Decreet van 21 november 2013
gepubliceerd op 03 april 2014
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Decreet tot organisatie van verschillende schoolstelsels ter bevordering van het welzijn van jongeren op school, schoolherinschakeling, preventie van geweld op school en begeleiding van studieoriëntatie

bron
ministerie van de franse gemeenschap
numac
2014029203
pub.
03/04/2014
prom.
21/11/2013
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

21 NOVEMBER 2013. - Decreet tot organisatie van verschillende schoolstelsels ter bevordering van het welzijn van jongeren op school, schoolherinschakeling, preventie van geweld op school en begeleiding van studieoriëntatie (1)


Het Parlement van de Franse Gemeenschap heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtiging hetgeen volgt : Titel I. - Toepassingsgebied, doel en definities HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied

Artikel 1.Het gebruik in dit decreet van de mannelijke namen voor de verschillende titels en ambten is gemeenslachtig met het oog op een betere leesbaarheid van de tekst, niettegenstaande de bepalingen van het decreet van 21 juni 1993 betreffende de vervrouwelijking van de namen van beroep, ambt, graad of titel.

Art. 2.Tenzij anders wordt bepaald, is dit decreet van toepassing op de door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde inrichtingen voor gewoon en gespecialiseerd basis- en secundair onderwijs, en op de psycho-medisch-sociale centra. HOOFDSTUK II. - Doel

Art. 3.Dit decreet heeft tot doel, binnen de in artikel 2 bedoelde inrichtingen, te zorgen voor de bevordering van : 1° welzijn van jongeren op school;2° schoolherinschakeling, inzonderheid door de preventie van schooluitval, schoolverzuim en uitsluiting;3° preventie van geweld op school;4° begeleiding van studieoriëntatie. HOOFDSTUK III. - Definities

Art. 4.In het kader van dit decreet, wordt verstaan onder : 1° schoolverzuim : gedrag van een leerling die, alhoewel hij regelmatig ingeschreven is, zonder geldige reden, vaak de lessen niet bijwoont;2° crisistoestand : toestand die een schoolinrichting ondergaat als gevolg van een welbepaald feit;3° schooluitval : a) toestand van een leerplichtige leerling die : 1° in een inrichting ingeschreven is maar daar zonder geldige reden feitelijk niet school is gelopen;2° in geen inrichting ingeschreven is en geen lessen thuis volgt.b) toestand van een leerplichtige leerling, die in een inrichting ingeschreven is maar die daar zo vaak zonder geldige reden afwezig is geweest dat hij meer dan 20 halve dagen ongewettigde afwezigheid telt;4° vroegtijdig schoolverlaten : toestand van een leerling die de school verlaat of ophoudt een vorming te volgen en die alleen het niveau van het secundair onderwijs van de eerste cyclus of minder heeft bereikt en geen studies of vorming volgt;5° onderwijsteam : het geheel van de personeelsleden die het geheel of een deel van hun ambt in één zelfde inrichting of één zelfde vestiging uitoefenen, met uitsluiting van de leden van het administratief, meesters-, vak- en dienstpersoneel;6° algemene overlegraad voor het secundair onderwijs : de algemene overlegraad voor het secundair onderwijs, opgericht bij het decreet van 27 oktober 1994 tot regeling van het overleg in het secundair onderwijs;7° vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan : elk vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan dat erkend is overeenkomstig artikel 5 bis van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving;8° psycho-medisch-sociaal centrum : centrum, zoals bedoeld in titel 1 van het decreet van 14 juli 2006 betreffende de opdrachten, programma's en activiteitenverslag van de psycho-medisch-sociale centra;9° Waarnemingscentrum voor Kind, Jeugd en Hulpverlening aan de Jeugd : het orgaan opgericht bij het decreet van 12 mei 2004 houdende de oprichting van het " Observatoire de l'Enfance, de la Jeunesse et de l'Aide à la Jeunesse " (Waarnemingscentrum voor Kind, Jeugd en Hulpverlening aan de Jeugd);10° diensten voor schoolherinschakeling : de voorzieningen opgericht bij titel I, hoofdstuk 3, van het decreet van 21 november 2013 tot organisatie van een gemeenschappelijk beleid inzake leerplichtonderwijs en hulpverlening aan de jeugd ter bevordering van het welzijn van jongeren op school, schoolherinschakeling, preventie van geweld op school en begeleiding van de studieoriëntatie en die de in de artikelen 31, 32 en 33 bedoelde minderjarigen ontvangen;11° sturingscommissie : de commissie opgericht bij het decreet van 27 maart 2002 betreffende de sturing van het onderwijssysteem van de Franse Gemeenschap;12° plaatselijke overlegcel : de cel bedoeld in artikel 4, § 3 van het decreet van 21 november 2013 tot organisatie van een gemeenschappelijk beleid inzake leerplichtonderwijs en hulpverlening aan de jeugd ter bevordering van het welzijn van jongeren op school, schoolherinschakeling, preventie van geweld op school en begeleiding van de studieoriëntatie;13° facilitatoren : de leden van het team bedoeld in artikel 18 van het decreet van 21 november 2013 tot organisatie van een gemeenschappelijk beleid inzake leerplichtonderwijs en hulpverlening aan de jeugd ter bevordering van het welzijn van jongeren op school, schoolherinschakeling, preventie van geweld op school en begeleiding van de studieoriëntatie;14° zone : de overlegzones ingesteld bij artikel 1 van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 15 maart 1993 tot vaststelling van de verplichtingen tot overleg tussen gelijkaardige inrichtingen in het secundair onderwijs met volledig leerplan, bij toepassing van artikel 24 van het decreet van 29 juli 1992 houdende organisatie van het secundair onderwijs met volledig leerplan;15° adviseur voor hulpverlening aan de jeugd : de adviseur bedoeld in artikel 1 van het decreet van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd;16° directeur voor hulpverlening aan de jeugd : de directeur bedoeld in artikel 1 van het decreet van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd;17° decreet "verloven wegens opdracht" : het decreet van 24 juni 1996 houdende regeling van de opdrachten, verloven wegens opdracht en terbeschikkingstelling wegens opdracht in het door de Franse Gemeenschap georganiseerd of gesubsidieerd onderwijs;18° takendecreet : het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren;19° decreet "gedifferentieerde omkadering" : het decreet van 30 april 2009 houdende organisatie van een gedifferentieerde omkadering binnen de schoolinrichtingen van de Franse Gemeenschap om alle leerlingen gelijke kansen op sociale emancipatie te bieden in een kwaliteitsvolle pedagogische omgeving ;20° "intersectoraal" decreet Onderwijs - Hulpverlening aan de Jeugd : decreet van 21 november 2013 tot organisatie van een gemeenschappelijk beleid inzake leerplichtonderwijs en hulpverlening aan de jeugd ter bevordering van het welzijn van jongeren op school, schoolherinschakeling, preventie van geweld op school en begeleiding van de studieoriëntatie. Titel II. - Stelsels ter bevordering van het welzijn van jongeren op school, schoolherinschakeling, preventie van geweld op school en begeleiding van studieoriëntatie HOOFDSTUK I. - Rol en onderlinge afstemming van de verschillende schoolactoren Afdeling I. - Inrichtingshoofd en onderwijsteam

Art. 5.Het inrichtingshoofd en het onderwijsteam ontwikkelen een sfeer op school die bevorderlijk is voor het welzijn van de leerlingen, het samen leven en de sereniteit die gunstig is voor de leeractiviteit. Ze streven ernaar de toestand van de leerlingen te verbeteren zowel op het vlak van hun studies als van hun persoonlijke ontwikkeling. Afdeling II. - Psycho-medisch-sociaal centrum en dienst voor

gezondheidspromotie op school

Art. 6.§ 1. Het team van het psycho-medisch-sociaal centrum en de dienst voor gezondheidspromotie op school dragen, elk voor hun aandeel, bij tot de in artikel 5 bedoelde doelstellingen. § 2. Het team van het psycho-medisch-sociaal centrum draagt bij tot die doelstellingen, tot de interface tussen de schoolwereld en de optredende personen buiten de school.

Het begeleidt, op diens verzoek, iedere leerling, elke ouder, elk lid van het onderwijsteam.

Het steunt elke collectieve actie tot verbetering van de sfeer op school.

Het treedt op met acties die een gepast antwoord geven op toestanden die als problematisch worden ondervonden. § 3. Jaarlijks organiseert het inrichtingshoofd een ontmoeting tussen de afgevaardigden van het onderwijsteam, het psycho-medisch-sociale centrum en de dienst voor gezondheidspromotie op school. De ontmoeting kan open staan voor andere actoren die met de school medewerken.

De schoolbemiddelaar die voor een bepaalde inrichting aangewezen is, woont de ontmoeting bij.

Die ontmoeting heeft tot doel : 1° van gedachten te laten wisselen over : a) de educatieve, pedagogische en inrichtingsprojecten van de school, bedoeld in de artikelen 63, 65 en 67 van het takendecreet;b) het project van het psycho-medisch-sociaal centrum bedoeld in artikel 36 van het decreet van 14 juli 2006 betreffende de opdrachten, programma's en activiteitenverslag van de psycho-medisch-sociale centra, inzonderheid over de in artikel 41 bedoelde begeleiding van de studieoriëntatie;c) het dienstproject bedoeld in artikel 5 van het decreet van 20 december 2001 betreffende de gezondheidspromotie op school;d) het dienstproject van de schoolbemiddelingsdienst, wanneer een bemiddelaar voor de inrichting aangewezen is;2° de specifieke behoeften van de school te bepalen inzake welzijn van de jongeren, schoolherinschakeling, preventie van geweld op school en begeleiding van studieoriëntatie;3° prioriteiten voor de komende jaren te bepalen;4° inzetbare interne en externe hulpmiddelen te bepalen;5° de rol van iedereen te bepalen, inzonderheid een refertepersoon voor elke prioriteit aan te wijzen;6° ingeval een bemiddelaar voor een inrichting aangewezen is, een medewerkingsprotocol tussen de betrokken actoren te bepalen;7° een balans van de ondernomen acties en van de ontwikkelde medewerkingsverbanden op te maken. § 4. Wanneer de plaatselijke overlegcel geïnstalleerd is, worden het overleg en de acties bedoeld in paragraaf 3 inzonderheid binnen die cel georganiseerd. Afdeling III. - Schoolbemiddeling

Art. 7.§ 1. Binnen de algemene directie leerplichtonderwijs wordt een schoolbemiddelingsdienst opgericht, die wordt belast, door bemiddelingsacties als derde, met het voorkomen van geweld, schooluitval en schoolverzuim in de inrichtingen voor secundair onderwijs.

De bemiddeling heeft tot doel de vertrouwenssfeer te bevorderen, te behouden of te herstellen die moet heersen in de betrekkingen tussen de leerlingen en de leden van het onderwijsteam, tussen de leerlingen en de directie van de inrichting, tussen de leerling en zijn ouders, alsook tussen de leerling, zijn ouders of de persoon die met het ouderlijk gezag bekleed is, als hij minderjarig is, en de schoolinrichting.

De bemiddelingsdienst is structureel onafhankelijk van de inrichtingshoofden en de PMS-centra. § 2. De bemiddelingsdienst treedt op op verzoek van de inrichtende macht, in het gesubsidieerd onderwijs, en op verzoek van de Regering of het inrichtingshoofd, in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, in voorkomend geval met een voorstel gericht aan het inrichtingshoofd of aan de inrichtende macht door de diensten van de Regering, wanneer een probleem dat zich in de inrichting voordoet inzonderheid door ouders of leerlingen aan die wordt voorgelegd.

Wanneer een bemiddelaar voor een inrichting aangewezen wordt in het kader van een bemiddeling als derde tussen partijen, zoals bepaald in § 1, kan een aanvraag om optreden aan hem rechtstreeks worden gericht, inzonderheid door ouders of leerlingen. Hij zal die behandelen overeenkomstig het medewerkingsprotocol bedoeld in artikel 6, § 3, derde lid, 6°.

Op aanvraag van de Regering of het inrichtingshoofd, kan de bemiddelingsdienst acties organiseren voor het sensibiliseren tot het conflictenbeheer. § 3. In uitzonderlijke omstandigheden, kan de algemene directie leerplichtonderwijs, onder voorbehoud dat ze de voorafgaandelijke toestemming heeft gekregen van het inrichtingshoofd, in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, of van de inrichtende macht, in het gesubsidieerd onderwijs, het opreden van de bemiddelingsdienst in een inrichting voor basisonderwijs aanvragen.

Art. 8.§ 1. De bemiddelingsdienst bestaat uit bemiddelaars en drie coördinatoren, aangewezen door de Regering en geplaatst onder het hiërarchische gezag van de algemene directie leerplichtonderwijs. De Regering bepaalt het aantal en de nadere regels voor de aanwijzing van de bemiddelaars. § 2. De bemiddelaars zijn : 1° ofwel personeelsleden die een verlof wegens opdracht krijgen, overeenkomstig het decreet van 24 juni 1996 houdende regeling van de opdrachten, verloven wegens opdracht en terbeschikkingstelling wegens opdracht in het door de Franse Gemeenschap georganiseerd of gesubsidieerd onderwijs;2° ofwel personeelsleden van de Diensten van de Regering;3° ofwel personeelsleden met een arbeidsovereenkomst in het kader van een expertiseopdracht; § 3. De Regering wijst de bemiddelaars ofwel voor een geheel van inrichtingen ofwel voor een inrichting aan. De aanwijzing geschiedt op aanvraag van de inrichtende macht van die inrichting(en). Voor de door de Franse Gemeenschap georganiseerde inrichting, wordt de aanvraag door het inrichtingshoofd gericht.

Wanneer de bemiddelaar voor een inrichting aangewezen wordt, is de duur van zijn mandaat drie jaar; dat mandaat kan na evaluatie worden hernieuwd.

De coördinatoren delen het inrichtingshoofd de normale dienstregeling van de bemiddelaar(s) die voor zijn inrichting aangewezen is(zijn) mee.

Art. 9.§ 1. De coördinatoren zijn : 1° ofwel personeelsleden met verlof wegens opdracht, overeenkomstig artikel 6 van het decreet "verloven wegens opdracht";2° ofwel personeelsleden van de Diensten van de Regering;3° ofwel personeelsleden met een arbeidsovereenkomst in het kader van een expertiseopdracht. § 2. Twee coördinatoren worden belast met de bemiddeling in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest; de derde coördinator wordt belast met de bemiddeling in het Waalse Gewest. § 3. De coördinatoren worden inzonderheid ermee belast : 1° de bemiddelaars te begeleiden;2° de hulpmiddelen te beheren en te ontwikkelen die de bemiddelaars bij de uitoefening van hun opdracht kunnen helpen;3° het door de bemiddelaars geleverde werk te evalueren op grond van een geheel van indicatoren die door de dienst worden ontworpen en door de Regering vastgesteld op de voordracht van de bemiddelingsraad bedoeld in artikel 12;4° de naleving van de dienstregeling en de uitvoering van de taken door elke bemiddelaar te controleren;5° aan de evaluatie van de dienst samen met de diensten van de Regering deel te nemen;6° een interface te zijn tussen de dienst en de verantwoordelijken van de schoolinrichtingen en de psycho-medisch-sociale centra;7° de dienst te vertegenwoordigen;8° elk jaar de Regering een verslag mee te delen over de resultaten die worden behaald inzake : a) preventie van geweld;b) strijd tegen schooluitval en schoolverzuim; medewerking met de diensten voor hulpverlening aan de jeugd (SAJ).

Art. 10.De bemiddelaars en de coördinatoren zijn tot het beroepsgeheim gehouden betreffende hun betrekkingen met de leerlingen, de schoolinrichtingen en de andere optredende personen.

De bemiddelaar zorgt ervoor het vertrouwen van de leerlingen te behouden. Daartoe is hij niet verplicht het inrichtingshoofd feiten mee te delen waarvan hij acht kennis te hebben genomen in het kader van een geheim toevertrouwd als gevolg van dat vertrouwen. In voorkomend geval gaat hij te rade bij zijn coördinator en volgt hij de richtlijnen die hij van hem krijgt.

De bemiddelaar zorgt ervoor elke daad, elk woord, elk initiatief die/dat het gezag van het inrichtingshoofd zou kunnen aantasten, te vermijden.

In de mishandelingsgevallen, interpelleert de bemiddelaar één van de specifieke instanties of diensten bedoeld in artikel 3, § 2 van het decreet van 12 mei 2004 betreffende de hulpverlening aan mishandelde kinderen, en bij voorrang de teams van het psycho-medisch-sociaal centrum en van de dienst voor gezondheidspromotie op school.

Art. 11.Wanneer de coördinatoren en bemiddelaars, in het kader van hun opdracht, contacten moeten opnemen met de werknemers van de sector van de permanente opvoeding, de verschillende diensten voor hulpverlening aan de jeugd, onder welke de adviseurs voor hulpverlening aan de jeugd, en met de sociaal optredende personen die door de steden en gemeenten worden aangeworven in het kader van de veiligheidscontracten, de bedrijfscontracten en de acties voor preventie van drugsverslaving, brengen ze het inrichtingshoofd en de leden van het team van het psycho-medisch-sociaal centrum van de inrichting daar op de hoogte van. Die acties worden gevoerd in samenhang met de globale strategieën die tussen de betrokken actoren worden bepaald, in voorkomend geval binnen de plaatselijke overlegcel, en daar waar een bemiddelaar voor een inrichting wordt aangewezen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 6.

Art. 12.De bemiddelingsdienst geniet de adviezen en voorstellen van de Bemiddelingsraad, die wordt voorgezeten door de directeur-generaal van het bestuur voor het leerplichtonderwijs en samengesteld uit deze, de drie coördinatoren van de schoolbemiddelingsdienst, de coördinator van de mobiele teams bedoeld in artikel 14, § 3, alsook uit vier leden die door de Regering worden aangewezen op de voordracht van de algemene overlegraad voor het secundair onderwijs.

Art. 13.De Regering kan bijkomende nadere regels vaststellen voor de werking van de bemiddelingsdienst. Afdeling IV. - Mobiele teams

Art. 14.§ 1. Binnen de algemene directie leerplichtonderwijs wordt een dienst mobiele teams opgericht. § 2. Onder mobiel team wordt verstaan, een geheel van personen die gespecialiseerd zijn in het beheer van crisistoestanden die een schoolinrichting treffen ten gevolge van een bijzonder feit en die kunnen optreden in dat soort toestand alsook in het kader van de strijd tegen schooluitval in de zin van artikel 4, 3°, a) in de inrichtingen voor basis- en secundair gewoon en gespecialiseerd onderwijs. Ze moeten bovendien optreden in het kader van de strijd tegen schoolverzuim in de zin van artikel 4, 1° in de inrichtingen voor basisonderwijs. § 3. De dienst mobiele teams bestaat uit zesentwintig optredende personen en een coördinator, die alle door de Regering worden aangesteld en die onder het gezag staan van de algemene directie leerplichtonderwijs.

Art. 15.De optredende personen van de mobiele teams zijn : 1° ofwel personeelsleden die met verlof wegens opdracht worden gesteld overeenkomstig artikel 6 van het decreet van 24 juni 1996 houdende regeling van de opdrachten, verloven wegens opdracht en terbeschikkingstelling wegens opdracht in het door de Franse Gemeenschap georganiseerd of gesubsidieerd onderwijs;2° ofwel personeelsleden van de Diensten van de Regering;3° ofwel personeelsleden die onder arbeidsovereenkomst worden aangeworven in het kader van een expertiseopdracht.

Art. 16.§ 1. De mobiele teams treden op op aanvraag van de inrichtende macht, in het gesubsidieerd onderwijs, en op aanvraag van de Regering of van een inrichtingshoofd, in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs : 1° in een crisistoestand in de school;2° om de dialoog weer op gang te brengen binnen de inrichting die een crisistoestand heeft beleefd;3° op vooruitlopende wijze, ingeval het onderwijsteam wenst zich voor te bereiden voor een crisistoestand. § 2. In het kader van hun optreden, stellen de mobiele teams hun expertise ter beschikking van het onderwijsteam van de betrokken schoolinrichting, van het psycho-medisch-sociaal centrum verbonden aan de inrichting en de andere betrokken diensten.

Ze brengen het onderwijsteam en het team van het psycho-medisch-sociaal centrum op de hoogte van hun optreden. § 3. Wanneer de algemene directie leerplichtonderwijs op de hoogte is van de schooluitval van een minderjarige bedoeld in artikel 4, 3°, a), kan ze het optreden van de mobiele teams bij die minderjarige en zijn ouders of de persoon die het ouderlijk gezag uitoefent, aanvragen.

Art. 17.§ 1. De in artikel 14, § 3, bedoelde coördinator is : 1° ofwel een personeelslid dat met verlof wegens opdracht wordt gesteld overeenkomstig artikel 6 van het decreet "verloven wegens opdracht";2° ofwel een personeelslid van de Diensten van de Regering;3° ofwel een personeelslid dat onder arbeidsovereenkomst wordt aangeworven in het kader van een expertiseopdracht. § 2. De coördinator wordt inzonderheid ermee belast : 1° de hulpmiddelen te beheren en te ontwikkelen die de personeelsleden bij de uitoefening van hun opdracht kunnen helpen;2° de behandeling van de aanvragen om optreden, bedoeld in artikel 16, § 1, aan de bevoegde personeelsleden toe te kennen en te zorgen voor het opvolgen ervan;3° de optredende personen te begeleiden;4° de naleving van de dienstregeling en de uitvoering van de taken door elke optredende persoon te controleren;5° het door de optredende personen geleverde werk te evalueren op grond van een geheel van indicatoren die door de dienst worden ontworpen en door de Regering;6° aan de evaluatie van de dienst deel te nemen;7° een interface te zijn tussen de dienst en de verantwoordelijken van de schoolinrichtingen en de psycho-medisch-sociale centra, en tussen de dienst en de andere diensten van de Regering;8° de dienst te vertegenwoordigen;9° elk jaar de Regering een verslag mee te delen over de resultaten die worden behaald in het kader van de opdrachten van de mobiele teams bedoeld in artikel 16.

Art. 18.De mobiele teams en de coördinator zijn gehouden tot het beroepsgeheim betreffende hun betrekkingen met de leerlingen, de schoolinrichtingen en de andere optredende personen.

In de mishandelingsgevallen, interpelleren de mobiele teams één van de specifieke instanties of diensten bedoeld in artikel 3, § 2 van het decreet van 12 mei 2004 betreffende de hulpverlening aan mishandelde kinderen, en bij voorrang de teams van het psycho-medisch-sociaal centrum en van de dienst voor gezondheidspromotie op school. Afdeling V. - Opleiding van leerlingen tot bemiddeling of afvaardiging

van leerlingen

Art. 19.De opleiding tot afvaardiging van leerlingen of tot bemiddeling door gelijken heeft tot doel een positieve dynamiek te ontwikkelen en democratische praktijken binnen de schoolinrichtingen te bevorderen.

Binnen de perken van de beschikbare begrotingsmiddelen, zorgt de Regering van de Franse Gemeenschap voor de financiering van de opleiding van leerlingen bedoeld in het vorige lid.

In het kader van hun Algemeen Actieproject voor de gedifferentieerde omkadering, bedoeld in artikel 8 van het decreet "gedifferentieerde omkadering", kunnen de inrichtingen voor gedifferentieerde omkadering een deel van de bijkomende kredieten bedoeld in artikel 7 van hetzelfde decreet aanwenden om de in het eerste lid bedoelde opleidingen te financieren.

Art. 20.§ 1. De Regering stelt de criteria voor de opleidingsoperatoren vast en bepaalt de lijst van operatoren die kunnen worden gesubsidieerd, inzonderheid op grond van de deskundigheid waarvan ze het bewijs kunnen leveren, waarbij wordt gezorgd voor een evenwichtige vertegenwoordiging van die. § 2. Als gevolg van een oproep tot kandidaturen, selecteert ze, op de voordracht van de in paragraaf 3 bedoelde commissie, de schoolinrichtingen waarvan de vertegenwoordigers ertoe zullen worden toegelaten de opleiding bedoeld in artikel 19 te volgen, waarbij wordt gezorgd voor een billijke verdeling over de netten, met voorrang voor de schoolinrichtingen die deze opleiding nog niet hebben gekregen.

Ze stelt de criteria voor de selectie van de kandidaten van schoolinrichtingen vast. § 3. Er wordt een commissie voor de selectie van de in paragraaf 2 bedoelde kandidaten opgericht.

Ze is samengesteld, met oog voor het evenwicht van de karakters, uit zeven vertegenwoordigers die worden voorgedragen door de vertegenwoordigings- en coördinatieorganen bedoeld in artikel 5 bis van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, één vertegenwoordiger die wordt voorgedragen door de algemene dienst voor het door de Federatie Wallonië-Brussel georganiseerde onderwijs, alsook uit de directeur-generaal van de administratie voor het leerplichtonderwijs, die er de voorzitter van is.

De Regering benoemt er de leden van en stelt er de nadere regels voor de werking van.

Het secretariaat van de Commissie wordt door de diensten van de Regering waargenomen. Afdeling VI. - Waarnemingscentrum voor geweld en schooluitval

Art. 21.§ 1. Binnen de algemene directie leerplichtonderwijs wordt een Waarnemingscentrum voor geweld op school en schooluitval opgericht, samengesteld als volgt : 1° twee personeelsleden van niveau 1;2° een personeelslid van niveau 2+. § 2. Het Waarnemingscentrum bedoeld in paragraaf 1 wordt inzonderheid belast met : 1° het kwantitatief en kwalitatief analyseren van de gegevens over geweld, schoolverzuim, schooluitval en vroegtijdig schoolverlaten waarover de verschillende diensten van de Regering beschikken.2° het richten van aanbevelingen aan de algemene directie leerplichtonderwijs, om : a) alle diensten in staat te stellen de uitslagen van de analyses bedoeld in 1° te gebruiken;b) acties of denkpistes te ontwikkelen die door de diensten zouden kunnen worden gevoerd om de kwaliteit van het uit te voeren werk te verbeteren.3° het meedelen aan de diensten van de algemene directie leerplichtonderwijs van alle nuttige inlichtingen en aanbevelingen die ze in staat moeten stellen voorstellen tot actie of wijziging van de regeling te doen aan de minister van leerplichtonderwijs en de Regering;4° het analyseren, in overleg met het Waarnemingscentrum voor Kind, Jeugd en Hulpverlening aan de Jeugd, van geweld- en schooluitvalverschijnselen, inzonderheid via een slachtofferstudie;5° het meedelen aan de algemene dienst sturing van het onderwijssysteem van de gegevens die noodzakelijk zijn voor de bepaling van indicatoren inzake geweld op school, schoolverzuim, schooluitval en vroegtijdig schoolverlaten;6° het richten voor 15 september van elk jaar naar de sturingscommissie van aanbevelingen voor de jaarlijkse bepaling van de studierichtingen en prioritaire opleidingsthema's, in het kader van de opdracht bedoeld in artikel 3, punt 4 van het decreet van 27 maart 2002 betreffende de sturing van het onderwijssysteem van de Franse Gemeenschap;7° het uitvoeren van een regelmatige telling van de wetenschappelijke studies en enquêtes over geweld op school, schoolverzuim, schooluitval en vroegtijdig schoolverlaten, vooral in België en in Europa;8° het aanmoedigen en laten kennen bij de onderwijsactoren van initiatieven tot preventie en beheer van geweld op school, rekening houdend met de oriëntaties die door het sturingscomité worden voorgesteld, bedoeld in artikel 11 van het "intersectoraal" decreet Onderwijs - Hulpverlening aan de Jeugd;9° het opmaken om de drie jaar van een verslag voor de evaluatie van de stelsels bedoeld in de afdelingen 3 tot 6 van dit hoofdstuk en in afdeling 1 van hoofdstuk 2 van deze titel en, voor de eerste keer, vóór 31 december 2014;dat verslag wordt overgezonden aan de Regering een aan de sturingscommissie. Afdeling VII. - Administratieve cel voor de coördinatie van acties

inzake preventie van geweld op school, schoolverzuim, schooluitval en vroegtijdig schoolverlaten

Art. 22.§ 1. Binnen de algemene directie leerplichtonderwijs wordt een administratieve cel voor de coördinatie van acties inzake preventie van geweld op school, schoolverzuim, schooluitval en vroegtijdig schoolverlaten opgericht, samengesteld als volgt : 1° twee personeelsleden van niveau 1;2° een personeelslid van niveau 2+;3° een personeelslid van niveau 2. § 2. De cel wordt inzonderheid belast met : 1° het coördineren en administratief opvolgen van de actie van de diensten bedoeld in titel II, hoofdstuk 1, afdelingen 3 tot 6 en in hoofdstuk 2, afdeling 1;2° het administratief opvolgen van de actie van de diensten voor schoolherinschakeling;3° het coördineren en administratief ondersteunen van de opleiding van de leerlingen tot de bemiddeling of de afvaardiging van leerlingen zoals bedoeld in artikel 19, om de jongeren voor te bereiden tot deelneming aan de preventie van geweld op school. HOOFDSTUK II. - Schoolherinschakeling Afdeling I. - Preventie van schooluitval

Art. 23.Vanaf de tiende halve dag ongewettigde afwezigheid van een leerling, roept het inrichtingshoofd of zijn afgevaardigde de leerling en zijn ouders, of de persoon die de ouderlijke macht uitoefent, als hij minderjarig is, op, bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, volgens door de Regering nader te bepalen regels.

Het inrichtingshoofd of zijn afgevaardigde verwijst de leerling en zijn ouders of de persoon die de ouderlijke macht uitoefent, als hij minderjarig is, naar de bepalingen inzake schoolverzuim. Het bereidt met hen acties voor tot voorkomen van afwezigheden en verwijst ze naar hun verantwoordelijkheden.

De Regering bepaalt de aard en de duur van de afwezigheden die als gewettigd worden beschouwd, zoals de ziekte van de leerling die door een medisch attest wordt gedekt, de oproeping door een overheid, het overlijden van een verwant, de deelneming aan wedstrijden voor de topsporters. Ze bepaalt ook de aard en de duur van de afwezigheden waarvan de rechtvaardiging aan de beoordeling van het inrichtingshoofd kan worden overgelaten, inzonderheid overmacht of uitzonderlijke omstandigheden in verband met gezinsproblemen, geestelijke of lichamelijke gezondheid, vervoer. Het huishoudelijk reglement van de inrichting vermeldt die bepalingen.

Art. 24.Als niemand zich aanmeldt bij de oproeping bedoeld in artikel 23, en telkens als hij dit nuttig acht na de beoordeling van de toestand, 1° ofwel vaardigt het inrichtingshoofd bij de woonplaats of de verblijfplaats van de leerling een lid van het opvoedend hulppersoneel af of geeft hem opdracht contact op te nemen met het gezin door enig ander middel;2° ofwel vraagt het inrichtingshoofd de bevoegde coördinator van de in artikel 11 bedoelde bemiddelingsdienst het optreden van een bemiddelaar;3° ofwel vraagt het inrichtingshoofd de directeur van het psycho-medich-sociaal centrum het optreden van een lid van zijn team.

Art. 25.Wanneer het inrichtingshoofd vaststelt dat een leerplichtige minderjarige leerling ofwel in moeilijkheid verkeert, ofwel dat zijn gezondheid of zijn veiligheid worden bedreigd ofwel dat de voorwaarden voor zijn opvoeding worden bedreigd door zijn gedrag, dat van zijn gezin of zijn naastverwanten, inzonderheid bij verdacht schoolverzuim, moet hij dit aangeven aan de adviseur voor hulpverlening aan de jeugd volgens de door deze nader te bepalen regels inzake mededeling en motivatie.

Wanneer een leerplichtige minderjarige leerling in het secundair onderwijs meer dan 20 halve dagen ongewettigde afwezigheidsdagen telt, moet het inrichtingshoofd dit aangeven aan de algemene directie leerplichtonderwijs.

Elke nieuwe ongewettigde afwezigheid moet maandelijks worden aangegeven volgens dezelfde procedures.

De afwezigheden worden in aanmerking genomen vanaf de 5de werkdag van september.

Art. 26.Vanaf de tweede graad van het secundair onderwijs, verliest de leerling die gedurende één zelfde schooljaar meer dan 20 halve dagen ongewettigde afwezigheid telt de hoedanigheid van regelmatige leerling, behalve afwijking die door de Minister wegens uitzonderlijke omstandigheden wordt toegestaan.

De meerderjarige leerling die gedurende één zelfde schooljaar meer dan 20 halve dagen ongewettigde afwezigheid telt, kan uit de inrichting worden uitgesloten volgens de nadere regels bepaald in de artikelen 81, § 2, en 82 van het takendecreet.

Voor de toepassing van het eerste lid en het tweede lid, worden de ongewettigde afwezigheden die in het gewoon onderwijs met volledig leerplan worden vastgesteld, niet meegeteld, wanneer een leerling zich inschrijft in het gespecialiseerd onderwijs of in het alternerend secundair onderwijs gedurende één zelfde schooljaar.

Art. 27.Uiterlijk voor 31 augustus van het verlopen schooljaar, deelt de algemene directie leerplichtonderwijs de Regering de opgave, in voorkomend geval voor elke inrichtende macht en elke inrichting, mee, van : 1° de leerplichtige leerlingen die niet ingeschreven zijn in een door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde inrichting en die niet ertoe worden toegelaten lessen thuis te volgen;2° de leerlingen die aan de algemene directie leerplichtonderwijs worden aangegeven krachtens artikel 25, tweede lid;3° de afwezige leerlingen aan wie de minister een afwijking wegens laattijdige aankomst heeft toegestaan op grond van artikel 79, § 1, tweede lid van het takendecreet. Afdeling II. - Intern stelsel voor schoolherinschakeling

Art. 28.§ 1. In het kader van hun inrichtingsproject bedoeld in artikel 67 van het takendecreet, en, in voorkomend geval, van hun Algemeen Actieproject voor de gedifferentieerde omkadering, kunnen de inrichtingen voor gewoon secundair onderwijs een intern stelsel voor schoolherinschakeling invoeren. § 2. Het intern stelsel voor schoolherinschakeling heeft tot doel : 1° de in artikel 4, 3°, b) bedoelde schooluitval van leerlingen die moeilijkheden met de school hebben, te voorkomen;2° de leerlingen die dit genieten, helpen zelfvertrouwen en zelfachting opnieuw te verwerven en zowel een persoonlijk project als een opleidingsproject te ontwikkelen. Dit project kadert in een globaal inrichtingsbeleid om een welzijnssfeer in de school te creëeren, dat, in voorkomend geval, binnen de plaatselijke overlegcel wordt bepaald. § 3. De opvatting en het beheer van het intern stelsel voor schoolherinschakeling worden toevertrouwd aan een multidisciplinair team, dat kan worden samengesteld uit leerkrachten, leden van het opvoedend hulppersoneel, leden van het team van het psycho-medisch-social centrum. Er kan ook een beroep worden gedaan aan externe partners.

Art. 29.De klassenraad wijst de leerlingen aan die het intern stelsel voor schoolherinschakeling kunnen genieten.

Voor de minderjarige leerlingen is de toestemming van de ouders of van de persoon die de ouderlijke macht uitoefent, vereist.

De leerlingen die het intern stelsel voor schoolherinschakeling genieten, blijven in hun oorspronkelijke klas ingeschreven; hun administratieve toestand is niet gewijzigd.

Art. 30.§ 1. Samen met het psycho-medisch-sociaal centrum en met de leden van het team dat met het intern stelsel voor schoolherinschakeling wordt belast, stelt de klassenraad een persoonlijk plan vast voor elk van de leerlingen bedoeld in artikel 29, na overleg met de leerling en zijn ouders of de persoon die de ouderlijke macht uitoefent, als hij minderjarig is. § 2. Het persoonlijk plan, dat voor en met de jongere wordt opgemaakt, kan de volgende gegevens inhouden : 1° lessen gemeenschappelijke vorming;2° aanvullende activiteiten;3° ateliers voor samenwerking, socialisatie, mededeling of expressie;4° tijd en acties voor schooloriëntatie, voor opmaken van een persoonlijk project;5° observatie- en initiatiestages;6° activiteiten ter bevordering van motivatie, zelfvertrouwen, zelfachting;7° taalbadonderwijs in verschillende onderwijsvormen en -richtingen;8° verwezenlijking van een project op een bepaald gebied of een interdisciplinair project, een artistiek, technologisch, sport- of ander project;9° verwezenlijking door een externe dienst;10° sociale, burger- (inter)culturele acties;11° voorbereiding tot de voorstelling van een externe examencommissie. § 3. De klassenraad wordt belast met het beoordelen, het nader bepalen, of zelfs het wijzigen van het persoonlijk plan. § 4. Het persoonlijk plan wordt voor een periode van één mand opgemaakt, met als doel, op het einde van de bepaalde periode, de leerling opnieuw in te schakelen in zijn klas of in een ander schooltraject, met inachtneming van de toelatingsvoorwaarden. § 5. Na de beoordeling kan het persoonlijk plan elke maand door de klassenraad worden verlengd. De ouders of de persoon die de ouderlijke macht uitoefent, worden daar op de hoogte van gebracht. § 6. De betrokken leerling kan te allen tijde door een dienst voor schoolherinschakeling worden begeleid, met inachtneming van de toelatingsvoorwaarden. § 7. Het persoonlijk plan wordt ter beschikking van de inspectiedienst en van de diensten van de Regering gehouden. § 8. Iedere leerling die een persoonlijk plan in het kader van een intern stelsel voor schoolherinschakeling volgt, geniet de begeleiding van een refertepersoon. § 9. De begeleiding van activiteiten in verband met het persoonlijk plan kan in het kader van zijn ambt worden toegekend aan ieder lid van het bestuurs- en onderwijzend personeel of van het opvoedend hulppersoneel. Afdeling III. - Interne stelsels voor schoolherinschakeling

Art. 31.Wanneer een uitgesloten minderjarige niet opnieuw in een schoolinrichting kan worden ingeschakeld, overeenkomstig de artikelen 82, vierde lid, en 90, § 2, vijfde lid, van het takendecreet, kan de minister beschouwen als voldoend aan de verplichtingen inzake schoollopen : 1° de begeleiding, voor een één keer hernieuwbare periode van niet meer dan drie maanden, van een jongere door de diensten die hun bijstand verlenen aan de uitvoering van individuele beslissingen in het kader van hulpverleningsprogramma's die ofwel door de adviseur voor hulpverlening aan de jeugd ofwel door de directeur voor hulpverlening aan de jeugd, ofwel door de jeugdrechtbank worden opgemaakt;2° de begeleiding, voor een één keer hernieuwbare periode van niet meer dan drie maanden, van een jongere door één van de diensten voor schoolherinschakeling. Op grond van een met redenen omklede aanvraag die door de dienst voor schoolherinschakeling aan de algemene directie leerplichtonderwijs wordt gericht, kan de minister bevoegd voor het leerplichtonderwijs een jongere een vrijstelling verlenen opdat hij zou kunnen worden begeleid door de dienst voor schoolherinschakeling na 15 april en tot het einde van het lopende schooljaar, ook al is de totale duur van de begeleiding langer dan de in artikel 34 vastgestelde maximumduur.

De adviseur voor hulpverlening aan de jeugd, de directeur voor hulpverlening aan de jeugd, de jeugdrechtbank of de dienst voor schoolherinschakeling delen de algemene directie leerplichtonderwijs de datum van het begin en van het einde van de begeleiding mee, volgens door de Regering nader te bepalen regels.

Art. 32.In de toestanden bedoeld in artikel 4, 1°, 2° en 3°, b), op gezamenlijke aanvraag van de minderjarige, zijn ouders of de persoon die de ouderlijke macht uitoefent, van het inrichtingshoofd, voor het onderwijs van de Franse Gemeenschap, van de inrichtende macht of haar afgevaardigde, voor het gesubsidieerd onderwijs, na het advies te hebben ingewonnen van de klassenraad en van het psycho-medisch-sociale centrum, kan de minister een leerling, die in zijn inrichting regelmatig blijft ingeschreven, ertoe machtigen, voor een één keer hernieuwbare periode van niet meer dan drie maanden, te worden begeleid door : 1° diensten die hun bijstand verlenen aan de uitvoering van individuele beslissingen in het kader van hulpverleningsprogramma's die ofwel door de adviseur voor hulpverlening aan de jeugd, ofwel door de directeur voor hulpverlening aan de jeugd, ofwel door de jeugdrechtbank worden opgemaakt;2° één van de diensten voor schoolherinschakeling. Als het psycho-medisch-sociale centrum het in het eerste lid bedoelde advies niet binnen de 10 werkdagen na de aanvraag heeft uitgebracht, wordt het advies als gunstig geacht.

Op grond van een met redenen omklede aanvraag die door de dienst voor schoolherinschakeling aan de algemene directie leerplichtonderwijs wordt gericht, kan de minister bevoegd voor het leerplichtonderwwijs een jongere een vrijstelling verlenen opdat hij zou kunnen worden begeleid door de dienst voor schoolherinschakeling na 15 april en tot het einde van het lopende schooljaar, ook al is de totale duur van de begeleiding langer dan de in artikel 34 vastgestelde maximumduur.

De adviseur voor hulpverlening aan de jeugd, de directeur voor hulpverlening aan de jeugd, de jeugdrechtbank of de dienst voor schoolherinschakeling delen de algemene directie leerplichtonderwijs de datum van het begin en van het einde van de begeleiding mee, volgens door de Regering nader te bepalen regels.

Art. 33.In de toestanden bedoeld in artikel 4, 3°, a), 1) of 2), op gezamenlijke aanvraag van de minderjarige, zijn ouders of de persoon die de ouderlijke macht uitoefent, en na gunstig advies van de zonale aanstellingscommissie, of bij ontstentenis daarvan, van het vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan van de bevoegde inrichtende machten, kan de minister een leerling ertoe toelaten, voor een één keer hernieuwbare periode van niet meer dan drie maanden, te worden begeleid door : 1° diensten die hun bijstand verlenen aan de uitvoering van individuele beslissingen in het kader van hulpverleningsprogramma's die ofwel door de adviseur voor hulpverlening aan de jeugd, ofwel door de directeur voor hulpverlening aan de jeugd, ofwel door de jeugdrechtbank worden opgemaakt;2° één van de diensten voor schoolherinschakeling. Op grond van een met redenen omklede aanvraag die door de dienst voor schoolherinschakeling aan de algemene directie leerplichtonderwijs wordt gericht, kan de minister bevoegd voor het leerplichtonderwwijs een jongere een vrijstelling verlenen opdat hij door de dienst voor schoolherinschakeling zou kunnen worden begeleid na 15 april en tot het einde van het lopende schooljaar, ook al is de totale duur van de begeleiding langer dan de in artikel 34 vastgestelde maximumduur.

De adviseur voor hulpverlening aan de jeugd, de directeur voor hulpverlening aan de jeugd, de jeugdrechtbank of de dienst voor schoolherinschakeling bedoeld in het eerste lid, 2°, delen de algemene directie leerplichtonderwijs de datum van het begin en van het einde van de begeleiding mee, volgens door de Regering nader te bepalen regels.

Art. 34.De begeleiding van een minderjarige door één van de diensten bedoeld in de artikelen 31, 32 en 33 kan in totaal niet langer dan zes maanden per schooljaar en niet langer dan één jaar voor de gehele schooltijd van de minderjarige duren. De begeleidingsperiode gedurende de verlof - en schoolvakantie wordt niet in aanmerking genomen bij de berekening van de duur van de begeleiding van de minderjarige. Afdeling IV. - Stelsel voor de geslaagde terugkeer naar school

Art. 35.§ 1. Het inrichtingshoofd stelt de bepalingen vast die, zowel op collectief als op individueel niveau, het een minderjarige die de diensten van één van de diensten voor schoolherinschakeling heeft genoten mogelijk zullen maken, opnieuw naar school te gaan in de beste omstandigheden. § 2. Het neemt de in paragraaf 1 bedoelde bepalingen in overleg met de betrokken actoren, binnen de plaatselijke overlegcel, als deze geïnstalleerd is.

Voor de toepassing ervan, 1° steunt het op de interne stelsels, zoals die bepaald zijn in artikel 1, 4°, van het "intersectoraal" decreet Onderwijs - Hulpverlening aan de Jeugd;2° werkt het in nauw overleg met het psycho-medisch-sociaal centrum samen, om de maatregelen inzake pedagogische begeleiding, die onder het onderwijsteam ressorteren, en de maatregelen inzake psycho-medisch-sociale kwesties, die onder het team van het psycho-medisch-sociale centrum ressorteren, op elkaar af te stemmen. § 3. De leden van het team van het psycho-medisch-sociaal centrum bevorderen het optreden van de externe diensten, zoals bepaald in artikel 1, 5°, van het "intersectoraal" decreet Onderwijs - Hulpverlening aan de Jeugd, waarop de school een beroep kan doen, om de inschakeling of herinschakeling van de jongere in de inrichting en de opbouw van een persoonlijk project te vergemakkelijken.

Art. 36.De leerling die in een schoolinrichting ingeschakeld of opnieuw ingeschakeld wordt op het einde van de begeleiding bedoeld in de artikelen 31, 32 en 33, kan de dienst voor schoolherinschakeling die voor zijn begeleiding heeft gezorgd, raadplegen in verhouding tot hoogstens twee halve dagen per week gedurende de twee maanden volgend op zijn inschakeling of herinschakeling.

De raadpleging van de dienst voor schoolherinschakeling gedurende die periode wordt geregeld in een overeenkomst tussen het inrichtingshoofd, de leerling, zijn ouders of de persoon die de ouderlijke macht uitoefent, het psycho-medisch-sociaal centrum en de dienst voor schoolherinschakeling.

Art. 37.§ 1. Om te zorgen in de best mogelijke omstandigheden voor de inschakeling of de herinschakeling van de leerlingen waarvan de begeleiding door een dienst voor schoolherinschakeling ten einde is gelopen, krijgt de schoolinrichting die het eerst een jongere op het einde van zijn begeleiding ontvangt, voor elke opnieuw ingeschakelde leerling, zes bijkomende lestijden boven het totale aantal lestijden/leraar in het gewoon onderwijs of zes bijkomende lestijden boven het lestijdenpakket in het gespecialiseerd onderwijs, waarbij een totaal van vierentwintig lestijden per inrichting nooit kan worden overschreden.

Wanneer een leerling werd begeleid door een dienst voor schoolherinschakeling tot 30 juni van een schooljaar en in een schoolinrichting opnieuw wordt ingeschakeld op het begin van het volgende schooljaar, kan de inrichting die hem ontvangt de aanwending van die bijkomende middelen op dat ogenblik vragen.

Het inrichtingshoofd brengt de algemene directie leerplichtonderwijs op de hoogte van zijn aanvraag om aanwending van die bijkomende middelen.

Zodra de in het vorige lid bedoelde aanvraag werd overgezonden volgens de door de Regering nader te bepalen regels, kunnen de bijkomende middelen worden aangewend, voor een periode van twee maanden (waarbij de schoolvakantie- en -verlofperioden tussen 1 september en 30 juni niet worden meegerekend), vanaf de elfde schooldag volgend op de inschakeling of herinschakeling van de jongere in de schoolinrichting. § 2. Een personeelslid van de schoolinrichting kan worden aangewezen voor de begeleiding van de inschakeling of de herinschakeling van de in paragraaf 1 bedoelde leerlingen.

De in paragraaf 1 bedoelde bijkomende middelen maken de aanwijzing voor de begeleiding van de leerling(en) mogelijk van : 1° een lid van het onderwijzend personeel of het opvoedend hulppersoneel dat tijdelijk wordt gedetacheerd van het geheel of een deel van het ambt dat het in de inrichting in vast verband uitoefent, waarbij hijzelf wordt vervangen, in verhouding tot het aantal detacheringsuren, door een tijdelijk aangesteld personeelslid;2° een lid van het onderwijzend personeel of het opvoedend hulppersoneel dat tijdelijk wordt aangeworven of aangesteld. § 3. Wanneer een schoolinrichting die voor een eerste leerling reeds zes bijkomende lestijden overeenkomstig paragraaf 1 geniet, een tweede leerling ontvangt waarvan de begeleiding door een dienst voor schoolherinschakeling ten einde is gelopen, kan de opdracht van het personeelslid belast met de begeleiding overeenkomstig paragraaf 2 worden uitgebreid.

Wanneer dat personeelslid tijdelijk werd aangewezen of aangesteld, wordt zijn tijdelijke aanwijzing of aanstelling verlengd, zodat de tweede leerling de begeleiding voor een periode van twee maanden geniet.

Hetzelfde stelsel wordt toegepast voor elke bijkomende leerling, waarbij de detachering, de aanwijzing of de aanstelling bedoeld in de vorige leden, niet verder kunnen reiken dan 30 juni van het lopende schooljaar.

Art. 38.Het lid van het onderwijzend personeel of van het opvoedend hulppersoneel, dat aangewezen wordt voor de begeleiding van de inschakeling of herinschakeling van één of meer leerlingen overeenkomstig artikel 37, kan een leerling binnen de dienst voor schoolherinschakeling begeleiden, wanneer die deze raadpleegt met toepassing van de in artikel 36 bedoelde overeenkomst.

Art. 39.Schoolinrichtingen kunnen de bijkomende middelen waarop ze aanspraak kunnen maken krachtens artikel 37 gemeenschappelijk aanwenden en zich bij overeenkomst ertoe verbinden die toe te kennen aan een personeelslid van één van de inrichtingen die partner zijn bij die overeenkomst.

Art. 40.De facilitatoren bedoeld bij artikel 18 van het "intersectoraal" decreet Onderwijs - Hulpverlening aan de Jeugd van 21 november 2013 verlenen bijstand voor het globaal op elkaar afstemmen van de acties die worden gevoerd in de zone waarvoor ze aangewezen zijn, zowel in de schoolinrichtingen als in de diensten voor schoolherinschakeling, ten aanzien van de leerlingen die worden begeleid door één van de diensten voor schoolherinschakeling, gedurende die begeleiding en na de (her)inschakeling van de leerling in de school. HOOFDSTUK III. - Begeleiding van studieoriëntatie

Art. 41.§ 1. Wat de begeleiding van de studieoriëntatie betreft, hebben de ontmoetingen bedoeld in artikel 6, § 3, inzonderheid betrekking op de volgende punten : 1° de leerling in het leerproces opnemen, als actor van zijn eigen studieoriëntatie en niet als persoon die het proces ondergaat;2° de leerling de mogelijkheid bieden om zich bewust te worden van zijn persoonlijke kenmerken en die te ontwikkelen met de gezamenlijke zorg zowel voor de solidaire samenleving als voor de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid en zijn verantwoordelijkheid;3° ontdekken en experimenteren bevorderen als voorwaarde voor het ontwikkelen van de capaciteit om studiekeuzen en levenskeuzen te doen die voor de leerlingen zinvol zijn;4° de leerlingen ertoe aanzetten het mogelijkheidsveld uit te breiden, hun nieuwsgierigheid en hun wens alternatieven te ontdekken, stimuleren;5° de leerlingen begeleiden bij hun vragen in verband met de waarden en het doel met betrekking tot hun keuze;6° oriëntatie beschouwen als een doorlopend proces voor steunverlening gedurende hun hele leven, opdat ze hun persoonlijke project, hun school- en beroepsproject in het werk zouden stellen, waarbij een beter inzicht in hun wensen en hun competenties wordt verschaft door hun informatie en raad te geven over de realiteit van het werk, de evolutie van de vakken en beroepen, de tewerkstelling, de economische realiteit, het opleidingsaanbod en de evolutie van de samenleving. § 2. De acties en de medewerkingsverbanden hebben tot doel een positieve en globale oriëntatie te ontwikkelen, die rekening houdt met de verscheidenheid en de complexheid, die het mogelijkheidsveld uitbreidt en die zich ontwikkelt gedurende hun hele schooltijd met een focus op de spilmomenten van het studietraject, inzonderheid gericht op de besluitvorming voortvloeiend uit de keuze van een optie, een school of een beroep.

Titel III. - Wijzigings-, opheffings- en slotbepalingen HOOFDSTUK I. - Wijzigingsbepalingen Afdeling I. - Wijziging van het decreet van 24 juli 1997 dat de

prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren

Art. 42.In het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren, wordt het opschrift van hoofdstuk VIII vervangen als volgt : "Toegang tot inrichtingen".

Art. 43.In het takendecreet, wordt artikel 74, opgeheven bij het decreet van 14 november 2002, hersteld als volgt : "

Artikel 74.De personeelsleden, de leerlingen en de leden van de psycho-medisch-sociale centra en van de dienst voor gezondheidspromotie op school die in de inrichting werken, hebben toegang tot de lokalen gedurende en buiten de klasuren, naar gelang van de noodwendigheden van de dienst en de pedagogische activiteiten, volgens de regels die nader worden bepaald door het inrichtingshoofd, in het gemeenschapsonderwijs, en door de inrichtende macht, in het gesubsidieerd onderwijs.

De ouders en de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen hebben ook toegang tot de inrichting volgens de regels die nader worden bepaald door het inrichtingshoofd, in het gemeenschapsonderwijs, en door de inrichtende macht, in het gesubsidieerd onderwijs.

Tenzij het inrichtingshoofd, voor het gemeenschapsonderwijs, en de inrichtende macht, voor het gesubsidieerd onderwijs, of hun afgevaardigden, dit toelaat, hebben de ouders geen toegang tot de lokalen waar de lessen worden gegeven en waar de pedagogische activiteiten gedurende de duur ervan plaatsvinden.".

Art. 44.In het takendecreet, wordt artikel 75, dat bij het decreet van 14 november 2002 werd opgeheven, hersteld als volgt : "

Artikel 75.§ 1. Bij de uitoefening van hun ambt hebben ook toegang tot de schoolinrichtingen : 1° de afgevaardigden van de Regering;2° de afgevaardigden van de inrichtende macht, voor het onderwijs die ze organiseert;3° de inspecteurs en verificateurs die daartoe door de Franse Gemeenschap behoorlijk worden aangesteld;4° de inspecteurs en afgevaardigden van de verschillende diensten van de Staat, belast met de inspecties inzake volksgezondheid en de naleving van de arbeidswetgeving;5° de burgemeester en zijn afgevaardigden voor brandpreventie;6° de officieren van gerechtelijke politie, de ambtenaren van het openbaar ministerie, de leden van de politiediensten die in het bezit zijn van een bevel tot medebrenging, tot aanhouding of tot huiszoeking of in het geval van heterdaad of misdaad;7° het verzorgend en verplegend personeel waarvan het optreden werd gevraagd. Buiten dringende gevallen of op heterdaad ontdekte misdrijven of misdaden, meldt de in het eerste lid bedoelde persoon zich eerst bij het inrichtingshoofd of zijn afgevaardigde. § 2. In het niet confessioneel onderwijs, hebben de hoofden van de eredienst en hun afgevaardigden van rechtswege toegang tot de lokalen waar de cursus godsdienst wordt verstrekt, gedurende de duur ervan. Ze melden zich eerst bij het inrichtingshoofd of zijn afgevaardigde aan.".

Art. 45.In het takendecreet, wordt een nieuw artikel 75bis ingevoegd, luidend als volgt : "

Artikel 75bis.§ 1. Iedere persoon die niet beantwoordt aan de voorwaarden van de artikelen 74 en 75 moet het inrichtingshoofd of zijn afgevaardigde de toelating aanvragen om de lokalen binnen te treden. § 2. Iedere persoon die de lokalen van een schoolinrichting binnentreedt tegen de wil in van het inrichtingshoofd of zijn afgevaardigde, ofwel door personen te bedreigen of geweld tegen die te plegen, ofwel door braak, inklimming of valse sleutels, valt onder de toepassing van artikel 439 van het Strafwetboek. § 3. Gedurende de opendeurdagen, verliezen de schoolinrichtingen de bescherming die ze op grond van hun hoedanigheid als woonplaats genieten.".

Art. 46.In het takendecreet wordt een artikel 79bis ingevoegd, luidend als volgt : "Artikel 79 bis. § 1. De minderjarigen die illegaal op het grondgebied verblijven, voor zover ze daar samen met hun ouders of de persoon die de ouderlijke macht uitoefent, verblijven, worden in de schoolinrichtingen toegelaten.

De inrichtingshoofden krijgen ook de inschrijving van niet-begeleide minderjarigen. In dat geval zorgen ze ervoor dat de minderjarige de stappen onderneemt die leiden tot zijn begeleiding door een instelling opdat de ouderlijke macht in zijn voordeel zou worden uitgeoefend. § 2. De in paragraaf 1 bedoelde minderjarige leerling wordt in aanmerking genomen voor de berekening van de omkadering, de subsidies of de dotaties binnen de inrichting waarin hij school loopt. § 3. Als er twijfel bestaat, beslist de Regering : 1° of de leerling waarvan de leeftijd niet door de ouders kan worden bewezen al dan niet als een minderjarige kan worden beschouwd;2° of de leerling wordt beschouwd als samen verblijvend met zijn ouders of de persoon die de ouderlijke macht uitoefent;3° of de leerling als een regelmatige leerling kan worden beschouwd. § 4. Wanneer de in paragraaf 1 bedoelde minderjarige leerling die school loopt in een schoolinrichting die de in paragraaf 2 bedoelde bepaling geniet, meerderjarig wordt, wordt hij in aanmerking genomen voor de berekening van de omkadering, de subsidies of de dotaties binnen die inrichting, of, als hij die verlaat, binnen elke andere door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde inrichting voor secundair onderwijs waarin hij ingeschreven is, onder voorbehoud dat hij voldoet aan de voorwaarden om regelmatige leerling te zijn op het ogenblik van de telling.".

Art. 47.In het takendecreet, in artikel 81, 1° wordt paragraaf 1 aangevuld met de woorden "zoals bepaald in paragraaf 1/1";2° wordt een paragraaf 1/1 ingevoegd, luidend als volgt : " § 1/1.Worden inzonderheid beschouwd als feiten die een aantasting betekenen van de lichamelijke, psychologische, of morele integriteit van een lid van het personeel of van een leerling, of die de goede organisatie of de werking van de inrichting in het gedrang brengen, en die de definitieve uitsluiting kunnen verantwoorden : 1° elke slag of verwonding die door een leerling opzettelijk wordt toegebracht aan een andere leerling of een personeelslid binnen de inrichting of buiten deze, die een - zelfs in de tijd beperkte - arbeidsongeschiktheid of ongeschiktheid lessen te volgen tot gevolg heeft gehad;2° elke slag of verwonding die door een leerling opzettelijk wordt toegebracht aan een afgevaardigde van de inrichtende macht, aan een lid van de diensten inspectie of verificatie, aan een afgevaardigde van de Franse Gemeenschap, binnen of buiten de inrichting, die een - zelfs in de tijd beperkte - arbeidsongeschiktheid tot gevolg heeft gehad;3° elke slag of verwonding die door een leerling opzettelijk wordt toegebracht aan een persoon die toegelaten wordt de inrichting binnen te treden, wanneer die binnen de inrichting worden toegebracht, die een - zelfs in de tijd beperkte - arbeidsongeschiktheid tot gevolg heeft gehad;4° de invoering of de bezitting door een leerling binnen een schoolinrichting of in de naaste omgeving van die inrichting, van ongeacht welk wapen dat, in ongeacht welke categorie, bedoeld is in artikel 3 van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van den handel in en het dragen van wapenen en op den handel in munitie;5° elk gebruik, buiten zijn didactische bestemming, van een instrument dat wordt gebruikt in het kader van sommige cursussen of pedagogische activiteiten, wanneer dat instrument verwondingen kan veroorzaken;6° de invoering of de bezitting door een leerling, zonder wettige reden, binnen een schoolinrichting of in de naaste omgeving van die inrichting, van elk instrument, werktuig, snijdend, stekend of kneuzend voorwerp;7° de invoering of de bezitting door een leerling binnen een schoolinrichting of in de naaste omgeving van die inrichting, van ontvlambare stoffen, behalve als deze noodzakelijk zijn voor de pedagogische activiteiten en uitsluitend in het kader van deze worden gebruikt;8° de invoering of de bezitting door een leerling binnen een schoolinrichting of in de naaste omgeving van die inrichting, van stoffen bedoeld in artikel 1 van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica, in overtreding van de regels die worden vastgesteld voor het gebruik van, de handel in en het opslaan van die stoffen;9° het afpersen, door middel van geweld of bedreigingen, van gelden, waarden, voorwerpen, beloften van een andere leerling of een personeelslid binnen of buiten de inrichting;10° het opzettelijke en herhaaldelijke uitoefenen op een andere leerling of op een personeelslid van een onverdraaglijke psychologische druk door scheldwoorden, beledigingen, laster of eerroof. De Regering stelt de bijzondere nadere regels vast voor de toepassing van het eerste lid, 4°, in de inrichtingen die een optie "wapensector" organiseren.".

Art. 48.In het takendecreet wordt in artikel 81 een paragraaf 1/2 ingevoegd, luidend als volgt : " § 1/2. Wanneer het bewijs kan worden geleverd dat een persoon die niet behoort tot de inrichting één van de in paragraaf 1/1 bedoelde ernstige feiten heeft gepleegd op aansporing van of met de medeplichtigheid van een leerling van de inrichting, wordt deze beschouwd als iemand die een feit heeft gepleegd dat de lichamelijke, psychologische of morele integriteit van een personeelslid of van een leerling aantast of dat de organisatie of de goede werking van een schoolinrichting in het gedrang brengt, wat de in de artikelen 81 en 89 van het decreet bedoelde definitieve uitsluiting kan rechtvaardigen.

Het eerste lid is niet van toepassing op een minderjarige leerling, voor een feit dat door zijn ouders of de persoon die de ouderlijke macht uitoefent wordt gepleegd.

Art. 49.In het takendecreet worden de artikelen 84, 85, 92 en 93 opgeheven.

Art. 50.In het takendecreet, in artikel 89, 1° wordt paragraaf 1 aangevuld met de woorden "zoals bepaald in paragraaf 1/1";2° wordt een paragraaf 1/1 ingevoegd, luidend als volgt : " § 1/1.Worden inzonderheid beschouwd als feiten die een aantasting betekenen van de lichamelijke, psychologische, of morele integriteit van een lid van het personeel of van een leerling, of die de goede organisatie of de werking van de inrichting in het gedrang brengen en die de definitieve uitsluiting kunnen rechtvaardigen : 1° elke slag of verwonding die door een leerling opzettelijk wordt toegebracht aan een andere leerling of een personeelslid binnen de inrichting of buiten deze, die een - zelfs in de tijd beperkte - arbeidsongeschiktheid of ongeschiktheid lessen te volgen tot gevolg heeft gehad;2° elke slag of verwonding die door een leerling opzettelijk wordt toegebracht aan een afgevaardigde van de inrichtende macht, aan een lid van de diensten inspectie of verificatie, aan een afgevaardigde van de Franse Gemeenschap, binnen of buiten de inrichting, die een - zelfs in de tijd beperkte - arbeidsongeschiktheid tot gevolg heeft gehad;3° elke slag of verwonding die door een leerling opzettelijk wordt toegebracht aan een persoon die toegelaten wordt de inrichting binnen te treden, wanneer die binnen de inrichting worden toegebracht, die een - zelfs in de tijd beperkte - arbeidsongeschiktheid tot gevolg heeft gehad;4° de invoering of de bezitting door een leerling binnen een schoolinrichting of in de naaste omgeving van die inrichting, van ongeacht welk wapen dat, in ongeacht welke categorie, bedoeld is in artikel 3 van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van den handel in en het dragen van wapenen en op den handel in munitie;5° elk gebruik, buiten zijn didactische bestemming, van een instrument dat wordt gebruikt in het kader van sommige cursussen of pedagogische activiteiten, wanneer dat instrument verwondingen kan veroorzaken;6° de invoering of de bezitting door een leerling, zonder wettige reden, binnen een schoolinrichting of in de naaste omgeving van die inrichting, van elk instrument, werktuig, snijdend, stekend of kneuzend voorwerp;7° de invoering of de bezitting door een leerling binnen een schoolinrichting of in de naaste omgeving van die inrichting, van ontvlambare stoffen, behalve als deze noodzakelijk zijn voor de pedagogische activiteiten en uitsluitend in het kader van deze worden gebruikt;8° de invoering of de bezitting door een leerling binnen een schoolinrichting of in de naaste omgeving van die inrichting, van stoffen bedoeld in artikel 1 van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica, in overtreding van de regels die worden vastgesteld voor het gebruik van, de handel in en het opslaan van die stoffen;9° het afpersen, door middel van geweld of bedreigingen, van gelden, waarden, voorwerpen, beloften van een andere leerling of een personeelslid binnen of buiten de inrichting;10° het opzettelijke en herhaaldelijke uitoefenen op een andere leerling of op een personeelslid van een onverdraaglijke psychologische druk door scheldwoorden, beledigingen, laster of eerroof. De Regering stelt de bijzondere nadere regels vast voor de toepassing van het eerste lid, 4°, in de inrichtingen die een optie "wapensector" organiseren.".

Art. 51.In het takendecreet, wordt in artikel 89, een paragraaf 1/1 ingevoegd, luidend als volgt : " § 1/2. Wanneer het bewijs kan worden geleverd dat een persoon die niet behoort tot de inrichting één van de in paragraaf 1/1 bedoelde ernstige feiten heeft gepleegd op aansporing van of met de medeplichtigheid van een leerling van de inrichting, wordt deze beschouwd als iemand die een feit heeft gepleegd dat de lichamelijke, psychologische of morele integriteit van een personeelslid of van een leerling aantast of dat de organisatie of de goede werking van een schoolinrichting in het gedrang brengt, wat de in de artikelen 81 en 89 van het decreet bedoelde definitieve uitsluiting kan rechtvaardigen.

Het eerste lid is niet van toepassing op een minderjarige leerling, voor een feit dat door zijn ouders of de persoon die de ouderlijke macht uitoefent, wordt gepleegd.". Afdeling II. - Wijziging van het decreet van 14 juli 2006 betreffende

de opdrachten, programma's en activiteitenverslag van de psycho-medisch-sociale centra

Art. 52.In het decreet van 14 juli 2006 betreffende de opdrachten, programma's en activiteitenverslag van de psycho-medisch-sociale centra, wordt een artikel 9/1 ingevoegd, luidend als volgt : "

Artikel 9/1.De psycho-medisch-sociale centra verlenen hun medewerking voor het beleid en de stelsels die worden ingesteld bij het decreet van 21 november 2013 tot organisatie van een gemeenschappelijk beleid inzake leerplichtonderwijs en hulpverlening aan de jeugd ter bevordering van het welzijn van jongeren op school, schoolherinschakeling, preventie van geweld op school en begeleiding van de studieoriëntatie, en bij het decreet van 21 november 2013 tot organisatie van verschillende schoolstelsels ter bevordering van het welzijn van jongeren op school, schoolherinschakeling, preventie van geweld op school en begeleiding van studieoriëntatie.".

Art. 53.In hetzelfde decreet, in artikel 10, 1° wordt het enige lid paragraaf 1;2° wordt een paragraaf 2 ingevoegd, luidend als volgt : " § 2.Het psycho-medisch-sociaal centrum oefent die activiteiten uit in de interface tussen : 1° de interne hulpmiddelen van de school en deze die in de familiale en persoonlijke omgeving van de leerling kunnen worden aangewend; 2° de interne hulpmiddelen van de school en de hulpmiddelen van de buitenschoolse wereld die zowel op individueel als op collectief niveau kunnen worden aangewend.".

Art. 54.In hetzelfde decreet, wordt de titel van afdeling IX van hoofdstuk II "Gezondheidsopvoeding" vervangen door "Opvoeding tot gezondheid en welzijn van jongeren op school en promotie ervan".

Art. 55.In hetzelfde decreet wordt artikel 31 vervangen als volgt : " § 1. Samen met de directie van de schoolinrichting en met het onderwijsteam, alsook, in voorkomend geval, met de dienst voor gezondheidspromotie op school, stelt het centrum een project en acties voor de promotie van gezondheid en welzijn van jongeren op school in of zorgt het voor de toepassing ervan. § 2. De in paragraaf 1 bedoelde projecten en acties hebben tot doel een schoolsfeer te creëren die gunstig is voor het welzijn van leerlingen, de samenleving en de sereniteit die bevorderlij is voor de leerprocessen, inzonderheid door : 1° leerlingen inlichtingen te verschaffen betreffende hun keuze en hun keuzepotentieel te ontwikkelen;2° het collectieve handelingspotentieel te verhogen, opdat de schoolgemeenschap zelf de veranderingen in het werk zou stellen die bevorderlijk zijn voor haar leefomgeving. § 3. Voorrang wordt verleend aan de projecten die de nadruk leggen op een globale en duurzame aanpak van gezondheid en welzijn van jongeren, waarbij de lichamelijke, psychologische en sociale aspecten in aanmerking worden genomen. § 4. De activiteiten hebben betrekking op zowel individuele begeleiding als op collectieve acties. Ze beogen gelijktijdig het zoeken naar oplossingen voor vastgestelde problemen en preventie.". HOOFDSTUK II. - Wijziging van de decreten en besluiten die het statuut van de leden van het onderwijspersoneel vaststellen Onderafdeling I. - Wijziging van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch onderwijs, onderwijs voor sociale promotie en kunstonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen

Art. 56.In het derde lid van artikel 51 bis van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch onderwijs, onderwijs voor sociale promotie en kunstonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, wordt het woord "octies" vervangen door het woord "quindecies".

Art. 57.In hetzelfde koninklijk besluit van 22 maart 1969, wordt in hoofdstuk III bis een afdeling 7 ingevoegd, luidend als volgt : "Gerechtelijke bijstand en psychologische bijstand".

Art. 58.In hetzelfde koninklijk besluit van 22 maart 1969, wordt een afdeling 7 ingevoegd, luidend als volgt : "

Artikel 51nonies.In deze afdeling, wordt onder "slachtoffer" verstaan het "personeelslid dat het slachtoffer is van een gewelddaad", zoals bepaald in artikel 51bis, tweede lid van dit besluit.

Artikel 51decies.§ 1. Het slachtoffer kan de gerechtelijke bijstand bedoeld in § 2 en/of psychologische bijstand bedoeld in § 3 genieten. § 2. Gerechtelijke bijstand is de gehele of gedeeltelijke tenlasteneming van de erelonen en kosten van advocaten en rechtspleging. § 3. Psychologische bijstand is de tenlasteneming van hoogstens twaalf consultaties bij een psycholoog en/of een psychiater om onmiddellijk hulp te verlenen aan het slachtoffer van een gewelddaad. § 4. Het slachtoffer doet een beroep op de bijstandsverlener die het mag kiezen.

In voorkomend geval, deelt de betrokken dienst bedoeld in artikel 51 terdecies hem, op zijn aanvraag en bij wijze van inlichting, een lijst van de bijstandsverleners op wie in geval van agressie een beroep kan worden gedaan, mee.

Het slachtoffer deelt die betrokken dienst de naam van de door hem gekozen bijstandsverlener(s) mee die zijn dossier behandelt(en).

Artikel 51undecies.§ 1. Behoudens bij behoorlijk bewezen overmacht, dient het slachtoffer de aanvraag om gerechtelijke bijstand, bedoeld in artikel 51decies, § 2, en/of psychologische bijstand, bedoeld in artikel 51decies, § 3, in bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, binnen de maand volgend op het gebeuren van de feiten.

Wanneer het slachtoffer zijn ambt in het leerplichtonderwijs uitoefent, wordt de aanvraag bedoeld in het eerste lid bij de algemene directie leerplichtonderwijs ingediend. Deze kijkt na of de voorwaarden van deze afdeling vervuld zijn.

Wanneer het slachtoffer zijn ambt binnen een instelling voor hoger onderwijs buiten de universiteit uitoefent, wordt de in het eerste lid bedoelde aanvraag bij de algemene directie niet verplicht onderwijs ingediend. § 2. Binnen dezelfde termijn, zendt het slachtoffer eveneens bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, een afschrift van de aanvraag aan het inrichtingshoofd, voor de inrichtingen, aan de directeur, voor de psycho-medisch-sociale centra. § 3. De aanvraag vermeldt, voor zover dit mogelijk is, de oorzaken, de omstandigheden en de waarschijnlijke gevolgen van de gewelddaad. § 4. Het hoofd van de inrichting of de directeur van het centrum, naargelang van het geval, waaronder het slachtoffer ressorteert, deelt zijn advies mee aan de algemene directie leerplichtonderwijs of aan de algemene directie niet verplicht onderwijs, binnen de drie werkdagen na de ontvangst van het afschrift van de aanvraag bedoeld in § 1.

Het deelt het slachtoffer een afschrift van zijn advies mee.

Artikel 51duodecies.§ 1. De beslissing tot verlening van bijstand wordt genomen, binnen vijftien werkdagen volgend op de ontvangst van de in artikel 51undecies bedoelde aanvraag, door de algemene directie leerplichtonderwijs of de algemene directie niet-verplicht onderwijs, naar gelang van het geval. § 2. Bij weigering, kan het personeelslid of, bij behoorlijk aangetoonde overmacht, kan zijn vertegenwoordiger, via de algemene directie leerplichtonderwijs of via de algemene directie niet verplicht onderwijs, een beroep indienen bij de functionele minister.

Het beroep wordt bij aangetekend schrijven ingediend binnen vijftien werkdagen volgend op de kennisgeving van de weigering van de bijstandsverlening.

Artikel 51ter decies. Het beheer van gerechtelijke bijstand en psychologische bijstand ressorteert onder de algemene dienst Steun van de algemene directie audit, coördinatie en steun. § 2. In deze afdeling, onder betrokken dienst, wordt de in § 1 bedoelde dienst verstaan.

Artikel 51quaterdecies.§ 1. De tenlasteneming van de erelonen en de kosten voor advocaten, de rechtspleging en de psychologische en/of psychiatrische raadpleging kan, voor elk schadegeval, niet hoger zijn dan 3.718,40 euro. § 2. Bij wijze van uitzonderlijke maatregel, op behoorlijk met redenen omklede aanvraag, kan de tenlasteneming niet hoger zijn dan het in paragraaf 1 vastgestelde maximumbedrag. Het slachtoffer, of, bij behoorlijk aangetoonde overmacht, zijn vertegenwoordiger, dient deze behoorlijk met redenen omklede aanvraag bij de betrokken dienst in. § 3. De kosten die geheel of gedeeltelijk worden terugbetaald of ten laste genomen ofwel krachtens een andere wettelijke of verordeningsbepaling, ofwel krachtens een verzekeringsovereenkomst die door het slachtoffer of door elke derde wordt aangegaan, geven geen recht op een tegemoetkoming. § 4. Het slachtoffer deelt de betrokken dienst de stukken ter verantwoording van de uitgaven mee. Daartoe worden inzonderheid de dagvaardingen en in het algemeen alle gerechtelijke akten binnen 10 werkdagen na hun uitreiking of betekening meegedeeld. § 5. De betrokken dienst beoordeelt de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde kosten- en ereloonstaten. Deze dienst kan zijn tegemoetkoming weigeren of onderbreken, wanneer hij van oordeel is dat : 1° de stelling van het slachtoffer niet geloofwaardig is;2° het transactievoorstel van de derde billijk en serieus is;3° een beroep tegen een rechterlijke beslissing niet veel kans op succes maakt. De kosten en erelonen waarvoor de betrokken dienst bij toepassing van het vorige lid zijn tegemoetkoming heeft geweigerd of onderbroken, worden overeenkomstig deze titel ten laste genomen, wanneer het slachtoffer gelijk krijgt bij een definitieve beslissing waarvoor geen beroep voor een gewoon of buitengewoon gerecht kan worden aangetekend.

Tegen de beslissing van de betrokken dienst zijn tegemoetkoming te weigeren of te onderbreken kan beroep worden aangetekend bij de minister bevoegd voor de ambtenarenzaken binnen een termijn van 20 werkdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van die beslissing.

Artikel 51quindecies.De kredieten die noodzakelijk zijn voor het dekken van de uitgaven die door de gerechtelijke bijstand en de psychologische bijstand worden voortgebracht, worden opgenomen in de begroting van de Franse Gemeenschap in het kader van de kredieten die aan de betrokken dienst worden toegekend.".

Onderafdeling II. - Wijziging aan het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters, de leraars en de inspecteurs katholieke, protestantse, Israëlitische, orthodoxe en islamitische godsdienst van de onderwijsinrichtingen van de Franse Gemeenschap,

Art. 59.In het derde lid van artikel 37quater van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters, de leraars en de inspecteurs katholieke, protestantse, Israëlitische, orthodoxe en islamitische godsdienst van de onderwijsinrichtingen van de Franse Gemeenschap, wordt het cijfer "37decies" vervangen door het woord : "37sedecies".

Art. 60.In het koninklijk besluit van 25 oktober 1971, wordt in hoofdstuk VIIIter een afdeling 7 ingevoegd, luidend als volgt : "Gerechtelijke bijstand en psychologische bijstand".

Art. 61.Afdeling 7, bij artikel 60 ingevoegd in hoofdstuk VIIIter van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971, luidt als volgt : "

Artikel 37undecies.In deze afdeling wordt onder "slachtoffer" verstaan, het "personeelslid dat het slachtoffer is van een gewelddaad" zoals bepaald in artikel 37quater, tweede lid.

Artikel 37duodecies.§ 1. Het slachtoffer kan de gerechtelijke bijstand bedoeld in § 2 en/of psychologische bijstand bedoeld in § 3 genieten. § 2. Gerechtelijke bijstand is de gehele of gedeeltelijke tenlasteneming van de erelonen en kosten van advocaten en rechtspleging. § 3. Psychologische bijstand is de tenlasteneming van hoogstens twaalf consultaties bij een psycholoog en/of een psychiater om onmiddellijk hulp te verlenen aan het slachtoffer van een gewelddaad. § 4. Het slachtoffer doet een beroep op de bijstandsverlener die het mag kiezen.

In voorkomend geval, deelt de betrokken dienst bedoeld in artikel 51terdecies hem, op zijn aanvraag en bij wijze van inlichting, een lijst van de bijstandsverleners op wie in geval van agressie een beroep kan worden gedaan, mee.

Het slachtoffer deelt die betrokken dienst de naam van de door hem gekozen bijstandsverlener(s) mee die zijn dossier behandelt(en).

Artikel 37terdecies.§ 1. Behoudens bij behoorlijk bewezen overmacht, dient het slachtoffer de aanvraag om gerechtelijke bijstand, bedoeld in artikel 51decies, § 2, en/of psychologische bijstand, bedoeld in artikel 51decies, § 3, in bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, binnen de maand volgend op het gebeuren van de feiten.

Wanneer het slachtoffer zijn ambt in het leerplichtonderwijs uitoefent, wordt de aanvraag bedoeld in het eerste lid bij de algemene directie leerplichtonderwijs ingediend. Deze kijkt na of de voorwaarden van deze afdeling vervuld zijn.

Wanneer het slachtoffer zijn ambt binnen een instelling voor hoger onderwijs buiten de universiteit uitoefent, wordt de in het eerste lid bedoelde aanvraag bij de algemene directie niet verplicht onderwijs ingediend. § 2. Binnen dezelfde termijn, zendt het slachtoffer eveneens bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, een afschrift van de aanvraag aan het inrichtingshoofd, voor de inrichtingen, aan de directeur, voor de psycho-medisch-sociale centra. § 3. De aanvraag vermeldt, voor zover dit mogelijk is, de oorzaken, de omstandigheden en de waarschijnlijke gevolgen van de gewelddaad. § 4. Het hoofd van de inrichting of de directeur van het centrum, naargelang van het geval, waaronder het slachtoffer ressorteert, deelt zijn advies mee aan de algemene directie leerplichtonderwijs of aan de algemene directie niet verplicht onderwijs, binnen de drie werkdagen na de ontvangst van het afschrift van de aanvraag bedoeld in § 1.

Het deelt het slachtoffer een afschrift van zijn advies mee.

Artikel 37quater decies. § 1. De beslissing tot verlening van bijstand wordt genomen, binnen vijftien werkdagen volgend op de ontvangst van de in artikel 51undecies, § 1, bedoelde aanvraag, door de algemene directie leerplichtonderwijs of de algemene directie niet-verplicht onderwijs, naar gelang van het geval. § 2. Bij weigering, kan het personeelslid of, bij behoorlijk aangetoonde overmacht, kan zijn vertegenwoordiger, via de algemene directie leerplichtonderwijs of de directie niet verplicht onderwijs, een beroep indienen bij de functionele minister.

Het beroep wordt bij aangetekend schrijven ingediend binnen vijftien werkdagen volgend op de kennisgeving van de weigering van de bijstandsverlening.

Artikel 37 quindecies. § 1. Het beheer van gerechtelijke bijstand en psychologische bijstand ressorteert onder de algemene dienst Steun van de algemene directie audit, coördinatie en steun. § 2. In deze afdeling, onder betrokken dienst, wordt de in § 1 bedoelde dienst verstaan.

Artikel 37sedecies.§ 1. De tenlasteneming van de erelonen en de kosten voor advocaten, de rechtspleging en de psychologische en/of psychiatrische raadpleging kan, voor elk schadegeval, niet hoger zijn dan 3.718,40 euro. § 2. Bij wijze van uitzonderlijke maatregel, op behoorlijk met redenen omklede aanvraag, kan de tenlasteneming niet hoger zijn dan het in paragraaf 1 vastgestelde maximumbedrag. Het slachtoffer, of, bij behoorlijk aangetoonde overmacht, zijn vertegenwoordiger, dient deze behoorlijk met redenen omklede aanvraag bij de betrokken dienst in. § 3. De kosten die geheel of gedeeltelijk worden terugbetaald of ten laste genomen ofwel krachtens een andere wettelijke of verordeningsbepaling, ofwel krachtens een verzekeringsovereenkomst die door het slachtoffer of door elke derde wordt aangegaan, geven geen recht op een tegemoetkoming. § 4. Het slachtoffer deelt de betrokken dienst de stukken ter verantwoording van de uitgaven mee. Daartoe worden inzonderheid de dagvaardingen en in het algemeen alle gerechtelijke akten binnen 10 werkdagen na hun uitreiking of betekening meegedeeld. § 5. De betrokken dienst beoordeelt de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde kosten- en ereloonstaten. Deze dienst kan zijn tegemoetkoming weigeren of onderbreken, wanneer hij van oordeel is dat : 1° de stelling van het slachtoffer niet geloofwaardig is;2° het transactievoorstel van de derde billijk en serieus is;3° een beroep tegen een rechterlijke beslissing niet veel kans op succes maakt. De kosten en erelonen waarvoor de betrokken dienst bij toepassing van het vorige lid zijn tegemoetkoming heeft geweigerd of onderbroken, worden overeenkomstig deze titel ten laste genomen, wanneer het slachtoffer gelijk krijgt bij een definitieve beslissing waarvoor geen beroep voor een gewoon of buitengewoon gerecht kan worden aangetekend.

Tegen de beslissing van de betrokken dienst zijn tegemoetkoming te weigeren of te onderbreken kan beroep worden aangetekend bij de minister bevoegd voor de ambtenarenzaken binnen een termijn van 20 werkdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van die beslissing.

Artikel 37 septies decies. De kredieten die noodzakelijk zijn voor het dekken van de uitgaven die door de gerechtelijke bijstand en de psychologische bijstand worden voortgebracht, worden opgenomen in de begroting van de Franse Gemeenschap in het kader van de kredieten die aan de betrokken dienst worden toegekend.".

Onderafdeling III. - Wijziging van het koninklijk besluit van 27 juli 1979 tot vaststelling van het statuut van de leden van het technisch personeel van de psycho-medisch-sociale centra van de Franse Gemeenschap, van gespecialiseerde psycho-medisch-sociale centra van de Franse Gemeenschap, van de vormingscentra van de Franse Gemeenschap en van de inspectiedienst belast met toezicht op de psycho-medisch-sociale centra, de diensten voor studie- en beroepsoriëntering en de gespecialiseerde psycho-medisch-sociale centra

Art. 62.In het koninklijk besluit van 27 juli 1979 tot vaststelling van het statuut van de leden van het technisch personeel van de psycho-medisch-sociale centra van de Franse Gemeenschap, van gespecialiseerde psycho-medisch-sociale centra van de Franse Gemeenschap, van de vormingscentra van de Franse Gemeenschap en van de inspectiedienst belast met toezicht op de psycho-medisch-sociale centra, de diensten voor studie- en beroepsoriëntering en de gespecialiseerde psycho-medisch-sociale centra, wordt in hoofdstuk II een afdeling 1/1 ingevoegd, luidend als volgt : "Gerechtelijke bijstand en psychologische bijstand".

Art. 63.Afdeling 1/1, bij artikel 62 ingevoegd in hoofdstuk II van hetzelfde koninklijk besluit van 27 juli 1979, luidt als volgt : "Artikel 2 sexies. In deze afdeling wordt onder "gewelddaad" verstaan, elke kwaadwillige lichamelijke en/of psychologische aantasting, elke agressie van raciale, godsdienstige of seksistische aard tegen een personeelslid alsook elke beschadiging van de goederen van dat lid door ofwel een leerling, ofwel door een derde op aansporing van of met de medeplichtigheid van deze, ofwel door een lid van het gezin van de leerling of elke persoon die onder hetzelfde dak woont, in het kader van de dienst van het personeelslid of in rechtstreeks verband met deze, ofwel door elke andere persoon die niet tot de inrichting behoort, voor zover het slachtoffer het bewijs levert dat de gewelddaad in rechtstreeks verband met de dienst staat.

Onder "slachtoffer" dient te worden verstaan : het bij dit decreet bedoelde personeelslid, dat erkend wordt als slachtoffer van een arbeidsongeval voortvloeiend uit de daad bepaald in het eerste lid door de dienst van de Regering bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding, ten gunste van de personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk.".

Artikel 2 septies. § 1. Het slachtoffer kan de gerechtelijke bijstand bedoeld in § 2 en/of psychologische bijstand bedoeld in § 3 genieten. § 2. Gerechtelijke bijstand is de gehele of gedeeltelijke tenlasteneming van de erelonen en kosten van advocaten en rechtspleging. § 3. Psychologische bijstand is de tenlasteneming van hoogstens twaalf consultaties bij een psycholoog en/of een psychiater om onmiddellijk hulp te verlenen aan het slachtoffer van een gewelddaad. § 4. De gerechtelijke bijstand en de psychologische bijstand, zoals bepaald in de paragrafen 2 en 3, worden alleen verleend voor zover het slachtoffer een klacht heeft ingediend bij de gerechtelijke overheid. § 5. Het slachtoffer doet een beroep op de bijstandsverlener die het mag kiezen.

In voorkomend geval, deelt de betrokken dienst bedoeld in artikel 51 terdecies hem, op zijn aanvraag en bij wijze van inlichting, een lijst van de bijstandsverleners op wie in geval van agressie een beroep kan worden gedaan, mee.

Het slachtoffer deelt die betrokken dienst de naam van de door hem gekozen bijstandsverlener(s) mee die zijn dossier behandelt(en).

Artikel 2 octies. § 1. Behoudens bij behoorlijk bewezen overmacht, dient het slachtoffer de aanvraag om gerechtelijke bijstand, bedoeld in artikel 51 decies, § 2, en/of psychologische bijstand, bedoeld in artikel 51 decies, § 3, in bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, binnen de maand volgend op het gebeuren van de feiten.

Wanneer het slachtoffer zijn ambt in het leerplichtonderwijs uitoefent, wordt de aanvraag bedoeld in het eerste lid bij de algemene directie leerplichtonderwijs ingediend. Deze kijkt na of de voorwaarden van deze afdeling vervuld zijn.

Wanneer het slachtoffer zijn ambt binnen een instelling voor hoger onderwijs buiten de universiteit uitoefent, wordt de in het eerste lid bedoelde aanvraag bij de algemene directie niet verplicht onderwijs ingediend. § 2. Binnen dezelfde termijn, zendt het slachtoffer, eveneens bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, een afschrift van de aanvraag aan het inrichtingshoofd, voor de inrichtingen, aan de directeur, voor de psycho-medisch-sociale centra. § 3. De aanvraag vermeldt, voor zover dit mogelijk is, de oorzaken, de omstandigheden en de waarschijnlijke gevolgen van de gewelddaad. § 4. Het hoofd van de inrichting of de directeur van het centrum, naargelang van het geval, waaronder het slachtoffer ressorteert, deelt zijn advies mee aan de algemene directie leerplichtonderwijs of aan de algemene directie niet verplicht onderwijs, binnen de drie werkdagen na de ontvangst van het afschrift van de aanvraag bedoeld in § 1.

Het deelt het slachtoffer een afschrift van zijn advies mee.

Artikel 2 nonies. § 1. De beslissing tot verlening van bijstand wordt genomen, binnen vijftien werkdagen volgend op de ontvangst van de in artikel 51 undecies, § 1, bedoelde aanvraag, door de algemene directie leerplichtonderwijs of de algemene directie niet-verplicht onderwijs, naar gelang van het geval. § 2. Bij weigering, kan het personeelslid of, bij behoorlijk aangetoonde overmacht, kan zijn vertegenwoordiger, via de algemene directie leerplichtonderwijs of de algemene directie niet verplicht onderwijs, een beroep indienen bij de functionele minister.

Het beroep wordt bij aangetekend schrijven ingediend binnen vijftien werkdagen volgend op de kennisgeving van de weigering van de bijstandsverlening.

Artikel 2 decies. § 1. Het beheer van gerechtelijke bijstand en psychologische bijstand ressorteert onder de algemene dienst Steun van de algemene directie audit, coördinatie en steun. § 2. In deze afdeling, onder betrokken dienst, wordt de in § 1 bedoelde dienst verstaan.

Artikel 2 undecies. § 1. De tenlasteneming van de erelonen en de kosten voor advocaten, de rechtspleging en de psychologische en/of psychiatrische raadpleging kan, voor elk schadegeval, niet hoger zijn dan 3.718,40 euro. § 2. Bij wijze van uitzonderlijke maatregel, op behoorlijk met redenen omklede aanvraag, kan de tenlasteneming niet hoger zijn dan het in paragraaf 1 vastgestelde maximumbedrag. Het slachtoffer, of, bij behoorlijk aangetoonde overmacht, zijn vertegenwoordiger, dient deze behoorlijk met redenen omklede aanvraag bij de betrokken dienst in. § 3. De kosten die geheel of gedeeltelijk worden terugbetaald of ten laste genomen ofwel krachtens een andere wettelijke of verordeningsbepaling, ofwel krachtens een verzekeringsovereenkomst die door het slachtoffer of door elke derde wordt aangegaan, geven geen recht op een tegemoetkoming. § 4. Het slachtoffer deelt de betrokken dienst de stukken ter verantwoording van de uitgaven mee. Daartoe worden inzonderheid de dagvaardingen en in het algemeen alle gerechtelijke akten binnen 10 werkdagen na hun uitreiking of betekening meegedeeld. § 5. De betrokken dienst beoordeelt de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde kosten- en ereloonstaten. Deze dienst kan zijn tegemoetkoming weigeren of onderbreken, wanneer hij van oordeel is dat : 1° de stelling van het slachtoffer niet geloofwaardig is;2° het transactievoorstel van de derde billijk en serieus is;3° een beroep tegen een rechterlijke beslissing niet veel kans op succes maakt. De kosten en erelonen waarvoor de betrokken dienst bij toepassing van het vorige lid zijn tegemoetkoming heeft geweigerd of onderbroken, worden echter overeenkomstig deze titel ten laste genomen, wanneer het slachtoffer gelijk krijgt bij een definitieve beslissing waarvoor geen beroep voor een gewoon of buitengewoon gerecht kan worden aangetekend.

Tegen de beslissing van de betrokken dienst zijn tegemoetkoming te weigeren of te onderbreken kan beroep worden aangetekend bij de minister bevoegd voor de ambtenarenzaken binnen een termijn van 20 werkdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van die beslissing.

Artikel 2 duodecies. De kredieten die noodzakelijk zijn voor het dekken van de uitgaven die door de gerechtelijke bijstand en de psychologische bijstand worden voortgebracht, worden opgenomen in de begroting van de Franse Gemeenschap in het kader van de kredieten die aan de betrokken dienst worden toegekend.".

Onderafdeling IV. - Wijziging van het decreet van 1 februari 1993 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs

Art. 64.In het decreet van 1 februari 1993 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs, wordt een hoofdstuk II/1 ingevoegd, luidend als volgt : "Gerechtelijke bijstand en psychologische bijstand".

Art. 65.Het nieuwe hoofdstuk II/1, bij artikel 64 ingevoegd in hetzelfde decreet van 1 februari 1993, luidt als volgt : "Artikel 27 ter. In dit decreet wordt onder "slachtoffer" verstaan, het "personeelslid dat het slachtoffer is van een gewelddaad" zoals bepaald in paragraaf 2 van artikel 34 quinquies.

Artikel 27 quater. § 1. Het slachtoffer kan de gerechtelijke bijstand bedoeld in § 2 en/of psychologische bijstand bedoeld in § 3 genieten. § 2. Gerechtelijke bijstand is de gehele of gedeeltelijke tenlasteneming van de erelonen en kosten van advocaten en rechtspleging. § 3. Psychologische bijstand is de tenlasteneming van hoogstens twaalf consultaties bij een psycholoog en/of een psychiater om onmiddellijk hulp te verlenen aan het slachtoffer van een gewelddaad. § 4. De gerechtelijke bijstand en de psychologische bijstand, zoals bepaald in de paragrafen 2 en 3, worden alleen verleend voor zover het slachtoffer een klacht heeft ingediend bij de gerechtelijke overheid. § 5. Het slachtoffer doet een beroep op de bijstandsverlener die het mag kiezen.

In voorkomend geval, deelt de betrokken dienst bedoeld in artikel 34 sexies/6 hem, op zijn aanvraag en bij wijze van inlichting, een lijst van de bijstandsverleners op wie in geval van agressie een beroep kan worden gedaan, mee.

Het slachtoffer deelt die betrokken dienst de naam van de door hem gekozen bijstandsverlener(s) mee die zijn dossier behandelt(en).

Artikel 27 quinquies. § 1. Behoudens bij behoorlijk bewezen overmacht, dient het slachtoffer de aanvraag om gerechtelijke bijstand en/of psychologische bijstand, bedoeld in artikel 34 sexies/2, in bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, binnen de maand volgend op het gebeuren van de feiten.

Wanneer het slachtoffer zijn ambt in het leerplichtonderwijs uitoefent, wordt de aanvraag bedoeld in het eerste lid bij de algemene directie leerplichtonderwijs ingediend. Deze kijkt na of de voorwaarden van deze afdeling vervuld zijn.

Wanneer het slachtoffer zijn ambt binnen een instelling voor hoger onderwijs buiten de universiteit uitoefent, wordt de in het eerste lid bedoelde aanvraag bij de algemene directie niet verplicht onderwijs ingediend. § 2. Binnen dezelfde termijn, zendt het slachtoffer eveneens bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, een afschrift van de aanvraag aan zijn inrichtende macht. § 3. De aanvraag vermeldt, voor zover dit mogelijk is, de oorzaken, de omstandigheden en de waarschijnlijke gevolgen van de gewelddaad. § 4. De inrichtende macht waaronder het slachtoffer ressorteert, deelt zijn advies mee aan de algemene directie leerplichtonderwijs of aan de algemene directie niet verplicht onderwijs, binnen de drie werkdagen na de ontvangst van het afschrift van de aanvraag bedoeld in § 1.

Het deelt het slachtoffer een afschrift van zijn advies mee.

Artikel 27 sexies. § 1. De beslissing tot verlening van bijstand wordt genomen, binnen vijftien werkdagen volgend op de ontvangst van de in artikel 34 sexies/3, bedoelde aanvraag, door de algemene directie leerplichtonderwijs of de algemene directie niet-verplicht onderwijs, naar gelang van het geval. § 2. Bij weigering, kan het personeelslid of, bij behoorlijk aangetoonde overmacht, zijn vertegenwoordiger, via de algemene directie leerplichtonderwijs of de directie niet verplicht onderwijs, een beroep indienen bij de functionele minister.

Het beroep wordt bij aangetekend schrijven ingediend binnen vijftien werkdagen volgend op de kennisgeving van de weigering van de bijstandsverlening.

Artikel 27 septies. § 1. Het beheer van gerechtelijke bijstand en psychologische bijstand ressorteert onder de algemene dienst Steun van de algemene directie audit, coördinatie en steun. § 2. In deze afdeling, onder betrokken dienst, wordt de in § 1 bedoelde dienst verstaan.

Artikel 27 octies. § 1. De tenlasteneming van de erelonen en de kosten voor advocaten, de rechtspleging en de psychologische en/of psychiatrische raadpleging kan, voor elk schadegeval, niet hoger zijn dan 3.718,40 euro. § 2. Bij wijze van uitzonderlijke maatregel, op behoorlijk met redenen omklede aanvraag, kan de tenlasteneming niet hoger zijn dan het in paragraaf 1 vastgestelde maximumbedrag. Het slachtoffer, of, bij behoorlijk aangetoonde overmacht, zijn vertegenwoordiger, dient deze behoorlijk met redenen omklede aanvraag bij de betrokken dienst in. § 3. De kosten die geheel of gedeeltelijk worden terugbetaald of ten laste genomen ofwel krachtens een andere wettelijke of verordeningsbepaling, ofwel krachtens een verzekeringsovereenkomst die door het slachtoffer of door elke derde wordt aangegaan, geven geen recht op een tegemoetkoming. § 4. Het slachtoffer deelt de betrokken dienst de stukken ter verantwoording van de uitgaven mee. Daartoe worden inzonderheid de dagvaardingen en in het algemeen alle gerechtelijke akten binnen 10 werkdagen na hun uitreiking of betekening meegedeeld. § 5. De betrokken dienst beoordeelt de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde kosten- en ereloonstaten. Deze dienst kan zijn tegemoetkoming weigeren of onderbreken, wanneer hij van oordeel is dat : 1° de stelling van het slachtoffer niet geloofwaardig is;2° het transactievoorstel van de derde billijk en serieus is;3° een beroep tegen een rechterlijke beslissing niet veel kans op succes maakt. De kosten en erelonen waarvoor de betrokken dienst bij toepassing van het vorige lid zijn tegemoetkoming heeft geweigerd of onderbroken, worden echter overeenkomstig deze titel ten laste genomen, wanneer het slachtoffer gelijk krijgt bij een definitieve beslissing waarvoor geen beroep voor een gewoon of buitengewoon gerecht kan worden aangetekend.

Tegen de beslissing van de betrokken dienst zijn tegemoetkoming te weigeren of te onderbreken kan beroep worden aangetekend bij de minister bevoegd voor de ambtenarenzaken binnen een termijn van 20 werkdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van die beslissing.

Artikel 37 nonies. De kredieten die noodzakelijk zijn voor het dekken van de uitgaven die door de gerechtelijke bijstand en de psychologische bijstand worden voortgebracht, worden opgenomen in de begroting van de Franse Gemeenschap in het kader van de kredieten die aan de betrokken dienst worden toegekend.".

Onderafdeling V. - Wijziging van het decreet van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs

Art. 66.In het decreet van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs, wordt in afdeling 5 van hoofdstuk VIII een onderafdeling 5 ingevoegd, luidend als volgt : "Gerechtelijke bijstand en psychologische bijstand".

Art. 67.De onderafdeling 5, bij artikel 66 ingevoegd in het decreet van 6 juni 1994, luidt als volgt : "Artikel 36 sexies. § 1. In dit decreet wordt onder "slachtoffer" verstaan, het "personeelslid dat het slachtoffer is van een gewelddaad" zoals bepaald in artikel 36 bis, § 1, tweede lid. § 2. De gerechtelijke bijstand en de psychologische bijstand worden alleen verleend voor zover het slachtoffer een klacht heeft ingediend bij de gerechtelijke overheid.

Artikel 36 septies. § 1. Het slachtoffer kan de gerechtelijke bijstand bedoeld in § 2 en/of psychologische bijstand bedoeld in § 3 genieten. § 2. Gerechtelijke bijstand is de gehele of gedeeltelijke tenlasteneming van de erelonen en kosten van advocaten en rechtspleging. § 3. Psychologische bijstand is de tenlasteneming van hoogstens twaalf consultaties bij een psycholoog en/of een psychiater om onmiddellijk hulp te verlenen aan het slachtoffer van een gewelddaad. § 4. De gerechtelijke bijstand en de psychologische bijstand, zoals bepaald in de paragrafen 1 en 2, worden alleen verleend voor zover het slachtoffer een klacht heeft ingediend bij de gerechtelijke overheid. § 5. Het slachtoffer doet een beroep op de bijstandsverlener die het mag kiezen.

In voorkomend geval, deelt de betrokken dienst bedoeld in artikel 37 nonies hem, op zijn aanvraag en bij wijze van inlichting, een lijst van de bijstandsverleners op wie in geval van agressie een beroep kan worden gedaan, mee.

Het slachtoffer deelt die betrokken dienst de naam van de door hem gekozen bijstandsverlener(s) mee die zijn dossier behandelt(en).

Artikel 36 octies. § 1. Behoudens bij behoorlijk bewezen overmacht, dient het slachtoffer de aanvraag om gerechtelijke bijstand, bedoeld in artikel 37 sexies, § 2, en/of psychologische bijstand, bedoeld in artikel 37 sexies, § 3, in bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, binnen de maand volgend op het gebeuren van de feiten.

Wanneer het slachtoffer zijn ambt in het leerplichtonderwijs uitoefent, wordt de aanvraag bedoeld in het eerste lid bij de algemene directie leerplichtonderwijs ingediend. Deze kijkt na of de voorwaarden van deze afdeling vervuld zijn.

Wanneer het slachtoffer zijn ambt binnen een instelling voor hoger onderwijs buiten de universiteit uitoefent, wordt de in het eerste lid bedoelde aanvraag bij de algemene directie niet verplicht onderwijs ingediend. § 2. Binnen dezelfde termijn, zendt het slachtoffer eveneens bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, een afschrift van de aanvraag aan zijn inrichtingshoofd. § 3. De aanvraag vermeldt, voor zover dit mogelijk is, de oorzaken, de omstandigheden en de waarschijnlijke gevolgen van de gewelddaad. § 4. De inrichtende macht waaronder het slachtoffer ressorteert, deelt zijn advies mee aan de algemene directie leerplichtonderwijs of aan de algemene directie niet verplicht onderwijs, binnen de drie werkdagen na de ontvangst van het afschrift van de aanvraag bedoeld in § 1.

Het deelt het slachtoffer een afschrift van zijn advies mee.

Artikel 36 nonies. § 1. De beslissing tot verlening van bijstand wordt genomen, binnen vijftien werkdagen volgend op de ontvangst van de in artikel 37 septies bedoelde aanvraag, door de algemene directie leerplichtonderwijs of de algemene directie niet-verplicht onderwijs, naar gelang van het geval. § 2. Bij weigering, kan het personeelslid of, bij behoorlijk aangetoonde overmacht, zijn vertegenwoordiger, via de algemene directie leerplichtonderwijs of de directie niet verplicht onderwijs, een beroep indienen bij de functionele minister.

Het beroep wordt bij aangetekend schrijven ingediend binnen vijftien werkdagen volgend op de kennisgeving van de weigering van de bijstandsverlening.

Artikel 36 decies. § 1. Het beheer van gerechtelijke bijstand en psychologische bijstand ressorteert onder de algemene dienst Steun van de algemene directie audit, coördinatie en steun. § 2. In deze afdeling, onder betrokken dienst, wordt de in § 1 bedoelde dienst verstaan.

Artikel 36 undecies. § 1. De tenlasteneming van de erelonen en de kosten voor advocaten, de rechtspleging en de psychologische en/of psychiatrische raadpleging kan, voor elk schadegeval, niet hoger zijn dan 3.718,40 euro. § 2. Bij wijze van uitzonderlijke maatregel, op behoorlijk met redenen omklede aanvraag, kan de tenlasteneming niet hoger zijn dan het in paragraaf 1 vastgestelde maximumbedrag. Het slachtoffer, of, bij behoorlijk aangetoonde overmacht, zijn vertegenwoordiger, dient deze behoorlijk met redenen omklede aanvraag bij de betrokken dienst in. § 3. De kosten die geheel of gedeeltelijk worden terugbetaald of ten laste genomen ofwel krachtens een andere wettelijke of verordeningsbepaling, ofwel krachtens een verzekeringsovereenkomst die door het slachtoffer of door elke derde wordt aangegaan, geven geen recht op een tegemoetkoming. § 4. Het slachtoffer deelt de betrokken dienst de stukken ter verantwoording van de uitgaven mee. Daartoe worden inzonderheid de dagvaardingen en in het algemeen alle gerechtelijke akten binnen 10 werkdagen na hun uitreiking of betekening meegedeeld. § 5. De betrokken dienst beoordeelt de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde kosten- en ereloonstaten. Deze dienst kan zijn tegemoetkoming weigeren of onderbreken, wanneer hij van oordeel is dat : 1° de stelling van het slachtoffer niet geloofwaardig is;2° het transactievoorstel van de derde billijk en serieus is;3° een beroep tegen een rechterlijke beslissing niet veel kans op succes maakt. De kosten en erelonen waarvoor de betrokken dienst bij toepassing van het vorige lid zijn tegemoetkoming heeft geweigerd of onderbroken, worden echter overeenkomstig deze titel ten laste genomen, wanneer het slachtoffer gelijk krijgt bij een definitieve beslissing waarvoor geen beroep voor een gewoon of buitengewoon gerecht kan worden aangetekend.

Tegen de beslissing van de betrokken dienst zijn tegemoetkoming te weigeren of te onderbreken kan beroep worden aangetekend bij de minister bevoegd voor de ambtenarenzaken binnen een termijn van 20 werkdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van die beslissing.

Artikel 36 duodecies. De kredieten die noodzakelijk zijn voor het dekken van de uitgaven die door de gerechtelijke bijstand en de psychologische bijstand worden voortgebracht, worden opgenomen in de begroting van de Franse Gemeenschap in het kader van de kredieten die aan de betrokken dienst worden toegekend.".

Onderafdeling VI. - Wijziging van het decreet van 31 januari 2002 tot vaststelling van het statuut van de leden van het gesubsidieerd technisch personeel van de gesubsidieerde officiële psycho-medisch-sociale centra

Art. 68.In het decreet 31 januari 2002 tot vaststelling van het statuut van de leden van het gesubsidieerd technisch personeel van de gesubsidieerde officiële psycho-medisch-sociale centra, wordt een hoofdstuk II/1 ingevoegd, luidend als volgt : "Gerechtelijke bijstand en psychologische bijstand".

Art. 69.Hoofdstuk II/1, bij artikel 68 in hetzelfde decreet van 31 januari 2002 ingevoegd, luidt als volgt : "

Artikel 16/1.In deze afdeling wordt onder "gewelddaad" verstaan, elke kwaadwillige lichamelijke en/of psychologische aantasting, elke agressie van raciale, godsdienstige of seksistische aard tegen een personeelslid alsook elke beschadiging van de goederen van dat lid door ofwel een leerling, ofwel door een derde op aansporing van of met de medeplichtigheid van deze, ofwel door een lid van het gezin van de leerling of elke persoon die onder hetzelfde dak woont, in het kader van de dienst van het personeelslid of in rechtstreeks verband met deze, ofwel door elke andere persoon die niet tot de inrichting behoort, voor zover het slachtoffer het bewijs levert dat de gewelddaad in rechtstreeks verband met de dienst staat.

Onder "slachtoffer" dient te worden verstaan : het bij dit decreet bedoelde personeelslid, dat erkend wordt als slachtoffer van een arbeidsongeval voortvloeiend uit de daad bepaald in het eerste lid door de dienst van de Regering bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding, ten gunste van de personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk.".

Artikel 16/2.§ 1. Het slachtoffer kan de gerechtelijke bijstand bedoeld in § 2 en/of psychologische bijstand bedoeld in § 3 genieten. § 2. Gerechtelijke bijstand is de gehele of gedeeltelijke tenlasteneming van de erelonen en kosten van advocaten en rechtspleging. § 3. Psychologische bijstand is de tenlasteneming van hoogstens twaalf consultaties bij een psycholoog en/of een psychiater om onmiddellijk hulp te verlenen aan het slachtoffer van een gewelddaad. § 4. De gerechtelijke bijstand en de psychologische bijstand, zoals bepaald in de paragrafen 2 en 3, worden alleen verleend voor zover het slachtoffer een klacht heeft ingediend bij de gerechtelijke overheid. § 5. Het slachtoffer doet een beroep op de bijstandsverlener die het mag kiezen.

In voorkomend geval, deelt de betrokken dienst bedoeld in artikel 51 terdecies hem, op zijn aanvraag en bij wijze van inlichting, een lijst van de bijstandsverleners op wie in geval van agressie een beroep kan worden gedaan, mee.

Het slachtoffer deelt die betrokken dienst de naam van de door hem gekozen bijstandsverlener(s) mee die zijn dossier behandelt(en).

Artikel 16/3.§ 1. Behoudens bij behoorlijk bewezen overmacht, dient het slachtoffer de aanvraag om gerechtelijke bijstand, bedoeld in artikel 51 decies, § 2, en/of psychologische bijstand, bedoeld in artikel 51 decies, § 3, in bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, binnen de maand volgend op het gebeuren van de feiten.

Wanneer het slachtoffer zijn ambt in het leerplichtonderwijs uitoefent, wordt de aanvraag bedoeld in het eerste lid bij de algemene directie leerplichtonderwijs ingediend. Deze kijkt na of de voorwaarden van deze afdeling vervuld zijn.

Wanneer het slachtoffer zijn ambt binnen een instelling voor hoger onderwijs buiten de universiteit uitoefent, wordt de in het eerste lid bedoelde aanvraag bij de algemene directie niet verplicht onderwijs ingediend. § 2. Binnen dezelfde termijn, zendt het slachtoffer eveneens bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, een afschrift van de aanvraag aan het inrichtingshoofd, voor de inrichtingen, aan de directeur, voor de psycho-medisch-sociale centra. § 3. De aanvraag vermeldt, voor zover dit mogelijk is, de oorzaken, de omstandigheden en de waarschijnlijke gevolgen van de gewelddaad. § 4. Het hoofd van de inrichting of de directeur van het centrum, naargelang van het geval, waaronder het slachtoffer ressorteert, deelt zijn advies mee aan de algemene directie leerplichtonderwijs of aan de algemene directie niet verplicht onderwijs, binnen de drie werkdagen na de ontvangst van het afschrift van de aanvraag bedoeld in § 1.

Het deelt het slachtoffer een afschrift van zijn advies mee.

Artikel 16/4.§ 1. De beslissing tot verlening van bijstand wordt genomen, binnen vijftien werkdagen volgend op de ontvangst van de in artikel 51 undecies, § 1, bedoelde aanvraag, door de algemene directie leerplichtonderwijs of de algemene directie niet-verplicht onderwijs, naar gelang van het geval. § 2. Bij weigering, kan het personeelslid of, bij behoorlijk aangetoonde overmacht, zijn vertegenwoordiger, via de algemene directie leerplichtonderwijs of de directie niet verplicht onderwijs, een beroep indienen bij de functionele minister.

Het beroep wordt bij aangetekend schrijven ingediend binnen vijftien werkdagen volgend op de kennisgeving van de weigering van de bijstandsverlening.

Artikel 16/5.§ 1. Het beheer van gerechtelijke bijstand en psychologische bijstand ressorteert onder de algemene dienst Steun van de algemene directie audit, coördinatie en steun. § 2. In deze afdeling, onder betrokken dienst, wordt de in § 1 bedoelde dienst verstaan.

Artikel 16/6.§ 1. De tenlasteneming van de erelonen en de kosten voor advocaten, de rechtspleging en de psychologische en/of psychiatrische raadpleging kan, voor elk schadegeval, niet hoger zijn dan 3.718,40 euro. § 2. Bij wijze van uitzonderlijke maatregel, op behoorlijk met redenen omklede aanvraag, kan de tenlasteneming niet hoger zijn dan het in paragraaf 1 vastgestelde maximumbedrag. Het slachtoffer, of, bij behoorlijk aangetoonde overmacht, zijn vertegenwoordiger, dient deze behoorlijk met redenen omklede aanvraag bij de betrokken dienst in. § 3. De kosten die geheel of gedeeltelijk worden terugbetaald of ten laste genomen ofwel krachtens een andere wettelijke of verordeningsbepaling, ofwel krachtens een verzekeringsovereenkomst die door het slachtoffer of door elke derde wordt aangegaan, geven geen recht op een tegemoetkoming. § 4. Het slachtoffer deelt de betrokken dienst de stukken ter verantwoording van de uitgaven mee. Daartoe worden inzonderheid de dagvaardingen en in het algemeen alle gerechtelijke akten binnen 10 werkdagen na hun uitreiking of betekening meegedeeld. § 5. De betrokken dienst beoordeelt de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde kosten- en ereloonstaten. Deze dienst kan zijn tegemoetkoming weigeren of onderbreken, wanneer hij van oordeel is dat : 1° de stelling van het slachtoffer niet geloofwaardig is;2° het transactievoorstel van de derde billijk en serieus is;3° een beroep tegen een rechterlijke beslissing niet veel kans op succes maakt. De kosten en erelonen waarvoor de betrokken dienst bij toepassing van het vorige lid zijn tegemoetkoming heeft geweigerd of onderbroken, worden echter overeenkomstig deze titel ten laste genomen, wanneer het slachtoffer gelijk krijgt bij een definitieve beslissing waarvoor geen beroep voor een gewoon of buitengewoon gerecht kan worden aangetekend.

Tegen de beslissing van de betrokken dienst zijn tegemoetkoming te weigeren of te onderbreken kan beroep worden aangetekend bij de minister bevoegd voor de ambtenarenzaken binnen een termijn van 20 werkdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van die beslissing.

Artikel 16/7.De kredieten die noodzakelijk zijn voor het dekken van de uitgaven die door de gerechtelijke bijstand en de psychologische bijstand worden voortgebracht, worden opgenomen in de begroting van de Franse Gemeenschap in het kader van de kredieten die aan de betrokken dienst worden toegekend.".

Onderafdeling VII. - Wijziging van het decreet van 31 januari 2002 tot vaststelling van het statuut van de leden van het gesubsidieerd technisch personeel van de gesubsidieerde vrije psycho-medisch-sociale centra

Art. 70.In het decreet van 31 januari 2002 tot vaststelling van het statuut van de leden van het gesubsidieerd technisch personeel van de gesubsidieerde officiële psycho-medisch-sociale centra, wordt een hoofdstuk II/1 ingevoegd, luidend als volgt : "Gerechtelijke bijstand en psychologische bijstand".

Art. 71.Hoofdstuk II/1, bij artikel 70 in hetzelfde decreet van 31 januari 2002 ingevoegd, luidt als volgt : "Artikel 24 ter. In deze afdeling wordt onder "gewelddaad" verstaan, elke kwaadwillige lichamelijke en/of psychologische aantasting, elke agressie van raciale, godsdienstige of seksistische aard tegen een personeelslid alsook elke beschadiging van de goederen van dat lid door ofwel een leerling, ofwel door een derde op aansporing van of met de medeplichtigheid van deze, ofwel door een lid van het gezin van de leerling of elke persoon die onder hetzelfde dak woont, in het kader van de dienst van het personeelslid of in rechtstreeks verband met deze, ofwel door elke andere persoon die niet tot de inrichting behoort, voor zover het slachtoffer het bewijs levert dat de gewelddaad in rechtstreeks verband met de dienst staat.

Onder "slachtoffer" dient te worden verstaan : het bij dit decreet bedoelde personeelslid, dat erkend wordt als slachtoffer van een arbeidsongeval voortvloeiend uit de daad bepaald in het eerste lid door de dienst van de Regering bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding, ten gunste van de personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk.".

Artikel 24 quater. § 1. Het slachtoffer kan de gerechtelijke bijstand bedoeld in § 2 en/of psychologische bijstand bedoeld in § 3 genieten. § 2. Gerechtelijke bijstand is de gehele of gedeeltelijke tenlasteneming van de erelonen en kosten van advocaten en rechtspleging. § 3. Psychologische bijstand is de tenlasteneming van hoogstens twaalf consultaties bij een psycholoog en/of een psychiater om onmiddellijk hulp te verlenen aan het slachtoffer van een gewelddaad. § 4. De gerechtelijke bijstand en de psychologische bijstand, zoals bepaald in de paragrafen 2 en 3, worden alleen verleend voor zover het slachtoffer een klacht heeft ingediend bij de gerechtelijke overheid. § 5. Het slachtoffer doet een beroep op de bijstandsverlener die het mag kiezen.

In voorkomend geval, deelt de betrokken dienst bedoeld in artikel 51 terdecies hem, op zijn aanvraag en bij wijze van inlichting, een lijst van de bijstandsverleners op wie in geval van agressie een beroep kan worden gedaan, mee.

Het slachtoffer deelt die betrokken dienst de naam van de door hem gekozen bijstandsverlener(s) mee die zijn dossier behandelt(en).

Artikel 24 quinquies. § 1. Behoudens bij behoorlijk bewezen overmacht, dient het slachtoffer de aanvraag om gerechtelijke bijstand, bedoeld in artikel 51 decies, § 2, en/of psychologische bijstand, bedoeld in artikel 51 decies, § 3, in bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, binnen de maand volgend op het gebeuren van de feiten.

Wanneer het slachtoffer zijn ambt in het leerplichtonderwijs uitoefent, wordt de aanvraag bedoeld in het eerste lid bij de algemene directie leerplichtonderwijs ingediend. Deze kijkt na of de voorwaarden van deze afdeling vervuld zijn.

Wanneer het slachtoffer zijn ambt binnen een instelling voor hoger onderwijs buiten de universiteit uitoefent, wordt de in het eerste lid bedoelde aanvraag bij de algemene directie niet verplicht onderwijs ingediend. § 2. Binnen dezelfde termijn, zendt het slachtoffer eveneens bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, een afschrift van de aanvraag aan het inrichtingshoofd, voor de inrichtingen, aan de directeur, voor de psycho-medisch-sociale centra. § 3. De aanvraag vermeldt, voor zover dit mogelijk is, de oorzaken, de omstandigheden en de waarschijnlijke gevolgen van de gewelddaad. § 4. Het hoofd van de inrichting of de directeur van het centrum, naargelang van het geval, waaronder het slachtoffer ressorteert, deelt zijn advies mee aan de algemene directie leerplichtonderwijs of aan de algemene directie niet verplicht onderwijs, binnen de drie werkdagen na de ontvangst van het afschrift van de aanvraag bedoeld in § 1.

Het deelt het slachtoffer een afschrift van zijn advies mee.

Artikel 24 sexies. § 1. De beslissing tot verlening van bijstand wordt genomen, binnen vijftien werkdagen volgend op de ontvangst van de in artikel 51 undecies, § 1, bedoelde aanvraag, door de algemene directie leerplichtonderwijs of de algemene directie niet-verplicht onderwijs, naar gelang van het geval. § 2. Bij weigering, kan het personeelslid of, bij behoorlijk aangetoonde overmacht, zijn vertegenwoordiger, via de algemene directie leerplichtonderwijs of de directie niet verplicht onderwijs, een beroep indienen bij de functionele minister.

Het beroep wordt bij aangetekend schrijven ingediend binnen vijftien werkdagen volgend op de kennisgeving van de weigering van de bijstandsverlening.

Artikel 24 septies. § 1. Het beheer van gerechtelijke bijstand en psychologische bijstand ressorteert onder de algemene dienst Steun van de algemene directie audit, coördinatie en steun. § 2. In deze afdeling, onder betrokken dienst, wordt de in § 1 bedoelde dienst verstaan.

Artikel 24 octies. § 1. De tenlasteneming van de erelonen en de kosten voor advocaten, de rechtspleging en de psychologische en/of psychiatrische raadpleging kan, voor elk schadegeval, niet hoger zijn dan 3.718,40 euro. § 2. Bij wijze van uitzonderlijke maatregel, op behoorlijk met redenen omklede aanvraag, kan de tenlasteneming niet hoger zijn dan het in paragraaf 1 vastgestelde maximumbedrag. Het slachtoffer, of, bij behoorlijk aangetoonde overmacht, zijn vertegenwoordiger, dient deze behoorlijk met redenen omklede aanvraag bij de betrokken dienst in. § 3. De kosten die geheel of gedeeltelijk worden terugbetaald of ten laste genomen ofwel krachtens een andere wettelijke of verordeningsbepaling, ofwel krachtens een verzekeringsovereenkomst die door het slachtoffer of door elke derde wordt aangegaan, geven geen recht op een tegemoetkoming. § 4. Het slachtoffer deelt de betrokken dienst de stukken ter verantwoording van de uitgaven mee. Daartoe worden inzonderheid de dagvaardingen en in het algemeen alle gerechtelijke akten binnen 10 werkdagen na hun uitreiking of betekening meegedeeld. § 5. De betrokken dienst beoordeelt de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde kosten- en ereloonstaten. Deze dienst kan zijn tegemoetkoming weigeren of onderbreken, wanneer hij van oordeel is dat : 1° de stelling van het slachtoffer niet geloofwaardig is;2° het transactievoorstel van de derde billijk en serieus is;3° een beroep tegen een rechterlijke beslissing niet veel kans op succes maakt. De kosten en erelonen waarvoor de betrokken dienst bij toepassing van het vorige lid zijn tegemoetkoming heeft geweigerd of onderbroken, worden echter overeenkomstig deze titel ten laste genomen, wanneer het slachtoffer gelijk krijgt bij een definitieve beslissing waarvoor geen beroep voor een gewoon of buitengewoon gerecht kan worden aangetekend.

Tegen de beslissing van de betrokken dienst zijn tegemoetkoming te weigeren of te onderbreken kan beroep worden aangetekend bij de minister bevoegd voor de ambtenarenzaken binnen een termijn van 20 werkdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van die beslissing.

Artikel 24 nonies. De kredieten die noodzakelijk zijn voor het dekken van de uitgaven die door de gerechtelijke bijstand en de psychologische bijstand worden voortgebracht, worden opgenomen in de begroting van de Franse Gemeenschap in het kader van de kredieten die aan de betrokken dienst worden toegekend.".

Onderafdeling VIII. - Wijziging van het decreet van 12 mei 2004 tot bepaling van het statuut van de leden van het administratief personeel, het meester-, vak- en dienstpersoneel van de onderwijsinrichtingen ingericht door de Franse Gemeenschap

Art. 72.In het derde lid van artikel 89 van het decreet van 12 mei 2004 tot bepaling van het statuut van de leden van het administratief personeel, het meester-, vak- en dienstpersoneel van de onderwijsinrichtingen ingericht door de Franse Gemeenschap, wordt het woord "95" vervangen door het woord "95 octies".

Art. 73.In hetzelde decreet van 12 mei 2004, wordt in hoofdstuk VI van titel II een afdeling 7 ingevoegd, luidend als volgt : "Gerechtelijke bijstand en psychologische bijstand".

Art. 74.Afdeling 7, bij artikel 73 ingevoegd in hoofdstuk VI van titel II van hetzelfde decreet van 12 mei 2004, luidt als volgt : "Artikel 95 bis. In deze afdeling wordt onder "slachtoffer" verstaan, het "personeelslid dat het slachtoffer is van een gewelddaad" zoals bepaald in artikel 89, tweede lid.

Artikel 95 ter. § 1. Het slachtoffer kan de gerechtelijke bijstand bedoeld in § 2 en/of psychologische bijstand bedoeld in § 3 genieten. § 2. Gerechtelijke bijstand is de gehele of gedeeltelijke tenlasteneming van de erelonen en kosten van advocaten en rechtspleging. § 3. Psychologische bijstand is de tenlasteneming van hoogstens twaalf consultaties bij een psycholoog en/of een psychiater om onmiddellijk hulp te verlenen aan het slachtoffer van een gewelddaad. § 4. Het slachtoffer doet een beroep op de bijstandsverlener die het mag kiezen.

In voorkomend geval, deelt de betrokken dienst bedoeld in artikel 51 terdecies hem, op zijn aanvraag en bij wijze van inlichting, een lijst van de bijstandsverleners op wie in geval van agressie een beroep kan worden gedaan, mee.

Het slachtoffer deelt die betrokken dienst de naam van de door hem gekozen bijstandsverlener(s) mee die zijn dossier behandelt(en).

Artikel 95 quater. § 1. Behoudens bij behoorlijk bewezen overmacht, dient het slachtoffer de aanvraag om gerechtelijke bijstand, bedoeld in artikel 51 decies, § 2, en/of psychologische bijstand, bedoeld in artikel 51 decies, § 3, in bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, binnen de maand volgend op het gebeuren van de feiten.

Wanneer het slachtoffer zijn ambt in het leerplichtonderwijs uitoefent, wordt de aanvraag bedoeld in het eerste lid bij de algemene directie leerplichtonderwijs ingediend. Deze kijkt na of de voorwaarden van deze afdeling vervuld zijn.

Wanneer het slachtoffer zijn ambt binnen een instelling voor hoger onderwijs buiten de universiteit uitoefent, wordt de in het eerste lid bedoelde aanvraag bij de algemene directie niet verplicht onderwijs ingediend. § 2. Binnen dezelfde termijn, zendt het slachtoffer eveneens bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, een afschrift van de aanvraag aan het inrichtingshoofd, voor de inrichtingen, aan de directeur, voor de psycho-medisch-sociale centra. § 3. De aanvraag vermeldt, voor zover dit mogelijk is, de oorzaken, de omstandigheden en de waarschijnlijke gevolgen van de gewelddaad. § 4. Het hoofd van de inrichting of de directeur van het centrum, naargelang van het geval, waaronder het slachtoffer ressorteert, deelt zijn advies mee aan de algemene directie leerplichtonderwijs of aan de algemene directie niet verplicht onderwijs, binnen de drie werkdagen na de ontvangst van het afschrift van de aanvraag bedoeld in § 1.

Het deelt het slachtoffer een afschrift van zijn advies mee.

Artikel 95 quinquies. § 1. De beslissing tot verlening van bijstand wordt genomen, binnen vijftien werkdagen volgend op de ontvangst van de in artikel 51 undecies, § 1, bedoelde aanvraag, door de algemene directie leerplichtonderwijs of de algemene directie niet-verplicht onderwijs, naar gelang van het geval. § 2. Bij weigering, kan het personeelslid of, bij behoorlijk aangetoonde overmacht, zijn vertegenwoordiger, via de algemene directie leerplichtonderwijs of de directie niet verplicht onderwijs, een beroep indienen bij de functionele minister.

Het beroep wordt bij aangetekend schrijven ingediend binnen vijftien werkdagen volgend op de kennisgeving van de weigering van de bijstandsverlening.

Artikel 95 sexies. § 1. Het beheer van gerechtelijke bijstand en psychologische bijstand ressorteert onder de algemene dienst Steun van de algemene directie audit, coördinatie en steun. § 2. In deze afdeling, onder betrokken dienst, wordt de in § 1 bedoelde dienst verstaan.

Artikel 95 septies. § 1. De tenlasteneming van de erelonen en de kosten voor advocaten, de rechtspleging en de psychologische en/of psychiatrische raadpleging kan, voor elk schadegeval, niet hoger zijn dan 3.718,40 euro. § 2. Bij wijze van uitzonderlijke maatregel, op behoorlijk met redenen omklede aanvraag, kan de tenlasteneming niet hoger zijn dan het in paragraaf 1 vastgestelde maximumbedrag. Het slachtoffer, of, bij behoorlijk aangetoonde overmacht, zijn vertegenwoordiger, dient deze behoorlijk met redenen omklede aanvraag bij de betrokken dienst in. § 3. De kosten die geheel of gedeeltelijk worden terugbetaald of ten laste genomen ofwel krachtens een andere wettelijke of verordeningsbepaling, ofwel krachtens een verzekeringsovereenkomst die door het slachtoffer of door elke derde wordt aangegaan, geven geen recht op een tegemoetkoming. § 4. Het slachtoffer deelt de betrokken dienst de stukken ter verantwoording van de uitgaven mee. Daartoe worden inzonderheid de dagvaardingen en in het algemeen alle gerechtelijke akten binnen 10 werkdagen na hun uitreiking of betekening meegedeeld. § 5. De betrokken dienst beoordeelt de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde kosten- en ereloonstaten. Deze dienst kan zijn tegemoetkoming weigeren of onderbreken, wanneer hij van oordeel is dat : 1° de stelling van het slachtoffer niet geloofwaardig is;2° het transactievoorstel van de derde billijk en serieus is;3° een beroep tegen een rechterlijke beslissing niet veel kans op succes maakt. De kosten en erelonen waarvoor de betrokken dienst bij toepassing van het vorige lid zijn tegemoetkoming heeft geweigerd of onderbroken, worden echter overeenkomstig deze titel ten laste genomen, wanneer het slachtoffer gelijk krijgt bij een definitieve beslissing waarvoor geen beroep voor een gewoon of buitengewoon gerecht kan worden aangetekend.

Tegen de beslissing van de betrokken dienst zijn tegemoetkoming te weigeren of te onderbreken kan beroep worden aangetekend bij de minister bevoegd voor de ambtenarenzaken binnen een termijn van 20 werkdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van die beslissing.

Artikel 95 octies. De kredieten die noodzakelijk zijn voor het dekken van de uitgaven die door de gerechtelijke bijstand en de psychologische bijstand worden voortgebracht, worden opgenomen in de begroting van de Franse Gemeenschap in het kader van de kredieten die aan de betrokken dienst worden toegekend.".

Art. 75.In het derde lid van artikel 236 van het decreet van 12 mei 2004 tot bepaling van het statuut van de leden van het administratief personeel, het meester-, vak- en dienstpersoneel van de onderwijsinrichtingen ingericht door de Franse Gemeenschap, wordt het woord "239" vervangen door het woord "239 octies".

Art. 76.In hetzelde decreet van 12 mei 2004, wordt in hoofdstuk VI van titel III een afdeling 4 ingevoegd, luidend als volgt : "Gerechtelijke bijstand en psychologische bijstand".

Art. 77.Afdeling 4, in hoofdstuk VI van titel III van hetzelfde decreet van 12 mei 2004 ingevoegd, luidt als volgt : "

Artikel 239/1.In deze afdeling wordt onder "slachtoffer" verstaan, het "personeelslid dat het slachtoffer is van een gewelddaad" zoals bepaald in artikel 236, tweede lid.

Artikel 239/2.§ 1. Het slachtoffer kan de gerechtelijke bijstand bedoeld in § 2 en/of psychologische bijstand bedoeld in § 3 genieten. § 2. Gerechtelijke bijstand is de gehele of gedeeltelijke tenlasteneming van de erelonen en kosten van advocaten en rechtspleging. § 3. Psychologische bijstand is de tenlasteneming van hoogstens twaalf consultaties bij een psycholoog en/of een psychiater om onmiddellijk hulp te verlenen aan het slachtoffer van een gewelddaad. § 4. Het slachtoffer doet een beroep op de bijstandsverlener die het mag kiezen.

In voorkomend geval, deelt de betrokken dienst bedoeld in artikel 51 terdecies hem, op zijn aanvraag en bij wijze van inlichting, een lijst van de bijstandsverleners op wie in geval van agressie een beroep kan worden gedaan, mee.

Het slachtoffer deelt die betrokken dienst de naam van de door hem gekozen bijstandsverlener(s) mee die zijn dossier behandelt(en).

Artikel 239/3.§ 1. Behoudens bij behoorlijk bewezen overmacht, dient het slachtoffer de aanvraag om gerechtelijke bijstand, bedoeld in artikel 51 decies, § 2, en/of psychologische bijstand, bedoeld in artikel 51 decies, § 3, in bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, binnen de maand volgend op het gebeuren van de feiten.

Wanneer het slachtoffer zijn ambt in het leerplichtonderwijs uitoefent, wordt de aanvraag bedoeld in het eerste lid bij de algemene directie leerplichtonderwijs ingediend. Deze kijkt na of de voorwaarden van deze afdeling vervuld zijn.

Wanneer het slachtoffer zijn ambt binnen een instelling voor hoger onderwijs buiten de universiteit uitoefent, wordt de in het eerste lid bedoelde aanvraag bij de algemene directie niet verplicht onderwijs ingediend. § 2. Binnen dezelfde termijn, zendt het slachtoffer eveneens bij aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, een afschrift van de aanvraag aan het inrichtingshoofd, voor de inrichtingen, aan de directeur, voor de psycho-medisch-sociale centra. § 3. De aanvraag vermeldt, voor zover dit mogelijk is, de oorzaken, de omstandigheden en de waarschijnlijke gevolgen van de gewelddaad. § 4. Het hoofd van de inrichting of de directeur van het centrum, naargelang van het geval, waaronder het slachtoffer ressorteert, deelt zijn advies mee aan de algemene directie leerplichtonderwijs of aan de algemene directie niet verplicht onderwijs, binnen de drie werkdagen na de ontvangst van het afschrift van de aanvraag bedoeld in § 1.

Het deelt het slachtoffer een afschrift van zijn advies mee.

Artikel 239/4.§ 1. De beslissing tot verlening van bijstand wordt genomen, binnen vijftien werkdagen volgend op de ontvangst van de in artikel 51 undecies, § 1, bedoelde aanvraag, door de algemene directie leerplichtonderwijs of de algemene directie niet-verplicht onderwijs, naar gelang van het geval. § 2. Bij weigering, kan het personeelslid of, bij behoorlijk aangetoonde overmacht, zijn vertegenwoordiger, via de algemene directie leerplichtonderwijs of de directie niet verplicht onderwijs, een beroep indienen bij de functionele minister.

Het beroep wordt bij aangetekend schrijven ingediend binnen vijftien werkdagen volgend op de kennisgeving van de weigering van de bijstandsverlening.

Artikel 239/5.§ 1. Het beheer van gerechtelijke bijstand en psychologische bijstand ressorteert onder de algemene dienst Steun van de algemene directie audit, coördinatie en steun. § 2. In deze afdeling, onder betrokken dienst, wordt de in § 1 bedoelde dienst verstaan.

Artikel 239/6.§ 1. De tenlasteneming van de erelonen en de kosten voor advocaten, de rechtspleging en de psychologische en/of psychiatrische raadpleging kan, voor elk schadegeval, niet hoger zijn dan 3.718,40 euro. § 2. Bij wijze van uitzonderlijke maatregel, op behoorlijk met redenen omklede aanvraag, kan de tenlasteneming niet hoger zijn dan het in paragraaf 1 vastgestelde maximumbedrag. Het slachtoffer, of, bij behoorlijk aangetoonde overmacht, zijn vertegenwoordiger, dient deze behoorlijk met redenen omklede aanvraag bij de betrokken dienst in. § 3. De kosten die geheel of gedeeltelijk worden terugbetaald of ten laste genomen ofwel krachtens een andere wettelijke of verordeningsbepaling, ofwel krachtens een verzekeringsovereenkomst die door het slachtoffer of door elke derde wordt aangegaan, geven geen recht op een tegemoetkoming. § 4. Het slachtoffer deelt de betrokken dienst de stukken ter verantwoording van de uitgaven mee. Daartoe worden inzonderheid de dagvaardingen en in het algemeen alle gerechtelijke akten binnen 10 werkdagen na hun uitreiking of betekening meegedeeld. § 5. De betrokken dienst beoordeelt de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde kosten- en ereloonstaten. Deze dienst kan zijn tegemoetkoming weigeren of onderbreken, wanneer hij van oordeel is dat : 1° de stelling van het slachtoffer niet geloofwaardig is;2° het transactievoorstel van de derde billijk en serieus is;3° een beroep tegen een rechterlijke beslissing niet veel kans op succes maakt. De kosten en erelonen waarvoor de betrokken dienst bij toepassing van het vorige lid zijn tegemoetkoming heeft geweigerd of onderbroken, worden echter overeenkomstig deze titel ten laste genomen, wanneer het slachtoffer gelijk krijgt bij een definitieve beslissing waarvoor geen beroep voor een gewoon of buitengewoon gerecht kan worden aangetekend.

Tegen de beslissing van de betrokken dienst zijn tegemoetkoming te weigeren of te onderbreken kan beroep worden aangetekend bij de minister bevoegd voor de ambtenarenzaken binnen een termijn van 20 werkdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van die beslissing.

Artikel 239/7.De kredieten die noodzakelijk zijn voor het dekken van de uitgaven die door de gerechtelijke bijstand en de psychologische bijstand worden voortgebracht, worden opgenomen in de begroting van de Franse Gemeenschap in het kader van de kredieten die aan de betrokken dienst worden toegekend.". Afdeling I. - Wijziging van andere decreten

Art. 78.Artikel 28 van het decreet van 30 juni 1998 dat erop gericht is alle leerlingen gelijke kansen op sociale emancipatie te geven, inzonderheid door de invoering van maatregelen voor positieve discriminatie, wordt vervangen door en tekst, luidend als volgt : "De Regering stelt de nadere regels vast volgens welke iedere persoon die zijn ambt geheel of gedeeltelijk uitoefent of wordt belast met een opdracht in een instelling voor hoger onderwijs buiten de universiteit, een dringende gerechtelijke bijstand kosteloos geniet voor een agressie die hij in het kader van zijn dienst of in rechtstreeks verband met deze dienst heeft geleden.

De Regering stelt de nadere regels vast volgens welke die personeelsleden een dringende psychologische bijstand kosteloos genieten voor een agressie die zij in het kader van hun dienst of in rechtstreeks verband met deze dienst hebben geleden.

De bij de vorige leden bedoelde personeelsleden zijn deze die bedoeld zijn bij : - het decreet van 24 juli 1997 dat het statuut bepaalt van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de hogescholen ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap; - het decreet van 20 december 2001 tot vaststelling van de regels die specifiek zijn voor het hoger kunstonderwijs georganiseerd in de hogere kunstscholen (organisatie, financiering, omkadering, statuut van het personeel, rechten en plichten van studenten); - het decreet van 12 mei 2004 tot bepaling van het statuut van de leden van het administratief personeel, het meester-, vak- en dienstpersoneel van de onderwijsinrichtingen ingericht door de Franse Gemeenschap; het decreet van 20 juni 2008 betreffende de administratieve personeelsleden van de door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde Hogescholen.".

Art. 79.In artikel 3, punt 4 van het decreet van 27 maart 2002 betreffende de sturing van het onderwijssysteem van de Franse Gemeenschap, zullen de woorden "de administratieve coördinatiecel voor acties inzake preventie van schoolafhaken en van geweld, opgericht door het decreet van 12 mei 2004" vervangen door de woorden "de administratieve cel voor de coördinatie van acties inzake preventie van geweld op school, schoolverzuim, schooluitval en vroegtijdig schoolverlaten, opgericht door artikel 22 van het decreet van 21 november 2013 tot organisatie van verschillende schoolstelsels ter bevordering van het welzijn van jongeren op school, schoolherinschakeling, preventie van geweld op school en begeleiding van studieoriëntatie".

Art. 80.In artikel 4, tweede lid, van het decreet "gedifferentieerde omkadering", worden de woorden "Voor de minderjarige leerlingen die onwettelijk op het grondgebied verblijven zoals bedoeld in artikel 40 van het decreet van 30 juni 1998 dat erop gericht is alle leerlingen gelijke kansen op sociale emancipatie te geven, inzonderheid door de invoering van maatregelen voor positieve discriminatie, en voor de leerlingen die als nieuwkomers worden beschouwd krachtens het decreet van 14 juni 2001 betreffende de integratie van nieuwkomers in het onderwijs dat door de Franse Gemeenschap is ingericht of gesubsidieerd" vervangen door de volgende woorden : "Voor de minderjarige leerlingen die onwettelijk op het grondgebied verblijven zoals bedoeld in artikel 79 bis van het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren, en voor de leerlingen die als nieuwkomers worden beschouwd krachtens artikel 2, § 1, van het decreet van 18 mei 2012 betreffende de organisatie van een stelsel voor het onthaal en de scholarisatie van nieuwkomers in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde onderwijs.

Art. 81.In hoofdstuk IV van het decreet "gedifferentieerde omkadering", wordt een artikel 16/1 ingevoegd, luidend als volgt : "

Artikel 16/1.De werken die noodzakelijk zijn voor de installatie in de inrichtingen of vestigingen die in aanmerking komen voor een gedifferentieerde omkadering van de klassen 1 tot 3, zoals bedoeld in artikel 4, vijfde lid en zesde lid, van de infrastructuren tot voorkoming van indringing, wanneer deze zo ernstig en zo vaak plaatsvindt dat de werk- en studieomstandigheden daardoor zwaar worden gehinderd, krijgen voorrang bij de bestemming van de gelden bedoeld in de artikelen 5, 7 en 9 van het decreet van 5 februari 1990 betreffende de schoolgebouwen van het niet-universitair onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap". HOOFDSTUK III. - Opheffings- en slotbepalingen

Art. 82.Het decreet van 30 juni 1998 dat erop gericht is alle leerlingen gelijke kansen op sociale emancipatie te geven, inzonderheid door de invoering van maatregelen voor positieve discriminatie, met uitzondering van artikel 28 en van titel II.

Art. 83.Het decreet van 12 mei 2004 betreffende diverse maatregelen inzake de strijd tegen schooluitval, uitsluiting en geweld op school wordt opgeheven.

Art. 84.Dit decreet treedt in werking op 1 september 2014.

Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Brussel, 21 november 2013.

De Minister-President van de Regering van de Franse Gemeenschap, R. DEMOTTE De Vice-President en Minister van Kind, Onderzoek en Ambtenarenzaken, J.-M. NOLLET De Vice-President en Minister van Begroting, Financiën en Sport, A. ANTOINE De Vice-President en Minister van Hoger Onderwijs, J.-Cl. MARCOURT De Minister van Jeugd, Mevr. E. HUYTEBROECK De Minister van Cultuur, Audiovisuele Sector, Gezondheid en Gelijke Kansen, Mevr. F. LAANAN De Minister van Leerplichtonderwijs en van Onderwijs voor Sociale Promotie, Mevr. M.-M. SCHYNS _______ Nota (1) Zitting 2013-2014. Stukken van het Parlement. - Ontwerp van decreet, nr. 554-1. - Commissie-amendementen, nr. 554-2. - Verslag, nr. 554-3.

Integraal verslag. - Bespreking en aanneming. - Vergadering van 20 november 2013.

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^