Etaamb.openjustice.be
Decreet van 19 december 1998
gepubliceerd op 31 december 1998

Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999

bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
numac
1998036464
pub.
31/12/1998
prom.
19/12/1998
ELI
eli/decreet/1998/12/19/1998036464/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

19 DECEMBER 1998. - Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999 (1)


Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : HOOFDSTUK I. - Centrum voor Informatie, Communicatie en Vorming in de Welzijnssector

Artikel 1.§ 1. Er wordt een dienst met afzonderlijk beheer opgericht, zoals bedoeld in artikel 140 van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de rijkscomptabiliteit onder de benaming « Centrum voor informatie, communicatie en vorming in de Welzijnssector » (afgekort Cicov). § 2. De dienst wordt belast met de uitvoering van activiteiten die verband houden met vorming, communicatie en informatie in het kader van het welzijnsbeleid.

Binnen deze opdracht zal de dienst vormings- en informatieactiviteiten van de Vlaamse regering logistiek en inhoudelijk ondersteunen, zorgen voor de redactie van publicaties en zorgen voor de aanmaak van deze publicaties via drukwerk of andere technieken.

De dienst organiseert binnen het kader van zijn opdracht vormings-, overleg, en informatieactiviteiten in het vormingscentrum gelegen Terlindenlaan 14 te Overijse en zorgt voor het onthaal en de ontvangst van de participanten. § 3. De dienst beschikt voor de uitvoering van haar activiteiten over een jaarlijkse dotatie ten laste van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap en over de inkomsten uit de activiteiten en publicaties bedoeld onder § 2.

Ten laste van deze dienst met afzonderlijk beheer vallen alle uitgaven die verband houden met de in § 2 opgesomde activiteiten alsmede de werkingsuitgaven en uitgaven voor klein materieel voor het onderhoud en de uitrusting van het centrum te Overijse. HOOFDSTUK II. - Jeugdwerkbeleid

Art. 2.§ 1. In artikel 6 van het decreet van 17 december 1997 houdende subsidiëring van provinciebesturen inzake het voeren van een jeugdwerkbeleid worden de woorden « de eerste twee jaren volgend op de inwerkingtreding » vervangen door het woord « 1998 ». § 2. In artikel 9 van het decreet van 17 december 1997 houdende subsidiëring van provinciebesturen inzake het voeren van een jeugdwerkbeleid wordt een 2°bis ingevoegd, dat luidt als volgt : « 2°bis de provinciebesturen subsidiëren de jeugdwerkinitiatieven die in hoge mate gericht zijn op het werken met gehandicapte kinderen of jongeren en waarvoor de gemeentebesturen in 1998 worden gesubsidieerd op basis van het besluit van de Vlaamse regering van 22 december 1993 houdende subsidiëring van gemeentebesturen en de Vlaamse Gemeenschapscommissie die een jeugdwerkbeleid voeren voor maatschappelijk achtergestelde kinderen en jongeren. Deze subsidie bedraagt ten minste 100 procent van het subsidiebedrag dat werd toegekend op basis van boven genoemd besluit, op voorwaarde dat de werking van deze jeugdwerkinitiatieven minstens op hetzelfde peil behouden blijft als in 1998.Indien dit niet het geval is, dan wordt de subsidie in evenredige mate verminderd. ». § 3.In artikel 9 van het decreet van 17 december 1997 houdende subsidiëring van provinciebesturen inzake het voeren van een jeugdwerkbeleid wordt een 3°bis ingevoegd, dat luidt als volgt : « 3°bis het totaal van de subsidiebedragen die de provinciebesturen moeten garanderen in uitvoering van artikel 9, 2°bis wordt voorafgenomen van het beschikbare krediet, waarna het saldo wordt verdeeld zoals bepaald in artikel 6, derde lid, en artikel 9,3°.

Vervolgens wordt het subsidiebedrag per provinciebestuur verhoogd met de subsidies die het provinciebestuur moet garanderen in uitvoering van artikel 9, 2°bis. ». HOOFDSTUK III. - Leefmilieu Afdeling 1. - Oppervlaktewateren

Art. 3.In artikel 32duodecies, § 3, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, ingevoegd bij decreet van 22 december 1995 en gewijzigd bij decreet van 20 december 1996, worden de woorden « mag niet meer bedragen dan 50 % van de totale kosten » vervangen door de woorden « mag niet meer bedragen dan 50 % van de totale kosten, tenzij het hemelwater en het afvalwater gescheiden worden. In dit laatste geval kan het percentage van 50 % opgetrokken worden tot 75 % ».

Art. 4.In artikel 35quater, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij decreet van 21 december 1990 en gewijzigd bij de decreten van 25 juni 1992, 22 december 1993, 21 december 1994, 20 december 1996 en 8 juli 1997, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in 1° worden onder « Qw = » de woorden « dat Qw gelijk is aan het quotiënt van de door de openbare watervoorzieningsmaatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar totale gefactureerde kosten, exclusief BTW, gedeeld door 40 en in voorkomend geval verhoogd met de hoeveelheid water die in hetzelfde jaar gratis werd geleverd » vervangen door de woorden « dat Qw gelijk is aan het quotiënt van enerzijds de door de openbare watervoorzieningsmaatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar totaal gefactureerde kosten, exclusief BTW, verhoogd met de aftrek voor de hoeveelheid water die in hetzelfde jaar gratis werd geleverd en anderzijds de deelfactor 50 »;2° in 3° worden onder « Qw = » de woorden » dat Qw gelijk is aan het quotiënt van de door de openbare wa- tervoorzieningsmaatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar totale gefactureerde kosten, exclusief BTW, gedeeld door 40 en in voorkomend geval verhoogd met de hoeveelheid water die in hetzelfde jaar gratis werd geleverd » vervangen door de woorden « dat Qw gelijk is aan het quotiënt van enerzijds de door de openbare watervoorzieningsmaatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar totaal gefactureerde kosten, exclusief BTW, verhoogd met de aftrek voor de hoeveelheid water die in hetzelfde jaar gratis werd geleverd en anderzijds de deelfactor 50 »;3° in 4° de vijfde streep, die luidt als volgt : « waarbij het effluentwater van bedoelde particuliere zuiveringsinstallatie gedurende het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar in een oppervlaktewater werd geloosd;» schrappen; 4° in 4° de zesde streep, eerste lid vervangen door wat volgt : « - wordt een 100 % vrijstelling verleend.»; 5° in 4°, zesde streep, tweede lid, het woord « vermindering » telkens vervangen door het woord « vrijstelling ».

Art. 5.In artikel 35quinquies, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij decreet van 21 december 1990 en gewijzigd bij de decreten van 25 juni 1992,18 december 1992, 22 december 1993, 21 december 1994, 22 december 1995, 20 december 1996 en 19 december 1997, worden de woorden « De hoeveelheid geloosd koelwater wordt geacht overeen te stemmen met de in de lozings- of milieuvergunning toegelaten hoeveelheid, tenzij de heffingsplichtige het bewijs levert dat de reëel geloosde hoeveelheid kleiner is » vervangen door de woorden : « Met ingang van het heffings-jaar 1992 wordt de hoeveelheid geloosd koelwater geacht overeen te stemmen met : - hetzij, de in de lozings- of milieuvergunning toegelaten hoeveelheid; - hetzij, de hoeveelheid aangegeven in de voor 1 september 1991 ingediende lozingsvergunningsaanvraag zolang over deze laatste nog geen uitspraak is gedaan; - tenzij de heffingsplichtige het bewijs levert dat de reëel geloosde hoeveelheid kleiner is. ».

Art. 6.In artikel 35septies van dezelfde wet, ingevoegd bij decreet van 21 december 1990 en gewijzigd bij de decreten van 25 juni 1992, 18 december 1992, 22 december 1993, 6 juli 1994, 21 december 1994, 22 december 1995, 20 december 1996 en 19 december 1997, worden de woorden « in geval de facturen het waterverbruik niet vermelden wordt door de Maatschappij aangenomen dat dit verbruik gelijk is aan het quotiënt van de door de openbare watervoorzieningsmaatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar totale gefactureerde kosten, exclusief BTW, gedeeld door 40 » vervangen door de woorden « in geval de facturen het waterverbruik niet vermelden wordt door de Maatschappij aangenomen dat dit verbruik gelijk is aan het quotiënt van enerzijds de door de openbare watervoorzieningsmaatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar totaal gefactureerde kosten, exclusief BTW, verhoogd met de aftrek voor de hoeveelheid water die in hetzelfde jaar gratis werd geleverd en anderzijds de deelfactor 50 ». Afdeling 2. - Afvalheffingen

Art. 7.Aan artikel 47, § 2, 10°, van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, gewijzigd bij de decreten van 25 juni 1992, 18 december 1992, 22 december 1993, 21 december 1994, 22 december 1995, 20 december 1996 en 19 december 1997, wordt een c) toegevoegd die luidt als volgt : « c) in afwijking van a) en b) wordt met ingang van 1 januari 1998 het bedrag van de milieuheffing vastgesteld op 535 frank per ton, wanneer het gaat om het storten van huishoudelijke afvalstoffen die niet konden worden verbrand in een oven vergund voor huishoudelijke afvalstoffen, om reden dat deze oven op vrijwillige basis door de exploitant tijdelijk om milieuredenen buiten dienst werd gesteld. Deze afwijking geldt evenwel voor elke oven slechts gedurende een periode van 18 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van de maand tijdens dewelke de oven op vrijwillige basis werd gesloten. » :

Art. 8.Aan artikel 47 van hetzelfde decreet wordt een § 2ter ingevoegd, die luidt als volgt : « § 2ter. In afwijking van de bepalingen van § 2 wordt het bedrag van de milieuheffing vastgesteld op 0 frank per ton, voor de verwerking van afvalstoffen die afkomstig zijn van de door de overstromingsramp van september 1998 getroffen delen van de in Vlaanderen gelegen gemeenten vermeld in het koninklijk besluit van 18 september 1998 waarbij de hevige stortregens die op 13, 14 en 15 september 1998 gevallen zijn op het grondgebied van verschillende gemeenten als een algemene ramp worden erkend en waarbij de geografische uitgestrektheid van deze ramp wordt afgebakend, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan : - de afvalstoffen moeten voor verwerking aangeboden zijn in de periode van 16 september 1998 tot en met 15 november 1998; - de afvalstoffen zijn veroorzaakt door de overstromingsramp van september 1998; - het college van burgemeester en schepenen van de betrokken gemeenten moet voor de afvalstoffen een attest afleveren dat bevestigt dat de afvalstoffen aan de in dit artikel gestelde voorwaarden voldoen. ». HOOFDSTUK IV. - Onderwijs

Art. 9.Wordt toegevoegd aan artikel 53, § 4, van het decreet van 21 december 1994 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1995 : « 4° de opbrengsten uit de verkoop of verhuur van gebouwen of terreinen aangekocht lastens het voormalige Gebouwenfonds voor de Rijksscholen die voor 1 januari 1989 voor vervreemding werden overgedragen aan het Ministerie van Financiën. ».

Art. 10.In artikel 209, § 1, van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap wordt het bedrag « 4000 » vervangen door « 4500 »,het jaartal « 1999 » door « 2000 », het jaartal « 1998 » door « 1999 » en « 198 » door « 199 ».

Art. 11.In artikel 178, § 1, van hetzelfde decreet wordt de zinssnede « 1996 gelijk aan 18 111,0 miljoen frank » vervangen door de zinssnede « 1999 gelijk aan 19 396,1 miljoen frank ». De zinssnede « in 1996 met 160 miljoen frank, in 1997 met 140 miljoen, in 1998 met 120 miljoen, » wordt geschrapt.

Art. 12.In artikel 184 van hetzelfde decreet wordt « L96 » telkens vervangen door « L99 », wordt « C96 » telkens vervangen door « C99 » en wordt « 1996 » telkens vervangen door « 1999 ».

Art. 13.In artikel 136 van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, gewijzigd bij het decreet van 14 juli 1998, worden het eerste en het tweede lid vervangen als volgt : « De bedragen noodzakelijk voor de uitgaven voortvloeiend uit de wettelijke en conventionele werkgeversbijdragen en lasten, met inbegrip van het door de instelling gefinancierd aanvullend pensioen, teneinde een gelijkwaardig geldelijk statuut te verzekeren als voor de universiteiten andere dan die vermeld in artikel 3,4 ° a) en 5°, zijn vanaf 1999 gelijk aan, uitgedrukt in miljoenen franken : 1° de Katholieke Universiteit Leuven 326,7 2° het Limburgs Universitair Centrum 5,4 3° de Katholieke Universiteit Brussel 8,1 4° de Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius te Antwerpen 32,9 5° de Universitaire Instelling Antwerpen 9,5 6° de Vrije Universiteit Brussel 119,7 De vermelde bedragen worden vanaf 2000 geïndexeerd volgens de indexeringsformule L1/L0 zoals bepaald in het tweede lid van artikel 130.».

Art. 14.Artikel 44, § 2, van het decreet betreffende de lerarenopleiding en de nascholing van 16 april 1996 wordt vervangen door de volgende bepaling : « § 2. Vanaf 1997 worden de bedragen vermeld in deze titel geïndexeerd als volgt : Nx= Tx (Cx/Cx-1) Waarbij Nx : gelijk is aan het geïndexeerde bedrag in begrotingsjaar x;

Tx : gelijk is aan het bedrag dat in de tabel voor het betreffende begrotingsjaar vermeld staat; vanaf begrotingsjaar 2004 is dit bedrag gelijk aan het bedrag voor het begrotingsjaar 2003;

Cx : gelijk is aan de gezondheidsindex bij het begin van het begrotingsjaar x;

Cx-1 : gelijk aan de gezondheidsindex bij het begin van het begrotingsjaar x-1; vanaf begrotingsjaar 2004 is deze gelijk aan de gezondheidsindex bij het begin van het jaar 2003. ».

Art. 15.§ 1. Aan artikel 130, § 2, van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, zoals gewijzigd door artikel 96 van het decreet van 14 juli 1998 betreffende het Onderwijs IX, wordt een tweede lid toegevoegd dat luidt als volgt : « Vanaf het begrotingsjaar 1999 wordt dit bedrag voor de gezamelijke universiteiten vastgelegd op 438,4 miljoen frank (prijsniveau 1995). ». § 2. Aan artikel 130, § 6, van hetzelfde decreet wordt een derde lid toegevoegd dat luidt als volgt : « Vanaf het begrotingsjaar 1999 bedraagt het basisbedrag WAO 1995, uitgedrukt in miljoenen franken, voor de universiteit Gent 4.833,7. ».

Art. 16.In artikel 157, § 2, van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs worden de woorden « niet meer dan 15 bedragen » vervangen door « niet meer dan 16 bedragen ».

Art. 17.In artikel 32, § 2, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt : « Naast de in het vorig lid toegekende bijkomende werkingsmiddelen ontvangen de gesubsidieerde internaten 80 miljoen frank bijkomende werkingsmiddelen.

Dit bedrag wordt jaarlijks vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt A2, zoals bedoeld in artikel 2 van het decreet betreffende het Onderwijs II. Dit bedrag wordt verdeeld op basis van het aantal interne leerlingen per internaat in het secundair onderwijs die in het voorafgaande schooljaar een studietoelage, zoals bedoeld in de wet van 19 juli 1971 betreffende de toekenning van studietoelagen, bekwamen. ».

Art. 18.Artikel 17 treedt in werking op 1 januari 1999. HOOFDSTUK V. - Binnenlandse Aangelegenheden en Stedelijk Beleid Afdeling 1. - Investeringsfonds

Art. 19.In artikel 2 van het decreet van 20 maart 1991 betreffende het Investeringsfonds ter verdeling van de subsidies voor bepaalde onroerende Investeringen die in de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest door of op initiatief van de provincies, de gemeenten of de Vlaamse Gemeenschapscommissie worden gedaan, gewijzigd bij de decreten van 25 juni 1992,6 juli 1994 en 21 december 1994 worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het derde lid wordt vervangen door wat volgt : « De referentiedotatie wordt vastgesteld op 5.055,1 miljoen frank »; 2° in het vierde lid worden de woorden « S : het gemiddelde van de uurlonen op 1 januari 1993 » vervangen door de woorden « S : het gemiddelde van de uurlonen op 1 januari 1998 ».3° in het vierde lid worden de woorden « door het Ministerie van Economische Zaken voor de maand januari 1993 « vervangen door de woorden « door het Ministerie van Economische Zaken voor de maand januari 1998 ».

Art. 20.In artikel 3 van het decreet van 20 maart 1991 betreffende het Investeringsfonds ter verdeling van de subsidies voor bepaalde onroerende Investeringen die in de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest door of op initiatief van de provincies, de gemeenten of de Vlaamse Gemeenschapscommissie worden gedaan, gewijzigd bij de decreten van 25 juni 1992, 6 juli 1994 en 21 december 1994 wordt een § 2bis ingevoegd, die luidt als volgt : « § 2bis. In 1999 wordt 73 miljoen frank voorbehouden voor gemeenten die de stemverrichtingen naar aanleiding van de verkiezingen van het Vlaams Parlement automatiseren door het gebruik van informatica-apparatuur. ». Afdeling 2. - Sociaal Impulsfonds

Art. 21.In artikel 3 van het decreet van 14 mei 1996 tot vaststelling van de regelen inzake de werking en de verdeling van het Sociaal Impulsfonds, gewijzigd bij de decreten van 10 december 1996 en 19 december 1997 wordt § 3 vervangen door wat volgt : « § 3. Vanaf 1999 wordt de netto-opbrengst van de aan het begrotingsjaar voorgaande jaren aan de in hoofdstuk VIII, afdeling 2 van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, bedoelde heffingen, intresten en administratieve geldboeten ten voordele van het Vlaamse Gewest, verminderd met de vergoeding voor de administratiekosten, bedoeld in artikel 44 van hetzelfde decreet, en andere inningskosten aangewend voor de hiernavolgende uitgaven : 1° het bedrag ter dekking van de uitgaven verbonden aan de uitvoering van de samenwerkingovereenkomst « bestendiging armoedebeleid en steunpunt armoede »;2° de kosten voor de bekendmaking van de werking van het Sociaal Impulsfonds en van de acties, die zijn gefinancierd met trekkingsrechten op het Sociaal Impulsfonds;3° de subsidiëring van projecten inzake interlokale samenwerking;4° de organisatie van colloquia met betrekking tot lokale besturen, ingericht met medewerking van de administratie Binnenlandse Aangelegenheden;5° aanvulling van de werkingsuitgaven van de administratie Binnenlandse Aangelegenheden in het kader van haar werking;6° initiatieven inzake vorming van lokale mandatarissen en ambtenaren, ingericht met medewerking van de administratie Binnenlandse Aangelegenheden. Het saldo wordt verdeeld onder de gemeenten die op hun verzoek belast zijn met het beheer van de inventaris met betrekking tot de heffing op de leegstand, bedoeld in artikel 28 van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, en daartoe toegevoegd aan de dotatie bedoeld in de decreten van 31 juli 1990 tot instelling van het Vlaams Gemeentefonds en tot regeling van een bijzondere dotatie voor sommige gemeenten van het Vlaams Gewest en 7 november 1990 tot vaststelling van de regelen inzake de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds. ».

Art. 22.§ 1. In artikel 4, § 1, van hetzelfde decreet worden de woorden « een bedrag van 80 miljoen frank » vervangen door de woorden « een bedrag van 100 miljoen frank ». § 2. Artikel 5, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt : « Jaarlijks wordt in programma 53.2 van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap een vastleggingskrediet ingeschreven ten bedrage van 40 000 000 frank voor onderzoekingen en experimenten met een supracommunale waarde of draagwijdte evenals voor ondersteuning van verenigingen die actief zijn in en voor de vierde wereld, en een vastleggingskrediet van 20 000 000 frank voor vorming, begeleiding, informatie en sensibilisering in het kader van dit decreet. ».

Art. 23.In artikel 6, § 5, eerste lid, en artikel 6, § 6, derde lid, van het decreet van 14 mei 1996, tot vaststelling van de regelen inzake de werking en de verdeling van het Sociaal Impulsfonds wordt het jaartal '2000' vervangen door het jaartal '1999'.

In artikel 6, § 5, derde lid, van hetzelfde decreet, worden de woorden « In het jaar van de actualisatie » vervangen door de woorden « In het jaar na de actualisatie ».

Art. 24.Aan artikel 3 van het decreet van 31 juli 1990 tot instelling van het Vlaams Gemeentefonds en tot regeling van een bijzondere dotatie voor sommige gemeenten van het Vlaamse Gewest, gewijzigd bij decreet van 14 mei 1996, wordt een lid toegevoegd : « Vanaf de verdeling voor het jaar 1999 wordt de berekende dotatie verhoogd met het saldo bedoeld in artikel 3, § 3, laatste lid van het decreet van 14 mei 1996 tot vaststelling van de regelen inzake de werking en de verdeling van het Sociaal Impulsfonds. ».

Art. 25.In artikel 6 van het decreet van 7 november 1990 tot vaststelling van de regelen inzake de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds, gewijzigd bij decreet van 6 juli 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden « in drie delen » worden vervangen door de woorden « in vier delen »;2° er wordt een 4° toegevoegd dat luidt als volgt : « het saldo bedoeld in artikel 3, laatste lid van het decreet van 31 juli 1990 tot instelling van het Vlaams Gemeentefonds en tot regeling van een bijzondere dotatie voor sommige gemeenten van het Vlaamse Gewest is bestemd voor de gemeenten die op hun verzoek belast zijn met het beheer van de inventaris met betrekking tot de heffing op de leegstand en dit in verhouding tot de gekende opbrengst voor die gemeente.». Afdeling 3. - Provinciefonds

Art. 26.§ 1. De Vlaamse regering wordt ertoe gemachtigd om jaarlijks het aandeel van de provincies Antwerpen en Oost-Vlaanderen bij de betaling van het laatste kwartaalvoorschot van het Provinciefonds te verminderen met respectievelijk 32 206 000 frank voor de provincie Antwerpen en 1 305 000 frank voor de provincie Oost-Vlaanderen. Deze vermindering kan slechts gebeuren voorzover respectievelijk de provincie Antwerpen en/of de provincie Oost-Vlaanderen de meeropbrengst van de opcentiemen van het voorbije jaar op de onroerende goederen, omschreven in de wet van 8 mei 1929 met betrekking tot het aanleggen van een tunnel onder de Schelde te Antwerpen en de inrichting der gronden op de Linkeroever, niet aan het Vlaamse Gewest zou hebben overgemaakt, op datum van de betaling van het laatste kwartaalvoorschot van het Provinciefonds. De afstand van de meeropbrengst wordt beperkt tot 32 206 000 frank voor de provincie Antwerpen en tot 1 305 000 frank voor de provincie Oost-Vlaanderen. § 2. Het bedrag van 32 206 000 frank en 1 305 000 frank wordt met ingang van het begrotingsjaar 2000 jaarlijks aangepast, conform de jaarlijkse aanpassing van het Provinciefonds. HOOFDSTUK VI. - DAB Linker Scheldeoever (LSO)

Art. 27.De uitvoering van de opdrachten van de Intercommunale Maatschappij van de Linker Scheldeoever zoals omschreven in de wet van 8 mei 1929 met betrekking tot het aanleggen van een tunnel onder de Schelde te Antwerpen en de inrichting der gronden op de Linkeroever aldaar en de rechten, verplichtingen en goederen worden overgedragen aan het Vlaamse Gewest.

Art. 28.De personeelsleden van de Intercommunale Maatschappij van de Linker Scheldeoever worden overgedragen aan het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en geïntegreerd in het departement Leefmilieu en Infrastructuur.

Art. 29.§ 1. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regelen inzake de overdracht van deze personeelsleden. § 2. Zij behouden ten minste hun hoedanigheid, graad, administratieve en geldelijke anciënniteit, evenals de toelagen, vergoedingen, premies en andere voordelen die zij hadden krachtens de reglementering van toepassing op de Intercommunale Maatschappij van de Linker Scheldeoever.

Zij behouden deze toelagen, vergoedingen, premies en andere voordelen slechts in zoverre de voorwaarden voor de toekenning blijven bestaan in het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.

Art. 30.§ 1. Er wordt een dienst met afzonderlijk beheer LSO = Linkerscheldeoever opgericht, als bedoeld in artikel 140 van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende de coördinatie van de wetten op de rijkscomptabiliteit. § 2. LSO heeft tot doel het financieel en budgettair beheer van de inkomsten en uitgaven met betrekking tot onderhoud en de uitbating van de Waasland- en de Sint-Annatunnel alsmede het productief en te gelde maken van de gronden van de vroegere Intercommunale Maatschappij van de Linker Scheldeoever en de uitvoering van al de werken die dit productief en te gelde maken zou kunnen omvatten. § 3. De Vlaamse regering beheert LSO. Zij stelt de nodige diensten, uitrusting, installaties en personeelsleden ter beschikking van LSO.

Art. 31.De middelen van LSO zijn : - de ontvangsten, met inbegrip van betalingen ingevolge schadevergoedingen en ingevolge schadevergoedingen en ingevolge vervreemding voortvloeiend uit het beheer van haar patrimonium; - de renten, de aflossingen, de terugbetalingen, de bijdragen en de opbrengsten van verkopen en van andere verrichtingen voortkomend of gerealiseerd met middelen van LSO; - de opbrengsten van de verkoop, verhuur en concessies van het patrimonium van LSO overeenkomstig haar doel; - de opbrengsten van verkoop, van de vergoeding van dossierkosten en van de vergunningen en verloven in toepassing van de wetten en reglementen inzake openbare werken; - de gebeurlijke dotaties, voorzien in het decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap en de bijhorende administratieve begroting; - het aan het Vlaamse Gewest toegekende gedeelte van het kapitaal van de Intercommunale Maatschappij van de Linker Scheldeoever.

Art. 32.De Vlaamse regering bepaalt de organieke regels die van toepassing zijn op het financieel en materieel beheer van de dienst met afzonderlijk beheer LSO.

Art. 33.Onverminderd de regelen inzake delegatie en inzake administratieve en begrotingscontrole staat de dienst met afzonderlijk beheer LSO zelfstandig in voor alle verrichtingen, zowel inzake voorbereiding als inzake de uitvoering, met betrekking tot het financieel en budgettair beheer van de inkomsten en uitgaven toegewezen aan LSO, zonder enige afbreuk te doen aan de bevoegdheden van de overige diensten van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Leefmilieu en Infrastructuur, inhoudelijk verantwoordelijk voor het betrokken project.

Art. 34.De wet van 8 mei 1929 met betrekking tot het aanleggen van een tunnel onder de Schelde te Antwerpen en de inrichting der gronden op den Linkeroever aldaar wordt opgeheven. HOOFDSTUK VII. - Terugvordering van overheidssteun

Art. 35.§ 1. In het geval van het niet naleven van de informatie- en raadplegingsprocedures bij collectief ontslag, kan de steun die is toegekend op basis van artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 23 oktober 1991 tot regeling van de bevordering van het industrieel wetenschappelijk- technologisch onderzoek in Vlaanderen, teruggevorderd worden indien deze tekortkoming zich heeft voorgedaan binnen een periode van 5 jaar die ingaat op de datum van beslissing tot toekenning van steun. De Vlaamse regering regelt de nadere modaliteiten van deze terugvordering. § 2. Onder informatie- en raadplegingsprocedures wordt verstaan : de procedures bedoeld in de artikelen 3, 7 en 11 van CAO nummer 9 van 9 maart 1972 houdende ordening van de in de Nationale Arbeidsraad gesloten nationale akkoorden en collectieve arbeidsovereenkomsten betreffende de ondernemingsraden, algemeen bindend verklaard bij koninklijk besluit van 12 september 1972, artikel 6 van CAO nummer 24 van 2 oktober 1975 betreffende de procedure van inlichting en raadpleging van werknemersvertegenwoordiging met betrekking tot het collectief ontslag, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 21 januari 1976, de artikelen 6 tot 8 van het koninklijk besluit van 24 mei 1976 betreffende het collectief ontslag, de artikelen 4 en 37 van CAO nummer 62 van 6 februari 1996 betrefffende de instelling van een Europese Ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 22 maart 1996 en artikel 66 van de wet van 13 februari 1998 houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling. HOOFDSTUK VIII. - VLAMIVORM

Art. 36.Het opschrift van het decreet van 19 december 1997 houdende een vermindering van de onroerende voorheffing van tewerkstellingsbevorderende investeringen wordt aangevuld met de woorden : « in vorming ».

Art. 37.In artikel 1 van hetzelfde decreet wordt het woord « gewestaangelegenheid » vervangen door de woorden : « gewest- en gemeenschapsaangelegenheid ».

Art. 38.§ 1. In artikel 2, § 1, van hetzelfde decreet wordt het jaar « 1998 » vervangen door het jaar « 1999 »; § 2. In artikel 2, § 2, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden « en het wegtransport » worden vervangen door « , het transport op de weg en te water, de arbeidsbemiddeling, de reiniging van gebouwen, de informatica en aanverwante sectoren »;2° de datum « 30 juni 1998 » wordt vervangen door de datum « 31 mei 1999 »;3° tussen de woorden « investeringstegemoetkoming » en « verleend » worden de woorden « in vorming » ingevoegd.

Art. 39.In artikel 3 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden « het kalenderjaar 1996 » worden vervangen door de woorden « het kalenderjaar 1997 » en de woorden « het kalenderjaar 1997 » wordt telkens vervangen door de woorden « het kalenderjaar 1998 »;2° § 1,1°, wordt vervangen door de volgende bepalingen : « 1° in de mate dat de belastingplichtige vormingsintenties aangeeft ten gunste van werkenden in de onderneming;2° op voorwaarde dat de onder 1° vermelde vormingsintenties een bijkomende vormingsinspanning inhouden bovenop het vormingsniveau van de onderneming in 1998, tenzij het vormingsniveau van de belastingplichtige in 1998 een door de Vlaamse regering vast te stellen percentage van de loonmassa overschrijdt;»; 3° in § 1 wordt « 2° » vervangen door « 3° »;4° in § 2 wordt het getal « 20 000 » vervangen door « 25 000 »;5° in § 3 wordt het woord « arbeidsplaats » telkens vervangen door « personeelseenheid »;6° in § 4 wordt het bedrag « 100 000 ECU » vervangen door het bedrag « 2 500 000 euro »;7° in § 5 worden de woorden vanaf « dat zij geen » tot en met « van toepassing zou zijn » vervangen door de woorden : « dat zij conform de EU-kaderregeling inzake opleidingssteun over een periode van drie jaar geen opleidingssteun zal aanvragen of genieten, die meer bedraagt dan 2 500 000 euro »;8° in § 6 worden de woorden : « en het wegtransport » vervangen door de woorden : « , het transport op de weg en te water, de arbeidsbemiddeling, de reiniging van gebouwen, de informatica en aanverwante sectoren »;9° in § 6 worden de woorden « inzake toename of behoud van de tewerkstelling en investeringen, zoals omschreven in artikel 3, § 1, voldoet » vervangen door de woorden « zoals bepaald in §§ 1, 4 en 5, voldoet ».

Art. 40.In hetzelfde decreet wordt een artikel 3bis ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 3bis.De investeringstegemoetkoming moet binnen een termijn van maximaal één jaar vanaf de datum van de definitieve toekenning ervan aan de onderneming besteed worden aan vorming voor werkenden in de onderneming zoals werd aangegeven in de vormingsintenties. Het vormingsniveau moet gedurende die termijn met minimaal de investeringstegemoetkoming verhoogd worden ten opzichte van het vormingsniveau van 1998, tenzij het vormingsniveau van de belastingplichtige, zowel in 1998 als tijdens de in dit artikel vermelde termijn, voldoet aan het percentage, bedoeld in artikel 3, § 1. ».

Art. 41.In artikel 4 van hetzelfde decreet worden volgende wijzigingen aangebracht : 1° het woord « wegtransport » wordt vervangen door de woorden : « het transport op de weg en te water, de arbeidsbemiddeling, de reiniging van gebouwen, de informatica, aanverwante sectoren »;2° na het woord « personeelseenheid » worden de volgende woorden ingevoegd : « ,vorming, vormingsniveau, bijkomende vormingsinspanning en vormingsintenties »;3° na de woorden « aanvraag en controle » worden de volgende woorden toegevoegd : « en inzake de terugvor dering in het geval niet aan de vormingsvoorwaarde zoals bepaald in artikel 3bis of niet aan de informatie- of raadplegingsprocedure bij collectief ontslag werd voldaan.». HOOFDSTUK IX. - Ruimtelijke ordening

Art. 42.Aan artikel 35, tweede lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, worden de volgende zinnen toegevoegd : « Als waarde van het goed op het ogenblik van verwerving wordt in aanmerking genomen, het bedrag dat als grondslag heeft gediend voor de heffing van de registratie- of successierechten over de volle eigendom van het goed, of, bij ontstentenis van zulke heffing, de verkoopwaarde van het goed in volle eigendom op de dag van de verwerving. Als waarde van het goed op het ogenblik van het ontstaan van het recht op schadevergoeding wordt in aanmerking genomen : 1° in geval van overdracht van het goed, het bedrag dat als grondslag heeft gediend voor de heffing van de registratie- of successierechten over de volle eigendom van het goed, of, indien zulke heffing ontbreekt, de verkoopwaarde van het goed in volle eigendom op de dag van de overdracht met als minimum de overeengekomen waarde;2° in geval van weigering van een bouw- of verkavelingsvergunning of in geval van een negatief stedenbouwkundig attest, de verkoopwaarde op dat ogenblik.».

Art. 43.In artikel 35 van hetzelfde decreet wordt tussen het tweede en het derde lid het volgende lid ingevoegd : « De waarde van het goed op het ogenblik van de verwerving wordt geactualiseerd door ze te vermenigvuldigen met het indexcijfer van de consumptieprijzen van de kalendermaand voorafgaand aan die waarin de schadevergoeding is vastgesteld en het zo bekomen getal te delen door het gemiddelde indexcijfer van de consumtieprijzen van het jaar van verwerving door de vergoedingsgerechtigde, in voorkomend geval, omgerekend op dezelfde basis als eerstgenoemd indexcijfer. De aldus bekomen waarde wordt verhoogd met de kosten van verwerving en met de uitgaven die door de vergoedingsgerechtigde zijn gedragen met het oog op de realisatie van de bestemming van het goed op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het plan als bedoeld in het eerste lid van dit artikel. ».

Art. 44.In artikel 36 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 worden in het tweede lid de woorden « artikel 35, derde lid » vervangen door de woorden « artikel 35, vierde lid ».

Art. 45.Artikel 35, vierde lid, van hetzelfde decreet wordt opgeheven.

Art. 46.De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de reeds aanhangig gemaakte vorderingen tot schadevergoeding, waarover nog geen in kracht van gewijsde gegane uitspraak bestaat. HOOFDSTUK X. - Lease in-Lease out

Art. 47.In artikel 12 van het decreet van 7 juli 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 1998 wordt § 2 opgeheven.

De Vlaamse regering wordt gemachtigd om het Boudewijngebouw aan te kopen onder de voorwaarden bepaald in artikel 12 van het decreet van 7 juli 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 1998. HOOFDSTUK XI. - Successierechten

Art. 48.Voor wat het Vlaamse Gewest betreft worden in artikel 60bis van het Wetboek der Successierechten, zoals ingevoegd bij artikel 21 van het decreet van 20 december 1996 en gewijzigd bij de artikelen 26 en 27 van het decreet van 8 juli 1997, de volgende wijzigingen aangebracht. 1° in § 1 worden de woorden « in de vijf jaar voorafgaand aan het overlijden » vervangen door de woorden « in de drie jaar voorafgaand aan het overlijden ».2° de tweede alinea van § 1 wordt vervangen als volgt : « Voor de berekening van de 50 procent wordt tevens rekening gehouden met de activa of de aandelen : - die in het bezit zijn of waren van ascendenten of descendenten en hun echtgenoten, of van de zijverwanten van de overledene tot en met de tweede graad; - die in het bezit zijn van kinderen van vooroverleden broers en zusters van de overledene.

Fusie, splitsing, inbreng van aandelen, of andere verrichtingen in de drie jaar vóór het overlijden, waarbij de betrokkene rechtstreeks of onrechtstreeks aandeelhouder werd of blijft, belet niet dat het 3 %-tarief wordt toegepast, op voorwaarde dat de betrokkene vóór en na de verrichting aan de voorwaarden voldoet.

Voor aandelen in vennootschappen met een sociaal oogmerk (VSO) geldt de 50 % eigendoms-voorwaarde niet. ». 3° in § 5 wordt de vijfde alinea toegevoegd aan de vierde alinea.4° aan § 5 wordt een alinea toegevoegd, luidend als volgt : « In afwijking van het vorig lid blijft de tariefvermindering voorlopig volledig behouden, tijdens genoemde periode van vijf jaar, indien het voortschrijdende gemiddelde aantal in het Vlaamse Gewest tewerkgestelde personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse eenheden, berekend op het einde van elk van de eerste vijf jaar na het overlijden, tenminste gelijk is aan 50 procent van het aantal personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse eenheden, op het ogenblik van het overlijden.Indien en in de mate dat de tewerkstelling uitgedrukt in voltijdse eenheden na verloop van de termijn van vijf jaar lager is dan het aantal personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse eenheden, op het ogenblik van het overlijden, is de belasting tegen het normale tarief verschuldigd. ». 5° § 11, tweede en derde alinea, wordt als volgt gewijzigd : « Indien bijkomende rechten verschuldigd worden, tengevolge van het niet langer vervullen van de voorwaarden vermeld in dit artikel, dienen de erfgenamen, legatarissen of begiftigden dit te melden bij wijze van aanvullende aangifte, binnen de vijf maanden nadat de verschuldigdheid definitief is komen vast te staan. Zij die de vermindering als bedoeld in dit artikel genoten hebben moeten, na verloop van een termijn van vijf jaar na het overlijden, aantonen dat de voorwaarden gesteld voor het behoud van het voordeel, vervuld zijn. ». HOOFDSTUK XII. - Cultuur Investeringsfonds

Art. 49.Bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap wordt een fonds culturele infrastructuur opgericht, hierna het Fonds te noemen. Dit Fonds heeft rechtspersoonlijkheid en wordt gerangschikt onder de instellingen van categorie A vermeld in artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle van sommige instellingen van openbaar nut, zoals gewijzigd bij decreet van 8 juli 1996 en bij decreet van 16 december 1997.

De bepalingen van deze wet zijn op dit Fonds van toepassing voorzover er in dit decreet niet wordt van afgeweken.

Art. 50.De middelen van het Fonds zijn : a) een jaarlijkse dotatie lastens de begroting van de Vlaamse Gemeenschap;b) het gebeurlijke saldo op het einde van het voorgaande begrotingsjaar;c) de eventuele inbreng van derden als cultuursponsoring voor de realisatie van culturele infrastructuur;d) de terugvorderingen van de ten onrechte gedane betalingen.

Art. 51.Het Fonds heeft tot taak : 1° investeringssubsidies te verstrekken voor het bouwen, uitbreiden, verbouwen of aankopen van culturele infrastructuur met supra-lokaal belang;2° het eigenaarsonderhoud, de bouw-, verbouwingswerkzaamheden, de kosten voor het verwerven van terreinen en de kosten voor uitrusting en apparatuur van de eigen culturele infrastructuur van de Vlaamse Gemeenschap ten laste te nemen.

Art. 52.Het Fonds neemt op datum van zijn inwerkingtreding de op 31 december 1998 uitstaande verbintenissen over aangegaan lastens programma 45.5 basisallocaties 45.01, 52.51, 52.53, 52.54 en 71.01. van de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap.

Art. 53.De Vlaamse regering stelt jaarlijks een verslag op over de werking en het beheer van het Fonds. Het verslag wordt aan het Vlaams Parlement meegedeeld.

Art. 54.De Vlaamse regering stelt het personeel en materieel ter beschikking van het Fonds. HOOFDSTUK XIII. - Emancipatiezaken

Art. 55.De dienst van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap bevoegd voor emancipatiezaken wordt ertoe gemachtigd, binnen de perken van de aan deze toegewezen kredieten, de uitgaven ten laste te nemen met het oog op de uitvoering van het emancipatiebeleid van de Vlaamse regering en dit zowel wat betreft de diensten van de Vlaamse Gemeenschap als wat betreft het opzetten en doorvoeren van pilootprojecten in de instellingen van openbaar nut afhangend of het onder toezicht staand van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest, en dit ongeacht de aard van de ten laste te nemen uitgaven. HOOFDSTUK XIV. - Schade aan het wegdek door gewichtsoverschrijding Afdeling 1. - Algemene bepaling

Art. 56.Het is verboden het wegdek te beschadigen door een overschrijding van de maximale toegelaten massa's en massa's onder de assen zoals bepaald in de artikelen 32 en 32bis van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen. Afdeling 2. - Strafrechtelijke boete en solidariteitsbijdrage

Art. 57.Inbreuken op artikel 56 worden gestraft met een gevangenisstraf van 8 dagen tot één jaar en met een progressieve geldboete of met één van die straffen alleen.

De geldboete bedraagt : - 100 frank tot 10 000 frank bij overbelasting met minder dan 5 %; - 300 frank tot 30 000 frank bij overbelasting met 5 tot en met 10 %; - 500 frank tot 50 000 frank bij overbelasting met 11 tot en met 20 %; - 750 frank tot 75 000 frank bij overbelasting met meer dan 20 %.

Art. 58.§ 1. Bij een veroordeling voor een op gewestwegen gepleegde inbreuk op artikel 56 spreekt de rechter bovendien de verplichting uit om een forfaitair bedrag te betalen bij wijze van bijdrage tot financiering van het Vlaams Infrastructuurfonds, ingesteld bij de artikelen 57 en 58 van het decreet van 25 juni 1992 houdende diverse bepalingen tot begeleiding van de begroting 1992.

Dit bedrag wordt vastgesteld op : - 50 frank bij overbelasting met minder dan 5 %; - 150 frank bij overbelasting met 5 tot en met 10 %; - 250 frank bij overbelasting met 11 tot en met 20 %; - 375 frank bij overbelasting met meer dan 20 %.

Deze bedragen zijn onderworpen aan de verhoging bedoeld in de bepalingen betreffende de opdeciemen op de strafrechtelijke geldboetes.

De invordering van de bijdrage bedoeld in het eerste lid geschiedt door toedoen van de administratie van de belasting op de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, volgens de regels van toepassing op de invordering van de strafrechtelijke geldboetes.

De ingevorderde sommen worden driemaandelijks door deze administratie overgemaakt aan het Vlaams Infrastructuurfonds. § 2. De werkgever is burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de bijdrage waartoe zijn aangestelden of lasthebbers worden veroordeeld. Afdeling 3. - Administratieve geldboete

Art. 59.§ 1. Voor het misdrijf bedoeld in artikel 56 kunnen de, door de Vlaamse regering aangewezen ambtenaren een administratieve geldboete opleggen overeenkomstig de hierna bepaalde regels. § 2. Het tarief van de administratieve geldboete is gelijk aan de minimum geldboete zoals bepaald in artikel 57, verhoogd met de opdeciemen. § 3. De ambtenaar aangeduid in uitvoering van artikel 61 brengt de ambtenaar die aangewezen is om administratieve geldboetes op te leggen, op de hoogte van de door hem vastgestelde misdrijven en de in voorkomend geval onmiddellijke inningen bedoeld in § 6. De aangewezen ambtenaar deelt de beslissing tot onmiddellijke inning of, bij gebreke hiervan, zijn voornemen om een administratieve geldboete op te leggen binnen dertig dagen na ontvangst van het proces-verbaal mee aan de procureur des Konings.

De procureur des Konings deelt zijn voornemen om strafvervolging in te stellen binnen negentig dagen na ontvangst van deze kennisgeving mee aan de aangewezen ambtenaar. Indien nodig kan deze termijn éénmaal met dertig dagen verlengd worden.

Wanneer de procureur des Konings meedeelt te vervolgen, vervalt de mogelijkheid tot het opleggen van een administratieve geldboete. § 4. De andere bevoegde personen dan deze bepaald in § 3 van dit artikel brengen de procureur des Konings op de hoogte van de door hen vastgestelde misdrijven en in voorkomend geval van de onmiddellijke inningen bedoeld in § 6. De procureur deelt zijn standpunt binnen negentig dagen na ontvangst van de kennisgeving van het misdrijf mee aan de aangewezen ambtenaar. Indien nodig kan deze termijn éénmaal met dertig dagen worden verlengd.

Indien de procureur beslist om geen strafvervolging in te stellen en er geen onmiddellijke inning is geweest, kan de aangewezen ambtenaar een administratieve geldboete opleggen. Deze beslissing wordt binnen dertig dagen aan de procureur des Konings meegedeeld. Wanneer de ambtenaar beslist geen administratieve geldboete op te leggen, of zijn voornemen niet tijdig meedeelt, vervalt,de mogelijkheid om een administratieve geldboete op te leggen. § 5. Wanneer het misdrijf bedoeld in artikel 56 begaan is door een aangestelde of een lasthebber is de administratieve geldboete alleen door de werkgever verschuldigd. § 6. De in §§ 1 en 4 bedoelde bevoegde personen kunnen de administratieve geldboete onmiddellijk innen. Deze sommen worden in consignatie gegeven. Indien na een strafrechtelijke uitspraak ten gronde, of na het instellen van een beroep overeenkomstig artikel 60, § 3, waarbij de administratieve geldboete komt te vervallen, wordt de in consignatie gegeven som terugbetaald aan de overtreder.

De nadere regels inzake onmiddellijke inning en de consignatie van de geldsom worden vastgesteld door de Vlaamse regering.

Art. 60.§ 1. Indien de administratieve geldboete niet onmiddellijk werd geïnd en het opleggen van deze geldboete, overeenkomstig het bepaalde in het vorige artikel mogelijk is, geeft de aangewezen ambtenaar de overtreder of de werkgever hiervan kennis bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs. § 2. Deze kennisgeving vermeldt het bedrag van de administratieve geldboete. Zij vermeldt tevens dag, plaats en uur waarop een hoorzitting wordt gehouden waar de overtreder of de werkgever zal worden gehoord.

De hoorzitting mag ten vroegste vijftien dagen na de verzending van de aangetekende brief plaatshebben. De kennisgeving vermeldt tenslotte de plaats waar en de periode waarin het dossier kan worden ingezien. Het dossier ligt ter inzage ten minste tien dagen voor de hoorzitting. De overtreder of de werkgever kan op de hoorzitting een nota indienen.

Hij mag zich laten bijstaan door een raadsman. Van de hoorzitting wordt een verslag opgemaakt.

Na de hoorzitting neemt de aangewezen ambtenaar de zaak onmiddellijk in beraad. De beslissing wordt met redenen omkleed. De aangewezen ambtenaar deelt zijn beslissing mee aan de overtreder of de werkgever binnen dertig dagen na de hoorzitting, bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs.

Indien de overtreder of de werkgever op de hoorzitting niet aanwezig is of zich niet heeft laten vertegenwoordigen door een raadsman, kan de aangewezen ambtenaar de administratieve geldboete opleggen. § 3. Binnen vijftien dagen na de ontvangst van de beslissing van de aangewezen ambtenaar, kan de overtreder of de werkgever bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs in beroep gaan bij de Vlaamse regering. Het beroep schorst de bestreden beslissing.

Binnen dertig dagen na het instellen van het beroep, deelt de Vlaamse regering aan de overtreder of de werkgever plaats, dag en uur mee waarop een hoorzitting zal plaatsvinden waarop de overtreder of de werkgever zal worden gehoord.

Heeft de Vlaamse regering geen beslissing genomen binnen drie maanden nadat het beroep werd ingesteld, dan vervalt de administratieve geldboete.

De procedure zoals voorzien in § 2, is van overeenkomstige toepassing op de hoorzitting in het kader van het beroep.

De Vlaamse regering kan een vergoeding voor dossierkosten instellen voor de beroepsprocedure. Deze vergoeding zal steeds aan de overtreder worden terugbetaald indien de administratieve boete komt te vervallen na het instellen van het beroep. § 4. Na betekening van de administratieve beslissing, moet de administratieve geldboete binnen dertig dagen betaald worden. Deze betekening doet de strafvervolging vervallen.

De aangewezen ambtenaar die de geldboete heeft opgelegd, kan uitstel van betaling verlenen voor een door hem bepaalde termijn.

Indien de overtreder of de werkgever in gebreke blijft de administratieve geldboete te betalen wordt deze geldboete bij dwangbevel ingevorderd. De Vlaamse regering wijst de ambtenaren aan die gelast zijn dwangbevelen te geven en uitvoerbaar te verklaren.

Deze dwangbevelen worden betekend bij deurwaardersexploot met bevel tot betaling. Afdeling 4. - Toezicht

Art. 61.Onverminderd de bevoegdheid van andere personen houden de ambtenaren die de Vlaamse regering aanwijst toezicht op de naleving van artikel 56.

De Vlaamse regering bepaalt de kentekens van hun functie.

Art. 62.§ 1. In het kader van de uitoefening van hun opdracht kunnen de ambtenaren bedoeld in artikel 61 : 1° bevelen geven aan de bestuurders;2° inlichtingen inwinnen en controle uitoefenen door het ondervragen van personen en het inzage nemen van documenten en andere informatiedragers;3° het vastgestelde overtollige gewicht doen afladen of herverdelen;4° de bijstand van de rijkswacht en van de gemeentepolitie vorderen. § 2. De ambtenaren bedoeld in artikel 61 zijn bovendien bevoegd om inbreuken op artikel 56 vast te stellen bij proces-verbaal met bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel. Binnen veertien dagen na de vaststelling van de inbreuk wordt een afschrift van het proces-verbaal aan de overtreder toegestuurd. HOOFDSTUK XV. - Toerisme

Art. 63.§ 1. In het kader van het bijzonder programma ter promotie van het toerisme aan de Vlaamse kust (Actieplan Kust 2002), wordt de Vlaamse regering ertoe gemachtigd om ten laste van de begrotingen 1997, 1998 en 1999 volgende subsidies toe te kennen en in dezelfde of volgende begrotingsjaren uit te betalen : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld § 2. Indien één van de bovengemelde projecten niet wordt uitgevoerd kan de Vlaamse regering de aan dit project in § 1 toegewezen subsudie herverdelen over de andere rechthebbenden zonder dat echter per rechthebbende het maximaal totaal bedrag van de subsidie meer dan 50 % van de geraamde kostprijs mag bedragen. § 3. De Vlaamse regering stelt de verdere voorwaarden inzake toekenning en uitbetaling van de subsidie vast in afwijking van het koninklijk besluit van 17 februari 1967 tot vaststelling van de toekenningsvoorwaarden van de subsidies door de staat verleend voor de ontwikkeling van de toeristische infrastructuur en de decreten van 29 mei 1984 houdende de oprichting van een Vlaams Commissariaat-Generaal voor Toerisme en van 7 juli 1998 betreffende de openbare instelling Toerisme Vlaanderen en de Vlaamse Raad voor het Toerisme. § 4. Dit artikel heeft uitwerking met ingang vanaf 1 januari 1997. HOOFDSTUK XVI. - Inwerkingtreding

Art. 64.Dit decreet treedt in werking op 1 januari 1999, behoudens andersluidende bepalingen in dit decreet.

Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Brussel, 19 december 1998.

De minister-president van de Vlaamse regering, Vlaams minister van Buitenlands Beleid, Europese Aangelegenheden, Wetenschap en Technologie, L. VAN DEN BRANDE De Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening, S. STEVAERT De Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling, Th. KELCHTERMANS De Vlaamse minister van Financiën, Begroting en Gezondheidsbeleid, Mevr. W. DEMEESTER-DE MEYER De Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting, L. PEETERS De Vlaamse minister van Onderwijs en Ambtenarenzaken, E. BALDEWIJNS De Vlaamse van Cultuur, Gezin en Welzijn, L. MARTENS De Vlaamse minister van Economie, KMO, Landbouw en Media, E. VAN ROMPUY De Vlaamse minister van Brusselse Aangelegenheden en Gelijkekansenbeleid, Mevr. B. GROUWELS _______ Nota (1) Zitting 1998-1999. Stukken. - Ontwerp van decreet : nr. 1214, nr. 1. Verslag van het Rekenhof : 1214, nr. 2. Amendementen : 1214, nrs. 3 tot 10. Verslagen : 1214, nrs. 11 tot 19. Tekst aangenomen door de commissies : 1214, nr. 20. Amendementen na indiening van het verslag : 1214, nrs. 21 tot 23.

Handelingen. - Bespreking en aanneming : Vergaderingen van 15, 16 en 17 december 1998.

^