Decreet van 14 juli 1998
gepubliceerd op 29 augustus 1998
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Decreet houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs

bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
numac
1998035933
pub.
29/08/1998
prom.
14/07/1998
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

14 JULI 1998. - Decreet houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/02/1997 pub. 05/07/1997 numac 1997035730 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de eindregeling van de begroting van de Vlaamse Gemeenschappen van de instellingen van openbaar nut voor het begrotingsjaar 1987 type decreet prom. 25/02/1997 pub. 05/07/1997 numac 1997035724 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de eindregeling van de begroting van de Vlaamse Gemeenschappen van de instellingen van openbaar nut voor het begrotingsjaar 1988 sluiten betreffende het basisonderwijs (1)


Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : TITEL I. - Algemene bepaling

Artikel 1.Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.

TITEL II. - Definities

Art. 2.Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder : l° afstand : de kortst mogelijke afstand tussen de hoofdingang van de hoofdvestigingsplaats van de ene instelling tot de hoofdingang van de hoofdvestigingsplaats van de andere instelling gemeten langs de rijbaan, zoals omschreven in artikel 2.1 van het koninklijk besluit van 1 december 1975Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 01/12/1975 pub. 31/03/2000 numac 1999000004 bron ministerie van binnenlandse zaken Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer - Duitse vertaling type koninklijk besluit prom. 01/12/1975 pub. 14/07/2014 numac 2014000537 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten houdende het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, zonder rekening te houden met wegomleggingen, verkeersvrije straten, éénrichtingsverkeer en autosnelwegen; 2° algemeen vormende component : het deel van het opleidingsprofiel dat tot doel heeft een lerende persoonsvorming en een maatschappelijk-culturele vorming bij te brengen;3° basisoptie : een groep leervakken die in de eerste graad een bredere observatie en oriëntatie van de leerling mogelijk maken;4° beroepenveld : de combinatie van technische disciplines die in het beroepsvoorbereidend leerjaar onderwezen wordt;5° beroepsgerichte component : het deel van het opleidingsprofiel dat tot doel heeft één of meer beroepsopleidingen te realiseren;6° beroepsopleiding : een samenhangend geheel van beroepsgerichte opleidingsactiviteiten;7° bestuurspersoneel : a) adjunct-directeur;b) beheerder (wat de internaten betreft, die buiten het toepassingsgebied van dit decreet vallen);c) coördinator (wat het deeltijds beroepssecundair onderwijs betreft);d) directeur;e) technisch adviseur;f) technisch adviseur-coördinator;8° doorstroomcomponent : het deel van het opleidingsprofiel dat tot doel heeft een lerende voor te bereiden op de vereisten van vervolgonderwijs en/of -opleiding;9° 1 februari : hetzij 1 februari, hetzij de eerstvolgende lesdag indien 1 februari een vrije dag is, waarbij een facultatieve verlofdag of een pedagogische studiedag ook als een lesdag wordt beschouwd;10° 1 oktober : hetzij 1 oktober, hetzij de eerstvolgende lesdag indien 1 oktober een vrije dag is, waarbij een facultatieve verlofdag of een pedagogische studiedag ook als een losdag wordt beschouwd;11° hoofdvestigingsplaats : vestigingsplaats waar de administratieve zetel van de instelling wordt ondergebracht;12° inrichtende macht : de rechtspersoon of de natuurlijke persoon die voor één of meer instellingen verantwoordelijk is;wat het gemeenschapsonderwijs betreft, worden met inrichtende macht inzonderheid de bestuursorganen bedoeld die zijn vermeld in artikel 5, § 1, 1° en 2°, van het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Automome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs; 13° lokaal comité : het inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden bevoegde lokaal overlegorgaan of onderhandelingsorgaan;14° modulair stelsel : een onderwijssysteem waarin leerlingen door de overheid vastgestelde modules verwerven;15° module : het kleinste deel van een opleiding dat aanleiding geeft tot een certificaat op basis van eindtermen vastgelegd door de overheid;16° omvorming : de opheffing in een instelling van een bestaand structuuronderdeel en de gelijktijdige vervanging door een ander, waarbij het onderwijsaanbod numeriek niet wijzigt;17° omzetting : de van overheidswege opgelegde wijziging van de benaming van een structuuronderdeel;18° ondersteunend personeel : administratief medewerker, opvoeder;19° onderwijsnet : a) het gemeenschapsonderwijs;b) het gemeentelijk en het provinciaal onderwijs;c) het vrij onderwijs;20° onderwijzend personeel : begeleider, godsdienstleraar, leraar;21° opleiding : een geheel van onderwijs- en studieactiviteiten, erkend door de overheid en bestaande uit één of meer van volgende componenten : een algemeen vormende, een beroepsgerichte en een doorstroomgerichte component;22° opleidingsprofiel : een geheel van vaardigheden, kennis en attitudes, geformuleerd als eindtermen, die binnen een opleiding verworven moeten worden;23° opleidingsstructuur : het geheel van alle per studiegebied geordende opleidingen met bijhorende modules;24° optie : een leervak of een groep leervakken die in de tweede, de derde en de vierde graad het karakteristieke van de opleiding bepalen en die bestaat uit het fundamenteel gedeelte dat de studierichting bepaalt en eventueel het complementair gedeelte;25° overheveling : de overbrenging van een deel van het onderwijsaanbod van de ene naar de andere instelling, al dan niet op grond van onderlinge uitwisseling;26° plage-uren : uren die zich situeren boven het minimum maar binnen het maximum aantal uren van de opdracht zoals bepaald in de reglementering;27° programmatie : hetzij de oprichting van een op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet bestaande instelling, hetzij de oprichting van een op dezelfde datum niet georganiseerd structuuronderdeel - waardoor het onderwijsaanbod numeriek toeneemt - met de bedoeling de instelling of het structuuronderdeel in aanmerking te laten komen voor financiering of subsidiëring;28° scholengemeenschap : één instelling of een groep van instellingen die binnen een geografische omschrijving gezamenlijk instaat voor de onderwijsvoorziening.Zolang het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs niet wordt gewijzigd, wordt voor het gemeenschapsonderwijs onder scholengemeenschap de bevoegde inrichtende macht verstaan; 29° specifiek structuuronderdeel : een structuuronderdeel dat voorbereidt op zeer beperkte en sterk gespecialiseerde beroepen of beroepssectoren en/of dat om redenen van inhoudelijke validiteit slechts in beperkte mate aangeboden kan worden;30° structuuronderdeel : een onderverdeling in het onderwijsaanbod die gefinancierd of gesubsidieerd kan worden;binnen de context van de overhevelingen wordt "structuuronderdeel" echter als een ruimer begrip gehanteerd vermits er ook een eerste graad, een studiegebied en een vestigingsplaats wordt onder verstaan; 31° studiegebied : een groep van structuuronderdelen op basis van een inhoudelijke verwantschap en, in het technisch en beroepssecundair onderwijs, eveneens op basis van een behoefte aan eenzelfde onderwijsinfrastructuur en een uitweg naar eenzelfde beroepssector;32° vacature : elke volledige of onvolledige betrekking die ofwel definitief vacant is ofwel tijdelijk vacant is voor een periode van ten minste tien werkdagen;33° vestigingsplaats : alle gebouwde en ongebouwde onroerende goederen die ingeplant zijn op eenzelfde kadastraal perceel of op aaneengesloten kadastrale percelen en die volledig of gedeeltelijk door personeelsleden van de betrokken instelling gebruikt worden voor onderwijsactiviteiten, met uitzondering van stages en buitenschoolse activiteiten. TITEL III. - Onderwijsaanbod

Art. 3.De bepalingen van deze titel zijn van toepassing op het voltijds gewoon secundair onderwijs, op de opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs en, uitsluitend voor het artikel 8, op de opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs.

De bepalingen van deze titel zijn eveneens van toepassing op de instellingen van het gemeenschapsonderwijs die in Duitsland gelegen zijn.

Art. 4.§ 1. Het huidig aanbod in het secundair onderwijs, met uitzondering van de eerste graad, wordt ingedeeld in studiegebieden.

De studiegebieden zijn : algemeen secundair onderwijs sport auto bouw chemie decoratieve technieken fotografie glastechnieken grafische technieken handel hout juwelen kleding koeling en warmte land- en tuinbouw lederbewerking lichaamsverzorging maritieme opleidingen mechanica-elektriciteit muziekinstrumentenbouw optiek orthopedische technieken personenzorg riet- en vlechtwerk schoeisel tandtechnieken textiel toerisme voeding ballet beeldende kunsten podiumkunsten. § 2. De Vlaamse regering rangschikt elk op 1 oktober 1997 organiseerbaar structuuronderdeel in één van de studiegebieden, genoemd in § 1. § 3. Voor de toepassing van § 2 wordt met structuuronderdeel bedoeld : 1° een optie van de tweede, derde of vierde graad van een bepaalde onderwijsvorm;2° het derde leerjaar van de tweede graad, georganiseerd als een vervolmakingsjaar;3° het derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een voorbereidend jaar op het hoger onderwijs;4° het derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een specialisatiejaar.

Art. 5.§ 1. De Vlaamse regering wijst de structuuronderdelen aan die specifiek zijn. Alle resterende structuuronderdelen worden als niet-specifiek beschouwd. § 2. De Vlaamse regering wijst de structuuronderdelen aan die geen inhoudelijke relevantie of actualiteitswaarde meer hebben. § 3. Voor de toepassing van de §§ 1 en 2 wordt met structuuronderdeel bedoeld : elk(e) op 1 oktober 1997 organiseerba(a)r(e) : 1° basisoptie 2° beroepenveld : 3° optie van de tweede, derde of vierde graad van een bepaalde onderwijsvorm;4° derde leerjaar van de tweede graad, georganiseerd als een vervolmakingsjaar;5° derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een voorbereidend jaar op het hoger onderwijs;6° derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een specialisatiejaar.

Art. 6.§ 1. De Vlaamse regering voert de omzetting uit van de bestaande naar de nieuwe benamingen van structuuronderdelen.

Bij deze omzetting wordt het onderscheid, bedoeld in artikel 5, § 1, gehandhaafd en vervallen in elk geval de benamingen van de structuuronderdelen, bedoeld in artikel 5, § 2. § 2. De bepalingen van § 1 zijn van toepassing op : 1° de basisopties en de beroepenvelden : op 1 september 1999;2° de opties van het eerste leerjaar van de tweede graad : op 1 september 2000;3° de opties van het tweede leerjaar van de tweede graad : op 1 september 2001;4° het derde leerjaar van de tweede graad, georganiseerd als een vervolmakingsjaar, en de opties van het eerste leerjaar van de derde graad : op 1 september 2002;5° de opties van het tweede leerjaar van de derde graad : op 1 september 2003;6° het derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een voorbereidend jaar op het hoger onderwijs of als een specialisatiejaar, en de opties van de leerjaren van de vierde graad : op 1 september 2004. § 3. Na de voltooiing van de omzetting, bedoeld in de §§ 1 en 2, blijven als studiegebieden over, waarin structuuronderdelen worden gegroepeerd : algemeen secundair onderwijs sport auto bouw chemie decoratieve technieken fotografie glastechnieken grafische technieken handel hout juwelen kleding koeling en warmte land- en tuinbouw lichaamsverzorging maritieme opleidingen mechanica-elektriciteit muziekinstrumentenbouw optiek orthopedische technieken personenzorg tandtechnieken textiel toerisme voeding ballet beeldende kunsten podiumkunsten.

Art. 7.§ 1. De Vlaamse regering kan, afhankelijk van technologische evoluties en/of arbeidsmarktbehoeften, nieuwe structuuronderdelen vastleggen. Ze geeft aan of deze nieuwe structuuronderdelen al dan niet als specifiek moeten worden beschouwd en rangschikt ze in één van de studiegebieden genoemd in artikel 6, § 3, behalve wat de eerste graad betreft.

Voor uitzonderlijke gevallen kan de Vlaamse regering bepalen dat tijdens het eerste schooljaar waarin een nieuw specifiek structuuronderdeel wordt georganiseerd, de tellingsdatum, bedoeld in artikel 3, § 8, 1°, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, toegevoegd bij het decreet van 31 juli 1990 en gewijzigd bij de decreten van 9 april 1992 en 25 juni 1992, wordt vastgesteld op 1 oktober van het betrokken schooljaar voor de vaststelling van de omkaderingsnormen voor de diverse personeelscategorieën enerzijds en de bepaling van de werkingsmiddelen anderzijds. § 2. Voor de toepassing van § 1 worden de volgende structuuronderdelen bedoeld : 1° basisopties;2° beroepenvelden;3° opties van de tweede of derde graad van een bepaalde onderwijsvorm;4° het derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een specialisatiejaar.

Art. 8.§ 1. Volgens een modulair stelsel kunnen worden georganiseerd : 1° het beroepssecundair onderwijs van het voltijds gewoon secundair onderwijs;2° het beroepssecundair onderwijs van de opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs;3° de opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs;4° het deeltijds beroepssecundair onderwijs. § 2. De Vlaamse regering bepaalt de opleidingsstructuur en de studiebekrachtiging van het onderwijs georganiseerd met toepassing van § 1.

In het beroepssecundair onderwijs van het voltijds gewoon secundair onderwijs en de opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs dient in elk geval, gespreid over de tijd, de basisvorming afgewerkt te worden bedoeld in artikel 55, §§ 3, 6 en 7, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II. TITEL IV. - Programmaties HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling

Art. 9.De bepalingen van deze titel zijn van toepassing op het voltijds gewoon secundair onderwijs.

De bepalingen van deze titel zijn niet van toepassing op de instellingen van het gemeenschapsonderwijs die in Duitsland gelegen zijn. HOOFDSTUK II. - Bepalingen van toepassing voor het schooljaar 1998-1999 Afdeling 1. - Programmatie van instellingen

Art. 10.§ 1. Door de Vlaamse Gemeenschap kan geen enkele nieuwe instelling worden gefinancierd of gesubsidieerd. § 2. In afwijking van § 1 kan door de Vlaamse Gemeenschap een nieuwe instelling, ontstaan door middel van splitsing van een bestaande instelling, worden gefinancierd of gesubsidieerd, indien aan alle volgende voorwaarden gelijktijdig is voldaan : 1° de splitsing maakt deel uit van een gelijktijdige herstructurering van instellingen die niet resulteert in een groter aantal instellingen;2° alle bij de splitsing betrokken instellingen bereiken na de splitsing 100 % van de toepasbare rationalisatienorm, bedoeld in : a) hetzij artikel 49, 1°;b) hetzij artikel 49, 2° : voor de instellingen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de instellingen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een internaat verblijven;3° de splitsing neemt één van de volgende vormen aan : a) hetzij een afsplitsing van de eerste graad.Bij dergelijke afsplitsing mag de eerste graad, eventueel met dezelfde structuuronderdelen, in de oorspronkelijke instelling gehandhaafd blijven; voor de toepassing van deze bepaling worden de volgende structuuronderdelen bedoeld : het eerste leerjaar A, het eerste leerjaar B, de basisopties en de beroepenvelden : b) hetzij een afsplitsing van één of meer studiegebieden;c) hetzij een combinatie van beide voorgaande vormen;4° een autonome instelling bestaande uit de eerste graad of de eerste en de tweede graad, die ingevolge splitsing ontstaat, moet ten minste de volgende structuuronderdelen organiseren : een eerste leerjaar A, een eerste leerjaar B, een tweede leerjaar van de eerste graad en een beroepsvoorbereidend leerjaar. Afdeling 2. - Programmatie van structuuronderdelen

Onderafdeling A. - Algemene bepaling

Art. 11.Een financiering of subsidiëring door de Vlaamse Gemeenschap met toepassing van de bepalingen van deze afdeling is afhankelijk van de voorwaarde dat het door de instelling tijdens het betrokken schooljaar georganiseerd aantal plage-uren, respectievelijk niet gefinancierde of gesubsidieerde wekelijkse uren-leraar, niet hoger ligt dan het aantal plage-uren, respectievelijk niet gefinancierde of gesubsidieerde wekelijkse uren-leraar van het voorafgaand schooljaar, tenzij er een akkoord bestaat in het lokaal comité.

Onderafdeling B. - Programmatie van structuuronderdelen - eerste graad

Art. 12.§ 1. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet ingericht(e) eerste leerjaar A of B, niet-specifieke basisoptie of niet-specifiek beroepenveld worden gefinancierd of gesubsidieerd. § 2. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerde specifieke basisoptie worden gefinancierd of gesubsidieerd, op voorwaarde dat in dezelfde instelling of in een andere instelling van dezelfde scholengemeenschap in de tweede graad ten minste één aansluitend studiegebied op voormelde datum wordt georganiseerd.

De Vlaamse regering bepaalt voor elke specifieke basisoptie het (de) aansluitend(e) studiegebied(en). § 3. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd specifiek beroepenveld worden gefinancierd of gesubsidieerd, op voorwaarde dat in dezelfde instelling of in een andere instelling van dezelfde scholengemeenschap in de tweede graad ten minste één aansluitend studiegebied op voormelde datum wordt georganiseerd.

De Vlaamse regering bepaalt voor elk specifiek beroepenveld het(de) aansluitend(e) studiegebied(en).

Onderafdeling C. - Programmatie van structuuronderdelen - tweede en derde graad

Art. 13.§ 1. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerde optie in het eerste leerjaar van de tweede of derde graad worden gefinancierd of gesubsidieerd, als aan alle volgende voorwaarden gelijktijdig is voldaan : 1° de optie is niet-specifiek;2° de optie is gerangschikt in een studiegebied dat op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar in de instelling werd georganiseerd met ten minste één niet-specifieke optie in het eerste en/of tweede leerjaar van de betrokken graad;3° in het betrokken studiegebied zijn op 1 februari van het voorafgaand schooljaar ten minste het volgend aantal regelmatige leerlingen ingeschreven : a) indien het studiegebied in de tweede en in de derde graad wordt georganiseerd;1. voor de studiegebieden algemeen secundair onderwijs, handel, personenzorg, ballet, beeldende kunsten en podiumkunsten : 150;2. voor alle andere studiegebieden : 100;b) indien het studiegebied enkel in de tweede of in de derde graad wordt georganiseerd : 1.voor de studiegebieden algemeen secundair onderwijs, handel, personenzorg, ballet, beeldende kunsten en podiumkunsten : 75; 2. voor alle andere studiegebieden : 50. Bij de toepassing van de gestelde minimale leerlingennorm worden de leerlingen van de derde leerjaren van de tweede en derde graad en van de leerjaren van de vierde graad, niet in aanmerking genomen. § 2. In afwijking van § 1, 3°, geldt voor de volgende instellingen die het betrokken studiegebied in de betrokken graad of graden organiseren, geen minimale leerlingennorm : 1° de enige instelling van het gemeenschapsonderwijs in de gemeente;2° de enige instelling van het gesubsidieerd officieel onderwijs in de gemeente;3° de enige instelling van het gesubsidieerd vrij onderwijs in de gemeente die een bepaalde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt;4° een instelling van het gesubsidieerd vrij onderwijs : a) die noch het vak godsdienst noch het vak niet-confessionele zedenleer maar wel het vak cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie organiseert, en b) waarvoor de inrichtende macht uitsluitend eigen leerplannen hanteert die door de Vlaamse regering zijn goedgekeurd. Bij de toepassing van 3° worden de instellingen ressorterend onder 4° buiten beschouwing gelaten.

Indien een inrichtende macht in een gemeente meer dan één instelling organiseert, dan kunnen desbetreffende instellingen nooit onder toepassing van 4° vallen.

Art. 14.Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober 1997 niet georganiseerde optie in het eerste leerjaar van de tweede graad, die is gerangschikt in een op dezelfde datum niet georganiseerd studiegebied,worden gefinancierd of gesubsidieerd, als aan alle volgende voorwaarden gelijktijdig is voldaan : 1° de optie is niet-specifiek;2° de optie werd in het eerste leerjaar van de tweede graad in de instelling georganiseerd op 1 oktober 1995 en/of 1 oktober 1996;3° binnen de gemeente en het onderwijsnet is de instelling de enige die de optie in de tweede graad organiseert.

Art. 15.Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober 1997 niet georganiseerde optie in het eerste leerjaar van de derde graad, die is gerangschikt in een op dezelfde datum niet georganiseerd studiegebied, worden gefinancierd of gesubsidieerd, als aan alle volgende voorwaarden gelijktijdig is voldaan : 1° de optie is niet-specifiek;2° de optie werd in het eerste leerjaar van de derde graad in de instelling georganiseerd op 1 oktober 1995 en/of 1 oktober 1996;3° binnen de gemeente en het onderwijsnet is de instelling de enige die de optie in de derde graad organiseert. Onderafdeling D. - Programmatie van structuuronderdelen - derde leerjaren van de derde graad

Art. 16.§ 1. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een specialisatiejaar, worden gefinancierd of gesubsidieerd, als aan alle volgende voorwaarden gelijktijdig is voldaan : 1° het specialisatiejaar is niet-specifiek;2° het specialisatiejaar is gerangschikt in een studiegebied dat op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar in de instelling werd georganiseerd met ten minste één niet-specifieke optie in het eerste en tweede leerjaar van de derde graad;3° op 1 oktober van het schooljaar van oprichting zijn ten minste het volgend aantal regelmatige leerlingen ingeschreven : a) voorzover er geen ander specialisatiejaar van hetzelfde studiegebied wordt georganiseerd : 1.hetzij 12 leerlingen in het betrokken specialisatiejaar; 2. hetzij 8 leerlingen in het betrokken specialisatiejaar : voor instellingen, gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad, voor instellingen, gelegen in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 125 inwoners per km2, en voor de enige instelling in de provincie en het onderwijswet die het betrokken specialisatiejaar organiseert;b) voorzover er één of meer andere specialisatiejaren van hetzelfde studiegebied worden georganiseerd : 1.hetzij 20 leerlingen in alle specialisatiejaren samen; 2. hetzij 15 leerlingen in alle specialisatiejaren samen : voor instellingen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad, voor instellingen, gelegen in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 125 inwoners per km2 en voor de enige instelling in de provincie en het onderwijswet die het betrokken specialisatiejaar organiseert. § 2. Voor de toepassing van § 1 worden de derde leerjaren van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, georganiseerd als specialisatiejaren kinderzorg en thuis- en bejaardenzorg, niet in aanmerking genomen.

Art. 17.Door de Vlaamse Gemeenschap kan het in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, georganiseerd als een specialisatiejaar kinderzorg en/of thuis- en bejaardenzorg, naar keuze van de inrichtende macht, worden gefinancierd of gesubsidieerd, als aan alle volgende voorwaarden gelijktijdig is voldaan : 1° op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar werd in de instelling de optie verzorging georganiseerd in het eerste en tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs;2° op 1 oktober van het schooljaar van oprichting zijn in het betrokken specialisatiejaar of wanneer ze beide worden georganiseerd, in de twee betrokken specialisatiejaren samen, ten minste het volgend aantal regelmatige leerlingen ingeschreven : a) hetzij 18 leerlingen;b) hetzij 12 leerlingen : uitsluitend voor het gemeenschapsonderwijs èn op voorwaarde dat in de provincie maximum twee instellingen van dit onderwijswet één specialisatiejaar of de beide specialisatiejaren organiseren;c) hetzij 8 leerlingen : voor instellingen, gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad, en voor instellingen, gelegen in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 125 inwoners per km2.

Art. 18.Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, niet georganiseerd als een specialisatiejaar, worden gefinancierd of gesubsidieerd op voorwaarde dat op 1 oktober van het schooljaar van oprichting ten minste het volgend aantal regelmatige leerlingen zijn ingeschreven : 1° hetzij 12 leerlingen;2° hetzij 8 leerlingen : voor instellingen, gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad, voor instellingen, gelegen in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 125 inwoners per km2, en voor de enige instelling in de provincie en het onderwijsnet die het betrokken jaar organiseert. Onderafdeling E. - Programmatie van structuuronderdelen - vierde graad

Art. 19.Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerde optie in het eerste leerjaar van de vierde graad worden gefinancierd of gesubsidieerd, als aan alle volgende voorwaarden gelijktijdig is voldaan : 1° het betreft de optie psychiatrische verpleegkunde respectievelijk ziekenhuisverpleegkunde;2° in de instelling werd op dezelfde datum de optie ziekenhuisverpleegkunde respectievelijk psychiatrische verpleegkunde georganiseerd. Onderafdeling F. - Programmatie van specifieke structuuronderdelen - tweede en derde graad

Art. 20.Door de Vlaamse Gemeenschap kan een op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar in de betrokken instelling niet georganiseerde specifieke optie in het eerste leerjaar van de tweede of derde graad of specifiek derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een specialisatiejaar, worden gefinancierd of gesubsidieerd voor zover beantwoordend aan de bepalingen van een convenant dat : 1° is gesloten vóór 1 september 1998 tussen de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, de inrichtende machten van het onderwijs of representatieve verenigingen ervan en de partners uit een beroepssector, culturele of sportsector;2° uitdrukkelijk een beperking van het onderwijsaanbod vastlegt. Onderafdeling G. - Niet-programmeerbare structuuronderdelen

Art. 21.Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd derde leerjaar van de tweede graad, georganiseerd als een vervolmakingsjaar, niet worden gefinancierd of gesubsidieerd.

Art. 22.Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een voorbereidend jaar op het hoger onderwijs, niet worden gefinancierd of gesubsidieerd.

Art. 23.§ 1. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd structuuronderdeel dat onder toepassing valt van artikel 5, § 2, niet worden gefinancierd of gesubsidieerd.

Voor een optie van de tweede of derde graad heeft het "niet georganiseerd zijn" betrekking op het eerste leerjaar van de betrokken graad. § 2. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd structuuronderdeel niet worden gefinancierd of gesubsidieerd indien de Vlaamse regering daartoe beslist met het oog op de omzetting, bedoeld in artikel 6.

Voor een optie van de tweede of derde graad heeft het "niet georganiseerd zijn" betrekking op het eerste leerjaar van de betrokken graad. § 3. In afwijking van § 1 kan door de Vlaamse Gemeenschap een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd structuuronderdeel in het eerste leerjaar van de derde graad, dat uniek is in Vlaanderen en dat onder toepassing valt van artikel 5, § 2, worden gefinancierd of gesubsidieerd, voor zover op voornoemde datum hetzelfde structuuronderdeel in het tweede leerjaar van de tweede graad werd georganiseerd. HOOFDSTUK III. - Bepalingen van toepassing vanaf het schooljaar 1999-2000 op instellingen die tot een scholengemeenschap behoren Afdeling 1. - Algemene bepaling

Art. 24.De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op instellingen die tot een scholengemeenschap behoren. Afdeling 2. - Programmatie van instellingen

Art. 25.§ 1. Een instelling kan worden gefinancierd of gesubsidieerd indien 300 % van de toepasbare rationalisatienorm, bedoeld in artikel 49, 1°, wordt bereikt. § 2. In afwijking van § 1 dient slechts 150 % van de toepasbare rationalisatienorm, bedoeld in artikel 49, 1°, te worden bereikt voor : 1° de enige instelling van het gemeenschapsonderwijs in één der 45 onderwijszones die zijn vastgelegd in de bijlage gevoegd bij dit decreet;2° de enige instelling van het gesubsidieerd officieel onderwijs in één der bedoelde onderwijszones;3° de enige instelling van het gesubsidieerd vrij onderwijs in één der bedoelde onderwijszones die een bepaalde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt;4° een instelling van het gesubsidieerd vrij onderwijs : a) die noch het vak godsdienst noch het vak niet-confessionele zedenleer maar wel het vak cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie organiseert, en b) waarvoor de inrichtende macht uitsluitend eigen leerplannen hanteert die door de Vlaamse regering zijn goedgekeurd. Bij de toepassing van 3° worden de instellingen ressorterend onder 4° buiten beschouwing gelaten.

Indien een inrichtende macht in één der bedoelde onderwijszones meer dan één instelling organiseert, dan kunnen desbetreffende instellingen nooit onder toepassing van 4° vallen. § 3. Instellingen kunnen slechts door splitsing van bestaande instellingen ontstaan indien alle bij de splitsing betrokken instellingen na de splitsing 300 % bereiken van de toepasbare rationalisatienorm, bedoeld in artikel 49, 1°.

Indien echter door splitsing van bestaande instellingen nieuwe instellingen ontstaan in het kader van een gelijktijdige herstructurering die niet resulteert in een groter aantal instellingen, dan dienen alle bij deze splitsing betrokken instellingen na de splitsing slechts 100 % te bereiken van de toepasbare rationalisatienorm, bedoeld in : a) hetzij artikel 49, 1°;b) hetzij artikel 49, 2° : voor de instellingen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de instellingen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een internaat verblijven. § 4. De splitsing bedoeld in § 3 neemt één van de volgende vormen aan : 1° hetzij een afsplitsing van de eerste graad.Bij dergelijke afsplitsing mag de eerste graad, eventueel met dezelfde structuuronderdelen, in de oorspronkelijke instelling gehandhaafd blijven; voor de toepassing van deze bepaling worden de volgende structuuronderdelen bedoeld : het eerste leerjaar A, het eerste leerjaar B, de basisopties en de beroepenvelden; 2° hetzij een afsplitsing van één of meer studiegebieden;3° hetzij een combinatie van beide voorgaande vormen. § 5. Een autonome instelling bestaande uit de eerste graad of de eerste en de tweede graad, die al dan niet ingevolge splitsing ontstaat, moet de volgende structuuronderdelen organiseren : een eerste leerjaar A, een eerste leerjaar B, een tweede leerjaar van de eerste graad en een beroepsvoorbereidend leerjaar. § 6. De programmatie van een instelling die ingevolge splitsing ontstaat kan slechts door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd worden als ze in overeenstemming is met de afspraken, bedoeld in artikel 71, 1°. Afdeling 3. - Programmatie van structuuronderdelen

Onderafdeling A. - Algemene bepaling

Art. 26.De programmatie van een structuuronderdeel kan slechts door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierd of gesubsidieerd worden als ze in overeenstemming is met de afspraken, bedoeld in artikel 71, 1°.

Onderafdeling B. - Programmatie van specifieke structuuronderdelen - eerste graad

Art. 27.§ 1. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerde specifieke basisoptie worden gefinancierd of gesubsidieerd, op voorwaarde dat in dezelfde instelling of in een andere instelling van dezelfde scholengemeenschap in de tweede graad ten minste één aansluitend studiegebied op voormelde datum wordt georganiseerd.

De Vlaamse regering bepaalt voor elke specifieke basisoptie het(de) aansluitend(e) studiegebied(en). § 2. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd specifiek beroepenveld worden gefinancierd of gesubsidieerd, op voorwaarde dat in dezelfde instelling of in een andere instelling van dezelfde scholengemeenschap in de tweede graad ten minste één aansluitend studiegebied op voormelde datum wordt georganiseerd.

De Vlaamse regering bepaalt voor elk specifiek beroepenveld het(de) aansluitend(e) studiegebied(en).

Onderafdeling C. - Programmatie van structuuronderdelen na gunstige beslissing van de Vlaamse regering

Art. 28.§ 1. Onverminderd de toepassing van artikel 23 kan door de Vlaamse Gemeenschap een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar : 1° niet georganiseerde specifieke optie in het eerste leerjaar van de tweede of derde graad of niet georganiseerd specifiek derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een specialisatiejaar, vastgelegd door de Vlaamse regering met toepassing van artikel 5, § 1, of artikel 6, § 1;2° niet georganiseerd(e) basisoptie, beroepenveld, optie in het eerste leerjaar van de tweede of derde graad of niet georganiseerd derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een specialisatiejaar, nog niet vastgelegd door de Vlaamse regering met toepassing van artikel 5, § 1, of artikel 6, § 1;3° niet georganiseerd studiegebied, vermeld in artikel 6, § 3, worden gefinancierd of gesubsidieerd op voorwaarde dat de Vlaamse regering na gemotiveerde aanvraag van de betrokken inrichtende macht gunstig beslist. § 2. De Vlaamse regering neemt de beslissing, bedoeld in § 1, op eensluidend advies van de Vlaamse onderwijsraad en van de bevoegde administratie en inspectie van het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.

Elk advies dient uit te gaan van de volgende criteria : 1° de behoeften;2° de eventuele samenwerking met het bedrijfsleven;3° de rationele spreiding;4° de mogelijkheden van de betrokken instelling op het vlak van infrastructuur, leermiddelen, goedgekeurde leerplannen en inzetbaarheid van het personeel;5° de onderwijskundige en opvoedkundige context, meer bepaald : a) de aansluiting bij het bestaande onderwijsaanbod in de betrokken instelling of de betrokken scholengemeenschap;b) de waarborgen met betrekking tot, naargelang van het geval, de doorstroming naar een vervolgstudie of de tewerkstellingsperspectieven;6° de relatie met het opleidingsprofiel, maar dan uitsluitend voor een basisoptie, een beroepenveld, een optie in het eerste leerjaar van de tweede of derde graad of een derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een specialisatiejaar, nog niet door de Vlaamse regering vastgelegd met toepassing van artikel 5, § 1, of artikel 6, § 1. Onderafdeling D. - Overige programmaties

Art. 29.§ 1. Onverminderd de toepassing van artikel 23 kan door de Vlaamse Gemeenschap een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd structuuronderdeel dat niet onder toepassing valt van artikel 27 of 28 worden gefinancierd of gesubsidieerd. § 2. Voor de toepassing van § 1 wordt met structuuronderdeel bedoeld : 1° een eerste leerjaar A of B;2° een basisoptie;3° een beroepenveld;4° een optie van de tweede, derde dan wel vierde graad van een bepaalde onderwijsvorm;5° het derde leerjaar van de tweede graad, georganiseerd als een vervolmakingsjaar;6° het derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een voorbereidend jaar op het hoger onderwijs;7° het derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een specialisatiejaar;8° het derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, niet georganiseerd als een specialisatiejaar. § 3. De toepassing van de bepalingen van dit artikel mag er geen aanleiding toe geven dat een optie van de tweede of derde graad wordt gefinancierd of gesubsidieerd, die is gerangschikt in een studiegebied dat op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar in de instelling werd georganiseerd met uitsluitend specifieke opties in het eerste en tweede leerjaar van de betrokken graad. HOOFDSTUK IV. - Bepalingen van toepassing vanaf het schooljaar 1999-2000 op instellingen die niet tot een scholengemeenschap behoren Afdeling 1. - Algemene bepaling

Art. 30.De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op instellingen die niet tot een scholengemeenschap behoren. Afdeling 2. - Programmatie van instellingen

Art. 31.§ 1. Een instelling kan worden gefinancierd of gesubsidieerd indien 300 % van de toepasbare rationalisatienorm, bedoeld in artikel 49, 1°, wordt bereikt. § 2. In afwijking van § 1 dient slechts 150 % van de toepasbare rationalisatienorm, bedoeld in artikel 49, 1°, te worden bereikt voor : 1° de enige instelling van het gemeenschapsonderwijs in één der 45 onderwijszones die zijn vastgelegd in de bijlage gevoegd bij dit decreet;2° de enige instelling van het gesubsidieerd officieel onderwijs in één der bedoelde onderwijszones;3° de enige instelling van het gesubsidieerd vrij onderwijs in één der bedoelde onderwijszones die een bepaalde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt;4° een instelling van het gesubsidieerd vrij onderwijs : a) die noch het vak godsdienst noch het vak niet-confessionele zedenleer maar wel het vak cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie organiseert, en b) waarvoor de inrichtende macht uitsluitend eigen leerplannen hanteert die door de Vlaamse regering zijn goedgekeurd. Bij de toepassing van 3° worden de instellingen ressorterend onder 4° buiten beschouwing gelaten.

Indien een inrichtende macht in één der bedoelde onderwijszones meer dan één instelling organiseert, dan kunnen desbetreffende instellingen nooit onder toepassing van 4° vallen. § 3. Instellingen kunnen slechts door splitsing van bestaande instellingen ontstaan indien alle bij de splitsing betrokken instellingen na de splitsing 300 % bereiken van de toepasbare rationalisatienorm, bedoeld in artikel 49, 1°.

Indien echter door splitsing van bestaande instellingen nieuwe instellingen ontstaan in het kader van een gelijktijdige herstructurering die niet resulteert in een groter aantal instellingen, dan dienen alle bij deze splitsing betrokken instellingen na de splitsing slechts 100 % te bereiken van de toepasbare rationalisatienorm, bedoeld in : a) hetzij artikel 49, 1°;b) hetzij artikel 49, 2° : voor de instellingen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de instellingen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een internaat verblijven. § 4. De splitsing, bedoeld in § 3, neemt één van de volgende vormen aan : 1° hetzij een afsplitsing van de eerste graad.Bij dergelijke afsplitsing mag de eerste graad, eventueel met dezelfde structuuronderdelen, in de oorspronkelijke instelling gehandhaafd blijven; voor de toepassing van deze bepaling worden de volgende structuuronderdelen bedoeld : het eerste leerjaar A, het eerste leerjaar B, de basisopties en de beroepenvelden; 2° hetzij een afsplitsing van één of meer studiegebieden;3° hetzij een combinatie van beide voorgaande vormen. § 5. Een autonome instelling bestaande uit de eerste graad of de eerste en de tweede graad, die al dan niet ingevolge splitsing ontstaat, moet de volgende structuuronderdelen organiseren : een eerste leerjaar A, een eerste leerjaar B, een tweede leerjaar van de eerste graad en een beroepsvoorbereidend leerjaar. Afdeling 3. - Programmatie van structuuronderdelen

Onderafdeling A. - Programmatie van structuuronderdelen. - eerste graad

Art. 32.§ 1. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet ingericht(e) eerste leerjaar A of B, niet-specifieke basisoptie of niet-specifiek beroepenveld worden gefinancierd of gesubsidieerd. § 2. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerde specifieke basisoptie worden gefinancierd of gesubsidieerd, op voorwaarde dat in dezelfde instelling in de tweede graad ten minste één aansluitend studiegebied op voormelde datum wordt georganiseerd.

De Vlaamse regering bepaalt voor elke specifieke basisoptie het(de) aansluitend(e) studiegebied(en). § 3. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd specifiek beroepenveld worden gefinancierd of gesubsidieerd, op voorwaarde dat in dezelfde instelling in de tweede graad ten minste één aansluitend studiegebied op voormelde datum wordt georganiseerd.

De Vlaamse regering bepaalt voor elk specifiek beroepenveld het(de) aansluitend(e) studiegebied(en).

Onderafdeling B. - Programmatie van structuuronderdelen tweede - en derde graad

Art. 33.§ 1. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerde optie in het eerste leerjaar van de tweede of derde graad worden gefinancierd of gesubsidieerd, als aan alle volgende voorwaarden gelijktijdig is voldaan : 1° de optie is niet-specifiek;2° de optie is gerangschikt in een studiegebied dat op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar in de instelling werd georganiseerd met ten minste één niet-specifieke optie in het eerste en/of tweede leerjaar van de betrokken graad;3° in het betrokken studiegebied zijn op 1 februari van het voorafgaand schooljaar ten minste het volgend aantal regelmatige leerlingen ingeschreven : a) indien het studiegebied in de tweede en in de derde graad wordt georganiseerd : 1.voor de studiegebieden algemeen secundair onderwijs, handel, personenzorg, ballet, beeldende kunsten en podiumkunsten : 150; 2. voor alle andere studiegebieden : 100;b) indien het studiegebied enkel in de tweede of in de derde graad wordt georganiseerd : 1.voor de studiegebieden algemeen secundair onderwijs, handel, personenzorg, ballet, beeldende kunsten en podiumkunsten : 75; 2. voor alle andere studiegebieden : 50. Bij de toepassing van de gestelde minimale leerlingennorm worden de leerlingen van de derde leerjaren van de tweede en derde graad en van de leerjaren van de vierde graad, niet in aanmerking genomen. § 2. In afwijking van § 1, 3°, geldt voor de volgende instellingen die het betrokken studiegebied in de betrokken graad of graden organiseren, geen minimale leerlingennorm : 1° de enige instelling van het gemeenschapsonderwijs in de gemeente;2° de enige instelling van het gesubsidieerd officieel onderwijs in de gemeente;3° de enige instelling van het gesubsidieerd vrij onderwijs in de gemeente die een bepaalde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt;4° een instelling van het gesubsidieerd vrij onderwijs : a) die noch het vak godsdienst noch het vak niet-confessionele zedenleer maar wel het vak cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie organiseert;en b) waarvoor de inrichtende macht uitsluitend eigen leerplannen hanteert die door de Vlaamse regering zijn goedgekeurd. Bij de toepassing van 3° worden de instellingen ressorterend onder 4° buiten beschouwing gelaten.

Indien een inrichtende macht in een gemeente meer dan één instelling organiseert, dan kunnen desbetreffende instellingen nooit onder toepassing van 4° vallen.

Onderafdeling C. - Programmatie van structuuronderdelen - derde leerjaren van de derde graad

Art. 34.§ 1. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een specialisatiejaar, worden gefinancierd of gesubsidieerd, als aan alle volgende voorwaarden gelijktijdig is voldaan : 1° het specialisatiejaar is niet-specifiek;2° het specialisatiejaar is gerangschikt in een studiegebied dat op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar in de instelling werd georganiseerd met ten minste één niet-specifieke optie in het eerste en tweede leerjaar van de derde graad;3° op 1 oktober van het schooljaar van oprichting zijn ten minste het volgend aantal regelmatige leerlingen ingeschreven : a) voorzover er geen ander specialisatiejaar van hetzelfde studiegebied wordt georganiseerd : 1.hetzij 12 leerlingen in het betrokken specialisatiejaar; 2. hetzij 8 leerlingen in het betrokken specialisatiejaar : voor instellingen, gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad, voor instellingen, gelegen in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 125 inwoners per km2, en voor de enige instelling in de provincie en het onderwijswet die het betrokken specialisatiejaar organiseert;b) voorzover er één of meer andere specialisatiejaren van hetzelfde studiegebied worden georganiseerd : 1.hetzij 20 leerlingen in alle specialisatiejaren samen; 2. hetzij 15 leerlingen in alle specialisatiejaren samen : voor instellingen, gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad, voor instellingen gelegen in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 125 inwoners per km2, en voor de enige instelling in de provincie en het onderwijswet die het betrokken specialisatiejaar organiseert. § 2. Voor de toepassing van § 1 worden de derde leerjaren van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, georganiseerd als specialisatiejaren kinderzorg en thuis- en bejaardenzorg, niet in aanmerking genomen.

Art. 35.Door de Vlaamse Gemeenschap kan het in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, georganiseerd als een specialisatiejaar kinderzorg en/of thuis- en bejaardenzorg, naar keuze van de inrichtende macht, worden gefinancierd of gesubsidieerd, als aan alle volgende voorwaarden gelijktijdig is voldaan : 1° op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar werd in de instelling de optie verzorging georganiseerd in het eerste en tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs;2° op 1 oktober van het schooljaar van oprichting zijn in het betrokken specialisatiejaar of wanneer ze beide worden georganiseerd, in de twee betrokken specialisatiejaren samen, ten minste het volgend aantal regelmatige leerlingen ingeschreven : a) hetzij 18 leerlingen;b) hetzij 12 leerlingen : uitsluitend voor het gemeenschapsonderwijs én op voorwaarde dat in de provincie maximum twee instellingen van dit onderwijswet één specialisatiejaar of de beide specialisatiejaren organiseren;c) hetzij 8 leerlingen : voor instellingen, gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad, en voor instellingen, gelegen in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 125 inwoners per km2.

Art. 36.Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, niet georganiseerd als een specialisatiejaar, worden gefinancierd of gesubsidieerd op voorwaarde dat op 1 oktober van het schooljaar van oprichting ten minste het volgend aantal regelmatige leerlingen zijn ingeschreven : 1° hetzij 12 leerlingen;2° hetzij 8 leerlingen : voor instellingen, gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad, voor instellingen, gelegen in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 125 inwoners per km2, en voor de enige instelling in de provincie en het onderwijsnet die het betrokken jaar organiseert. Onderafdeling D. - Programmatie van structuuronderdelen - vierde graad

Art. 37.Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerde optie in het eerste leerjaar van de vierde graad worden gefinancierd of gesubsidieerd, als aan alle volgende voorwaarden gelijktijdig is voldaan : 1° het betreft de optie psychiatrische verpleegkunde respectievelijk ziekenhuisverpleegkunde;2° in de instelling werd op dezelfde datum de optie ziekenhuisverpleegkunde respectievelijk psychiatrische verpleegkunde georganiseerd. Onderafdeling E. - Programmatie van structuuronderdelen na gunstige beslissing van de Vlaamse regering

Art. 38.§ 1. Onverminderd de toepassing van artikel 41 kan door de Vlaamse Gemeenschap een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar : 1° niet georganiseerde specifieke optie in het eerste leerjaar van de tweede of derde graad of niet georganiseerd specifiek derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een specialisatiejaar, vastgelegd door de Vlaamse regering met toepassing van artikel 5, § 1, of artikel 6, § 1;2° niet georganiseerde basisoptie, beroepenveld, optie in het eerste leerjaar van de tweede of derde graad of niet georganiseerd derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een specialisatiejaar, nog niet vastgelegd door de Vlaamse regering met toepassing van artikel 5, § 1, of artikel 6, § 1;3° niet georganiseerd studiegebied, vermeld in artikel 6, § 3, worden gefinancierd of gesubsidieerd op voorwaarde dat de Vlaamse regering na gemotiveerde aanvraag van de betrokken inrichtende macht gunstig beslist. § 2. De Vlaamse regering neemt de beslissing, bedoeld in § 1, op eensluidend advies van de Vlaamse onderwijsraad en van de bevoegde administratie en inspectie van het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.

Elk advies dient uit te gaan van de volgende criteria : 1° de behoeften;2° de eventuele samenwerking met het bedrijfsleven;3° de rationele spreiding;4° de mogelijkheden van de betrokken instelling op het vlak van infrastructuur, leermiddelen, goedgekeurde leerplannen en inzetbaarheid van het personeel;5° de onderwijskundige en opvoedkundige context, meer bepaald : a) de aansluiting bij het bestaande onderwijsaanbod in de betrokken instelling;b) de waarborgen met betrekking tot, naargelang van het geval, de doorstroming naar een vervolgstudie of de tewerkstellingsperspectieven;6° de relatie met het opleidingsprofiel, maar dan uitsluitend voor een basisoptie, een beroepenveld, een optie in het eerste leerjaar van de tweede of derde graad of een derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een specialisatiejaar, nog niet door de Vlaamse regering vastgelegd met toepassing van artikel 5, § 1, of artikel 6, § 1. Onderafdeling F. - Niet-programmeerbare structuuronderdelen

Art. 39.Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd derde leerjaar van de tweede graad, georganiseerd als een vervolmakingsjaar, niet worden gefinancierd of gesubsidieerd.

Art. 40.Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een voorbereidend jaar op het hoger onderwijs, niet worden gefinancierd of gesubsidieerd.

Art. 41.§ 1. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd structuuronderdeel dat onder toepassing valt van artikel 5, § 2, niet worden gefinancierd of gesubsidieerd.

Voor een optie van de tweede of derde graad heeft het "niet georganiseerd zijn" betrekking op het eerste leerjaar van de betrokken graad. § 2. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd structuuronderdeel niet worden gefinancierd of gesubsidieerd indien de Vlaamse regering daartoe beslist met het oog op de omzetting, bedoeld in artikel 6.

Voor een optie van de tweede of derde graad heeft het "niet georganiseerd zijn" betrekking op het eerste leerjaar van de betrokken graad.

TITEL V. - Omvormingen en overhevelingen HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Art. 42.De bepalingen van deze titel zijn van toepassing op het voltijds gewoon secundair onderwijs; de bepalingen van hoofdstuk II zijn vanaf het schooljaar 1999-2000 niet van toepassing op instellingen die tot een scholengemeenschap behoren.

De bepalingen van deze titel zijn niet van toepassing op de instellingen van het gemeenschapsonderwijs die in Duitsland gelegen zijn.

Art. 43.Een omvorming of overheveling kan door de Vlaamse Gemeenschap slechts worden gefinancierd of gesubsidieerd als ze in overeenstemming is met de afspraken, bedoeld in artikel 71, 1°. HOOFDSTUK II. - Omvormingen

Art. 44.§ 1. Door de Vlaamse Gemeenschap kan een in de betrokken instelling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar niet georganiseerd structuuronderdeel worden gefinancierd of gesubsidieerd, als aan alle volgende voorwaarden gelijktijdig is voldaan : 1° het structuuronderdeel ontstaat door omvorming van een op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar in de instelling ingericht structuuronderdeel van dezelfde groep, bedoeld in § 2;2° de omvorming naar een specifiek structuuronderdeel kan slechts plaatsvinden vanuit een ander specifiek structuuronderdeel van dezelfde groep, bedoeld in § 2, en voorzover is voldaan aan, naargelang van het geval : a) voor het schooljaar 1998-1999 : artikel 12, §§ 2 en 3, en artikel 20;b) vanaf het schooljaar 1999-2000 : artikel 32, §§ 2 en 3, en artikel 38;3° de omvorming gebeurt steeds binnen eenzelfde studiegebied dat op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar werd georganiseerd;in afwijking hiervan kan, voor de derde leerjaren van de derde graad, de omvorming plaatsvinden tussen verschillende studiegebieden die op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar werden georganiseerd; 4° de omvorming van een specifieke optie naar een niet- specifieke optie van de tweede of de derde graad en de omvorming van een specifiek naar een niet-specifiek derde leerjaar van de derde graad is slechts mogelijk indien op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar in de instelling tenminste één niet-specifieke optie van het betrokken studiegebied in het eerste en/of tweede leerjaar van de betrokken graad werd ingericht;5° de omvorming mag er geen aanleiding toe geven dat afbreuk wordt gedaan aan : a) voor het schooljaar 1998-1999 : artikel 23;b) vanaf het schooljaar 1999-2000 : artikel 41;6° een omvorming naar een derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een specialisatiejaar kinderzorg of thuis- en bejaardenzorg van het beroepssecundair onderwijs, is niet mogelijk;7° voor een optie van de tweede of derde graad vindt de omvorming geleidelijk, leerjaar na leerjaar, plaats, te beginnen met het eerste. § 2. De respectieve groepen van structuuronderdelen zijn : 1° de basisopties en beroepenvelden;2° de opties van de tweede graad;3° de opties van de derde graad;4° het derde leerjaar van de tweede graad, georganiseerd als een vervolmakingsjaar;5° de derde leerjaren van de derde graad, georganiseerd als een voorbereidend jaar op het hoger onderwijs, als een specialisatiejaar of - in het beroepssecundair onderwijs - niet als een specialisatiejaar. HOOFDSTUK III. - Overhevelingen

Art. 45.§ 1. Door de Vlaamse Gemeenschap kan in een instelling een structuuronderdeel gefinancierd of gesubsidieerd worden of blijven, als aan alle volgende voorwaarden gelijktijdig is voldaan : 1° het structuuronderdeel ontstaat of wordt verder georganiseerd door overheveling van een op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar georganiseerd structuuronderdeel in : a) hetzij een andere instelling van dezelfde inrichtende macht gelegen in dezelfde gemeente;b) hetzij een andere instelling van dezelfde scholengemeenschap;c) hetzij, maar wel uitsluitend voor de overheveling van het volledig onderwijsaanbod van een vestigingsplaats, een andere instelling van dezelfde inrichtende macht gelegen in een aangrenzende gemeente.2° elke overheveling vindt in een keer plaats. § 2. Voor de toepassing van § 1 wordt met structuuronderdeel bedoeld : 1° hetzij de volledige eerste graad van een instelling;2° hetzij een volledig studiegebied van een instelling;3° hetzij een derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, niet georganiseerd als een specialisatiejaar;indien de overheveling betrekking heeft op alle georganiseerde studiegebieden van het beroepssecundair onderwijs, moet het derde leerjaar voorzover het georganiseerd wordt, mee overgeheveld; 4° hetzij een bepaalde vestigingsplaats van een instelling met inbegrip van het volledig aldaar georganiseerd onderwijsaanbod; voorzover dit onderwijsaanbod ook wordt georganiseerd op één of meer andere vestigingsplaatsen van de betrokken instelling die buiten de overheveling vallen, mag bedoeld onderwijsaanbod gehandhaafd blijven voorzover deze vestigingsplaatsen in een andere gemeente zijn gelegen. § 3. Voor de toepassing van de omkaderingsnormen van het personeel, de toepassing van de minimale schoolbevolkingsnormen en de vaststelling van de werkingskredieten en -toelagen, wordt de overheveling geacht reeds op 1 februari van het voorafgaand schooljaar te hebben plaatsgevonden. § 4. Indien de overheveling aanleiding geeft tot de ingebruikneming van een extra vestigingsplaats, wordt artikel 3, § 3, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, gewijzigd bij de wet van 1 augustus 1988, en artikel 24, § 2, 8°, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 14 juli 1975, niet toegepast. § 5. Elke overheveling zal het voorwerp uitmaken van onderhandeling in het lokaal comité.

TITEL VI. - Rationalisatie

Art. 46.De bepalingen van deze titel zijn van toepassing op het voltijds gewoon secundair onderwijs.

De bepalingen van deze titel zijn niet van toepassing op de instellingen van het gemeenschapsonderwijs die in Duitsland gelegen zijn.

Art. 47.Voor elke instelling geldt een rationalisatienorm.

Voor de toepassing van deze rationalisatienorm worden de leerlingen van het derde leerjaar van de derde graad, ingericht als een voorbereidend jaar op het hoger onderwijs of als een specialisatiejaar van het technisch en het kunstsecundair onderwijs, niet in aanmerking genomen.

Art. 48.De rationalisatienorm wordt, op basis van de gradenstructuur van de instelling, als volgt vastgesteld : 1° voor de instellingen die niet ressorteren onder 2° : a) met enkel een eerste graad : 111;b) met een eerste + tweede graad : 200;c) met een tweede + derde graad : 150;d) met een eerste + tweede + derde graad : 261;2° voor de instellingen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de instellingen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een internaat verblijven : a) met enkel een eerste graad : 83;b) met een eerste + tweede graad : 150;c) met een tweede + derde graad : 113;d) met een eerste + tweede + derde graad : 196.

Art. 49.In afwijking van artikel 48 wordt de rationalisatienorm voor een instelling die tot een scholengemeenschap behoort met 15 % verminderd zoals hierna bepaald : 1° voor de instellingen die niet ressorteren onder 2° : a) met enkel een eerste graad : 94;b) met een eerste + tweede graad : 170;c) met een tweede + derde graad : 129;d) met een eerste + tweede + derde graad : 223;2° voor de instellingen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de instellingen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een internaat verblijven : a) met enkel een eerste graad : 71;b) met een eerste + tweede graad : 128;c) met een tweede + derde graad : 97;d) met een eerste + tweede + derde graad : 168.

Art. 50.§ 1. In afwijking van artikel 48 wordt de rationalisatienorm voor een instelling zonder een derde graad die gelegen is op een afstand van ten minste 4 km van een andere instelling van hetzelfde onderwijsnet en die, voor wat het gesubsidieerd vrij onderwijs betreft, ten minste eenzelfde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt, waarin dezelfde graad of graden georganiseerd worden, met 33 % verminderd zoals hierna bepaald : 1° voor de instellingen die niet ressorteren onder 2° : a) met enkel een eerste graad : 74;b) met een eerste + tweede graad : 133.2° voor de instellingen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de instellingen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een internaat verblijven : a) met enkel een eerste graad : 55;b) met een eerste + tweede graad : 99. § 2. In afwijking van artikel 48 wordt de rationalisatienorm voor een instelling met een derde graad die gelegen is op een afstand van ten minste 6 km van een andere instelling van hetzelfde onderwijsnet en die, voor wat het gesubsidieerd vrij onderwijs betreft, ten minste eenzelfde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt, waarin dezelfde graad georganiseerd wordt, met 33 % verminderd zoals hierna bepaald : 1° voor de instellingen die niet ressorteren onder 2° : a) met een tweede + derde graad : 100;b) met een eerste + tweede + derde graad : 174;2° voor de instellingen gelegen in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad of in een gemeente met een bevolkingsdichtheid van minder dan 250 inwoners per km2 en voor de instellingen waarvan meer dan 75 % van de regelmatige leerlingen in een internaat verblijven : a) met een tweede + derde graad : 75;b) met een eerste + tweede + derde graad : 130. § 3. Voor de vaststelling of een instelling binnen de in § 1 of § 2 vermelde afstand valt, wordt geen rekening gehouden met : 1° een instelling die slechts unieke structuuronderdelen aanbiedt; voor de toepassing van deze bepaling wordt bedoeld met : a) uniek : per onderwijswet slechts een keer georganiseerd per provincie dan wel in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad;b) structuuronderdeel : - een basisoptie; - een beroepenveld; - een optie van de tweede, derde of vierde graad van een bepaalde onderwijsvorm; - het derde leerjaar van de tweede graad, georganiseerd als een vervolmakingsjaar; - het derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, al dan niet georganiseerd als een specialisatiejaar; 2° een instelling van het gesubsidieerd vrij onderwijs : a) die noch het vak godsdienst noch het vak niet-confessionele zedenleer maar wel het vak cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie organiseert;en b) waarvoor de inrichtende macht uitsluitend eigen leerplannen hanteert die door de Vlaamse regering zijn goedgekeurd;en c) die ressorteert onder een inrichtende macht die in de betrokken gemeente slechts één instelling organiseert.

Art. 51.§ 1. In afwijking van artikel 48 wordt de rationalisatienorm voor een instelling zonder een derde graad die gelegen is op een afstand van ten minste 8 km van een andere instelling van hetzelfde onderwijswet en die, voor wat het gesubsidieerd vrij onderwijs betreft, ten minste eenzelfde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt, waarin dezelfde graad of graden georganiseerd worden, met 66 % verminderd zoals hierna bepaald : 1° met enkel een eerste graad : 37;2° met een eerste + tweede graad : 67. § 2. In afwijking van artikel 48 wordt de rationalisatienorm voor een instelling met een derde graad die gelegen is op een afstand van ten minste 12 km van een andere instelling van hetzelfde onderwijsnet en die, voor wat het gesubsidieerd vrij onderwijs betreft, ten minste eenzelfde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt, waarin dezelfde graad georganiseerd wordt, met 66 % verminderd zoals hierna bepaald : 1° met een tweede + derde graad : 50;2° met een eerste + tweede + derde graad : 87. § 3. Voor de vaststelling of een instelling binnen de in § 1 of § 2 vermelde afstand valt, wordt geen rekening gehouden met instellingen, bedoeld in artikel 50, § 3.

Art. 52.§ 1. In afwijking van artikel 48 wordt de rationalisatienorm voor een instelling die slechts unieke structuuronderdelen aanbiedt zoals bedoeld in artikel 50, § 3, 1°, als volgt vastgesteld : 1° met enkel een eerste graad : 37;2° met een eerste + tweede graad : 67;3° met een tweede + derde graad : 50;4° met een eerste + tweede + derde graad : 87. § 2. In afwijking van artikel 48 wordt de rationalisatienorm voor een instelling van het gesubsidieerd vrij onderwijs : a) die noch het vak godsdienst noch het vak niet-confessionele zedenleer maar wel het vak cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie organiseert;en b) waarvoor de inrichtende macht uitsluitend eigen leerplannen hanteert die door de Vlaamse regering zijn goedgekeurd;en c) die ressorteert onder een inrichtende macht die in de betrokken gemeente slechts één instelling organiseert, als volgt vastgesteld : 1° met enkel een eerste graad : 37;2° met een eerste + tweede graad : 67;3° met een tweede + derde graad : 50;4° met een eerste + tweede + derde graad : 87.

Art. 53.§ 1. De rationalisatienorm voor een instelling die enkel de vierde graad organiseert, wordt vastgesteld op 100. § 2. De respectieve rationalisatienormen vermeld in artikel 48 tot en met 52 worden verhoogd met 100 indien de instelling naast andere graden eveneens een vierde graad organiseert.

Art. 54.§ 1. In afwijking van artikel 48 wordt per graad de rationalisatienorm voor een instelling die uitsluitend zeevisserijonderwijs organiseert als volgt vastgesteld : 1° eerste graad : 37;2° tweede graad : 30;3° derde graad : 20. § 2. De rationalisatienormen vermeld in § 1 zijn niet vereist indien de instelling de enige is die in het betrokken onderwijswet zeevisserijonderwijs organiseert.

Art. 55.Elke instelling die de rationalisatienorm niet bereikt op 1 februari van het voorafgaand schooljaar, dient : 1° hetzij over te gaan tot geleidelijke afbouw, leerjaar na leerjaar, te beginnen met het eerste, van de af te bouwen graad of graden, onverminderd het in artikel 51 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II, gewijzigd bij het decreet van 19 april 1995, gestelde;2° hetzij te fusioneren met een andere instelling voor voltijds gewoon secundair onderwijs.

Art. 56.Een fusie van instellingen, al dan niet ingevolge het niet bereiken van de toepasbare rationalisatienorm door één of meer instellingen : 1° houdt het ontstaan in van een instelling die niet als nieuw wordt beschouwd en die, onverminderd het in artikel 24, § 2, 8°, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, gewijzigd bij de wet van 14 juli 1975, gestelde, alle voorheen bestaande vestigingsplaatsen mag omvatten waaronder één hoofdvestigingsplaats;2° wordt in een keer tot stand gebracht, wat impliceert dat er nog slechts één inrichtende macht en één directeur is;3° vindt plaats : a) hetzij door samenvoeging tot één instelling van twee of meer instellingen die gelijktijdig worden afgeschaft;b) hetzij door samenvoeging van twee of meer instellingen waarbij één blijft bestaan die de andere opslorpt.4° kan betrekking hebben op één of meer instellingen die in geleidelijke afbouw zijn.

Art. 57.In de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, worden volgende wijzigingen aangebracht : 1° in artikel 3, § 2, derde lid, worden de woorden ", confessioneel of pluralistisch" vervangen door de woorden "of confessioneel";2° in artikel 4, derde lid, worden de woorden ", de confessionele en de pluralistische" vervangen door de woorden "en de confessionele". TITEL VII. - Vrijwillige fusies

Art. 58.De bepalingen van deze titel zijn van toepassing op het voltijds gewoon secundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en het deeltijds secundair zeevisserijonderwijs.

De bepalingen van deze titel zijn eveneens van toepassing op de instellingen van het gemeenschapsonderwijs die in Duitsland gelegen zijn.

Art. 59.Artikel 58bis van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II, ingevoegd bij het decreet van 21 december 1994 en gewijzigd bij het decreet van 15 juli 1997, wordt vervangen door wat volgt : «

Artikel 58bis.§ 1. Na vrijwillige fusie van instellingen wordt het extra aantal wekelijkse uren-leraar dat aan de inrichtende macht wordt toegekend, bedoeld in artikel 56, 3°, gekoppeld aan de volgende voorwaarden : 1° de instellingen dienen op 1 februari van het schooljaar voor de fusie de toepasbare rationalisatienorm te bereiken;2° de instellingen die na de fusie overblijven moeten onder dezelfde inrichtende macht ressorteren;3° het aantal instellingen dat na de fusie overblijft moet kleiner zijn dan of gelijk zijn aan het oorspronkelijk aantal instellingen;4° in het onderwijsaanbod van de instellingen die na de fusie overblijven, zijn geen overlappingen van structuuronderdelen van de tweede, de derde of de vierde graad toegelaten;een eerste leerjaar A, een eerste leerjaar B, basisopties en beroepenvelden mogen wel meermaals worden aangeboden.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt bedoeld met : 1° instelling : een instelling voor voltijds gewoon secundair onderwijs met inbegrip van het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of het centrum voor deeltijds secundair zeevisserijonderwijs dat eventueel aan deze instelling is gehecht;2° structuuronderdeel : a) een optie van de tweede, derde dan wel vierde graad van een bepaalde onderwijsvorm;b) het derde leerjaar van de tweede graad, georganiseerd als een vervolmakingsjaar;c) het derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een voorbereidend jaar op het hoger onderwijs;d) het derde leerjaar van de derde graad, georganiseerd als een specialisatiejaar;e) het derde leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, niet georganiseerd als een specialisatiejaar. § 2. Het extra aantal wekelijkse uren-leraar wordt vastgesteld als volgt : 1° tussen de som van het respectievelijk aantal wekelijkse uren-leraar dat op basis van de regelmatige schoolbevolking van 1 februari van het schooljaar voorafgaand aan de fusie overeenkomstig de reglementering wordt toegekend zonder met de fusie rekening te houden en een analoge som wel rekening houdend met de fusie, wordt het verschil gemaakt;2° van het verschil, bedoeld in 1°, wordt aan de inrichtende macht toegekend : a) gedurende het eerste schooljaar vanaf de fusie : 100 %;b) gedurende het tweede schooljaar vanaf de fusie : 75 %;c) gedurende het derde schooljaar vanaf de fusie : 50 %;d) gedurende het vierde schooljaar vanaf de fusie : 25 %.»

Art. 60.§ 1. Na vrijwillige fusie van instellingen, gekoppeld aan de voorwaarden genoemd in artikel 58bis, § 1, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II, wordt aan de inrichtende macht een extra aantal betrekkingen ondersteunend personeel, administratief personeel en/of opvoedend hulppersoneel toegekend. § 2. Het aantal betrekkingen, bedoeld in § 1, wordt vastgesteld als volgt : 1° tussen de som van het respectievelijk aantal betrekkingen ondersteunend personeel, administratief personeel en/of opvoedend hulppersoneel dat op basis van de regelmatige schoolbevolking van 1 februari van het schooljaar voorafgaand aan de fusie overeenkomstig de reglementering wordt berekend zonder met de fusie rekening te houden, en een analoge som wel rekening houdend met de fusie, wordt het verschil gemaakt;2° het verschil, bedoeld in 1°, wordt gedurende vier schooljaren jaarlijks vanaf de fusie naar rata van 100 % aan de inrichtende macht toegekend, onder die voorwaarde dat in de betrokken betrekkingen enkel personeelsleden kunnen worden aangesteld die door de fusie overeenkomstig de reglementering ter beschikking zijn gesteld wegens ontstentenis van betrekking in deze betrekkingen en die in de fusie-instelling of in de instellingen die aan de fusie deelnemen niet gereaffecteerd kunnen worden.De verplichting tot reaffectatie en wedertewerkstelling buiten de fusie-instelling of buiten de instellingen die aan de fusie deelnemen, wordt voor vier schooljaren opgeschort. Deze aanstellingen worden beschouwd als reaffectatie.

Art. 61.§ 1. Na vrijwillige fusie van instellingen, gekoppeld aan de voorwaarden genoemd in artikel 58bis, § 1, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II, wordt aan de inrichtende macht gedurende twee schooljaren vanaf de fusie één fusiebegeleider bij één van de betrokken instellingen toegekend. § 2. De functie van fusiebegeleider, bedoeld in § 1, heeft betrekking op één personeelslid naar keuze van het bestuurspersoneel dat door de fusie overeenkomstig de reglementering ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking; de aanstelling als fusiebegeleider wordt beschouwd als reaffectatie of wedertewerkstelling. De verplichting tot reaffectatie en wedertewerkstelling buiten de fusie-instelling of buiten de instellingen die deelnemen aan de fusie wordt voor twee schooljaren opgeschort.

Indien er door de fusie en op datum van de fusie een nieuwe betrekking in het ambt van adjunct-directeur geschapen wordt, dan mag dit niet toegewezen worden aan een nieuw personeelslid als er nog terbeschikkinggestelden zijn in het ambt van directeur of adjunct-directeur.

TITEL VIII. - Scholengemeenschappen HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Art. 62.De bepalingen van deze titel zijn van toepassing op het voltijds gewoon secundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en het deeltijds secundair zeevisserij onderwijs.

De bepalingen van deze titel zijn niet van toepassing op de instellingen van het gemeenschapsonderwijs die in Duitsland gelegen zijn.

Binnen de bepalingen van deze titel wordt onder "instelling" verstaan : een instelling voor voltijds gewoon secundair onderwijs met inbegrip van het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of het centrum voor deeltijds secundair zeevisserijonderwijs dat eventueel aan deze instelling is gehecht. HOOFDSTUK II. - Criteria voor de vorming van scholengemeenschappen

Art. 63.Een scholengemeenschap omvat één of meer instellingen die al dan niet behoren tot dezelfde inrichtende macht en/of hetzelfde onderwijswet.

Art. 64.Een scholengemeenschap komt vrijwillig tot stand, ongeacht of ze al dan niet een rechtspersoonlijkheid of een rechtsvorm aanneemt : 1° hetzij bij beslissing : indien de scholengemeenschap wordt gevormd door één of meer instellingen van dezelfde inrichtende macht;2° hetzij bij schriftelijke overeenkomst : indien de scholengemeenschap wordt gevormd door instellingen van verschillende inrichtende machten. Deze beslissing of overeenkomst treedt in werking op 1 september na de datum waarop de beslissing werd genomen respectievelijk de overeenkomst werd gesloten, wordt schriftelijk en zo spoedig mogelijk vóór de inwerkingtreding aan het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap meegedeeld en geldt voor een periode van zes schooljaren. Deze periode van zes schooljaren wordt telkens, tenzij er een andersluidende beslissing of overeenkomst is, van rechtswege voor eenzelfde periode verlengd.

Art. 65.Een scholengemeenschap valt onder de verantwoordelijkheid van de betrokken inrichtende macht(en) en wordt beheerd op de wijze waartoe, naargelang van het geval, de enige betrokken inrichtende macht heeft beslist dan wel de diverse betrokken inrichtende machten zich bij schriftelijke overeenkomst hebben verbonden.

Art. 66.Een scholengemeenschap is qua inplanting van de hoofdvestigingsplaats van elk van de betrokken instelling(en) : 1° hetzij gelegen binnen één der 45 onderwijszones die zijn vastgelegd in de bijlage gevoegd bij dit decreet;2° hetzij gelegen binnen één onderwijszone en één aangrenzende gemeente van een andere onderwijszone, op voorwaarde dat voor elk onderwijsnet respectievelijk elke inrichtende macht wat het gesubsidieerd officieel onderwijs betreft, dat (die) bij de scholengemeenschap is betrokken, alle instellingen die zijn gelegen in de desbetreffende gemeente in deze scholengemeenschap zijn opgenomen. Een instelling waarvoor de inrichtende macht schriftelijk heeft bevestigd dat ze niet toetreedt tot een scholengemeenschap, valt evenwel niet onder bedoelde voorwaarde; 3° hetzij gelegen binnen twee aangrenzende onderwijszones, binnen twee aangrenzende onderwijszones en één aangrenzende gemeente van een andere onderwijszone of binnen drie aangrenzende onderwijszones, op voorwaarde dat voor elk onderwijsnet respectievelijk elke inrichtende macht wat het gesubsidieerd officieel onderwijs betreft, dat (die) bij de scholengemeenschap is betrokken, alle instellingen die zijn gelegen binnen de desbetreffende geografische afbakening in deze scholengemeenschap zijn opgenomen.Een instelling waarvoor de inrichtende macht schriftelijk heeft bevestigd dat ze niet toetreedt tot een scholengemeenschap, valt evenwel niet onder bedoelde voorwaarde.

Na gemotiveerde aanvraag van de betrokken inrichtende macht(en), kan de Vlaamse regering volgens de hierna vermelde criteria afwijking verlenen van de bepalingen van het eerste lid : 1° de bij de scholengemeenschap betrokken instellingen zijn gelegen in dezelfde provincie;en 2° ten minste één instelling van de scholengemeenschap organiseert, het eerste leerjaar A en B buiten beschouwing gelaten, uitsluitend specifieke structuuronderdelen die uniek zijn in Vlaanderen.

Art. 67.Een scholengemeenschap organiseert een multisectoraal onderwijsaanbod, waaronder ten minste wordt verstaan : 1° de eerste graad bestaande uit : een eerste leerjaar A en B, een tweede leerjaar en een beroepsvoorbereidend leerjaar;2° de tweede graad bestaande uit : een eerste en tweede leerjaar van het algemeen secundair onderwijs met drie opties, een eerste en tweede leerjaar van het technisch secundair onderwijs met twee studiegebieden en een eerste en tweede leerjaar van het beroepssecundair onderwijs met twee studiegebieden;de studiegebieden van het technisch en beroepssecundair onderwijs mogen dezelfde zijn; 3° de derde graad bestaande uit : een eerste en tweede leerjaar van het algemeen secundair onderwijs met drie opties, een eerste en tweede leerjaar van het technisch secundair onderwijs met twee studiegebieden en een eerste en tweede leerjaar van het beroepssecundair onderwijs met twee studiegebieden;de studiegebieden van het technisch en beroepssecundair onderwijs mogen dezelfde zijn.

Na gemotiveerde aanvraag van de betrokken inrichtende macht(en), kan de Vlaamse regering volgens de hierna vermelde criteria afwijking verlenen van de bepalingen van het eerste lid : 1° het niet-voldoen aan de voorwaarde van multisectoraliteit houdt in : a) hetzij het niet of te weinig organiseren van opties in het eerste en tweede leerjaar van de tweede respectievelijk de derde graad van het algemeen secundair onderwijs;b) hetzij het te weinig organiseren van studiegebieden in het eerste en tweede leerjaar van de tweede respectievelijk de derde graad van het technisch secundair onderwijs;c) hetzij het te weinig organiseren van studiegebieden in het eerste en tweede leerjaar van de tweede respectievelijk de derde graad van het beroepssecundair onderwijs;en 2° de scholengemeenschap werkt op het vlak van leerlingenoriëntering samen met één of meer andere aangrenzende scholengemeenschappen die het in de eerstbedoelde scholengemeenschap in het kader van de multisectoraliteit ontbrekend onderwijsaanbod, wél organiseren. Na gemotiveerde aanvraag van de betrokken inrichtende macht(en), kan de Vlaamse regering volgens het hierna vermeld criterium afwijking verlenen van de bepalingen van het eerste lid : De scholengemeenschap bestaat uitsluitend uit instellingen van het gesubsidieerd vrij onderwijs, met dien verstande dat elk van bedoelde instellingen beantwoordt aan de voorwaarde de enige instelling van het gesubsidieerd vrij onderwijs te zijn in één der 45 onderwijszones, vastgelegd in de bijlage gevoegd bij dit decreet, die een bepaalde erkende godsdienst organiseert of levensbeschouwing aanhangt. Bij de toepassing van de voorwaarde "enige instelling" worden de instellingen die noch het vak godsdienst noch het vak niet-confessionele zedenleer maar wel het vak cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie organiseren, èn enkel eigen leerplannen van de inrichtende macht hanteren die door de Vlaamse regering zijn goedgekeurd, buiten beschouwing gelaten.

Na gemotiveerde aanvraag van de betrokken inrichtende macht(en), kan de Vlaamse regering volgens het hierna vermeld criterium afwijking verlenen van de bepalingen van het eerste lid : De scholengemeenschap bestaat uitsluitend uit instellingen van het gesubsidieerd vrij onderwijs, met dien verstande dat elk van bedoelde instellingen beantwoordt aan de voorwaarden noch het vak godsdienst noch het vak niet-confessionele zedenleer maar wel het vak cultuurbeschouwing of eigen cultuur en religie te organiseren, én uitsluitend eigen leerplannen van de inrichtende macht te hanteren die door de Vlaamse regering zijn goedgekeurd.

Art. 68.§ 1. Een scholengemeenschap behoort tot één van de volgende contingenten : 1° gemeenschapsonderwijs : maximum 80 scholengemeenschappen (waarvan één in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad);2° gesubsidieerd officieel onderwijs : maximum 29 scholengemeenschappen (waarvan één in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad);3° gesubsidieerd confessioneel vrij onderwijs : maximum 120 scholengemeenschappen (waarvan één in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad);4° gesubsidieerd niet-confessioneel vrij onderwijs : maximum 5 scholengemeenschappen (waarvan één in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad). § 2. Een scholengemeenschap bestaande uit instellingen die behoren tot verschillende groepen bedoeld in § 1, wordt verrekend op het contingent van die groep waartoe de meeste instellingen van de scholengemeenschap behoren.

Is het aantal instellingen uit de verschillende groepen evenwel gelijk, dan wordt door de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs en/of de betrokken representatieve verenigingen van de inrichtende machten van het gesubsidieerd onderwijs, naargelang van het geval, bepaald op welk contingent de scholengemeenschap wordt verrekend. § 3. De Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs of de betrokken representatieve vereniging van de inrichtende machten van het gesubsidieerd onderwijs, naargelang van het geval, beslist welke voorgestelde scholengemeenschappen niet kunnen worden gevormd indien het vastgestelde contingent in de betrokken groep wordt overschreden.

Art. 69.Elke op 31 augustus 1999 bestaande scholengemeenschap die is opgericht met toepassing van artikel 3, § 2, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, gewijzigd bij de decreten van 5 juli 1989 en 3l juli 1990, wordt vanaf 1 september 1999 van rechtswege niet meer tegenstelbaar aan de overheid.

Art. 70.Een scholengemeenschap die op 1 oktober van twee opeenvolgende schooljaren niet langer voldoet aan de criteria genoemd in dit hoofdstuk, wordt met ingang van het derde schooljaar van rechtswege niet meer tegenstelbaar aan de overheid. HOOFDSTUK III. - Bevoegdheden van scholengemeenschappen

Art. 71.Een scholengemeenschap : 1° maakt afspraken over de ordening van een rationeel onderwijsaanbod, eventueel gespreid over de verschillende instellingen die de scholengemeenschap vormen;2° maakt afspraken over een objectieve leerlingenoriëntering en -begeleiding en werkt daartoe samen met één psycho-medisch-sociaal centrum of centrum voor leerlingenbegeleiding;3° maakt afspraken over het personeelsbeleid, meer bepaald over de criteria voor het aanwerven, functioneren en evalueren van personeelsleden;4° maakt afspraken over de vaststelling van de criteria en de aanwending van de aanvullende pakketten wekelijkse uren-leraar die eventueel aan de betrokken instellingen of de scholengemeenschap worden toegekend;5° maakt afspraken over de vaststelling van de criteria en de aanwending van de wekelijkse urenleraar en van de punten die op het niveau van de scholengemeenschap kunnen worden samengevoegd;6° brengt advies uit inzake investeringen in schoolgebouwen en infrastructuur waarbij de inrichtende macht een beroep doet op de investeringsmiddelen van, naargelang van het geval, de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs of de Dienst voor Infrastructuurwerken van het Gesubsidieerd Onderwijs;7° kan een samenwerkingsakkoord sluiten met een instelling voor buitengewoon secundair onderwijs;een instelling voor buitengewoon secundair onderwijs kan samenwerkingsakkoorden sluiten met verschillende scholengemeenschappen; 8° kan een samenwerkingsakkoord sluiten met één of meer instellingen voor basisonderwijs, deeltijds kunstonderwijs en/of volwassenenonderwijs.

Art. 72.Tenzij bij wet, decreet of besluit bepaalde bevoegdheden uitdrukkelijk aan enig ander orgaan zijn toegewezen, kan een scholengemeenschap andere bevoegdheden uitoefenen dan die genoemd in dit hoofdstuk.

Indien bij de scholengemeenschap verschillende inrichtende machten zijn betrokken, dan zullen die de extra bevoegdheden bij schriftelijke overeenkomst vastleggen. HOOFDSTUK IV. - Voordelen voor scholengemeenschappen

Art. 73.Zoals bepaald in artikel 49, wordt de gewone rationalisatienorm per instelling met 15 % verminderd voor een instelling die tot een scholengemeenschap behoort.

Art. 74.§ 1. Tot 15 november van het betrokken schooljaar kunnen door de betrokken inrichtende macht(en) tussen instellingen die behoren tot eenzelfde scholengemeenschap, uren-leraar worden overgedragen, zoals bepaald in artikel 88, mits : 1° in overeenstemming met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;2° onderhandeling in het lokaal comité. § 2. Tot 15 november van het betrokken schooljaar kunnen door de betrokken inrichtende macht(en) tussen instellingen die wel behoren tot hetzelfde onderwijsnet doch niet tot eenzelfde scholengemeenschap, uren-leraar worden overgedragen, zoals bepaald in artikel 88, mits : 1° in overeenstemming met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;2° onderhandeling in het lokaal comité.Indien er bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel worden uitgesproken, dan kan de overdracht evenwel enkel na akkoord in het lokaal comité; 3° melding aan de betrokken scholengemeenschap waartoe de begunstigde instelling behoort.

Art. 75.§ 1. Tot 15 november van het betrokken schooljaar kunnen door de betrokken inrichtende macht in het gesubsidieerd onderwijs uren-leraar worden herverdeeld tussen instellingen die behoren tot eenzelfde scholengemeenschap, zoals bepaald in artikel 87, § 2, mits : 1° in overeenstemming met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;2° onderhandeling in het lokaal comité. § 2. Tot 15 november van het betrokken schooljaar kunnen door de betrokken inrichtende macht in het gesubsidieerd onderwijs uren-leraar worden herverdeeld tussen instellingen die niet behoren tot eenzelfde scholengemeenschap, zoals bepaald in artikel 87, § 2, mits : 1° in overeenstemming met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;2° onderhandeling in het lokaal comité.Indien er bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel worden uitgesproken, dan kan de herverdeling evenwel enkel na akkoord in het lokaal comité; 3° melding aan de betrokken scholengemeenschap waartoe de begunstigde instelling behoort.

Art. 76.Zoals bepaald in artikel 89, worden de gewone leerlingencoëfficiënten tot vaststelling van het pakket wekelijkse uren-leraar voor instellingen die behoren tot een scholengemeenschap en gelegen zijn in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad, verhoogd met : 1° 0,10 : voor de eerste graad;2° 0,20 : voor de tweede, de derde en de vierde graad.

Art. 77.§ 1. Zonder afbreuk te doen aan de principes dat een personeelslid wordt vastbenoemd door de inrichtende macht en, naargelang van het geval, wordt aangewezen of geaffecteerd aan een instelling die onder die inrichtende macht ressorteert, kunnen : 1° de leden van het bestuurspersoneel van de instellingen die de scholengemeenschap vormen, voor de vervulling van opdrachten voor de totaliteit van de scholengemeenschap worden ingezet;2° de leden van het ondersteunend personeel van de instellingen die de scholengemeenschap vormen, voor de vervulling van opdrachten voor andere instellingen van de scholengemeenschap of voor de totaliteit van de scholengemeenschap worden ingezet;3° de leden van het opvoedend hulppersoneel en het administratief personeel van de instellingen die de scholengemeenschap vormen, voor de vervulling van opdrachten voor andere instellingen van de scholengemeenschap worden ingezet. § 2. In afwijking van § 1, 2° en 3°, kunnen de leden van het ondersteunend personeel, het opvoedend hulppersoneel en het administratief personeel niet worden ingezet voor de vervulling van opdrachten voor andere instellingen van de scholengemeenschap of voor de totaliteit van de scholengemeenschap, indien het gaat om personeelsleden waarvan de betrekkingen zijn opgericht of in stand worden gehouden op basis van punten, gegenereerd door leerlingen van de tweede en de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, zoals bepaald in artikel 96, 1° tot en met 3°.

Art. 78.§ 1. Vastbenoemde directeurs en adjunct-directeurs van instellingen van een scholengemeenschap, die door een herstructurering van instellingen of van het onderwijsaanbod ter beschikking zijn gesteld of worden gesteld wegens ontstentenis van betrekking kunnen op persoonlijke titel worden tewerkgesteld in een niet-organieke personeelsformatie die aan de scholengemeenschap wordt toegevoegd, op voorwaarde dat deze personeelsleden volgens de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling, binnen de scholengemeenschap geen reaffectatie als directeur of adjunct-directeur of wedertewerkstelling als adjunct-directeur in een organiek ambt, kunnen bekomen.

De aanstelling in de niet-organieke personeelsformatie schort alle reaffectatie- en wedertewerkstellingsverplichtingen buiten de scholengemeenschap op.

De aanstelling wordt beschouwd als reaffectatie of wedertewerkstelling. § 2. De personeelsformatie bedoeld in § 1 wordt samengesteld op basis van één personeelslid per schijf van 1 500 regelmatige leerlingen (in het voltijds gewoon secundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en het deeltijds secundair zeevisserijonderwijs) op I februari van het voorafgaand schooljaar in de scholengemeenschap, met een maximum van vier personeelsleden per scholengemeenschap.

Art. 79.§ 1. Zoals bepaald in artikel 7bis van het besluit van de Vlaamse regering van 13 november 1991 tot vaststelling van de voorwaarden voor het oprichten van betrekkingen in de ambten van werkmeester en werkplaatsleider in het voltijds secundair onderwijs, ingevoegd bij artikel 85, 2°, van dit decreet, kunnen de door de instellingen van een scholengemeenschap niet aangewende wekelijkse uren-leraar, ingericht als praktische vakken, in het kader van de oprichting en/of instandhouding van betrekkingen in de ambten van technisch adviseur-coördinator en technisch adviseur, worden samengevoegd voor de oprichting en/of instandhouding van betrekkingen in de ambten van technisch adviseurcoördinator en technisch adviseur in één of meer instellingen van de scholengemeenschap. § 2. Overeenkomstig artikel 98, 6°, kunnen de door de instellingen van een scholengemeenschap niet aangewende punten worden samengevoegd voor de oprichting en/of instandhouding van betrekkingen in de ambten van de personeelscategorie ondersteunend personeel in één of meer instellingen van de scholengemeenschap.

Art. 80.De Vlaamse regering kan overeenkomstig de door haar vastgelegde vorm en voorwaarden aan inrichtende macht(en) die een scholengemeenschap vormen zonder dat hiervoor een beroep moet worden gedaan op een afwijking zoals bepaald in artikel 66 en/of artikel 67, tweede lid, stimuli in de vorm van extra wekelijkse uren-leraar, als uren die geen lesuren zijn, toekennen. Deze uren-leraar zijn uitsluitend bestemd voor de ondersteuning van het pedagogisch beleid op het niveau van de scholengemeenschap.

De omvang van dit aantal extra wekelijkse urenleraar is recht evenredig met de som van de aantallen wekelijkse uren-leraar toegekend tijdens het betrokken schooljaar aan de respectieve instellingen die de scholengemeenschap vormen.

Art. 81.Indien in een scholengemeenschap door een herstructurering van de instelling of van het onderwijsaanbod bepaalde infrastructuur niet langer gebruikt wordt voor het secundair onderwijs, dan kan de inrichtende macht deze gebouwen gebruiken voor haar eigen niet-secundair onderwijs ofwel overdragen naar of ter beschikking stellen van een andere inrichtende macht van hetzelfde onderwijsnet die onderwijs van een ander niveau organiseert, een psycho-medisch-sociaal centrum of centrum voor leerlingenbegeleiding, of een internaat.

Als hierbij de eigendom of het zakelijk recht dat noodzakelijk was om in aanmerking te komen voor een subsidie van de Dienst voor Infrastructuurwerken van het Gesubsidieerd Onderwijs (DIGO) overgaat naar de verkrijgende inrichtende macht of deze een zakelijk recht verwerft op het gebouw met een duur gelijk aan de resterende termijn van het zakelijk recht dat de vroegere inrichtende macht bezit, treedt deze laatste in de rechten en verplichtingen ten opzichte van de DIGO. In dit geval is artikel 19, § 2, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving niet van toepassing.

Als de eigendom of het hiervoor vermelde zakelijk recht niet wordt overgedragen of gevestigd en het gebouw verder voor onderwijsdoeleinden wordt gebruikt, dan is artikel 19, § 2, van dezelfde wet, evenmin van toepassing. De oorspronkelijke inrichtende macht blijft wel verantwoordelijk ten opzichte van de DIGO voor de naleving van de verplichtingen die werden aangegaan bij de toekenning van de subsidie.

Indien de infrastructuur waarvoor de DIGO subsidie heeft toegekend, afgebroken wordt, dan is artikel 19, § 2, van dezelfde wet, evenmin van toepassing.

Wordt de infrastructuur echter onttrokken aan één van de bestemmingen waarvoor een beroep kan worden gedaan op de tegemoetkoming van de DIGO zoals bepaald in artikel 13, § 1, van dezelfde wet, dan moet de inrichtende macht het gedeelte van de ontvangen subsidie, bedoeld in artikel 19, § 2, van dezelfde wet, terugbetalen. Een terugbetaling wordt evenwel niet opgelegd indien bij verkoop de opbrengst ten bedrage van de terug te betalen subsidie binnen een periode van twee jaar en met behoud van bestemming opnieuw wordt geïnvesteerd in subsidiabele infrastructuur voor het onderwijs, voor een psycho-medisch-sociaal centrum of centrum voor leerlingenbegeleiding, of een internaat.

TITEL IX. - Bestuurspersoneel

Art. 82.De bepalingen van deze titel zijn van toepassing op het voltijds gewoon secundair onderwijs.

De bepalingen van deze titel zijn eveneens van toepassing op de instellingen van het gemeenschapsonderwijs die in Duitsland gelegen zijn.

Art. 83.§ 1. Een voltijdse betrekking van directeur wordt toegekend aan een instelling die ten minste 83 regelmatige leerlingen telt. § 2. In afwijking van § 1 wordt aan een instelling die enkel de eerste graad of de eerste en de tweede graad organiseert en die in de financierings- of subsidiëringsregeling werd opgenomen vanaf 1 september 1989, een voltijdse betrekking van directeur toegekend indien de instelling ten minste 120 regelmatige leerlingen telt. § 3. Indien het in § 1 respectievelijk § 2 vermeld aantal leerlingen niet wordt bereikt, wordt de directeur belast met een halve onderwijsopdracht of met een opdracht van beheerder van het internaat verbonden aan een instelling voor zeevisserijonderwijs. Hij behoudt evenwel het recht op de weddeschaal van directeur met een volledige opdracht of op de overeenstemmende weddetoelage.

Art. 84.Voor de oprichting van een eerste betrekking van adjunct-directeur zijn 600 regelmatige leerlingen vereist, voor een tweede betrekking 1.200 regelmatige leerlingen, voor een derde betrekking 1.800 regelmatige leerlingen en vanaf een vierde betrekking 2 400 regelmatige leerlingen.

Voor de instandhouding van een eerste betrekking van adjunct-directeur zijn 550 regelmatige leerlingen vereist, voor een tweede betrekking 1 150 regelmatige leerlingen, voor een derde betrekking 1 750 regelmatige leerlingen en vanaf een vierde betrekking 2 350 regelmatige leerlingen.

Indien deze minima gedurende twee opeenvolgende schooljaren niet worden bereikt, worden deze betrekkingen opgeheven.

Art. 85.Teneinde in overeenstemming te zijn met het in artikel 2, 7°, en artikel 79, § 1, gestelde, wordt in het besluit van de Vlaamse regering van 13 november 1991 tot vaststelling van de voorwaarden voor het oprichten van betrekkingen in de ambten van werkmeester en werkplaatsleider in het voltijds secundair onderwijs, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 30 mei 1996 : 1° telkens het begrip "werkmeester" vervangen door "technisch adviseur" en het begrip "werkplaatsleider" vervangen door "technisch adviseur-coördinator";2° een artikel 7bis ingevoegd, dat luidt als volgt : « Artikel 7bis.De som van de aantallen wekelijkse uren-leraar van de instellingen die tot eenzelfde scholengemeenschap behoren, ingericht als praktische vakken, die per instelling ontoereikend zijn voor de oprichting of instandhouding van een betrekking van technisch adviseur-coördinator respectievelijk voor de oprichting of instandhouding van een bijkomende betrekking van technisch adviseur, mag, als dit in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt, worden aangewend voor de oprichting of instandhouding van betrekkingen in de ambten van technisch adviseur-coördinator en/of technisch adviseur in één of meer instellingen van de scholengemeenschap. » TITEL X. - Onderwijzend personeel

Art. 86.De bepalingen van deze titel zijn van toepassing op het voltijds gewoon secundair onderwijs.

De bepalingen van deze titel zijn niet van toepassing op de instellingen van het gemeenschapsonderwijs die in Duitsland gelegen zijn.

Art. 87.§ 1. In artikel 3, § 5,, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, toegevoegd bij het decreet van 5 juli 1989 en gewijzigd bij de decreten van 9 april 1992,28 april 1993 en 21 december 1994, worden achter de woorden "drie procent" telkens de woorden "(twee procent voor het voltijds gewoon secundair onderwijs)" toegevoegd. § 2. Teneinde in overeenstemming te zijn met het in artikel 75 gestelde, wordt artikel 3, § 5, eerste lid, van dezelfde wet, aangevuld als volgt : « voor wat betreft de instellingen voor voltijds gewoon gesubsidieerd secundair onderwijs kan de inrichtende macht slechts uren-leraar herverdelen tussen instellingen die behoren tot eenzelfde scholengemeenschap, mits : 1° in overeenstemming met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;2° onderhandeling in het lokaal comité;in afwijking van het derde lid kan deze herverdeling gepaard gaan met bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel.

Voor wat betreft de instellingen voor voltijds gewoon gesubsidieerd secundair onderwijs kan de inrichtende macht slechts uren-leraar herverdelen tussen instellingen die niet behoren tot eenzelfde scholengemeenschap, mits : 1° in overeenstemming met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;2° onderhandeling in het lokaal comité;in afwijking hiervan en in afwijking van het derde lid kan deze herverdeling gepaard gaan met bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel op voorwaarde dat het lokaal comité hiermee akkoord gaat; 3° melding aan de betrokken scholengemeenschap waartoe de begunstigde instelling behoort.»

Art. 88.Teneinde in overeenstemming te zijn met het in artikel 74 gestelde, wordt in artikel 3, § 6, van dezelfde wet, toegevoegd bij het decreet van 5 juli 1989 en gewijzigd bij de decreten van 28 april 1993 en 21 december 1994, een punt c) ingevoegd, dat luidt als volgt : « c) In het voltijds gewoon secundair onderwijs kan de overdracht van wekelijkse uren-leraar naar een andere instelling van eenzelfde scholengemeenschap, mits : 1° in overeenstemming met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;2° onderhandeling in het lokaal comité;in afwijking van a) kan deze overdracht gepaard gaan met bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel.

In het voltijds gewoon secundair onderwijs kan de overdracht van wekelijkse uren-leraar naar een andere instelling van hetzelfde onderwijsnet doch niet behorend tot eenzelfde scholengemeenschap, mits : 1° in overeenstemming met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt;2° onderhandeling in het lokaal comité;in afwijking hiervan en in afwijking van a) kan deze overdracht gepaard gaan met bijkomende terbeschikkingstellingen wegens ontstentenis van betrekking in de categorie van het onderwijzend personeel op voorwaarde dat het lokaal comité hiermee akkoord gaat; 3° melding aan de betrokken scholengemeenschap waartoe de begunstigde instelling behoort.»

Art. 89.Teneinde in overeenstemming te zijn met het in artikel 76 gestelde, wordt artikel 4, § 2, 8., van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 tot vastlegging van het pakket "uren-leraar" in het voltijds secundair onderwijs, vervangen door wat volgt : « 8. voor de onderwijsinstellingen die hetzij het Nederlands als onderwijstaal hebben, gelegen zijn in het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad èn behoren tot een scholengemeenschap, hetzij gevestigd zijn in de gemeenten waarvan de bevolkingsdichtheid lager is dan 125 inwoners per km2, worden de coëfficiënten, bedoeld in 4 en de coëfficiënten van de groepen, bedoeld in 5, 6 en 7, verhoogd met : 1° 0,10 : voor de eerste graad;2° 0,20 : voor de tweede, de derde en de vierde graad.»

Art. 90.In artikel 4 van hetzelfde besluit, wordt een § 7quater ingevoegd, die luidt als volgt : « § 7quater. Ongeacht het beantwoorden aan de voorwaarden bedoeld in § 7bis, kan met ingang van het schooljaar 1998-1999 hetzij de som van de respectieve aantallen wekelijkse uren-leraar toegekend in de vorm van minimumpakketten zoals bedoeld in de §§ 5, 6 en 7 aan de instellingen die tot een scholengemeenschap behoren, hetzij het aantal wekelijkse uren-leraar toegekend in diezelfde vorm aan een instelling die niet tot een scholengemeenschap behoort, nooit hoger liggen dan het aantal eventueel toegekend voor het schooljaar 1997-1998, indien deze verhoging het gevolg is van een herstructurering of wijziging in het onderwijsaanbod van één of meer van de betrokken instellingen, die ten vroegste ingaat vanaf 1 september 1998. »

Art. 91.De regering neemt maatregelen om vanaf het schooljaar 1998-1999 de splitsingsnormen bedoeld in artikel 6, §§ 1 en 2, van hetzelfde besluit, te verhogen, teneinde de vaststelling van de klasgrootte in overeenstemming te brengen met de pedagogische noodwendigheden.

Art. 92.§ 1. Een scholengemeenschap, een groep van scholengemeenschappen, een inrichtende macht voor haar instellingen die niet in een scholengemeenschap zijn opgenomen of een groep van inrichtende machten voor hun instellingen die niet in een scholengemeenschap zijn opgenomen, neemt structurele maatregelen die moeten leiden tot een vermindering van het totaal aantal wekelijkse uren-leraar voor de instellingen van de betrokken scholengemeenschap, groep van scholengemeenschappen, inrichtende macht of groep van inrichtende machten. § 2. De vermindering, bedoeld in § 1, wordt als volgt berekend : 1° de respectieve aantallen wekelijkse uren-leraar van de betrokken instellingen, berekend voor het schooljaar 1997-1998 met toepassing van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 tot vastlegging van het pakket "uren-leraar" in het voltijds secundair onderwijs, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 12 juni 1991, 1 juli 1992, 22 juli 1993, 8 juni 1994, 16 mei 1995, 28 juli 1995, 14 mei 1996, 30 mei 1996 en 21 mei 1997, worden afzonderlijk getotaliseerd voor : a) de eerste graad;b) het algemeen secundair onderwijs;c) het technisch en kunstsecundair onderwijs;d) het beroepssecundair onderwijs. Onder voormelde aantallen wekelijkse urenleraar worden de uren-leraar begrepen berekend enerzijds voor de vakken godsdienst, niet-confessionele zedenleer, cultuurbeschouwing en eigen cultuur en religie op grond van splitsingsnormen, met uitzondering van de wekelijkse uren-leraar die tijdens het betrokken schooljaar zelf in min- of meerdering worden gebracht, en anderzijds voor alle overige vakken op grond van leerlingencoëfficiënten respectievelijk minimumpakketten, steeds met inachtneming van het te verrekenen aanwendingspercentage.

In afwijking van deze bepaling wordt de "berekening voor het schooljaar 1997-1998" vervangen door een "berekening voor het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarin de betrokken instellingen deel hebben uitgemaakt van een (vrijwillige) fusie, zoals bedoeld in artikel 56, 3°, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II, toegevoegd bij het decreet van 21 december 1994"; 2° de totalen, bedoeld in 1°, worden gedeeld door het aantal regelmatige leerlingen die de respectieve wekelijkse uren-leraar genereren : - het quotiënt voor de eerste graad is A; - het quotiënt voor het algemeen secundair onderwijs is B; - het quotiënt voor het technisch en kunstsecundair onderwijs is C; - het quotiënt voor het beroepssecundair onderwijs is D; 3° een scholengemeenschap, een groep van scholengemeenschappen, een inrichtende macht voor haar instellingen die niet in een scholengemeenschap zijn opgenomen of een groep van inrichtende machten voor hun instellingen die niet in een scholengemeenschap zijn opgenomen, die enerzijds kan aantonen dat uiterlijk vanaf het schooljaar 1999-2000 structurele maatregelen werden genomen en anderzijds aan de hieronder beschreven voorwaarde beantwoordt, wordt geacht de vermindering, bedoeld in § 1, te hebben gerealiseerd : a) voor het schooljaar 2000-2001 : - E = het totaal van de respectieve aantallen berekende wekelijkse uren-leraar van de betrokken instellingen; - F = de som van : - A vermenigvuldigd met het totaal aantal regelmatige leerlingen op 1 februari voorafgaand in de eerste graad; - B vermenigvuldigd met het totaal aantal regelmatige leerlingen op 1 februari voorafgaand in het algemeen secundair onderwijs; - C vermenigvuldigd met het totaal aantal regelmatige leerlingen op 1 februari voorafgaand in het technisch en kunstsecundair onderwijs; - D vermenigvuldigd met het totaal aantal regelmatige leerlingen op 1 februari voorafgaand in het beroepssecundair onderwijs; - G = F-E - Voorwaarde : G is gelijk aan of groter dan 0,50 % van F; b) voor het schooljaar 2001-2002 : wordt een analoge werkwijze toegepast, met dien verstande dat het percentage 1 % bedraagt;c) voor het schooljaar 2002-2003 : wordt een analoge werkwijze toegepast, met dien verstande dat het percentage 1,50 % bedraagt;d) voor het schooljaar 2003-2004 : wordt een analoge werkwijze toegepast, met dien verstande dat het percentage 2 % bedraagt;e) vanaf het schooljaar 2004-2005 : wordt een analoge werkwijze toegepast, met dien verstande dat het percentage 2,50 % bedraagt;4° indien een instelling in een andere scholengemeenschap wordt ondergebracht, dan wordt steeds gebaseerd op het referentie-schooljaar, bedoeld in 1°, de vermindering berekend afhankelijk van de groep van betrokken scholengemeenschappen. § 3. Indien de desbetreffende scholengemeenschap, groep van scholengemeenschappen, inrichtende macht of groep van inrichtende machten geen of onvoldoende maatregelen heeft genomen om ten minste het percentage, bedoeld in § 2, te bereiken, dan zal voor het betrokken schooljaar het aantal niet-verminderde wekelijkse uren-leraar om tot ditzelfde percentage te komen, worden afgetrokken van het toegekend pakket wekelijkse uren-leraar van die instelling(en) die, naargelang van het geval, door de betrokken inrichtende macht of door de betrokken inrichtende machten in onderling overleg, worden aangewezen.

Bij ontstentenis van een dergelijke aanwijzing zal het aantal niet-verminderde wekelijkse uren-leraar worden afgetrokken van het toegekend pakket wekelijkse uren-leraar van die instelling(en) die het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap zelf aanwijst.

TITEL XI. - Ondersteunend personeel

Art. 93.De bepalingen van deze titel zijn van toepassing op het voltijds gewoon secundair onderwijs.

De bepalingen van deze titel zijn niet van toepassing op de instellingen van het gemeenschapsonderwijs die in Duitsland gelegen zijn.

Art. 94.§ 1. De personeelscategorie "ondersteunend personeel" bestaat uit de volgende ambten : 1° administratief medewerker;2° opvoeder. § 2. De personeelscategorie "administratief personeel" bestaat uit de volgende ambten : 1° opsteller;2° klerk-typist. § 3. De personeelscategorie "opvoedend hulppersoneel" bestaat uit de volgende ambten : 1° opvoeder-huismeester;2° directiesecretaris;3° secretaris-bibliothecaris;4° studiemeester-opvoeder. § 4. De ambten, bedoeld in de §§ 1 tot 3, worden per ambt toegekend hetzij aan één enkel personeelslid, hetzij aan twee personeelsleden die elk met een halftijdse betrekking worden belast.

Art. 95.In een instelling dienen de personeelsleden van de personeelscategorieën ondersteunend personeel, administratief personeel en/of opvoedend hulppersoneel uit ten minste 50 % opvoeders en/of opvoedend hulppersoneel te bestaan.

Art. 96.De oprichting van betrekkingen in de ambten, bedoeld in artikel 94, §§ 1 tot 3, is gebaseerd op volgend puntensysteem : 1° aan elke instelling die niet de enige is binnen het betrokken onderwijsnet in de betrokken gemeente, wordt een aantal punten toegekend dat gelijk is aan de som van de producten van het aantal regelmatige leerlingen op de tellingsdatum, bedoeld in artikel 3, § 8, 1°, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, toegevoegd bij het decreet van 31 juli 1990 en gewijzigd bij de decreten van 9 april 1992 en 25 juni 1992, met het overeenkomstig aantal punten per leerling, zoals hierna bepaald : a) voor de le tot de 270e leerling : 0,92;b) voor de 271e tot de 400e leerling : 0,80;c) voor de 401e tot en met de 800e leerling : 0,73;d) voor de 801e tot en met de 1 000e leerling : 0,50;e) vanaf de 1 001e leerling : 0,39. Voor de instellingen met ten minste 271 leerlingen wordt evenwel het resultaat van het product, bedoeld in a), beschouwd als gelijk aan 250 punten; 2° aan elke instelling die de enige is binnen het betrokken onderwijswet in de betrokken gemeente, wordt een aantal punten toegekend dat gelijk is aan : a) een forfaitair aantal punten afhankelijk van het aantal regelmatige leerlingen op de tellingsdatum, bedoeld in 1°, zoals hierna bepaald : - voor instellingen met maximum 97 leerlingen : 90; - voor instellingen met minimum 98 en maximum 172 leerlingen : 160; - voor instellingen met minimum 173 leerlingen : 250; b) voor een instelling met minimum 271 leerlingen wordt het forfaitair aantal punten, vastgesteld op 250 in a), vermeerderd met een aantal punten dat gelijk is aan de som van de producten van het aantal regelmatige leerlingen op de tellingsdatum, bedoeld in 1°, met het overeenkomstig aantal punten per leerling, zoals hierna bepaald : - voor de 271e tot en met de 400e leerling : 0,80; - voor de 401e tot en met de 800e leerling : 0,73; - voor de 801e tot en met de 1 000e leerling : 0,50; - vanaf de 1 001e leerling : 0,39; 3° aan elke instelling wordt, bovenop het in 1° of 2°, naargelang van het geval, gestelde, een aantal punten toegekend dat gelijk is aan het product van het aantal leerlingen in het eerste leerjaar B, in het beroepsvoorbereidend leerjaar en in de leerjaren van de tweede en de derde graad van het beroepssecundair onderwijs, met 0,14 punten;4° aan de centrale raad van de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs wordt, ter uitvoering van de rekenplichtigheid, elk schooljaar een forfaitair aantal punten toegekend gelijk aan 5 330 punten.

Art. 97.§ 1. Aan elk van de ambten, bedoeld in artikel 94, §§ 1 tot 3, wordt per betrekking onderstaand aantal punten gekoppeld : 1° administratief medewerker met bekwaamheidsbewijs secundair onderwijs : 63;2° administratief medewerker met bekwaamheidsbewijs hoger onderwijs van het korte type en met weddeschaal 106 : 100;3° administratief medewerker met bekwaamheidsbewijs hoger onderwijs van het korte type en met weddeschaal 158 : 82;4° administratief medewerker met bekwaamheidsbewijs hoger onderwijs van het lange type of universitair onderwijs : 120;5° opvoeder met bekwaamheidsbewijs secundair onderwijs : 63;6° opvoeder met bekwaamheidsbewijs hoger onderwijs van het korte type en met weddeschaal 106 : 100;7° opvoeder met bekwaamheidsbewijs hoger onderwijs van het korte type en met weddeschaal 158 : 82;8° opvoeder met bekwaamheidsbewijs hoger onderwijs van het lange type of universitair onderwijs : 120;9° opsteller : 63;10° klerk-typist : 57;11° opvoeder-huismeester : 100;12° directiesecretaris : 100;13° secretaris-bibliothecaris met weddeschaal 122 : 77;14° secretaris-bibliothecaris met weddeschaal 158 : 82;15° secretaris-bibliothecaris met weddeschaal 163 : 95;16° secretaris-bibliothecaris met weddeschaal 164 : 108;17° studiemeester-opvoeder met weddeschaal 122 : 77;18° studiemeester-opvoeder met weddeschaal 100 : 78;19° studiemeester-opvoeder met weddeschaal 158 : 82;20° studiemeester-opvoeder met weddeschaal 208 : 99. § 2. De Vlaamse regering bepaalt wat onder de bekwaamheidsbewijzen, bedoeld in § 1, wordt verstaan.

Art. 98.Het overeenkomstig artikel 96 berekend aantal punten wordt voor de oprichting van betrekkingen in de ambten, bedoeld in artikel 94, §§ 1 tot en met 3, door de instelling vrij aangewend, rekening houdend met de volgende criteria : 1° het aantal aan te wenden punten, bedoeld in artikel 97, § 1, dat de oprichting van een overeenkomstige betrekking vereist;2° tijdens het schooljaar 1998-1999 kan een personeelslid tijdelijk worden aangeworven in een vacante betrekking van een ambt van de personeelscategorie ondersteunend personeel voor zover de instelling punten ter beschikking heeft;3° vanaf 1 september 1998 kunnen geen personeelsleden in de ambten van de personeelscategorieën administratief personeel en opvoedend hulppersoneel worden aangeworven in een vacante betrekking. In afwijking hiervan : a) kan tijdens de schooljaren 1998-1999 tot en met 2005-2006 een tijdelijk personeelslid dat in dienst is op 30 juni opnieuw worden aangeworven op 1 september van hetzelfde kalenderjaar;b) kan een personeelslid worden aangeworven dat ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking in één van de ambten van de personeelscategorieën administratief personeel en opvoedend hulppersoneel bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling;4° tot en met het schooljaar 2005-2006 blijven alle vastbenoemden en tijdelijken in vacante betrekkingen in de ambten van de personeelscategorieën administratief personeel en opvoedend hulppersoneel in dienst, voor zover hun betrekkingen zijn opgericht met toepassing van het koninklijk besluit van 15 april 1977 tot vaststelling van de regelen en de voorwaarden voor de berekening van het aantal betrekkingen in sommige ambten van het opvoedend hulppersoneel en van het administratief personeel van de inrichtingen voor secundair onderwijs, gewijzigd bij de koninklijke besluiten nr. 61 van 20 juli 1982, 13 maart 1985 en nr.449 van 20 augustus 1986, het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990, het decreet van 15 december 1993 en het besluit van de Vlaamse regering van 9 mei 1996; 5° tijdens de schooljaren 1999-2000 tot en met 2005-2006 en onverminderd hetgeen bepaald is in 1°, kan een personeelslid worden aangeworven in een vacante betrekking van een ambt van de personeelscategorie ondersteunend personeel voorzover hetzij de som van de punten van de instellingen die tot de scholengemeenschap behoren, hetzij het aantal punten van de instelling die niet tot een scholengemeenschap behoort, naargelang van het geval, groter is dan het aantal punten dat wordt aangewend voor de instandhouding van het aantal betrekkingen in de ambten van de personeelscategorieën opvoedend hulppersoneel en administratief personeel met toepassing van hetzelfde koninklijk besluit. Bij de bedoelde aanwerving in een vacante betrekking van een ambt van de personeelscategorie ondersteunend personeel wordt voorrang gegeven aan personeelsleden uit de personeelscategorieën administratief personeel en opvoedend hulppersoneel, ressorterend onder 3°, van andere instellingen van de betrokken scholengemeenschap waarvan het aantal punten kleiner is dan het aantal punten dat overeenstemt met de instandhouding - op grond van de bepalingen van hetzelfde koninklijk besluit van 15 april 1977 - van de betrekkingen van de desbetreffende personeelsleden.

Indien bedoelde som van de punten daarentegen kleiner is, worden de betrokken personeelsleden van de personeelscategorieën opvoedend hulppersoneel en administratief personeel van de instellingen die de scholengemeenschap vormen, voor de vervulling van opdrachten voor andere instellingen van de scholengemeenschap ingezet; 6° vanaf het schooljaar 1999-2000 mogen de punten die in een instelling niet worden aangewend, worden gevoegd bij de overblijvende punten van andere instellingen van dezelfde scholengemeenschap.Het resultaat geeft een aantal punten dat, als dit in overeenstemming is met de afspraken die binnen de scholengemeenschap zijn gemaakt, kan worden aangewend voor de oprichting en/of instandhouding van betrekkingen in de ambten van de personeelscategorie ondersteunend personeel in één of meer instellingen van die scholengemeenschap, zoals bedoeld in artikel 79, § 2; 7° vanaf het schooljaar 2006-2007 kunnen geen betrekkingen in de ambten van het opvoedend hulppersoneel en het administratief personeel meer worden opgericht of in stand gehouden met toepassing van hetzelfde koninklijk besluit.

Art. 99.In artikel 27, § 1, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, gewijzigd bij de wetten van 11 juli 1973 en 1 augustus 1985 en de decreten van 5 juli 1989 en 31 juli 1990, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° aan het eerste lid worden de volgende woorden toegevoegd : "en van het ondersteunend personeel";2° in het tweede lid worden tussen de woorden "administratief personeel" en de woorden "die door" de woorden "en van het ondersteunend personeel" ingevoegd;3° in het vierde lid worden tussen de woorden "Het opvoedend hulppersoneel" en "van de scholen" de woorden "en het ondersteunend personeel" ingevoegd. TITEL XII. - Werkingsmiddelen

Art. 100.§ 1. In het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II wordt een artikel 2bis ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 2bis.§ 1. Het met toepassing van artikel 2, § 1, verkregen bedrag van de werkingsmiddelen die bestemd zijn voor het gesubsidieerd gewoon secundair onderwijs en het gesubsidieerd deeltijds beroepssecundair onderwijs, wordt zodanig verhoogd dat per regelmatige leerling gemiddeld onderstaande verhoudingen tussen de werkingsmiddelen van het gemeenschapsonderwijs en het gesubsidieerd onderwijs worden bereikt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld § 2. De verhogingen, bedoeld in § 1, worden bij de werkingsmiddelen van het overeenkomstige jaar gevoegd, bedoeld in artikel 2, § 1, en op dezelfde wijze aangepast. § 3. In 2007 moeten de werkingsmiddelen per regelmatige leerling van het gewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs in het gesubsidieerd onderwijs gemiddeld 76 % bedragen van de werkingsmiddelen per regelmatige leerling van het gewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs in het gemeenschapsonderwijs. § 4. Het bedrag van de jaarlijks vrijkomende loonkost bedoeld in artikel 2, § 2, wordt vanaf 2008 verdeeld op basis van de verhouding, bedoeld in § 3. » § 2. In het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II wordt een artikel 2ter ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 2ter.§ 1. Het met toepassing van artikel 2, § 1, verkregen bedrag van de werkingsmiddelen die bestemd zijn voor het buitengewoon secundair gemeenschapsonderwijs, wordt zodanig verhoogd dat per regelmatige leerling gemiddeld onderstaande verhoudingen tussen de werkingsmiddelen van het gemeenschapsonderwijs en het gesubsidieerd onderwijs worden bereikt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld § 2. De verhogingen, bedoeld in § 1, worden bij de werkingsmiddelen van het overeenkomstige jaar gevoegd, bedoeld in artikel 2, § 1, en op dezelfde wijze aangepast. § 3. In 2007 moeten de werkingsmiddelen per regelmatige leerling van het buitengewoon secundair onderwijs in het gesubsidieerd onderwijs gemiddeld 76 % bedragen van de werkingsmiddelen per regelmatige leerling van het buitengewoon secundair onderwijs in het gemeenschapsonderwijs. » . § 3. In artikel 3, § 1, van hetzelfde decreet worden de woorden "artikel 2" vervangen door de woorden "artikel 2, 2bis en 2ter".

Art. 101.§ 1. In hetzelfde decreet wordt een artikel 2quater ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 2quater.In afwijking van artikel 2, § 1, is wat het voltijds gewoon secundair onderwijs en het deeltijds beroepssecundair onderwijs betreft, voor de begrotingsjaren 1999, 2000 en 2001 de coëfficiënt A2 gelijk aan 1.

In afwijking van het eerste lid wordt het gedeelte van de dotatie aan de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs dat bestemd is voor de lonen van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van de instellingen voor gewoon en buitengewoon secundair onderwijs van het gemeenschapsonderwijs, gedurende de begrotingsjaren 1999, 2000 en 2001 wel aangepast aan de index van de eenheidsloonkosten. » § 2. In hetzelfde decreet wordt een artikel 3bis ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 3bis.In afwijking van artikel 2, § 2, en artikel 3, § 1, wordt de jaarlijks vrijkomende loonkost door de toepassing in de instellingen voor buitengewoon secundair onderwijs van het koninklijk besluit nr. 296 van 31 maart 1984 betreffende de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de Rijksinrichtingen, volledig toegekend aan de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs. »

Art. 102.Aan artikel 46, § 1, van hetzelfde decreet wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt : « De Vlaamse regering kan ook tijdelijke projecten financieren of subsidiëren. » TITEL XIII. - Opname in de financierings- of subsidiëringsregeling

Art. 103.In artikel 24, § 1, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, gewijzigd bij de wetten van 6 juli 1970 en 18 september 1981, het koninklijk besluit nr. 411 van 25 april 1986 en het decreet van 5 juli 1989, wordt tussen het tweede en het derde lid een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt : « In de volgende gevallen wordt, onverminderd de vigerende beschikkingen inzake de herstructurering van instellingen en inzake wijzigingen in het onderwijsaanbod, bedoelde opneming onmiddellijk bevestigd zonder een voorafgaandelijke verlenging van jaar tot jaar : 1° instellingen voor voltijds gewoon secundair onderwijs die ontstaan ingevolge fusie of splitsing;2° structuuronderdelen van het voltijds gewoon secundair onderwijs die ontstaan ingevolge omzetting, omvorming of overheveling of structuuronderdelen van de opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs die ontstaan ingevolge omzetting;3° structuuronderdelen van de eerste graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs die ontstaan ingevolge programmatie;4° structuuronderdelen van de tweede, de derde of de vierde graad van het voltijds gewoon secundair onderwijs die niet- specifiek zijn en die ontstaan ingevolge programmatie binnen een op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar bestaand studiegebied.» TITEL XIV. - Ingebouwde middenscholen

Art. 104.Van zodra de titularis van het ambt van directeur van een ingebouwde middenschool, bedoeld in het koninklijk besluit van 15 december 1982 tot vaststelling van de benaming en de structuur van de door de Staat georganiseerde inrichtingen voor secundair onderwijs, ontslag neemt, met pensioen gaat, een terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen neemt, muteert of overlijdt, wordt de betrokken instelling niet meer als een ingebouwde middenschool beschouwd.

TITEL XV. - Aanpassingen aan het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs

Art. 105.In artikel 2, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs, wordt tussen "- het administratief personeel" en "- het personeel van de pedagogische begeleidingsdiensten" een liggend streepje ingevoegd, dat luidt als volgt : « - het ondersteunend personeel;"

Art. 106.Aan artikel 17, van hetzelfde decreet, wordt een § 6 toegevoegd, die luidt als volgt : « § 6. In het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs is elke tijdelijke aanstelling van een personeelslid dat houder is van een "ander bekwaamheidsbewijs" beperkt tot de duur van het lopende schooljaar. »

Art. 107.In hetzelfde decreet wordt een artikel 21bis ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 21bis.§ 1. In afwijking van artikel 21 geldt dit artikel voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. § 2. De lokale raad stelt een tijdelijk personeelslid aan voor een bepaalde duur in vacante en/of niet-vacante betrekkingen. § 3. De lokale raad stelt een tijdelijk personeelslid aan voor een doorlopende duur in vacante en/of niet-vacante betrekkingen. De tijdelijke aanstelling van doorlopende duur is een recht onder de voorwaarden van dit artikel. § 4. De bij een lokale raad vastbenoemde personeelsleden die een betrekking met onvolledige prestaties in hoofdambt uitoefenen in de instelling of instellingen van deze lokale raad die niet tot een scholengemeenschap behoren, komen prioritair in aanmerking op personeelsleden die in de instelling of instellingen van deze lokale raad die niet tot een scholengemeenschap behoren nog geen vaste benoeming hebben.

De personeelsleden vast benoemd in één of meer instellingen die tot een scholengemeenschap behoren en die een betrekking met onvolledige prestaties in hoofdambt uitoefenen in deze instellingen, komen voor een tijdelijke aanstelling prioritair in aanmerking op personeelsleden die binnen dezelfde scholengemeenschap nog geen vaste benoeming hebben. § 5. Een personeelslid heeft recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur indien het : 1° gespreid over tenminste drie schooljaren een dienstanciënniteit heeft van ten minste 720 dagen, waarvan 600 effectief gepresteerd;2° als laatste evaluatie geen evaluatie met de eindconclusie "onvoldoende" heeft verkregen. Indien het personeelslid niet werd geëvalueerd, wordt deze voorwaarde geacht voldaan te zijn.

Dit recht geldt voor betrekkingen in de instelling of instellingen van de lokale raad die niet tot een scholengemeenschap behoren waar het personeelslid het recht heeft verworven.

Wanneer het personeelslid het recht heeft verworven in één of meer instellingen die behoren tot een scholengemeenschap, dan geldt dit recht voor betrekkingen in alle instellingen van deze scholengemeenschap.

Het personeelslid dat een beroep wenst te doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur moet, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgend schooljaar, voor 15 juli bij de lokale raad, kandideren met een ter post aangetekende brief.

Als de instellingen van de lokale raad tot een scholengemeenschap behoren, dan geldt de kandidatuurstelling voor alle betrekkingen in de scholengemeenschap waar het personeelslid recht heeft op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur.

Het personeelslid voegt bij zijn kandidatuurstelling de nodige documenten met betrekking tot de vereiste dienstanciënniteit om zijn aanspraak op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te staven. § 6. In afwijking van § 5 verliest het personeelslid het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of instellingen van de lokale raad die niet tot een scholengemeenschap behoren, wanneer het vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in de instellingen van deze lokale raad.

In afwijking van § 5 verliest het personeelslid het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in alle instellingen van de scholengemeenschap, wanneer het vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in instellingen van deze scholengemeenschap. § 7. In afwijking van § 5 verliest het personeelslid het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de instelling of instellingen van de lokale raad die niet tot een scholengemeenschap behoren, wanneer het personeelslid ontslagen werd wegens dringende redenen of wegens een beoordelings- of evaluatieverslag met eindconclusie "onvoldoende".

In afwijking van § 5 verliest het personeelslid het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in alle instellingen van de scholengemeenschap, wanneer een lokale raad binnen dezelfde scholengemeenschap het personeelslid heeft ontslagen wegens dringende redenen of wegens een beoordelings- of evaluatieverslag met eindconclusie "onvoldoende". § 8. In afwijking van § 5 verliest het vastbenoemde personeelslid het recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, wanneer het personeelslid, in toepassing van artikel 61, 5°, bij tuchtmaatregel is teruggezet tot tijdelijke aanstelling. § 9. In afwijking van § 5 verliest het vastbenoemde personeelslid het recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, wanneer het personeelslid, in toepassing van artikel 61, 6°, werd ontslagen. § 10. Een personeelslid kan het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laten gelden voor elke vacature die in de loop van het schooljaar ontstaat, op voorwaarde dat hij nog niet is aangesteld voor een voltijdse betrekking of geen voltijdse betrekking heeft waarvan hij titularis is. § 11. Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt voor het ambt waarin de in § 5 bedoelde anciënniteit is verworven, en voor het ambt van leraar voor de vakken of specialiteiten waarvoor het personeelslid het vereiste bekwaamheidsbewijs bezit.

Is de in § 5 bedoelde anciënniteit verworven in een ambt of voor leraren in een vak of specialiteit waarvoor het personeelslid een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit, dan geldt dit recht ook voor dit ambt, dit vak of deze specialiteit. § 12. Wanneer een lokale raad over verscheidene vacatures beschikt, moet hij bij voorrang betrekkingen die definitief vacant zijn toewijzen aan personeelsleden met een recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. § 13. Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt niet voor een tijdelijke aanstelling ter vervanging van een personeelslid met loopbaanonderbreking, behalve indien het personeelslid voldoet aan de voorwaarden die gesteld worden aan de vervanger van een loopbaanonderbreker. § 14. Personeelsleden met recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur die op het ogenblik van hun aanstelling hun betrekking niet effectief kunnen opnemen door ziekte, een arbeidsongeval, moederschapsrust of borstvoedingsverlof, hebben het recht na hun afwezigheid deze betrekking effectief op te nemen. § 15. Behoudens andersluidende overeenkomst met de lokale raad en op straffe van verlies van zijn recht op de aangeboden betrekking, moet het personeelslid dat zijn recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur doet gelden in een instelling of in instellingen van de betrokken lokale raad of van de betrokken scholengemeenschap voor instellingen die tot een scholengemeenschap behoren, die betrekking in haar geheel aanvaarden, zoals ze wordt aangeboden.

Die bepaling is niet van toepassing op de personeelsleden die bij de instelling of bij de betrokken lokale raad of bij de betrokken scholengemeenschap voor instellingen die tot een scholengemeenschap behoren, een niet-voltijdse betrekking uitoefenen en deze opdracht willen uitbreiden.

De toepassing van deze paragraaf mag niet leiden tot onverantwoorde pedagogische opsplitsing van de te begeven opdracht. § 16. Indien een personeelslid met recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur de aanstelling van een ander personeelslid betwist, geeft de lokale raad inzage van de in § 5 bedoelde documenten van het personeelslid waarvan hij de aanstelling betwist. § 17. De lokale raad moet de beëindiging van een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur conform dit decreet steeds schriftelijk motiveren en meedelen aan het personeelslid.

Artikel 23, § 1, e, en § 2, en artikel 24 gelden niet voor personeelsleden aangesteld voor doorlopende duur. § 18. De anciënniteit bedoeld in § 5 wordt vastgesteld op 30 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin het personeelslid zijn recht op de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laat gelden.

Voor de toepassing van dit artikel wordt de anciënniteit, in afwijking van artikel 4, berekend op basis van prestaties in een instelling, in één of meer instellingen van één lokale raad of van één bepaalde scholengemeenschap wanneer de instellingen tot een scholengemeenschap, en dit ongeacht het net, behoren.

Ook prestaties geleverd voor 1 september 1999 komen voor de berekening van deze anciënniteit in aanmerking.

Voor het bepalen van de anciënniteit bedoeld in dit artikel wordt, in afwijking van artikel 4, § 1, a, het aantal gepresteerde dagen niet met 1,2 vermenigvuldigd. »

Art. 108.In artikel 23, §1, van hetzelfde decreet wordt j vervangen door wat volgt : « j) voor de personeelsleden die werden aangesteld met miskenning van de in artikel 21 en voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs artikel 21bis bedoelde voorrangsregels;".

Art. 109.Artikel 24 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt : «

Artikel 24.§ 1. Het instellingshoofd kan elk tijdelijk aangesteld personeelslid zonder opzegging om dringende redenen ontslaan.

Onder dringende redenen wordt verstaan de ernstige tekortkoming die het voortduren van de tijdelijke aanstelling onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Ontslag om dringende redenen overeenkomstig de bepalingen van dit artikel kan niet meer worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen bekend is aan het instellingshoofd.

Alleen de dringende redenen waarvan kennis is gegeven bij een ter post aangetekende brief, verzonden binnen drie werkdagen na het ontslag, kunnen worden aangewend ter rechtvaardiging van het ontslag.

Het ontslag om dringende redenen moet binnen zeven kalenderdagen worden bekrachtigd door het lokale bestuursorgaan of, bij ontstentenis hiervan, de centrale raad en het moet onverwijld worden meegedeeld aan de centrale raad van de ARGO. Tegen het ontslag om dringende redenen is beroep mogelijk overeenkomstig artikel 69. Het beroep is niet opschortend. § 2. De dienstperiode voorafgaand aan het ontslag om dringende redenen wordt niet in aanmerking genomen voor de berekening van de in artikel 21, § 1, bedoelde dienstanciënniteit. Het betrokken personeelslid verliest bovendien elk prioriteitsrecht op tijdelijke aanstelling bij het lokale bestuursorgaan van de instelling waar hem ontslag om dringende redenen gegeven werd.

De bepalingen van deze paragraaf gelden niet voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. »

Art. 110.In hetzelfde decreet wordt een artikel 28bis ingevoegd : «

Artikel 28bis.§ 1. In afwijking van artikel 28, §§ 1 tot 5 geldt dit artikel voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. § 2. Ieder jaar, in de loop van de maand februari, stelt de lokale raad een lijst op van alle vacante betrekkingen in wervingsambten. De lokale raad bezorgt deze lijst aan de scholengemeenschap. § 3. De scholengemeenschap, en bij ontstentenis hiervan de lokale raad zelf, brengt advies uit over : 1° het bestaan van een vacante betrekking in de betrokken instelling(en) op 1 februari voorafgaand aan de oproep;betrekkingen die tussen 1 februari en 1 september vacant worden ten gevolge van de pensionering van de titularis kunnen eveneens vacant worden verklaard; 2° de stabiliteit van de betrekking na 1 september volgend op de oproep, rekening houdend met de geldende rationalisatie- en omkaderingsnormen. § 4. De lijst van vacante betrekkingen wordt aan de centrale raad gezonden. § 5. De centrale raad legt de definitieve lijst van de vacante betrekkingen vast en houdt rekening met het advies van de scholengemeenschap of lokale raad. § 6. Deze lijst bevat een nauwkeurige omschrijving van de vacant verklaarde betrekkingen en de vorm en de termijn waarbinnen de kandidaturen moeten worden ingediend. De centrale raad bepaalt de wijze waarop deze lijst aan de belanghebbenden wordt bekend gemaakt. »

Art. 111.In hetzelfde decreet wordt een artikel 36bis ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 36bis.§ 1. In afwijking van artikel 36 geldt voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs dit artikel. § 2. Niemand kan in vast verband benoemd worden indien hij op het ogenblik van de vaste benoeming niet voldoet aan de in artikel 17, met uitzondering van § 1, 7°, bepaalde voorwaarden, en daarenboven : 1° op 30 juni voorafgaand aan de datum waarop de benoeming ingaat niet ten minste 720 dagen dienstanciënniteittelt, waarvan 360 dagen in het betrokken ambt.Indien het een leraar betreft in het bezit van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs kan het lokale bestuursorgaan of bij ontstentenis hiervan de centrale raad eisen dat, van de 720 dagen er 360 werden gepresteerd in het vak of de specialiteit van de vacant verklaarde betrekking. Voor het administratief, het statutair meesters-, vak- en dienstpersoneel en het personeel van de opvangcentra moeten de bedoelde 720 dagen dienstanciënniteit bereikt zijn op 31 augustus voorafgaand aan de datum waarop de benoeming ingaat; 2° zich kandidaat heeft gesteld in de vorm en binnen de termijn vermeld in de oproep tot de kandidaten;3° lichamelijk geschikt is overeenkomstig de reglementering inzake controle die geldt voor de ambtenaren van de diensten van de Vlaamse regering;4° op 31 december voorafgaand aan de vaste benoeming voor doorlopende duur aangesteld zijn.Deze bepaling is niet van toepassing op de personeelsleden die werden aangesteld bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling; 5° als laatste evaluatie geen evaluatie met de eindconclusie "onvoldoende" verkregen hebben.Indien het personeelslid niet werd geëvalueerd, wordt deze voorwaarde geacht voldaan te zijn.

De benoeming is slechts mogelijk indien de betrekking in hoofdambt wordt uitgeoefend.

In afwachting dat de Vlaamse regering uitvoering verleent aan het in 3° bepaalde blijven de bestaande reglementaire beschikkingen van kracht zoals ze bestaan op het ogenblik van het van kracht worden van dit decreet. § 3. Voor de berekening van de in § 1 bedoelde dienstanciënniteit wordt voor het meesters-, vak- en dienstpersoneel rekening gehouden met de diensten gepresteerd onder het contractuele stelsel. Bij de voordracht tot de benoeming dient het lokale bestuursorgaan of bij ontstentenis hiervan het hoofd van de instelling te putten uit de bij haar in dienst zijnde contractuele personeelsleden of uit contractuele personeelsleden in dienst bij andere lokale bestuursorganen of instellingen. Voor deze laatste groep is evenwel een dienstanciënniteit van 1 400 dagen vereist. De anciënniteit wordt berekend overeenkomstig artikel 4. § 4. Wanneer het personeelslid na uitputting van de procedure bedoeld in § 1, 3°, definitief ontoelaatbaar wordt verklaard, wordt het ontslagen met een opzeggingstermijn waarvan de duur wordt vastgesteld naar gelang van het aantal arbeidsdagen die nodig zijn om aanspraak te hebben op de uitkeringen in de werkloosheids- en de verplichte ziekteen invaliditeitsverzekering. Tijdens de opzeggingstermijn wordt het personeelslid geacht als tijdelijke te zijn aangesteld en geniet het de bruto-wedde van het ambt waarin het vast benoemd werd. »

Art. 112.In hetzelfde decreet wordt een artikel 36ter ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 36ter.§ 1. Dit artikel geldt voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. § 2. De vastbenoemde personeelsleden die een betrekking met onvolledige prestaties in hoofdambt uitoefenen, hebben, met het oog op de uitbreiding van hun vaste benoeming voorrang op alle tijdelijke personeelsleden voor vacant verklaarde betrekkingen, op voorwaarde dat zij : 1° ofwel in het bezit zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs voor de aangeboden prestaties en zij daarenboven in instellingen van dezelfde lokale raad vast benoemd werden voor hetzelfde ambt;2° ofwel in het bezit zijn van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs en zij daarenboven in de instellingen van dezelfde lokale raad vast benoemd werden in hetzelfde ambt, en voor de leraren in dezelfde vakken of specialiteiten als de aangeboden prestaties. § 3. Bij de uitbreiding van de vaste benoeming geldt artikel 92 inzoverre de personeelsleden die voldoen aan artikel 92 reeds over een vaste benoeming in een instelling van dezelfde lokale raad beschikken. »

Art. 113.In artikel 37, § 2, van hetzelfde decreet worden tussen de woorden "in artikel 36" en "gestelde voorwaarden" de woorden "en voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs artikel 36bis" ingevoegd.

Art. 114.In hetzelfde decreet wordt een artikel 37bis ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 37bis.§ 1. Dit artikel geldt voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. § 2. De centrale raad moet de personeelsleden die kandidaat zijn voor een vaste benoeming en die aan de benoemingsvoorwaarden voldoen, benoemen in een vacant verklaarde betrekking, wanneer het personeelslid hierdoor ten minste een halftijdse opdracht verkrijgt. »

Art. 115.In hetzelfde decreet wordt een artikel 40bis ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 40bis.§ 1. In afwijking van artikel 40 geldt voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs dit artikel. § 2. Onverminderd de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking en reaffectatie geldt de draagwijdte van de vaste benoeming binnen dezelfde categorie en binnen eenzelfde soort ambt : 1° voor het ambt en het volume van de betrekking waarvoor het personeelslid vast benoemd is, en voor de leraren, voor alle vakken en specialiteiten van dat ambt waarvoor betrokkene het vereiste of het hiermee gelijkwaardig geacht bekwaamheidsbewijs bezit;2° voor het ambt en het volume van de betrekking waarvoor het personeelslid vast benoemd is, en voor de leraren, het vak of de specialiteit waarin betrokkene zijn opdracht uitoefent op het ogenblik van de vaste benoeming, indien het personeelslid vast benoemd is met een voldoende geacht of het hiermee gelijkwaardig geacht bekwaamheidsbewijs. § 3. Voor de toepassing van dit artikel worden als vereiste en voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen beschouwd, zowel de door organieke bepalingen als door overgangsbepalingen erkende bekwaamheidsbewijzen. § 4. Voor de toepassing van dit artikel dient onder soort ambt te worden begrepen : het wervings-, selectie- of bevorderingsambt. § 5. De Vlaamse regering bepaalt de regels volgens welke de vaste benoeming wordt meegedeeld aan het departement Onderwijs opdat zij zou uitwerking hebben ten aanzien van de overheid.

In afwachting van deze maatregel blijft de bestaande reglementering gelden. »

Art. 116.In hetzelfde decreet wordt een artikel 40ter ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 40ter.§ 1. Dit artikel geldt voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. § 2. Het personeelslid dat de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, wordt op zijn verzoek vast benoemd in een vacante betrekking in een wervingsambt, op voorwaarde dat hij : 1° de voorwaarden vervult voor vaste benoeming;2° de vaste benoeming bij de lokale raad aanvraagt;3° vanaf 1 februari voorafgaand aan de datum van vaste benoeming in dienst is in de instelling waar de betrekking te begeven is;4° tijdelijk personeelslid is of voor een onvolledige betrekking vast benoemd is. De betrekking hoeft niet vacant verklaard te worden.

Die vaste benoeming heeft steeds 1 januari als ingangsdatum. § 3. Een lokale raad heeft de mogelijkheid om het personeelslid dat bij haar wordt gereaffecteerd of wedertewerkgesteld in een vacante betrekking, op zijn verzoek vast te benoemen in die betrekking.

De betrekking hoeft niet vacant verklaard te worden.

Die vaste benoeming heeft steeds 1 januari als ingangsdatum. »

Art. 117.Aan Hoofdstuk III, van hetzelfde decreet, wordt een Afdeling VI toegevoegd, die luidt als volgt : « Afdeling VI. - Ondersteunend personeel

Artikel 40quater.Deze afdeling is van toepassing op het gewoon secundair onderwijs, met uitzondering van de instellingen van het gemeenschapsonderwijs die in Duitsland gelegen zijn.

Artikel 40quinquies.Voor de toepassing van Hoofdstuk III houdt de lokale raad rekening met de bepalingen van Titel XI. - Ondersteunend personeel van het Decreet houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging aan het decreet van 25 februari 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/02/1997 pub. 05/07/1997 numac 1997035730 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de eindregeling van de begroting van de Vlaamse Gemeenschappen van de instellingen van openbaar nut voor het begrotingsjaar 1987 type decreet prom. 25/02/1997 pub. 05/07/1997 numac 1997035724 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de eindregeling van de begroting van de Vlaamse Gemeenschappen van de instellingen van openbaar nut voor het begrotingsjaar 1988 sluiten betreffende het basisonderwijs voor de aanstellingen in betrekkingen van opvoeder en administratief medewerker.

Artikel 40sexies.Voor de toepassing van Hoofdstuk III worden de diensten gepresteerd in ambten van de categorie van het opvoedend hulppersoneel en/of het administratief personeel beschouwd als zijnde gepresteerd in een ambt van het ondersteunend personeel. »

Art. 118.In hetzelfde decreet wordt in hoofdstuk V een artikel 41bis ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 41bis.Dit hoofdstuk is niet van toepassing op het bevorderingsambt van directeur zoals bedoeld in hoofdstuk Vter. »

Art. 119.In hetzelfde decreet wordt een artikel 46bis ingevoegd dat luidt als volgt : «

Artikel 46bis.§ 1. In afwijking van artikel 46 geldt voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs dit artikel. § 2. Het personeelslid moet, om toegelaten te worden tot de proeftijd in een selectie- of bevorderingsambt, op het ogenblik van de toelating voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° houder zijn van het voorziene vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepalingen of bij overgangsmaatregel;2° als laatste evaluatie geen evaluatie met de eindconclusie "onvoldoende" hebben verkregen.Indien het personeelslid niet werd geëvalueerd, wordt deze voorwaarde geacht voldaan te zijn; 3° voldoen aan de algemene wervingsvoorwaarden bedoeld in artikel 14 en 17, § 1 tot en met § 4;4° zich bij de centrale raad bij een ter post aangetekende brief kandidaat hebben gesteld in de vorm en binnen de termijn die in de oproep tot de kandidaten is vermeld. De centrale raad kan specifieke vorming opleggen. »

Art. 120.In hetzelfde decreet wordt een artikel 50bis ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 50bis.§ 1. In afwijking van artikel 50 geldt voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs dit artikel. § 2. Voor het waarnemen van een selectie- of bevorderingsambt kan de centrale raad, na advies van het lokale bestuursorgaan of instellingshoofd indien er geen lokaal bestuursorgaan is, een personeelslid aanwijzen : a) indien de titularis van het ambt tijdelijk afwezig is;b) in een betrekking waarin op grond van artikel 43 geen benoeming mogelijk is;c) in afwachting van een toelating tot de proeftijd die moet gebeuren binnen drie jaar vanaf de datum waarop de betrekking vacant is geworden. Tijdens die periode blijft het personeelslid titularis van het ambt waarin het vast benoemd is. § 3. Het personeelslid dat wordt aangesteld voor het waarnemen van een selectie- of bevorderingsambt moet voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 46bis, § 2, 1°, 2° en 3°.

De centrale raad kan bijkomende algemene voorwaarden bepalen waaronder personeelsleden die in het gemeenschapsonderwijs waarnemend aangesteld, tot de proeftijd toegelaten of vast benoemd zijn in een selectie- of bevorderingsambt en voor een betrekking aangesteld of aangewezen zijn, kunnen worden aangesteld voor het waarnemen van een selectie- of bevorderingsambt in een andere betrekking. § 4. Een aanstelling voor het waarnemen van een selectie- of bevorderingsambt is slechts mogelijk na voorafgaande toepassing van het bepaalde in artikel 42, 1°. § 5. In afwijking van § 2 en voor een periode van maximum 30 kalenderdagen wordt een personeelslid waarnemend aangesteld door het lokale bestuursorgaan, of bij ontstentenis hiervan het instellingshoofd, in een selectie- of bevorderingsambt rekening gehouden met de voorwaarden bepaald in artikel 46bis, § 2, 1°, 2° en 3°.

Voor een periode van maximum 30 kalenderdagen mag de oproep tot de kandidaten zich beperken tot de personeelsleden van het lokale bestuursorgaan of, bij ontstentenis hiervan, de instelling waar de vacature zich voordoet. § 6. Een waarnemende aanstelling in een selectieof bevorderingsambt eindigt voor het geheel of een deel van de opdracht volgens het bepaalde van artikel 23, § 1, a, b, c, d, f, h. en k, na het verloop van de periode bepaald in § 5 van dit artikel, op het ogenblik dat de betrekking van het tijdelijk waarnemend personeelslid geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen aan een personeelslid door toelating tot de proeftijd overeenkomstig artikel 45, § 3, dan wel door vaste benoeming en bij toepassing van de artikelen 52 en 53. § 7. In afwijking van de bepalingen van § 3 en § 5 heeft een personeelslid, dat in de periode van 1 september 1985 tot en met 31 augustus 1990 gedurende tenminste 240 dagen per schooljaar tijdelijk was aangesteld met een coördinatieopdracht in het deeltijds beroepssecundair onderwijs, voorrang voor waarnemende aanstelling in het selectieambt van coördinator in het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waar de betrekking werd uitgeoefend. Het personeelslid moet aantonen dat het aan deze voorwaarden voldoet. »

Art. 121.Aan artikel 55 van hetzelfde decreet waarvan de bestaande tekst §1 zal vormen, wordt een § 2, een § 3 en een § 4 toegevoegd die luiden als volgt : « § 2. In afwijking van dit hoofdstuk en zonder dat het zich kandidaat moet stellen, wordt het lid van het ondersteunend personeel met een diploma secundair onderwijs, dat vast benoemd is en dat negen jaar dienstanciënniteit telt in deze categorie door de inrichtende macht vast benoemd in hetzelfde ambt met weddeschaal 203.

De diensten gepresteerd in de ambten van de categorieën van het ondersteunend personeel, het administratief personeel en het opvoedend hulppersoneel, worden in aanmerking genomen voor het berekenen van deze negen jaar dienstanciënniteit.

De diensten gepresteerd voor 1 september 1998 in de voormelde categorieën komen eveneens in aanmerking voor de berekening van deze negen jaar dienstanciënniteit. § 3. In afwijking van dit hoofdstuk en zonder dat het zich kandidaat moet stellen, kan de lokale raad een lid van het opvoedend hulppersoneel of het ondersteunend personeel met een diploma hoger onderwijs van één cyclus dat vast benoemd is in deze categorieën, de hogere weddeschaal 106 toekennen.

Wanneer de instelling minder dan 400 leerlingen telt, kan de lokale raad aan één dergelijk personeelslid die hogere weddeschaal toekennen.

Wanneer de instelling 400 tot 900 leerlingen telt, kan de lokale raad aan twee dergelijke personeelsleden die hogere weddeschaal toekennen.

Wanneer de instelling meer dan 900 leerlingen telt, kan de lokale raad aan drie dergelijke personeelsleden die hogere weddeschaal toekennen. § 4. In het secundair onderwijs kunnen de personeelsleden van categorieën van het administratief personeel, het ondersteunend personeel en het opvoedend hulppersoneel slechts toepassing maken van dit artikel wanneer zij als laatste evaluatie geen evaluatie met als eindconclusie "onvoldoende" hebben gekregen. »

Art. 122.In hetzelfde decreet wordt een Hoofdstuk Vter ingevoegd, dat luidt als volgt : « HOOFDSTUK Vter. - Mandaat

Artikel 55quater.Dit hoofdstuk geldt voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs.

Artikel 55quinquies.§ 1. Elke nieuwe aanstelling in het bevorderingsambt van directeur wordt vanaf 1 september 1999 toegewezen bij mandaat. § 2. Elke aanstelling bij mandaat in een ambt van directeur wordt schriftelijk vastgesteld op de wijze en met de vermeldingen bepaald in artikel 18. § 3. Onverminderd artikel 55terdecies komen de personeelsleden die toegelaten zijn tot de proeftijd op 1 januari 1999 of die belast zijn met het tijdelijk waarnemen van een vacante of niet-vacante betrekking van directeur op 31 augustus 1999 en tot op het ogenblik van de vaste benoeming tijdelijk belast blijven met dezelfde betrekking, nog in aanmerking voor een vaste benoeming in dit ambt.

Artikel 55sexies.De centrale raad bepaalt de wijze van vacantverklaring en kandidaatstelling.

Artikel 55septies.Om in een mandaat van directeur aangesteld te kunnen worden, moet het personeelslid bij de aanvang van dat mandaat voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° houder zijn van het vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of overgangsmaatregel;2° de betrekking uitoefenen in hoofdambt;3° als laatste evaluatie geen evaluatie met de eindconclusie "onvoldoende" verkregen hebben.Indien het personeelslid niet werd geëvalueerd, wordt deze voorwaarde geacht voldaan te zijn; 4° voldoen aan de algemene wervingsvoorwaarden bedoeld in artikel 14 en 17, § 1 tot en met § 4;5° zich kandidaat hebben gesteld in de vorm en binnen de termijn die de centrale raad bepaalt. De centrale raad kan specifieke vorming opleggen.

Artikel 55octies.De bepalingen inzake reaffectatie en wedertewerkstelling zijn niet van toepassing op de betrekkingen die toegewezen werden bij mandaat.

Artikel 55novies.Prestaties geleverd tijdens een mandaat worden in aanmerking genomen voor de administratieve en geldelijke anciënniteit van het personeelslid.

Artikel 55decies.Als een personeelslid zonder vaste benoeming in het onderwijs aangesteld wordt bij mandaat, wordt dit zowel voor de administratieve als voor de geldelijke toestand beschouwd als een tijdelijke aanstelling.

Artikel 55undecies.§ 1. Het mandaat heeft een onbepaalde duur. § 2. De lokale raad kan een einde stellen aan een mandaat : 1° met een gemotiveerde opzeg van 3 maanden;2° om dringende redenen volgens de procedure, bedoeld in artikel 24. § 3. De lokale raad moet een einde stellen aan een mandaat : 1° na een definitieve evaluatie met de eindconclusie "onvoldoende";2° door toepassing van artikel 23, § 1, a, f, h, i en k, en artikel 86, 1° tot 8°. § 4. Een personeelslid dat belast is met een mandaat van directeur kan op 1 september vrijwillig afzien van het mandaat. Hij deelt dit per aangetekende brief mee aan de lokale raad, voor 1 april van hetzelfde jaar.

In onderling overleg kan van beide data worden afgeweken.

Artikel 55duodecies.§ 1. Bij de beëindiging van een mandaat van directeur neemt het vastbenoemd personeelslid een betrekking op bij de lokale raad en in de instelling van aanwijzing volgens zijn vaste benoeming voorafgaand aan het mandaat, tenzij het personeelslid en de lokale raad akkoord gaan met een mutatie. § 2. Bij de beëindiging van een mandaat van directeur ingevolge een evaluatie "onvoldoende" neemt het personeelslid een betrekking op bij de lokale raad en in de instelling van aanwijzing volgens zijn vaste benoeming voorafgaand aan het mandaat. Dit personeelslid kan binnen "hetzelfde ambt" geen beroep doen op zijn anciënniteit voor een betrekking.

Artikel 55terdecies.Het personeelslid belast met een mandaat van directeur in een vacante betrekking, wordt op zijn verzoek op de leeftijd van 55 jaar vast benoemd in deze betrekking, op voorwaarde dat hij : 1° de voorwaarden vervult voor vaste benoeming;2° mandaathouder is van de betrekking waarin hij wordt benoemd;3° de vaste benoeming bij de lokale raad aanvraagt. Die vaste benoeming heeft steeds 1 januari als ingangsdatum.

Artikel 55quaterdecies.De Vlaamse regering bepaalt de nadere regeling van de administratieve en geldelijke toestand van de personeelsleden die worden aangesteld bij mandaat. »

Art. 123.Aan artikel 56, § 5, van hetzelfde decreet wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt : « De personeelsleden van het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs die voor de overname recht hadden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, zoals bedoeld in artikel 21bis, § 5, behouden dit recht na de overname. »

Art. 124.In hetzelfde decreet wordt een artikel 50bis ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 59bis.Artikel 59 geldt eveneens voor de personeelsleden van het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs die tijdelijk aangesteld zijn voor doorlopende duur. »

Art. 125.In hoofdstuk VIII van hetzelfde decreet wordt een artikel 60bis ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 60bis.Dit hoofdstuk is eveneens van toepassing op de personeelsleden van het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs die tijdelijk aangesteld zijn voor doorlopende duur. »

Art. 126.In hetzelfde decreet wordt een Hoofdstuk VIIIbis ingevoegd, dat luidt als volgt : « HOOFDSTUK VIIIbis. - Functiebeschrijving

Artikel 73bis.Dit hoofdstuk geldt voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs.

Artikel 73ter.§ 1. Een functiebeschrijving is verplicht voor elk personeelslid dat aangesteld is voor meer dan 104 dagen. § 2. De lokale raad kan voor personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn voor kortere duur beslissen om een functiebeschrijving op te stellen. § 3. De lokale raad agendeert de algemene afspraken inzake functiebeschrijvingen bij het lokaal comité. § 4. De lokale raad duidt voor ieder personeelslid één of twee evaluatoren aan, waaronder steeds de directeur. § 5. Rekening houdend met de algemene afspraken leggen het personeelslid en de evaluator de functiebeschrijving vast.

Personeelslid en evaluator leggen in de functiebeschrijving de taken en instellingsgebonden opdrachten van het personeelslid vast en de wijze waarop het personeelslid deze taken en opdrachten moet uitvoeren.

In de functiebeschrijving worden ook de instellingsspecifieke doelstellingen opgenomen.

Aan de functiebeschrijving worden ook de persoons- en ontwikkelingsgerichte doelstellingen toegevoegd, naar aanleiding van de afspraken gemaakt op het einde van de vorige evaluatieperiode. § 6. De functiebeschrijving bevat de rechten en plichten inzake permanente vorming en nascholing.

Indien de lokale raad nascholing oplegt aan een personeelslid, vallen de kosten ten laste van de lokale raad. § 7. Als de evaluator en het personeelslid het niet eens raken over de functiebeschrijving of bepaalde onderdelen ervan, beslist de lokale raad. De lokale raad hoort vooraf de directie, de evaluatoren en het personeelslid. § 8. De evaluator(en) ondertekenen de functiebeschrijving; het betrokken personeelslid ondertekent de functiebeschrijving voor kennisname. § 9. De functiebeschrijving wordt bij belangrijke wijziging van de opdracht of in onderling overleg, aangepast. § 10. De functiebeschrijving van de godsdienstleraar en de leraar secundair onderwijs belast met niet-confessionele zedenleer wordt opgemaakt met het akkoord van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of levensbeschouwing. »

Art. 127.In hetzelfde decreet wordt een Hoofdstuk VIIIter ingevoegd, dat luidt als volgt : « HOOFDSTUK VIIIter. - Evaluatie

Artikel 73quater.Dit hoofdstuk geldt voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. Afdeling I. - De evaluatie

Artikel 73quinquies.§ 1. De evaluatie is minimaal om de drie jaar verplicht voor elk personeelslid. § 2. Evaluatie is niet mogelijk voor het personeelslid voor wie geen functiebeschrijving werd opgemaakt.

Artikel 73sexies.De lokale raad of de scholengemeenschap, indien de lokale raad tot een scholengemeenschap behoort, onderhandelt de algemene afspraken inzake evaluatie bij het lokaal comité.

Artikel 73septies.§ 1. Het evaluatieverslag beschrijft op zorgvuldige wijze het volledig functioneren van het personeelslid ten opzichte van de overeengekomen functiebeschrijving, met inbegrip van de voor de betrokken evaluatieperiode afgesproken specifieke doelstellingen en ontwikkelingsgerichte doelstellingen. § 2. De evaluatie gebeurt in de instelling waar het personeelslid prestaties verricht en voor elk ambt dat het daar uitoefent. § 3. De evaluatie van de godsdienstleraar en de leraar secundair onderwijs belast met niet-confessionele zedenleer wordt voor wat betreft de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten opgemaakt door de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of levensbeschouwing.

De evaluatie van de godsdienstleraar en de leraar secundair onderwijs belast met niet-confessionele zedenleer wordt voor wat betreft de niet-vakinhoudelijke en niet-vaktechnische aspecten opgemaakt door de in dit decreet bedoelde evaluator. Afdeling II. - De evaluatie "onvoldoende"

Artikel 73octies.Alleen tegen het evaluatieverslag dat wordt besloten met de eindconclusie "onvoldoende", is beroep mogelijk.

Artikel 73novies.§ 1. Bij een evaluatie met eindconclusie « onvoldoende » kan het personeelslid beroep aantekenen bij een college van beroep inzake evaluaties. Dit college van beroep garandeert de rechten van verdediging. § 2. Zolang het college van beroep niet functioneert, zijn evaluaties met de eindconclusie "onvoldoende" niet mogelijk.

Artikel 73decies.§ 1. Als het vastbenoemde personeelslid of het personeelslid aangesteld voor doorlopende duur, een evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" heeft gekregen, moet betrokkene een nieuwe evaluatie krijgen.

Deze nieuwe evaluatie moet een periode van ten minste acht en maximum twaalf maanden effectieve prestaties omvatten. § 2. Het vastbenoemde personeelslid of het personeelslid aangesteld voor doorlopende duur wordt ontslagen als het twee opeenvolgende definitieve evaluaties met eindconclusie "onvoldoende" of drie definitieve evaluaties met eindconclusie "onvoldoende" in zijn loopbaan binnen dezelfde lokale raad of binnen dezelfde scholengemeenschap indien de lokale raad tot een scholengemeenschap behoort, heeft gekregen voor één bepaald ambt.

Artikel 73undecies.Het tijdelijk personeelslid aangesteld voor bepaalde duur, wordt ontslagen als de evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" definitief is.

Artikel 73duodecies.Het vastbenoemde personeelslid dat belast is met een mandaat als directeur keert na een definitieve evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" onmiddellijk terug naar het ambt van benoeming voorafgaand aan de mandaatperiode.

Artikel 73terdecies.§ 1. De lokale raad maakt voor een personeelslid dat benoemd is in een selectie- of bevorderingsambt en voorheen vastbenoemd was in een ambt in het onderwijs toepassing van artikel 73decies. Het personeelslid keert dan terug naar het ambt waarin het voorheen benoemd was. § 2. In afwijking van § 1 kan de lokale raad een personeelslid dat benoemd is in een selectie- of bevorderingsambt en voorheen vastbenoemd was in een ambt in het onderwijs bij een definitieve evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" terugzetten als vastbenoemd personeelslid in het ambt waarin het voorheen was benoemd. § 3. Bij toepassing van §§ 1 en 2 kan het personeelslid binnen "hetzelfde ambt" geen beroep doen op zijn anciënniteit voor een betrekking. § 4. Het personeelslid dat benoemd is in een selectie- of bevorderingsambt en voorheen tijdelijk aangesteld was in een ambt in het onderwijs, wordt ontslagen na een definitieve evaluatie met eindconclusie "onvoldoende". § 5. Het personeelslid dat benoemd is in een selectie- of bevorderingsambt en voorheen niet aangesteld was in een ambt in het onderwijs, wordt ontslagen na een definitieve evaluatie met eindconclusie "onvoldoende. »

Art. 128.In hetzelfde decreet wordt een artikel 88bis ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 88bis.§ 1. Voor personeelsleden tewerkgesteld in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs blijft, onverminderd de nieuwe bepalingen inzake functiebeschrijving en evaluatie, artikel 88, 5°, gelden. § 2. Artikel 88, 5°, tweede, derde en vierde lid, betreffende de opzegtermijn geldt ook voor de personeelsleden die ontslagen worden bij toepassing van artikel 73decies, § 2. »

Art. 129.In hetzelfde decreet wordt een artikel 90bis ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 90bis.§ 1. In afwijking van artikel 90 geldt voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs dit artikel. § 2. In afwijking op artikel 21bis en voor een periode tot en met het schooljaar 2000-2001 hebben de personeelsleden die op 30 juni 1990, 720 dagen dienstanciënniteit hebben in het gemeenschapsonderwijs en daarenboven in de periode vanaf 1 januari 1976 tot en met 30 juni 1990 tien kandidaturen ingediend hebben, voor een tijdelijke aanstelling voorrang op andere tijdelijke personeelsleden voor een tijdelijke aanstelling met doorlopende duur.

De kandidaturen die op regelmatige wijze werden ingediend, doch werden afgewezen enkel op basis van het ontbreken van het vereist bekwaamheidsbewijs, komen hiervoor eveneens in aanmerking, voorzover het betrokken personeelslid gedurende het schooljaar waarvoor de kandidatuur werd ingediend diensten heeft gepresteerd in het gemeenschapsonderwijs. Het personeelslid moet aantonen dat het aan deze voorwaarden voldoet.

Dit voorrangsrecht verliezen definitief de personeelsleden die : - in de loop van een schooljaar ontslagen werden bij toepassing van artikelen 24,26,61 of overeenkomstig de desbetreffende wets-, decreets- of reglementsbepalingen van kracht voor de inwerkingtreding van dit decreet werden afgedankt op gemotiveerd voorstel van de directeur of op gemotiveerd voorstel van de bevoegde inspecteur of bij tuchtmaatregel werden afgezet; - bij de aanvraag van een schooljaar na toepassing van artikel 23, § 2, niet opnieuw worden aangesteld.

Evenwel kan de in het eerste lid vervatte voorrangsregeling niet worden ingeroepen tegen een personeelslid dat reeds met toepassing van artikel 21, § 1, 1°, een aanstelling bekwam, of kan genieten van deze voorrang en voor 1 april 1991 werd aangesteld en in de instelling waar de betrekking te begeven is nog fungeerde op 30 juni 1991. § 3. Kandidaten die in geen enkel van de vijf schooljaren voorafgaand aan het schooljaar waarvoor zij hun kandidatuur stellen, diensten hebben gepresteerd in het gemeenschapsonderwijs, verliezen het voorrangsrecht zoals bedoeld in de § 2. »

Art. 130.In hetzelfde decreet wordt een artikel 91bis ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 91bis.§ 1. In afwijking van artikel 91 geldt voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs dit artikel. § 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 90bis komen voor de toepassing van artikel 21bis slechts de diensten in aanmerking die werden gepresteerd na 1 september 1988. »

Art. 131.In hetzelfde decreet wordt een artikel 95bis ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 95bis.§ 1. In afwijking van artikel 95 geldt voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs dit artikel. § 2. De in een wervings-, selectie- of bevorderingsambt vastbenoemde personeelsleden die op 1 september 1999 een tijdelijke aanwijzing hebben in een vacante betrekking van het ambt waarvoor zij vast benoemd zijn, kunnen op eigen verzoek, zonder vacantverklaring en met een gunstig advies van de lokale raad aan de instelling waarin zij deze betrekking waarnemen een definitieve aanwijzing verkrijgen. Voor de leraren gaat het om vakken of specialiteiten waarvoor ze het vereist of het hiermee gelijkwaardig geacht bekwaamheidsbewijs hebben of waarvoor ze benoemd werden volgens het voldoende geacht of het hiermee gelijkwaardig geacht bekwaamheidsbewijs.

Als vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs worden beschouwd, zowel door organieke bepalingen als door overgangsbepalingen erkende bekwaamheidsbewijzen. § 3. Dit artikel geldt niet voor het ambt van directeur. § 4. De definitieve aanwijzing krachtens dit artikel geldt vanaf 1 september 1999. § 5. De personeelsleden die op deze wijze een definitieve aanwijzing hebben verkregen, kunnen daarna geen gebruik meer maken van het eenmalige mutatierecht bedoeld in artikel 94. »

Art. 132.In hetzelfde decreet wordt een artikel 100bis ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 100bis.§ 1. Dit artikel geldt voor het gewoon en het buitengewoon secundair onderwijs. § 2. De bepalingen inzake functiebeschrijving en die inzake evaluatie treden geleidelijk in werking vanaf 1 september 1999 voor het gefinancierd personeel en de lokale raden die worden vermeld in een convenant afgesloten tussen de Vlaamse regering, de ARGO en de representatieve vakorganisaties.

Indien op 1 september 1999 geen convenant is afgesloten, legt de Vlaamse regering de invoering van de functiebeschrijving en evaluatie vast. § 3. De bepalingen inzake functiebeschrijving gelden voor alle personeelsleden vanaf 1 september 2004. De bepalingen inzake evaluatie gelden voor alle personeelsleden vanaf 1 september 2006. § 4. De voorwaarde dat het personeelslid geen evaluatie met de eindconclusie "onvoldoende" mag hebben verkregen, wordt opgeschort rekening houdende met de termijnen opgenomen in de afgesloten convenant bedoeld in § 2. § 5. Artikel 22, 26 en 27 worden opgeheven rekening houdend met de termijn bepaald in § 2 en § 3. »

Art. 133.In hetzelfde decreet worden voor het gewoon secundair onderwijs de artikelen 100ter tot 100octies ingevoegd, die luiden als volgt : «

Artikel 100ter.§ 1. In het schooljaar 1998-1999 kan een personeelslid in de categorie van het opvoedend hulppersoneel en het administratief personeel niet tijdelijk aangesteld worden in een vacante betrekking of benoemd worden. § 2. In afwijking van § 1 kan tijdens dit schooljaar een personeelslid worden benoemd in een ambt van het opvoedend hulppersoneel of het administratief personeel indien de betrekking in de periode februari 1998-mei 1998 werd vacant verklaard. § 3. In afwijking van § 1 kan een personeelslid vast benoemd worden onder de voorwaarden vermeld in artikel 40ter.

Artikel 100quater.§ 1. In het schooljaar 1999-2000 tot en met 2005-2006 kan een lokale raad geen personeelsleden in de categorie van het opvoedend hulppersoneel en het administratief personeel tijdelijk aanstellen in een vacante betrekking of benoemen. § 2. In afwijking van § 1 kan een personeelslid vast benoemd worden onder de voorwaarden vermeld in artikel 40ter.

Artikel 100quinquies.§ 1. De vast benoemde personeelsleden in de categorie van het opvoedend hulppersoneel en het administratief personeel kunnen, mits inachtneming van de voorwaarden bepaald in Titel XI - Ondersteunend personeel van het Decreet houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/02/1997 pub. 05/07/1997 numac 1997035730 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de eindregeling van de begroting van de Vlaamse Gemeenschappen van de instellingen van openbaar nut voor het begrotingsjaar 1987 type decreet prom. 25/02/1997 pub. 05/07/1997 numac 1997035724 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de eindregeling van de begroting van de Vlaamse Gemeenschappen van de instellingen van openbaar nut voor het begrotingsjaar 1988 sluiten betreffende het basisonderwijs, benoemd worden in een ambt van de categorie van het ondersteunend personeel.

Het personeelslid mag niet worden benoemd onder zijn diplomaniveau. § 2. De personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn in een vacante betrekking in de categorie van het opvoedend hulppersoneel en het administratief personeel, kunnen tijdelijk aangesteld worden in een ambt van de categorie van het ondersteunend personeel mits inachtneming van de voorwaarden bepaald in Titel XI - Ondersteunend personeel van het Decreet houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/02/1997 pub. 05/07/1997 numac 1997035730 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de eindregeling van de begroting van de Vlaamse Gemeenschappen van de instellingen van openbaar nut voor het begrotingsjaar 1987 type decreet prom. 25/02/1997 pub. 05/07/1997 numac 1997035724 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de eindregeling van de begroting van de Vlaamse Gemeenschappen van de instellingen van openbaar nut voor het begrotingsjaar 1988 sluiten betreffende het basisonderwijs.

Het personeelslid mag niet worden aangesteld onder zijn diplomaniveau.

Artikel 100sexies.§ 1. De personeelsleden benoemd in de categorie van het opvoedend hulppersoneel en het administratief personeel behouden op persoonlijke titel het ambt waarvan zij op 30 juni 1998 titularis waren. Zij behouden het ambt en de daaraan verbonden weddeschaal voor het volume van hun opdracht op dezelfde datum. § 2. De personeelsleden tijdelijk aangesteld in de categorie van het opvoedend hulppersoneel en het administratief personeel behouden tot en met 31 augustus 2006 op persoonlijke titel het ambt waarvan zij op 30 juni 1998 titularis waren. Zij behouden elk schooljaar tot en met het schooljaar 2005-2006 het ambt en de daaraan verbonden weddeschaal voor het volume van hun opdracht op dezelfde datum.

Artikel 100septies.Wanneer een personeelslid uit de categorie van het opvoedend hulppersoneel of het administratief personeel wordt vervangen wegens een verlof, een terbeschikkingstelling of een afwezigheid, dan stelt de lokale raad de vervanger aan in een ambt van het ondersteunend personeel.

Artikel 100octies.De regering kan maatregelen nemen ter uitvoering van de overgangsbepalingen inzake ondersteunend, administratief en opvoedend hulppersoneel. »

Art. 134.De regering kan de bepalingen van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs die betrekking hebben op het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs coördineren met de bepalingen die daarin uitdrukkelijk of stilzwijgend wijzigingen hebben aangebracht tot aan het tijdstip van de coördinatie.

Te dien einde kan de regering : 1° de volgorde en de nummering van de te coördineren bepalingen veranderen en in het algemeen de teksten naar de vorm wijzigen;2° de verwijzingen die voorkomen in de te coördineren bepalingen, met de nieuwe nummering overeenbrengen;3° zonder afbreuk te doen aan de beginselen die in de te coördineren bepalingen vervat zijn, de redactie ervan wijzigen teneinde ze onderling te doen overeenstemmen en eenheid in de terminologie te brengen. De coördinatie zal het volgend opschrift dragen : "Decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs van het gemeenschapsonderwijs".

TITEL XVI. - Aanpassingen aan het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra

Art. 135.In artikel 4, § 1, a, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra, wordt tussen "- het technisch personeel" en "- het administratief personeel" een liggend streepje ingevoegd, dat luidt als volgt : « -het ondersteunend personeel;".

Art. 136.In hetzelfde decreet wordt een artikel 23bis ingevoegd, dat luidt als volgt : "

Artikel 23bis.§ 1. In afwijking van artikel 23 geldt dit artikel voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. § 2. De inrichtende macht stelt een tijdelijk personeelslid aan voor een bepaalde duur in vacante en/of niet-vacante betrekkingen. § 3. De inrichtende macht stelt een tijdelijk personeelslid aan voor een doorlopende duur in vacante en/of niet-vacante betrekkingen. De tijdelijke aanstelling van doorlopende duur is een recht onder de voorwaarden van dit artikel. § 4. De bij een inrichtende macht vastbenoemde personeelsleden die een betrekking met onvolledige prestaties in hoofdambt uitoefenen in de instellingen van deze inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoort, komen voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur prioritair in aanmerking op personeelsleden die in de instellingen van deze inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoren nog geen vaste benoeming hebben.

De personeelsleden vast benoemd in één of meer instellingen die tot een scholengemeenschap behoren en die een betrekking met onvolledige prestaties in hoofdambt uitoefenen in deze instellingen, komen voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur prioritair in aanmerking op personeelsleden binnen diezelfde scholengemeenschap die nog geen vaste benoeming hebben. § 5. Een personeelslid heeft recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur indien het : 1° gespreid over tenminste drie schooljaren een dienstanciënniteit heeft van ten minste 720 dagen, waarvan 600 effectief gepresteerd;2° als laatste evaluatie geen evaluatie met de eindconclusie "onvoldoende" heeft verkregen. Indien het personeelslid niet geëvalueerd werd, wordt deze voorwaarde geacht voldaan te zijn.

Dit recht geldt voor betrekkingen in alle instellingen van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoren waar het personeelslid het recht heeft verworven.

Wanneer het personeelslid het recht heeft verworven in één of meer instellingen die behoren tot een scholengemeenschap, dan geldt dit recht voor betrekkingen in alle instellingen van deze scholengemeenschap.

Het personeelslid dat een beroep wenst te doen op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur moet, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgend schooljaar, vóór 15 juli bij de inrichtende macht, kandideren met een ter post aangetekende brief.

Als de instellingen van de inrichtende macht tot een scholengemeenschap behoren, dan geldt de kandidatuurstelling voor alle betrekkingen in de scholengemeenschap waar het personeelslid recht heeft op een aanstelling van doorlopende duur.

Het personeelslid voegt bij zijn kandidatuurstelling de nodige documenten met betrekking tot de vereiste dienstanciënniteit om zijn aanspraak op het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur te staven. § 6. In afwijking van § 5 verliest het personeelslid het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in alle instellingen van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoren, wanneer het vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in de instellingen van deze inrichtende macht.

In afwijking van § 5 verliest het personeelslid het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in alle instellingen van de scholengemeenschap, wanneer het vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in instellingen van deze scholengemeenschap. § 7. In afwijking van § 5 verliest het personeelslid het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in alle instellingen van de inrichtende macht die niet tot een scholengemeenschap behoren, wanneer het personeelslid werd ontslagen wegens dringende redenen of wegens een evaluatieverslag met de eindconclusie "onvoldoende".

In afwijking van § 5 verliest het personeelslid het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in alle instellingen van de scholengemeenschap, wanneer een inrichtende macht binnen dezelfde scholengemeenschap het personeelslid heeft ontslagen wegens dringende redenen of wegens een evaluatieverslag met eindconclusie "onvoldoende". § 8. In afwijking van § 5 verliest het vastbenoemde personeelslid het recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, wanneer het personeelslid, in toepassing van artikel 64, 5°, bij tuchtmaatregel is teruggezet tot tijdelijke aanstelling. § 9. In afwijking van § 5 verliest het vastbenoemde personeelslid het recht op tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, wanneer het personeelslid, in toepassing van artikel 64, 6°, werd ontslagen. § 10. Een personeelslid kan het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laten gelden voor elke vacature die in de loop van het schooljaar ontstaat, op voorwaarde dat hij nog niet is aangesteld voor een voltijdse betrekking of geen voltijdse betrekking heeft waarvan hij titularis is. § 11. Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt voor het ambt waarin de in § 5 bedoelde anciënniteit is verworven, en voor het ambt van leraar voor de vakken of specialiteiten waarvoor het personeelslid het vereiste bekwaamheidsbewijs bezit.

Is de in § 5 bedoelde anciënniteit verworven in een ambt of voor leraren in een vak of specialiteit waarvoor het personeelslid een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit, dan geldt dit recht ook voor dit ambt, dit vak of deze specialiteit. § 12. Wanneer een inrichtende macht op datum van toewijzing over verscheidene vacatures beschikt, moet zij bij voorrang betrekkingen die definitief vacant zijn, toewijzen aan personeelsleden met een recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. § 13. Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt niet voor een tijdelijke aanstelling ter vervanging van een personeelslid met loopbaanonderbreking, behalve indien het personeelslid voldoet aan de voorwaarden die gesteld worden aan de vervanger van een loopbaanonderbreker. § 14. Personeelsleden met recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur die op het ogenblik van hun aanstelling hun betrekking niet effectief kunnen opnemen door ziekte, een arbeidsongeval, moederschapsrust of borstvoedingsverlof, hebben het recht na hun afwezigheid deze betrekking effectief op te nemen. § 15. Behoudens andersluidende overeenkomst met de inrichtende macht en op straffe van verlies van zijn recht op de aangeboden betrekking, moet het personeelslid dat zijn recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur doet gelden in een instelling of in instellingen van de betrokken inrichtende macht of van de betrokken scholengemeenschap voor instellingen die tot een scholengemeenschap behoren, die betrekking in haar geheel aanvaarden, zoals ze wordt aangeboden.

Die bepaling is niet van toepassing op de personeelsleden die bij de betrokken inrichtende macht of bij de betrokken scholengemeenschap voor instellingen die tot een scholengemeenschap behoren, een niet-voltijdse betrekking uitoefenen en deze opdracht willen uitbreiden.

De toepassing van deze paragraaf mag niet leiden tot onverantwoorde pedagogische opsplitsing van de te begeven opdracht. § 16. Indien een personeelslid met recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur de aanstelling van een ander personeelslid betwist, geeft de inrichtende macht inzage van de in § 5 bedoelde documenten van het personeelslid waarvan hij de aanstelling betwist. § 17. De inrichtende macht moet de beëindiging van een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur conform dit decreet steeds schriftelijk motiveren en meedelen aan het personeelslid.

Artikel 21, § 1, f, en artikel 25 gelden niet voor personeelsleden aangesteld voor doorlopende duur. § 18. De anciënniteit bedoeld in § 5 wordt vastgesteld op 30 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin het personeelslid zijn recht op de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laat gelden.

Voor de toepassing van dit artikel wordt, in afwijking van artikel 6, de anciënniteit berekend op basis van prestaties in één of meer instellingen van één bepaalde inrichtende macht of van één bepaalde scholengemeenschap wanneer de instellingen tot een scholengemeenschap, en dit ongeacht het net, behoren.

Ook de prestaties geleverd vóór 1 september 1999 komen voor de berekening van deze anciënniteit in aanmerking.

Voor het bepalen van de anciënniteit bedoeld in dit artikel wordt, in afwijking van artikel 6, § 1, a, het aantal gepresteerde dagen niet met 1,2 vermenigvuldigd. »

Art. 137.In artikel 21, § 1, van hetzelfde decreet wordt i vervangen door wat volgt : « i) bij de effectieve indiensttreding van tijdelijke personeelsleden die omwille van ziekte, arbeidsongeval, moederschapsrust of borstvoedingsverlof de betrekking waarop zij krachtens artikel 23, § 1, en voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs artikel 23bis, § 5, voorrang konden doen gelden, niet konden opnemen;".

Art. 138.In hetzelfde decreet wordt een artikel 31bis ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 31bis.§ 1. In afwijking van artikel 31 geldt voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs dit artikel. § 2. Niemand kan vast benoemd worden in een wervingsambt indien hij op het ogenblik van de benoeming niet voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 19 en daarenboven : 1° op 30 juni voorafgaand aan de datum waarop de benoeming ingaat niet ten minste 720 dagen dienstanciënniteit heeft waarvan 360 dagen in het bedoelde ambt.Voor het administratief personeel moeten de bedoelde 720 dagen dienstanciënniteit bereikt zijn op 31 augustus voorafgaand aan de datum waarop de benoeming ingaat. Deze anciënniteit moet hij hebben bereikt : - ofwel bij de betrokken inrichtende macht; - ofwel bij een andere inrichtende macht voor wat betreft de instellingen die tot dezelfde scholengemeenschap behoren. Wanneer de inrichtende macht toepassing maakt van deze bepaling, kan ze eisen dat bij haar een dienstanciënniteit van tenminste 360 dagen, waarvan 240 effectief gepresteerd, werd verworven; - ofwel bij een andere inrichtende macht wanneer toepassing wordt gemaakt van artikel 36; - ofwel bij een andere inrichtende macht wanneer het een wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gesteld personeelslid betreft, tenzij het personeelslid ter beschikking gesteld werd wegens ontstentenis van betrekking in een instelling van een ander net of voor het gesubsidieerd vrij onderwijs van een ander karakter.

Indien het een leraar betreft in het bezit van een voldoende geacht of gelijkwaardig geacht bekwaamheidsbewijs kan de inrichtende macht eisen dat van de 720 dagen er 360 werden gepresteerd in het vak of de specialiteit van de vacant verklaarde betrekking; 2° zich kandidaat heeft gesteld in de vorm en binnen de termijn vermeld in de oproep tot de kandidaten;3° lichamelijk geschikt is, zoals bedoeld in artikel 28, 4°, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving;4° op 31 december voorafgaand aan de vaste benoeming voor doorlopende duur aangesteld zijn.Deze bepaling is niet van toepassing op de personeelsleden die werden aangesteld bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling; 5° als laatste evaluatie geen evaluatie met de eindconclusie "onvoldoende" verkregen hebben.Indien het personeelslid niet werd geëvalueerd, wordt deze voorwaarde geacht voldaan te zijn.

De benoeming is slechts mogelijk indien de betrekking in hoofdambt wordt uitgeoefend. 3. In de instellingen van het gesubsidieerd vrij onderwijs wordt elke benoeming in een wervingsambt en elke wijziging ervan schriftelijk vastgesteld.De overeenkomst vermeldt ten minste : 1° de benaming en het adres van de inrichtende macht en van de instelling waarin het personeelslid tewerkgesteld wordt;2° de identiteit van het personeelslid;3° het uit te oefenen ambt en de omvang van de opdracht;4° in voorkomend geval, de aanvullende verplichtingen en onverenigbaarheden. De overeenkomst van benoeming wordt opgemaakt in ten minste twee exemplaren, waarvan één bestemd voor het personeelslid. § 4. In de instellingen van het gesubsidieerd officieel onderwijs wordt elke benoeming in een wervingsambt en elke wijziging ervan vastgesteld bij besluit van de inrichtende macht. Het besluit vermeldt ten minste : 1° de benaming en het adres van de inrichtende macht en van de instelling of het centrum waarin het personeelslid tewerkgesteld wordt;2° de identiteit van het personeelslid;3° het uit te oefenen ambt en de omvang van de opdracht;4° in voorkomend geval, de aanvullende verplichtingen en onverenigbaarheden. Een afschrift van dit besluit wordt meegedeeld aan het betrokken personeelslid. § 5. Bij ontstentenis van hetzij de schriftelijke overeenkomst bedoeld in § 3, hetzij het besluit bedoeld in § 4, wordt het personeelslid geacht vast benoemd te zijn voor het ambt, voor de opdracht en in de betrekking die het werkelijk uitoefent. § 6. Wanneer het personeelslid na uitputting van de procedure definitief ontoelaatbaar wordt verklaard, wordt hij ontslagen met een opzeggingstermijn waarvan de duur wordt vastgesteld naargelang van het aantal arbeidsdagen die nodig zijn om aanspraak te hebben op de uitkeringen in de werkloosheids- en de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering.

Tijdens de opzeggingstermijn wordt het personeelslid geacht als tijdelijke te zijn aangesteld en geniet het de bruto-wedde van het ambt waarin het vast benoemd werd. § 7. Het personeelslid wordt benoemd bij een inrichtende macht en geaffecteerd aan een instelling van deze inrichtende macht. § 8. Bij het vaststellen van de in § 2, 1°, bedoelde anciënniteit kan de inrichtende macht ook rekening houden met de diensten gepresteerd bij een andere inrichtende macht. § 9. De Vlaamse regering bepaalt de regels volgens welke de vaste benoeming wordt medegedeeld aan het departement onderwijs opdat zij zou uitwerking hebben ten aanzien van de overheid.

In afwachting van deze maatregel blijft de bestaande reglementering gelden. § 10. De Vlaamse regering bepaalt de gevolgen van een nieuwe vaste benoeming ten aanzien van de door het betrokken personeelslid voorheen reeds verkregen vaste benoeming, met dien verstaande dat een personeelslid slechts vast benoemd kan zijn ten belope van maximaal één voltijdse betrekking in hoofdambt. Het voltijds karakter wordt bepaald in functie van de prestaties vereist voor een voltijdse betrekking in het ambt van de nieuwe benoeming. »

Art. 139.In hetzelfde decreet wordt een artikel 32bis ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 32bis.§ 1. In afwijking van artikel 32 geldt voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs dit artikel. § 2. Onverminderd de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking en reaffectatie geldt de draagwijdte van de vaste benoeming binnen dezelfde categorie en binnen eenzelfde soort ambt : 1° voor het ambt en het volume van de betrekking waarvoor het personeelslid vast benoemd is, en voor de leraren, voor alle vakken en specialiteiten van dat ambt waarvoor betrokkene het vereiste of het hiermee gelijkwaardig geacht bekwaamheidsbewijs heeft;2° voor het ambt en het volume van de betrekking waarvoor het personeelslid vast benoemd is, en voor de leraren, het vak of de specialiteit waarin betrokkene zijn opdracht uitoefent op het ogenblik van de vaste benoeming, indien het personeelslid vast benoemd is met een voldoende geacht of het hiermee gelijkwaardig geacht bekwaamheidsbewijs. § 3. Voor de toepassing van dit artikel worden als vereiste en voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen beschouwd, zowel de door organieke bepalingen als door overgangsbepalingen erkende bekwaamheidsbewijzen. § 4. Voor de toepassing van dit artikel dient onder soort ambt te worden begrepen : het wervings-, selectie- of bevorderingsambt. »

Art. 140.§ 1. In artikel 33, § 1, van hetzelfde decreet wordt na de eerste zin van het eerste lid een zin ingevoegd, die luidt als volgt : « Behoort in het gewoon secundair onderwijs een instelling tot een scholengemeenschap dan deelt de inrichtende macht van die instelling de vacante betrekkingen in haar instellingen die behoren tot die scholengemeenschap mee aan de personeelsleden van de scholengemeenschap die de voorwaarden voor vaste benoeming vervullen. » § 2. In artikel 33, § 1, van hetzelfde decreet wordt een tweede lid ingevoegd, dat luidt als volgt : « In het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs deelt de inrichtende macht voor het schooljaar 1997-1998 de vacante betrekkingen mee na 1 februari 1998 en vóór 1 juni 1998.

Art. 141.In hetzelfde decreet wordt een artikel 35bis ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 35bis.§ 1. Dit artikel geldt voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. § 2. Het personeelslid dat de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, wordt op zijn verzoek vast benoemd in een vacante betrekking in een wervingsambt, op voorwaarde dat hij : 1° de voorwaarden vervult voor vaste benoeming;2° de vaste benoeming bij de inrichtende macht aanvraagt;3° vanaf 1 februari voorafgaand aan de datum van vaste benoeming in dienst is in de instelling waar de betrekking te begeven is;4° tijdelijk personeelslid is of voor een onvolledige betrekking vast benoemd is. De betrekking hoeft niet vacant verklaard te worden.

Die vaste benoeming heeft steeds 1 januari als ingangsdatum. § 3. Een inrichtende macht raad heeft de mogelijkheid om het personeelslid dat bij haar wordt gereaffecteerd of wedertewerkgesteld in een vacante betrekking, op zijn verzoek vast te benoemen in die betrekking.

De betrekking hoeft niet vacant verklaard te worden.

Die vaste benoeming heeft steeds 1 januari als ingangsdatum. »

Art. 142.Aan artikel 36 van hetzelfde decreet, waarvan de bestaande tekst § 1 zal vormen, wordt een § 2 toegevoegd, die luidt als volgt : « § 2. In afwijking van §1 kan de inrichtende macht voor wat het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs betreft, bij gebrek aan kandidaten, leden van haar personeel of van de scholengemeenschap, die voldoen aan de voorwaarden van artikel 31bis, een personeelslid van een instelling behorend tot een andere inrichtende macht, op zijn verzoek benoemen indien het voldoet aan de voorwaarden van artikel 31bis, § 2, de 2° voorwaarde uitgezonderd. »

Art. 143.Aan Hoofdstuk III van hetzelfde decreet wordt een Afdeling IV toegevoegd, die luidt als volgt : « Afdeling IV. - Ondersteunend personeel

Artikel 36bis.Deze afdeling geldt voor het gewoon secundair onderwijs.

Artikel 36ter.Voor de toepassing van Hoofdstuk III houdt de inrichtende macht rekening met Titel XI - Ondersteunend personeel van het Decreet houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/02/1997 pub. 05/07/1997 numac 1997035730 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de eindregeling van de begroting van de Vlaamse Gemeenschappen van de instellingen van openbaar nut voor het begrotingsjaar 1987 type decreet prom. 25/02/1997 pub. 05/07/1997 numac 1997035724 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de eindregeling van de begroting van de Vlaamse Gemeenschappen van de instellingen van openbaar nut voor het begrotingsjaar 1988 sluiten betreffende het basisonderwijs voor aanstellingen in betrekkingen van opvoeder en administratief medewerker.

Artikel 36quater.Voor de toepassing van Hoofdstuk III worden de diensten gepresteerd in ambten van de categorie van het opvoedend hulppersoneel en/of het administratief personeel beschouwd als zijnde gepresteerd in een ambt van het ondersteunend personeel. »

Art. 144.In hetzelfde decreet wordt in Hoofdstuk IV een artikel 36quinquies ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 36quinquies.Dit hoofdstuk is niet van toepassing op het bevorderingsambt van directeur zoals bedoeld in hoofdstuk IVter. »

Art. 145.Aan artikel 44 van hetzelfde decreet, waarvan de bestaande tekst § 1 zal vormen, wordt een § 2, een § 3 en een § 4 toegevoegd, die luiden als volgt : « § 2. In afwijking op de bepalingen van dit hoofdstuk en zonder dat het zich kandidaat moet stellen, wordt het lid van het ondersteunend personeel met een diploma secundair onderwijs, dat vast benoemd is en dat negen jaar dienstanciënniteit telt in deze categorie door de inrichtende macht vast benoemd in hetzelfde ambt met weddeschaal 203.

De diensten gepresteerd in de ambten van de categorieën van het ondersteunend personeel, het administratief personeel en het opvoedend hulppersoneel, worden in aanmerking genomen voor het berekenen van deze negen jaar dienstanciënniteit.

De diensten gepresteerd voor 1 september 1998 in de voormelde categorieën komen eveneens in aanmerking voor de berekening van deze negen jaar dienstanciënniteit § 3. In afwijking op de bepalingen van dit hoofdstuk en zonder dat het zich kandidaat moet stellen, kan de inrichtende macht een lid van het opvoedend hulppersoneel of het ondersteunend personeel met een diploma hoger onderwijs van één cyclus dat vast benoemd is in deze categorieën de hogere weddeschaal 106 toekennen.

Wanneer de instelling minder dan 400 leerlingen telt, kan de inrichtende macht aan één dergelijk personeelslid die hogere weddeschaal toekennen.

Wanneer de instelling 400 tot 900 leerlingen telt, kan de inrichtende macht aan twee dergelijke personeelsleden die hogere weddeschaal toekennen.

Wanneer de instelling meer dan 900 leerlingen telt, kan de inrichtende macht aan drie dergelijke personeelsleden die hogere weddeschaal toekennen. § 4. In het secundair onderwijs kunnen de personeelsleden van categorieën van het administratief personeel, het ondersteunend personeel en het opvoedend hulppersoneel slechts toepassing maken van dit artikel wanneer zij als laatste evaluatie geen evaluatie met als eindconclusie "onvoldoende" hebben gekregen. »

Art. 146.In hetzelfde decreet wordt een artikel 40bis ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 40bis.§ 1. In afwijking van artikel 40 geldt voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs dit artikel. § 2. Het personeelslid moet om vast benoemd te worden in een selectie- of bevorderingsambt, op het ogenblik van de vaste benoeming voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° houder zijn van het voorziene vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel;2° als laatste evaluatie geen evaluatie met de eindconclusie "onvoldoende" hebben verkregen.Indien het personeelslid niet werd geëvalueerd, wordt deze voorwaarde geacht voldaan te zijn; 3° voldoen aan de algemene wervingsvoorwaarden van artikel 19.»

Art. 147.§ 1. In artikel 42, § 1, c) worden tussen de woorden "van artikel 40" en "voldoet" de woorden "en voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs artikel 40bis" ingevoegd. § 2. In artikel 42, § 2, worden na de woorden "in artikel 40, § 1" de woorden "en voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs artikel 40bis" ingevoegd.

Art. 148.In hetzelfde decreet wordt een Hoofdstuk IVter ingevoegd, dat luidt als volgt : « HOOFDSTUK IVter. - Mandaat

Artikel 44quater.Dit hoofdstuk geldt voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs.

Artikel 44quinquies.§ 1. Elke nieuwe aanstelling in het bevorderingsambt van directeur wordt vanaf 1 september 1999 toegewezen bij mandaat. § 2. Elke aanstelling bij mandaat in een ambt van directeur wordt schriftelijk vastgesteld op de wijze en met de vermeldingen bepaald in artikel 20. § 3. Onverminderd artikel 44duodecies komen de personeelsleden die op 31 augustus 1999 tijdelijk aangesteld zijn in een vacante of niet-vacante betrekking van directeur en tot op het ogenblik van de vaste benoeming tijdelijk aangesteld blijven in dezelfde betrekking, nog in aanmerking voor een vaste benoeming in dit ambt.

Artikel 44sexies.§ 1. Om in een mandaat van directeur aangesteld te kunnen worden, moet het personeelslid bij de aanvang van dat mandaat voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° houder zijn van het vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of overgangsmaatregel;2° de betrekking uitoefenen in hoofdambt;3° als laatste evaluatie geen evaluatie met de eindconclusie "onvoldoende" verkregen hebben.Indien het personeelslid niet werd geëvalueerd, wordt deze voorwaarde geacht voldaan te zijn; 4° voldoen aan de algemene wervingsvoorwaarden bedoeld in artikel 19.

Artikel 44septies.De bepalingen inzake reaffectatie en wedertewerkstelling zijn niet van toepassing op de betrekkingen die toegewezen werden bij mandaat.

Artikel 44octies.Prestaties geleverd tijdens een mandaat worden in aanmerking genomen voor de administratieve en geldelijke anciënniteit van het personeelslid.

Artikel 44novies.Als een personeelslid zonder vaste benoeming in het onderwijs aangesteld wordt bij mandaat, wordt dit zowel voor de administratieve als geldelijke toestand beschouwd als een tijdelijke aanstelling.

Artikel 44decies.§ 1. Het mandaat heeft een onbepaalde duur. § 2. De inrichtende macht kan een einde stellen aan een mandaat : 1° met een gemotiveerde opzeg van 3 maanden;2° om dringende redenen volgens de procedure bedoeld in artikel 25.3. De inrichtende macht moet een einde stellen aan een mandaat : 1° na een definitieve evaluatie met eindconclusie "onvoldoende";2° door toepassing van artikel 21, § 1, a, d, g en h, en artikel 60, 1° tot 8°. § 4. Een personeelslid dat belast is met een mandaat van directeur kan op 1 september vrijwillig afzien van het mandaat. Hij deelt dit per aangetekende brief mee aan de inrichtende macht, vóór 1 april van hetzelfde jaar.

In onderling overleg kan van beide data worden afgeweken.

Artikel 44undecies.§ 1. Bij de beëindiging van een mandaat van directeur neemt het vastbenoemd personeelslid een betrekking op bij de inrichtende macht en in de instelling van affectatie volgens zijn vaste benoeming voorafgaand aan het mandaat, tenzij het personeelslid en de inrichtende macht akkoord gaan met een mutatie of een nieuwe affectatie voor wat het gesubsidieerd vrij onderwijs betreft. § 2. Bij de beëindiging van een mandaat van directeur ingevolge een evaluatie "onvoldoende" neemt het personeelslid een betrekking op bij de inrichtende macht en in de instelling van affectatie volgens zijn vaste benoeming voorafgaand aan het mandaat. Dit personeelslid kan binnen "hetzelfde ambt" geen beroep doen op zijn anciënniteit voor een betrekking.

Artikel 44duodecies.Het personeelslid belast met een mandaat van directeur in een vacante betrekking, wordt op zijn verzoek op de leeftijd van 55 jaar vast benoemd in deze betrekking, op voorwaarde dat hij : 1° de voorwaarden vervult voor vaste benoeming;2° mandaathouder is van de betrekking waarin hij wordt benoemd;3° de vaste benoeming bij de inrichtende macht raad aanvraagt. Die vaste benoeming heeft steeds 1 januari als ingangsdatum.

Artikel 44terdecies.De Vlaamse regering bepaalt de nadere regeling van de administratieve en geldelijke toestand van de personeelsleden die worden aangesteld bij mandaat. »

Art. 149.In hetzelfde decreet wordt een Hoofdstuk Vbis ingevoegd, dat luidt als volgt : « HOOFDSTUK Vbis. - Functiebeschrijving

Artikel 47bis.Dit hoofdstuk geldt voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs.

Artikel 47ter.§ 1. Een functiebeschrijving is verplicht voor elk personeelslid dat aangesteld is voor meer dan 104 dagen. § 2. De inrichtende macht kan voor personeelsleden die aangesteld zijn voor kortere duur beslissen om een functiebeschrijving op te stellen. § 3. De inrichtende macht agendeert de algemene afspraken inzake functiebeschrijvingen bij het lokaal comité. § 4. De inrichtende macht duidt voor ieder personeelslid één of twee evaluatoren aan, waaronder steeds de directeur. § 5. Rekening houdend met de algemene afspraken leggen het personeelslid en de evaluator de functiebeschrijving vast.

Personeelslid en evaluator leggen in de functiebeschrijving de taken en instellingsgebonden opdrachten van het personeelslid vast en de wijze waarop het personeelslid deze taken en opdrachten moet uitvoeren.

In de functiebeschrijving worden ook de instellingsspecifieke doelstellingen opgenomen.

Aan de functiebeschrijving worden ook de persoons- en ontwikkelingsgerichte doelstellingen toegevoegd, naar aanleiding van de afspraken gemaakt op het einde van de vorige evaluatieperiode. § 6. De functiebeschrijving bevat de rechten en plichten inzake permanente vorming en nascholing.

Indien de inrichtende macht nascholing oplegt aan een personeelslid, vallen de kosten ten laste van de inrichtende macht. § 7. Als de evaluator en het personeelslid het niet eens raken over de functiebeschrijving of bepaalde onderdelen ervan, beslist de inrichtende macht of haar gemandateerde. De inrichtende macht of haar gemandateerde hoort vooraf de directie, de evaluatoren en het personeelslid. § 8. De evaluator(en) ondertekenen de functiebeschrijving; het betrokken personeelslid ondertekent de functiebeschrijving voor kennisname. § 9. De functiebeschrijving wordt bij belangrijke wijziging van de opdracht of in onderling overleg, aangepast. § 10. De functiebeschrijving van de godsdienstleraar en de leraar secundair onderwijs belast met niet-confessionele zedenleer wordt opgemaakt met het akkoord van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of levensbeschouwing. »

Art. 150.In hetzelfde decreet wordt een Hoofdstuk Vter ingevoegd, dat luidt als volgt : « HOOFDSTUK Vter. - Evaluatie

Artikel 47quater.Dit hoofdstuk geldt voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. Afdeling I. - De evaluatie

Artikel 47quinquies.§ 1. De evaluatie is minimaal om de drie jaar verplicht voor elk personeelslid. § 2. Evaluatie is niet mogelijk voor het personeelslid voor wie geen functiebeschrijving werd opgemaakt.

Artikel 47sexies.De inrichtende macht of de scholengemeenschap, indien de inrichtende macht tot een scholengemeenschap behoort, onderhandelt de algemene afspraken inzake evaluatie bij het lokaal comité.

Artikel 47septies.§ 1. Het evaluatieverslag beschrijft op zorgvuldige wijze het volledig functioneren van het personeelslid ten opzichte van de overeengekomen functiebeschrijving, met inbegrip van de voor de betrokken evaluatieperiode afgesproken specifieke doelstellingen en ontwikkelingsgerichte doelstellingen. § 2. De evaluatie gebeurt in de instelling waar het personeelslid prestaties verricht en voor elk ambt dat het daar uitoefent. § 3. De evaluatie van de godsdienstleraar en de leraar secundair onderwijs belast met niet-confessionele zedenleer wordt voor wat betreft de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten opgemaakt door de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of levensbeschouwing.

De evaluatie van de godsdienstleraar en de leraar secundair onderwijs belast met niet-confessionele zedenleer wordt voor wat betreft de niet-vakinhoudelijke en niet-vaktechnische aspecten opgemaakt door de in dit decreet bedoelde evaluator. Afdeling II. - De evaluatie "onvoldoende"

Artikel 470cties.Alleen tegen het evaluatieverslag dat wordt besloten met de eindconclusie "onvoldoende", is beroep mogelijk.

Artikel 47novies.§ 1. Bij een evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" kan het personeelslid beroep aantekenen bij een college van beroep inzake evaluaties. Dit college van beroep garandeert de rechten van verdediging. § 2. Zolang het college van beroep niet functioneert, zijn evaluaties met de eindconclusie "onvoldoende" niet mogelijk.

Artikel 47decies.§ 1. Als het vastbenoemde personeelslid of het personeelslid aangesteld voor doorlopende duur, een evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" heeft gekregen, moet betrokkene een nieuwe evaluatie krijgen.

Deze nieuwe evaluatie moet een periode van tenminste acht en maximum twaalf maanden effectieve prestaties omvatten. § 2. Het vastbenoemde personeelslid of het personeelslid aangesteld voor doorlopende duur wordt ontslagen als het twee opeenvolgende definitieve evaluaties met eindconclusie « onvoldoende » of drie definitieve evaluaties met eindconclusie "onvoldoende" in zijn loopbaan binnen dezelfde inrichtende macht of binnen dezelfde scholengemeenschap indien de inrichtende macht tot een scholengemeenschap behoort, heeft gekregen voor één bepaald ambt.

Artikel 47undecies.Het tijdelijk personeelslid aangesteld voor bepaalde duur, wordt ontslagen als de evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" definitief is.

Artikel 47duodecies.Het vastbenoemde personeelslid dat belast is met een mandaat als directeur keert na een definitieve evaluatie met eindconclusie « onvoldoende » onmiddellijk terug naar het ambt van benoeming voorafgaand aan de mandaatperiode.

Artikel 47terdecies.§ 1. De inrichtende macht maakt voor een personeelslid dat benoemd is in een selectie- of bevorderingsambt en voorheen vastbenoemd was in een ambt in het onderwijs toepassing van artikel 47decies. Het personeelslid keert dan terug naar het ambt waarin het voorheen benoemd was. § 2. In afwijking van § 1 kan de inrichtende macht een personeelslid dat benoemd is in een selectie- of bevorderingsambt en voorheen vastbenoemd was in een ambt in het onderwijs bij een definitieve evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" terugzetten als vastbenoemd personeelslid in het ambt waarin het voorheen was benoemd. § 3. Bij toepassing van §§ 1 en 2 kan het personeelslid binnen "hetzelfde ambt" geen beroep doen op zijn anciënniteit voor een betrekking. § 4. Het personeelslid dat benoemd is in een selectie- of bevorderingsambt en voorheen tijdelijk aangesteld was in een ambt in het onderwijs, wordt ontslagen na een definitieve evaluatie met eindconclusie "onvoldoende". § 5. Het personeelslid dat benoemd is in een selectie- of bevorderingsambt en voorheen niet aangesteld was in een ambt in het onderwijs, wordt ontslagen na een definitieve evaluatie met eindconclusie "onvoldoende". »

Art. 151.In Hoofdstuk IX van hetzelfde decreet wordt een artikel 63bis ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 63bis.Dit hoofdstuk is eveneens van toepassing op de personeelsleden van het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs die tijdelijk aangesteld zijn voor doorlopende duur. »

Art. 152.In hetzelfde decreet wordt een artikel 84bis ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 84bis.§ 1. Dit artikel geldt voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. § 2. De bepalingen inzake functiebeschrijving en die inzake evaluatie treden geleidelijk in werking vanaf 1 september 1999 voor het gesubsidieerd personeel en de inrichtende machten die worden vermeld in een convenant afgesloten tussen de Vlaamse regering, de representatieve organisaties van inrichtende machten en de representatieve vakorganisaties.

Indien op 1 september 1999 geen convenant is afgesloten, legt de Vlaamse regering de invoering van de functiebeschrijving en evaluatie vast. § 3. De bepalingen inzake functiebeschrijving gelden voor alle personeelsleden vanaf 1 september 2004.

De bepalingen inzake evaluatie gelden voor alle personeelsleden vanaf 1 september 2006. § 4. De voorwaarde dat een personeelslid geen evaluatie met de eindconclusie "onvoldoende" mag hebben verkregen, wordt opgeschort rekening houdende met de termijnen opgenomen in de afgesloten convenants bedoeld in § 2. »

Art. 153.In hetzelfde decreet worden voor het gewoon secundair onderwijs de artikelen 84ter tot 84octies ingevoegd, die luiden als volgt : «

Artikel 84ter.§ 1. In het schooljaar 1998-1999 kan een inrichtende macht geen personeelsleden in de categorie van het opvoedend hulppersoneel en het administratief personeel tijdelijk aanstellen in een vacante betrekking of benoemen. § 2. In afwijking van § 1 kan tijdens dit schooljaar een personeelslid worden benoemd in een ambt van het opvoedend hulppersoneel of het administratief personeel indien de betrekking in de periode februari 1998 - mei 1998 werd vacant verklaard. § 3. In afwijking van §1 kan een personeelslid vast benoemd worden onder de voorwaarden vermeld in artikel 35bis.

Artikel 84quater.§ 1. In het schooljaar 1999-2000 tot en met 2005-2006 kan een inrichtende macht geen personeelsleden in de categorie van het opvoedend hulppersoneel en het administratief personeel tijdelijk aanstellen in een vacante betrekking of benoemen. § 2. In afwijking van §1 kan een personeelslid vast benoemd worden onder de voorwaarden vermeld in artikel 35bis.

Artikel 84quinquies.§ 1. De vast benoemde personeelsleden in de categorie van het opvoedend hulppersoneel en het administratief personeel kunnen, mits inachtneming van de voorwaarden bepaald in Titel XI - Ondersteunend personeel van het Decreet houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/02/1997 pub. 05/07/1997 numac 1997035730 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de eindregeling van de begroting van de Vlaamse Gemeenschappen van de instellingen van openbaar nut voor het begrotingsjaar 1987 type decreet prom. 25/02/1997 pub. 05/07/1997 numac 1997035724 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de eindregeling van de begroting van de Vlaamse Gemeenschappen van de instellingen van openbaar nut voor het begrotingsjaar 1988 sluiten betreffende het basisonderwijs, benoemd worden in een ambt van de categorie van het ondersteunend personeel.

Het personeelslid mag niet worden benoemd onder zijn diplomaniveau. § 2. De personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn in een vacante betrekking in de categorie van het opvoedend hulppersoneel en het administratief personeel, kunnen tijdelijk aangesteld worden in een ambt van de categorie van het ondersteunend personeel mits inachtneming van de voorwaarden bepaald in Titel XI - Ondersteunend personeel van het Decreet houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/02/1997 pub. 05/07/1997 numac 1997035730 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de eindregeling van de begroting van de Vlaamse Gemeenschappen van de instellingen van openbaar nut voor het begrotingsjaar 1987 type decreet prom. 25/02/1997 pub. 05/07/1997 numac 1997035724 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de eindregeling van de begroting van de Vlaamse Gemeenschappen van de instellingen van openbaar nut voor het begrotingsjaar 1988 sluiten betreffende het basisonderwijs.

Het personeelslid mag niet worden aangesteld onder zijn diplomaniveau.

Artikel 84sexies.§ 1. De personeelsleden benoemd in de categorie van het opvoedend hulppersoneel en het administratief personeel behouden op persoonlijke titel het ambt waarvan zij op 30 juni 1998 titularis waren. Zij behouden het ambt en de daaraan verbonden weddeschaal voor het volume van hun opdracht op dezelfde datum. § 2. De personeelsleden tijdelijk aangesteld in de categorie van het opvoedend hulppersoneel en het administratief personeel behouden tot en met 31 augustus 2006 op persoonlijke titel het ambt waarvan zij op 30 juni 1998 titularis waren. Zij behouden elk schooljaar tot en met het schooljaar 2005-2006 het ambt en de daaraan verbonden weddeschaal voor het volume van hun opdracht op dezelfde datum.

Artikel 84septies.Wanneer een personeelslid uit de categorie van het opvoedend hulppersoneel of het administratief personeel wordt vervangen wegens een verlof, een terbeschikkingstelling of een afwezigheid, dan stelt de inrichtende macht de vervanger aan in een ambt van het ondersteunend personeel.

Artikel 84octies.De Vlaamse regering kan maatregelen nemen ter uitvoering van de overgangsbepalingen inzake ondersteunend, administratief en opvoedend hulppersoneel. »

Art. 154.De Vlaamse regering kan de bepalingen van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde psychomedisch-sociale centra die betrekking hebben op het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs coördineren met de bepalingen die daarin uitdrukkelijk of stilzwijgend wijzigingen hebben aangebracht tot aan het tijdstip van de coördinatie.

Te dien einde kan de Vlaamse regering : 1° de volgorde en de nummering van de te coördineren bepalingen veranderen en in het algemeen de teksten naar de vorm wijzigen;2° de verwijzingen die voorkomen in de te coördineren bepalingen, met de nieuwe nummering overeenbrengen;3° zonder afbreuk te doen aan de beginselen die in de te coördineren bepalingen vervat zijn, de redactie ervan wijzigen teneinde ze onderling te doen overeenstemmen en eenheid in de terminologie te brengen. De coördinatie zal het volgend opschrift dragen : "Decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs van het gesubsidieerd onderwijs".

TITEL XVII. - Wijziging aan het decreet betreffende het onderwijs III van 9 april 1992

Art. 155.In artikel 10 van het decreet van 9 april 1992 betreffende het onderwijs III wordt voor het eerste gedachtestreepje een nieuw gedachtestreepje ingevoegd, dat luidt als volgt : « - reaffectatiecommissie per scholengemeenschap;".

TITEL XVIII. - Begeleiding en ondersteuning

Art. 156.§ 1. De vakorganisaties aangesloten bij een in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen vertegenwoordigde syndicale organisatie, kunnen beschikken over personeelsleden uit het onderwijs met verlof wegens opdracht in het belang van het onderwijs, ofwel een verlof wegens vakbondsopdracht overeenkomstig de geldende reglementaire bepalingen.

In tegenstelling met de geldende reglementaire bepalingen zijn de representatieve vakorganisaties er evenwel niet toe gehouden, voor de in dit artikel bedoelde personeelsleden die genieten van een verlof, aan de overheid een som terug te storten die gelijk is aan het globaal bedrag van de wedden, weddetoelagen, salarissen, vergoedingen en toelagen die door de overheid aan deze personeelsleden werden uitgekeerd.

Deze personeelsleden moeten door die vakorganisaties belast worden met de begeleiding en de ondersteuning van de lokale comités. § 2. Het totaal aantal toegevoegde personeelsleden mag voor de verschillende in § 1 bedoelde vakorganisaties samen niet meer dan vijftien bedragen.

Art. 157.§ 1. De Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs en de representatieve verenigingen van de inrichtende machten kunnen voor het schooljaar 1998-1999 en het schooljaar 1999-2000 beschikken over personeelsleden uit het onderwijs met verlof wegens opdracht in het belang van het onderwijs.

De Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs en de representatieve verenigingen van de inrichtende machten zijn er evenwel niet toe gehouden, voor de in dit artikel bedoelde personeelsleden die genieten van een verlof, aan de overheid een som terug te storten die gelijk is aan het globaal bedrag van de wedden, weddetoelagen, salarissen, vergoedingen en toelagen die door de overheid aan deze personeelsleden werden uitgekeerd.

Deze personeelsleden moeten door de Autonome Raad en de representatieve verenigingen van inrichtende machten belast worden met de effectieve begeleiding en de ondersteuning van de scholengemeenschappen. § 2. Het totaal aantal toegevoegde personeelsleden mag voor de verschillende in § 1 bedoelde organisaties samen niet meer dan vijftien bedragen.

Art. 158.De Vlaamse regering bepaalt de wijze van verdeling van de in artikel 156 en 157 bedoelde personeelsleden over de betrokken organisaties en legt de aanvraagprocedure vast.

Art. 159.Het lokaal comité heeft inzagerecht in de administratieve dossiers van de scholengemeenschap met betrekking tot : 1° de aanstellingen voor doorlopende duur;2° de vaste benoemingen;3° de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en wedertewerkstelling. TITEL XIX. - Wijzigingen aan het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997

Art. 160.In artikel 76 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 wordt de eerste zin vervangen door wat volgt : « Ieder schooljaar krijgen de schoolbesturen een werkingsbudget voor de werking, de uitrusting, het groot onderhoud en de administratieve ondersteuning van hun scholen, voor het werken aan rationeel energiegebruik in hun scholen en voor de kosteloze verstrekking van leerboeken en schoolbehoeften aan de leerlingen. »

Art. 161.In artikel 79, § 1, van hetzelfde decreet worden de woorden "617,8 miljoen frank" vervangen door de woorden "596,5 miljoen frank".

Art. 162.Artikel 82bis van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt : « 82bis. § 1. Het globale werkingsbudget van het gefinancierd en het gesubsidieerd basisonderwijs wordt gefaseerd verhoogd met 3,103 miljard frank als volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld § 2. Vanaf het begrotingsjaar 2007 wordt het bedrag van 3,103 miljard frank vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënten A3 en A4, als volgt berekend : A3 = 0,6 + 0,4 (lln1/lln0) waarbij : lln1/lln0 gelijk is aan de verhouding tussen het aantal regelmatige leerlingen van het gewoon en buitengewoon basisonderwijs van respectievelijk het gemeenschapsonderwijs en het gesubsidieerd onderwijs op de eerste schooldag van de maand februari van het voorgaande schooljaar (lln1) en dezelfde aantallen op de eerste schooldag van de maand februari van het schooljaar 2004-2005 (lln0).

In het kleuteronderwijs wordt het aantal regelmatige leerlingen op de eerste schooldag van de maand februari van de genoemde schooljaren, gewogen met een percentage dat de Vlaamse regering heeft bepaald.

A4 = 0,4 (c1/c0) + 0,6 (Ik1/lk0) waarbij, onverminderd artikel 15 van het decreet van 6 juli 1994 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 1994 : - c1/c0 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de consumptieprijzen op het einde van het lopende begrotingsjaar en de geraamde index van de consumptieprijzen op het einde van het begrotingsjaar 2006; - lk1/lk0 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de eenheidsloonkosten op het einde van het lopende begrotingsjaar en de geraamde index van de eenheidsloonkosten op het einde van het begrotingsjaar 2006. § 3. Vanaf het begrotingsjaar 2007 omvat het globale werkingsbudget van het gefinancierd en gesubsidieerd basisonderwijs de bedragen, bedoeld in artikel 79, vermeerderd met het bedrag, bedoeld in §1. »

Art. 163.In artikel 83, § 2, van hetzelfde decreet wordt het woord "volgens" vervangen door de woorden "op basis van".

Art. 164.Aan artikel 130, § 2, van hetzelfde decreet wordt de volgende zin toegevoegd : « Het schoolbestuur kan de directie geheel of gedeeltelijk ontslaan van een gedeeltelijke lesopdracht en die toewijzen aan een lid van het onderwijzend personeel dat zoals bepaald in artikel 154, § 2, aangeworven wordt ten laste van het werkingsbudget, bedoeld in artikel 76.

De personeelsleden die door de lokale bestuursorganen van de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs aangeworven worden, vallen onder de toepassing van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs.

De personeelsleden die door de schoolbesturen van de gesubsidieerde onderwijsinstellingen aangeworven worden, vallen onder toepassing van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden uit het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra. »

Art. 165.Aan artikel 154 van hetzelfde decreet, waarvan de bestaande tekst § 1 zal vormen, wordt een § 2 toegevoegd, die luidt als volgt : « § 2. Het schoolbestuur kan ten laste van het werkingsbudget, bedoeld in artikel 76, personeel aanwerven voor beleidsondersteuning, of om in dienst zijnde personeelsleden die met beleidsondersteuning belast worden te vervangen. In het gewoon basisonderwijs kan dat in de ambten van het onderwijzend personeel en in het buitengewoon onderwijs in de ambten van het onderwijzend personeel, het paramedisch, medisch, psychologisch, sociaal en orthopedagogisch personeel.

De personeelsleden die door de lokale bestuursorganen van de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs aangeworven worden, vallen onder de toepassing van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs.

De personeelsleden die door de schoolbesturen van de gesubsidieerde onderwijsinstellingen aangeworven worden, vallen onder toepassing van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden uit het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra.

Het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap betaalt de wedde of weddetoelage rechtstreeks aan de betrokken personeelsleden. Hetzelfde departement vordert de bruto wedde, verhoogd met de vergoedingen, vakantiegeld, eindejaarspremie en werkgeversbijdrage, om de zes maanden van het schoolbestuur terug. » TITEL XX. - Wijzigingen aan het decreet van 17 juli 1991 betreffende de inspectie en de pedagogische begeleidingsdiensten

Art. 166.Artikel 87, derde lid, van het decreet van 17 juli 1991 betreffende de inspectie en de pedagogische begeleidingsdiensten, ingevoegd door het decreet van 25 februari 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/02/1997 pub. 05/07/1997 numac 1997035730 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de eindregeling van de begroting van de Vlaamse Gemeenschappen van de instellingen van openbaar nut voor het begrotingsjaar 1987 type decreet prom. 25/02/1997 pub. 05/07/1997 numac 1997035724 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de eindregeling van de begroting van de Vlaamse Gemeenschappen van de instellingen van openbaar nut voor het begrotingsjaar 1988 sluiten, wordt vervangen door de volgende bepaling : « In afwijking van het eerste en tweede lid kunnen de verenigingen zonder winstoogmerk die niet bij bovenvermelde representatieve verenigingen zijn aangesloten, per schooljaar een forfaitaire toelage per organieke betrekking in het basisonderwijs of in het secundair onderwijs ontvangen, zoals bepaald in artikel 89, § 3, als ze op 1 september van het voorgaande schooljaar minder dan 425 organieke betrekkingen in het basisonderwijs of in het secundair onderwijs tellen, zoals bepaald in artikel 89, § 3.

Hiertoe leggen zij aan de Vlaamse regering een ontwerp van begeleidingsplan voor.

De Vlaamse regering bepaalt het bedrag van de forfaitaire toelage. » TITEL XXI. - Slotbepalingen

Art. 167.Opgeheven worden : 1° vanaf 1 september 1998 a) artikel 2, derde lid, b), van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, gewijzigd bij de wet van 14 juli 1975;b) de artikelen 18 tot en met 36, die het hoofdstuk III "Rationalisatie" vormen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten nr. 438 van 11 augustus 1986 en nr.539 van 31 maart 1987, het koninklijk besluit van 6 november 1987, het besluit van de Vlaamse regering van 29 juli 1989, het besluit van de Vlaamse regering van 28 juli 1995 en het decreet van 8 juli 1996 en de artikelen 37 tot en met 41bis, die het hoofdstuk IV "Programmatie" vormen, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 438 van 11 augustus 1986, het koninklijk besluit van 6 november 1987, het besluit van de Vlaamse regering van 29 juli 1989 en de decreten van 8 juli 1996 en 15 juli 1997, van het koninklijk besluit van 30 maart 1982 betreffende de scholengemeenschappen voor secundair onderwijs en houdende het rationalisatie- en programmatieplan van het secundair onderwijs met volledig leerplan; c) de artikelen 2, 8bis, 12, 13, 18 tot en met 20 van het koninklijk besluit nr.49 van 2 juli 1982 betreffende de oprichtingsnormen en de herstructurering van de instellingen in het secundair onderwijs met volledig leerplan, gewijzigd bij de decreten van 5 juli 1989, 9 april 1992 en 8 juli 1996; d) artikel 48 van het decreet van 5 juli 1989 betreffende het onderwijs, gewijzigd bij het decreet van 9 april 1992;e) de artikelen 105 tot en met 110, die het hoofdstuk V "Rationalisatie- en programmatiebepalingen" vormen van het decreet van 19 april 1995 houdende diverse wijzigingsbepalingen betreffende het hoger onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap;f) artikel 128 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997;2° vanaf 1 september 1999 : a) artikel 3, § 2, (met uitzondering van het derde lid), gewijzigd bij de wet van 18 september 1981 en het decreet van 31 juli 1990;en § 3, 1° en 3°, gewijzigd bij de wet van 18 september 1981, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving;b) het koninklijk besluit van 30 maart 1982 betreffende de scholengemeenschappen voor secundair onderwijs en houdende het rationalisatie- en programmatieplan van het secundair onderwijs met volledig leerplan, gewijzigd bij de koninklijke besluiten nr.438 van 11 augustus 1986 en nr. 539 van 31 maart 1987, het koninklijk besluit van 6 november 1987, het besluit van de Vlaamse regering van 29 juli 1989, het decreet van 19 april 1995, het besluit van de Vlaamse regering van 28 juli 1995 en de decreten van 8 juli 1996 en 15 juli 1997; c) het koninklijk besluit nr.49 van 2 juli 1982 betreffende de oprichtingsnormen en de herstructurering van de instellingen in het secundair onderwijs met volledig leerplan, gewijzigd bij de koninklijke besluiten nr. 138 van 30 december 1982, nr. 295 van 31 maart 1984 en nr. 438 van 11 augustus 1986 en de decreten van 5 juli 1989, 9 april 1992, 28 april 1993 en 8 juli 1996. 3° vanaf het tijdstip dat de Vlaamse regering uitvoering verleent aan hetgeen bepaald is in artikel 8 : a) voor de tweede en derde graad beroepssecundair onderwijs van het voltijds secundair onderwijs respectievelijk van de opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs : artikel 50, § 5, 60, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II;b) voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs : artikel 65 van hetzelfde decreet.

Art. 168.Dit decreet treedt in werking op 1 september 1998, met uitzondering van : 1° titel III, die geleidelijk, leerjaar na leerjaar, te beginnen met het eerste leerjaar van de eerste graad, in werking treedt op 1 september 1998;2° titel IV, hoofdstuk II, dat in werking treedt op 1 september 1998 en ophoudt van kracht te zijn op 31 augustus 1999;3° titel IV, hoofdstuk III en IV, titel VIII en XI11, artikel 85, 2°, en artikel 86 tot en met 89, die in werking treden op 1 september 1999;4° titel V, artikel 44, dat voor instellingen die tot een scholengemeenschap behoren, ophoudt van kracht te zijn op 31 augustus 1999;5° titel XII, die in werking treedt op 1 januari 1999;6° titel XV, die in werking treedt op 1 september 1999, met uitzondering van artikel 105, 117, 121 en 133 die in werking treden op 1 september 1998 en van artikel 116 dat in werking treedt op 1 januari 1999;7° titel XVI, die in werking treedt op 1 september 1999, met uitzondering van artikel 135, 143, 145 en 153 die in werking treden op 1 september 1998, van artikel 140, § 2, dat uitwerking heeft op 1 februari 1998, en van artikel 141 dat in werking treedt op 1 januari 1999;8° titel XVII, die in werking treedt op 1 september 1999;9° titel XVIII die in werking treedt op 1 september l999, met uitzondering van artikel 156, 157 en 158 die in werking treden op 1 september 1998. Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Brussel, 14 juli 1998.

De minister-president van de Vlaamse regering, L. VAN DEN BRANDE De Vlaamse minister van Onderwijs en Ambtenarenzaken, L. VAN DEN BOSSCHE _______ Nota (1) Zitting 1997-1998. Stukken. - Ontwerp van decreet : 1058 - nr.1. - Amendementen : 1058 - nrs. 2 en 3. - Verslag : 1058 - nr.4 + errata. Verslag hoorzittingen : 1058 - nr. 5. - Amendementen : 1058 - nr. 6.

Handelingen. - Bespreking en aanneming : Vergaderingen van 9 juli 1998.

Bijlage Indeling in onderwijszones Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om gevoegd te worden bij het decreet van houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 25/02/1997 pub. 05/07/1997 numac 1997035730 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de eindregeling van de begroting van de Vlaamse Gemeenschappen van de instellingen van openbaar nut voor het begrotingsjaar 1987 type decreet prom. 25/02/1997 pub. 05/07/1997 numac 1997035724 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de eindregeling van de begroting van de Vlaamse Gemeenschappen van de instellingen van openbaar nut voor het begrotingsjaar 1988 sluiten betreffende het basisonderwijs.

Brussel, 14 juli 1998.

De minister-president van de Vlaamse regering, L. VAN DEN BRANDE De Vlaamse minister van Onderwijs en Ambtenarenzaken, L. VAN DEN BOSSCHE

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^