het gewoon basisonderwijs geen nieuwe scholen in de financierings- of subsidieregeling opgenomen worden en kunnen er geen structuurwijzigingen worden doorgevoerd waardoor de school in programmatie gaat. Deze bepaling geldt niet ten aanzien van : - de scholen die opgericht worden overeenkomstig artikel 97, 98 en 99; - de scholen die in de artikel 138, § 1, 1°, bedoelde aanvullende lestijden cultuurbeschouwing inrichten. » Artikel III.27 In artikel 195 van hetzelfde decreet wordt 1° vervangen door wat volgt : « 1° artikel 11, 16, 24, § 2, 67, § 2, 138, 2°, en 153 die in werking treden met ingang van 1 september 1994; ».

Artikel III.28 De bepalingen van dit hoofdstuk treden in werking op 1 september 2001, met uitzondering van : 1° artikel III.25, dat uitwerking heeft met ingang van 1 september 1998; 2° artikel III.19, dat uitwerking heeft met ingang van 1 februari 1999; 3° artikel III.17, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2000; 4° artikel III.1, 1°, III.2, III.6, die uitwerking hebben met ingang van 1 september 2000; 5° artikel III.15 en III.16, die in werking treden op 1 januari 2001; 6° artikel III.24, dat in werking treedt op 1 februari 2001; 7° artikel III.9, dat in werking treedt op 1 september 2002. HOOFDSTUK IV. - Secundair onderwijs Afdeling 1. - Gemeenschappelijke bepalingen voor het gewoon en

buitengewoon secundair onderwijs Artikel IV.1 Aan artikel 3, § 8, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, gewijzigd bij de decreten van 31 juli 1990, 9 april 1992, 25 juni 1992, 21 december 1994, 8 juli 1996 en 15 juli 1997, wordt een 5° toegevoegd, dat luidt als volgt : « 5° Een leerling van het voltijds gewoon secundair onderwijs of het deeltijds beroepssecundair onderwijs die op de datum voor de telling van het aantal leerlingen onderwijs volgt in een school van type 5, blijft beschouwd als regelmatige leerling in zijn oorspronkelijke school. Hij is daarenboven regelmatige leerling : a) in de ziekenhuisschool, voor periodes van minimum vijf al dan niet opeenvolgende dagen waarin hij per dag gemiddeld ten minste één lestijd onderwijs krijgt;b) in de preventoriumschool, wanneer hij voldoet aan de bepalingen van artikel 10 van het koninklijk besluit van 28 juni 1978 houdende de omschrijving van de types en de organisatie van het buitengewoon onderwijs en vaststellende de toelatings- en behoudsvoorwaarden in de diverse niveaus van het buitengewoon onderwijs.» Artikel IV.2 Aan artikel 1, § 1, derde lid, van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht worden de volgende zinnen toegevoegd : « Een minderjarige kan toelating krijgen om vanaf het begin van het schooljaar waarin hij deeltijds leerplichtig wordt deeltijds beroepssecundair onderwijs of voor de vervulling van de leerplicht erkende vorming te volgen. De toelating wordt gegeven door de directie van de instelling waar het deeltijds beroepssecundair onderwijs of de erkende vorming gegeven wordt, op advies van het centrum voor leerlingenbegeleiding waar de school voor voltijds onderwijs waar de minderjarige de lessen volgt mee samenwerkt. » Artikel IV.3 In het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II wordt een artikel 55bis ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 55bis.Onverminderd de bepalingen van artikel 53 tot en met 55 stelt de Vlaamse regering de benamingen van de vakken vast en bepaalt ze de indeling in algemene vakken, kunstvakken, technische vakken en praktische vakken. » Artikel IV.4 In artikel 6, § 2, van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs wordt het tweede lid, ingevoegd bij het decreet van 20 oktober 2000, vervangen door wat volgt : « In afwijking van het eerste lid, zijn de bepalingen van § 1 van toepassing op : 1° de opties van het eerste leerjaar van de tweede graad van het algemeen secundair onderwijs op 1 september 2002;2° de opties van het tweede leerjaar van de tweede graad van het algemeen secundair onderwijs op 1 september 2003;3° de opties van het eerste leerjaar van de derde graad van het algemeen secundair onderwijs op 1 september 2004;4° de opties van het tweede leerjaar van de derde graad van het algemeen secundair onderwijs op 1 september 2005.» Afdeling 2. - Bepalingen voor het gewoon secundair onderwijs

Artikel IV.5 In artikel 57 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II, gewijzigd bij de decreten van 19 april 1995 en 8 juli 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 2 wordt opgeheven;2° § 3 wordt vervangen door wat volgt : « § 3.De aanwending van het wekelijks aantal uren-leraar dat elke onderwijsinstelling verkrijgt is vrij, onverminderd de toepassing van § 1, 2°, en § 3bis.

Onder aantal uren-leraar worden verstaan de uren verkregen in toepassing van § 1, evenals de uren-leraar waarover een onderwijsinstelling kan beschikken na herverdeling van uren-leraar door haar inrichtende macht, door overname van uren-leraar van het voorgaande schooljaar, door overname van uren-leraar van een andere onderwijsinstelling, ingevolge fusie of door toetreding tot een scholengemeenschap. »; 3° er wordt een § 3bis ingevoegd, die luidt als volgt : « § 3bis.Het in § 3 bedoelde aantal uren-leraar dat aangewend wordt voor het voltijds secundair onderwijs dat niet georganiseerd is volgens een modulair stelsel, kan slechts ten belope van 3 % gebruikt worden voor uren die geen lesuren zijn en georganiseerd worden als bijzondere pedagogische taken.

Dit maximum kan worden overschreden bij akkoord van het lokaal comité, bevoegd inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden. »; 4° § 4, eerste lid, wordt vervangen door wat volgt : « Het in § 3 bedoeld aantal uren-leraar is bestemd voor de toewijzing van de opdrachten aan de titularissen van het onderwijzend personeel. » Artikel IV.6 In artikel 84bis, § 2, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 20 oktober 2000 betreffende het onderwijs XII-Ensor, worden de woorden « het schooljaar 2000-2001 » vervangen door de woorden « de schooljaren 2000-2001 en 2001-2002 ».

Artikel IV.7 In artikel 64bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 2 maart 1999, wordt 2° vervangen door wat volgt : « 2° het geheel van de opleiding, behoudens gewettigde afwezigheid, werkelijk en regelmatig volgen, waaronder alleszins wordt verstaan uiterlijk ingeschreven zijn op 31 januari van het betrokken schooljaar. Voor wat betreft de leerplichtige leerlingen kan de Vlaamse regering in uitzonderlijke en individuele gevallen afwijking verlenen van deze datum; ».

Artikel IV.8 Aan artikel 6 van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, gewijzigd bij het decreet van 20 oktober 2000, wordt een § 4 en een § 5 toegevoegd, die luiden als volgt : « § 4. De Vlaamse regering kan na de data, bedoeld in § 2, beslissen om nieuwe omzettingen van bestaande naar nieuwe benamingen van structuuronderdelen door te voeren.

Voor de toepassing van deze bepaling wordt met structuuronderdelen bedoeld : de basisopties, de beroepenvelden, de opties van de tweede, derde en vierde graad, het derde leerjaar van de tweede graad, georganiseerd als een vervolmakingsjaar, het derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een voorbereidend jaar op het hoger onderwijs of als een specialisatiejaar. § 5. In afwijking op de datum, bedoeld in § 2, 6°, worden de benamingen van de opties psychiatrische verpleegkunde en ziekenhuisverpleegkunde, zoals bepaald in artikel 50, § 4, 2°, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II, gewijzigd bij het decreet van 19 april 1995, omgezet naar de benaming verpleegkunde.

Deze omzetting vindt geleidelijk plaats, leerjaar na leerjaar te beginnen met het eerste leerjaar van de vierde graad, vanaf 1 september 2002. » Afdeling 3. - Bepalingen voor het buitengewoon secundair onderwijs

Artikel IV.9 In artikel 4 van de wet van 6 juli 1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs, gewijzigd bij de decreten van 25 juni 1992, 28 april 1993 en 14 juli 1998, wordt het eerste lid, tweede streepje vervangen door wat volgt : « - een jongere voor ten hoogste twee schooljaren na het schooljaar waarin hij de leeftijd van eenentwintig jaar heeft bereikt, voor deze wet in aanmerking laten komen in functie van het behalen van een kwalificatiegetuigschrift van opleidingsvorm 3 of het diploma van secundair onderwijs in opleidingsvorm 4 of het getuigschrift van alternerende beroepsopleiding; ».

Artikel IV.10 Artikel 5 van dezelfde wet wordt vervangen door wat volgt : «

Artikel 5.§ 1. Voor de inschrijving van een leerling in een door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor buitengewoon secundair onderwijs is een inschrijvingsverslag vereist, waaruit blijkt welk type en welke opleidingsvorm voor hem is aangewezen. Dit verslag bestaat uit een attest en een protocol ter verantwoording. Voor leerlingen die onderwijs van het type 5 volgen in een ziekenhuis is geen protocol vereist. Een leerling kan alleen buitengewoon secundair onderwijs volgen van de opleidingsvorm en van het type waarnaar hij in het inschrijvingsverslag georiënteerd wordt. § 2. De Vlaamse regering, bepaalt door welke instantie(s) het inschrijvingsverslag wordt opgesteld en wat dit verslag moet inhouden. » Artikel IV.11 In dezelfde wet wordt een Hoofdstuk IIter, bestaande uit artikel 5ter tot en met 5septies, ingevoegd, dat luidt als volgt : « HOOFDSTUK IIter. - Alternerende beroepsopleiding

Artikel 5ter.In de opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair beroepsonderwijs kan een facultatieve integratiefase van één schooljaar worden georganiseerd in de vorm van een alternerende beroepsopleiding voor de verdere bekwaming van : 1° leerlingen die het kwalificatiegetuigschrift hebben behaald of 2° leerlingen die daartoe door de klassenraad bekwaam worden geacht.

Artikel 5quater.§ 1. Op weekbasis omvat de integratiefase ten minste 14 lesuren op school, bestaande uit algemene en sociale vorming en beroepsgerichte vorming, aangevuld met 24 uren werkervaring in een regulier bedrijf. § 2. Op jaarbasis omvat de integratiefase : 1° minimaal 500 lesuren algemene en sociale vorming en beroepsgerichte vorming;2° minimaal 700 uren werkervaring in het werkervaringsbedrijf, in een verhouding van 2/5 vorming op school en 3/5 werkervaring.

Artikel 5quinquies.De integratiefase wordt bekrachtigd met een getuigschrift van alternerende beroepsopleiding in een bepaalde bedrijfssector, en in voorkomend geval, een kwalificatiegetuigschrift voor de leerlingen bedoeld in artikel 5ter, 2°.

Artikel 5sexies.De Vlaamse regering bepaalt de nadere regelen inzake de organisatie van de alternerende beroepsopleiding alsook de vorm van het getuigschrift van alternerende beroepsopleiding. De regering bepaalt de wijze waarop het lesurenpakket en de werkingsmiddelen en - in voorkomend geval - de middelen van het Europees Sociaal Fonds worden aangewend voor de organisatie van de alternerende beroepsopleiding.

Artikel 5septies.Met ingang van het schooljaar 2001-2002 kan geen tweede kwalificatie meer worden georganiseerd. In afwijking van deze bepaling : - kunnen de scholen die op 30 juni 2001 een tweede kwalificatie inrichtten, gedurende het schooljaar 2001-2002 een eenjarige tweede kwalificatie organiseren; - kunnen de leerlingen die in de schooljaren 2000-2001 en 2001-2002 een tweede kwalificatie aanvatten, deze beëindigen. » Artikel IV.12 Aan artikel 21, § 2, van het koninklijk besluit nr. 65 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt : « Maximum 3 % van het lesurenpakket en van het urenpakket bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 67 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het paramedisch personeel worden bepaald in de inrichtingen voor het buitengewoon onderwijs, met uitzondering van de internaten of semi-internaten, kan worden aangewend voor uren die geen lesuren zijn en georganiseerd worden als bijzondere pedagogische taken. Dit maximum geldt niet voor het buitengewoon secundair beroepsonderwijs dat georganiseerd is volgens een modulair stelsel of in de vorm van een alternerende beroepsopleiding. Het maximum kan worden overschreden bij akkoord van het lokaal comité, bevoegd inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden. » Artikel IV.13 In artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 67 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het paramedisch personeel worden bepaald in de richtingen voor het buitengewoon onderwijs, met uitzondering van de internaten of semi-internaten wordt een § 3bis ingevoegd, die luidt als volgt : « § 3bis. Maximum 3 % van het urenpakket en van het lesurenpakket bedoeld in artikel 21 van het koninklijk besluit nr. 65 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs kan worden aangewend voor uren die geen lesuren zijn en georganiseerd worden als bijzondere pedagogische taken. Dit maximum geldt niet voor het buitengewoon secundair beroepsonderwijs dat georganiseerd is volgens een modulair stelsel of in de vorm van een alternerende beroepsopleiding. Het maximum kan worden overschreden bij akkoord van het lokaal comité, bevoegd inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden. » Artikel IV.14 De Vlaamse regering deelt de opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair beroepsonderwijs op in opleidingen die tevens worden ingericht in het voltijds beroeps- en technisch secundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en het secundair onderwijs voor sociale promotie.

Voor elk van deze opleidingen worden de competenties, de nodige algemene en sociale vaardigheden en de sleutelvaardigheden vastgelegd in opleidingsprofielen.

De Vlaamse regering bepaalt de procedure en de modaliteiten van omzetting van de voor de inwerkingtreding van dit decreet bestaande beroepenvelden, afdelingen en kwalificatietechnieken naar de in het eerste lid bedoelde opleidingen.

De omzetting van de bestaande afdelingen naar opleidingen wordt niet beschouwd als een programmatie of omvorming zoals bedoeld in artikel 35, 61 en § 3 van het koninklijk besluit nr. 439 van 11 augustus 1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs.

Artikel IV.15 Artikel 47 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II, gewijzigd bij het decreet van 19 april 1995, wordt vervangen door wat volgt : «

Artikel 47.Voor het buitengewoon secundair onderwijs is deze afdeling enkel van toepassing op opleidingsvorm 4, met uitzondering van : 1° onderafdeling 4 voor wat de ziekenhuisscholen betreft;2° onderafdeling 5.» Artikel IV.16 De bepalingen van dit hoofdstuk treden in werking op 1 september 2001, behalve 1° artikel IV.3 dat Uitwerking heeft met ingang van 1 september 1989; 2° artikel IV.11, dat uitwerking heeft met ingang van 1 september 1998; 3° artikelen IV.5, IV.12 en IV.13, die uitwerking hebben met ingang van 1 september 1999; 4° artikel IV.7 en IV. 8, die uitwerking hebben met ingang van 1 september 2000. HOOFDSTUK V. - Zorgvuldig bestuur Afdeling 1. - Algemene bepalingen

Onderafdeling 1. - Basisonderwijs Artikel V.1 In artikel 27 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, gewijzigd bij het decreet van 14 juli 1998, worden volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1 wordt vervangen door wat volgt : « § 1.In de door de Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde basis-, kleuter- of lagere scholen kan geen direct of indirect inschrijvingsgeld worden gevraagd. Evenmin kunnen bijdragen worden gevraagd voor onderwijsgebonden kosten die noodzakelijk zijn om een eindterm te realiseren of een ontwikkelingsdoel na te streven. »; 2° § 2 wordt vervangen door wat volgt : « § 2.Vragen in verband met de toepassing van de beginselen vermeld in § 1 en klachten in verband met inbreuken op deze beginselen kunnen door iedere belanghebbende ingediend worden bij de Commissie zorgvuldig bestuur, bedoeld in artikel V.21 van het decreet van 13 juli 2001 betreffende het onderwijs-XIII-Mozaïek. »; 3° § 3 wordt vervangen door wat volgt : « § 3.Na overleg binnen de participatieraad of de schoolraad bepalen de schoolbesturen de lijst van bijdragen die aan de ouders kunnen worden gevraagd, evenals de afwijkingen die op deze bijdrageregeling worden toegekend. » Artikel V.2 In het hoofdstuk V van hetzelfde decreet wordt het opschrift van de afdeling 5 vervangen door wat volgt : « Zorgvuldig bestuur ».

Artikel V.3 In artikel 51 van hetzelfde decreet worden volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 3 wordt vervangen door wat volgt : « § 3.Een schoolbestuur kan handelsactiviteiten verrichten, voor zover deze geen daden van koophandel zijn en voor zover ze verenigbaar zijn met zijn onderwijsopdracht. »; 2° er wordt een § 4 toegevoegd, die luidt als volgt : « § 4.Een schoolbestuur dat mededelingen toelaat die rechtstreeks of onrechtstreeks ten doel hebben de verkoop van producten of diensten te bevorderen, waakt erover dat : 1° door het schoolbestuur verstrekte leermiddelen of verplichte activiteiten vrij blijven van bedoelde mededelingen;2° facultatieve activiteiten vrij blijven van bedoelde mededelingen, behoudens indien deze mededelingen louter attenderen op het feit dat de activiteit of een gedeelte van de activiteit ingericht werd door middel van een gift, een schenking of een prestatie om niet of verricht onder reële prijs door een bij name genoemde natuurlijke persoon, rechtspersoon of feitelijke vereniging;3° bedoelde mededelingen kennelijk niet onverenigbaar zijn met de pedagogische en onderwijskundige taken en doelstellingen van de school;4° bedoelde mededelingen de objectiviteit, de geloofwaardigheid, de betrouwbaarheid en de onafhankelijkheid van de school niet in het gedrang brengen.» Artikel V.4 In artikel 52 van hetzelfde decreet worden de woorden « Commissie laakbare praktijken, bedoeld in artikel 27 » vervangen door de woorden « Commissie zorgvuldig bestuur, bedoeld in artikel V.21 van het decreet van 13 juli 2001 betreffende het onderwijs-XIII-Mozaïek ».

Artikel V.5 In artikel 92 van hetzelfde decreet wordt § 5 opgeheven.

Artikel V.6 In artikel 177 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1 wordt het woord « sancties » vervangen door de woorden « sancties door de Vlaamse regering »;2° in § 1 worden 2° en 7° opgeheven;3° in § 2 wordt het eerste lid opgeheven. Artikel V.7 Aan artikel 178 van hetzelfde decreet wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt : « De in het eerste lid bedoelde terugvordering of inhouding kan er niet toe leiden dat het aandeel in de werkingsmiddelen dat bestemd is voor personeelsaangelegenheden in absolute cijfers kleiner wordt dan wanneer de maatregel niet zou getroffen zijn. » Artikel V.8 In hetzelfde decreet wordt een artikel 180bis ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 180bis.Vragen in verband met de toepassing van en klachten in verband met inbreuken op : 1° de beginselen inzake kosteloosheid in het basisonderwijs, vermeld in artikel 27, § 1, en van de bijdrageregeling, bedoeld in artikel 27, § 3; 2° de beginselen bedoeld in artikel 51 kunnen door iedere belanghebbende ingediend worden bij de Commissie zorgvuldig bestuur, bedoeld in artikel V.21 van het decreet van 13 juli 2001 betreffende het onderwijs-XIII-Mozaiek. » Onderafdeling 2. - Voltijds secundair en deeltijds beroepssecundair onderwijs Artikel V.9 Een inrichtende macht mag informatie verstrekken over het eigen opvoedingsproject en het onderwijsaanbod, maar zij mag geen oneerlijke concurrentie voeren.

Artikel V.10 Er mag geen politieke propaganda worden gevoerd in een onderwijsinstelling.

Artikel V.11 Een inrichtende macht kan handelsactiviteiten verrichten, voor zover deze geen daden van koophandel zijn en voorzover ze verenigbaar zijn met haar onderwijsopdracht.

Artikel V.12 Een inrichtende macht die sponsoring of mededelingen die rechtstreeks of onrechtstreeks ten doel hebben de verkoop van producten of diensten te bevorderen, toelaat, waakt erover dat : 1° door de inrichtende macht verstrekte leermiddelen vrij blijven van bedoelde mededelingen;2° activiteiten vrij blijven van bedoelde mededelingen, behoudens indien deze mededelingen louter attenderen op het feit dat de activiteit of een gedeelte van de activiteit ingericht werd door middel van een gift, een schenking of een prestatie om niet of verricht onder reële prijs door een bij name genoemde natuurlijke persoon, rechtspersoon of feitelijke vereniging;3° sponsoring en bedoelde mededelingen kennelijk niet onverenigbaar zijn met de pedagogische en onderwijskundige taken en doelstellingen van de school;4° sponsoring en bedoelde mededelingen de objectiviteit, de geloofwaardigheid, de betrouwbaarheid en onafhankelijkheid van de school niet in het gedrang brengen. Artikel V.13 In het door de Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd voltijds secundair onderwijs en deeltijds beroepssecundair onderwijs kan geen direct of indirect inschrijvingsgeld worden gevraagd.

Na overleg binnen de participatieraad of de schoolraad bepalen de inrichtende machten de lijst van bijdragen die aan de ouders of aan de meerderjarige leerlingen kunnen worden gevraagd, evenals de afwijkingen die op deze bijdrageregeling worden toegekend. Deze regeling wordt schriftelijk aan de ouders of aan de meerderjarige leerlingen meegedeeld.

Onderafdeling 3. - Centra voor leerlingenbegeleiding Artikel V.14 In het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding wordt een artikel 14bis ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 14bis.§ 1. Een centrum mag informatie verstrekken over het eigen begeleidingsaanbod, maar het mag geen oneerlijke concurrentie voeren. § 2. Er mag geen politieke propaganda gevoerd worden in een centrum voor leerlingenbegeleiding. § 3. Een centrum kan handelsactiviteiten verrichten, voorzover deze geen daden van koophandel zijn en voorzover ze verenigbaar zijn met zijn opdracht. § 4. Een centrum dat sponsoring of mededelingen die rechtstreeks of onrechtstreeks ten doel hebben de verkoop van producten of diensten te bevorderen, toelaat, waakt erover dat : 1° door het centrum verstrekte materialen vrij blijven van bedoelde mededelingen;2° diensten vrij blijven van bedoelde mededelingen, behoudens indien deze mededelingen louter attenderen op het feit dat de dienst of een gedeelte van de dienst ingericht werd door middel van een gift, een schenking of een prestatie om niet of verricht onder reële prijs door een bij name genoemde natuurlijke persoon, rechtspersoon of feitelijke vereniging;3° sponsoring en bedoelde mededelingen kennelijk niet onverenigbaar zijn met de opdracht en doelstellingen van het centrum;4° sponsoring en bedoelde mededelingen de objectiviteit, de geloofwaardigheid, de betrouwbaarheid en de onafhankelijkheid van het centrum niet in het gedrang brengen.» Artikel V.15 In hetzelfde decreet wordt een artikel 14ter ingevoegd dat luidt als volgt : «

Artikel 14ter.Vragen in verband met de toepassing van de beginselen vermeld in artikel 6, 6° en 14bis en klachten in verband met inbreuken op deze beginselen kunnen door iedere belanghebbende ingediend worden bij de Commissie zorgvuldig bestuur, bedoeld in artikel V.21 van het decreet van 13 juli 2001 betreffende het onderwijs-XIII-Mozaïek. » Onderafdeling 4. - Deeltijds kunstonderwijs Artikel V.16 Aan de titel V van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II wordt een hoofdstuk IVbis, bestaande uit artikel 95bis tot en met 95sexies, toegevoegd, dat luidt als volgt : « HOOFDSTUK IVbis. - Zorgvuldig bestuur

Artikel 95bis.Een inrichtende macht mag informatie verstrekken over het eigen opvoedingsproject en het onderwijsaanbod, maar mag geen oneerlijke concurrentie voeren.

Artikel 95ter.Er mag geen politieke propaganda gevoerd worden in een instelling voor deeltijds kunstonderwijs.

Artikel 95quater.Een inrichtende macht kan handelsactiviteiten verrichten, voor zover deze geen daden van koophandel zijn en voor zover ze verenigbaar zijn met haar onderwijsopdracht.

Artikel 95quinquies.Een inrichtende macht die sponsoring of mededelingen die rechtstreeks of onrechtstreeks ten doel hebben de verkoop van producten of diensten te bevorderen, toelaat, waakt erover dat : 1° door de inrichtende macht verstrekte leermiddelen vrij blijven van bedoelde mededelingen;2° activiteiten vrij blijven van bedoelde mededelingen, behoudens indien deze mededelingen louter attenderen op het feit dat de activiteit of een gedeelte van de activiteit ingericht werd door middel van een gift, een schenking of een prestatie om niet of verricht onder reële prijs door een bij name genoemde natuurlijke persoon, rechtspersoon of feitelijke vereniging;3° sponsoring en bedoelde mededelingen kennelijk niet onverenigbaar zijn met de pedagogische en onderwijskundige taken en doelstellingen van de instelling;4° sponsoring en bedoelde mededelingen de objectiviteit, de geloofwaardigheid, de betrouwbaarheid en de onafhankelijkheid van de instelling niet in het gedrang brengen.

Artikel 95sexies.Vragen in verband met de toepassing van de beginselen van dit hoofdstuk en klachten in verband met inbreuken op deze beginselen kunnen door iedere belanghebbende ingediend worden bij de Commissie zorgvuldig bestuur, bedoeld in artikel V.21 van het decreet van 13 juli 2001 betreffende het onderwijs-XIII-Mozaïek. » Onderafdeling 5. - Volwassenenonderwijs Artikel V.17 In het decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs wordt in titel I, het opschrift van het hoofdstuk X vervangen door wat volgt : « Zorgvuldig bestuur, terugvorderingen en sancties ».

Artikel V.18 In hetzelfde decreet wordt vóór afdeling 1 van het hoofdstuk X, die afdeling 1bis wordt, een afdeling 1, bestaande uit artikel 61bis tot en met 61quinquies, ingevoegd, die luidt als volgt : « Afdeling 1. - Zorgvuldig bestuur

Artikel 61bis.Een centrum mag informatie verstrekken over het eigen opvoedingsproject en het onderwijsaanbod, maar mag geen oneerlijke concurrentie voeren.

Artikel 61ter.Er mag geen politieke propaganda gevoerd worden in een centrum.

Artikel 61quater.Een centrum kan handelsactiviteiten verrichten, voorzover deze geen daden van koophandel zijn en voorzover ze verenigbaar zijn met zijn opdracht.

Artikel 61quinquies.Een centrum dat sponsoring of mededelingen die rechtstreeks of onrechtstreeks ten doel hebben de verkoop van producten of diensten te bevorderen, toelaat, waakt erover dat : 1° door het centrum verstrekte leermiddelen vrij blijven van bedoelde mededelingen;2° activiteiten vrij blijven van bedoelde mededelingen, behoudens indien deze mededelingen louter attenderen op het feit dat de activiteit of een gedeelte van de activiteit ingericht werd door middel van een gift, een schenking of een prestatie om niet of verricht onder reële prijs door een bij name genoemde natuurlijke persoon, rechtspersoon of feitelijke vereniging;3° sponsoring en bedoelde mededelingen kennelijk niet onverenigbaar zijn met de pedagogische en onderwijskundige taken en doelstellingen van het centrum;4° sponsoring en bedoelde mededelingen de objectiviteit, de geloofwaardigheid, de betrouwbaarheid en de onafhankelijkheid van het centrum niet in het gedrang brengen.» Artikel V.19 In artikel 66, § 1, van hetzelfde decreet wordt 4° opgeheven.

Artikel V.20 In hetzelfde decreet wordt een artikel 67bis ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 67bis.Vragen in verband met de toepassing van de beginselen van Afdeling 1. en klachten in verband met inbreuken op deze beginselen kunnen door iedere belanghebbende ingediend worden bij de Commissie zorgvuldig bestuur, bedoeld in artikel V.21 van het decreet van 13 juli 2001 betreffende het onderwijs-XIII-Mozaïek. » Afdeling 2. - De Commissie zorgvuldig bestuur

Onderafdeling 1. - Oprichting en samenstelling Artikel V.21 Bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap wordt een onafhankelijke commissie ingesteld, « Commissie zorgvuldig bestuur » genaamd, verder genoemd « de Commissie ».

Artikel V.22 De Commissie bestaat uit een kamer voor het basisonderwijs en een kamer voor het secundair onderwijs, de centra voor leerlingenbegeleiding, het deeltijds kunstonderwijs en het volwassenenonderwijs, voorgezeten door één magistraat of ere-magistraat en bijgestaan door één ambtenaar van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, die fungeert als secretaris.

Iedere kamer omvat : 1° een lid dat voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 205 van het Gerechtelijk Wetboek;2° een deskundige op het gebied van de consumentenbescherming;3° twee leden, vertrouwd met het onderwijsveld. De Vlaamse regering stelt de leden en hun plaatsvervangers aan en bepaalt de wijze waarop zij vergoed worden.

Artikel V.23 De leden van de Commissie genieten de burgerlijke en politieke rechten en bieden alle waarborgen met het oog op de onafhankelijke uitoefening van hun opdracht.

Artikel V.24 De Commissie stelt binnen een maand na haar instelling haar reglement van orde op. Het wordt bekrachtigd door de Vlaamse regering.

Onderafdeling 2. - Bevoegdheid Artikel V.25 De Commissie beslist over de gegrondheid van klachten van belanghebbenden inzake : 1° de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen inzake de kosteloosheid van het onderwijs, de beginselen vermeld in artikel 27, § 1, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikel V.13, eerste lid, en artikel 6, 6°, van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding en de bijdrageregeling bedoeld in artikel 27, § 3, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en artikel V.13, tweede lid; 2° de bepalingen van artikel 51 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, van artikel V.9, V.10, V.11 en V.12, van artikel 14bis van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingentegeleiding, van artikel 95bis tot en met 95sexies van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II en van artikel 61bis tot en met 61quinquies van het decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs.

Wanneer zij oordeelt dat een klacht gegrond is, kan zij beslissen om : 1° een gedeeltelijke terugbetaling van de werkingsmiddelen van de betrokken school, de betrokken instelling, het betrokken centrum voor leerlingenbegeleiding of de betrokken instelling voor deeltijds kunstonderwijs op te leggen.De terugvordering of inhouding kan echter niet meer bedragen dan 10 procent van deze werkingsmiddelen en kan er niet toe leiden dat het aandeel in de werkingsmiddelen dat bestemd is voor personeelsaangelegenheden in absolute cijfers kleiner wordt dan wanneer de maatregel niet zou getroffen zijn; 2° aan het betrokken centrum voor volwassenenonderwijs een financiële sanctie op te leggen overeenkomstig de bepalingen van artikel 66, § 2, van het decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs. Deze sanctie wordt slechts uitvoerbaar de dag nadat de termijn om beroep in te stellen bij de Vlaamse regering verstreken is.

Voorafgaandelijk aan het opleggen van een sanctie nodigt de Commissie het betrokken schoolbestuur, de betrokken inrichtende macht of het betrokken bestuur uit om de bestreden rechtshandeling in te trekken of te herzien of in een passende genoegdoening te voorzien.

Artikel V.26 De Commissie kan vragen van belanghebbenden behandelen over de aangelegenheden bedoeld in artikel V.25, eerste lid.

Artikel V.27 De beslissingen van de Commissie zijn met redenen omkleed. De Vlaamse regering bepaalt de wijze waarop zij openbaar worden gemaakt.

Onderafdeling 3. - Klachtenprocedure Artikel V.28 De klachten bedoeld in artikel V.25 worden bij aangetekend schrijven bij de Commissie ingediend.

Klachten die na verloop van een termijn van zestig kalenderdagen na de vaststelling of de kennisname van de betwiste feiten ingediend worden, zijn onontvankelijk.

Artikel V.29 Zodra een klacht wordt ingediend, stelt de Commissie de betrokkenen daarvan schriftelijk in kennis.

Artikel V.30 De Commissie hoort de betrokkenen. De Commissie kan ambtshalve of op verzoek van de betrokkenen getuigen horen.

Artikel V.31 De zittingen van de Commissie zijn openbaar, tenzij de openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde of goede zeden.

Artikel V.32 De Commissie beslist binnen een termijn van zestig kalenderdagen, die ingaat op de dag na die van de berekening van de klacht.

De beslissing wordt uiterlijk de laatste dag van die termijn bij aangetekend schrijven verstuurd naar de betrokkenen. De Vlaamse regering wordt onverwijld in kennis gesteld van de beslissing.

Artikel V.33 De betrokkenen kunnen tegen een beslissing van de Commissie beroep instellen bij de Vlaamse regering. Het beroep moet bij aangetekend schrijven worden ingediend binnen een termijn van zestig kalenderdagen, die ingaat op de dag na die van de berekening van de beslissing.

Het beroep schorst van rechtswege de uitvoerbaarheid van de genomen beslissing.

Artikel V.34 De Vlaamse regering doet in laatste aanleg uitspraak over het beroep dat door een betrokkene werd ingesteld tegen een beslissing van de Commissie.

De Vlaamse regering kan de beslissing van de Commissie wegens schending van de wet of het decreet of strijdigheid met het algemeen belang bevestigen, wijzigen of vernietigen, in welk geval zij een nieuwe beslissing kan nemen.

De Vlaamse regering spreekt zich uit over een beroep binnen een termijn van zestig kalenderdagen, die ingaat op de dag na die van de berekening van het beroep.

De beslissing van de Vlaamse regering wordt uiterlijk de laatste dag van de in het vorige lid bedoelde termijn bij aangetekend schrijven verstuurd naar de betrokkenen.

Artikel V.35 De Vlaamse regering bepaalt de nadere regelen inzake de ontvankelijkheid en procedure. Zij garandeert daarbij de hoorplicht.

Onderafdeling 4. - Slotbepaling Artikel V.36 De Commissie treedt in de plaats van de Commissie laakbare praktijken bedoeld in artikel 42 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, zoals dit van kracht was op 31 augustus 2001.

Zolang geen uitvoering wordt gegeven aan artikel V.22, derde lid : - worden de in artikel V.25 bedoelde klachten ingediend bij de Commissie laakbare praktijken, die een dossier voorbereidt. De indiening bij de Commissie laakbare praktijken schorst de in artikel V.28 bedoelde termijn tot aan de uitvoering van artikel V.22, derde lid; - behandelt de Commissie laakbare praktijken de in artikel V.26 bedoelde vragen. Afdeling 3. - Opheffings- en inwerkingtredingsbepalingen

Artikel V.37 Artikel 12, § 1, 12ter, 41, 42, 43 en 44 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving worden opgeheven.

Artikel V.38 De volgende besluiten worden opgeheven : 1° het koninklijk besluit van 12 februari 1976 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder de door een onderwijsinrichting geproduceerde voorwerpen of verleende diensten kunnen vervreemd of verhuurd worden, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 9 januari 1991;2° het ministerieel besluit van 14 april 1978 in uitvoering van het koninklijk besluit van 12 februari 1976, houdende maatregelen tot vaststelling van de voorwaarden waaronder onderwijsinrichtingen geproduceerde voorwerpen of verleende diensten kunnen vervreemden of verhuren;3° het koninklijk besluit van 14 september 1987 houdende de samenstelling en de werkings- en procedureregels van de commissies voorzien bij artikel 42 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving;4° het besluit van de Vlaamse regering van 17 juni 1997 betreffende laakbare praktijken en de samenstelling, de bevoegdheid en de werking van de Commissie Laakbare Praktijken voor het basisonderwijs. Artikel V.39 De bepalingen van dit hoofdstuk treden in werking op 1 september 2001, behalve artikel V.1, 3°, en V.13, tweede lid, die in werking treden op 1 september 2002. HOOFDSTUK VI. - Permanente vorming Afdeling 1. - Algemene bepaling

Artikel VI.1 In artikel 7 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, vervangen bij het decreet van 28 april 1993, worden tussen de woorden « deeltijds secundair onderwijs » en « in de door de Gemeenschap » de woorden « en voor het onderwijs voor sociale promotie en het deeltijds kunstonderwijs » ingevoegd. Afdeling 2. - Deeltijds kunstonderwijs

Artikel VI.2 Aan het artikel 95 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II wordt een § 3 toegevoegd, die luidt als volgt : « § 3. De Koninklijke Beiaardschool te Mechelen wordt als instelling van het deeltijds kunstonderwijs erkend en gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap. De Vlaamse regering kan specifieke normen en structuren voor deze instelling vastleggen, die bij decreet worden bekrachtigd. » Artikel VI.3 Artikel 97 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt : «

Artikel 97.In de lagere en middelbare graad van de instellingen voor deeltijds kunstonderwijs die gevestigd zijn in het arrondissement Brussel-Hoofdstad wordt het aantal uren-leraar, vastgesteld overeenkomstig artikel 96, verhoogd met 30 % indien de schoolbesturen deel uitmaken van een netoverschrijdend Samenwerkingsforum.

Het Samenwerkingsforum : 1° draagt bij tot de ordening van een rationeel onderwijsaanbod;2° streeft naar een samenwerking met Nederlandstalige instellingen voor basisonderwijs of secundair onderwijs;3° ontwikkelt socio-culturele initiatieven en streeft daarbij naar een samenwerking met socio-culturele organisaties en instellingen in de gemeenten van het Vlaamse Gewest, genoemd in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966. Het Samenwerkingsforum stelt bij gewone meerderheid van de totaal uitgebrachte stemmen een huishoudelijk reglement op en legt dit ter bekrachtiging voor aan de Vlaamse regering.

Het Samenwerkingsforum legt jaarlijks, vóór 1 mei, een werkingsverslag voor aan de Vlaamse regering, die bijsturingen kan voorstellen.

De Vlaamse regering evalueert de resultaten van het overleg na afloop van het derde werkingsjaar en legt de evaluatie voor aan het Vlaams Parlement. » Artikel VI.4 In hetzelfde decreet wordt een Hoofdstuk Vbis, bestaande uit artikel 100bis tot en met artikel 100sexies, ingevoegd, dat luidt als volgt : « HOOFDSTUK Vbis. - Inschrijvingsgeld

Artikel 100bis.In het deeltijds kunstonderwijs betaalt een leerling voor elke studierichting waarvoor hij zich inschrijft inschrijvingsgeld. Dat inschrijvingsgeld wordt betaald vóór 1 oktober van het betrokken schooljaar.

Artikel 100ter.Voor de schooljaren 2000-2001 en 2001-2002 bedraagt het inschrijvingsgeld : 1° 6 200 frank;2° 3 600 frank als de leerling overeenkomstig recht heeft op het verminderde inschrijvingsgeld bedoeld in artikel 100quater;3° 1 900 frank als de leerling de leeftijd van 18 jaar niet bereikt heeft op 31 december van het schooljaar in kwestie;4° 1 200 frank als de leerling de leeftijd van 18 jaar niet bereikt heeft op 31 december van het betrokken schooljaar en recht heeft op het verminderde inschrijvingsgeld bedoeld in artikel 100quater. Vanaf het schooljaar 2002-2003 wordt het inschrijvingsgeld jaarlijks aan de evolutie van de index der consumptieprijzen aangepast.

Artikel 100quater.Om voor het verminderde inschrijvingsgeld in aanmerking te komen, moet de leerling : 1° een attest overleggen, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit blijkt dat hij uitkeringsgerechtigd volledig werkloos is, of dat hij ten laste is van een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze;2° een attest overleggen, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit blijkt dat hij : a) verplicht ingeschreven is als werkzoekende op grond van de reglementering in verband met de arbeidsvoorziening en de werkloosheid;b) het bestaansminimum ontvangt;c) persoon ten laste is van een persoon, bedoeld in a) of in b);3° een attest overleggen, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit blijkt dat hij : a) gehandicapt is met een arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 %;b) recht heeft op een tegemoetkoming als gehandicapte;c) persoon ten laste is van een persoon, bedoeld in a) of in b);4° het bewijs overleggen dat hij in een gezinsvervangend tehuis of in een medisch-pedagogische instelling verblijft;5° het bewijs overleggen dat hij het statuut van erkend politiek vluchteling heeft of ten laste is van een dergelijke persoon;6° een attest overleggen van het kinderbijslagfonds, indien hij ouder is dan 18 jaar. Een leerling die de leeftijd van 18 jaar niet bereikt heeft op 31 december van het schooljaar in kwestie, betaalt het verminderde inschrijvingsgeld : 1° indien een ander lid van het gezin waartoe hij behoort het inschrijvingsgeld reeds heeft betaald in dezelfde of in een andere instelling voor deeltijds kunstonderwijs;2° voor iedere extra inschrijving in een andere studierichting in dezelfde of in een andere instelling voor deeltijds kunstonderwijs.

Artikel 100quinquies.§ 1. Van de inschrijvingsgelden van het deeltijds kunstonderwijs, zoals bepaald in artikel foeter wordt een deel toegewezen aan het fonds « Inschrijvingsgelden Deeltijds Kunstonderwijs », dat een begrotingsfonds is in de zin van artikel 45 van de wetten op de rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 17 juli 1991, verder genoemd « het Fonds ».

Van het inschrijvingsgeld bedoeld in artikel 100ter, 2° en 3°, wordt voor de schooljaren 2000-2001 en 2001-2002 200 frank aan het Fonds toegewezen.

Van het inschrijvingsgeld bedoeld in artikel 100ter, 1°, wordt voor de schooljaren 2000-2001 en 2001-2002 1 100 frank aan het Fonds toegewezen. § 2. De middelen van het Fonds moeten worden aangewend voor uitgaven met betrekking tot de betaling van salarissen en salarissubsidies in het deeltijds kunstonderwijs. § 3. De boekhoudkundige verwerking van de verrichtingen gebeurt voor elk onderwijswet afzonderlijk. § 4. De rekenplichtige die de ontvangsten gedaan heeft, beschikt rechtstreeks over de kredieten van het Fonds.

Artikel 100sexies.De Vlaamse regering stelt de modaliteiten van de inning van het inschrijvingsgeld vast. » Artikel VI.5 De volgende bepalingen worden opgeheven : 1° de titel « Afdeling 1.- Deeltijds Kunstonderwijs » en het artikel 17 van het decreet van 8 juli 1997 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 1997; 2° de titel « Afdeling 4.- Fonds Inschrijvingsgelden. - Deeltijds Kunstonderwijs » en artikel 21 van het decreet van 22 december 1999 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2000; 3° het besluit van de Vlaamse regering van 7 juli 1993 tot vaststelling van het inschrijvingsgeld in het deeltijds kunstonderwijs, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 1999. Afdeling 3. - Basiseducatie

Artikel VI.6 In artikel 4 van het decreet van 12 juli 1990 houdende de regeling van Basiseducatie voor laaggeschoolde volwassenen wordt 1. vervangen door wat volgt : « 1. Centra voor Basiseducatie zijn verenigingen zonder winstoogmerk die uitsluitend als doelstelling hebben : - het organiseren van basiseducatie; - het detectoren van de onderwijsbehoeften van gedetineerden; - het begeleiden van het onderwijstraject van gedetineerden. » Artikel VI.7 Aan artikel 14 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 21 december 1994, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt : « De toelagen die de Centra voor Basiseducatie krachtens dit decreet verwerven, evenals de andere inkomsten, worden opgenomen in de boekhouding van het centrum. » Afdeling 4. - Volwassenenonderwijs

Onderafdeling 1. - Onderwijs voor sociale promotie Artikel VI.8 § 1. Tot 31 augustus 2002 wordt voor het onderwijzend personeel van de afdelingen Stedenbouw en Ruimtelijke Planning en Monumenten en Landschapszorg van het Centrum voor Volwassenenonderwijs, Frans Craeybeckxlaan 22, 2100 Deurne, de salarisschaal vastgesteld als volgt : 1° de personeelsleden, tewerkgesteld in het ambt van leraar technische vakken, hebben recht op de salarisschaal 502, voor zover zij, behoudens bij een in § 6 bedoelde afwijking, houder zijn van het diploma van geaggregeerde voor het hoger secundair onderwijs, aangevuld met twee jaar nuttige ervaring, of houder zijn van het diploma van doctor, licentiaat of apotheker, van architect of industrieel ingenieur, van burgerlijk ingenieur, burgerlijk ingenieur-architect of bioingenieur aangevuld met twee jaar nuttige ervaring en met een getuigschrift voor pedagogische bekwaamheid. Voor vakken waarvoor geen opleiding verstrekt wordt in een universiteit of gelijkgestelde inrichting, komen in aanmerking : - een bekwaamheidsbewijs van het hoger niveau van de tweede graad, aangevuld met vier jaar nuttige ervaring en met een getuigschrift voor pedagogische bekwaamheid, dat recht geeft op de salarisschaal 318; - het diploma van het hoger niveau van de eerste graad, aangevuld met zes jaar nuttige ervaring en met een getuigschrift voor pedagogische bekwaamheid, dat recht geeft op de salarisschaal 316; 2° de personeelsleden, tewerkgesteld in het ambt van leraar beroepspraktijk, hebben recht op de salarisschaal 311, voor zover zij, behoudens bij een § 6 bedoelde afwijking, houder zijn van het diploma van geaggregeerde voor het lager onderwijs, aangevuld met drie jaar nuttige ervaring, of houder zijn van het diploma van het hoger niveau van de eerste graad aangevuld met drie jaar nuttige ervaring en met een getuigschrift van pedagogische bekwaamheid;3° de personeelsleden die hun prestaties in de betrokken afdeling uitoefenen als niet-uitsluitend ambt in de zin van artikel 5 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het ministerie van Openbaar Onderwijs, hebben recht op de salarisschaal 396. Met ingang van 1 september 2002 worden deze personeelsleden bezoldigd conform de regelgeving van toepassing op het hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie. § 2. Tot 31 augustus 2001 voor het onderwijzend personeel van de afdeling Bouwkunde voor voornoemd centrum voor volwassenenonderwijs, respectievelijk tot 31 augustus 2002 voor de in § 1, eerste lid, genoemde personeelsleden wordt : 1° de deler voor een hoofdambt gelijkgesteld aan 12;2° de deler voor een niet-uitsluitend ambt in de zin van artikel 5 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het ministerie van Openbaar Onderwijs gelijkgesteld aan 9. Met ingang van 1 september 2001, voor hes onderwijzend personeel van de afdeling Bouwkunde van voornoemd centrum voor volwassenenonderwijs, respectievelijk met ingang van 1 september 2002, voor de in § 1, eerste lid, genoemde personeelsleden, worden deze delers vastgesteld conform de regelgeving van toepassing op Het hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie, voor zover de betrokken personeelsleden geen aanspraak kunnen maken op de overgangsmaatregelen bedoeld in § 4. § 3. Tot 31 augustus 1999 wordt voor het onderwijzend personeel van de in § 2, eerste lid, genoemde afdelingen de deler voor een bijbetrekking gelijkgesteld aan 15.

Met ingang van 1 september 1999 wordt deze deler vastgesteld conform de regelgeving van toepassing op het hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie. § 4. Overgangsmaatregelen worden toegekend aan de in § 1, eerste lid, genoemde personeelsleden, voor zover zij op 31 augustus 2000 : 1° vastbenoemd zijn binnen de betrokken afdeling;2° minstens 720 dagen als tijdelijke gepresteerd hebben binnen de betrokken afdeling en recht hebben op een bezoldiging in hoofdambt of in een niet-uitsluitend ambt. De overgangsmaatregelen gelden voor het ambt van leraar technische vakken en voor het ambt van leraar beroepspraktijk en betreffen : 1° het prestatiestelsel genoemd in § 2, eerste lid;2° het behoud, ten persoonlijken titel, van de bezoldiging in een niet-uitsluitend ambt in de zin van voormeld artikel 5 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het ministerie van Openbaar Onderwijs. De overgangsmaatregelen worden toegekend op 1 september 2002. De personeelsleden behouden deze maatregelen zolang ze ononderbroken in dienst blijven in de betrokken afdeling. Voor de toepassing van deze bepaling worden niet als een onderbreking beschouwd : de vakantieperioden, de loopbaanonderbreking, de militaire dienst, de perioden van wederoproeping, de ziekte- en bevallingsverloven, de borstvoedingsverloven, de verloven van korte duur met behoud van wedde(ntoelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard, alsook de verloven zonder behoud van wedde(ntoelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar, alsmede een onderbreking van een doorlopende periode van maximum twee kalenderjaren. § 5. Onverminderd de krachtens artikel 146 van de Grondwet door de wet georganiseerde rechtsbescherming zijn de wedden en de weddentoelagen die op basis van diensten gepresteerd tot en met 31 augustus 2001 werden uitgekeerd aan de in § 2, eerste lid, genoemde personeelsleden definitief verworven. § 6. Onverminderd de krachtens artikel 146 van de Grondwet door de wet georganiseerde rechtsbescherming zijn de afwijkingen op de vereiste bekwaamheidsbewijzen die vóór 31 augustus 2001, uitdrukkelijk of in feite werden toegestaan aan de in § 1, eerste lid, genoemde personeelsleden definitief verworven.

De in § 1, eerste lid, genoemde personeelsleden aan wie een afwijking bedoeld in het eerste lid werd toegestaan, komen in aanmerking voor een vaste benoeming in de zin van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van de personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs, voor zover zij minstens drie jaar tijdelijk zijn aangesteld binnen de betrokken afdeling en aan alle andere gestelde voorwaarden voldoen.

Vanaf 1 september 2001 kan aan de in § 1, eerste lid, genoemde personeelsleden een afwijking op de vereiste bekwaamheidsbewijzen worden toegekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 17, § 4, van de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs en de in uitvoering daarvan genomen besluiten.

Artikel VI.9 In artikel 10 van de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs, vervangen bij de wet van 18 februari 1977 en gewijzigd bij de decreten van 5 juli 1989 en 12 juni 1991, wordt § 7 opgeheven.

Artikel VI.10 In artikel 17 van dezelfde wet, toegevoegd bij de wet van 6 juli 1972 en gewijzigd bij de wetten van 18 februari 1977 en 3 juli 1981 en de decreten van 5 juli 1989 en 19 april 1995, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 4 wordt het tweede lid vervangen door wat volgt : « Bij gebrek aan kandidaten in het bezit van de vereiste bekwaamheidsbewijzen, kan de Vlaamse regering of de daartoe gemachtigde ambtenaar van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap in individuele gevallen een afwijking toestaan.Deze afwijking gaat op zijn vroegst in op 1 september 1970. Vanaf 1 september 2001 wordt de afwijking geacht gegeven te zijn wanneer binnen een termijn van één maand na de aanvraag van geen beslissing kennis wordt gegeven. Het betrokken bestuur oordeelt over het gebrek aan kandidaten in het bezit van de vereiste bekwaamheidsbewijzen. De Vlaamse regering bepaalt de nadere uitvoeringsmodaliteiten van deze bepaling. »; 2° in § 4 wordt het vierde lid vervangen door wat volgt : « De personeelsleden a) aan wie vóór 1 september 2001 een afwijking op de vereiste bekwaamheidsbewijzen onbeperkt in de tijd werd toegestaan, of b) die op 30 juni 2001 minstens drie jaar tijdelijk zijn aangesteld op basis van een afwijking op de vereiste bekwaamheidsbewijzen beperkt in de tijd of zonder aan de vereiste bekwaamheidsbewijzen te voldoen, komen in aanmerking voor een vaste benoeming in de zin van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs, respectievelijk van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, voorzover zij op de datum van benoeming aan de andere dan de voorwaarden inzake bekwaamheidsbewijzen voldoen.»; 3° in § 4 wordt een vijfde lid ingevoegd, dat luidt als volgt : « De personeelsleden aan wie vanaf 1 september 2001 overeenkomstig dit artikel een afwijking op de vereiste bekwaamheidsbewijzen, beperkt of onbeperkt in de tijd, wordt toegestaan, komen in aanmerking voor een vaste benoeming in de zin van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs, respectievelijk van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, voor zover zij - minstens drie jaar tijdelijk zijn aangesteld; - op de datum van de vaste benoeming aan de andere dan de voorwaarden inzake bekwaamheidsbewijzen voldoen. »; 4° er wordt een § 8 ingevoegd, die luidt als volgt : « § 8.De leden van het bestuurspersoneel in dienst op 30 juni 2000 en houder van een diploma van het hoger onderwijs van het korte type, worden geacht in het bezit te zijn van de bekwaamheidsbewijzen en de nuttige ervaring vereist voor het ambt waarin zij vast benoemd werden. » Artikel VI.11 In artikel 3 van het decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° 9° wordt vervangen door wat volgt : « 9° certificaat : een door de Vlaamse Gemeenschap erkend bewijs waarmee wordt vastgesteld dat iemand met goed gevolg een opleiding heeft doorlopen;»; 2° 19° wordt vervangen door wat volgt : « 19° getuigschrift : document door het bestuur van een erkend centrum uitgereikt aan regelmatige cursisten waarmee wordt vastgesteld dat betrokkenen met goed gevolg een programma dat overeenstemt met een volledige opleiding van de tweede graad van het voltijds secundair onderwijs of een opleiding van de categorie pedagogisch hoger onderwijs hebben doorlopen;»; 3° 47° wordt vervangen door wat volgt : « 47° studiegetuigschrift : een studiebewijs waarmee wordt vastgesteld dat iemand met goed gevolg het volledige programma van het beroepssecundair onderwijs van de eerste twee leerjaren van de derde graad heeft doorlopen;».

Artikel VI.12 Artikel 27 van hetzelfde decreet, wordt opgeheven.

Artikel VI.13 Artikel 28 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt : «

Artikel 28.Om als regelmatige cursist toegelaten te worden moet de cursist voldaan hebben aan de voltijdse leerplicht en ingeschreven zijn, alvorens 1/3 van de module of van het leerjaar voorbij is. Onder de duur van een module of van een leerjaar is te verstaan de tijdspanne, uitgedrukt in kalenderdagen, tussen de begindatum en einddatum van de lessen ervan.

In afwijking hiervan worden de cursisten van de afdeling Hebreeuws en van het studiegebied Nederlands tweede taal die niet voldaan hebben aan de voltijdse leerplicht als regelmatig cursist toegelaten. » Artikel VI.14 In artikel 29 van hetzelfde decreet wordt het vierde streepje opgeheven.

Artikel VI.15 Artikel 34 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt : «

Artikel 34.Om als regelmatig cursist toegelaten te worden in het hoger onderwijs moet de cursist ingeschreven zijn alvorens 1/3 van de duur van de module of van het leerjaar voorbij is. Onder de duur van een module of een leerjaar is te verstaan de tijdspanne, uitgedrukt in kalenderdagen, tussen de begindatum en einddatum van de lessen ervan.

De cursist moet bovendien houder zijn van een van de hierna volgende studiebewijzen : 1° diploma van secundair onderwijs;2° een brevet van het aanvullend secundair beroepsonderwijs of van een diploma van het voltijds hoger onderwijs;3° een getuigschrift of diploma van hoger secundaire technische leergangen of een certificaat bedoeld in dit decreet;4° een diploma of getuigschrift dat krachtens een wet, decreet, Europese richtlijn of een internationale overeenkomst als gelijkwaardig wordt erkend.» Artikel VI.16 In artikel 41 van hetzelfde decreet wordt § 4 vervangen door wat volgt : « § 4. Een studieattest bekrachtigt een opleiding of afdeling in het studiegebied algemene vorming, uitgezonderd de opleiding algemeen secundair onderwijs. » Artikel VI.17 In artikel 46 van hetzelfde decreet, waarvan de bestaande tekst § 1 wordt, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° 2° wordt vervangen door wat volgt : « 2° het inschrijvingsgeld betaald hebben of op rechtmatige wijze hiervan vrijgesteld zijn;»; 2° er wordt een § 2 toegevoegd die luidt als volgt : « § 2.De cursisten van het contractonderwijs zoals bedoeld in artikel 3, 10°, komen niet in aanmerking voor financiering of subsidiering. » Artikel VI.18 In artikel 48 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 2 wordt vervangen door wat volgt : « § 2.Als in een studiegebied of categorie een opleiding, optie of afdeling wordt overgeschakeld naar modulair onderwijs dan is, éénmalig voor dat studiegebied of die categorie, gedurende de drie daaropvolgende schooljaren in dat studiegebied of die categorie FLa in geen geval kleiner dan FLh. Het centrum kiest vrij of deze waarborgregeling ingaat vanaf het schooljaar van de omschakeling of vanaf het schooljaar volgend op de omschakeling. Het centrum deelt deze keuze mee aan het departement op het ogenblik van de omschakeling. »; 2° § 3 wordt vervangen door wat volgt : « § 3.Als centra studiegebieden inrichten waarvoor voor hen geen historisch forfait in bijlage II werd vastgesteld, wordt het aantal jaarlijks financierbare leraarsuren voor het schooljaar dat tijdens een bepaald jaar begint, berekend door het aantal lesurencursist vanaf 1 februari van het vorig jaar tot en met 31 januari van het lopend jaar te delen door d. De eerste maal wordt het aantal lesuren cursist vermenigvuldigd met 2. »; 3° er wordt een § 6 toegevoegd, die luidt als volgt : « § 6.Voor de toepassing van dit artikel worden binnen het studiegebied talen de richtgraden 1 en 2 en de richtgraden 3 en 4 als twee aparte studiegebieden beschouwd. » Artikel VI.19 In artikel 50 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° er wordt een § 1bis toegevoegd, die luidt als volgt : « § 1bis.In het secundair onderwijs voor sociale promotie wordt het totaal van het door een cursist tijdens een schooljaar aan een centrum te betalen inschrijvingsgeld begrensd op ten hoogste 250 euro - tot en met 31 december 2001 : 10.085 frank - ongeacht het aantal opleidingen en/of modules dat de cursist tijdens dat schooljaar in het centrum volgt. De Vlaamse regering bepaalt elk schooljaar het maximumbedrag van het te betalen inschrijvingsgeld. »; 2° in § 2, gewijzigd bij het decreet van 20 oktober 2000, wordt 4° vervangen door wat volgt : « 4° in het bezit zijn van één van de volgende attesten : - een attest, uitgereikt door de bevoegde overheid, waaruit een arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 % blijkt; - een attest, uitgereikt door het ministerie van Sociale Zaken, waaruit het recht blijkt op een integratietegemoetkoming bedoeld in de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten; - een attest waaruit de inschrijving bij het Vlaams Fonds voor Sociale Integratie van Personen met een Handicap blijkt; ».

Artikel VI.20 In hetzelfde decreet wordt een artikel 57bis ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 57bis.De directeur van een centrum kan zijn ambt enkel in hoofdambt uitoefenen.

De directeurs van een centrum die op 31 augustus 1999 het ambt van directeur in bijbetrekking uitoefenden, worden ten persoonlijker titel uitgesloten van de bepaling van het eerste lid voor het volume van de opdracht die zij op de bedoelde data uitoefenden. » Artikel VI.21 Aan artikel 76, derde lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 18 mei 1999 wordt de volgende een zin toegevoegd : « Op de directeurs bedoeld in voorgaande bepalingen is artikel 57bis van toepassing. » Artikel VI.22 Artikel 78 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt : «

Artikel 78.De Vlaamse regering bepaalt de concordantie tussen de ambten die in het onderwijs voor sociale promotie bestonden vóór de inwerkingtreding van dit decreet en de ambten vermeld in artikel 55, § 1. » Artikel VI.23 Artikel 79 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt : «

Artikel 79.§ 1. Overgangsmaatregelen worden toegekend aan : 1° de personeelsleden die op 31 augustus 2000 hetzij tot de proeftijd toegelaten, hetzij vastbenoemd waren in het onderwijs voor sociale promotie;2° de tijdelijke personeelsleden die tijdens de periode van 1 september 1999 tot en met 30 september 2000 aangesteld zijn geweest in het onderwijs voor sociale promotie en gefinancierd of gesubsidieerd werden door de Vlaamse Gemeenschap. § 2. De overgangsmaatregelen gelden in hoofde van het bestuurs- en onderwijzend personeel : 1° in een selectie- of bevorderingsambt : voor het ambt dat uitgeoefend werd of waarvan men titularis was gedurende het schooljaar 1999-2000;2° in een wervingsambt : voor de vakken en/of specialiteiten waarmee men belast was of waarvan men titularis was gedurende het schooljaar 1999-2000 en/of gedurende de periode van 1 september 2000 tot en met 30 september 2000. Onder « titularis » wordt het personeelslid verstaan dat in een vacante betrekking vast benoemd, tijdelijk aangesteld of tot de proeftijd toegelaten is, met uitzondering van wie voor een tijd een tijdelijke titularis vervangt.

In hoofde van de in het eerste lid, 2°, bedoelde personeelsleden wordt rekening gehouden met het volgende : 1° in de tweede graad en in de richtgraden 1 en 2 van het secundair onderwijs voor sociale promotie gelden de overgangsmaatregelen voor de vakken en/of specialiteiten waarmee zij in de lagere secundaire leergangen belast waren of waarvan zij titularis waren op het tijdstip bedoeld in het eerste lid, 2°;2° in alle graden en richtgraden van het secundair onderwijs voor sociale promotie gelden de overgangsmaatregelen voor de vakken en/of specialiteiten waarmee zij in de hogere en aanvullende secundaire leergangen belast waren of waarvan zij titularis waren op het tijdstip bedoeld in het eerste lid, 2°;3° in het hoger onderwijs voor sociale promotie gelden de overgangsmaatregelen voor de vakken waarmee zij in de hogere leergangen belast waren of waarvan zij titularis waren op het tijdstip bedoeld in het eerste lid, 2°. § 3. De overgangsmaatregelen gelden in hoofde van het ondersteunend personeel voor de ambten waarmee men belast was gedurende het schooljaar 1999-2000 en/of gedurende de periode van 1 september 2000 tot en met 30 september 2000. § 4. De overgangsmaatregelen worden toegekend vanaf 1 september 2000 en betreffen : 1° de vroegere salarisschaal : de in § 1 bedoelde personeelsleden behouden hun vroegere salarisschaal, tenzij de salarisschaal vastgesteld bij een krachtens artikel 56 uitgevaardigd besluit hoger is;2° de geldelijke anciënniteit : in hoofde van de in § 1 bedoelde personeelsleden die onder de toepassing vielen van artikel 2, § 4, van het koninklijk besluit van 29 augustus 1985 houdende harmonisering van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan wordt het geïndexeerde jaarbedrag gewaarborgd dat hen op 30 juni 2000, respectievelijk 31 augustus 2000 werd toegekend op basis van enerzijds de prestaties verstrekt in het onderwijs met volledig leerplan en anderzijds de prestaties verstrekt in het onderwijs voor sociale promotie, tot op het ogenblik dat het overeenkomstig de vigerende reglementering vastgestelde jaarbedrag voor de prestaties in beide onderwijsniveaus samen hoger is;3° de bekwaamheidsbewijzen : de in § 1 bedoelde personeelsleden : - die tijdens het schooljaar 1999-2000 in het bezit waren van een vereist, respectievelijk voldoende geacht bekwaamheidsbewijs en ingevolge een krachtens artikel 56 uitgevaardigd besluit niet meer over dit bekwaamheidsbewijs beschikken, geacht worden in het bezit te zijn van een vereist, respectievelijk voldoende geacht bekwaamheidsbewijs; - die tijdens de periode van 1 september 2000 tot en met 30 september 2000 overeenkomstig de reglementering van kracht vóór de inwerkingtreding van een krachtens artikel 56 uitgevaardigd besluit in het bezit zouden zijn geweest van een vereist, respectievelijk voldoende geacht bekwaamheidsbewijs en ingevolge voormeld besluit niet over dit bekwaamheidsbewijs beschikken, geacht worden in het bezit te zijn van een vereist, respectievelijk voldoende geacht bekwaamheidsbewijs; - die drie opeenvolgende afwijkingen hebben genoten in de zin van artikel 20 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, zoals dit gold op 31 augustus 2000, of gedurende het schooljaar 1999-2000 en/of de periode van 1 september 2000 tot en met 30 september 2000 aangesteld waren op basis van een dergelijke afwijking, geacht worden in het bezit te zijn van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs. § 5. De in § 1, 1° bedoelde personeelsleden behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd.

De in § 1, 2°, bedoelde personeelsleden behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze in ononderbroken dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap. Voor de toepassing van deze bepaling worden niet als dienstonderbreking beschouwd : de vakantieperioden, de loopbaanonderbreking, de militaire dienst, de perioden van wederoproeping, de ziekte- en bevallingsverloven, de borstvoedingsverloven, de verloven van korte duur met behoud van wedde(ntoelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard, alsook de verloven zonder behoud van wedde(ntoelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar, alsmede een onderbreking van een doorlopende periode van maximum twee kalenderjaren. » Onderafdeling 2. - Zelfgestuurd leren Artikel VI.24 In artikel 88, § 2, van hetzelfde decreet wordt het tweede lid vervangen door wat volgt : « Binnen het zelfgestuurd leren worden geen erkende studiebewijzen voor secundair onderwijs uitgereikt. » Artikel VI.25 In artikel 94 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1 wordt vervangen door wat volgt : « § 1.Voor cursussen die uitsluitend via het internet worden aangeboden, bedraagt het inschrijvingsgeld 14,50 euro - tot en met 31 december 2001 : 500 Belgische frank - per maand. Het inschrijvingsgeld verleent de cursist toegang tot de cursus. De toegang wordt verleend in schijven van drie of zes maanden.

Voor de cursussen die op een andere wijze worden aangeboden bedraagt het inschrijvingsgeld 4,50 euro - tot en met 31 december 2001 : 150 Belgische frank - per lespakket.

De bedragen kunnen door de Vlaamse regering worden verhoogd en aangepast aan de index van de consumptieprijzen.

De Vlaamse regering bepaalt de uitvoeringsmodaliteiten van deze bepaling. »; 2° § 2 wordt vervangen door wat volgt : « § 2.Er wordt een fonds « Inkomsten B.I.S. » opgericht. Aan dit fonds worden de inschrijvingsgelden en de gelden verkregen uit de samenwerkingsakkoorden met derden toegewezen. »; 3° § 4 wordt vervangen door wat volgt : « § 4.De middelen van het fonds dienen aangewend te worden voor uitgaven met betrekking tot het zelfgestuurd leren zoals georganiseerd door het departement Onderwijs. » Artikel VI. 26 De bepalingen van dit hoofdstuk treden in werking op 1 september 2001, behalve : 1° artikel VI.8 dat uitwerking heeft met ingang van 1 september 1993; 2° artikel VI.11, 1°, en 2°, VI.16, VI.17, 1°, VI.18, 1°, en VI.22, die uitwerking hebben met ingang van 1 september 1999; 3° artikel VI.4, VI.10, 4°, VI.13, VI.23 en VI.25, 2° en 3°, die uitwerking hebben met ingang van 1 september 2000; 4° artikel VI.14 en VI.25, 1°, die uitwerking hebben met ingang van 1 februari 2001. HOOFDSTUK VII. - Centra voor leerlingenbegeleiding Artikel VII.1 In artikel 78, § 1, eerste lid, van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding worden de woorden « 50 %, 60 %, 80 % of 100 % » vervangen door de woorden « 50 %, 60 %, 70 %, 80 %, 90 % of 100 % ».

Artikel VII.2 In artikel 89 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het derde lid wordt vervangen door wat volgt : « Indien de keuzevrijheid geboden door artikel 199 wordt uitgeoefend ten voordele van de permanente ondersteuningscellen, wordt het omkaderingsgewicht van de ondersteuningscellen met ingang van 1 september 2003 uitgebreid met de omkaderingsgewichten bedoeld in artikel 202.»; 2° er wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt : « In de toegekende omkaderingsgewichten en - vanaf 1 september 2003 - de omkaderingsgewichten bedoeld in artikel 202, is een vaste benoeming mogelijk.» Artikel VII.3 In artikel 91 van hetzelfde decreet wordt het woord « tijdelijke » geschrapt.

Artikel VII.4 Artikel 184, § 1, van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt : « § 1. Als het centrum of de permanente ondersteuningscel een directeur aanstelt die voordien niet belast was met de leiding van een PMS-centrum, een vormingscentrum of een MST-equipe, respectievelijk als directeur of als coördinerend arts, worden de vastbenoemde directeurs van PMS-centra die zijn overgedragen naar het centrum of de permanente ondersteuningcel, op de personeelsformatie aangerekend als titularissen van een ambt met omkaderingsgewicht 1,6. » Artikel VII.5 Aan artikel 187, § 2, van hetzelfde decreet wordt de volgende zin toegevoegd : « Op 1 september 2000 worden de personeelsleden die op 31 augustus 2000 in een gefinancierd PMS-centrum vvedertewerkgesteld zijn in het ambt van klerk aan dit contingent boventalligen toegevoegd. » Artikel VII.6 In artikel 198 van hetzelfde decreet wordt het tweede lid vervangen door wat volgt : « De regering bepaalt de regels voor het vaststellen en uitbetalen van het werkingsbudget voor zelfstandige artsen. De regering kan bepalen dat de overeenkomst met een zelfstandige arts een minimumprestatiestelsel omvat. » Artikel VII.7 Aan artikel 199, tweede lid van hetzelfde decreet, wordt de volgende zin toegevoegd : « Vanaf deze datum is een vaste benoeming mogelijk in de omkaderingsgewichten bedoeld in artikel 202, § 1. » Artikel VII.8 De bepalingen van dit hoofdstuk hebben uitwerking met ingang van 1 september 2000, met uitzondering van artikel VII.1 en VII.6, die in werking treden op 1 september 2001. HOOFDSTUK VIII. - Inspectie Artikel VIII.1 Aan artikel 5, § 1, 2°, van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie, Dienst voor onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten, vervangen bij het decreet van 24 juli 1996, wordt een vierde streepje toegevoegd, dat luidt als volgt : « - het nagaan of de onderwijsinstelling voor buitengewoon onderwijs, met inachtneming van de door de regering opgelegde of gelijkwaardig verklaarde ontwikkelingsdoelen, voor één of meerdere leerlingen samen op basis van de opvoedingsbehoeften een handelingsplan opmaakt en de daarin vermelde ontwikkelingsdoelen nastreeft; ».

Artikel VIII.2 Artikel 19 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 28 april 1993, wordt vervangen door wat volgt : «

Artikel 19.Een mandaat bij een inrichtende macht is onverenigbaar met de hoedanigheid van lid van de inspectie, behoudens wanneer het uitgeoefend wordt buiten het inspectieambtsgebied.

Een opdracht in een onderwijsinstelling of in een centrum voor leerlingenbegeleiding is onverenigbaar met de hoedanigheid van lid van de inspectie.

Een opdracht in het ambt van inspecteur kan niet worden uitgeoefend op het grondgebied van de overheid waarbij het personeelslid een politiek mandaat bekleedt. » Artikel VIII.3 Aan artikel 89 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 19 april 1995, 8 juni 1996 en 13 april 1999, wordt een § 4 toegevoegd, die luidt als volgt : « § 4. Vanaf 1 september 2003 kunnen de omkaderingsgewichten bedoeld in artikel 202, § 1, van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding worden toegevoegd aan de begeleidingsdiensten. In deze omkaderingsgewichten is een vaste benoeming mogelijk. » Artikel VIII.4 Aan artikel 15, § 2, van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt : « Gedurende de periode van 1 januari 2001 tot 31 december 2001 kan een personeelslid worden aangesteld in het ambt van inspecteur-adviseur islamitische godsdienst wanneer hij houder is van 1° een basisdiploma van ten minste HSO en van een bewijs van pedagogische bekwaamheid, zoals omschreven in het besluit van de Vlaamse regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddenschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs, of 2° een diploma van onderwijzer en aan alle andere gestelde voorwaarden van artikel 12 en 13 voldoet. In afwijking van artikel 13, 5°, kan dit personeelslid vast benoemd worden. » Artikel VIII.5 De bepalingen van dit hoofdstuk hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2001, met uitzondering van artikel VIII.1, dat uitwerking heeft met ingang van 1 september 1996. HOOFDSTUK IX. - Geldelijke rechtspositie Artikel IX.1 Dit hoofdstuk is van toepassing op : 1° de personeelsleden, bedoeld in artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs;2° de personeelsleden, bedoeld in artikel 4, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;3° de leden van de inspectie voor het onderwijs georganiseerd door de Vlaamse Gemeenschap, bedoeld in artikel 4 van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie, Dienst voor onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten;4° de leden van de inspectie voor de PMS/CLB-centra georganiseerd door de Vlaamse Gemeenschap, bedoeld in artikel 4 van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie, Dienst voor onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten;5° de personeelsleden van de dienst voor onderwijsontwikkeling, bedoeld in artikel 9 van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie, Dienst voor onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten;6° de personeelsleden van de pedagogische begeleidingsdiensten, bedoeld in artikel 88 van het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie, Dienst voor onderwijsontwikkeling en pedagogische begeleidingsdiensten;7° de personeelsleden, bedoeld in artikel 10 van het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken. Artikel IX.2 § 1. Het jaarsalaris of de jaarsalaristoelage, hierna salaris genoemd, van de personeelsleden genoemd in artikel IX.1 wordt vastgesteld in een salarisschaal die bestaat uit : 1° een minimumsalaris;2° salaristrappen die het resultaat zijn van periodieke salarisverhogingen;3° een maximumsalaris. Voor sommige ambten kan de salarisschaal vervangen worden door een vast bedrag.

Het minimumsalaris, de periodieke salarisverhogingen en het maximumsalaris worden uitgedrukt in een aantal munteenheden.

Het salaris, verhoogd met de eventuele haard- of standplaatstoelage, is nooit lager dan de gewaarborgde minimumbezoldiging. § 2. De Vlaamse regering bepaalt voor elk ambt de salarisschaal.

Hierbij kan ze rekening houden met de aard van het ambt, het onderwijsniveau, de onderwijsvorm, de graad, de cyclus of de opleidingsvorm waar het ambt wordt uitgeoefend, en met de bekwaamheidsbewijzen die er toegang toe verlenen. Ze kan ook rekening houden met het te onderwijzen vak.

Ze deelt de salarisschalen in en bepaalt hoe ze worden aangegeven. § 3. De Vlaamse regering bepaalt de voorwaarden van overgang naar de trappen binnen eenzelfde salarisschaal, met inbegrip van de anciënniteitvoorwaarden.

Artikel IX.3 De Vlaamse regering bepaalt de wijze waarop het salaris van de personeelsleden wordt vastgesteld.

Bij het vaststellen van het salaris van een personeelslid kan, naast de salarisschaal, rekening worden gehouden met de andere activiteiten die het personeelslid uitoefent of heeft uitgeoefend, zowel in als buiten het onderwijs. De Vlaamse regering bepaalt de wijze waarop met deze elementen rekening wordt gehouden voor het vaststellen van het salaris van een personeelslid. Zij bepaalt eveneens de wijze waarop met het volume van de geleverde prestaties rekening wordt gehouden.

Artikel IX.4 Bij iedere wijziging in de bezoldigingsregeling van een ambt wordt elk salaris dat werd vastgesteld met inachtneming van dat ambt opnieuw vastgesteld volgens de nieuwe bezoldigingsregeling.

Als het aldus opnieuw vastgestelde salaris lager is dan het salaris dat het personeelslid in zijn ambt genoot bij de inwerkingtreding van de wijziging, blijft het in dat ambt dit laatste salaris genieten totdat het een ten minste gelijk salaris krijgt, behoudens andersluidende meer gunstige bepalingen vastgesteld door de Vlaamse regering.

Artikel IX.5 § 1. Het salaris wordt betaald na verloop van de termijn, met name op de laatste werkdag van de maand behalve de betaling van het salaris van de maand december die plaats heeft op de eerste werkdag van de maand januari van het volgende jaar. Dit geldt eveneens voor de toelagen alsook voor alle andere elementen van de bezoldiging die tezelfder tijd als het salaris worden betaald. § 2. Als een vastbenoemd of tot de proeftijd toegelaten personeelslid wordt gepensioneerd of overlijdt, wordt het volledige salaris voor de betrokken maand naar gelang van het geval, aan het personeelslid of aan zijn rechthebbenden betaald.

Artikel IX.6 In afwijking van de bepalingen van dit hoofdstuk krijgt een personeelslid dat tijdelijk een personeelslid genoemd in artikel IX.1. vervangt, slechts een salaris als de vervanging voldoet aan de specifieke voorwaarden die de Vlaamse regering bepaalt.

Artikel IX.7 Het salaris volgt de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld of overeenkomstig elke bepaling die haar mocht wijzigen. Vanaf 1 januari 1994 wordt de koppeling aan de index van de consumptieprijzen vervangen door de koppeling aan het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij wet van 30 maart 1994.

Artikel IX.8 Het personeelslid heeft recht op een gewaarborgde minimumbezoldiging, een haard- of standplaatstoelage, een jaarlijks vakantiegeld en een eindejaarstoelage. De Vlaamse regering bepaalt de ter zake geldende voorwaarden.

De Vlaamse regering kan voor bijkomende prestaties, bijzondere bevoegdheden, het bezit van specifieke vaardigheden en het vergoeden van onkosten ook bij besluit andere toelagen, vergoedingen, bijwedden of bijslagen creëren. Ze bepaalt de categorieën van begunstigden, evenals de voorwaarden voor de toekenning ervan.

Artikel IX.9 In afwachting dat de Vlaamse regering in uitvoering van deze bepalingen een nieuwe bezoldigingsregeling vastlegt, blijven de wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen van toepassing die op het ogenblik van het van kracht worden van dit decreet gelden.

Tot de inwerkingtreding van de nieuwe bezoldigingsregeling is de Vlaamse regering er toe gemachtigd de van kracht zijnde reglementaire bepalingen te wijzigen, geheel of gedeeltelijk op te heffen en/of te vervangen.

Artikel IX.10 De bepalingen van dit hoofdstuk hebben uitwerking met ingang van 1 april 1991. HOOFDSTUK X. - Administratieve rechtspositie Afdeling 1. - Algemene bepalingen

Artikel X.1 In artikel 28, § 1, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, gewijzigd bij de wet van 11 juli 1973 en de decreten van 31 juli 1990 en 27 maart 1991, worden volgende wijzigingen aangebracht : 1° 1° wordt vervangen door wat volgt : « 1° Die onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie, behoudens door de Vlaamse regering te verlenen vrijstelling;»; 2° 2° wordt vervangen door wat volgt : « 2° Die de burgerlijke en politieke rechten genieten, behoudens een door de Vlaamse regering te verlenen vrijstelling die samengaat met de vrijstelling bedoeld in 1°;».

Artikel X.2 De Vlaamse regering is ertoe gemachtigd het koninklijk besluit nr. 297 van 31 maart 1984 betreffende de opdrachten, de wedden, de weddentoelagen en de verloven voor verminderde prestaties in het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra, zoals gewijzigd, te wijzigen, geheel of gedeeltelijk op te heffen en/of te vervangen.

Artikel X.3 Aan artikel 31 van het decreet van 28 april 1993 betreffende het onderwijs-IV, wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt : « Het personeelslid kan dit verlof voltijds, of - binnen het volume en de voorwaarden bepaald door de Vlaamse regering - deeltijds opnemen. » Artikel X.4 Artikel 172 van het decreet van 18 mei 1999 betreffende het onderwijs-XI, wordt vervangen door wat volgt : «

Artikel 172.De personeelsleden die in een onderwijsinstelling van het gemeenschapsonderwijs tewerkgesteld zijn als bode-kamerbewaarder of suppoost, worden vast benoemd respectievelijk in het ambt van bode-kamerbewaarder op 1 september 1999 of in het ambt van suppoost op 1 januari 2001.

Met ingang van de datum van hun vaste benoeming zijn de bepalingen betreffende de rechtspositie van de personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs op hen van toepassing.

Voor het personeelslid dat vast benoemd is in uitvoering van dit artikel, kan vanaf 1 september 1999, respectievelijk vanaf 1 januari 2001 enkel een vervanger worden gefinancierd ten laste van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap als aan het personeelslid wordt toegestaan zijn beroepsloopbaan te onderbreken op grond van de geldende regelgeving inzake loopbaanonderbreking. » Afdeling 2. - Decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie

van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs Artikel X.5 In artikel 4, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs, gewijzigd bij de decreten van 28 april 1993, 21 december 1994, 1 december 1998 en 18 mei 1999, wordt f) vervangen door wat volgt : « f) komen de dagen gepresteerd in een ambt van godsdienstleerkracht slechts in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit in datzelfde ambt.

De diensten die - zowel in het gemeenschapsals in het gesubsideerd onderwijs - gepresteerd werden tussen 1 september 1975 en 31 augustus 2001 in het ambt van godsdienstleerkracht belast met islamitische godsdienst en die in aanmerking komen voor de berekening van de geldelijke anciënniteit, komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit in dat ambt. » Artikel X.6 In hetzelfde decreet wordt een artikel 5bis ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 5bis.Artikel 19, § 2 en § 3, van het besluit van de Vlaamse regering van 7 oktober 1997 betreffende de nuttige ervaring als bekwaamheidsbewijs voor personeelsleden van het onderwijs, wordt bekrachtigd met ingang van 1 september 1997. » Artikel X.7 In hetzelfde decreet wordt een hoofdstuk IIbis, bestaande uit een artikel 12bis, ingevoegd, dat luidt als volgt : « HOOFDSTUK IIbis. - Aansprakelijkheid

Artikel 12bis.Ingeval het personeelslid bij de uitvoering van zijn ambt de werkgever of derden schade berokkent, is hij enkel aansprakelijk voor zijn bedrog en zijn zware schuld.

Voor lichte schuld is hij enkel aansprakelijk als die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt.

De werkgever kan de vergoedingen en de schadeloosstellingen die hem krachtens dit artikel verschuldigd zijn en die na de feiten met het personeelslid zijn overeengekomen of door de rechter vastgesteld, op de wedde inhouden in de voorwaarden als bepaald bij artikel 23 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers. » Artikel X.8 In artikel 17, § 1, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 18 mei 1999, worden volgende wijzigingen aangebracht : 1° 1° wordt vervangen door wat volgt : « 1° onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie is, behoudens door de Vlaamse regering te verlenen vrijstelling;»; 2° 2° wordt vervangen door wat volgt : « 2° de burgerlijke en politieke rechten geniet, behoudens een door de Vlaamse regering te verlenen vrijstelling die samengaat met de vrijstelling bedoeld in 1°;».

Artikel X.9 In artikel 21 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 9 april 1992, 21 december 1994, 14 juli 1998 en 18 mei 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1 wordt het woord « school » vervangen door het woord « instelling » en worden de woorden « of, bij ontstentenis hiervan, in de instelling waar de betrekking te begeven is, » geschrapt;2° in § 5 worden de woorden « het onderwijs voor sociale promotie en » geschrapt. Artikel X.10 In artikel 21bis, § 14, tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998 en gewijzigd bij het decreet van 18 mei 1999, worden tussen de woorden « artikel 24 » en de woorden « en artikel 26 » de woorden « , artikel 25 » ingevoegd.

Artikel X.11 In artikel 21ter, § 15, tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 1 december 1998 en gewijzigd bij het decreet van 18 mei 1999, worden tussen de woorden « artikel 24 » en de woorden « en artikel 26 » de woorden « , artikel 25 » ingevoegd.

Artikel X.12 In artikel 28ter van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 1 december 1998 en gewijzigd bij het decreet van 18 mei 1999, worden volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1 worden de woorden « §§ 1 tot en met 5 » vervangen door de woorden « § 1 tot en met § 3 »;2° in § 2 wordt tussen het eerste en tweede lid een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt : « Voor het vormingscentrum maakt de afgevaardigd bestuurder de lijst op.» Artikel X.13 In hetzelfde decreet wordt een artikel 34ter ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 34ter.De mutaties en nieuwe affectaties van personeelsleden die in de periode van 1 februari 1996 tot en met 1 januari 1998 plaatsvonden in een ambt in het gewoon secundair onderwijs, het buitengewoon secundair onderwijs, het onderwijs voor sociale promotie, het deeltijds kunstonderwijs, de psycho-medisch- sociale centra, de psycho-medisch-sociale centra voor het buitengewoon onderwijs en de psycho-medisch-sociale vormingscentra, zijn niet onderworpen aan de bepalingen van Titel III van het decreet van 16 april 1996 houdende tijdelijke beperking inzake programmatie en benoeming in sommige onderwijssectoren. » Artikel X.14 Artikel 37bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 mei 1999, wordt opgeheven.

Artikel X.15 Artikel 41bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998 en gewijzigd bij het decreet van 18 mei 1999, wordt vervangen door wat volgt : «

Artikel 41bis.Dit hoofdstuk is niet van toepassing op het bevorderingsambt van directeur zoals bedoeld in hoofdstuk Vter noch op het mandaat van algemeen directeur bedoeld in hoofdstuk Vquater noch op het mandaat van coördinerend directeur bedoeld in hoofdstuk Vquinquies. » Artikel X.16 Artikel 46 van hetzelfde decreet vervangen bij het decreet van 18 mei 1999, wordt vervangen door wat volgt : «

Artikel 46.Om toegelaten te worden tot de proeftijd in een selectie- of bevorderingsambt, moet het personeelslid op het ogenblik van de toelating tot de proeftijd voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° houder zijn van het voorziene vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, organiek of bij overgangsmaatregel;2° tijdens de laatste evaluatie of bij ontstentenis hiervan de laatste beoordeling geen « onvoldoende » hebben bekomen.Indien het personeelslid niet werd geëvalueerd, wordt aan deze voorwaarde geacht voldaan te zijn; 3° voldoen aan de algemene wervingsvoorwaarden, bedoeld in artikel 14 en 17, § 1 tot en met § 4;4° beschikken over de bekwaamheden vereist voor het ambt.Deze bekwaamheden en het profiel op basis waarvan zij zijn vastgelegd, worden door de raad voor het gemeenschapsonderwijs vastgelegd. Zij worden getest in een proef die wordt georganiseerd onder de verantwoordelijkheid van de raad voor het gemeenschapsonderwijs; 5° zich bij de raad van bestuur - voor de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum : de afgevaardigd bestuurder - bij een ter post aangetekende brief kandidaat hebben gesteld in de vorm en binnen de termijn vermeld in de oproep tot de kandidaten.» Artikel X.17 Artikel 46bis van hetzelfde decreet, ingevoegd door het decreet van 18 mei 1999, wordt opgeheven.

Artikel X.18 Artikel 50 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 18 mei 1999, wordt vervangen door wat volgt : «

Artikel 50.§ 1. Voor het waarnemen van een selectie- of bevorderingsambt kan de raad van bestuur - voor de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum : de afgevaardigd bestuurder - op voordracht van het college van directeurs een personeelslid aanwijzen : 1° indien de titularis van het ambt tijdelijk afwezig is;2° in een betrekking waarin op grond van artikel 43 geen benoeming mogelijk is;3° in afwachting van een toelating tot de proeftijd die moet gebeuren uiterlijk op het einde van het tweede volledige schooljaar volgend op de datum waarop de betrekking vacant is geworden. Tijdens die periode blijft het personeelslid titularis van het ambt waarin het vast benoemd is. § 2. Het personeelslid dat wordt aangesteld voor het waarnemen van een selectie- of bevorderingsambt moet voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 46, 1° tot en met 4°.

Wanneer er geen kandidaten zijn die aan de gestelde voorwaarden voldoen : 1° kan van de bepalingen van artikel 46, 4°, worden afgeweken;2° kan in afwijking van artikel 46, 1°, een personeelslid met een ander bekwaamheidsbewijs worden aangesteld.Deze aanstelling is beperkt tot de duur van het lopende schooljaar. § 3. Een aanstelling voor het waarnemen van een selectie- of bevorderingsambt is slechts mogelijk na voorafgaande toepassing van artikel 42, 1°. § 4. Een waarnemende aanstelling in een selectieof bevorderingsambt eindigt voor het geheel of een deel van de opdracht volgens artikel 23, § 1, a, b, c, d, f, h en k, op het ogenblik dat de betrekking van het tijdelijk waarnemend personeelslid geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen aan een personeelslid door toelating tot de proeftijd overeenkomstig artikel 45, dan wel door vaste benoeming en bij toepassing van artikel 52 en 53. § 5. In afwijking van de bepalingen van § 2 en § 4 heeft een personeelslid, dat in de periode van 1 september 1985 tot en met 31 augustus 1990 gedurende tenminste 240 dagen per schooljaar tijdelijk was aangesteld met een coördinatieopdracht in het deeltijds beroepssecundair onderwijs, voorrang voor waarnemende aanstelling in het selectieambt van coördinator in het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waar de betrekking werd uitgeoefend. Het personeelslid moet aantonen dat het aan deze voorwaarden voldoet. § 6. Voor een periode van maximaal zestig dagen mag de oproep van de kandidaten zich beperken tot de personeelsleden van de instelling. Bij toepassing van deze bepaling en in afwijking van § 4 eindigt de aanstelling uiterlijk na het verstrijken van voormelde termijn van maximaal zestig dagen. » Artikel X.19 Artikel 50bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998 en gewijzigd bij het decreet van 18 mei 1999, wordt opgeheven.

Artikel X.20 In artikel 50ter van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 mei 1999, worden de woorden « of 50bis » geschrapt.

Artikel X.21 In artikel 55quinquies, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998 en gewijzigd bij de decreten van 1 december 1998, 18 mei 1999 en 20 oktober 2000, worden de woorden « , met uitzondering van de permanente ondersteuningscel » geschrapt.

Artikel X.22 In artikel 55sexies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998 en gewijzigd bij het decreet van 18 mei 1999, worden de woorden « raad van bestuur » vervangen door de woorden « raad van bestuur - voor het vormingscentrum : de afgevaardigd bestuurder - ».

Artikel X.23 In artikel 55septies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998 en gewijzigd bij het decreet van 18 mei 1999, worden de woorden « raad van bestuur » telkens vervangen door de woorden « raad van bestuur - voor het vormingscentrum : de afgevaardigd bestuurder - ».

Artikel X.24 In artikel 55undecies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998 en gewijzigd bij het decreet van 18 mei 1999, worden de woorden « raad van bestuur » telkens vervangen door de woorden « raad van bestuur - voor het vormingscentrum : de afgevaardigd bestuurder - ».

Artikel X.25 In artikel 55duodecies, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998 en gewijzigd bij het decreet van 18 mei 1999, worden de woorden « en de raad van bestuur akkoord gaan » vervangen door de woorden « en de raad van bestuur - voor het vormingscentrum : de afgevaardigd bestuurder - akkoord gaan ».

Artikel X.26 In artikel 55terdecies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998 en gewijzigd bij het decreet van 18 mei 1999, worden de woorden « raad van bestuur » vervangen door de woorden « raad van bestuur - voor het vormingscentrum : de afgevaardigd bestuurder - ».

Artikel X.27 In artikel 55octiesdecies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 mei 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de woorden « toelage » en « jaar » vervangen door respectievelijk de woorden « bijwedde » en « schooljaar »;2° in het tweede lid wordt het woord « toelage » vervangen door het woord « bijwedde »;3° er wordt een derde lid ingevoegd, dat luidt als volgt : « In afwijking van het bepaalde in artikel 71 van het decreet van 15 juli 1997 betreffende het onderwijs-VIII, wordt de overname van een onderwijsinstelling voor de gelding van dit artikel geacht reeds op 1 februari van het voorafgaand schooljaar te hebben plaatsgevonden.» Artikel X.28 In artikel 55vicies, § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 mei 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid wordt het woord « toelage » vervangen door het woord « bijwedde » en wordt de laatste zin geschrapt;2° in het tweede lid wordt het woord « toelage » vervangen door het woord « bijwedde »;3° er wordt een derde lid ingevoegd, dat luidt als volgt : « In afwijking van het bepaalde in artikel 71 van het decreet van 15 juli 1997 betreffende het onderwijs-VIII, wordt de overname van een onderwijsinstelling voor de gelding van dit artikel geacht reeds op 1 februari van het voorafgaand schooljaar te hebben plaatsgevonden.» Artikel X.29 In artikel 56, § 5, tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij decreet van 15 juli 1997, worden de woorden « of in artikel 21ter, § 5 » gevoegd tussen de woorden « artikel 21bis, § 4 » en de woorden « , behouden dit recht ».

Artikel X.30 § 1. Artikel 60bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998 en gewijzigd bij de decreten van 1 december 1998 en 2 maart 1999, wordt vervangen door wat volgt : «

Artikel 60bis.Dit hoofdstuk is van toepassing op de vastbenoemde personeelsleden en op de personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn voor doorlopende duur. » § 2. In de eerste zin van artikel 61, § 1, van hetzelfde decreet, gewijzigd door het decreet van 18 mei 1999, worden de woorden « vast benoemde » geschrapt.

Artikel X.31 In artikel 73, eerste lid van hetzelfde decreet worden tussen de woorden « betreffende » en « de », de woorden « het secretariaat en » ingevoegd.

Artikel X.32 Aan artikel 80, eerste lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 28 april 1993, wordt een e) toegevoegd, dat luidt als volgt : « e) wanneer het ambt dat het als vastbenoemd personeelslid uitoefent niet langer beschouwd kan worden als hoofdambt in de zin van de bezoldigingsregeling die op hem van toepassing is. In dit geval is het personeelslid in non-activiteit voor de prestaties waarvoor het vast benoemd is, maar waarvoor het geen wedde meer ontvangt. » Artikel X.33 In artikel 86 van hetzelfde decreet worden in 1° de volgende wijzigingen aangebracht : 1° a) wordt vervangen door wat volgt : « a) onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie zijn, behoudens door de Vlaamse regering te verlenen vrijstelling;» 2° b) wordt vervangen door wat volgt : « b) de burgerlijke en politieke rechten genieten, behoudens een door de Vlaamse regering te verlenen vrijstelling die samengaat met de vrijstelling bedoeld in a).» Artikel X.34 In artikel 90bis, § 2, eerste lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998, worden tussen de woorden « artikel 21bis » en de woorden « en voor », de woorden « of artikel 21ter » ingevoegd.

Artikel X.35 In hetzelfde decreet wordt een artikel 103bis ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 103bis.§ 1. De personeelsleden die in het basisonderwijs aangesteld zijn als godsdienstleerkracht belast met islamitische godsdienst hebben tot 30 juni 2001 recht op de salarisschaal 121.

Deze personeelsleden worden met ingang van 1 september 2001 bezoldigd overeenkomstig de vigerende regelgeving. § 2. Aan de in § 1 bedoelde personeelsleden worden overgangsmaatregelen toegekend, voor zover zij tussen 1 september 1996 en 30 juni 2001 minimum zes maanden ononderbroken in dienst geweest zijn als godsdienstleerkracht belast met islamitische godsdienst.

Voor de toepassing van deze bepaling worden niet als dienstonderbreking beschouwd : de vakantieperioden, de loopbaanonderbreking, de militaire dienst, de perioden van wederoproeping, de ziekte, bevallings- en borstvoedingsverloven, de verloven van korte duur met behoud van wedde(ntoelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard, alsook de verloven zonder behoud van wedde(ntoelage) voor een maximum duur van zes werkdagen per schooljaar, alsmede een periode van ten hoogste dertig kalenderdagen per schooljaar. § 3. De overgangsmaatregelen gelden voor het in § 1 bedoelde ambt en betreffen : 1° de vroegere salarisschaal : de personeelsleden behouden hun vroegere salarisschaal, tenzij de salarisschaal vastgesteld krachtens de vigerende regelgeving hoger is;2° de bekwaamheidsbewijzen : de personeelsleden die : - gedurende de periode van dienstactiviteit bedoeld in § 1 voldeden aan de aanwervingsvoorwaarden inzake bekwaamheidsbewijzen gesteld door de ministeriële omzendbrief OND/III/3/PL van 10 augustus 1993; - in het bezit zijn van een bewijs van pedagogische bekwaamheid in de zin van artikel 3bis, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 26 september 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen en de bezoldigingsregeling van de leermeesters godsdienst en godsdienstleraars; - volgens de vigerende regelgeving geen vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs hebben, worden geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs. § 4. De overgangsmaatregelen worden toegekend op 1 september 2001.

De vastbenoemde personeelsleden behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd.

De tijdelijke personeelsleden behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap. Voor de toepassing van deze bepaling worden niet als een onderbreking beschouwd : de vakantieperioden, de loopbaanonderbreking, de militaire dienst, de perioden van wederoproeping, de ziekteen bevallingsverloven, de borstvoedingsverloven, de verloven van korte duur met behoud van wedde(ntoelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar, alsmede een onderbreking van een doorlopende periode van maximum twee kalenderjaren en de periode waarin het ambt van inspecteur wendt uitgeoefend. » Artikel X.36 In hetzelfde decreet wordt een artikel 103ter ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 103ter.§ 1. De personeelsleden die in het gewoon en/of het buitengewoon secundair onderwijs aangesteld zijn als godsdienstleerkracht belast met islamitische godsdienst, hebben tot 30 juni 2001 recht op : 1° de salarisschaal 300 in de eerste graad en in de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs;2° de salarisschaal 384 in de tweede graad van het algemeen, technisch en kunstsecundair onderwijs en in de derde en vierde graad beroepssecundair onderwijs;3° de salarisschaal 301 in de derde graad van het algemeen, technisch en kunstsecundair onderwijs;4° de salarisschaal 300 in het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvormen 1, 2 en 3;5° dezelfde salarisschaal als in de overeenkomende graad en onderwijsvorm van het gewoon secundair onderwijs in opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs. Deze personeelsleden worden met ingang van 1 september 2001 bezoldigd overeenkomstig de vigerende regelgeving. § 2. Aan de in § 1 bedoelde personeelsleden worden overgangsmaatregelen toegekend, voor zover zij tussen 1 september 1996 en 30 juni 2001 minimum zes maanden ononderbroken in dienst geweest zijn als godsdienstleerkracht belast met islamitische godsdienst.

Voor de toepassing van deze bepaling worden niet als dienstonderbreking beschouwd : de vakantieperioden, de loopbaanonderbreking, de militaire dienst, de perioden van wede'roproeping, de ziekte-, bevallings- en borstvoedingsverloven, de verloven van korte duur met behoud van wedde(ntoelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard, alsook de verloven zonder behoud van wedde(ntoelage) voor een maximum duur van zes werkdagen per schooljaar, alsmede een periode van ten hoogste dertig kalenderdagen per schooljaar. § 3. De overgangsmaatregelen gelden voor het in § 1 bedoelde ambt en betreffen : 1° de vroegere salarisschaal : de personeelsleden behouden hun vroegere salarisschaal, tenzij de salarisschaal vastgesteld krachtens de vigerende regelgeving hoger is;2° de bekwaamheidsbewijzen : de personeelsleden die : - gedurende de periode van dienstactiviteit bedoeld in § 1 voldeden aan de aanwervingsvoorwaarden inzake bekwaamheidsbewijzen gesteld door de ministeriële omzendbrief OND/III/3/PL van 10 augustus 1993; - in het bezit zijn van een bewijs van pedagogische bekwaamheid in de zin van artikel 3bis, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 26 september 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen en de bezoldigingsregeling van de leermeesters godsdienst en godsdienstleraars of van een diploma van onderwijzer; - volgens de vigerende regelgeving geen vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs hebben, worden geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs.

De overgangsmaatregelen worden toegekend op 1 september 2001. § 4. De personeelsleden aangesteld vóór 1 september 2001, die voldoen aan de aanstellingsvoorwaarden inzake bekwaamheidsbewijzen gesteld door de ministeriële omzendbrief OND/III/3/PL van 10 augustus 1993, die op 1 september 2001 niet in het bezit zijn van een bewijs van pedagogische bekwaamheid, worden geacht in het bezit te zijn van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs, vanaf de maand volgende op het behalen van dit bewijs van pedagogische bekwaamheid, op voorwaarde dat het bewijs van pedagogische bekwaamheid behaald werd binnen de drie jaar na de eerste aanstelling. § 5. De vastbenoemde personeelsleden behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd.

De tijdelijke personeelsleden behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap. Voor de toepassing van deze bepaling worden niet als een onderbreking beschouwd : de vakantieperioden, de loopbaanonderbreking de militaire dienst, de perioden van wederoproeping, de ziekteen bevallingsverloven, de borstvoedingsverloven, de verloven van korte duur met behoud van wedde(ntoelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar, alsmede een onderbreking van een doorlopende periode van maximum twee kalenderjaren en de periode waarin het ambt van inspecteur wordt uitgeoefend. » Artikel X.37 In hetzelfde decreet wordt een artikel 103quater ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 103quater.Onverminderd de krachtens artikel 146 van de Grondwet door de wet georganiseerde rechtsbescherming zijn de wedden en de weddentoelagen die op basis van diensten gepresteerd in de periode van 1 september 1975 tot 31 augustus 2001 werden uitgekeerd aan godsdienstleerkrachten belast met islamitische godsdienst in het gewoon en buitengewoon basisonderwijs en het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs in hoofde van deze personeelsleden definitief verworven.

Voormelde diensten komen in aanmerking voor de berekening van de geldelijke anciënniteit indien zij voldoen aan de bepalingen van artikel 16 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het ministerie van Openbaar Onderwijs. » Afdeling 3. - Decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie

van bepaalde personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en van de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding Artikel X.38 In artikel 6, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en van de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding, gewijzigd bij de decreten van 28 april 1993, 21 december 1994 en 1 december 1998, wordt d) vervangen door wat volgt : « d) komen de diensten gepresteerd in een ambt van godsdienstleerkracht enkel in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit in dat ambt; de diensten mogen in een ander net gepresteerd zijn. In het vrij confessioneel onderwijs komen de diensten eveneens in aanmerking voor de berekening van de anciënniteit in andere ambten, indien de onderwezen godsdienst degene is welke voorkomt in het onderwijs verstrekt door de inrichtende macht.

De diensten die - zowel in het gemeenschapsals in het gesubsideerd onderwijs - gepresteerd werden tussen 1 september 1975 en 31 augustus 2001 in het ambt van godsdienstleerkracht belast met islamitische godsdienst en in aanmerking komen voor de berekening van de geldelijke anciënniteit, komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit in dat ambt. » Artikel X.39 In hetzelfde decreet wordt een artikel 7bis ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 7bis.Artikel 19, § 2 en § 3, van het besluit van de Vlaamse regering van 7 oktober 1997 betreffende de nuttige ervaring als bekwaamheidsbewijs voor personeelsleden van het onderwijs, wordt bekrachtigd met ingang van 1 september 1997. » Artikel X.40 In hetzelfde decreet wordt een hoofdstuk IIbis, bestaande uit een artikel 17bis, ingevoegd, dat luidt als volgt : « Hoofdstuk IIbis. - Aansprakelijkheid

Artikel 17bis.Ingeval het personeelslid bij de uitvoering van zijn ambt de werkgever of derden schade berokkent, is hij enkel aansprakelijk voor zijn bedrog en zijn zware schuld.

Voor lichte schuld is hij enkel aansprakelijk als die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt.

De werkgever kan de vergoedingen en de schadeloosstellingen die hem krachtens dit artikel verschuldigd zijn en die na de feiten met het personeelslid zijn overeengekomen of door de rechter vastgesteld, op de wedde inhouden in de voorwaarden als bepaald bij artikel 23 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers. » Artikel X.41 In artikel 23, § 9, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 21 december 1994, worden de woorden « onderwijs voor sociale promotie » vervangen door de woorden « deeltijds kunstonderwijs ».

Artikel X.42 In artikel 23bis, § 16, tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998 en gewijzigd bij de decreten van 18 mei 1999 en 20 oktober 2000, worden de woorden « en artikel 25 » vervangen door de woorden « , artikel 25 en artikel 26 ».

Artikel X.43 In artikel 23ter, § 17, tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 1 december 1998 en gewijzigd bij het decreet van 20 oktober 2000, worden de woorden « en artikel 25 » vervangen door de woorden « artikel 25 en artikel 26 ».

Artikel X.44 Artikel 36quinquies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998, wordt vervangen door wat volgt : «

Artikel 36quinquies.Dit hoofdstuk is niet van toepassing op het bevorderingsambt van directeur zoals bedoeld in hoofdstuk IVter, noch op het mandaat van algemeen directeur bedoeld in hoofdstuk IVquater, noch op het mandaat van coördinerend directeur bedoeld in hoofdstuk IVquinquies. » Artikel X.45 Artikel 40 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 28 april 1993 en 15 juli 1997, wordt vervangen door wat volgt : «

Artikel 40.Het personeelslid moet om vast benoemd te worden in een selectie- of bevorderingsambt, op het ogenblik van de vaste benoeming voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° houder zijn van het vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs vastgesteld voor dit specifieke selectie- of bevorderingsambt, organiek of bij overgangsmaatregel;2° als laatste evaluatie geen evaluatie met de eindconclusie « onvoldoende » hebben verkregen.Indien het personeelslid niet werd geëvalueerd, wordt aan deze voorwaarde geacht voldaan te zijn; 3° voldoen aan de algemene wervingsvoorwaarden van artikel 19.» Artikel X.46 Artikel 40bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998 en gewijzigd bij het decreet van 2 maart 1999 wordt opgeheven.

Artikel X.47 In artikel 42 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 21 december 1994, 14 juli 1998 en 2 maart 1999, worden de volgende wijzingen aangebracht : 1° in § 1, c, worden de woorden « en voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en het onderwijs voor sociale promotie artikel 40bis » geschrapt;2° in § 1, c, wordt 3° opgeheven;3° § 2 wordt vervangen door wat volgt : « § 2.Het personeelslid dat tijdelijk wordt aangesteld in een selectie- of bevorderingsambt moet voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 40.

In afwijking van artikel 40, 1°, kan een personeelslid met een ander bekwaamheidsbewijs worden aangesteld wanneer er geen kandidaten zijn die aan de gestelde voorwaarden voldoen.

Deze aanstelling is beperkt tot de duur van het lopende schooljaar. »; 4° in § 5 worden de woorden « dat niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 40, § 1, 1° en » geschrapt. Artikel X.48 In artikel 44quinquies, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998 en gewijzigd bij de decreten van 18 mei 1999 en 20 oktober 2000, worden de woorden « , met uitzondering van de permanente ondersteuningscel » geschrapt.

Artikel X.49 In artikel 44quaterdecies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 mei 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1 wordt vervangen door wat volgt : « § 1.De inrichtende macht kan een directeur van een instelling belasten met de taak van algemeen directeur voor de totaliteit van haar instellingen. »; 2° in § 2 worden de woorden « toelage » en « jaar » vervangen door respectievelijk de woorden « bijwedde » en « schooljaar »;3° er wordt een § 3 toegevoegd, die luidt als volgt : « § 3.In afwijking van het bepaalde in artikel 71 van het decreet van 15 juli 1997 betreffende het onderwijs-VIII, wordt de overname van een onderwijsinstelling voor de gelding van dit artikel geacht reeds op 1 februari van het voorafgaand schooljaar te hebben plaatsgevonden. » Artikel X.50 In artikel 44quinquiesdecies, § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 mei 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden « toelage » en « jaar » worden vervangen door respectievelijk de woorden « bijwedde », respectievelijk « schooljaar »;2° er wordt een § 3 toegevoegd, die luidt als volgt : « § 3.In afwijking van het bepaalde in artikel 71 van het decreet van 15 juli 1997 betreffende het onderwijs-VIII, wordt de overname van een onderwijsinstelling voor de gelding van dit artikel geacht reeds op 1 februari van het voorafgaand schooljaar te hebben plaatsgevonden. » Artikel X.51 In hetzelfde decreet wordt een artikel 46ter ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 46ter.De mutaties en nieuwe affectaties van personeelsleden die in de periode van 1 februari 1996 tot en met 1 januari 1998 plaatsvinden in een ambt in het gewoon secundair onderwijs, het buitengewoon secundair onderwijs, het onderwijs voor sociale promotie, het deeltij ds kunstonderwijs, de psycho-medisch-sociale centra, de psycho-medisch-sociale centra voor het buitengewoon onderwijs en de psycho-medisch-sociale vormingscentra, zijn niet onderworpen aan de bepalingen van Titel III van het decreet van 16 april 1996 houdende tijdelijke beperking inzake programmatie en benoeming in sommige onderwijssectoren. » Artikel X.52 Aan artikel 54, eerste lid van hetzelfde decreet wordt een d) toegevoegd, dat luidt als volgt : « d) wanneer het ambt dat het als vastbenoemd personeelslid uitoefent niet langer beschouwd kan worden als hoofdambt in de zin van de bezoldigingsregeling die op hem van toepassing is. In dit geval is het personeelslid in non-activiteit voor de prestaties waarvoor het vast benoemd is, maar waarvoor het geen wedde meer ontvangt. » Artikel X.53 In artikel 60, 1°, van hetzelfde decreet worden volgende wijzigingen aangebracht : 1° a) wordt vervangen door wat volgt : « a) onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie zijn, behoudens door de Vlaamse regering te verlenen vrijstelling;»; 2° b) wordt vervangen door wat volgt : « b) de burgerlijke en politieke rechten genieten, behoudens een door de Vlaamse regering te verlenen vrijstelling die samengaat met de vrijstelling bedoeld in a).» Artikel X.54 Artikel 63bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 14 juli 1998 en gewijzigd bij het decreet van 2 maart 1999, wordt vervangen door wat volgt : «

Artikel 63bis.Dit hoofdstuk is van toepassing op de vastbenoemde personeelsleden en op de personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn voor doorlopende duur. » Artikel X.55 In de eerste zin van artikel 64 van hetzelfde decreet worden de woorden « vast benoemde » geschrapt.

Artikel X.56 In artikel 65 van hetzelfde decreet wordt § 6 vervangen door wat volgt : « § 6. Bij de terugzetting in rang wordt het personeelslid bezoldigd volgens de weddenschaal verbonden aan het ambt dat hem bij die tuchtmaatregel is toegewezen.

De Vlaamse regering bepaalt de nadere gevolgen van deze sanctie inzonderheid de gevolgen ten aanzien van de andere personeelsleden. » Artikel X.57 In de eerste zin van artikel 66 van hetzelfde decreet worden de woorden « het personeelslid » vervangen door de woorden « het vastbenoemde personeelslid ».

Artikel X.58 In hetzelfde decreet wordt een artikel 76bis ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 76bis.§ 1. De personeelsleden die in het basisonderwijs aangesteld zijn als godsdienstleerkracht belast met islamitische godsdienst hebben tot 30 juni 2001 recht op de salarisschaal 121.

Deze personeelsleden worden met ingang van 1 september 2001 bezoldigd overeenkomstig de vigerende regelgeving. § 2. Aan de in § 1 bedoelde personeelsleden worden overgangsmaatregelen toegekend, voor zover zij tussen 1 september 1996 en 30 juni 2001 minimum zes maanden ononderbroken in dienst geweest zijn als godsdienstleerkracht belast met islamitische godsdienst.

Voor de toepassing van deze bepaling worden niet als dienstonderbreking beschouwd : de vakantieperioden, de loopbaanonderbreking, de militaire dienst, de perioden van wederoproeping, de ziekte, bevallings- en borstvoedingsverloven, de verloven van korte duur met behoud van wedde(ntoelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard, alsook de verloven zonder behoud van wedde(ntoelage) voor een maximum duur van zes werkdagen per schooljaar, alsmede een periode van ten hoogste dertig kalenderdagen per schooljaar. § 3. De overgangsmaatregelen gelden voor het in § 1 bedoelde ambt en betreffen : 1° de vroegere salarisschaal : de personeelsleden behouden hun vroegere salarisschaal, tenzij de salarisschaal vastgesteld krachtens de vigerende regelgeving hoger is;2° de bekwaamheidsbewijzen : de personeelsleden die : - gedurende de periode van dienstactiviteit bedoeld in § 1 voldeden aan de aanwervingsvoorwaarden inzake bekwaamheidsbewijzen gesteld door de ministeriële omzendbrief OND/III/3/PL van 10 augustus 1993; - in het bezit zijn van een bewijs van pedagogische bekwaamheid in de zin van artikel 3bis, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 26 september 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen en de bezoldigingsregeling van de leermeesters godsdienst en godsdienstleraars; - volgens de vigerende regelgeving geen vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs hebben, worden geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs. § 4. De overgangsmaatregelen worden toegekend op 1 september 2001.

De vastbenoemde personeelsleden behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd.

De tijdelijke personeelsleden behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap. Voor de toepassing van deze bepaling worden niet als een onderbreking beschouwd : de vakantieperioden, de loopbaanonderbreking, de militaire dienst, de perioden van wederoproeping, de ziekteen bevallingsverloven, de borstvoedingsverloven, de verloven van korte duur met behoud van wedde(ntoelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar, alsmede een onderbreking van een doorlopende periode van maximum twee kalenderjaren en de periode waarin het ambt van inspecteur wordt uitgeoefend. » Artikel X.59 In hetzelfde decreet wordt een artikel 76ter ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 76ter.§ 1. De personeelsleden die in het gewoon en/of het buitengewoon secundair onderwijs aangesteld zijn als godsdienstleerkracht belast met islamitische godsdienst, hebben tot 30 juni 2001 recht op : 1° de salarisschaal 300 in de eerste graad en in de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs;2° de salarisschaal 384 in de tweede graad van het algemeen, technisch en kunstsecundair onderwijs en in de derde en vierde graad beroepssecundair onderwijs;3° de salarisschaal 301 in de derde graad van het algemeen, technisch en kunstsecundair onderwijs;4° de salarisschaal 300 in het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvormen 1, 2 en 3;5° dezelfde salarisschaal als in de overeenkomende graad en onderwijsvorm van het gewoon secundair onderwijs in opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs. Deze personeelsleden worden met ingang van 1 september 2001 bezoldigd overeenkomstig de vigerende regelgeving. § 2. Aan de in § 1 bedoelde personeelsleden worden overgangsmaatregelen toegekend, voor zover zij tussen 1 september 1996 en 30 juni 2001 minimum zes maanden ononderbroken in dienst geweest zijn als godsdienstleerkracht belast met islamitische godsdienst.

Voor de toepassing van deze bepaling worden niet als dienstonderbreking beschouwd : de vakantieperioden, de loopbaanonderbreking, de militaire dienst, de perioden van wederoproeping, de ziekte-, bevallings- en borstvoedingsverloven, de verloven van korte duur met behoud van wedde(ntoelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard, alsook de verloven zonder behoud van wedde(ntoelage) voor een maximum duur van zes werkdagen per schooljaar, alsmede een periode van ten hoogste dertig kalenderdagen per schooljaar. § 3. De overgangsmaatregelen gelden voor het in § 1 bedoelde ambt en betreffen : 1° de vroegere salarisschaal : de personeelsleden behouden hun vroegere salarisschaal, tenzij de salarisschaal vastgesteld krachtens de vigerende regelgeving hoger is;2° de bekwaamheidsbewijzen : de personeelsleden die : - gedurende de periode van dienstactiviteit bedoeld in § 1 voldeden aan de aanwervingsvoorwaarden inzake bekwaamheidsbewijzen gesteld door de ministeriële omzendbrief OND/III/3/PL van 10 augustus 1993; - in het bezit zijn van een bewijs van pedagogische bekwaamheid in de zin van artikel 3bis, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 26 september 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen en de bezoldigingsregeling van de leermeesters godsdienst en godsdienstleraars of van een diploma van onderwijzer; - volgens de vigerende regelgeving geen vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs hebben, worden geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs. § 4. De overgangsmaatregelen worden toegekend op 1 september 2001.

De personeelsleden aangesteld vóór 1 september 2001, die voldoen aan de aanstellingsvoorwaarden inzake bekwaamheidsbewijzen gesteld door de ministeriële omzendbrief OND/III/3/PL van 10 augustus 1993, die op lseptember 2001 niet in het bezit zijn van een bewijs van pedagogische bekwaamheid, worden geacht in het bezit te zijn van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs, vanaf de maand volgende op het behalen van dit bewijs van pedagogische bekwaamheid, op voorwaarde dat het bewijs van pedagogische bekwaamheid behaald werd binnen de drie jaar na de eerste aanstelling. § 5. De vastbenoemde personeelsleden behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd.

De tijdelijke personeelsleden behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap. Voor de toepassing van deze bepaling worden niet als een onderbreking beschouwd : de vakantieperioden, de loopbaanonderbreking, de militaire dienst, de perioden van wederoproeping, de ziekteen bevallingsverloven, de borstvoedingsverloven, de verloven van korte duur met behoud van wedde(ntoelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar, alsmede een onderbreking van een doorlopende periode van maximum twee kalenderjaren en de periode waarin het ambt van inspecteur wordt uitgeoefend. » Artikel X.60 In hetzelfde decreet wordt een artikel 76quater ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 76quater.Onverminderd de krachtens artikel 146 van de Grondwet door de wet georganiseerde rechtsbescherming zijn de wedden en de weddentoelagen die op basis van diensten gepresteerd in de periode van 1 september 1975 tot 31 augustus 2001 werden uitgekeerd aan godsdienstleerkrachten belast met islamitische godsdienst in het gewoon en buitengewoon basisonderwijs en het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs in hoofde van deze personeelsleden definitief verworven.

Voormelde diensten komen in aanmerking voor de berekening van de geldelijke anciënniteit indien zij voldoen aan de bepalingen van artikel 16 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het ministerie van Openbaar Onderwijs. » Artikel X.61 De bepalingen van dit hoofdstuk treden in werking op 1 september 2001, behalve 1° artikel X.31, dat uitwerking heeft met ingang van 1 april 1991; 2° artikel X.35, § 1, X.36, § 1, X.58, § 1 en X.59, § 1, die uitwerking hebben met ingang van 1 september 1993; 3° artikel X.13 en X.51, die uitwerking hebben met ingang van 1 februari 1996; 4° artikel X.2, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 1997; 5° artikel X.6 en X.39, die uitwerking hebben met ingang van 1 september 1997; 6° artikel X.4, X.9, X.10, X.15, X.28, X.30, X.42, X.44, X.50, X.54, X.55 en X.57 die uitwerking hebben met ingang van 1 september 1999; 7° artikel X.27 en X.49, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2000; 8° artikel X.11, X.12, 1°, X.29, X.34 en X.43, die uitwerking hebben met ingang van 1 september 2000; 9° artikel X.3, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2001. HOOFDSTUK XI. - Sociale tegemoetkoming Artikel XI.1 Dit hoofdstuk is van toepassing op : 1° de personeelsleden bedoeld bij het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs;2° de personeelsleden bedoeld bij het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding;3° de personeelsleden bedoeld bij het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap;4° de personen tewerkgesteld als gesubsidieerde contractuelen in de onderwijsinstellingen en de centra voor leerlingenbegeleiding. Artikel XI.2 De personeelsleden genoemd in artikel XI.1 hebben onder de modaliteiten bepaald door de Vlaamse regering recht op de volledige terugbetaling van de kosten openbaar vervoer naar en van het werk en op een maandelijkse fietsvergoeding, ten laste van de werkgever.

Artikel XI.3 Onder de modaliteiten bepaald door de Vlaamse regering worden de door de werkgever gedragen vervoerskosten en fietsvergoedingen terugbetaald door het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.

Artikel XI.4 In artikel 3 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs, gewijzigd bij de decreten van 28 april 1994 en 21 december 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 2, vierde lid, worden de woorden « alsook verminderd met de in § 4 bedoelde bijdrage », ingevoegd bij het decreet van 21 december 1994, geschrapt;2° § 4, toegevoegd bij het decreet van 21 december 1994, wordt opgeheven. Artikel XI.5 De volgende regelingen worden opgeheven : 1° artikel 34 van het decreet van 15 december 1993 betreffende het onderwijs-V, gewijzigd bij het decreet van 21 december 1994;2° artikel 67, § 3, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, toegevoegd bij het decreet van 14 juli 1998. Artikel XI.6 De tegemoetkomingen in de vervoerkosten van de personeelsleden bedoeld in artikel 10 van het besluit van de Vlaamse regering van 22 juli 1993 betreffende de tegemoetkoming van de werkgevers in de onderwijssector in de vervoerkosten van hun personeelsleden, worden uitbetaald op hetzelfde tijdstip als het voorschot op de werkingsmiddelen van het volgende schooljaar, voor zover de aanvraag tot terugbetaling niet aangetast is door bedrog en uiterlijk op 10 december na het schooljaar waarop de terugbetaling betrekking heeft, wordt ingediend bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.

Artikel XI.7 De bepalingen van dit hoofdstuk treden in werking op 1 januari 2001, behalve 1° artikel XI.6, dat uitwerking heeft met ingang van 1 september 1998; 2° artikel XI.S, dat uitwerking heeft met ingang van 1 maart 2001. HOOFDSTUK XII. - Regionale technologische centra Artikel XII.1 Een Regionaal Technologisch Centrum, hierna « RTC » genoemd, is een vorm van samenwerking tussen onderwijsinstellingen, de bedrijfswereld en organisaties met een socio-economisch of educatief oogmerk met het oog op : - het gezamenlijk gebruik van technologische apparatuur, opleidingsinfrastructuur en technische en didactische knowhow; - het ontwikkelen van leermateriaal voor gezamenlijk gebruik; - de (na)scholing van onderwijzend personeel, leerlingen, studenten, cursisten en werknemers op het vlak van nieuwe technologieën; - een optimale doorstroming van leerlingen, studenten of cursisten naar het bedrijfsleven.

Artikel XII.2 In het kader van tijdelijke projecten inzake de samenwerking tussen onderwijsinstellingen en de bedrijfswereld kan de Vlaamse regering afhankelijk van de beschikbare begrotingskredieten subsidieenveloppes toekennen aan RTC's die gevestigd zijn in het Nederlandse taalgebied of het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.

Artikel XII.3 De RTC's leggen een jaarverslag voor aan de Vlaamse regering. De regering beslist op basis van de jaarverslagen over de voortgang of de beëindiging van een tijdelijk project. De verlenging van een project dat reeds drie jaar duurt kan alleen gebeuren na een gemotiveerde mededeling aan het Vlaams Parlement.

Artikel XII.4 De artikelen van dit hoofdstuk hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2001. HOOFDSTUK XIII. - Andere bepalingen Artikel XIII.1 Aan artikel 155 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II, wordt een § 5 toegevoegd, die luidt als volgt : « § 5. In afwijking van § 1 blijven de leden van de raden en afdelingen, in functie op 31 augustus 2000, die functie verder uitoefenen tot op een datum te bepalen door de Vlaamse regering.

In afwijking van § 4 blijft de algemeen voorzitter van de algemene raad, in functie op 28 januari 2001, die functie verder uitoefenen tot op een datum te bepalen door de Vlaamse regering. » Artikel XIII.2 Artikel 198 van hetzelfde decreet wordt als volgt geïnterpreteerd : « Dit artikel laat de bepalingen van artikel 7, § 2, van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën onverlet. » Artikel XIII.3 Artikel 198, § 4, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij decreet van 14 juli 1998, wordt opgeheven.

Artikel XIII.4 Artikel 78 van het decreet van 25 juni 1992 houdende diverse bepalingen tot begeleiding van de begroting 1992 wordt vervangen door wat volgt : «

Artikel 78.De dotaties aan het Gemeenschapsonderwijs en de werkingsmiddelen van de scholengroepen van het gemeenschapsonderwijs worden elk jaar gestort in drie gelijke schijven, respectievelijk in januari, mei en september. » Artikel XIII.5 In artikel 75 van het decreet van 20 oktober 2000 betreffende het onderwijs XII-Ensor worden de woorden « 1 januari 1999 » vervangen door de woorden « 1 januari 1994 ».

Artikel XIII.6 In artikel 83 van het decreet van 20 oktober 2000 betreffende het onderwijs XII-Ensor worden de woorden « het schooljaar 2000-2001 » vervangen door de woorden « de schooljaren 2000-2001 en 2001-2002 ».

Artikel XIII.7 Artikel 86 van het decreet van 20 oktober 2000 betreffende het onderwijs XII-Ensor wordt vervangen door wat volgt : «

Artikel 86.Een inrichtende macht is niet verplicht om in de extra betrekkingen bedoeld in artikel 80 een personeelslid aan te stellen dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven, overeenkomstig de artikelen 21bis of 90bis, § 2, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs, respectievelijk artikel 23bis van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra. » Artikel XIII.8 Het derde deel van de in artikel 48, § 1, van het decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs bedoelde bijlage II wordt vervangen door een aan dit decreet toegevoegde lijst.

De Vlaamse regering kan bedoelde bijlage II jaarlijks aanpassen aan de reële wijzigingen die in toepassing van hetzelfde decreet plaatsvinden.

Artikel XIII.9 De Raad van het Gemeenschapsonderwijs bedoeld in artikel 5, § 4, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs - tot 31 december 2002 : de centrale raad bedoeld in artikel 5, § 1, 1°, van het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Autonome Raad van het Gemeenschapsonderwijs - kan, overeenkomstig de wetgeving betreffende de onteigeningen ten algemenen nutte en na machtiging van de Vlaamse regering, in eigen naam en voor eigen rekening onroerende goederen onteigenen die nodig zijn voor de verwezenlijking van haar opdracht.

Artikel XIII.10 De bepalingen van dit hoofdstuk treden als volgt in werking : 1° artikel XIII.5, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 1994; 2° artikel XIII.9, dat uitwerking heeft met ingang van 1 april 1999; 3° artikel XIII.4, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2000; 4° artikel XIII.1 en XIII.6, die uitwerking hebben met ingang van 1 september 2000; 5° artikel XIII.8, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2001; 6° artikel XIII.3, dat in werking treedt de dag van publicatie in het Belgisch Staatsblad.

Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Brussel, 13 juli 2001.

De minister-president van de Vlaamse regering, P. DEWAEL De Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming, Mevr. M. VANDERPOORTEN _______ Nota (1) Zitting 2000-2001. Stukken. - Ontwerp van decreet + Errata, 729 - nr. 1. - Advies van het Kinderrechten-commissariaat, 729 - nr. 2. Amendementen, 729 - nr. 3. - Advies van het Kinderrechten-commissariaat, 729 - nr. 4. - Amendementen + Addendum, 729 - nrs. 5 en 6. - In eerste lezing aangenomen artikelen, 729 - nr. 7. - Amendementen op de in eerste lezing aangenomen artikelen, 729 - nr. 8. - Verslag, 729 - nr. 9. - Tekst aangenomen door de plenaire vergadering, 729 - nr. 10.

Handelingen. - Bespreking en aanneming. Vergaderingen van 9 en 10 juli 2001.

Bijlage bij artikel XIII.8 van het decreet van 13 juli 2001 betreffende het onderwijs-XIII-mozaïek Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld

^