Etaamb.openjustice.be
Decreet van 15 februari 2019
gepubliceerd op 03 mei 2019

Decreet betreffende de woonzorg

bron
vlaamse overheid
numac
2019030252
pub.
03/05/2019
prom.
15/02/2019
ELI
eli/decreet/2019/02/15/2019030252/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

15 FEBRUARI 2019. - Decreet betreffende de woonzorg (1)


Het VLAAMS PARLEMENT heeft aangenomen en Wij, REGERING, bekrachtigen hetgeen volgt: Decreet betreffende de woonzorg HOOFDSTUK 1. - Gemeenschappelijke basisbepalingen Afdeling 1. - Inleidende bepaling

Artikel 1.Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid en, wat de artikelen 74, 75 en 79 betreft, gewestaangelegenheden. Afdeling 2. - Definities

Art. 2.§ 1. In dit decreet wordt verstaan onder: 1° entiteit: een koepelterm voor zowel een woongelegenheid in een woonzorgcentrum, een verblijfseenheid in een centrum voor kortverblijf of een centrum voor herstelverblijf of een centrum voor dagverzorging, als een assistentiewoning in een groep van assistentiewoningen;2° gebruiker: iedere natuurlijke persoon die vanuit een verminderd zelfzorgvermogen een beroep doet of kan doen op woonzorg;3° geïntegreerde zorg en ondersteuning: het op operationeel en organisatorisch niveau samenwerken van alle betrokken zorg- en welzijnsactoren en initiatieven van vrijwillige en informele zorg in het streven naar een samenhangende en continue zorg en ondersteuning aan de gebruiker en zijn mantelzorgers, waarbij de zorg- en ondersteuningsvraag en de context van de gebruiker het uitgangspunt vormen en dat gedurende de hele levensloop;4° initiatiefnemer: de rechtspersoon die een woonzorgvoorziening of een vereniging uitbaat of zal uitbaten;5° integrale zorg en ondersteuning: de zorg en ondersteuning die een persoon met een zorg- en ondersteuningsvraag als geheel benadert, rekening houdend met aspecten van medische, psychosociale, levensbeschouwelijke en culturele aard en ook met factoren uit het dagelijks leven;6° mantelzorger: de natuurlijke persoon die vanuit een sociale en emotionele band een of meer personen met verminderd zelfzorgvermogen, niet beroepshalve maar meer dan occasioneel, helpt en ondersteunt in het dagelijkse leven;7° natuurlijk thuismilieu: de plaats waar de gebruiker effectief woont of inwoont, met uitsluiting van het woonzorgcentrum;8° oppashulp: het aanbod dat erin bestaat de gebruiker gezelschap te bieden en toezicht op hem te houden bij afwezigheid of ter ondersteuning van de mantelzorg;9° ouderen: de personen van 65 jaar of ouder;10° preventie: het geheel van maatregelen die doelgericht genomen of gepland worden in een bepaalde woon- en zorgcontext die anticiperen op bepaalde risico's met als doel de gezondheid en het welzijn van de gebruiker te behouden of te verbeteren;11° respijtzorg: een tijdelijke overname van de zorg voor de gebruiker met als doel de mantelzorger te ontlasten;12° revalidatie: de zorg en ondersteuning gericht op het opheffen of verminderen van stoornissen, beperkingen en handicaps, met als doel het maatschappelijk functioneren van de gebruiker te optimaliseren;13° thuiszorg: de zorg aan huis of buitenshuis die er specifiek op gericht is de gebruiker te ondersteunen of te handhaven in zijn natuurlijk thuismilieu;14° thuiszorgvoorziening: een woonzorgvoorziening die thuiszorg aanbiedt, zijnde een dienst voor gezinszorg, een dienst voor oppashulp, een dienst voor thuisverpleging, een dienst maatschappelijk werk van het ziekenfonds, een dienst voor gastopvang, een centrum voor dagverzorging, een centrum voor kortverblijf of een centrum voor herstelverblijf;15° vereniging: een vereniging voor mantelzorgers en gebruikers;16° verenigingswerker: de natuurlijke persoon die activiteiten uitvoert als vermeld in artikel 3 van de wet van 18 juli 2018 betreffende de economische relance en de versterking van de sociale cohesie;17° vrijwilliger: de natuurlijke persoon die zijn activiteiten uitvoert, op vrijwillige basis onbezoldigd en in een georganiseerd verband;18° woonzorg: alle activiteiten in dit decreet die de woonzorgvoorzieningen of verenigingen voor mantelzorgers en gebruikers aanbieden;19° woonzorgvoorziening: een lokaal dienstencentrum, een thuiszorgvoorziening, een groep van assistentiewoningen of een woonzorgcentrum;20° zelfzorgvermogen: het vermogen om als natuurlijke persoon beslissingen en acties in het dagelijkse leven uit te voeren om te voldoen aan zijn basisbehoeften, en de bijbehorende activiteiten.Die activiteiten kunnen onder meer betrekking hebben op de uitvoering van huishoudelijke activiteiten, het leggen van sociale contacten en de mogelijkheid om zich te ontplooien en zich te oriënteren in tijd en ruimte; 21° zorg en ondersteuning: één activiteit of het geheel van activiteiten in het kader van het gezondheids- of welzijnsbeleid, die uitgevoerd worden in het kader van dit decreet.Met zorg en ondersteuning wordt gelijkgesteld: hulp- en dienstverlening; 22° zorg- en ondersteuningsplan: een werkinstrument waarin, na vraagverheldering of indicatiestelling, op aangeven van en in samenspraak met de gebruiker de zorg- en ondersteuningsdoelstellingen en de afspraken over de geplande zorg en ondersteuning voor een persoon met een zorg- en ondersteuningsvraag zijn opgenomen, en dat toegankelijk is voor de persoon zelf en de betrokken informele en professionele zorg- en welzijnsactoren;23° zorg- en ondersteuningsvraag: de nood aan zorg en ondersteuning die door de gebruiker of zijn omgeving subjectief aangevoeld of objectief vastgesteld wordt. § 2. Met de gebruiker, vermeld in paragraaf 1, 2°, wordt ook zijn vertegenwoordiger bedoeld.

In deze paragraaf wordt verstaan onder vertegenwoordiger: de natuurlijke persoon die in plaats van de gebruiker optreedt bij alle handelingen die de gebruiker moet stellen in het kader van dit decreet, voor zover en zolang deze niet in staat is om zijn rechten zelf uit te oefenen. Afdeling 3. - Doelstellingen en werkingsprincipes

Art. 3.Dit decreet regelt de erkenning van woonzorgvoorzieningen en verenigingen en de subsidiëring van woonzorgvoorzieningen en verenigingen, voor zover deze niet geregeld is in het kader van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming.

De woonzorgvoorzieningen en verenigingen hebben als doel de autonomie en levenskwaliteit van de gebruiker te waarborgen door: 1° de zelfzorg of de mantelzorg te ondersteunen;2° gedifferentieerde en gespecialiseerde vormen van woonzorg te verlenen volgens de principes van maatschappelijk verantwoorde zorg en ondersteuning;3° samen met relevante partners integrale en geïntegreerde zorg en ondersteuning te organiseren voor de gebruiker en zijn mantelzorger.

Art. 4.§ 1. Woonzorgvoorzieningen en verenigingen nemen de volgende gebruikersgerichte werkingsprincipes in acht: 1° ze eerbiedigen de grondrechten uit de Grondwet, het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind;2° ze eerbiedigen de menselijke waardigheid en integriteit;3° ze eerbiedigen de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker en zijn mantelzorgers en waarborgen de toegankelijkheid van de woonzorg zonder discriminatie op grond van ideologische, godsdienstige en filosofische overtuiging of lidmaatschap, seksuele oriëntatie en genderidentiteit of enig ander criterium op grond waarvan kan worden gediscrimineerd;4° ze ondersteunen, vrijwaren en stimuleren de persoonlijke autonomie, keuzevrijheid en zelfverantwoordelijkheid van de gebruiker en zijn mantelzorgers;5° ze betrekken de gebruiker en zijn mantelzorgers als volwaardige partners bij het verlenen van zorg en ondersteuning;6° ze bieden de zorg en ondersteuning aan die wordt gevraagd en aanvaard door de gebruiker, in voorkomend geval de mantelzorgers;7° ze houden rekening met de sociale context van de gebruiker bij het verlenen van zorg en ondersteuning, en versterken het sociale netwerk in voorkomend geval;8° ze bieden waar nodig aanklampende zorg en ondersteuning voor specifieke doelgroepen en in uitzonderlijke omstandigheden;9° ze hebben oog voor de hele zorgsituatie, inclusief de vroegtijdige zorgplanning, de palliatieve zorg en de levenseindezorg en dit met respect voor het zelfbeschikkingsrecht van de gebruiker;10° ze passen de aard, het tijdstip, de plaats, de duur en de intensiteit van de zorg en ondersteuning aan aan de behoeften van de gebruiker;11° ze doen maximaal beroep op het zelfzorgvermogen en de zelfredzaamheid van de gebruiker en zijn mantelzorgers, rekening houdend met hun draagkracht;12° ze informeren vanuit een neutrale basishouding de gebruiker en zijn mantelzorgers objectief en transparant over de mogelijkheden en beperkingen van de volledige woonzorg en van eventuele andere zorg en ondersteuning;13° ze stroomlijnen de communicatie tussen gebruiker, mantelzorgers en woonzorgvoorziening en, als ze de nodige zorg en ondersteuning zelf niet kunnen verlenen, leiden ze de gebruiker en zijn mantelzorgers toe naar de gepaste zorg van hun keuze;14° ze werken mee aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van het zorg- en ondersteuningsplan op aangeven van en in samenspraak met de gebruiker;15° ze waarborgen de opbouw van een vertrouwensvolle zorgrelatie met de gebruiker. In het eerste lid, 8°, wordt verstaan onder aanklampende zorg: de ongevraagde zorg vanuit betrokkenheid op basis van signalen uit de omgeving, die er in uitzonderlijke omstandigheden op gericht is de gezondheids- en welzijnssituatie te verbeteren of overlast te vermijden, en specifieke doelgroepen die zorg op een zorgwekkende manier mijden of van wie de omgeving dat doet, te motiveren om zorg en ondersteuning te aanvaarden.

In het eerste lid, 9°, wordt verstaan onder: 1° vroegtijdige zorgplanning: een continu en dynamisch proces van reflectie en dialoog tussen de gebruiker, zijn naasten en de zorgverlener(s), waarbij toekomstige zorg- en ondersteuningsdoelen besproken en gepland kunnen worden die de besluitvorming bevorderen op het ogenblik dat de gebruiker niet meer in staat is zijn wil te uiten;2° palliatieve zorg: een benadering die de kwaliteit van het leven verbetert van gebruikers en hun naasten die te maken hebben met een levensbedreigende aandoening, lijden te voorkomen en verlichten, door middel van vroegtijdige signalering en zorgvuldige beoordeling en behandeling van pijn en andere problemen van lichamelijke, psychosociale en existentiële aard;3° levenseindezorg: de zorg en ondersteuning die beantwoordt aan de wensen van de persoon met een zorg- en ondersteuningsvraag, meer bepaald die wensen en zorg- en ondersteuningsvragen die gericht zijn op de laatste levensfase. In het eerste lid, 15°, wordt verstaan onder zorgrelatie: de relationele band die in het kader van woonzorg ontstaat tussen de gebruiker en de persoon die zorg en ondersteuning verleent. § 2. Woonzorgvoorzieningen en verenigingen nemen al de volgende organisatorische werkingsprincipes in acht: 1° ze werken mee aan en faciliteren buurtgerichte zorg;2° ze besteden bijzondere aandacht aan preventie en vroegdetectie;3° ze stellen het zorg- en ondersteuningsaanbod algemeen beschikbaar voor de doelgroep van de woonzorgvoorziening, met een bijzondere aandacht voor de zorg- en ondersteuningsvragen van kwetsbare groepen;4° ze zetten de in de woonzorgvoorziening aanwezige expertise en ervaring in op een bepaald domein bij middel van objectieve en transparante informatie- of adviesverstrekking, buiten de context van de eigen woonzorgvoorziening;5° ze voeren een beleid rond ethisch verantwoorde zorg;6° ze voeren een diversiteitsbeleid ten aanzien van de gebruikers en de personeelsleden;7° ze stimuleren en organiseren de vrijwilligerszorg of gaan daarvoor samenwerkingsverbanden aan met organisaties die vrijwilligerszorg aanbieden;8° ze organiseren de individuele en collectieve participatie van de gebruikers;9° ze signaleren op een beleidsgerichte manier belemmerende factoren in het aanbieden van de woonzorg;10° ze voeren een beleid rond vorming, training en intervisie om de deskundigheid van het personeel en het management te bevorderen;11° ze bieden de minst ingrijpende zorg;12° ze nemen sociale inclusie en destigmatisering van personen met een zorg- en ondersteuningsvraag als uitgangspunt, zowel op individueel als op publiek vlak;13° ze garanderen kwaliteit van bestuur en management;14° ze waarborgen financiële en bestuurlijke weerbaarheid en transparantie;15° ze voeren een dynamisch personeelsbeleid met het oog op werkbaar werk en zorg op maat;16° ze zetten in op innovatie en digitalisering van zorg- en ondersteuningsprocessen en gegevensdeling;17° ze zetten middelen efficiënt en effectief in. In het eerste lid, 1°, wordt verstaan onder buurtgerichte zorg: de zorg die erop gericht is de sociale cohesie te versterken, vragen naar zorg en ondersteuning uit de buurt op te vangen, gebruikers indien nodig toe te leiden naar gepaste zorg en ondersteuning of die zelf op te nemen, maar ook de buurt actief te betrekken bij de werking van de voorziening door een actieve samenwerking op lokaal vlak, afgestemd met het lokaal sociaal beleidsplan, onder regie van het lokaal bestuur zoals bepaald in het decreet van 9 februari 2018 houdende het lokaal sociaal beleid.

In het eerste lid, 2°, wordt verstaan onder vroegdetectie: het geheel van activiteiten die tot doel hebben signalen te herkennen die kunnen wijzen op een beginnend of een bestaand gezondheids- of welzijnsrisico of probleem bij een gebruiker binnen een bepaalde woon- en zorgcontext.

Art. 5.De Vlaamse Regering kan voor elke woonzorgvoorziening of vereniging de werkingsprincipes, vermeld in artikel 4, verder uitwerken en concretiseren. Afdeling 4. - Specifieke bepalingen over de financiële en bestuurlijke

weerbaarheid en transparantie

Art. 6.§ 1. De initiatiefnemers die een voorafgaande vergunning of erkenning aanvragen voor een in dit decreet bedoelde woonzorgvoorziening of vereniging worden onderverdeeld in de volgende categorieën: 1° categorie I bestaat uit volgende initiatiefnemers: a) vennootschappen naar Belgisch of buitenlands recht, vzw's, stichtingen of verenigingen naar buitenlands recht met rechtspersoonlijkheid die rechtstreeks noch onrechtstreeks enig vermogensvoordeel mogen uitkeren of bezorgen behalve voor het in de statuten bepaalde belangeloze doel, met een jaargemiddelde van minstens 100 werknemers, bepaald overeenkomstig artikel 15, § 5, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Vennootschappen;b) vennootschappen die behoren tot een consortium of een met andere rechtspersonen gemengd consortium;c) vennootschappen die een verbonden of een geassocieerde vennootschap zijn als vermeld in artikel 11 en 12 van het Wetboek van Vennootschappen;d) vzw's, stichtingen of verenigingen naar buitenlands recht met rechtspersoonlijkheid die rechtstreeks noch onrechtstreeks enig vermogensvoordeel mogen uitkeren of bezorgen behalve voor het in de statuten bepaalde belangeloze doel, die tot een consortium behoren;e) vzw's of stichtingen of verenigingen naar buitenlands recht met rechtspersoonlijkheid die rechtstreeks noch onrechtstreeks enig vermogensvoordeel mogen uitkeren of bezorgen behalve voor het in de statuten bepaalde belangeloze doel, waarover een controlebevoegdheid wordt uitgeoefend of die zelf een controlebevoegdheid uitoefenen;2° categorie II bestaat uit alle initiatiefnemers die niet tot categorie I behoren. In deze paragraaf wordt verstaan onder: 1° consortium: a) als het enkel vennootschappen naar Belgisch of buitenlands recht betreft: een consortium als vermeld in artikel 10 van het Wetboek van Vennootschappen;b) als het enkel vzw's, stichtingen of verenigingen naar buitenlands recht met rechtspersoonlijkheid die rechtstreeks noch onrechtstreeks enig vermogensvoordeel mogen uitkeren of bezorgen behalve voor het in de statuten bepaalde belangeloze doel betreft: vzw's, stichtingen of verenigingen naar buitenlands recht met rechtspersoonlijkheid die rechtstreeks noch onrechtstreeks enig vermogensvoordeel mogen uitkeren of bezorgen behalve voor het in de statuten bepaalde belangeloze doel die onder centrale leiding staan.De Vlaamse Regering bepaalt in welke gevallen dat al dan niet onweerlegbaar vermoed wordt; 2° gemengd consortium: vzw's, stichtingen of vennootschappen of varianten naar buitenlands recht die onder centrale leiding staan.De Vlaamse Regering bepaalt in welke gevallen dat al dan niet onweerlegbaar vermoed wordt; 3° controlebevoegdheid: de bevoegdheid in rechte of in feite om een beslissende invloed uit te oefenen op de aanstelling van de meerderheid van bestuurders of op de oriëntatie van het beleid.De Vlaamse Regering bepaalt in welke gevallen deze bevoegdheid in rechte of in feite al dan niet op onweerlegbare wijze vermoed wordt. § 2. De Vlaamse Regering kan de onderverdeling van woonzorgvoorzieningen en verenigingen in categorieën uit de eerste paragraaf concretiseren, wijzigen of aanvullen na een geformaliseerd overleg met het permanent overlegorgaan weerbaarheid en transparantie zoals bepaald in artikel 7, § 3.

Art. 7.§ 1. Iedere initiatiefnemer: 1° maakt bij aanvraag van een voorafgaande vergunning of, indien geen voorafgaande vergunning moet worden aangevraagd, bij de aanvraag van een eerste erkenning voor de woonzorgvoorziening of vereniging, een administratief basisdossier over;2° legt bij de aanvraag van een erkenning die de eerste keer wordt ingediend een financieel plan voor over minstens drie jaar;3° houdt een boekhouding en maakt een jaarrekening op conform de toepasbare wettelijke bepalingen.De Vlaamse Regering kan het houden van een boekhouding en opmaken van een jaarrekening conform het Wetboek van Economisch Recht of de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen opleggen aan woonzorgvoorzieningen of verenigingen die daartoe niet verplicht zijn. De Vlaamse Regering kan bijkomende specifieke rapporteringsverplichtingen opleggen; 4° meldt belangrijke strategische beslissingen die een impact hebben op de structuur, de werking en het bestuur van de initiatiefnemer, de woonzorgvoorziening of vereniging.Daarbij wordt uitgelegd op welke wijze erover gewaakt is dat de continuïteit van de zorg en ondersteuning verzekerd is. De Vlaamse Regering kan de procedure voor die aanmelding bepalen. Onder strategische beslissingen wordt limitatief verstaan: a) beslissingen om kapitaal vertegenwoordigende effecten te verwerven van een andere onderneming, voor een bedrag van minstens 5% van het eigen vermogen van de initiatiefnemer;b) fusies van woonzorgvoorzieningen, verenigingen of initiatiefnemers evenals splitsingen en gelijkgestelde verrichtingen;c) overdrachten van algemeenheid of bedrijfstak;d) de overdracht van of het vestigen van zakelijke rechten op de gebouwen waarin de woonzorgvoorziening of vereniging is gevestigd;e) een verandering van een meerderheid van de stemrechten in de algemene vergadering en het bestuursorgaan van de woonzorgvoorziening en vereniging;f) de wisseling van de persoon die verantwoordelijk is voor de dagelijkse leiding van een woonzorgvoorziening of vereniging;5° stelt een code voor goed bestuur op, keurt die goed en leeft die na;6° leeft bestaande verplichtingen en regelgeving na. Het administratief basisdossier, vermeld in het eerste lid, 1°, bevat volgende elementen: 1° de voorgenomen activiteiten;2° de organisatiestructuur;3° de feitelijke leiding;4° de verwantschappen en nauwe banden met andere personen;5° een code voor goed bestuur voor de initiatiefnemer. Het administratief basisdossier, vermeld in het eerste lid, 1°, wordt actueel gehouden en is steeds raadpleegbaar door de Vlaamse Regering op aanvraag. Het administratief basisdossier is openbaar raadpleegbaar op de website van de woonzorgvoorziening of vereniging, wat betreft de onderdelen 1°, 2° en 3°. Daarnaast wordt op de website van de initiatiefnemer, woonzorgvoorziening of vereniging een gebruikersvriendelijke samenvatting weergegeven van de code voor goed bestuur.

De code voor goed bestuur, vermeld in het eerste lid, 5°, is afgestemd op de aard, grootte en eigenheid van de initiatiefnemer, woonzorgvoorziening of vereniging en bevat minstens volgende elementen: 1° missie en visie;2° duidelijke bepalingen rond bevoegdheden, taakafbakening, rechten en plichten, voorwaarden, samenstelling van de algemene vergadering, raad van bestuur, adviserende comités, directie en andere organen;3° maatregelen rond transparantie van de structuur, de kwaliteit en het prijsbeleid;4° het betrekken van stakeholders. § 2. Iedere initiatiefnemer die behoort tot de categorie I, vermeld in artikel 6, § 1, 1°, moet naast de verplichtingen, vermeld in paragraaf 1: 1° een of meer commissarissen belasten met de controle van de financiële toestand, de controle van de jaarrekening en de regelmatigheid in het licht van de wet en van de statuten en de controle van de verrichtingen die in de jaarrekening moeten worden vastgesteld;2° een solide en passende regeling voor de bedrijfsorganisatie maken en die weergeven in de code voor goed bestuur, onderdeel van het administratief basisdossier weerbaarheid vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° ;3° de nodige maatregelen treffen voor risicobeheer op het vlak van compliance, risicobeheer en interne controle. § 3. Er wordt een permanent overlegorgaan weerbaarheid en transparantie opgericht dat zorgt voor een overleg over de in dit artikel beschreven verplichtingen inzake bestuurlijke en financiële weerbaarheid en transparantie en de concrete toepassing ervan. Het Agentschap bevoegd voor de erkenningen en financiering van de woonzorgvoorzieningen en verenigingen in dit decreet, de Zorginspectie van het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, en de representatieve vertegenwoordigers van de woonzorgvoorzieningen en verenigingen maken deel uit van dit permanent overlegorgaan. De Vlaamse Regering regelt de samenstelling en de werking van dit permanent overlegorgaan.

Art. 8.De bepalingen in artikel 6 en 7 gelden onder voorbehoud van andere wettelijke en reglementaire verplichtingen, opgelegd aan de betrokken initiatiefnemer, woonzorgvoorziening of vereniging, die met dezelfde finaliteit en draagwijdte de bestuurlijke en financiële weerbaarheid en transparantie waarborgen.

De Vlaamse Regering kan de modaliteiten van artikel 6 en 7 verder uitwerken. Bij de uitwerking van de modaliteiten van artikel 6 en 7 maakt de Vlaamse Regering maximaal gebruik van reeds beschikbare gegevens en rapportageverplichtingen die rusten op de betrokken woonzorgvoorzieningen en verenigingen. HOOFDSTUK 2. - Doelstelling en opdrachten van de woonzorgvoorzieningen en de vereniging voor mantelzorgers en gebruikers Afdeling 1. - Lokaal dienstencentrum

Art. 9.Het lokaal dienstencentrum is een woonzorgvoorziening die in een buurt een verbindende, preventieve en laagdrempelige werking ontwikkelt in en met de nabije omgeving van de gebruiker.

Het lokaal dienstencentrum heeft als doelstelling: 1° de gebruikers, met prioritaire aandacht voor ouderen, mantelzorgers en kwetsbare personen, te ondersteunen om hun zelfzorgvermogen en hun sociale netwerk te versterken;2° de sociale cohesie in de buurt te versterken;3° de gebruiker te ondersteunen om zo lang mogelijk in goede omstandigheden thuis in zijn vertrouwde buurt te blijven wonen;4° bij te dragen tot het ontwikkelen en uitvoeren van het lokaal sociaal beleid, als onderdeel van het meerjarenplan van het lokaal bestuur, door hiervoor, in overleg met lokaal actieve verenigingen en organisaties, laagdrempelige en toegankelijke activiteiten te organiseren.

Art. 10.Het lokaal dienstencentrum heeft de volgende opdrachten: 1° objectieve en transparante informatie aanbieden over en zo nodig schakelen naar het brede aanbod van zorg en ondersteuning in de buurt of naar de partners van het geïntegreerd breed onthaal in functie van vraagverheldering;2° noden en problemen melden en signaleren aan relevante actoren in de buurt;3° ontspanning en ontmoeting aanbieden door, al dan niet in samenwerking, breed toegankelijke activiteiten te organiseren of te faciliteren;4° de krachten van de buurt benutten en waar nodig versterken;5° waar nodig een bemiddelende rol opnemen, opdat de gebruiker aansluiting vindt met het informele en professionele netwerk;6° burenhulp stimuleren en faciliteren;7° de competenties en talenten van de gebruikers benutten met het oog op sociale waardering;8° het lokale verenigingsleven en de buurtbewoners actief bij zijn opdrachten en activiteiten betrekken;9° samenwerken met vrijwilligers of vrijwilligersorganisaties uit het lokale verenigingsleven voor de realisatie van zijn opdrachten en activiteiten. De Vlaamse Regering kan bepalen welke andere opdrachten een lokaal dienstencentrum verricht om zijn doelstelling te realiseren, naast de opdrachten, vermeld in het eerste lid. Afdeling 2. - Thuiszorgvoorzieningen

Onderafdeling 1. - Dienst voor gezinszorg

Art. 11.Een dienst voor gezinszorg is een woonzorgvoorziening die als doelstelling heeft aan gebruikers met een zorg- en ondersteuningsvraag aan huis of buitenshuis individueel of collectief gezinszorg te bieden die er specifiek op gericht is de gebruiker en zijn mantelzorger te ondersteunen en te handhaven in zijn natuurlijk thuismilieu.

Art. 12.§ 1. De dienst voor gezinszorg biedt de volgende zorg en ondersteuning aan: 1° persoonsverzorging;2° huishoudelijke hulp;3° schoonmaakhulp, al dan niet op basis van een samenwerkingsverband met een andere dienst voor gezinszorg of een lokale diensteneconomieonderneming als vermeld in artikel 3, 5°, van het decreet van 22 november 2013 betreffende de lokale diensteneconomie;4° algemene psychosociale en (ped)agogische ondersteuning, samenhangend met de geboden gezinszorg, vermeld in punten 1° tot en met 3° ;5° in functie van de geboden gezinszorg, vermeld in punten 1° tot en met 4° : de ondersteuning en versterking van gebruikers en hun informele zorg- en ondersteuningsnetwerk bij het opnemen van de eigen zorgregie, het op aangeven van en in samenspraak met de gebruiker bepalen en opvolgen van zorg-, ondersteunings- en ontwikkelingsdoelen in het zorg- en ondersteuningsplan, en op verzoek van de gebruiker het coördineren van de integrale en geïntegreerde zorg en ondersteuning. In het eerste lid, 3°, wordt verstaan onder schoonmaakhulp: het aanbieden van activiteiten die tot doel hebben de woning van de gebruiker te reinigen en er de hygiëne te bevorderen.

Met behoud van de toepassing van het eerste lid kan een dienst voor gezinszorg: 1° karweihulp en oppashulp aanbieden, al dan niet op basis van een samenwerkingsverband met andere thuiszorgvoorzieningen of een lokale diensteneconomieonderneming als vermeld in artikel 3, 5°, van het decreet van 22 november 2013 betreffende de lokale diensteneconomie;2° het zelfzorgvermogen van de gebruiker evalueren en objectiveren krachtens artikel 82 van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming in functie van de toekenning van zorgbudgetten. In het derde lid, 1°, wordt verstaan onder karweihulp: kleinere technische handelingen die toelaten dat de nodige zorg en ondersteuning kan verleend worden binnen een aangepaste en veilige woonomgeving, gericht op het verbeteren van het welzijn van de gebruiker en passend in de realisatie van de beoogde zorg- en ondersteuningsdoelen. § 2. De Vlaamse Regering kan bepalen welke andere opdrachten een dienst voor gezinszorg verricht om zijn doelstelling te realiseren naast de opdrachten, vermeld in paragraaf 1.

Art. 13.Een dienst voor gezinszorg kan een bijkomende erkenning voor een centrum voor dagopvang verkrijgen als het collectieve gezinszorg aanbiedt in een aangepaste infrastructuur en een bijdrage levert aan de doelstellingen van de dienst voor gezinszorg.

Art. 14.Het centrum voor dagopvang heeft de volgende opdrachten: 1° persoonsverzorging aanbieden;2° de gebruikelijke huishoudelijke, logistieke en administratieve ondersteuning aanbieden;3° de gebruiker activeren en ondersteunen;4° sociale contacten stimuleren en het sociaal netwerk versterken;5° zinvolle dagbesteding en ontspanning organiseren;6° psychosociale en agogische ondersteuning aanbieden;7° buurtbewoners verbinden met de werking van het centrum voor dagopvang;8° aangepast vervoer van en naar het centrum voor dagopvang in het bereik brengen. De Vlaamse Regering kan bepalen welke andere opdrachten een dienst voor gezinszorg met een bijkomende erkenning voor een centrum voor dagopvang verricht om zijn doelstelling te realiseren, naast de opdrachten, vermeld in het eerste lid.

Onderafdeling 2. - Dienst voor oppashulp

Art. 15.Een dienst voor oppashulp is een woonzorgvoorziening die als doelstelling heeft gebruikers met een zorg- en ondersteuningsvraag en hun mantelzorgers te ondersteunen in de thuiszorgsituatie door oppashulp met vrijwilligers en verenigingswerkers te bieden.

Art. 16.De dienst voor oppashulp heeft de volgende opdrachten: 1° de vraag naar en het aanbod van oppashulp coördineren;2° de werking van vrijwilligers en verenigingswerkers in functie van de oppas coördineren. De Vlaamse Regering kan bepalen welke andere opdrachten een dienst voor oppashulp verricht om zijn doelstelling te realiseren, naast de opdrachten, vermeld in het eerste lid.

Onderafdeling 3. - Dienst voor thuisverpleging

Art. 17.Een dienst voor thuisverpleging is een organisatie van verpleegkundigen die gecoördineerd wordt door een of meer verpleegkundigen, waarvan de werking is vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst en waarvan de verpleegkundigen als werknemer of als zelfstandige verpleegkundige activiteiten uitoefenen in het natuurlijke thuismilieu van de gebruiker.

De Vlaamse Regering bepaalt het minimumaantal verpleegkundigen of het equivalent ervan dat deel uitmaakt van een dienst voor thuisverpleging.

Art. 18.Met behoud van de toepassing van artikel 38, tweede lid, bepaalt de Vlaamse Regering voor een dienst voor thuisverpleging welke gegevens de overeenkomst, vermeld in artikel 17, moet bevatten. Die overeenkomst bevat de volgende gegevens: 1° de permanentieregeling van de verpleegkundigen;2° het aanleggen en bewaren van een gebruikersdossier, met eerbied voor de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker;3° het verplichte gebruik van steriel materiaal;4° de verplichte aanwezigheid van het nodige materiaal dat voor de verzorging aan huis wenselijk is. Het gebruikersdossier, vermeld in het eerste lid, 2°, is het document dat per gebruiker, op basis van een evaluatie van het zelfzorgvermogen en een omschrijving van de zorg- en ondersteuningsvraag, weergeeft welke passende zorg en ondersteuning de dienst voor thuisverpleging wil aanbieden of nodig acht en dat kan worden bijgestuurd naargelang de evoluerende zorg- en ondersteuningsvraag. Dat dossier maakt de bij voorkeur digitale uitwisseling van gegevens tussen de verpleegkundigen van de dienst enerzijds, en tussen verpleegkundigen van de dienst thuisverpleging en de woonzorgvoorzieningen anderzijds mogelijk met als doel de zorg en ondersteuning aan de gebruiker continu en optimaal te laten verlopen.

Onderafdeling 4. - Dienst maatschappelijk werk van het ziekenfonds

Art. 19.Een dienst maatschappelijk werk van het ziekenfonds is een woonzorgvoorziening die objectieve en transparante informatie, hulp- en dienstverlening aanbiedt op het vlak van welzijn en gezondheid, met als doelstelling om de maximale toegang tot rechten en voorzieningen, het zelfzorgvermogen, de maatschappelijke participatie, en de voor de gebruiker optimale organisatie en afstemming van de thuiszorg te realiseren.

De hulp- en dienstverlening is gericht naar alle burgers met prioritaire aandacht voor gebruikers met een verminderd zelfzorgvermogen ten gevolge van ziekte, handicap, ouderdom of sociale kwetsbaarheid, en hun mantelzorgers.

Art. 20.§ 1. De dienst maatschappelijk werk van het ziekenfonds heeft de volgende opdrachten die hij door individuele en outreachende en desgevallend collectieve werkmethoden uitvoert: 1° voorzien in een toegankelijke en laagdrempelige onthaalfunctie die, afgestemd met de andere kernactoren binnen het samenwerkingsverband geïntegreerd breed onthaal zoals omschreven in artikel 9, 10 en 11 van het decreet van 9 februa-ri 2018 betreffende het lokaal sociaal beleid: a) samen met de gebruiker en zijn mantelzorgers de hulpvraag verheldert, vanuit een generalistisch perspectief;b) objectieve en transparante informatie biedt over beschikbaarheid van aanbod en over toegang tot rechten, tegemoetkomingen en voorzieningen;c) directe hulp en ondersteuning biedt of de gebruiker toeleidt naar een passend aanbod van zijn keuze;d) waar nodig, beschikbaar blijft en overzicht behoudt na verwijzing van de gebruiker en zijn mantelzorgers;e) proactieve acties naar kwetsbare doelgroepen opzet, gebaseerd op beschikbare indicatoren;2° begeleiding aanbieden, waarbij vanuit een brede vraagverheldering, op aangeven van en in samenspraak met de gebruiker en zijn mantelzorgers op verschillende levensdomeinen doelstellingen worden bepaald en planmatig worden opgevolgd in het zorg- en ondersteuningsplan en waarbij: a) de thuiszorgsituatie wordt geoptimaliseerd en een evenwicht wordt bewerkstelligd tussen draagkracht en draaglast;b) in complexe zorgsituaties het persoonlijk netwerk wordt versterkt en de gebruiker op zijn verzoek wordt bijgestaan in het samenstellen, coördineren, opvolgen van en bemiddelen bij informele en formele ondersteuningsmogelijkheden;c) gebruikers psychosociaal ondersteund worden bij het omgaan met beperkingen en het verwerken van verlies;d) gebruikers geadviseerd en begeleid worden in het kader van aanpassingen aan de leefomgeving met het oog op valpreventie, de aanschaf en het hanteren van hulpmiddelen, de aanpassing van de woning en de inzet van thuiszorgondersteunende technologie;3° krachtens: a) artikel 82 van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming het zelfzorgvermogen van de gebruiker evalueren en objectiveren in functie van de toekenning van zorgbudgetten;b) artikel 8, 7°, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap meewerken aan de indicatiestelling of vraagverheldering;c) artikel 22 van het decreet van 12 juni 2013 betreffende de integrale jeugdhulp optreden als multidisciplinair team;d) artikel 17 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap begeleiding verlenen bij het opstellen, indienen en aanpassen van een ondersteuningsplan;4° optreden als belangenbehartiger in individuele situaties, deze situaties opvolgen, samenbrengen en belemmerende factoren en signalen vertalen naar beleidsaanbevelingen die overgemaakt worden aan de bevoegde instanties en overheden. Met behoud van de toepassing van het eerste lid, kan een dienst maatschappelijk werk van het ziekenfonds krachtens de artikelen 13, 14 en 35 van het decreet van 25 april 2014 houdende de werk- en zorgtrajecten werkzorgbegeleiding uitvoeren en de rol van casemanager zorg opnemen.

In het eerste lid, 1°, e), wordt verstaan onder proactieve acties: de acties waarbij de dienst maatschappelijk werk van het ziekenfonds zelf het initiatief neemt om ervoor te zorgen dat elke burger die er aanspraak op kan maken rechten en zorg en ondersteuning ontvangt. § 2. De Vlaamse Regering kan bepalen welke andere opdrachten een dienst maatschappelijk werk van het ziekenfonds verricht om zijn doelstelling te realiseren, naast de opdrachten, vermeld in paragraaf 1.

Onderafdeling 5. - Dienst voor gastopvang

Art. 21.Een dienst voor gastopvang is een woonzorgvoorziening die georganiseerd wordt door een woonzorgvoorziening die als doelstelling heeft gebruikers en hun mantelzorgers te ondersteunen door gastopvang met gastgezinnen te bieden.

In het eerste lid wordt verstaan onder gastopvang: vrijwilligerszorg door een gezin dat in zijn verblijfswoning opvang biedt aan een gebruiker gedurende een korte periode, met het oog op respijtzorg of een zinvolle dagbesteding.

Art. 22.De dienst voor gastopvang heeft de volgende opdrachten: 1° de vraag naar en het aanbod van gastopvang coördineren;2° de werking van de gastgezinnen ondersteunen. De Vlaamse Regering kan bepalen welke andere opdrachten een dienst voor gastopvang verricht om zijn doelstelling te realiseren, naast de opdrachten, vermeld in het eerste lid.

Onderafdeling 6. - Centrum voor dagverzorging

Art. 23.Een centrum voor dagverzorging is een woonzorgvoorziening waar in een aangepaste infrastructuur gedurende de dag zorg en ondersteuning wordt aangeboden aan personen met een zorg- en ondersteuningsvraag, met het oog op respijtzorg.

Art. 24.§ 1. Het centrum voor dagverzorging heeft de volgende opdrachten: 1° persoonsverzorging, (para)medische en verpleegkundige zorg en ondersteuning aanbieden;2° de gebruikelijke huishoudelijke, logistieke en administratieve ondersteuning aanbieden;3° de gebruiker activeren en ondersteunen;4° sociale contacten stimuleren en het sociale netwerk behouden en versterken;5° zinvolle dagbesteding en ontspanning organiseren;6° psychosociale en agogische ondersteuning aanbieden;7° buurtbewoners verbinden met de werking van het centrum voor dagverzorging;8° aangepast vervoer voor de verplaatsing van de gebruiker van en naar het centrum voor dagverzorging in het bereik brengen. Naast de opdrachten, vermeld in het eerste lid, kan het centrum voor dagverzorging, occasioneel en als de werking en de infrastructuur dat toelaten, nachtopvang organiseren. § 2. De Vlaamse Regering kan bepalen welke andere opdrachten een centrum voor dagverzorging verricht om zijn doelstelling te realiseren, naast de opdrachten, vermeld in paragraaf 1.

De Vlaamse Regering bepaalt aan welke specifieke doelgroepen en onder welke voorwaarden het centrum voor dagverzorging gespecialiseerde zorg kan aanbieden.

Onderafdeling 7. - Centrum voor kortverblijf

Art. 25.Een centrum voor kortverblijf is een woonzorgvoorziening waar in een aangepaste infrastructuur gedurende een beperkte periode zorg en ondersteuning aangeboden wordt aan personen met een zorg- en ondersteuningsvraag met het oog op respijtzorg.

Art. 26.§ 1. Het centrum voor kortverblijf heeft de volgende opdrachten: 1° aangepaste en tijdelijke huisvesting ter beschikking stellen;2° de gebruikelijke huishoudelijke, logistieke en administratieve ondersteuning aanbieden;3° multidisciplinaire zorg en ondersteuning aanbieden op het vlak van: a) persoonsverzorging, paramedische en verpleegkundige zorg;b) psychosociale, agogische en existentiële ondersteuning;4° levensbeschouwelijke begeleiding in het bereik brengen;5° sociale contacten stimuleren en het sociale netwerk onderhouden en versterken;6° zinvolle dagbesteding en ontspanning organiseren;7° de gebruiker activeren, ondersteunen en revalideren;8° de continuïteit van de zorg en ondersteuning van thuis naar het centrum voor kortverblijf en van het centrum voor kortverblijf naar thuis of een thuisvervangende omgeving waarborgen. Naast de opdrachten, vermeld in het eerste lid, verricht het centrum voor kortverblijf minstens één van de volgende opdrachten, waardoor de volgende drie types van centra voor kortverblijf onderscheiden worden: 1° een centrum voor kortverblijf type 1, waarin respijtzorg voor ouderen met een zorg- en ondersteuningsvraag aangeboden wordt;2° een centrum voor kortverblijf type 2, waarin respijtzorg voor andere specifieke doelgroepen vanaf 18 jaar aangeboden wordt;3° een centrum voor kortverblijf type 3, waarin respijtzorg voor ernstig zieke kinderen en jongeren tot en met 21 jaar aangeboden wordt. § 2. Naast de opdracht, vermeld in § 1, tweede lid, 1°, kan een centrum voor kortverblijf een bijkomende erkenning als oriënterend kortverblijf verkrijgen, wanneer het gebruikers die thuis wonen tijdelijk en op een multidisciplinaire wijze een intensief observatie- en begeleidingstraject aanreikt met als doel de gebruikers te oriënteren naar het meest passende woonzorgaanbod. § 3. De Vlaamse Regering kan bepalen welke andere opdrachten een centrum voor kortverblijf verricht om zijn doelstelling te realiseren, naast de opdrachten, vermeld in paragraaf 1.

Onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt, kan een centrum voor kortverblijf type 1 zijn opdrachten voor gebruikers jonger dan 65 jaar verrichten.

De Vlaamse Regering bepaalt aan welke specifieke doelgroepen en onder welke voorwaarden het centrum voor kortverblijf type 1 en type 2 gespecialiseerde zorg kan aanbieden.

Art. 27.Een centrum voor kortverblijf type 1 kan alleen worden uitgebaat in daartoe bestemde lokalen van een woonzorgcentrum of van een centrum voor herstelverblijf.

Onderafdeling 8. - Centrum voor herstelverblijf

Art. 28.Een centrum voor herstelverblijf is een woonzorgvoorziening die in een aangepaste infrastructuur tijdelijke opvang en revalidatie biedt aan gebruikers die een heelkundige ingreep hebben ondergaan of in behandeling zijn voor een ernstige aandoening, maar tijdelijk geen ziekenhuisgebonden medische zorgen nodig hebben, en daarvoor een ziekenhuisopname of een langdurige onderbreking van de normale activiteiten hebben ondergaan.

Art. 29.Het centrum voor herstelverblijf heeft de volgende opdrachten: 1° aangepaste en tijdelijke huisvesting ter beschikking stellen;2° ondersteunende activiteiten aanbieden om de lichamelijke en geestelijke toestand van de gebruikers te versterken;3° revalidatie aanbieden;4° persoonsverzorging en verpleegkundige zorg en ondersteuning aanbieden. De Vlaamse Regering kan bepalen welke andere opdrachten een centrum voor herstelverblijf verricht om zijn doelstelling uit te voeren naast de opdrachten, vermeld in het eerste lid. Afdeling 3. - Groep van assistentiewoningen

Art. 30.Een groep van assistentiewoningen is een woonzorgvoorziening waar in een aangepaste infrastructuur en binnen een organisatorisch geheel ouderen zelfstandig en permanent verblijven, waarbij gedurende de dag en de nacht permanentie georganiseerd wordt, en waarbij zorg en ondersteuning aangeboden wordt waarop de gebruiker facultatief een beroep kan doen.

Art. 31.De groep van assistentiewoningen heeft de volgende opdrachten: 1° aangepaste en langdurige huisvesting ter beschikking stellen;2° bereikbaarheid gedurende de dag en de nacht organiseren via een oproepsysteem om te beantwoorden aan noodoproepen van de gebruikers, crisiszorg en overbruggingszorg organiseren, al dan niet via een samenwerkingsovereenkomst met zorg- en welzijnsactoren uit de omgeving;3° objectieve en transparante informatie geven over de verschillende mogelijkheden tot interne en externe zorg en ondersteuning;4° het integrale aanbod van zorg en ondersteuning, met respect voor de vrije keuze van de gebruiker, in bereik van de gebruikers brengen;5° objectief informeren over zinvolle dagbesteding en ontspanning, die in het bereik brengen of zelf organiseren;6° de sociale contacten van de gebruikers stimuleren en het sociaal netwerk versterken;7° buurtbewoners en lokale organisaties verbinden met de werking van de groep van assistentiewoningen;8° een woonassistent aanstellen om de opdrachten, vermeld in punt 2° tot en met 7°, te realiseren. In het eerste lid, 2°, wordt verstaan onder noodoproep: een zorg- en ondersteuningsvraag van de gebruiker via het oproepsysteem en die 24 op 24 uur onmiddellijk, zonder uitstel, wordt beantwoord, eventueel via een spreekluistersysteem.

In het eerste lid, 2°, wordt verstaan onder: 1° crisiszorg: een onmiddellijke en aangepaste interventie in geval van een noodsituatie die niet vooraf kan worden ingeschat en waarin onmiddellijk zorg en ondersteuning moet worden geboden.Een noodsituatie is daarbij een situatie waar de fysieke, psychische, sociale en materiële veiligheid en gezondheid van de gebruiker bedreigd is of wordt; 2° overbruggingszorg: aangepaste zorg en ondersteuning die aansluit bij crisiszorg en die gedurende een korte periode wordt verleend in afwachting van de door de gebruiker gekozen zorg en ondersteuning. Het objectief en transparant informeren over het integrale aanbod van zorg en ondersteuning gebeurt op uitdrukkelijke verzoek van de gebruiker of zijn omgeving, met als doel het zelfstandig wonen te behouden of te verbeteren. Hierbij wordt de vrije keuze steeds gewaarborgd. Dit houdt minstens informatie over volgende zorg en ondersteuning in: 1° huishoudelijke en logistieke hulp;2° persoonsverzorging, (para)medische en verpleegkundige zorg en ondersteuning;3° activatie en (administratieve) ondersteuning en revalidatie;4° psychosociale en agogische begeleiding;5° ondersteuning van de mantelzorger;6° maatschappelijk werk. Onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt, kan een groep van assistentiewoningen haar opdrachten ook voor gebruikers jonger dan 65 jaar verrichten.

Art. 32.§ 1. Als een erkend woonzorgcentrum en een erkende groep van assistentiewoningen in elkaars onmiddellijke nabijheid gevestigd zijn en organisatorisch een geheel vormen, en als de uitbating van beide voorzieningen door dezelfde rechtspersoon gebeurt of als een erkend woonzorgcentrum en een erkende groep van assistentiewoningen in elkaars onmiddellijke nabijheid gevestigd zijn en een samenwerkingsovereenkomst hebben gesloten, dan kan het woonzorgcentrum, zonder zijn erkende capaciteit van woongelegenheden te overschrijden, één of meer assistentiewoningen tijdelijk laten erkennen als woongelegenheid van dat woonzorgcentrum.

De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en de procedure voor de erkenning. § 2. Als een centrum voor kortverblijf type 1 dat uitgebaat wordt in de lokalen van een woonzorgcentrum of een centrum voor herstelverblijf, en een groep van assistentiewoningen in elkaars onmiddellijke nabijheid gevestigd zijn en een organisatorisch geheel vormen, en als beide woonzorgvoorzieningen door dezelfde rechtspersoon worden uitgebaat, of als een centrum voor kortverblijf dat uitgebaat wordt in de lokalen van een woonzorgcentrum, en een groep van assistentiewoningen in elkaars onmiddellijke nabijheid gevestigd zijn en er tussen de uitbatende rechtspersonen een samenwerkingsovereenkomst is afgesloten kan in afwijking van artikel 27, het centrum voor kortverblijf de toestemming krijgen om een of meer entiteiten kortverblijf in te zetten in die groep van assistentiewoningen.

De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en de procedure voor de toestemming. Afdeling 4. - Woonzorgcentrum

Art. 33.Een woonzorgcentrum is een woonzorgvoorziening waar in een aangepaste infrastructuur en binnen een organisatorisch geheel zorg en ondersteuning wordt geboden in een thuisvervangend milieu aan ouderen met een complexe zorg- en ondersteuningsvraag, die er permanent verblijven.

Art. 34.§ 1. Het woonzorgcentrum heeft de volgende opdrachten: 1° aangepaste en langdurige huisvesting ter beschikking stellen;2° de gebruikelijke huishoudelijke, logistieke en administratieve ondersteuning aanbieden;3° multidisciplinaire zorg en ondersteuning aanbieden op het vlak van: a) persoonsverzorging, paramedische en verpleegkundige zorg;b) psychosociale, agogische en existentiële ondersteuning;4° levensbeschouwelijke begeleiding in het bereik brengen op vraag van de gebruiker;5° sociale contacten stimuleren en het sociale netwerk onderhouden en versterken;6° zinvolle dagbesteding en ontspanning organiseren of aanbieden;7° de gebruiker activeren, ondersteunen en revalideren;8° buurtbewoners en lokale organisaties verbinden met de werking van het woonzorgcentrum;9° ervoor zorgen dat voor elke gebruiker een voor zorgverleners toegankelijk woonzorgleefplan wordt opgemaakt dat permanent wordt bijgewerkt en afgestemd is met de gebruiker, met als doel de zorg en ondersteuning aan de gebruiker continu, persoonsgericht en op maat te laten verlopen in functie van zijn evo-luerende zorg- en ondersteuningsvraag. In het eerste lid, 9°, wordt verstaan onder woonzorgleefplan: het plan dat door het woonzorgcentrum in aansluiting op het zorg- en ondersteuningsplan en in samenspraak met de gebruiker wordt opgemaakt en de noden, de verwachtingen en de voorkeuren van de gebruiker op het vlak van het wonen, de zorg en het leven in het woonzorgcentrum bepaalt, de interventies daarvoor beschrijft en op regelmatige wijze evalueert. § 2. De Vlaamse Regering kan bepalen welke andere opdrachten een woonzorgcentrum verricht om zijn doelstelling te realiseren, naast de opdrachten, vermeld in paragraaf 1.

Onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt, kan een woonzorgcentrum zijn opdrachten voor gebruikers jonger dan 65 jaar verrichten.

Het woonzorgcentrum kan aan specifieke doelgroepen die de Vlaamse Regering bepaalt, gespecialiseerde zorg aanbieden onder bepaalde voorwaarden.

Art. 35.Als een woonzorgcentrum in de onmiddellijke nabijheid ligt van en een organisatorisch geheel vormt met minstens twee andere woonzorgvoorzieningen, namelijk een centrum voor kortverblijf of een centrum voor dagverzorging of een groep van assistentiewoningen, en als deze woonzorgvoorzieningen door dezelfde rechtspersoon worden uitgebaat of er tussen de uitbatende rechtspersonen een samenwerkingsovereenkomst werd gesloten, dan kan dat organisatorisch geheel als bijkomende opdracht een intern aanspreekpunt voorzien voor objectieve en transparante informatie met betrekking tot en coördinatie van zorgplanning, opname, ontslag en doorverwijzing, met als doel een optimale afstemming en continuïteit van de zorg te realiseren in samenwerking met andere zorg- en welzijnsactoren. Dit kan enkel mits de gebruiker objectief en transparant geïnformeerd wordt over de mogelijkheden en met respect voor zijn keuzevrijheid om al dan niet in te gaan op het aanbod of beroep te doen op een ander zorgaanbod. Afdeling 5. - Vereniging voor mantelzorgers en gebruikers

Art. 36.Een vereniging voor mantelzorgers en gebruikers heeft als doelstelling de mantelzorgers en gebruikers te ondersteunen en te waarderen, hun noden te detecteren en hun belangen te behartigen.

Art. 37.De vereniging voor mantelzorgers en gebruikers heeft de volgende opdrachten: 1° op regelmatige basis actief overleg plegen met de aangesloten leden;2° de leden meermaals per jaar objectief en transparant informeren over relevante informatie voor mantelzorgers en gebruikers via verschillende kanalen;3° jaarlijks een aantal samenkomsten organiseren voor mantelzorgers en gebruikers waarbij collectieve werkmethodieken worden gehanteerd, waaronder lotgenotencontacten en vormingsessies;4° belangenbehartiging opnemen door: a) de problemen van mantelzorgers en gebruikers te inventariseren en te signaleren aan de overheid;b) een mantelzorgraad te organiseren om de problemen van mantelzorgers te bespreken en oplossingsgerichte voorstellen uit te werken;c) jaarlijks een belangenbehartigend initiatief te organiseren;d) mantelzorgers te vertegenwoordigen in overleg- en beslissingsorganen;e) mantelzorgers sterker te maken zodat ze zelf kunnen opkomen voor hun belangen;5° werken aan een positieve beeldvorming over mantelzorg en sensibiliseren rond het begrip mantelzorg;6° via het formeel samenwerkingsverband van de verenigingen instaan voor beleids-advisering over mantelzorg en optreden als medebeheerder van het Vlaams Expertisepunt Mantelzorg. De Vlaamse Regering kan bepalen welke andere opdrachten een vereniging voor mantelzorgers en gebruikers verricht om haar doelstelling te realiseren naast de opdrachten, vermeld in het eerste lid. HOOFDSTUK 3. - Erkenning, programmatie, voorafgaande vergunning en subsidiëring Afdeling 1. - Erkenning

Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen

Art. 38.De Vlaamse Regering erkent woonzorgvoorzieningen en verenigingen.

De woonzorgvoorzieningen en verenigingen moeten voldoen aan artikel 4, 7, 8 en 59 en hoofdstuk 2 om erkend te kunnen worden en erkend te blijven. De Vlaamse Regering kan aanvullende erkenningsvoorwaarden vastleggen met behoud van de toepassing van de bepalingen van artikel 4, 7, 8 en 59 en hoofdstuk 2. Die voorwaarden hebben onder meer betrekking op: 1° de zorg en ondersteuning;2° de personeelsleden;3° de bestuurders;4° de werking;5° de infrastructuur;6° de wederzijdse rechten en plichten van woonzorgvoorziening en gebruikers;7° het behandelen van de klachten van de gebruikers;8° de initiatiefnemer of zijn vertegenwoordiger, die geen strafrechtelijke veroordeling mag hebben opgelopen voor feiten die verband houden met het aanbieden of organiseren van woonzorg;9° de specifieke brandveiligheidsaspecten voor woonzorgvoorzieningen, met behoud van de toepassing van de federale basisnormen voor de brandveiligheid van gebouwen. De aanvullende erkenningsvoorwaarden voor de personeelsleden, vermeld in het tweede lid, 2°, en voor de bestuurders, vermeld in het tweede lid, 3°, houden minstens in dat die personeelsleden en bestuurders een uittreksel uit het strafregister kunnen voorleggen dat bepaalt dat ze geen strafrechtelijke veroordelingen hebben opgelopen voor misdrijven die de Vlaamse Regering bepaalt.

De inachtneming van de voorwaarden voor de specifieke brandveiligheidsaspecten, vermeld in het tweede lid, 9°, wordt vastgelegd in een attest over de brandveiligheid. Dat attest wordt afgegeven door de burgemeester van de gemeente waarin de woonzorgvoorziening gevestigd is, met medewerking van de territoriaal bevoegde hulpverleningszone. De Vlaamse Regering kan voorzien in meerdere attesten die verschillen volgens de mate waarin de voorwaarden voor de specifieke brandveiligheidsaspecten in acht genomen zijn. De Vlaamse Regering bepaalt het model en de geldigheidsduur van het attest of van elk van de attesten. De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de afgifte en de verlenging van het attest of de attesten. De Vlaamse Regering kan voorzien in de mogelijkheid van beroep tegen een beslissing van de burgemeester tot weigering van een attest dat de uitbating van een woonzorgvoorziening mogelijk maakt, of tegen het uitblijven van een beslissing van de burgemeester over de afgifte of de verlenging van een attest.

De Vlaamse Regering kan, op verzoek van een woonzorgvoorziening of vereniging, een afwijking toestaan op de naleving van sommige erkenningsvoorwaarden die zijn vastgelegd ter uitvoering van het tweede lid, met uitzondering van de werkingsprincipes, vermeld in artikel 4, op voorwaarde dat de veiligheid van de gebruikers en het personeel, en de kwaliteit van de verstrekte woonzorg voldoende gewaarborgd zijn. De Vlaamse Regering bepaalt de regels om die afwijking toe te staan.

De Vlaamse Regering bepaalt de erkenningsprocedure die de mogelijkheid bevat om een bezwaar in te dienen. Ze kan woonzorgvoorzieningen en verenigingen alleen erkennen als ze passen in de programmatie, vermeld in artikel 51, die van toepassing is.

Art. 39.§ 1. De volgende woonzorgvoorzieningen en de verenigingen mogen pas uitgebaat of georganiseerd worden onder de erkende benamingen, vermeld in hoofdstuk 2, nadat de Vlaamse Regering ze heeft erkend: 1° lokale dienstencentra als vermeld in artikel 9;2° diensten voor gezinszorg als vermeld in artikel 11;3° diensten voor oppashulp als vermeld in artikel 15;4° diensten voor thuisverpleging als vermeld in artikel 17;5° diensten maatschappelijk werk van de ziekenfondsen als vermeld in artikel 19;6° diensten voor gastopvang als vermeld in artikel 21. § 2. De volgende woonzorgvoorzieningen mogen pas worden uitgebaat of georganiseerd en de erkende benamingen, vermeld in hoofdstuk 2, gebruiken nadat de Vlaamse Regering ze heeft erkend: 1° centra voor dagopvang van een dienst voor gezinszorg als vermeld in artikel 13;2° centra voor dagverzorging als vermeld in artikel 23;3° centra voor kortverblijf als vermeld in artikel 25;4° centra voor herstelverblijf als vermeld in artikel 28;5° groepen van assistentiewoningen als vermeld in artikel 30;6° woonzorgcentra als vermeld in artikel 33. § 3. De erkenning en de erkende benaming worden vermeld op alle officiële stukken die uitgaan van de woonzorgvoorzieningen of verenigingen.

Art. 40.Naast de vormen van woonzorg georganiseerd door een woonzorgvoorziening als vermeld in dit decreet, kan de Vlaamse Regering innovatieve vormen van woonzorg erkennen.

De Vlaamse Regering legt de erkenningsvoorwaarden en de werkingsprincipes voor deze innovatieve woonzorgvorm vast.

Art. 41.De Vlaamse Regering kan binnen de perken van de begrotingskredieten, op verzoek van de initiatiefnemer, de erkenning van een woonzorgvoorziening geheel of gedeeltelijk omzetten in de erkenning of vergunning van een andere zorgvorm in het kader van het gezondheids- of welzijnsbeleid.

De Vlaamse Regering stelt de procedure en de voorwaarden voor de omzetting vast.

Onderafdeling 2. - Specifieke bepalingen voor bepaalde woonzorgvoorzieningen of verenigingen

Art. 42.Verenigingen en thuiszorgvoorzieningen, met uitsluiting van de dienst voor thuisverpleging, het centrum voor kortverblijf, het centrum voor herstelverblijf en het centrum voor dagverzorging, kunnen alleen worden erkend als ze door de volgende initiatiefnemers zijn opgericht en uitgebaat: 1° een privaatrechtelijke vereniging met rechtspersoonlijkheid die rechtstreeks noch onrechtstreeks enig vermogensvoordeel mag uitkeren of bezorgen behalve voor het in de statuten bepaald belangeloos doel;2° een gemeentebestuur;3° een Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn;4° de Vlaamse Gemeenschapscommissie;5° een publiekrechtelijke vereniging;6° een vereniging van publiek recht onderworpen aan deel 3, titel 4, hoofdstuk 2, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur;7° een ziekenfonds;8° een vennootschap met rechtspersoonlijkheid en sociaal oogmerk. De Vlaamse Regering kan bepalen welke andere initiatiefnemers erkende verenigingen en thuiszorgvoorzieningen als bepaald in het eerste lid kunnen oprichten en uitbaten.

Art. 43.Met behoud van de toepassing van artikel 38, kan de Vlaamse Regering, conform de normen die de Vlaamse Regering bepaalt, een bijkomende erkenning verlenen aan diensten voor gezinszorg voor de uitbating van een centrum voor dagopvang als vermeld in artikel 13 en 14.

Art. 44.§ 1. Met behoud van de toepassing van artikel 38 en tot een datum die de Vlaamse Regering bepaalt, kan de Vlaamse Regering, conform de normen die de Vlaamse Regering bepaalt en binnen de perken van de begrotingskredieten, een bijkomende erkenning verlenen aan woonzorgcentra die een verzorgingsstructuur aanbieden die zwaar afhankelijke zorgbehoevende personen opneemt.

Alle rust- en verzorgingstehuizen die voor 1 januari 2019 erkend zijn of waarvoor voor 1 januari 2019 een erkenningsaanvraag werd ingediend conform artikel 170 van de gecoördineerde wet op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen worden van rechtswege beschouwd als woonzorgcentra met een bijkomende erkenning. § 2. De Vlaamse Regering kan conform de normen die de Vlaamse Regering bepaalt en binnen de perken van de begrotingskredieten, een bijzondere erkenning verlenen aan woonzorgcentra met een bijkomende erkenning als vermeld in de eerste paragraaf die aan specifieke doelgroepen gespecialiseerde zorg aanbieden onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt.

Art. 45.Met behoud van de toepassing van artikel 38, kan de Vlaamse Regering, conform de normen die de Vlaamse Regering bepaalt, een bijkomende erkenning verlenen aan centra voor kortverblijf type 1 voor oriënterend kortverblijf als vermeld in artikel 26, § 2.

Art. 46.Met behoud van de toepassing van artikel 38 en tot een datum die de Vlaamse Regering bepaalt, kan de Vlaamse Regering, conform de normen die de Vlaamse Regering bepaalt en binnen de perken van de begrotingskredieten, een bijkomende erkenning verlenen aan centra voor dagverzorging die een verzorgingsstructuur aanbieden die zwaar afhankelijke zorgbehoevende personen overdag opvangt en die de noodzakelijke ondersteuning biedt voor het behoud van die personen in hun thuisomgeving en aan centra voor dagverzorging die een verzorgingsstructuur aanbieden die overdag personen opvangt die lijden aan een ernstige ziekte die aangepaste zorg vereist en die de noodzakelijke ondersteuning biedt voor het behoud van die personen in hun thuisomgeving.

Alle centra voor dagverzorging die voor 1 januari 2019 erkend zijn of waarvoor voor 1 januari 2019 een erkenningsaanvraag werd ingediend conform artikel 170 van de gecoördineerde wet op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, worden van rechtswege beschouwd als centra voor dagverzorging met een bijkomende erkenning.

Art. 47.§ 1. Een woonzorgcentrum kan buiten zijn erkende capaciteit verleend op basis van artikel 38 en 39, de volgende mantelzorgers van wie het zelfzorgvermogen niet is aangetast opnemen: 1° een mantelzorger die op het moment van de opname van de gebruiker in het woonzorgcentrum gehuwd of wettelijk samenwonend is met die gebruiker;2° een mantelzorger die gedurende zes maanden onmiddellijk voorafgaand aan de opname van de gebruiker in het woonzorgcentrum feitelijk samenwonend was met die gebruiker. Het woonzorgcentrum vervult ten aanzien van de persoon van wie het zelfzorgvermogen niet is aangetast de opdrachten, vermeld in artikel 34, § 1, 2°, 4°, 5°, 6° en 8°.

Een mantelzorger van wie het zelfzorgvermogen niet is aangetast als vermeld in het eerste lid: 1° wordt bij voorrang opgenomen binnen de erkende capaciteit van het woonzorgcentrum als zijn zelfzorgvermogen tijdens de opname is aangetast;2° kan, op zijn verzoek, gedurende maximaal zes maanden na het overlijden van de gebruiker, vermeld in het eerste lid, buiten de erkende capaciteit opgenomen blijven in het woonzorgcentrum. § 2. Voor het verblijf van een mantelzorger van wie het zelfzorgvermogen niet is aangetast als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, bepaalt de Vlaamse Regering de normen voor: 1° de infrastructuur;2° de werking;3° de wederzijdse rechten en plichten van woonzorgvoorziening en mantelzorgers, inclusief de dagprijs;4° het behandelen van de klachten van de mantelzorgers;5° de normen voor de specifieke brandveiligheidsaspecten voor woonzorgvoorzieningen, vermeld in artikel 38, tweede lid, 9°. In het attest, vermeld in artikel 38, vierde lid, worden de volgende elementen vastgelegd: 1° de entiteiten die door het woonzorgcentrum ingezet kunnen worden om personen buiten zijn erkende capaciteit op te nemen;2° de inachtneming van de normen, vermeld in artikel 38, tweede lid, 9°. De Vlaamse Regering kan, op verzoek van een woonzorgcentrum, een afwijking toestaan op de naleving van sommige normen die zijn vastgelegd ter uitvoering van het eerste lid, op voorwaarde dat de veiligheid van de mantelzorger van wie het zelfzorgvermogen niet is aangetast en het personeel, en de kwaliteit van de verstrekte woonzorg voldoende gewaarborgd zijn. De Vlaamse Regering bepaalt de regels om die afwijking toe te staan. § 3. De Vlaamse Regering kan de categorieën van mantelzorgers, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, uitbreiden. § 4. Een woonzorgcentrum kan de toestemming krijgen om buiten zijn erkende capaciteit woongelegenheden aan te bieden aan mantelzorgers van wie het zelfzorgvermogen niet is aangetast, conform paragraaf 1.

De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en de procedure voor die toestemming. § 5. Voor de capaciteitsverhoging, conform paragraaf 1, is geen voorafgaande vergunning als vermeld in artikel 52, § 1, eerste lid, vereist.

Art. 48.Verschillende vestigingen van een woonzorgcentrum, een centrum voor dagverzorging of een centrum voor kortverblijf, die door eenzelfde initiatiefnemer worden uitgebaat en binnen een redelijke afstand van elkaar liggen, kunnen respectievelijk als één woonzorgcentrum, centrum voor dagverzorging of centrum voor kortverblijf erkend worden onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt.

Art. 49.Een woonzorgvoorziening of vereniging wordt uitgebaat door een rechtspersoon, die verantwoordelijk is voor de organisatie van de zorg en ondersteuning.

Art. 50.De centra voor dagverzorging, de centra voor dagopvang van een dienst voor gezinszorg, de centra voor kortverblijf, de centra voor herstelverblijf, de groepen van assistentiewoningen en de woonzorgcentra waarvoor voor de eerste keer een erkenningsaanvraag wordt ingediend, kunnen voorlopig erkend worden in afwachting van een erkenning als vermeld in artikel 38. De voorlopige erkenning geldt voor een periode van een jaar. Ze kan eenmaal worden verlengd met een jaar. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden voor een voorlopige erkenning en de verlenging ervan, alsook de procedure die de mogelijkheid bevat om een bezwaar in te dienen. De Vlaamse Regering bepaalt de gevolgen van de voorlopige erkenning.

Een centrum voor dagverzorging, een centrum voor dagopvang van een dienst voor gezinszorg, een centrum voor kortverblijf, een centrum voor herstelverblijf, een groep van assistentiewoningen of een woonzorgcentrum kan alleen voorlopig worden erkend als die woonzorgvoorziening past in de programmatie die op haar van toepassing is. Afdeling 2. - Programmatie en voorafgaande vergunning

Art. 51.§ 1. Met behoud van de toepassing van paragraaf 2 bepaalt de Vlaamse Regering de programmatie van de woonzorgvoorzieningen met uitzondering van de diensten voor thuisverpleging en de groepen van assistentiewoningen, alsook de programmatie van de verenigingen. De programmatie bepaalt, met het oog op een evenredige spreiding afhankelijk van de behoeften, aan de hand van objectief meetbare criteria, de planning in de tijd en ruimte van ofwel het maximale aantal woonzorgvoorzieningen en verenigingen, ofwel het maximale aantal entiteiten in woonzorgvoorzieningen, ofwel het maximale aantal subsidiabele uren woonzorg die een woonzorgvoorziening mag aanbieden ofwel het maximale aantal subsidiabele personeelsleden van een woonzorgvoorziening.

De Vlaamse Regering stelt de programmatie per type van woonzorgvoorziening en voor de verenigingen, vast en kan zo nodig een werkingsgebied bepalen waar de activiteiten hoofdzakelijk plaatsvinden.

De Vlaamse Regering bepaalt één specifieke programmatie voor de centra voor dagverzorging en de diensten voor gezinszorg met een bijkomende erkenning voor een centrum voor dagopvang.

De Vlaamse Regering kan een programmatie als vermeld in het eerste lid bepalen voor de groepen van assistentiewoningen.

De Vlaamse Regering kan een programmatie als vermeld in het eerste lid bepalen voor de vormen van woonzorg, erkend met toepassing van artikel 40. § 2. De Vlaamse Regering bepaalt aan de hand van objectief meetbare criteria de programmatie voor de diensten maatschappelijk werk van de ziekenfondsen zodat elke erkende landsbond van ziekenfondsen een proportioneel aandeel in die programmatie heeft.

Art. 52.§ 1. Een initiatiefnemer die met het oog op de uitbating van een lokaal dienstencentrum, een centrum voor dagopvang van een dienst voor gezinszorg, een centrum voor dagverzorging, een centrum voor kortverblijf, een centrum voor herstelverblijf of een woonzorgcentrum wil bouwen of verbouwen, een bestaand gebouw alsdusdanig inrichten, zijn activiteiten wil verplaatsen of de capaciteit van zijn voorziening wil verhogen, is onderworpen aan de voorafgaande vergunning van de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering legt de procedure daarvoor vast, die de mogelijkheid bevat om een bezwaar in te dienen. De Vlaamse Regering kan bepalen dat voor de types van woonzorgvoorzieningen die ze aanwijst, de voorafgaande vergunning wordt verleend op basis van een oproep met het oog op de realisatie van die woonzorgvoorzieningen in het geografische gebied dat in de oproep wordt aangewezen.

De voorafgaande vergunning kan alleen worden verleend als het initiatief past in de programmatie, vermeld in artikel 51, past binnen de meerjarenraming die op basis van artikel 6, § 2, van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming door de Vlaamse Regering is vastgelegd en past in het kader van de globale zorgstrategische visie, waarvan de elementen door de Vlaamse Regering worden bepaald. Die elementen hebben onder meer betrekking op de zorg- en ondersteuningsvraag, de wijze waarop woonzorg zal worden aangeboden, de wijze waarop wordt afgestemd met de uitgangspunten van het decreet van 26 april 2019 betreffende de organisatie van de eerstelijnszorg, de regionale zorgplatformen en de ondersteuning van de eerstelijnszorgaanbieders, de plaats van het initiatief binnen het geheel van bestaande woonzorgvoorzieningen en andere welzijnsvoorzieningen en zorgverleners en de samenwerking met die voorzieningen en zorgverleners en de wijze waarop wordt aangesloten op lokale beleidsintenties. De Vlaamse Regering kan aanvullende voorwaarden bepalen om de voorafgaande vergunning te verlenen.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de groepen van assistentiewoningen, tenzij een programmatie wordt vastgesteld. § 2. De Vlaamse Regering kan een tijdsvenster bepalen waarbinnen een initiatiefnemer met een voorafgaande vergunning de erkenning moet aanvragen.

Art. 53.De Vlaamse Regering kan binnen de perken van de begrotingskredieten, op verzoek van de initiatiefnemer, de voorafgaande vergunning van een woonzorgvoorziening geheel of gedeeltelijk omzetten in de erkenning of vergunning van een andere zorgvorm in het kader van het gezondheids- of welzijnsbeleid. De Vlaamse Regering stelt de procedure en de voorwaarden voor de omzetting vast.

Art. 54.§ 1. Met behoud van de toepassing van artikel 51 en 52 en tot een datum die de Vlaamse Regering bepaalt, kan de Vlaamse Regering, conform de programmatie die de Vlaamse Regering bepaalt en binnen de perken van de begrotingskredieten, een planningsvergunning voor een bijkomende erkenning verlenen aan woonzorgcentra die een verzorgingsstructuur aanbieden die zwaar afhankelijke zorgbehoevende personen opneemt als vermeld in artikel 44, § 1.

Met behoud van de toepassing van artikel 51 en 52 en tot een datum die de Vlaamse Regering bepaalt, kan de Vlaamse Regering, conform de programmatie die de Vlaamse Regering bepaalt en binnen de perken van de begrotingskredieten, een planningsvergunning voor een bijzondere erkenning verlenen aan woonzorgcentra met een bijkomende erkenning die aan specifieke doelgroepen gespecialiseerde zorg aanbieden als vermeld in artikel 44, § 2. § 2. Met behoud van de toepassing van artikel 51 en 52 en tot een datum die de Vlaamse Regering bepaalt, kan de Vlaamse Regering, conform de programmatie die de Vlaamse Regering bepaalt en binnen de perken van de begrotingskredieten, een planningsvergunning voor een bijkomende erkenning verlenen aan centra voor dagverzorging die een verzorgingsstructuur aanbieden die zwaar afhankelijke zorgbehoevende personen overdag opvangt en die de noodzakelijke ondersteuning biedt voor het behoud van die personen in hun thuisomgeving en aan centra voor dagverzorging die een verzorgingsstructuur aanbieden die overdag personen opvangt die lijden aan een ernstige ziekte die aangepaste zorg vereist en die de noodzakelijke ondersteuning biedt voor het behoud van die personen in hun thuisomgeving als vermeld in artikel 46. § 3. Met behoud van de toepassing van artikel 51 en 52 en tot een datum die de Vlaamse Regering bepaalt, kan de Vlaamse Regering, conform de programmatie die de Vlaamse Regering bepaalt en binnen de perken van de begrotingskredieten, een planningsvergunning voor een bijkomende erkenning verlenen aan centra voor kortverblijf type 1 die oriënterend kortverblijf aanbieden als vermeld in artikel 26, § 2. Afdeling 3. - Subsidiëring

Onderafdeling 1. - Generieke bepalingen

Art. 55.§ 1. Onverminderd de financiering in het kader van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 en in het kader van het decreet van 23 februari 1994 inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden, kan de Vlaamse Regering, binnen de begrotingskredieten, subsidies verlenen aan woonzorgvoorzieningen en verenigingen.

De subsidies, vermeld in het eerste lid, mogen niet hetzelfde voorwerp hebben als financieringen in het kader van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming. § 2. Als in uitvoering van dit decreet staatssteun in de zin van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie wordt verleend aan een onderneming, wordt die staatssteun toegekend met inachtneming van het besluit 2012/21/EU van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen.

Art. 56.De Vlaamse Regering bepaalt de regels voor de aanvraag, de vaststelling, de toekenning en de vereffening van de subsidie.

Bij het bepalen van de subsidie aan een woonzorgvoorziening of vereniging legt de Vlaamse Regering de opdrachten vast die deze woonzorgvoorziening of vereniging verricht, alsook desgevallend de personeelsformatie die ze moet inzetten, de subsidievoorwaarden waaraan ze moet voldoen, de resultaten die ze moet bereiken en de wijze waarop de subsidie verantwoord moet worden.

Art. 57.Binnen de perken van de begrotingskredieten en passend binnen de programmatie, vermeld in artikel 51, kan de Vlaamse Regering aan woonzorgcentra en centra voor kortverblijf type 1 als vermeld in artikel 26, § 1, tweede lid, 1°, subsidies verlenen als tegemoetkoming in de infrastructuurkosten in de vorm van een forfait dat periodiek wordt uitbetaald.

De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaraan het woonzorgcentrum of het centrum voor kortverblijf en de infrastructuur moeten voldoen om voor infrastructuursubsidies in aanmerking te komen. Die hebben onder meer betrekking op: 1° de bouwfysische, technische en kwalitatieve normen waaraan de infrastructuur moet voldoen;2° de aanrekening van kosten aan zorggebruikers;3° de cumuleerbaarheid van de subsidies met andere steunmechanismen. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor de toekenning en de uitbetaling van infrastructuursubsidies. Die procedure bevat de mogelijkheid een bezwaar in te dienen.

De Vlaamse Regering kan een gefaseerde invoering, met een bijbehorende aangepaste procedure, bepalen voor het verlenen van infrastructuursubsidies.

Onderafdeling 2. - Specifieke bepalingen met betrekking tot Brussel-Hoofdstad

Art. 58.De Vlaamse Regering kan voor de woonzorgvoorzieningen en verenigingen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad specifieke programmatie-, vergunnings-, erkennings- en subsidievoorwaarden bepalen. HOOFDSTUK 4. - Registratie

Art. 59.§ 1. In dit artikel wordt verstaan onder de algemene verordening gegevensbescherming: verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG. § 2. Woonzorgvoorzieningen, verenigingen, partnerorganisaties als vermeld in artikel 60 en projecten als vermeld in artikel 61, verzamelen op een gestructureerde, systematische wijze gegevens over de gebruikers, hun mantelzorgers, de personeelsleden en de bestuurders van de woonzorgvoorziening of vereniging, de aard van de zorg- en ondersteuningsvraag, de geboden woonzorg, de kwaliteit en het effect ervan, met als doel: 1° over de noodzakelijke informatie te beschikken die nodig is voor de zorg en ondersteuning aan de gebruiker, zodat de zorg en ondersteuning verleend door de woonzorgvoorziening zelf of in samenwerking met andere zorg- en welzijnsactoren passend wordt afgestemd op de evoluerende zorg- en ondersteuningsvraag van de gebruiker en het zorg- en ondersteuningstraject per gebruiker kan worden opgevolgd en bijgestuurd, waar nodig;2° aan de Vlaamse overheid gegevens te bezorgen om haar in staat te stellen de woonzorg passend te financieren en haar woonzorgbeleid af te stemmen op de evoluerende maatschappelijke behoeften en de kwaliteit van de geboden woonzorg te monitoren conform het decreet van 17 oktober 2003 betreffende de kwaliteit van de gezondheids- en welzijnsvoorzieningen.Die gegevens zijn, waar mogelijk, geanonimiseerd; 3° over de noodzakelijke informatie over de bekwaamheid en integriteit van de personeelsleden en bestuurders te beschikken die noodzakelijk is om een kwaliteitsvol zorg- en ondersteuningsaanbod te kunnen garanderen en waar nodig bijzondere maatregelen te kunnen treffen. § 3. De persoonsgegevens die verzameld worden in het kader van dit decreet, worden verwerkt conform de regelgeving over de bescherming bij de verwerking van persoonsgegevens. De verwerking van persoonsgegevens is gebaseerd op artikel 6, eerste lid, 1), e), en artikel 10 van de algemene verordening gegevensbescherming en, wat gegevens over gezondheid als vermeld in artikel 9, eerste lid, van de algemene verordening gegevensbescherming betreft, op artikel 9, tweede lid, 2), h), van de algemene verordening gegevensbescherming.

De gegevens over gezondheid, vermeld in het eerste lid, worden verwerkt conform artikel 9, derde lid, van de algemene verordening gegevensbescherming, door of onder de verantwoordelijkheid van een beroepsbeoefenaar die aan het beroepsgeheim is gebonden, of door een andere persoon die tot geheimhouding is gehouden. De Vlaamse Regering specificeert welke personen of instanties toegang hebben tot voormelde gezondheidsgegevens.

De verwerking van persoonsgegevens vindt plaats met respect voor de rechten van de betrokken gebruikers en mantelzorgers. § 4. In het kader van de uitvoering van hun bevoegdheden en taken, waaronder deze vermeld in artikel 4, § 1, eerste lid, 14°, artikel 18, eerste lid, 2°, artikel 34, paragraaf 1, eerste lid, 9°, en artikel 38, derde lid, verzamelen en verwerken woonzorgvoorzieningen, verenigingen, partnerorganisaties als vermeld in artikel 60 en projecten als vermeld in artikel 61, minstens volgende gegevens: 1° de persoonsgegevens met het oog op de identificatie van de betrokken gebruiker, zijn vertegenwoordiger en zijn mantelzorgers, in voorkomend geval externe zorgverstrekkers;2° de gezondheidsgegevens over de gebruiker die relevant zijn voor zorg en ondersteuning;3° de gegevens met betrekking tot de te verlenen zorg en ondersteuning;4° de persoonsgegevens met het oog op de identificatie van de personeelsleden en de bestuurders;5° de gegevens met betrekking tot de bekwaamheid en integriteit van de personeelsleden en de bestuurders, met name: a) de genoten opleiding;b) een uittreksel uit het strafregister. De Vlaamse Regering kan, na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit, vermeld in artikel 4, 21), van de algemene verordening gegevensbescherming, de lijst van gegevens, vermeld in het eerste lid, inclusief de gezondheidsgegevens, vermeld in artikel 4, 15), van voormelde verordening, nader preciseren.

De Vlaamse Regering bepaalt, na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit, vermeld in artikel 4, 21), van de algemene verordening gegevensbescherming: 1° de regels voor en de wijze van verwerking van de gegevens;2° de termijn gedurende welke de verwerkte persoonsgegevens maximaal zullen worden bewaard;3° de instanties waaraan de persoonsgegevens zullen worden verstrekt;4° de vorm waarin en de wijze waarop gegevens worden uitgewisseld. § 5. Met het oog op de uitvoering van de bevoegdheden en taken, geregeld bij of krachtens dit decreet, worden persoonsgegevens van de gebruiker, inclusief gegevens als vermeld in artikel 4, 15), van de algemene verordening gegevensbescherming, en de persoonsgegevens van de personeelsleden en bestuurders verwerkt door: 1° het Agentschap Zorg en Gezondheid;2° het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. De Vlaamse Regering bepaalt, na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit, vermeld in artikel 4, 21), van de algemene verordening gegevensbescherming: 1° welke gegevens worden verzameld, inclusief de gezondheidsgegevens, vermeld in artikel 4, 15), van voormelde verordening;2° de regels voor en de wijze van verwerking van de gegevens;3° de termijn gedurende welke de verwerkte persoonsgegevens maximaal zullen worden bewaard;4° de instanties waaraan de persoonsgegevens zullen worden verstrekt;5° de vorm waarin en de wijze waarop gegevens worden uitgewisseld. § 6. De verwerkingsverantwoordelijken in de zin van artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming zijn: 1° het Agentschap Zorg en Gezondheid voor de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de passende financiering van de woonzorgvoorzieningen, de monitoring en handhaving met betrekking tot de geboden woonzorg en de bekwaamheid en integriteit van de personeelsleden en bestuurders;2° het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin voor het uitoefenen van toezicht op de erkenningsvoorwaarden en de kwaliteit van de geboden woonzorg;3° de woonzorgvoorzieningen en verenigingen voor wat betreft de verwerking van persoonsgegevens in het kader van hun opdrachten en hun zorgrelatie met de gebruiker;4° de partnerorganisaties, vermeld in artikel 60, en de projecten, vermeld in artikel 61, in het kader van hun opdrachten en hun zorgrelatie met de gebruiker. De Vlaamse Regering bepaalt welke technische en organisatorische maatregelen de verwerkingsverantwoordelijke moet treffen ter bescherming van de persoonsgegevens conform artikel 32 van de algemene verordening gegevensbescherming. HOOFDSTUK 5. - Partnerorganisaties en projecten

Art. 60.§ 1. Om de professionaliteit en de kwaliteit van de woonzorg te stimuleren, kan de Vlaamse Regering partnerorganisaties erkennen en subsidiëren binnen de beschikbare begrotingskredieten.

De Vlaamse Regering bepaalt de erkenningsvoorwaarden, de duur van de erkenning, alsook de regels om de erkenning te verlenen en om de erkenning te schorsen of in te trekken als de erkenningsvoorwaarden niet worden nageleefd.

Alleen erkende partnerorganisaties met een beheersovereenkomst kunnen worden gesubsidieerd. De Vlaamse Regering bepaalt de subsidieregels. § 2. De Vlaamse Regering kan, al dan niet op basis van een oproep, een beheersovereenkomst sluiten met een partnerorganisatie die in Vlaanderen een unieke expertise op het vlak van de professionaliteit en de kwaliteit van woonzorg ontwikkelt. Een partnerorganisatie waarmee een beheersovereenkomst wordt gesloten, wordt geacht erkend te zijn voor de duur van die overeenkomst.

De beheersovereenkomst, vermeld in het eerste lid, omvat minstens: 1° de aard van de deskundigheid van de partnerorganisatie, de doelgroepen aan wie de partnerorganisatie minstens ondersteuning biedt en de opdrachten die de partnerorganisatie heeft ten aanzien van de Vlaamse overheid;2° een plan voor de duur van de beheersovereenkomst met: a) de resultaatsgebieden voor de uitvoering van de overeenkomst;b) de evaluatiecriteria voor de resultaatsgebieden, vermeld in punt a);c) de wijze waarop wordt voorzien in periodieke rapportage;3° de voorwaarden en nadere regels voor de subsidie. § 3. In dit artikel wordt verstaan onder partnerorganisatie: een rechtspersoon die deskundig is in een bepaald segment van de woonzorg.

Art. 61.De Vlaamse Regering kan, onder de voorwaarden en volgens de procedure die ze bepaalt projecten tijdelijk erkennen en subsidiëren binnen de beschikbare begrotingskredieten.

In het eerste lid wordt verstaan onder project: een bijzonder initiatief met betrekking tot de woonzorg dat gekenmerkt wordt door een tijdelijk en vernieuwend karakter. HOOFDSTUK 6. - Financiële bepaling

Art. 62.§ 1. De Vlaamse Regering kan per woonzorgvoorziening die niet onder het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming ressorteert, bepalen of er aan de gebruiker een gebruikersbijdrage of een dagprijs kan worden aangerekend.

In voorkomend geval kan de Vlaamse Regering conform artikel 38, tweede lid, aanvullende erkenningsvoorwaarden vastleggen die betrekking hebben op de elementen voor de berekening van de gebruikersbijdrage of de dagprijs en de wijze waarop de gebruikersbijdrage of de dagprijs aan de gebruiker wordt aangerekend. § 2. De Vlaamse Regering kan per woonzorgvoorziening die onder het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming ressorteert, bepalen dat de voorwaarden die in het kader van dat decreet worden uitgevaardigd en betrekking hebben op de elementen voor de berekening van de gebruikersbijdrage of de dagprijs en de wijze waarop de gebruikersbijdrage of de dagprijs aan de gebruiker wordt aangerekend, aanvullende erkenningsvoorwaarden als vermeld in artikel 38, tweede lid, uitmaken. HOOFDSTUK 7. - Toezicht, wijziging, schorsing, intrekking en verval van de erkenning, de sluiting en het verbod op exploitatie onder de erkende benaming Afdeling 1. - Toezicht

Art. 63.§ 1. Het toezicht op de naleving van de bepalingen in dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan wordt georganiseerd overeenkomstig het decreet van 19 januari 2018 en de uitvoeringsbesluiten ervan. § 2. Ingeval een woonzorgvoorziening of vereniging ernstig en herhaaldelijk in gebreke blijft om in de zorg en ondersteuning respect voor integriteit van de zorgvrager te verzekeren of indien de continuïteit van de zorg en ondersteuning ten aanzien van de zorgvragers ernstig in gevaar is, kan de Vlaamse Regering de rechter verzoeken een voorlopig bewindvoerder aan te stellen, met competenties in de organisatie van de zorg, die gemachtigd wordt om in naam en voor rekening van de woonzorgvoorziening of vereniging de nodige maatregelen te nemen om het respect voor de integriteit of de continuïteit van de zorg en dienstverlening te verzekeren. De Vlaamse Regering bepaalt hiertoe de nadere regels. Afdeling 2. - Wijziging, schorsing en intrekking van de erkenning,

sluiting en verbod op exploitatie onder de erkende benaming

Art. 64.De Vlaamse Regering kan, volgens de regels die ze bepaalt, de erkenning wijzigen, alsook de erkenning schorsen of intrekken als de woonzorgvoorziening of vereniging de erkenningsvoorwaarden niet naleeft. Die regels bevatten de mogelijkheid om een bezwaar in te dienen.

De Vlaamse Regering vermindert de subsidie van die woonzorgvoorzieningen en verenigingen die niet onder het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming vallen of ze vordert de subsidie terug volgens de regels die ze bepaalt, als die woonzorgvoorzieningen of verenigingen de subsidievoorwaarden niet naleven.

Art. 65.§ 1. De Vlaamse Regering kan, volgens de regels die ze bepaalt, de bijkomende erkenning voor een centrum voor dagopvang van een dienst voor gezinszorg, vermeld in artikel 13, schorsen of intrekken als een dienst voor gezinszorg de bijkomende erkenningsvoorwaarden niet naleeft. Die regels bevatten de mogelijkheid om een bezwaar in te dienen.

De Vlaamse Regering vermindert de subsidie of ze vordert de subsidie terug volgens de regels die ze bepaalt, als dat centrum voor dagopvang van een dienst voor gezinszorg de subsidievoorwaarden niet naleeft. § 2. De Vlaamse Regering kan, volgens de regels die ze bepaalt, de bijkomende erkenning van een woonzorgcentrum, vermeld in artikel 44, § 1, wijzigen, alsook die bijkomende erkenning schorsen of intrekken als het woonzorgcentrum de bijkomende erkenningsvoorwaarden niet naleeft.

Die regels bevatten de mogelijkheid om een bezwaar in te dienen. § 3. De Vlaamse Regering kan, volgens de regels die ze bepaalt, de bijkomende erkenning van een centrum voor kortverblijf, vermeld in artikel 45, schorsen of intrekken als het centrum voor kortverblijf de bijkomende erkenningsvoorwaarden niet naleeft. Die regels bevatten de mogelijkheid om een bezwaar in te dienen. § 4. De Vlaamse Regering kan, volgens de regels die ze bepaalt, de bijkomende erkenning van een centrum voor dagverzorging, vermeld in artikel 46 schorsen of intrekken als het centrum voor dagverzorging de bijkomende erkenningsvoorwaarden niet naleeft. Die regels bevatten de mogelijkheid om een bezwaar in te dienen. § 5. De Vlaamse Regering kan, volgens de regels die ze bepaalt, de bijzondere erkenning van een woonzorgcentrum met een bijkomende erkenning, vermeld in artikel 44, § 2, schorsen of intrekken als het woonzorgcentrum de bijzondere erkenningsvoorwaarden niet naleeft. Die regels bevatten de mogelijkheid om een bezwaar in te dienen.

Art. 66.§ 1. De intrekking van de erkenning van een woonzorgcentrum, van een centrum voor dagverzorging, van een centrum voor kortverblijf, van een groep van assistentiewoningen of van een centrum voor herstelverblijf heeft van rechtswege de sluiting van die woonzorgvoorziening tot gevolg.

De Vlaamse Regering beveelt de sluiting van een niet-erkende voorziening, die de opdrachten van een centrum voor dagverzorging, van een centrum voor kortverblijf, van een centrum voor herstelverblijf, van een groep van assistentiewoningen of van een woonzorgcentrum uitoefent. De Vlaamse Regering bepaalt daarvoor de procedure die de mogelijkheid bevat om een bezwaar in te dienen.

De sluiting houdt in dat de voorziening niet langer mag worden uitgebaat. De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels voor de uitvoering van de effectieve sluiting. Aan de effectieve sluiting gaat een overleg vooraf met het gemeentebestuur en het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van de gemeente waarin het centrum gevestigd is. § 2. De intrekking van een erkenning van een lokaal dienstencentrum, van een dienst voor gezinszorg, van een dienst voor thuisverpleging, van een dienst maatschappelijk werk van het ziekenfonds, van een dienst voor oppashulp, van een dienst voor gastopvang of van een vereniging heeft tot gevolg dat deze woonzorgvoorziening of vereniging de erkende benaming niet langer mag gebruiken.

De Vlaamse Regering beveelt het verbod op exploitatie onder de erkende benaming van een niet-erkende voorziening die de opdrachten van een lokaal dienstencentrum, van een dienst voor gezinszorg, van een dienst voor thuisverpleging, van een dienst maatschappelijk werk van het ziekenfonds, van een dienst voor oppashulp, van een dienst voor gastopvang of van een vereniging uitoefent. De Vlaamse Regering bepaalt daarvoor de procedure die de mogelijkheid bevat om een bezwaar in te dienen. § 3. De intrekking van de bijkomende erkenning voor een centrum voor dagopvang van een dienst voor gezinszorg, of van de dienst voor gezinszorg die een centrum voor dagopvang als vermeld in artikel 13 uitbaat, heeft van rechtswege de sluiting van het centrum tot gevolg.

De Vlaamse Regering beveelt de sluiting van een niet-erkende voorziening, die de opdrachten van een centrum voor dagopvang van een dienst voor gezinszorg uitoefent. Ze bepaalt daarvoor de procedure die de mogelijkheid bevat om een bezwaar in te dienen.

De sluiting houdt in dat de voorziening niet langer mag worden uitgebaat. De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels met betrekking tot de uitvoering van de effectieve sluiting. Aan de effectieve sluiting gaat een overleg vooraf met het gemeentebestuur en het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van de gemeente waarin het centrum gevestigd is.

Art. 67.Als na de inwerkingtreding van de sluiting van een woonzorgcentrum, van een centrum voor dagverzorging, van een centrum voor dagopvang van een dienst voor gezinszorg, van een centrum voor kortverblijf, van een groep van assistentiewoningen of van een centrum voor herstelverblijf wordt vastgesteld dat de uitbating ervan niet is stopgezet, gaat de burgemeester, op schriftelijk verzoek van de Vlaamse Regering, over tot de effectieve sluiting, onverminderd de bevoegdheid die door de Nieuwe Gemeentewet aan de burgemeester is verleend. Hij beveelt de stopzetting van de activiteiten en, in voorkomend geval, de ontruiming van de gebouwen, en verzegelt de gebouwen.

Die maatregelen worden uitgevoerd op kosten en risico van de rechtspersoon die het woonzorgcentrum, het centrum voor dagverzorging, het centrum voor dagopvang van een dienst voor gezinszorg, het centrum voor kortverblijf, de groep van assistentiewoningen of het centrum voor herstelverblijf uitbaat. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure daarvan.

Art. 68.De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen over de te volgen procedure voor de vrijwillige stopzetting van de activiteiten van een woonzorgvoorziening of vereniging en de gevolgen van die stopzetting.

Art. 69.Als de persoon die bij rechterlijke beslissing gemachtigd wordt om op te treden als verantwoordelijk beheerder van een woonzorgcentrum, een centrum voor dagverzorging, een centrum voor kortverblijf, een groep van assistentiewoningen of een centrum voor herstelverblijf, beslist om de uitbating van het centrum stop te zetten, wordt vóór de effectieve uitvoering van die beslissing het bevoegde agentschap op de hoogte gebracht en overleg gepleegd met het gemeentebestuur en het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van de gemeente waarin het centrum gevestigd is. De Vlaamse Regering kan de te volgen procedure bij stopzetting bepalen. Afdeling 3. - Verval van de erkenning

Art. 70.De erkenning van een centrum voor kortverblijf type 1 vervalt van rechtswege: 1° als het woonzorgcentrum waarmee het centrum een organisatorische eenheid vormt, zijn erkenning verliest of gesloten wordt;2° als het centrum voor herstelverblijf waarmee het centrum een organisatorische eenheid vormt, zijn erkenning verliest of gesloten wordt.

Art. 71.De bijkomende erkenning voor een centrum voor dagopvang van een dienst voor gezinszorg, vermeld in artikel 13, vervalt van rechtswege als de dienst voor gezinszorg zijn erkenning verliest.

De bijkomende erkenning van een woonzorgcentrum, vermeld in artikel 44, § 1, vervalt van rechtswege als het woonzorgcentrum zijn erkenning verliest of gesloten wordt.

De bijkomende erkenning van een centrum voor kortverblijf, vermeld in artikel 45, vervalt van rechtswege als het centrum voor kortverblijf type 1 zijn erkenning verliest of gesloten wordt en als het woonzorgcentrum of het centrum voor herstelverblijf zijn erkenning verliest.

De bijkomende erkenning van een centrum voor dagverzorging, vermeld in artikel 46, vervalt van rechtswege als het centrum voor dagverzorging zijn erkenning verliest of gesloten wordt.

De bijzondere erkenning van een woonzorgcentrum met een bijkomende erkenning, vermeld in artikel 44, § 2, vervalt van rechtswege als het woonzorgcentrum zijn erkenning of zijn bijkomende erkenning verliest of gesloten wordt. HOOFDSTUK 8. - Sancties

Art. 72.Met behoud van de toepassing van artikel 64, 65, 66 en 67, naargelang van het geval, kan een administratieve geldboete van 2.500 tot 25.000 euros worden opgelegd aan: 1° degene die zonder erkenning al dan niet onder de erkende benaming een of meer entiteiten in een centrum voor dagverzorging, een centrum voor kortverblijf, een centrum voor herstelverblijf, een groep van assistentiewoningen of een woonzorgcentrum uitbaat.Die geldboete wordt opgelegd per niet-erkende uitgebate entiteit; 2° de dienst voor gezinszorg die zonder bijkomende erkenning, al dan niet onder de erkende benaming, een centrum voor dagopvang uitbaat. Die geldboete wordt opgelegd per niet-erkende uitbating; 3° degene die zonder erkenning toch onder de erkende benaming een lokaal dienstencentrum, een dienst voor gezinszorg, een dienst voor thuisverpleging, een dienst maatschappelijk werk van het ziekenfonds, een dienst voor oppashulp, een dienst voor gastopvang of een vereniging uitbaat.Die geldboete wordt opgelegd per niet-erkende uitbating; 4° degene die een mantelzorger van wie het zelfzorgvermogen niet is aangetast opneemt buiten zijn erkende capaciteit als vermeld in artikel 47, § 1, eerste lid, zonder toestemming of die niet voldoet aan de normen, vermeld in artikel 47, § 1, tweede lid, en § 2;5° degene die met overtreding van artikel 52 een lokaal dienstencentrum, een dienst voor gezinszorg met een bijkomende erkenning voor een centrum voor dagopvang, een centrum voor dagverzorging, een centrum voor kortverblijf, een centrum voor herstelverblijf of een woonzorgcentrum uitbaat, een bestaand gebouw als zodanig inricht of in gebruik neemt, of de opnamecapaciteit ervan verhoogt zonder daarvoor een voorafgaande vergunning te hebben verkregen;6° de uitbater van een erkende woonzorgvoorziening die door de Vlaamse overheid is aangemaand om binnen een bepaalde termijn aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in de aanmaning, te voldoen en die binnen die termijn aan die voorwaarden niet voldoet. In afwijking van het eerste lid kan een administratieve geldboete van 5000 tot 50.000 euro worden opgelegd aan: 1° degene die opzettelijk weigert de gegevens te bezorgen die hij moet bezorgen op grond van dit decreet of die bewust onjuiste of onvolledige inlichtingen bezorgt;2° degene die onder de erkende benaming een lokaal dienstencentrum, een dienst voor gezinszorg, een dienst voor thuisverpleging, een dienst maatschappelijk werk van het ziekenfonds, een dienst voor oppashulp, een dienst voor gastopvang of een vereniging uitbaat na intrekking van de erkenning.Die geldboete wordt opgelegd per niet-erkende uitbating; 3° degene die al dan niet onder de erkende benaming een centrum voor dagverzorging, een centrum voor kortverblijf, een centrum voor herstelverblijf, een groep van assistentiewoningen of een woonzorgcentrum uitbaat na intrekking van de erkenning.De geldboete wordt opgelegd per niet-erkende uitgebate entiteit; 4° de dienst voor gezinszorg die na intrekking van de bijkomende erkenning voor een centrum voor dagopvang een centrum voor dagopvang uitbaat.Die geldboete wordt opgelegd per niet-erkende uitbating.

De administratieve geldboete kan worden opgelegd binnen zes maanden, te rekenen vanaf de dag van de vaststelling van de inbreuk nadat de betrokkene is gehoord. Als een administratieve geldboete wordt opgelegd, vermeldt de beslissing het bedrag, de wijze waarop en de termijn waarin die moet worden betaald. De kennisgeving van de beslissing aan de betrokkene vermeldt de wijze waarop en de termijn waarin beroep ingesteld kan worden tegen de beslissing.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor het opleggen en het betalen van de administratieve geldboete. De Vlaamse Regering wijst de ambtenaren aan die de geldboete kunnen opleggen.

De betrokkene kan op straffe van verval van het recht tot het instellen van een beroep binnen zestig dagen vanaf de kennisgeving van de beslissing waarbij hem een administratieve geldboete wordt opgelegd, tegen die beslissing bij de Raad van State beroep aantekenen met een verzoekschrift. Dat beroep schorst de uitvoering van de beslissing. De Raad van State oordeelt met volle rechtsmacht.

De ambtenaren, vermeld in het vierde lid of, in geval van beroep, de Raad van State kunnen bij verzachtende omstandigheden het bedrag van de opgelegde administratieve geldboete verminderen, zelfs tot onder het toepasselijke minimumbedrag.

Als de betrokkene weigert de administratieve geldboete te betalen, wordt ze bij dwangbevel ingevorderd. De Vlaamse Regering wijst de ambtenaren aan die een dwangbevel kunnen geven en uitvoerbaar verklaren. Een dwangbevel wordt betekend bij deurwaardersexploot met bevel tot betaling.

De vordering tot voldoening van de administratieve geldboete verjaart na verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van de beslissing, vermeld in het derde lid, of in geval van beroep, vanaf de datum van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, vermeld in artikel 2244 tot en met 2250 van het Burgerlijk Wetboek. HOOFDSTUK 9. - Wijzigingsbepalingen Afdeling 1. - Wijzigingen van de wet van 22 januari 1945 betreffende

de economische reglementering en de prijzen

Art. 73.In artikel 2, § 4, vijfde lid, van de wet van 22 januari 1945 betreffende de economische reglementering en de prijzen, ingevoegd bij het decreet van 15 juli 2016, wordt de zinsnede "voor ouderenvoorzieningen, vermeld in artikel 2, 21°, van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009" vervangen door de zinsnede "voor centra voor dagverzorging, centra voor kortverblijf, groepen van assistentiewoningen en woonzorgcentra als vermeld in het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019". Afdeling 2. - Wijzigingen van het decreet van 15 juli 1997 houdende de

Vlaamse Wooncode

Art. 74.In artikel 97bis, § 3, derde lid, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, ingevoegd bij het decreet van 14 oktober 2016, wordt de zinsnede "mantelzorg als vermeld in artikel 2, 11°, van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009" vervangen door de zinsnede "de activiteiten die een mantelzorger als vermeld in artikel 2, § 1, 6°, van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019 ".

Art. 75.In artikel 98, § 2, derde lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 31 mei 2013, wordt de zinsnede "een woonzorgcentrum als vermeld in artikel 37 van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009" vervangen door de zinsnede "een woonzorgcentrum als vermeld in artikel 33 van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019 ". Afdeling 3. - Wijzigingen van het decreet van 3 maart 2004 betreffende

de eerstelijnsgezondheidszorg en de samenwerking tussen de zorgaanbieders

Art. 76.In artikel 2 van het decreet van 3 maart 2004 betreffende de eerstelijnsgezondheidszorg en de samenwerking tussen de zorgaanbieders, laatst gewijzigd bij de decreten van 13 maart 2009 en 21 juni 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° punt 2° bis wordt vervangen door wat volgt: "2° bis dienst maatschappelijk werk van het ziekenfonds: een dienst maatschappelijk werk van het ziekenfonds als vermeld in het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019 ;"; 2° punt 15° wordt opgeheven.

Art. 77.In artikel 12, § 2, eerste lid, van hetzelfde decreet worden de woorden "de regionale dienstencentra" opgeheven. Afdeling 4. - Wijziging van het decreet van 27 maart 2009 betreffende

het grond- en pandenbeleid

Art. 78.In artikel 4.2.4./2, eerste lid, 1°, b), van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid, gewijzigd bij het decreet van 29 maart 2013, wordt de zinsnede "het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009" vervangen door de zinsnede "het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019 ". Afdeling 5. - Wijziging van het decreet van 25 april 2014 houdende de

werk- en zorgtrajecten

Art. 79.In artikel 10, § 1, tweede lid, 1°, b), van het decreet van 25 april 2014 houdende de werk- en zorgtrajecten wordt de zinsnede "het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009" vervangen door de zinsnede "het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019 ". Afdeling 6. - Wijzigingen van het decreet van 15 juli 2016 houdende

diverse bepalingen betreffende het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin

Art. 80.In artikel 2, tweede lid, 2°, van het decreet van 15 juli 2016 houdende diverse bepalingen betreffende het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin wordt de zinsnede "woonzorg als vermeld in artikel 2, 1°, van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009" vervangen door de zinsnede "woonzorg als vermeld in artikel 2, § 1, 18°, van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019 ".

Art. 81.In artikel 115, tweede lid, van hetzelfde decreet wordt de zinsnede "het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009" vervangen door de zinsnede "het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019 ". Afdeling 7. - Wijzigingen van het decreet van 18 mei 2018 houdende de

Vlaamse sociale bescherming

Art. 82.In artikel 2, eerste lid, 41°, van het decreet van 18 mei 2018 betreffende de Vlaamse sociale bescherming wordt de zinsnede "woonzorgdecreet van 13 maart 2009, gewijzigd bij de decreten van 18 november 2011, 21 juni 2013, 15 juli 2016, 22 december 2016 en 20 januari 2017" vervangen door de zinsnede "Woonzorgdecreet van 15 februari 2019 ".

Art. 83.In artikel 6, § 1, derde lid, van hetzelfde decreet wordt de zinsnede "ongevraagde zorg vanuit betrokkenheid, gericht op het verbeteren van de kwaliteit van leven en het functioneren of op het vermijden van overlast, bij personen die zelf of, in geval van kinderen en jongeren, bij wie de omgeving zorg op een zorgwekkende manier mijden" vervangen door de zinsnede "de ongevraagde zorg vanuit betrokkenheid op basis van signalen uit de omgeving, die er in uitzonderlijke omstandigheden op gericht is de gezondheids- en welzijnssituatie te verbeteren of overlast te vermijden, en specifieke doelgroepen die zorg op een zorgwekkende manier mijden of van wie de omgeving dat doet, te motiveren om zorg en ondersteuning te aanvaarden".

Art. 84.In artikel 50, derde lid, van hetzelfde decreet wordt de zinsnede "artikel 14" vervangen door de zinsnede "artikel 19" en wordt de zinsnede "artikel 15" vervangen door de zinsnede "artikel 20".

Art. 85.In artikel 116, eerste lid, en in artikel 117, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet worden tussen de woorden "systematische afwijkingen" en de woorden "worden vastgesteld" de woorden "of fraude" ingevoegd.

Art. 86.In de opschriften van de volgende titels en hoofdstukken en de volgende bepalingen van hetzelfde decreet wordt het woord "dagverzorgingscentrum" telkens vervangen door de woorden "centrum voor dagverzorging" en het woord "dagverzorgingscentra" telkens door de woorden "centra voor dagverzorging": 1° deel 4, titel 1;2° deel 4, titel 1, hoofdstuk 2;3° artikel 140;4° artikel 141;5° artikel 142;6° artikel 143;7° deel 4, titel 1, hoofdstuk 4;8° artikel 150;9° artikel 181;10° artikel 185.

Art. 87.In artikel 140 van hetzelfde decreet worden de woorden "aanvullende thuiszorg" opgeheven.

Art. 88.Aan artikel 152, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet worden de woorden "met en zonder bijkomende erkenning als oriënterend kortverblijf" toegevoegd. Afdeling 8. - Wijzigingen van het decreet van 6 juli 2018 betreffende

de overname van de sectoren psychiatrische verzorgingstehuizen, initiatieven van beschut wonen, revalidatieovereenkomsten, revalidatieziekenhuizen en multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging

Art. 89.Aan artikel 13, § 2, van het decreet van 6 juli 2018 betreffende de overname van de sectoren psychiatrische verzorgingstehuizen, initiatieven van beschut wonen, revalidatieovereenkomsten, revalidatieziekenhuizen en multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging wordt een zevende lid toegevoegd, dat luidt als volgt: "De Vlaamse Regering kan, na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit, de persoonsgegevens, vermeld in deze paragraaf, die door een agentschap dat de Vlaamse Regering aanwijst, de verzekeringsinstellingen, de zorgvoorzieningen, de Zorgkassencommissie of de Expertencommissie worden verwerkt, bepalen.".

Art. 90.In hetzelfde decreet wordt een artikel 115 ingevoegd dat luidt als volgt: "

Art. 115.Dit decreet treedt buiten werking op een door de Vlaamse Regering per bepaling te bepalen datum.". HOOFDSTUK 1 0. - Slotbepalingen Afdeling 1. - Opheffingsbepaling

Art. 91.De Vlaamse Regering regelt de opheffing van elk van de bepalingen van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009. Afdeling 2. - Overgangsbepalingen

Art. 92.De Vlaamse Regering kan de noodzakelijke overgangsmaatregelen bepalen met behoud van de toepassing van artikelen 93 tot en met 99.

Art. 93.De besluiten die genomen zijn ter uitvoering van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009 blijven van kracht tot ze door de stellers ervan worden opgeheven of tot de geldigheidsduur ervan verstrijkt.

Art. 94.In afwijking van artikel 7, § 1, 1°, maakt iedere woonzorgvoorziening of vereniging die op datum van de inwerkingtreding van artikel 7 erkend is, binnen de achttien maanden na inwerkingtreding van artikel 7 een administratief basisdossier over.

In afwijking van artikel 7, § 1, 1°, maken de woonzorgvoorzieningen die op datum van de inwerkingtreding van artikel 7 reeds beschikken over een voorafgaande vergunning een administratief basisdossier over bij de aanvraag van de eerste erkenning voor de vergunde woonzorgvoorziening.

Art. 95.Serviceflatgebouwen als vermeld in artikel 7, § 1, van het decreet van 6 juli 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2001, kunnen verder erkend worden of blijven volgens de regels die van toepassing waren vóór 1 januari 2013.

Art. 96.§ 1. Diensten voor logistieke hulp als vermeld in artikel 8 en 9 van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009, die op datum van inwerkingtreding van het decreet over een erkenningsbeslissing beschikken als vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering betreffende de procedures voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers van 5 juni 2009 kunnen maximaal drie jaar, te rekenen vanaf inwerkingtreding van het decreet, erkend en gesubsidieerd blijven volgens de regels die van toepassing waren vóór de inwerkingtreding van het decreet. Binnen deze termijn van drie jaar moeten de diensten voor logistieke hulp aan een van volgende voorwaarden voldoen: 1° een inhoudelijke samenwerkingsovereenkomst afsluiten met één of meerdere diensten voor gezinszorg als vermeld in artikel 11 en 12 van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019 in hun werkingsgebied;2° een erkenning als dienst voor gezinszorg als vermeld in artikel 11 en 12 van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019 aanvragen. Na het verstrijken van de periode van drie jaar, vermeld in het eerste lid, vervallen de nog lopende erkenningen van rechtswege.

Voor de toepassing van het decreet van 18 mei 2018 betreffende de Vlaamse sociale bescherming worden de diensten voor logistieke hulp die een samenwerkingsovereenkomst afgesloten hebben als vermeld in het eerste lid, 1°, gelijkgesteld met een erkende zorgvoorziening.

De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten van de inhoudelijke samenwerkingsovereenkomst, vermeld in het eerste lid, 1°, aan de hand waarvan de werking wordt gecontinueerd. § 2. Als over een aanvraag tot erkenning van een dienst voor logistieke hulp op de datum van de inwerkingtreding van het decreet nog geen beslissing werd genomen, wordt de aanvraag verder behandeld met toepassing van de erkenningsvoorwaarden die voor die datum van kracht waren. In geval van erkenning, kan de dienst voor logistieke hulp maximaal drie jaar, te rekenen vanaf inwerkingtreding van het decreet, erkend blijven volgens de regels die van toepassing waren vóór de inwerkingtreding van het decreet. Binnen deze termijn van drie jaar moeten de diensten voor logistieke hulp aan een van volgende voorwaarden voldoen: 1° een inhoudelijke samenwerkingsovereenkomst afsluiten met één of meerdere diensten voor gezinszorg als vermeld in artikel 11 en 12 van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019 in hun werkingsgebied;2° een erkenning als dienst voor gezinszorg als vermeld in artikel 11 en 12 van het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019 aanvragen. Na het verstrijken van de periode van drie jaar, vermeld in het eerste lid, vervallen de nog lopende erkenningen van rechtswege.

Voor de toepassing van het decreet van 18 mei 2018 betreffende de Vlaamse sociale bescherming worden de diensten voor logistieke hulp die een samenwerkingsovereenkomst afgesloten hebben als vermeld in het eerste lid, 1°, gelijkgesteld met een erkende zorgvoorziening.

De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten van de inhoudelijke samenwerkingsovereenkomst, vermeld in het eerste lid, 1°, aan de hand waarvan de werking wordt gecontinueerd.

Art. 97.De Vlaamse Regering bepaalt de noodzakelijke overgangsmaatregelen voor de regionale dienstencentra, vermeld in de artikelen 20, 21 en 22 van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009.

Art. 98.De Vlaamse Regering bepaalt de noodzakelijke overgangsmaatregelen voor de woonzorgvoorzieningen en verenigingen die uitgebaat worden door een natuurlijke persoon als vermeld in artikel 56 van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009.

Art. 99.§ 1. Woonzorgvoorzieningen en verenigingen kunnen vanaf 1 januari 2019 niet meer aangemeld worden, conform artikel 65 van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009.

Centra voor herstelverblijf als vermeld in artikel 28 van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009 en groepen van assistentiewoningen als vermeld in artikel 33 van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009 waarvan de initiatiefnemers op 1 januari 2019 beschikken over een omgevingsvergunning met het oog op realisatie van een aangemeld centrum voor herstelverblijf of een aangemelde groep van assistentiewoningen, worden bij de realisatie van hun initiatief beschouwd als een aangemelde woonzorgvoorziening, conform artikel 65 van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009. § 2. De Vlaamse Regering bepaalt de noodzakelijke overgangsmaatregelen voor de woonzorgvoorzieningen en verenigingen die op 1 januari 2019 aangemeld zijn bij de Vlaamse Regering, conform artikel 65 van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009. Afdeling 3. - Citeertitel

Art. 100.Dit decreet wordt aangehaald als: Woonzorgdecreet van 15 februari 2019. Afdeling 4. - Inwerkingtredingsbepaling

Art. 101.Dit decreet treedt in werking op een door de Vlaamse Regering vast te stellen datum en uiterlijk op 1 januari 2021, met uitzondering van: 1° artikel 85 dat in werking treedt op de dag na de bekendmaking van dit decreet in het Belgisch Staatsblad;2° artikel 99, § 1, dat in werking treedt op 1 januari 2019. Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Brussel, 15 februari 2019.

De minister-president van de Vlaamse Regering, G. BOURGEOIS De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, J. VANDEURZEN _______ Nota (1) Zitting 2018-2019 Documenten: - Ontwerp van decreet : 1765 - Nr.1. - Amendementen : 1765 - Nrs. 2 en 3. - Verslag : 1765 - Nr. 4. - Tekst aangenomen door de plenaire vergadering : 1765 - Nr. 5.

Handelingen - Bespreking en aanneming: Vergadering van 6 februari 2019.

^