Decreet van 22 december 2006
gepubliceerd op 29 december 2006
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2007

bron
vlaamse overheid
numac
2006037088
pub.
29/12/2006
prom.
22/12/2006
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

22 DECEMBER 2006. - Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2007 (1)


Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2007. HOOFDSTUK I. - Algemeen

Artikel 1.Dit decreet regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid. HOOFDSTUK II. - Onderwijs Afdeling I. - Basisonderwijs

Art. 2.Aan het decreet basisonderwijs, gewijzigd bij de decreten van 14 juli 1998, 22 december 1999, 13 juli 2001, 10 juli 2003 en 7 juli 2006, wordt een artikel 82ter toegevoegd, dat luidt als volgt : «

Artikel 82ter.Teneinde de kosteloosheid voor het basisonderwijs, zoals bepaald in artikel 27, § 1, van dit decreet, te garanderen wordt het globale werkingsbudget van het gefinancierd en gesubsidieerd basisonderwijs vanaf 2007 verhoogd met 29,504 miljoen euro. De verdeling van deze middelen gebeurt pro rata van het aantal regelmatige leerlingen.

Deze middelen worden niet in rekening gebracht om de verhouding tussen de netten zoals bepaald in artikel 83, § 2, te bepalen.

Voor het begrotingsjaar 2007 wordt het aandeel van het gefinancierd basisonderwijs in deze middelen integraal opgenomen in de tweede schijf van de werkingsmiddelen 2007.

Voor het gesubsidieerd basisonderwijs worden deze middelen integraal betaald via het saldo van de werkingsmiddelen 2007. ».

Art. 3.In artikel 83 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 wordt § 2 vervangen door wat volgt : « § 2. Ongeacht de bepalingen van § 1 dient vanaf het begrotingsjaar 2007 het totale werkingsbudget per leerling van het gesubsidieerd basisonderwijs ten minste 75,8 % en maximaal 76,2 % van het overeenkomstig totale werkingsbudget per leerling van het gefinancierd basisonderwijs te bedragen.

Het bereiken van deze verhouding gebeurt door te voorzien in een herverdeling van de vrijgekomen loonkost en/of het vrijgekomen werkingsbudget. ». Afdeling II. - Secundair onderwijs

Art. 4.In het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het opschrift van titel XIII wordt vervangen door wat volgt : « Bijzondere investeringen in instellingen voor technisch of beroepsonderwijs »;2° artikel 103 wordt vervangen door wat volgt : « Art.103. § 1. De Vlaamse Regering kent tijdens de schooljaren 2006-2007 en 2007-2008 aan instellingen voor voltijds gewoon of buitengewoon technisch of beroepssecundair onderwijs extra middelen toe die bestemd zijn voor investeringen in basisuitrusting. Onder investeringen in basisuitrusting wordt de aankoop van uitrustingsgoederen of de beveiliging van bestaande uitrustingsgoederen verstaan.

De structuuronderdelen die onder de investeringsoperatie vallen, worden opgesomd in de bijlage II aan dit decreet. § 2. Per regelmatige leerling op 1 februari 2006 voor wat betreft het schooljaar 2006-2007 respectievelijk op 1 februari 2007 voor wat betreft het schooljaar 2007-2008, worden extra middelen toegekend rekening houdend met de beschikbare begrotingskredieten.

Om voor extra middelen in aanmerking te kunnen komen, moeten de betrokken instellingen gezamenlijk en per onderwijszone een investeringsplan opstellen. Het investeringsplan moet voldoen aan de door de Vlaamse Regering vastgelegde minimale onderdelen. De onderwijszones zijn bepaald in de bijlage I aan dit decreet. § 3. De beoordeling van de ingediende investeringsplannen gebeurt door een commissie die paritair is samengesteld uit twee afgevaardigden van het departement onderwijs en vorming en twee afgevaardigden van de inspectie secundair onderwijs enerzijds en één afgevaardigde per onderwijsnet, voorgedragen door het Gemeenschapsonderwijs en de betrokken representatieve verenigingen van de inrichtende machten van het onderwijs, anderzijds. De commissie stelt haar huishoudelijk reglement op.

De commissie garandeert dat een aanvankelijk als « onvoldoende » bevonden plan, bijgestuurd kan worden en opnieuw mag ingediend worden binnen een door haar vooropgestelde termijn. § 4. De uitbetaling van de extra middelen vindt plaats op basis van een voorschot ten belope van 90 % en, na goedkeuring door het departement onderwijs en vorming van de per onderwijszone gebundelde bewijsstukken van de gedane investeringen, een saldo ten belope van 10 %.

De Vlaamse Regering kan verdere regels vastleggen inzake de toekenning van de extra middelen. »; 3° de huidige bijlage « Indeling in onderwijszones » aan het decreet wordt aangeduid als bijlage I en een bijlage II « Lijst van structuuronderdelen met betrekking tot investeringsoperaties in technisch en beroepssecundair onderwijs » wordt toegevoegd, waarvan de tekst luidt als volgt : « Bijlage II.- Lijst van structuuronderdelen met betrekking tot investeringsoperaties in technisch en beroepssecundair onderwijs (louter voor wat betreft de samenstelling van deze lijst worden de structuuronderdelen van opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs, hierna aangeduid als BuSO, eveneens in studiegebieden ondergebracht) : 1. Studiegebied auto : Autotechnieken Toegepaste autotechnieken Auto Carrosserie Tweewielers en lichte verbrandingsmotoren Vrachtwagenchauffeur Auto-elektriciteit Bedrijfsvoertuigen Bijzonder transport Carrosserie- en spuitwerk Diesel- en LPG-motoren Scheeps- en havenwerk Auto-hulpmecanicien (BuSO) Plaatslager (BuSO) Alle modulair georganiseerde structuuronderdelen 2.Studiegebied bouw : Bouwtechnieken Bouw- en houtkunde Bouw constructie- en planningstechnieken Industriële bouwtechnieken Weg- en waterbouwtechnieken Bouw Schilderwerk en decoratie Steen- en marmerbewerking Ruwbouw Bouwplaatsmachinist Ruwbouwafwerking Schilderwerk en decoratie Bedrijfsvloeren en waterdichte bekuipingen Dakwerken Decoratie en restauratie schilderwerk Mechanische en hydraulische kranen Renovatie bouw Restauratie bouw Wegenbouwmachines Bouwwerken (BuSO) Interieurbouwer (BuSO) Metselaar (BuSO) Vloerder-tegelzetter (BuSO) Alle modulair georganiseerde structuuronderdelen 3. Studiegebied chemie : Chemie Chemische procestechnieken Water- en luchtbeheersingstechnieken 4.Studiegebied grafische communicatie en media : Grafische technieken Grafische wetenschappen Druk- en afwerkingstechnieken Drukvoorbereidingstechnieken Multimediatechnieken Gestandaardiseerde en geprogrammeerde druktechnieken Interactieve multimediatechnieken Rotatiedruktechnieken Tekst- en beeldintegratietechnieken Drukken Drukken en afwerken Drukvoorbereiding Bedrijfsgrafiek Grafische opmaaksystemen Meerkleurendruk-drukwerkveredeling Zeefdruk Boekbinder (BuSO) Hulpdrukker (BuSO) Zeefdrukker (BuSO) Alle modulair georganiseerde structuuronderdelen 5. Studiegebied hout : Houttechnieken Hout constructie- en planningstechnieken Hout Houtbewerking Houtbewerking-snijwerk Bijzondere schrijnwerkconstructies Industriële houtbewerking Interieurinrichting Meubelgarneren Modelmakerij Restauratie van meubelen Restauratie van schrijnwerk Stijl- en designmeubelen Houtbewerking (BuSO) Werkplaatsschrijnwerker (BuSO) Alle modulair georganiseerde structuuronderdelen 6.Studiegebied land- en tuinbouw : Landbouwtechnieken Tuinbouwtechnieken Bedrijfsleiding land- en tuinbouw Landbouwmechanisatie Tuinbouw Landbouw Agromanagement Bosbouw Groenbeheer en verfraaiing Landbouwdiversificatie Land- en tuinbouwmechanisatie Tuinbouwmechanisatie Tuinbouwteelten Natuur- en landschapsbeheertechnieken Veehouderij en landbouwteelten Tuinbouw (BuSO) Tuinbouwarbeider (BuSO) 7. Studiegebied mechanica-elektriciteit : Elektriciteit-elektronica Elektromechanica Elektrotechnieken Industriële wetenschappen Mechanische technieken Elektrische installatietechnieken Elektronische installatietechnieken Industriële ICT Industriële wetenschappen Kunststoftechnieken Mechanische vormgevingstechnieken Podiumtechnieken Vliegtuigtechnieken Audio-video en teletechnieken Computergestuurde mechanische productietechnieken Haventechnieken Industriële computertechnieken Industriële elektronicatechnieken Industriële onderhoudstechnieken Kunststofvormgevingstechnieken Mechanica constructie- en planningstechnieken Regeltechnieken Stuur- en beveiligingstechnieken Basismechanica Elektrische installaties Metaal Nijverheid Elektrische installaties Kunststofverwerking Lassen-constructie Productieoperator Werktuigmachines Composietverwerking Computergestuurde werktuigmachines Fotolassen Industrieel onderhoud Industriële elektriciteit Matrijzenbouw Metaal- en kunststofschrijnwerk Pijpfitten-lassen-monteren Hoeklasser (BuSO) Metaalbewerking (BuSO) Plaatbewerker (BuSO) Alle modulair georganiseerde structuuronderdelen 8.Studiegebied koeling en warmte : Koel- en warmtechnieken Industriële koeltechnieken Industriële warmtetechnieken Centrale verwarming en sanitaire installaties Koelinstallaties Koeltechnische installaties Verwarmingsinstallaties Loodgieter (BuSO) Alle modulair georganiseerde structuuronderdelen 9. Studiegebied textiel : Textieltechnieken Textielproductietechnieken Textielveredelingstechnieken Textielveredeling en breikunde Textiel Hulpwever (BuSO) Textiel (BuSO) Alle modulair georganiseerde structuuronderdelen.». Afdeling III. - Hogescholen

Art. 5.Artikel 178 van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap wordt als volgt gewijzigd : 1° het bedrag « 557.419.543,24 » wordt vervangen door het bedrag « 582.460.823,02 »; 2° paragraaf 5 wordt opgeheven.

Art. 6.Artikel 184, § 1, van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt : « § 1. Vanaf 2008 worden de werkingsuitkeringen jaarlijks op de volgende wijze aangepast : 0,8 x (Ln/L07) + 0,2 x (Cn/C07), waarbij : Ln/L07 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de eenheidsloonkosten op het einde van het betrokken begrotingsjaar en de index van de eenheidsloonkosten op het einde van het begrotingsjaar 2007;

Cn/C07 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de consumptieprijzen op het einde van het betrokken begrotingsjaar en de index van de consumptieprijzen op het einde van het begrotingsjaar 2007. ».

Art. 7.Aan artikel 209 van hetzelfde decreet wordt een § 3 toegevoegd, die luidt als volgt : « § 3. In afwijking van § 1 van dit artikel bedraagt het basisbedrag van de sociale toelage vanaf begrotingsjaar 2007 207,77 euro per financierbare student, waarbij telkens rekening gehouden wordt met het aantal financierbare studenten dat de hogeschool op 1 februari 2005 telde.

Vanaf begrotingsjaar 2008 wordt het basisbedrag per financierbare student geïndexeerd aan de hand van de volgende indexformule : I = 0,50 x (L1/L0) + 0,50 x (C1/C0);

I : de indexformule;

L1/L0 : de verhouding tussen de geraamde index van de eenheidsloonkosten op het einde van het desbetreffende begrotingsjaar en de index van de eenheidsloonkosten op het einde van begrotingsjaar 2007;

C1/C0 : de verhouding tussen de geraamde index van de consumptieprijzen op het einde van het desbetreffende begrotingsjaar en de index van de consumptieprijzen op het einde van begrotingsjaar 2007. ». Afdeling IV. - Universiteiten

Art. 8.In artikel 130, § 2, punt 2°, van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, gewijzigd bij decreet van 24 juni 2005, wordt de uiterste rechterkolom voor het jaar 2006 gewijzigd als volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld

Art. 9.Artikel 130, § 2, punt 3°, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 30 juni 2006, wordt gewijzigd als volgt : « 3° Voor het jaar 2007 is het forfaitair bedrag, uitgedrukt in duizend euro, voor elke universiteit vastgesteld als volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld

Art. 10.In artikel 130, § 3, 3°, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 30 juni 2006, worden in punt 4. Universiteit Hasselt en punt 7. Universiteit Gent de bedragen « 897 » en « 22.086 » respectievelijk vervangen door de bedragen « 1.152 » en « 25.390 ».

Art. 11.Artikel 136, § 1, punt 3° van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 30 juni 2006, wordt gewijzigd als volgt : « 3° De universiteiten, vermeld in artikel 3, 1°, 2°, b), 3°, 4°, b) en c), en 6°, ontvangen voor het jaar 2007 voor de uitgaven die voortvloeien uit de wettelijke en conventionele werkgeversbijdragen en -lasten, met inbegrip van de door de instellingen gefinancierde aanvullende pensioenen, om een gelijkwaardig statuut te verzekeren als voor de universiteiten, vermeld in artikel 3, 2°, a), 4°, a), en 5°, de volgende bedragen, uitgedrukt in duizend euro : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Afdeling V. - Postinitiële opleidingsinstellingen

Art. 12.In artikel 15, § 2, van het decreet van 18 mei 1999 betreffende sommige instellingen van openbaar nut voor postinitieel onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke dienstverlening, gewijzigd bij het decreet van 24 juni 2005, worden de woorden « voor het begrotingsjaar 2005 vastgesteld op 8.594.000 euro » vervangen door de woorden « vanaf het begrotingsjaar 2007 vastgesteld op 9.726.000 euro ». Afdeling VI. - Recuperatiefonds Studietoelagen

Art. 13.In artikel 21, § 4, van het decreet van 23 december 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting voor het begrotingsjaar 2006 worden na de woorden « voor de betaling van studiefinanciering overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 30 april 2004 » de woorden « en voor de betaling van studietoelagen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 19 juli 1971 » ingevoegd. Afdeling VII. - Recuperatiefonds van de wedden onderwijzend personeel

Art. 14.Het C-fonds Inschrijvingsgelden Deeltijds Kunstonderwijs, zoals bedoeld in artikel 100quinquies van het decreet van 31 juli 1990 betreffende Onderwijs II, wordt vanaf begroting 2007 omgevormd in een B-fonds in de zin van artikel 45 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit.

Art. 15.Het C-fonds voor de aanwending van teruggevorderde ten onrechte gestorte wedden en weddetoelagen van de sector Onderwijs opgericht bij decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen alsmede de bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991, wordt vanaf begroting 2007 omgevormd in een B-fonds in de zin van artikel 45 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit. HOOFDSTUK III. - vzw ESF-Agentschap

Art. 16.Aan artikel 2, § 1, van het decreet van 8 november 2002 houdende de oprichting van de vzw ESF-Agentschap worden een tweede en een derde lid toegevoegd, die luiden als volgt : « De vzw « ESF-Agentschap » is een privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap als vermeld in artikel 29 van het kaderdecreet beter bestuurlijk beleid van 18 juli 2003.

De Vlaamse Regering bepaalt tot welk homogeen beleidsdomein het ESF-Agentschap behoort. ».

Art. 17.In artikel 4, § 1, van hetzelfde decreet, wordt het woord « beheersovereenkomst » vervangen door het woord « samenwerkingsovereenkomst ». HOOFDSTUK IV. - Jeugdbeleid

Art. 18.Artikel 62 van het decreet van 29 maart 2002 op het Vlaamse jeugdbeleid, zoals gewijzigd bij decreet van 8 juli 2005, wordt vervangen door wat volgt : «

Art. 62.§ 1. Een op basis van dit decreet gesubsidieerde vereniging kan gedurende de periode waarbinnen deze vereniging haar beleidsnota uitvoert, onbeperkt een reserve aanleggen met eigen inkomsten en subsidies.

Als reserve dient beschouwd te worden het resultaat van de optelling van de rekening 13 (bestemde fondsen) en de rekening 14 (overgedragen resultaat) van de balans, zoals omschreven in de minimumindeling van het algemeen rekeningenstelsel, als bijlage gevoegd bij het koninklijk besluit van 19 december 2003 betreffende de boekhoudkundige verplichtingen en de openbaarmaking van de jaarrekening van bepaalde verenigingen zonder winstoogmerk, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen. § 2. Als de vereniging op het einde van de beleidsperiode nog beschikt over een reserve, aangelegd overeenkomstig § 1, kan deze reserve overgedragen worden naar de volgende beleidsperiode op voorwaarde dat, ten opzichte van de bestaande reserve op het begin van de beleidsperiode, de aangroei niet meer bedraagt dat twintig percent van de gemiddelde jaarlijkse kosten berekend over de beleidsperiode. § 3. De Vlaamse Regering kan, na advies van de Inspectie van Financiën, een afwijking toestaan van het in § 2 bepaalde percentage, op voorwaarde dat de vereniging daartoe een gemotiveerd bestedingsplan voorlegt voor de te veel opgebouwde reserve of voor de gehele reserve, in te dienen bij de administratie. § 4. Als bij de afrekening van het laatste werkingsjaar van de beleidsperiode de aangroei van de reserve meer bedraagt dan hetgeen bepaald werd in § 2, dan wordt het teveel ingehouden op het nog uit te keren saldo van de werkingssubsidie, toegekend aan de vereniging, en wordt het eventueel daarna nog resterende bedrag in mindering gebracht op de subsidies van de volgende beleidsperiode, tot een maximum van de werkingssubsidie toegekend voor het laatste jaar voorafgaand aan de nieuwe beleidsperiode. § 5. Als aan de vereniging na afloop van de beleidsperiode waarop de beleidsnota bedoeld in de artikelen 10, 3°, 17, § 1, 24, 3°, 31, § 2, en 54, § 1, betrekking heeft, geen werkingssubsidie meer wordt verleend, dan is de vereniging verplicht een gemotiveerd bestedingsplan voor alle reserves die op basis van onderhavig artikel werden aangelegd, in te dienen bij de administratie. Deze reserves moeten in voorkomend geval, prioritair aangewend worden voor het voldoen van de arbeidsrechtelijke verplichtingen. ». HOOFDSTUK V. - Sociaal-cultureel vormingswerk

Art. 19.In afwijking van artikel 3, § 2, tweede lid, van het decreet van 6 juli 2001 houdende ondersteuning van de federatie van erkende organisaties voor volksontwikkeling en houdende ondersteuning van de vereniging van Vlaamse Cultuurcentra, wordt in 2007 de tussenkomst van de Vlaamse Gemeenschap rechtstreeks uitgekeerd aan de Federatie van erkende organisaties voor Volksontwikkeling (FOV). HOOFDSTUK VI. - Fiscaliteit Afdeling I. - Verhoging abattement

Art. 20.In artikel 46bis van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, ingevoegd bij decreet van 1 februari 2002 en gewijzigd bij de decreten van 5 juli 2002, 20 december 2002 en 24 december 2004 wordt het bedrag « 12.500 euro » vervangen door het bedrag « 15.000 euro ». Afdeling II. - Belasting op de automatische ontspanningstoestellen

Art. 21.A. In artikel 43 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, gewijzigd bij artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 14 van 18 april 1967, bij artikel 12 van de wet van 28 december 1973, bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 22 augustus 1980, bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 30 december 1980, bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 29 maart 1994, bij artikel 2 van het decreet van 13 april 1999, bij artikel 63 van het decreet van 21 december 1990 en bij artikel 46 van het decreet van 6 juli 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden « 11 p.c. », ingevoegd bij artikel 1, 1°, van het koninklijk besluit van 22 augustus 1980, worden vervangen door de woorden « 11 p.c. »; 2° punt 4°, opgeheven bij artikel 1, 4°, van het koninklijk besluit van 22 augustus 1980, wordt opgeheven. B. In artikel 43, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, worden de woorden « 11 p.c. », vervangen door de woorden « 15 procent ».

C. Artikel 43, 2°, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij artikel 1, 2°, van het koninklijk besluit van 22 augustus 1980, vervangen bij artikel 2 van het decreet van 13 april 1999 en gewijzigd bij artikel 46 van het decreet van 6 juli 2001, wordt vervangen als volgt : « 2° van de volksvermakelijkheden waarbij slechts worden geheven inschrijvings- of deelnemingsrechten, verdeeld onder vorm van prijzen of besteed aan de normale inrichtingskosten, voor zover het totaal bedrag van deze rechten per dag en per persoon 250 frank niet te boven gaat; ».

D. Artikel 43, 2°, van hetzelfde Wetboek, wordt vervangen als volgt : « 2° van de volksvermakelijkheden, namelijk de wedstrijden en spelen waarbij slechts inschrijvings- of deelnemingsrechten worden geheven, die verdeeld worden in de vorm van prijzen waarvan de waarde niet meer bedraagt dan het tienvoudige van de inzet per deelnemer of die besteed worden aan de normale organisatiekosten, voor zover het totaal bedrag van de rechten per dag en per persoon 1.000 frank niet te boven gaat; ».

E. Artikel 43, 3°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 1, 2°, van het koninklijk besluit nr. 14 van 18 april 1967, gewijzigd bij artikel 1, 3°, van het koninklijk besluit van 22 augustus 1980, bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 30 december 1980 en vervangen bij artikel 2 van het decreet van 13 april 1999, wordt vervangen als volgt : « 3° van de duivenprijskampen, wanneer de terugkeer van de duiven, behoudens gevallen van overmacht, plaats vindt op een zaterdag, zondag, wettelijke feestdag of op een door de gemeente als officieel beschouwde kermisdag, en waarbij uitsluitend ingezet wordt door de eigenaars van de ingeschreven duiven; ».

F. Artikel 43, 3°, van hetzelfde Wetboek, wordt vervangen als volgt : « 3° van de duivenprijskampen waarbij uitsluitend ingezet wordt door de eigenaars van de ingeschreven duiven; ».

G. Artikel 43, 5°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 12, 2°, van de wet van 28 december 1973, vervangen bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 29 maart 1994 en bij artikel 2 van het decreet van 13 april 1999, wordt vervangen als volgt : « 5° van de wedstrijden waarin beroep wordt gedaan op de onderlegdheid en de aanleg van de deelnemer, inzonderheid op taalkundig, geschiedkundig, aardrijkskundig of artistiek gebied, wanneer zij uitsluitend worden ingericht ten behoeve van musea of ten behoeve van instellingen als bedoeld in artikel 104, eerste lid, 3° en 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. ».

H. Artikel 43, 5°, van hetzelfde Wetboek, wordt vervangen als volgt : « 5° van de wedstrijden wanneer zij uitsluitend worden georganiseerd ten behoeve van musea of ten behoeve van instellingen als bedoeld in artikel 104, eerste lid, 3° en 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. ».

I. In artikel 43, 2°, van hetzelfde Wetboek, laatst vervangen bij artikel 2 van het decreet van 13 april 1999, wordt het bedrag « 1.000 frank » vervangen door het bedrag « 25 euro ».

Art. 22.A. Artikel 44 van hetzelfde Wetboek, laatst vervangen bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 augustus 1980 en gewijzigd bij artikel 63 van het decreet van 21 december 1990, wordt vervangen als volgt : «

Art. 44.In afwijking van artikel 43, wordt de belasting betreffende weddenschappen op paardenwedrennen die in België plaatsvinden, vastgelegd als volgt : 1° één vijfde van de voorafneming gedaan op het brutobedrag van de sommen ingezet bij de onderlinge weddenschappen;2° 5 procent op het brutobedrag van de sommen ingezet bij de weddenschappen bij notering.».

B. In artikel 44, van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de bepaling onder 1° wordt vervangen als volgt : « 1° 22 procent op de voorafneming gedaan op het brutobedrag van de sommen ingezet bij de onderlinge weddenschappen;»; 2° de bepaling onder 2° wordt vervangen als volgt : « 2° 5,5 procent op het brutobedrag van de sommen ingezet bij de weddenschappen bij notering.».

Art. 23.A. In artikel 45, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 14 van 18 april 1967, bij artikel 63 van het decreet van 21 december 1990, bij artikel 19 van het decreet van 22 december 1995 en bij de artikelen 44 en 45 van het decreet van 6 juli 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de woorden « 4,80 pct.» en de woorden « 2,75 pct. », zoals ingevoegd bij artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 14 van 18 april 1967, respectievelijk vervangen door de woorden « 4,80 pct. » en de woorden « 2,75 pct. »; 2° het tweede lid wordt opgeheven;3° het eerste lid, waarvan de bestaande tekst § 1 zal vormen, wordt aangevuld met een § 2, luidende : « § 2.De belasting op de spelen en de weddenschappen betreffende andere casinospelen dan het baccaraspel chemin de fer en het roulettespel zonder zero wordt gevestigd op de bruto-opbrengst van deze spelen tegen het tarief van 30 pct. op het gedeelte van die opbrengst dat, voor het kalenderjaar, 35 miljoen frank niet overschrijdt en tegen het tarief van 40 pct. op het overige gedeelte.

De bruto-opbrengst wordt dagelijks vastgesteld; zij wordt gevormd door het verschil tussen het bedrag van de incasso's vastgesteld op het einde van de partijen en het samengevoegde bedrag van de aanvangsvoorschotten en de bijkomende voorschotten, verminderd met de afnemingen tijdens de partijen. Het verlies eventueel voor een dag vastgesteld wordt in mindering gebracht van de bruto-opbrengst van de volgende dagen. ».

B. In artikel 45, van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1 wordt vervangen als volgt : « § 1.In afwijking van artikel 43 wordt de belasting vastgesteld op 5,3 procent op de winsten der bankiers bij het baccaraspel chemin de fer en op 3 procent op de winsten der inzetters bij het roulettespel zonder zero. »; 2° § 2, eerste lid, wordt vervangen als volgt : « § 2.De belasting op de spelen en de weddenschappen betreffende andere casinospelen dan het baccaraspel chemin de fer en het roulettespel zonder zero wordt gevestigd op de bruto-opbrengst van deze spelen tegen het tarief van 33 procent op het gedeelte van die opbrengst dat, voor het kalenderjaar, 35 miljoen frank niet overschrijdt en tegen het tarief van 44 procent op het overige gedeelte. ».

C. Artikel 45, § 2, van hetzelfde Wetboek, wordt aangevuld met het volgende lid : « Voor met de casinospelen gelijkgestelde toestellen zoals bedoeld in artikel 77 laatste lid wordt, de belasting vastgesteld op een percentage per schijf van de bruto-opbrengst van deze gelijkgestelde spelen bepaald als volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld D. In artikel 45, van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1, tweede lid, worden de in frank uitgedrukte bedragen vermeld in de eerste kolom van de tabel vervangen door de in euro uitgedrukte bedragen vermeld in de tweede kolom van de tabel. Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 2° in § 2, eerste lid, wordt het bedrag « 35 miljoen frank » vervangen door het bedrag « 865.000 euro ».

Art. 24.A. Artikel 46 van hetzelfde Wetboek, vervangen door artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 14 van 18 april 1967, gewijzigd bij artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 augustus 1980 en bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 30 december 1980 en opgeheven bij artikel 3 van het decreet van 13 april 1999, wordt hersteld als volgt : «

Art. 46.Een belasting van 10 frank wordt geheven voor elke duivenring verkocht door de verenigingen en bonden die door de minister van Financiën zijn erkend. ».

B. Artikel 46 van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.

Art. 25.Artikel 47 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 14 van 18 april 1967, wordt opgeheven.

Art. 26.De artikelen 48 tot 50 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij artikel 12 van het koninklijk besluit van 22 augustus 1980, worden opgeheven.

Art. 27.A. Artikel 79, § 1, van hetzelfde Wetboek, laatst vervangen bij artikel 8, 1°, van het koninklijk besluit van 22 augustus 1980, wordt vervangen als volgt : « § 1. De toestellen worden volgens hun type ingedeeld in vijf categorieën, respectievelijk aangeduid door de tekens A, B, C, D en E. ».

B. Artikel 79, § 2, van hetzelfde Wetboek, laatst vervangen bij artikel 8, 1°, van het koninklijk besluit van 22 augustus 1980 en gewijzigd bij artikel 47 van het decreet van 6 juli 2001, wordt vervangen als volgt : « § 2. De hierna omschreven automatische ontspanningstoestellen worden respectievelijk gerangschikt in de categorieën A, B, C, D en E, zoals bedoeld in § 1 : 1° in de categorie A : a.de elektrische biljarten met veranderlijke inzet, gewoonlijk « Bingo » genaamd, waarvan het spel erin bestaat verscheidene ballen of kogels in de op het horizontaal vlak van het toestel gemaakte gaten te plaatsen met het doel, naargelang van het type van toestel, op het paneel van het verticaal vlak verscheidene cijfers of tekens op een horizontale, verticale of diagonale lijn of in een bepaalde zone te belichten; b. de elektrische biljarten met veranderlijke inzet, gewoonlijk « One-ball » genaamd, waarvan het spel erin bestaat op het horizontaal vlak van het toestel een bal of kogel te plaatsen in een der gaten dat hetzelfde cijfer draagt als het cijfer dat op het paneel van het verticaal vlak verlicht is;c. de automatische ontspanningstoestellen, inbegrepen deze bedoeld sub 3° tot 5° hierna, die aan de speler of gebruiker toelaten, zelfs toevallig, tenminste het bedrag van de gedane inzet in specie of in de vorm van penningen terug te winnen en/of prijzen te winnen, in natura of in de vorm van premiebons, met een handelswaarde van ten minste tweehonderd vijftig frank;2° in de categorie B : de automatische ontspanningstoestellen bedoeld sub 1°, letter c, wanneer zij onderworpen zijn aan de verminderde belasting, zoals bedoeld in artikel 81;3° in de categorie C : a.de automatische kranen met grijp- of duwarm; b. de elektrische biljarten met vaste inzet, gewoonlijk « Pin-Ball », « Flipper » of « Flip-Tronic » genaamd, waarvan het spel erin bestaat ballen of kogels te lanceren die, door hun aanraking met sommige hinderpalen, welke zich op het horizontaal vlak van het toestel bevinden, op het paneel van het verticaal vlak het resultaat van het spel zichtbaar maken in de vorm van punten, tekens of afbeeldingen;c. de automatische kegelspelen, die normaal verplaatsbaar zijn en gewoonlijk het gebruik van ballen of kogels vereisen;d. de automatische pokerspelen, gewoonlijk « Jolly Joker » genaamd;e. de automatische ontspanningstoestellen die simultaan films of beelden projecteren en klank verspreiden;4° in de categorie D : a.de automatische platenspelers, gewoonlijk « Juke-Box » genaamd, welke uitsluitend muziek verspreiden, zelfs indien ze op afstand in werking worden gesteld; b. de automatische kegelspelen, die normaal verplaatsbaar zijn en gewoonlijk het gebruik van schijven vereisen;c. de automatische schietapparaten;d. de elektrische golf-, hockey-, tennis- en voetbalspelen, het elektrisch balspel van het model « Spinner », alsmede de elektrische toestellen van het model « Base-ball », « Basket-ball », « Drop-ball », « Skee-ball », « Skee-fun », « All-Star Bowler », « Ten Strike »;e. ieder elektrisch biljart deel uitmakend van het normaal op foren en kermissen ingericht competitiespel, gewoonlijk « Bumper » genaamd;5° in de categorie E : alle automatische ontspanningstoestellen die ter uitvoering van § 3 bij de minister van Financiën werden aangegeven en die niet in een van de categorieën A tot D zijn gerangschikt.».

C. In artikel 79, § 2, 1°, c, van hetzelfde Wetboek, wordt het bedrag « tweehonderd vijftig frank » vervangen door het bedrag « 6,20 euro ».

D. Artikel 79, § 2, van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld als volgt : « Wanneer technische, economische of sociale omstandigheden het vereisen, kan de categorie waarin een type toestel moet worden gerangschikt, vastgesteld of gewijzigd worden door de Vlaamse Regering, na raadpleging van de betrokken beroepsverenigingen. Voor de rangschikking van een toestel wordt rekening gehouden met zijn rendabiliteit, de aard van het aangeboden spel en de menigvuldigheid van de inzet, met dien verstande, dat de toestellen die uitsluitend als automatische platenspelers dienen, niet hoger mogen worden gerangschikt dan in de categorie D. De Vlaamse Regering zal een ontwerp van decreet tot bevestiging van de besluiten genomen ter uitvoering van het tweede lid aanhangig maken bij de Vlaamse Raad, onmiddellijk indien zij verenigd is, in het tegenovergestelde geval vanaf de opening van haar volgende zitting. ».

Art. 28.A. Artikel 80, § 1, van hetzelfde Wetboek, laatst vervangen door artikel 9 van het koninklijk besluit van 22 augustus 1980, gewijzigd bij artikel 62 van het decreet van 21 december 1990 en bij artikel 37 van het decreet van 6 juli 2001, wordt vervangen als volgt : « § 1. Het bedrag van de belasting wordt als volgt bepaald : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld B. Artikel 80, § 1, van hetzelfde Wetboek, wordt als volgt vastgesteld : « § 1. Het bedrag van de belasting wordt als volgt bepaald : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld C. In artikel 80, § 1, van hetzelfde Wetboek, worden de in frank uitgedrukte bedragen vermeld in de eerste kolom van de tabel vervangen door de in euro uitgedrukte bedragen vermeld in de tweede kolom van de tabel.

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld

Art. 29.A. Artikel 81 van hetzelfde Wetboek, vervangen door artikel 17 van het koninklijk besluit nr. 14 van 18 april 1967, gewijzigd bij artikel 7 van de wet van 24 december 1976, bij artikel 10 van het koninklijk besluit van 22 augustus 1980, bij de artikelen 12 en 13 van het decreet van 20 december 1996 en bij artikel 3 van het decreet van 19 april 2002, wordt vervangen als volgt : «

Art. 81.De belasting wordt verminderd tot : 1° 1/10 van haar bedrag voor het hele jaar, voor de toestellen toebehorende aan foorreizigers en opgesteld op de foren en de hiermede gelijkgestelde plaatsen.De aldus verminderde belasting mag niet minder dan 500 frank bedragen; 2° 1/2 van haar bedrag voor het hele jaar voor de toestellen uitsluitend opgesteld in een seizoenbedrijf.Wordt als dusdanig aangezien, elk bedrijf met uitsluiting van de drankgelegenheden, dat niet meer dan zes maanden per jaar voor het publiek toegankelijk is.

Dat tijdperk kan met dertig dagen worden verlengd op voorwaarde dat er vooraf aangifte wordt van gedaan bij de hoofdcontroleur van de directe belastingen in wiens gebied die toestellen staan opgesteld. ».

B. Artikel 81, 1°, van hetzelfde Wetboek, wordt vervangen als volgt : « De belasting wordt verminderd tot 1/10 van haar bedrag van het hele jaar van de toestellen die eigendom zijn van foorreizigers en opgesteld zijn in mobiele installaties op foren, jaarmarkten, handelsforen, wijkkermissen en feestelijkheden met een maximale duur van 10 weken waar tevens andere foorkramen aanwezig zijn. De aldus verminderde belasting mag niet minder dan 500 F bedragen. ».

C. Artikel 81, 2°, van hetzelfde Wetboek, wordt opgeheven.

D. In artikel 81, 1°, van hetzelfde Wetboek, wordt het bedrag « 500 F » vervangen door het bedrag « 12,50 euro ».

Art. 30.In het koninklijk besluit van 8 juli 1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° artikel 35, vervangen door artikel 1 van het koninklijk besluit van 24 mei 1978, wordt opgeheven;2° in artikel 35bis, § 1, eerste lid, ingevoegd bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 24 mei 1978, worden de woorden « bij artikel 35 » vervangen door de woorden « in artikel 45, § 2, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen »;3° artikel 56, vervangen door artikel 6 van het koninklijk besluit van 10 november 1980 en gewijzigd bij artikel 47 van het decreet van 6 juli 2001, wordt opgeheven. Afdeling III. - Leegstandsheffing Woningen

Art. 31.In artikel 42, § 2, van het decreet van 22 december 1995 houdende uitvoering van de bepalingen van de begroting 1996, zoals gewijzigd bij het decreet van 8 juli 1997, wordt punt 2° vervangen door wat volgt : « 2° gebouwen en/of woningen die in het kader van het decreet van 3 maart 1976 beschermd zijn als monument of stads- en dorpsgezicht of die bij ministerieel besluit opgenomen zijn in een ontwerp van lijst tot bescherming in het kader van dit decreet. ». Afdeling IV

Onroerende Voorheffing

Art. 32.In zover de decreten en de uitvoeringsbesluiten van de Vlaamse overheid er niet van afwijken worden alle wettelijke wijzigingen aan het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 die in werking zijn getreden vanaf 1 januari 2002 tot en met 30 september 2006 met terugwerkende kracht tot datum van hun respectievelijke inwerkingtreding zonder inhoudelijke wijziging overeenkomstig van toepassing verklaard op de onroerende voorheffing in het Vlaamse Gewest.

Het eerste lid geldt niet voor het artikel 7 van de Programmawet van 20 juli 2006 waarbij het artikel 371 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 werd gewijzigd met ingang van 1 augustus 2006. HOOFDSTUK VII; - Leefmilieu Afdeling I. - Watervang

Art. 33.In artikel 83 van het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen, alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991, gewijzigd bij de decreten van 18 december 1992, 22 december 1995, 20 december 1996, 19 december 1997 en 21 december 2001 wordt § 2 vervangen door wat volgt : « § 2. Het bedrag verschuldigd voor het capteren van water wordt vastgesteld als volgt : Waterafname in m3/jaar : euro/m3 1. voor de schijf van minder dan 1.000.000 m3 0,043381; 2. voor de schijf van 1.000.000 tot 9.999.999 m3 0,025161; 3. voor de schijf van 10.000.000 tot 99.999.999 m3 0,012959; 4. voor de schijf boven 99.999.999 m3 0,002499.

De captatie van minder dan 500 m3 per jaar is gratis. ». Afdeling II. - Bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse Regering

van 14 oktober 2005 houdende de overdracht van sommige personeelsleden van de administratie Waterwegen en Zeewezen aan de verzelfstandigde agentschappen Waterwegen en Zeekanaal en De Scheepvaart, samen met alle goederen die aan die personeelsleden verbonden zijn

Art. 34.Het besluit van de Vlaamse Regering van 14 oktober 2005 houdende de overdracht van sommige personeelsleden van de administratie Waterwegen en Zeewezen aan de verzelfstandigde agentschappen Waterwegen en Zeekanaal en De Scheepvaart, samen met alle goederen die aan die personeelsleden verbonden zijn, wordt bekrachtigd met ingang van 1 november 2005, de dag van zijn inwerkingtreding.

De Vlaamse Regering bepaalt bij besluit welke personeelsleden, die tewerkgesteld zijn bij de managementondersteunende diensten inzake personeelsaangelegenheden, facilitair management, informatie- en communicatietechnologie, boekhouding, begroting en juridische aangelegenheden van het departement van het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken, samen met de goederen die verbonden zijn met hun werking om niet worden overgedragen aan het agentschap Waterwegen en Zeekanaal.

De bevoegdheid die in het tweede lid van dit artikel aan de Vlaamse Regering wordt opgedragen, vervalt op de datum van de toewijzing van het personeel samen met de goederen die verbonden zijn met hun werking. Afdeling III. - Oppervlaktewateren

Art. 35.In artikel 35bis van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging wordt § 4 vervangen door wat volgt : « § 4. Elke rechtspersoon die in het Vlaamse Gewest een zuiveringstechnisch werk exploiteert waarin uitsluitend afvalwater van de openbare riolering (met inbegrip van afvalstoffen afkomstig van septische putten en vetvangers waarin uitsluitend huishoudelijk afvalwater wordt geleid, per as aangevoerde afvalwaters, slibs afkomstig van openbare rioolwaterzuiveringsinstallaties en/of slibs afkomstig van het onderhoud van collectoren en pompstations) wordt behandeld en dat aangesloten is op het openbaar hydrografisch net, is van heffing vrijgesteld voor wat betreft de lozing van de effluentwaters van voornoemde openbare rioolwaterzuiveringsinstallaties.

Een slibverbrandingsinstallatie waarmee het zuiveringstechnisch werk een milieutechnische eenheid vormt is geen onderdeel van het zuiveringstechnisch werk. ».

Art. 36.Aan artikel 35bis van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging wordt een § 7 toegevoegd, die luidt als volgt : « § 7. Elke rechtspersoon die op het grondgebied van het Vlaamse Gewest in een grindwinningsgebied een groeve exploiteert waar overeenkomstig de beste beschikbare techniek grind wordt ontgonnen of verwerkt, is geen heffingsplichtige in de zin van § 3, voor zover het water integraal wordt teruggevoerd naar hetzelfde water als waaruit het is onttrokken en dit zonder gebruik te maken van de openbare riolering. Deze bepaling is niet van toepassing op sanitair waterverbruik of voor het gebruik van water voor eventuele andere activiteiten die op hetzelfde terrein worden uitgeoefend. ».

Art. 37.Met ingang van het heffingsjaar 2007 worden aan artikel 35ter, § 2, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, gewijzigd bij decreet van 23 december 2005, de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het tweede lid wordt de zin « Voor alle andere heffingsplichtigen wordt het eenheidstarief van de heffing vastgesteld op 22,6 euro » vervangen door de volgende zin : « Voor alle andere heffingsplichtigen wordt het eenheidstarief van de heffing vastgesteld op 25,7 euro »;2° in het vierde lid wordt de zin « Deze bepaling gaat in vanaf heffingsjaar 2006.» geschrapt.

Art. 38.Artikel 35vicies, § 2, van dezelfde wet, ingevoegd bij decreet van 23 december 2005, wordt aangevuld als volgt : « - voor het heffingsjaar 2007 is deze coëfficiënt gelijk aan 0,828. ». Afdeling IV. - Water bestemd voor menselijke aanwending

Art. 39.In artikel 16bis, § 3, eerste lid, van het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending, ingevoegd bij decreet van 24 december 2004, wordt de zin « De bijdrage voor de sanering op gemeentelijk vlak mag maximaal 1,5 keer de bijdrage voor de sanering op bovengemeentelijk vlak bedragen » vervangen door de zin « De bijdrage voor de sanering op gemeentelijk vlak mag ten opzichte van de bijdrage voor de sanering op bovengemeentelijk vlak maximaal 1,5 keer hoger zijn voor het water verbruikt in 2005 en 2006 en 1,4 keer hoger voor het water verbruikt in 2007 ». Afdeling V. - Grondwaterbeheer

Art. 40.In artikel 28quater, § 1, 2°, b), van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer wordt in de definitie van het begrip, in de tweede zin de woorden « in het heffingsjaar 2006 » vervangen door de woorden « in heffingsjaar 2007 ».

Art. 41.In het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer wordt de bijlage vervangen door wat volgt : « Bijlage Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld De Vlaamse Regering legt deze gebieden op kaart vast. ». HOOFDSTUK VIII. - IVA VMM

Art. 42.§ 1. De artikelen 20 en 24 van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer worden opgeheven. § 2. In artikel 23 van het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen alsmede de bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991 wordt § 2 opgeheven. § 3. In artikel X.2.5, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid worden de punten 13° en 14° vervangen door wat volgt : « 13° de inkomsten voortvloeiend uit : a) de bijstand van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw en van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling in verband met programma's die betrekking hebben op de waterhuishouding;b) de vrijwillige, contractuele, reglementaire of decretale bijdragen van natuurlijke personen, rechtspersonen, openbare besturen en instellingen ter verwezenlijking van de doelstellingen vermeld in artikelen 5, 8, 9 en 13 van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen, van titel V van de wet van 5 juli 1956 betreffende de wateringen en van titel V van de wet van 3 juni 1957 betreffende de polders;c) de opbrengst van administratieve geldboeten en alle bedragen welke door de diensten van het Vlaamse Gewest worden geïnd ten laste van de overtreders van de wetgeving en reglementering inzake waterhuishouding, polders en wateringen;d) de opbrengsten van concessies verhuur en van vervreemdingen van eigendommen, installaties en aanhorigheden, die verworven werden met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen inzake waterhuishouding, polders en wateringen;14° de bijdragen van de natuurlijke of rechtspersonen naar privaat of publiek recht die door hun activiteiten de schade bedoeld bij het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer kunnen veroorzaken of verergeren en ten aanvullende titel door leningen op korte termijn waaraan de Vlaamse Regering de gewestwaarborg kan hechten.De Vlaamse Regering bepaalt het aandeel van elk soort inkomsten en de criteria om te bepalen wie bijdrageplichtig is, het bedrag en de modaliteiten van de inning. ». § 4. Aan artikel X.2.5 van hetzelfde decreet worden een § 5 en een § 6 toegevoegd, die luiden als volgt : « § 5. 1° Bij de Vlaamse Milieumaatschappij wordt een Fonds voor de Waterhuishouding opgericht; 2° het Fonds voor de Waterhuishouding wordt gestijfd door de in § 1, 13°, vermelde ontvangsten;3° het per 12 mei 2006 beschikbaar saldo en de op die datum nog openstaande vorderingen, verbintenissen en verplichtingen van het Fonds voor de Waterhuishouding opgericht bij decreet van 22 november 1995, artikel 17, worden overgedragen naar het Fonds voor de Waterhuishouding, opgericht bij dit decreet;4° de middelen van het Fonds voor de Waterhuishouding kunnen aangewend worden voor al wat dienen kan in het raam van het beleid inzake waterhuishouding, voor de polders en de wateringen, met uitzondering evenwel van de loon- en werkingskosten van de IVA VMM. § 6. 1° Bij de Vlaamse Milieumaatschappij wordt een Fonds voor het Grondwaterbeheer opgericht; 2° het Fonds voor het Grondwaterbeheer wordt gestijfd door de in § 1, 14°, vermelde ontvang-sten;3° het per 12 mei 2006 beschikbaar saldo en de op die datum nog openstaande vorderingen, verbintenissen en verplichtingen van het Schadefonds opgericht bij decreet van 24 januari 1984 en gewijzigd bij decreet van 12 december 1990, worden overgedragen naar het Fonds voor het Grondwaterbeheer, opgericht bij dit decreet;4° de middelen van het Fonds voor het Grondwaterbeheer kunnen aangewend worden om : a.voorschotten te verlenen in de gevallen van schade bedoeld in artikel 14 van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer, met inbegrip van voorschotten ter financiering van studies en expertises die noodzakelijk zijn voor het vaststellen van deze schade; b. algemene maatregelen en studies te financieren die deze schade kunnen voorkomen en beperken met inbegrip van studies die worden uitgevoerd binnen het kader van belangrijke geplande of bestaande grondwaterwinningen en die kunnen worden gebruikt als objectieve basis bij elk deskundig onderzoek, binnen het kader van een vordering tot vergoeding van schade, veroorzaakt door grondwaterwinning.». HOOFDSTUK IX. - Grindfonds en grindwinning

Art. 43.Aan de laatste zin van artikel 14, § 1, van het decreet van 14 juli 1993 tot oprichting van het Grindfonds en tot regeling van de grindwinning worden volgende woorden toegevoegd : « en in het kader van zuinig ruimtegebruik en de uitvoering van het principe van optimale ontginning voor de hoeveelheden grind in de vergunde grindwinningsgebieden. ».

Art. 44.In artikel 15, § 1, van het decreet van 14 juli 1993 tot oprichting van het Grindfonds en tot regeling van de grindwinning wordt het eerste lid vervangen door wat volgt : « De houders van de nodige vergunningen voor de exploitatie van grind in een grindwinning, met inbegrip van de hoeveelheden grind in het kader van zuinig ruimtegebruik en de uitvoering van het principe van optimale ontginning, zoals bepaald in artikel 14, § 1, zijn, vanaf een door de Vlaamse Regering te bepalen datum, onderworpen aan een grindheffing. ». HOOFDSTUK X. - Life-fonds

Art. 45.§ 1. Er wordt een fonds opgericht voor de uitvoering van Life en andere projecten die tot stand komen met cofinanciering van de Europese Unie.

Dit fonds is een begrotingsfonds als bedoeld in artikel 45 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit type B. Hierna het fonds te noemen. § 2. De inkomsten van het fonds worden gespijsd met EU cofinanciering voor Life en andere projecten. Ook inkomsten van andere partners die naast het Vlaamse Gewest en de EU aan het project deelnemen, kunnen het fonds spijzen. § 3. De inkomsten van het fonds mogen aangewend worden voor uitgaven voor diensten, werking, exploitatie en uitrusting, voor zover deze uitgaven verband houden met de realisatie van de projecten met cofinanciering van de EU. HOOFDSTUK XI. - Milieuheffingen

Art. 46.Hoofdstuk IX van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, vervangen bij het decreet van 20 december 1989 en gewijzigd bij de decreten van 21 december 1990, 25 juni 1992, 18 december 1992, 22 december 1993, 21 december 1994, 22 december 1995, 20 december 1996, 19 december 1997, 19 december 1998, 6 juli 2001, 21 december 2001, 5 juli 2002, 20 december 2002, 27 juni 2003 en 19 december 2003, wordt vervangen door wat volgt : « HOOFDSTUK IX. - Milieuheffingen

Art. 47.§ 1. De begrippen gebruikt in dit hoofdstuk hebben de betekenis die hen wordt toegekend door of krachtens dit decreet en het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning. § 2. Voorts wordt voor dit hoofdstuk verstaan onder : - voorbehandelen van afvalstoffen in het kader van de bepaling in artikel 48, § 2, 16° : het behandelen van afvalstoffen waarbij de aard en samenstelling van de afvalstoffen wijzigt zodat ze geschikt gemaakt worden voor een verdere stap in de voorbehandeling of voor recyclage of voor eindverwerking van de afvalstoffen; - brandbare afvalstoffen : afvalstoffen met een gloeiverlies > 10 % of een TOC-gehalte > 6 %.

Art. 48.§ 1. Aan een milieuheffing zijn onderworpen de exploitanten van de in § 2, 1° tot en met 16°, bedoelde vergunningsplichtige inrichtingen alsook de overbrengers van de in § 2, 17°, bedoelde afvalstoffen met het oog op verwerking ervan buiten het Vlaamse Gewest. De gemeenten, of de in hun plaats tredende verenigingen van gemeenten kunnen voor de door hen opgehaalde huishoudelijke en gemeentelijke afvalstoffen rechtstreeks als heffingsplichtige worden aangemerkt voor zover zij hiervoor een machtiging ontvangen van OVAM. De machtiging vermeldt de afvalstroom, de concrete bestemming en het toe te passen heffingstarief. Een kopie van deze machtiging wordt bezorgd aan de exploitant van de inrichting waarnaar de concrete afvalstroom wordt afgevoerd. De exploitant vermeldt de betreffende hoeveelheden in een bijlage bij zijn aangifte met verwijzing naar de respectievelijke machtiging. De exploitant deelt deze hoeveelheden tijdig mee aan de gemeenten, of de in hun plaats tredende verenigingen van gemeenten die voor de betreffende hoeveelheden zelf als heffingsplichtige optreden en een aangifte doen overeenkomstig de bepalingen van dit decreet.

Onverminderd de verder bepaalde uitzondering geldt de in § 2, 1° tot en met 16°, bepaalde heffing voor de hoeveelheden afvalstoffen zoals ze worden gestort, verbrand of meeverbrand, inclusief de toeslagstoffen die werden toegevoegd met het oog op het storten, verbranden of meeverbranden van de afvalstoffen. § 2. Het bedrag van de milieuheffingen, als bedoeld in § 1, wordt, afhankelijk van het soort afvalstof en het soort verwerkingswijze, vastgesteld op : 1° 150 euro per ton voor het storten, verbranden of meeverbranden van afvalstoffen in een inrichting die niet vermeld wordt onder 2° tot en met 16°;2° a) 75 euro per ton voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van brandbare afvalstoffen;b) 20 euro per ton, en dit in afwijking van a), voor het storten van huishoudelijke afvalstoffen die niet konden worden verwerkt in een inrichting vergund voor het verwerken van huishoudelijke afvalstoffen, om reden dat de exploitant zijn inrichting op vrijwillige basis tijdelijk en buiten de normale onderhoudsperiodes buiten dienst heeft gesteld omdat niet kan voldaan worden aan de opgelegde vergunningsvoorwaarden.Deze afwijking geldt evenwel voor elke inrichting slechts gedurende een periode van 18 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van de maand tijdens dewelke de inrichting op vrijwillige basis werd gesloten; c) 40 euro per ton voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van niet-brandbare afvalstoffen;3° voor recyclageresidu's van bedrijven die afvalstoffen afkomstig van selectieve inzamelingen, zoals hieronder vermeld, gebruiken of voorbehandelen als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten : a) 75 * K euro per ton voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van brandbare afvalstoffen;b) 40 * K euro per ton voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van niet-brandbare afvalstoffen. De te storten restfractie moet na (voor)behandeling kleiner zijn dan de hierna vermelde percentages die moeten beschouwd worden ten opzichte van de totale aanvoer van de betreffende afvalstoffen op jaarbasis in de daartoe vergunde inrichting. Wanneer de te storten restfractie de hierna vermelde percentages overschrijdt, moet voor het overschrijdende deel het milieuheffingstarief toegepast worden waarbij K=1. - 15 gewichtspercent voor glasafval; - 20 gewichtspercent voor lompenafval; - 20 gewichtspercent voor kunststofafval, geldend voor de bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten; - 5 gewichtspercent voor kunststofafval, geldend voor de bedrijven die kunststofafval voorbehandelen als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten; - 10 gewichtspercent voor elektronisch en elektrisch schrootafval; - 10 gewichtspercent voor schrootafval; - 5 gewichtspercent voor houtafval; - 5 gewichtsprocent voor papier- en kartonafval; - 3 gewichtspercent voor groenafval; - 5 gewichtspercent voor piepschuimafval; - 5 gewichtspercent voor groente-, fruit- en tuinafval (GFT-afval) afkomstig van aërobe compostering; - 8 gewichtspercent voor groente-, fruit- en tuinafval (GFT-afval) afkomstig van anaërobe vergisting; - 5 gewichtspercent voor bouw- en sloopafval; - 10 gewichtspercent voor rubberafval, andere dan bandenafval; - 5 gewichtspercent voor bandenafval; - 20 gewichtspercent voor plasticverpakkingen, metalen verpakkingen en drankkartons (PMD); - 25 gewichtspercent voor shredderafval afkomstig van schrootverwerking; - 5 gewichtspercent voor voedselafval; - 25 gewichtspercent voor gebruikte oplosmiddelen; - 10 gewichtspercent voor recyclageresidu's afkomstig van de normale activiteiten van door de OVAM erkende kringloopcentra; - 3 gewichtspercent voor recyclageresidu's van de behandeling van bodemassen.

Voor recyclageresidu's van lompenafval is K = 0 met ingang van het heffingsjaar 2007.

Voor recyclageresidu's van bedrijven die glasafval afkomstig van selectieve inzamelingen gebruiken of voorbehandelen als grondstof voor de aanmaak van nieuw glas, is K = 0 met ingang van het heffingsjaar 2007.

Voor niet-brandbare recyclageresidu's van papier- en kartonafval is K = 0,05 met ingang van het heffingsjaar 2007.

Voor brandbare recyclageresidu's van papier- en kartonafval is K = 0,03 met ingang van het heffingsjaar 2007 tot en met het heffingsjaar 2009, en K = 1 vanaf het heffingsjaar 2010.

Voor recyclageresidu's van elektronisch en elektrisch schrootafval, van schrootafval en van shredderafval afkomstig van schrootverwerking, voor recyclageresidu's van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, en voor recyclageresidu's van de compostering/vergisting van GFT is K = 0,15 met ingang van het heffingsjaar 2007 tot en met het heffingsjaar 2009, en K=1 vanaf het heffingsjaar 2010. In afwijking hiervan blijft voor shredderafval afkomstig van schrootverwerking K = 0,15 voor het heffingsjaar 2010 indien de hoeveelheid shredderafval die in 2010 per ton inputmateriaal wordt gestort, met 10 % wordt verminderd in vergelijking met de hoeveelheid shredderafval die in 2010 per ton inputmateriaal wordt geproduceerd en bestaande uit enerzijds de lichte fractie die wordt afgezogen uit de cycloon, en anderzijds de zware fractie die overblijft na metallische scheiding en na de lineaire motor.

Voor recyclageresidu's afkomstig van de normale activiteiten van door de OVAM erkende kringloopcentra is K = 0,2 met ingang van het heffingsjaar 2007.

Voor recyclageresidu's van bouw- en sloopafval is K = 0,6 voor het heffingsjaar 2007 en K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2008.

Voor andere recyclageresidu's is K = 0,4 voor het heffingsjaar 2007, K = 0,6 voor het heffingsjaar 2008, K = 0,8 voor het heffingsjaar 2009 en K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2010; 4° voor residu's afkomstig van de reiniging van grond in daartoe vergunde grondreinigingscentra : 3 euro per ton voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats;5° voor residu's afkomstig van de verwerking van rioolkolkenslib in daartoe vergunde inrichtingen : 3 euro per ton voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats;6° voor slibresidu's afkomstig van de reiniging van zeefzand in daartoe vergunde bedrijven : 3 euro per ton voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats;7° 23 euro per ton voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van geïmmobiliseerde niet-brandbare afvalstoffen afkomstig van daartoe vergunde bedrijven, op voorwaarde dat de immobilisatie noodzakelijk is om te voldoen aan de vergunningsvoorwaarden van de stortplaats;8° 5 euro per ton voor het storten van ijzeroxide afvalstoffen van de zinkproductie bekend onder de naam jarosiet en goethiet, op een daartoe vergunde stortplaats;9° 1 euro per ton voor het storten van gips of calciumchloride afvalstoffen op een daartoe vergunde stortplaats;10° 5 euro per ton voor het storten van ertsresten van de productie van titaandioxidepigmenten volgens het chloorproces op een daartoe vergunde stortplaats;11° 0,1 euro per ton voor het storten van baggerspecie op een daartoe vergunde stortplaats;12° 0,1 euro per ton voor het storten van ruimingspecie op een daartoe vergunde stortplaats;13° 11 euro per ton voor het storten van inerte afvalstoffen op een daartoe vergunde stortplaats;14° 7 euro per ton voor het verbranden van afvalstoffen in een daartoe vergunde installatie;15° 7 euro per ton voor het meeverbranden van afvalstoffen in een daartoe vergunde installatie. In afwijking van 14° en 15° geldt voor het verbranden of meeverbranden van recyclageresidu's van papier- en kartonafval een heffingstarief van 2 euro/ton met ingang van het heffingsjaar 2007; 16° de bedragen overeenkomstig het bovenvermelde 1° tot en met 15° voor het sorteren of voorbehandelen van afvalstoffen in een daartoe vergunde inrichting.Het bedrag van de milieuheffing wordt bepaald door de op de niet-gerecycleerde of hergebruikte afvalstoffen toegepaste verwerkingswijze bedoeld in het bovenvermelde 1° tot en met 15°.

De hiervoor vermelde milieuheffing is niet verschuldigd indien de vergunde opslag-, overslag-, sorteer- en/of voorbehandelinginrichting aantoont dat de afvalstoffen na opslag, overslag, sortering of voorbehandeling gerecycleerd of hergebruikt werden en, voor wat betreft het niet-hergebruikte en niet-gerecycleerde gedeelte, werden verwerkt met betaling van de milieuheffing overeenkomstig het bovenvermelde 1° tot en met 15°.

Indien de verwerking van de niet-gerecycleerde of niet-hergebruikte afvalstoffen buiten het Vlaamse Gewest plaatsvindt, zijn de bepalingen van het hierna vermelde 17°, tweede zinsdeel, van toepassing; 17° de bedragen vermeld sub 1° tot en met sub 16°, overeenkomstig de toegepaste verwerkingswijze voor de afvalstoffen geproduceerd in het Vlaamse Gewest die worden overgebracht met het oog op het verwerken ervan in een daartoe vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest;in geval een gelijksoortige milieuheffing van toepassing is in het gewest of land waar bedoelde afvalstoffen worden verwerkt, wordt het bedrag van de heffing verminderd met het bedrag van de voormelde gelijksoortige milieuheffing zonder dat dit evenwel tot lager dan nul kan worden herleid. § 3. Voor volgende afvalstoffen geldt een tarief van 0 euro/ton : 1° het storten van asbesthoudende afvalstoffen op een daartoe vergunde stortplaats. Onder asbesthoudende afvalstoffen worden tevens begrepen : afvalstoffen geheel of gedeeltelijk bestaande uit keramische vezels met gelijkaardige carcinogene eigenschappen; 2° het storten, verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van afvalstoffen van bodemsaneringsoperaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere saneringswijzen dan uitgraven en storten onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn;3° het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting en met recuperatie van energie van verwerkte dierlijke vetten, eiwitten en meel die conform die conform de Europese, federale en regionale regelgeving vernietigd moeten worden;4° het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting en met recuperatie van energie van recyclageresidu's van lompenafval en van recyclageresidu's van bedrijven die glasafval afkomstig van selectieve inzamelingen gebruiken of voorbehandelen als grondstof voor de aanmaak van nieuw glas. Aan een milieuheffing zijn niet onderworpen : 1° het gebruik in de afdichtlaag van een vergunde stortplaats van mengsels van enerzijds reagentia en/of toeslagstoffen en anderzijds volgende afvalstoffen die overeenkomstig de Beste Beschikbare Technieken (BBT) niet reinigbaar zijn : zuiveringsslib, gronden/zanden, bodemassen en assen afkomstig van de verbranding van zuiveringsslib;2° het storten van gronden die beantwoorden aan de voorwaarden voor het gebruik als bodem en die gebruikt worden als tussenafdek;3° het verbranden of meeverbranden van houtafval in een daartoe vergunde inrichting en met recuperatie van energie. § 4. De in § 2 bedoelde bedragen worden aangepast aan het indexcijfer der consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer der consumptieprijzen van december 2006, basis 1996. De indexering gebeurt jaarlijks automatisch, dus zonder voorafgaande verwittiging, op 1 januari van elk jaar. De aangepaste bedragen worden afgerond tot de hogere cent. § 5. De bedragen van de milieuheffing overeenkomstig het bovenvermelde artikel 48, § 2, 2° tot en met 17°, worden vanaf 2007 vermenigvuldigd met 0,70 voor de heffingsplichtigen die overeenkomstig artikel 179 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting.

Art. 49.§ 1. De milieuheffing bedoeld in artikel 48, § 1, is verschuldigd : 1° voor wat betreft de bedragen bedoeld in § 2, 1° tot en met 16° : op het tijdstip dat de afvalstoffen worden verwerkt in de in § 2, 1° tot en met 16°, bedoelde inrichtingen;2° voor wat betreft de bedragen bedoeld in § 2, 17° : op het tijdstip dat de afvalstoffen geproduceerd in het Vlaamse Gewest worden overgebracht met het oog op het verwerken ervan buiten het Vlaamse Gewest. § 2. Wanneer een afvalstof verschillende verwerkingswijzen ondergaat, is de heffing alleen verschuldigd voor de heffingsplichtige verwerkingswijze die het eerst wordt toegepast. De vrijstelling van heffing geldt ook voor de toeslagstoffen die in de eerste verwerkingswijze worden toegevoegd. § 3. De heffingsplichtige kan het gedeelte van de heffing door hem opgenomen in zijn aangifte en regelmatig voldaan op de wijze voorzien bij artikel 50, § 6, terugvorderen onder volgende voorwaarden : 1° de heffing moet onbetwistbaar en duidelijk omschreven zijn op een factuur uitgereikt door de heffingsplichtige aan een medecontractant met verwijzing naar het in artikel 50, § 8, bedoelde register;2° de vordering van de heffingsplichtige moet blijken definitief oninbaar te zijn bij gebrek aan activa na opname als onbetwistbare vordering in het passief van het faillissement van de medecontractant op grond van een attest uitgereikt door de behandelende curator;3° de aanvraag tot teruggave van de heffing moet gebeuren per aangetekend schrijven aan de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij en moet vergezeld zijn van de factuur vermeld in 1°, alsmede van een afschrift van het attest uitgereikt door de behandelende curator, zoals vermeld in 2°.

Art. 50.§ 1. Wanneer voor de exploitatie van een inrichting de vergunning, verleend conform de bepalingen van dit decreet, is vervallen en voor dezelfde inrichting een nieuwe vergunning werd verleend, wordt voor wat de toepassing betreft van artikel 48, § 2, inzake milieuheffingen de nieuwe vergunning geacht te zijn verleend met ingang van ofwel het tijdstip zoals vermeld in het vergunningsbesluit indien de vergunningverlenende overheid binnen de wettelijk voorziene termijn een beslissing heeft genomen, ofwel het tijdstip waarop deze beslissing conform de wettelijke termijn had moeten genomen worden. § 2. De inning van de heffing vindt eenmaal per kwartaal plaats, namelijk in de loop van de maanden april en mei voor wat het eerste kwartaal betreft, in de loop van de maanden juli en augustus voor wat het tweede kwartaal betreft, in de loop van de maanden oktober en november voor wat het derde kwartaal betreft en in de loop van de maanden januari en februari van het volgende jaar voor wat het vierde kwartaal betreft. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen. § 3. De Vlaamse Regering duidt de ambtenaren en contractuele personeelsleden van de OVAM aan die belast zijn met de inning en de invordering van de heffing en met de controle op de naleving van de verplichtingen inzake de heffing, en bepaalt de nadere regelen met betrekking tot hun bevoegdheden. § 4. De heffingsplichtige is verplicht om in de loop van de maanden april, juli, oktober en januari een aangifte in te dienen met betrekking tot de heffing verschuldigd voor het voorafgaande kwartaal. § 5. Indien de heffingsplichtige niet tot betaling van het aangegeven bedrag overgaat of indien na controle door de met de inning en de invordering van de heffing belaste ambtenaar blijkt dat de aangegeven bedragen onjuist zijn kan door de met de inning en de invordering van de heffing belaste ambtenaar een navordering worden opgelegd ten laste van de heffingsplichtige. § 6. De heffingsplichtige is verplicht om voor 10 mei, 10 augustus, 10 november, alsmede 10 februari, de heffing voor het voorafgaande kwartaal te betalen. Evenwel is de heffingsplichtige ertoe verplicht voor 10 december van elk jaar een voorschot te betalen op de heffing voor het vierde kwartaal van dat jaar. Dit voorschot wordt forfaitair vastgesteld op zesenzestig procent van het bedrag dat bekomen wordt door de voor de eerste drie kwartalen door de heffingsplichtige verschuldigde heffing te delen door drie. Het aldus bekomen forfaitair bedrag wordt afgerond tot het lagere tiental. Indien op basis van de aangifte inzake het vierde kwartaal blijkt dat de werkelijk verschuldigde heffing lager is dan het verschuldigde voorschot, wordt dit voorschot, verminderd met de werkelijk verschuldigde heffing, maar vermeerderd met de wettelijke verwijlintrest op het aldus berekende verschil, aan de heffingsplichtige teruggestort binnen negentig kalenderdagen na ontvangst van de behoorlijk opgestelde aangifte inzake het vierde kwartaal. Het voorschot is niet verschuldigd indien de heffingsplichtige voor 10 december het bewijs levert dat hij zijn belastingplichtige activiteit heeft stopgezet voor de aanvang van het vierde kwartaal. § 7. In geval de heffingsplichtige meerdere kwartalen moet vereffenen, worden de betalingen eerst aangerekend op de oudste schulden en in volgorde eerst op de administratieve geldboeten, de nalatigheidsintresten en de hoofdsom. § 8. De heffingsplichtige is verplicht om de hoeveelheden afvalstoffen uitgedrukt in ton dagelijks en in volgorde van verwerking in een register in te schrijven. § 9. De heffingsplichtige is verplicht om alle bescheiden die nodig zijn om de voldoening van de heffing of de juistheid van de aangegeven bedragen na te gaan, voor te leggen op ieder verzoek van de ambtenaren belast met de controle op de naleving van de verplichtingen inzake de heffing. § 10. De heffingsplichtige is verplicht om op ieder verzoek van de ambtenaren belast met de controle op de naleving van de verplichtingen inzake de heffing, mondeling of schriftelijk alle inlichtingen te verschaffen die hem gevraagd worden om de voldoening van de heffing of de juistheid van de aangegeven bedragen na te gaan. § 11. Wanneer de heffing niet is betaald na het verstrijken van de termijn bedoeld in § 6, is van rechtswege de wettelijke intrest verschuldigd zoals thans bepaald in het KB van 4 augustus 1996 tot wijziging van de wettelijke rentevoet. § 12. Wanneer een heffingsplichtige, om welke redenen dan ook, de aangifte bedoeld in § 4 niet of te laat heeft ingediend of de verplichtingen bedoeld in § 8, § 9 of § 10, niet is nagekomen, kan hem door de met invordering belaste ambtenaar een ambtelijke aanslag opgelegd worden tot beloop van de heffing die vermoedelijk is verschuldigd. § 13. De heffing wordt in de gevallen bedoeld in § 12 vastgesteld op basis van de gevraagde stukken of, bij ontstentenis hiervan, op basis van gegevens die kunnen bewezen worden door geschrift, getuigen en vermoedens. § 14. De ambtelijke aanslag wordt opgelegd onverminderd de mogelijkheid van navordering binnen de termijn bedoeld in artikel 52. § 15. Binnen een termijn van dertig dagen na de datum van verzending, per aangetekend schrijven, van een ambtelijke aanslag of een navordering, kan de heffingsplichtige per aangetekend schrijven beroep instellen bij de door de Vlaamse Regering aangewezen Vlaamse minister die uitspraak doet binnen de zes maanden vanaf de datum van verzending van het beroepschrift. Een afschrift van dit beroep dient met dezelfde post per aangetekend schrijven aan de OVAM betekend. Op straffe van nietigheid verwijst het beroep naar het dossiernummer, aanslagjaar en kwartaal vermeld in de ambtelijke aanslag of in de navordering. Bij met redenen omkleed aangetekend schrijven, gericht aan de heffingsplichtige, kan de door de Vlaamse Regering aangewezen Vlaamse minister de voormelde termijn eenmalig verlengen met een periode van zes maanden. § 16. Alvorens een beslissing te nemen, legt de door de Vlaamse Regering aangewezen Vlaamse minister de in § 15 bedoelde geschillen voor aan een adviescommissie.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen met betrekking tot de werking en samenstelling van de adviescommissie. § 17. Bij gebrek aan een uitspraak van de door de Vlaamse Regering aangewezen Vlaamse minister binnen de in § 15 gestelde termijn, wordt het beroep van de heffingsplichtige als ingewilligd beschouwd. § 18. De minister verzendt zijn beslissing per aangetekend schrijven aan de heffingsplichtige. § 19. Tegen de beslissing van de minister kan een vordering worden ingesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 1385decies en 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek. § 20. Ten aanzien van de heffingsplichtige, bedoeld in artikel 48, § 1, kan teruggave van door hem te veel aangegeven en betaalde milieuheffingen plaatsvinden door middel van verrekening op het verschuldigde bedrag aan te geven en te betalen voor een volgend kwartaal van het lopende kalenderjaar. § 21. De heffingsplichtige voegt bij deze kwartaalaangifte de nodige stukken ter staving van de gegrondheid van zijn verrekening. Bij onjuiste of ten onrechte toegepaste verrekening blijft de mogelijkheid van navordering zoals bedoeld in § 5 onverminderd bestaan. § 22. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de aanduiding van de met inning en invordering van de milieuheffingen belaste personen, de wijze van inning en invordering van de milieuheffingen, de aangifte en de betaling van de milieuheffingen en de behandeling van de beroepen ingesteld overeenkomstig § 15.

Art. 51.Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk XI wordt voor iedere overtreding van de verplichting om aan de heffing te voldoen, een administratieve geldboete opgelegd gelijk aan de ontdoken of niet tijdig betaalde heffingen met dien verstande dat deze boete ten minste 70 euro bedraagt. Voor de berekening van deze administratieve geldboete wordt uitgegaan van de milieuheffing zonder de vermenigvuldigingsfactor 0,70 zoals bedoeld in artikel 48, § 5.

Art. 52.De vordering tot voldoening van de heffing, van de intresten en van de administratieve geldboete verjaart door verloop van vijf jaar, te rekenen van de dag waarop zij is ontstaan. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.

Art. 53.§ 1. De ambtenaar daartoe aangewezen door de Vlaamse Regering kan met de heffingsplichtige dadingen treffen, voor zover deze niet leiden tot vrijstelling of vermindering van de heffing. § 2. Hij beslist tevens over de gemotiveerde verzoeken om kwijtschelding of vermindering van de administratieve geldboete die de heffingsplichtige per aangetekend schrijven tot hem richt. Deze verzoeken dienen op straffe van verval ingediend uiterlijk binnen de maand nadat de beroeper in kennis is gesteld van de beslissing van de bevoegde Vlaamse minister over het ingestelde beroep overeenkomstig de bepalingen in artikel 50, § 18. § 3. Tegen de beslissing van de daartoe aangewezen ambtenaar bedoeld in § 2 kan een vordering worden ingesteld overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 1385decies en 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek. § 4. Hij beslist tevens over de gemotiveerde verzoeken tot uitstel van betaling die de heffingsplichtige per aangetekend schrijven tot hem richt. § 5. Bij gebrek aan voldoening van de heffing, intresten, administratieve geldboete en toebehoren wordt door de met de invordering belaste ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd. Dit dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de ambtenaar daartoe aangewezen door de Vlaamse Regering. § 6. De betekening van het dwangbevel gebeurt bij gerechtsdeurwaarderexploot of bij aangetekend schrijven. § 7. Op het dwangbevel zijn de bepalingen toepasselijk van deel V van het Gerechtelijk Wetboek houdende bewarend beslag en middelen van tenuitvoerlegging. § 8. Tot zekerheid van de voldoening van de heffing, intresten, administratieve geldboete en de kosten heeft het Vlaamse Gewest een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de heffingsplichtige.

Het kan een wettelijke hypotheek vestigen op alle goederen die daarvoor vatbaar zijn en in het Vlaamse Gewest gelegen zijn van de persoon op wiens naam de navordering of de ambtelijke aanslag is gevestigd. § 9. Het voorrecht bedoeld in § 8 neemt rang in onmiddellijk na de voorrechten die vermeld zijn in de artikelen 19 en 20 van de Hypotheekwet. § 10. De rang van de wettelijke hypotheek wordt bepaald door de dagtekening van de inschrijving die genomen wordt. § 11. De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de ambtenaren, bedoeld in artikel 50, § 3. § 12. Artikel 19 van de Faillissementswet is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek inzake de verschuldigde heffing waarvoor de inschrijving is genomen voor en waarvan betekening aan de heffingsschuldige is gedaan voor het vonnis van faillietverklaring.

Art. 53bis.De gemeenten zijn ertoe gerechtigd een beroep te doen op de nodige medewerking van de OVAM met het oog op de inning van de opcentiemen, voor zover deze maximaal 20 opcentiemen bedragen, door de betrokken gemeente te heffen op de door de OVAM geïnde milieuheffingen bedoeld in artikel 48, voor de heffingsplichtige inrichtingen gelegen op hun grondgebied.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot de inningskosten en wijze van innen van de opcentiemen. ». HOOFDSTUK XII. - Herstelfonds

Art. 47.Aan het tweede lid van artikel 159bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals ingevoegd bij decreet van 10 maart 2006, wordt een punt 3° toegevoegd, dat luidt als volgt : « 3° het per 31 december van het jaar voorafgaande aan het begrotingsjaar beschikbare saldo van het Herstelfonds. ». HOOFDSTUK XIII. - Activering van het risicokapitaal in Vlaanderen

Art. 48.In artikel 2 van het decreet van 19 december 2003 betreffende het activeren van risicokapitaal in Vlaanderen wordt punt 7° vervangen door wat volgt : « 7° doelonderneming : een kleine, middelgrote of micro-onderneming als gedefinieerd in aanbeveling 2003/361/EG van de Europese Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen, met inbegrip van alle latere wijzigingen daarvan, die de vorm van een vennootschap met rechtspersoonlijkheid aanneemt en die beschikt over een exploitatiezetel in het Vlaamse Gewest, of die zich ertoe verbindt in het Vlaamse Gewest een exploitatiezetel te vestigen; ».

Art. 49.In hetzelfde decreet worden de artikelen 16 tot en met 20 opgeheven. HOOFDSTUK XIV. - Fonds ter valorisatie van de GIMV-participatie

Art. 50.In artikel 38 van het decreet van 24 juni 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2005 wordt § 2 vervangen door wat volgt : « § 2. Het Fonds wordt gespijsd met de opbrengsten die voortvloeien uit de verkoop van de GIMV-participatie die door de naamloze vennootschap Vlaamse Participatiemaatschappij aan het Vlaamse Gewest uitgekeerd worden. ». HOOFDSTUK XV. - Vlaams Agentschap Ondernemen

Art. 51.In het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid « Vlaams Agentschap Ondernemen », in artikel 6, § 1, derde lid, 2°, worden voor de woorden « het labelen en/of certificeren van actoren » de woorden « onverminderd het bepaalde in artikel 6bis, » ingevoegd.

Art. 52.Aan hetzelfde decreet wordt een hoofdstuk IIIbis toegevoegd, dat luidt als volgt : « HOOFDSTUK IIIbis. - Erkenning en subsidiëring van de erkende inrichters van VLAO-aanspreekpunten en van de erkende VLAO-aanspreekpunten

Art. 6bis.§ 1. De Vlaamse Regering wordt ermee belast om, met het oog op de inrichting van een fijnmazig netwerk van VLAO-aanspreekpunten dat het gehele grondgebied van het Vlaamse Gewest bestrijkt, bij besluit van de Vlaamse Regering, het departement Economie, Wetenschap en Innovatie, bedoeld in artikel 21, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, te belasten met de volgende opdrachten : - het verlenen van de erkenningen als inrichter van VLAO-aanspreekpunten; - het verlenen van de erkenningen als VLAO-aanspreekpunten.

De erkenning als inrichter van VLAO-aanspreekpunten wordt verleend aan de private organisaties, verenigingen of vennootschappen met een aangetoonde aanwezigheid op het middenveld die actief zijn op het vlak van de dienst- of adviesverlening aan ondernemingen, zelfstandigen of startende ondernemingen, of aan zelfstandigen, en waarvan door het departement EWI, na het doorlopen van de procedure bedoeld in § 3, wordt vastgesteld dat zij aan de erkenningsvoorwaarden bedoeld in § 2, eerste lid, voldoen.

De erkenning als erkend VLAO-aanspreekpunt kan worden verleend aan één of meerdere plaatselijke vestigingen van een erkende inrichter van VLAO-aanspreekpunten waarvan het departement EWI heeft vastgesteld dat zij aan de erkenningsvoorwaarden bedoeld in § 2, tweede lid, voldoet.

De Vlaamse Regering kan een minimum en maximum vooropstellen van dergelijke vestigingen waaraan, per Vlaamse provincie, een dergelijke erkenning zal kunnen verleend worden.

De Vlaamse Regering bepaalt de bevoegdheden waarover het departement EWI zal beschikken om de in het eerste lid bedoelde opdrachten uit te oefenen. § 2. De Vlaamse Regering stelt de voorwaarden vast waaraan moet zijn voldaan om de erkenning als erkende inrichter van VLAO-aanspreekpunten te kunnen bekomen. Deze voorwaarden dienen te verzekeren dat de erkenning als erkende inrichter van VLAO-aanspreekpunten enkel zal worden verleend aan entiteiten die getuigen van een voldoende mate van organisatie, kwaliteit, deskundigheid en ervaring, van een voldoende mate van aanwezigheid in Vlaanderen en van een bereidheid tot het verlenen van een vlotte medewerking aan de inrichting van de VLAO-aanspreekpunten om de doelstelling vermeld in het derde lid te bereiken.

In dezelfde zin stelt de Vlaamse Regering de voorwaarden vast waaraan moet zijn voldaan om de erkenning als VLAO-aanspreekpunt te kunnen bekomen. Deze voorwaarden dienen te verzekeren dat de erkende VLAO-aanspreekpunten voldoende bemand zijn met deskundig personeel, dat zij beschikken over een voldoende mate van infrastructuur en dat zij vlot toegankelijk zijn voor het brede publiek.

De door de Vlaamse Regering vastgestelde voorwaarden als bedoeld in de beide vorige leden dienen te verzekeren dat een fijnmazig netwerk van VLAO-aanspreekpunten over het gehele grondgebied van het Vlaamse Gewest tot stand wordt gebracht. § 3. De Vlaamse Regering bepaalt de krachtlijnen van de procedure die het departement EWI toepast met het oog op de verlening van de in § 1, eerste lid, bedoelde erkenningen.

De Vlaamse Regering regelt de beroepsmogelijkheid tegen beslissingen van het departement EWI bij de bevoegde minister. § 4. Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten, regelt de Vlaamse Regering de wijze waarop het departement EWI subsidies aan de erkende inrichters van VLAO-aanspreekpunten kan verlenen. § 5. De Vlaamse Regering bepaalt op welke wijze er met betrekking tot een erkende inrichter van VLAO-aanspreekpunten en een erkend VLAO-aanspreekpunt wordt gerapporteerd en aan welke vormen van evaluatie en inspectie de erkende VLAO-aanspreekpunten en de erkende inrichters van VLAO-aanspreekpunten worden onderworpen. § 6. De Vlaamse Regering bepaalt welke sancties het departement EWI kan treffen in geval een erkend VLAO-aanspreekpunt of een erkende inrichter van VLAO-aanspreekpunten een inbreuk op een reglementaire bepaling begaat. § 7. De Vlaamse Regering kan de verdere maatregelen nemen die nodig zijn ter verzekering van de vlotte inrichting en werking van de erkende inrichters van VLAO-aanspreekpunten en van de erkende VLAO-aanspreekpunten. ». HOOFDSTUK XVI. - Fonds ter Bevordering van de Sociale Economie in Vlaanderen

Art. 53.§ 1. Onder het beheer van de Vlaamse minister bevoegd voor de Sociale Economie wordt een Fonds ter Bevordering van de Sociale Economie in Vlaanderen opgericht, hierna te noemen « het Fonds ». § 2. Het Fonds is een begrotingsfonds type B in de zin van artikel 45 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit. § 3. Aan het Fonds worden toegewezen alle ontvang-sten voortvloeiende uit dividenden uitgekeerd door de naamloze vennootschap T-Groep aan de Vlaamse overheid als aandeelhouder. § 4. De Vlaamse Regering beschikt voor de financiering van vernieuwende projecten die de sociale economie in Vlaanderen bevorderen over de kredieten van het Fonds.

Art. 54.In het decreet van 28 juni 2002 betreffende de oprichting van de vennootschappen T-Groep en Werkholding, gewijzigd bij het decreet van 19 maart 2004, wordt hoofdstuk III, bestaande uit artikelen 7 tot en met 10bis, opgeheven. HOOFDSTUK XVII. - VRT

Art. 55.In artikel 16, 1°, van de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 4 maart 2005, worden de woorden « het radio- en televisieaanbod » vervangen door « het omroepaanbod » en wordt het woord « artikel 8 » vervangen door « artikel 6, § 2 ».

Art. 56.In artikel 16, 2°, van de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 4 maart 2005, worden de woorden « de innovatieve mediaprojecten, hierna de e-vrt projecten te noemen » vervangen door de woorden « de onderzoeks- en innovatieopdracht van de VRT », en worden de woorden « artikel 8, inzonderheid in artikel 8, § 5 » vervangen door de woorden « artikel 6, inzonderheid artikel 6, § 2, vijfde lid ».

Art. 57.De eerste drie zinnen van artikel 16, 4°, van de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 4 maart 2005 worden vervangen door wat volgt : « 4° de berekening van de enveloppe aan financiële middelen die noodzakelijk is voor het verzorgen van het openbare omroepaanbod, bedoeld in 1°, en de uitbetalingsmodaliteiten ervan. ».

Art. 58.Artikel 16, 5°, van de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 4 maart 2005 wordt vervangen door wat volgt : « 5° de berekening van de financiering van de toegevoegde opdracht voor onderzoek en innovatie. ». HOOFDSTUK XVIII. - Winwinlening

Art. 59.In artikel 3, § 2, 1°, van het decreet betreffende de Winwinlening van 19 mei 2006 wordt het woord « kalenderjaren » vervangen door « jaren ». HOOFDSTUK XIX. - Vlaamse Wooncode Afdeling I. - Conformiteitsattest

Art. 60.Aan artikel 8 van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode wordt een § 3 toegevoegd, die luidt als volgt : « § 3. In afwijking van §§ 1 en 2, kan de gewestelijk ambtenaar in het kader van de toekenning van de tegemoetkoming in de huurprijs, vermeld in artikel 82, een conformiteitsattest aan de verhuurder uitreiken. ».

Art. 61.In artikel 14, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt de zin « De woningen die een door de Vlaamse Regering vast te stellen ouderdom nog niet hebben bereikt zijn niet onderworpen aan de toepassing van bepalingen van dit hoofdstuk. » vervangen door de zin « Met uitzondering van het geval, vermeld in artikel 8, § 3, zijn de woningen die een door de Vlaamse Regering vast te stellen ouderdom nog niet hebben bereikt, niet onderworpen aan de bepalingen van dit hoofdstuk. ». Afdeling II. - Financiering investeringsprogramma sociale woningbouw

Art. 62.In afwachting van de vaststelling, door de Vlaamse Regering, van het eerste investeringsprogramma voor woonprojecten, vermeld in artikel 22, § 2, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, en van de procedure, vermeld in artikel 33, § 3, tweede lid, van hetzelfde decreet, stelt de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen een uitvoeringsprogramma 2007 op dat met het advies van het departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed voor goedkeuring aan de Vlaamse Regering wordt voorgelegd.

De bepalingen van artikel 22, § 2, vierde en vijfde lid, artikel 33, § 1, eerste lid, en § 3, eerste lid, artikel 34, § 1, en artikel 38 van voormeld decreet zijn van toepassing op het uitvoeringsprogramma 2007.

Het subsidiepercentage wordt tweemaal door de Vlaamse Regering vastgesteld in functie van de evolutie van de marktrentevoet, die wordt gemeten op basis van het voortschrijdende gemiddelde van de rentevoet OLO met een resterende looptijd van tien jaar voor de periode van zes maanden die respectievelijk voorafgaat aan 1 juli 2006 en 1 maart 2007. Afdeling III. - Huurdienst

Art. 63.Een huurdienst, erkend overeenkomstig artikel 56 van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, gewijzigd bij de decreten van 19 maart 2004 en 24 maart 2006, die een geregulariseerde DAC-werknemer in dienst heeft, heeft jaarlijks recht op een subsidie die gelijk is aan de bezoldiging van deze werknemer.

De Vlaamse Regering bepaalt de specifieke personeelskosten die voor subsidiëring in aanmerking komen, de betalingsmodaliteiten van de subsidiëring alsmede de vervangingsmogelijkheden en -voorwaarden.

Als de arbeidsovereenkomst van een geregulariseerde DAC-werknemer wordt beëindigd, blijft de subsidie behouden voor de sector van de huurdiensten. De subsidie zal worden aangewend voor de noden binnen de sector. De Vlaamse Regering bepaalt de criteria op basis waarvan de subsidie zal worden toegewezen en de verdere uitvoeringsmaatregelen.

Art. 64.In afwachting van de uitvoeringsmaatregelen blijft het besluit van de Vlaamse Regering van 16 december 2005 houdende de toekenning van een niet-gereglementeerde subsidie aan bepaalde initiatieven binnen het woonbeleid die personeelsleden tewerkstellen in een gewezen DAC-statuut van kracht. Afdeling IV. - Erkende kredietmaatschappijen

Art. 65.Aan artikel 78 van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, waarvan de bestaande tekst § 1 zal vormen, wordt een § 2 toegevoegd, die luidt als volgt : « § 2. Het Vlaamse Gewest waarborgt, binnen het plafond vermeld in de begrotingsdecreten, en onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering stelt, de terugbetaling van de hoofdsom en de betaling van de interest en de extra kosten van de kredieten aangegaan door de in § 1, eerste lid, 1°, vermelde kredietmaatschappijen. De onder deze voorwaarden opgenomen kredieten zijn voor 100 % gewaarborgd. ». HOOFDSTUK XX. - Wetenschap en Innovatie Afdeling I. - Steunpunten voor beleidsrelevant onderzoek

Art. 66.In het decreet van 22 februari 1995 betreffende de wetenschappelijke of maatschappelijke dienstverlening door de universiteiten of de hogescholen en betreffende de relaties van de universiteiten en de hogescholen met andere rechtspersonen, zoals gewijzigd bij decreten van 14 juli 1998, 18 mei 1999 en 19 maart 2004, wordt een hoofdstuk Ibis, bestaande uit artikel 8bis, ingevoegd, dat luidt als volgt : « HOOFDSTUK Ibis. - Steunpunten voor beleidsrelevant onderzoek

Art. 8bis.§ 1. Een steunpunt voor beleidsrelevant onderzoek is een entiteit in de schoot van één of meer initiërende universiteiten of hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap.

De opdracht van een steunpunt betreft het verzamelen, analyseren en ontsluiten van beleidsrelevante gegevens, het uitvoeren van beleidsrelevant wetenschappelijk onderzoek en het verlenen van wetenschappelijke dienstverlening. § 2. De Vlaamse Regering bepaalt vijfjaarlijks een lijst van thema's die kaderen binnen de bevoegdheden van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest en waarbinnen de beleidsvoering een op wetenschappelijke inzichten gebaseerde ondersteuning vereist.

De Vlaamse Regering erkent per thema één steunpunt voor een termijn van vijf jaar. § 3. Het afsluiten van een beheersovereenkomst met de Vlaamse Regering doet in hoofde van de initiërende instelling of instellingen een recht ontstaan op overheidsfinanciering ten behoeve van de werking van het betrokken steunpunt.

De overheidsfinanciering bestaat uit een jaarlijkse vaste werkingsenveloppe en eventuele cofinanciering.

De optelsom van de vaste werkingsenveloppes voor de steunpunten bedraagt voor het begrotingsjaar 2007 8.500.000 euro. In het begrotingsjaar 2008 wordt dit bedrag aangepast aan de jaarlijkse stijging van de gezondheidsindex, met als referentiedatum 1 januari 2007. § 4. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regelen op het vlak van : 1° de samenwerkingsmogelijkheden tussen de initiërende instelling of instellingen en andere actoren;2° de bepaling en de vereffening van de vaste werkingsenveloppes;3° de procedure tot aanvraag van een erkenning en van een vaste werkingsenveloppe;4° de invulling van de beheersovereenkomsten tussen de Vlaamse Regering en het bestuur of de besturen van de initiërende instelling of instellingen;5° de wijze waarop de werking van de steunpunten op metaniveau wordt geëvalueerd.». Afdeling II. - Industriële onderzoeksfondsen

Art. 67.Aan hoofdstuk XVII van het decreet van 20 december 2002 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2003 wordt een artikel 74bis toegevoegd, dat luidt als volgt : «

Art. 74bis.§ 1. De Vlaamse Regering verleent subsidie-enveloppes aan de Industriële Onderzoeksfondsen, zijnde interne bestemmingsfondsen van een universiteit of, voor zover daartoe beslist wordt op grond van artikel 100 van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, van een associatie. Bij een universiteit of associatie kan slechts één Industrieel Onderzoeksfonds worden opgericht.

De middelen van een Industrieel Onderzoeksfonds worden aangewend voor het strategisch basisonderzoek in de schoot van de universiteit en de hogeschool of hogescholen die partner zijn bij de associatie waartoe de universiteit behoort.

Een Industrieel Onderzoeksfonds wordt, naargelang het geval, beheerd op de wijze bepaald door een reglement, vastgesteld door het universiteitsbestuur, dan wel door het algemeen onderzoeks- en samenwerkingsreglement van de associatie, als bedoeld in artikel 101bis van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen. Het toepasselijke reglement voorziet ten minste in de oprichting van een raad die het universiteits- of associatiebestuur van advies dient over de besteding van de middelen van het Industrieel Onderzoeksfonds. § 2. De Vlaamse Regering legt jaarlijks, binnen de perken van de begrotingskredieten, een globaal bedrag vast voor de subsidiëring van het strategisch basisonderzoek in de schoot van partners bij de associaties.

Het globale bedrag wordt onder de universiteiten of associaties verdeeld a rato van het procentuele aandeel van de universiteit in de som van de door de Vlaamse Regering omschreven en gewogen parameters.

De parameters hebben ten minste betrekking op : 1° het aandeel van de universiteit in de globale wetenschappelijke output van de universiteiten, in het bijzonder bemeten aan de hand van het aantal doctoraatsdiploma's, het aantal wetenschappelijke publicaties en citaties en het aantal toegekende en gepubliceerde aangevraagde octrooien binnen een referentieperiode;2° het aandeel van de universiteit in de globale valorisatie van wetenschappelijke kennis door de universiteiten, in het bijzonder bemeten aan de hand van het aantal in een referentieperiode gecreëerde spin-off bedrijven, als bedoeld in artikel 9, respectievelijk 20, § 3, van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de wetenschappelijke of maatschappelijke dienstverlening door de universiteiten of de hogescholen en betreffende de relaties van de universiteiten en de hogescholen met andere rechtspersonen;3° het aandeel van de universiteit in het globale wetenschappelijke personeelsbestand van de universiteiten in een referentieperiode;4° het aandeel van de universiteit in de door het IWT-Vlaanderen beheerde financiering in een referentieperiode;5° het aandeel van de universiteit in het geheel van de universitaire contractinkomsten uit het Vijfde Kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (1998-2002). Aan de parameters betreffende het aandeel van de universiteit in het aantal doctoraatsdiploma's en het aantal wetenschappelijke publicaties en citaties wordt het hoogste gewicht toegekend. § 3. De middelen uit een Industrieel Onderzoeksfonds worden, naargelang het geval, toegekend door het universiteits- of associatiebestuur, middels een open oproep binnen de universiteit en de hogeschool of hogescholen die partner zijn bij de betrokken associatie. § 4. De Vlaamse Regering bepaalt nadere regelen met betrekking tot : 1° de inhoud van het in § 1, derde lid, bedoelde reglement;2° de aanwending van de middelen uit een Industrieel Onderzoeksfonds;3° het betalingsritme van de subsidiëring aan de Industriële Onderzoeksfondsen;4° de subsidiëringsvoorwaarden en de controle op de naleving daarvan;5° de evaluatie, in 2007, van de werking van de Industriële Onderzoeksfondsen.». Afdeling III. - Bijkomende academiseringsmiddelen

Art. 68.In deel VI van het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen wordt een titel IVbis ingevoegd, bestaande uit artikel VI.9bis tot en met VI.9septies, die luidt als volgt : « TITEL IVbis. - Ondersteuning van de onderzoeksgerichte component van het academiseringsproces Art. VI.9bis. Deze titel is van toepassing op de associaties en op de universiteiten en hogescholen die partner zijn bij een associatie.

Art. VI.9ter. § 1. Voor de begrotingsjaren 2006 en 2007 wordt in een ondersteuning voorzien ten bate van de versteviging van de onderzoeksbetrokkenheid van academisch gerichte hogeschoolopleidingen, daaronder begrepen het versterken van de onderzoeks- en innovatiecapaciteit, het bewerkstelligen van de interdisciplinariteit en transdisciplinariteit van het gevoerde onderzoek, en de bevordering van de valorisatie van onderzoeksresultaten en de samenwerking met het bedrijfsleven.

In het begrotingsjaar 2006 wordt ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde ondersteuningsmaatregel een bedrag van 2 miljoen euro vastgelegd. Dit bedrag wordt in het begrotingsjaar 2007 aangepast overeenkomstig de indexeringsformule, als bedoeld in artikel 184, § 1, van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap. § 2. Het aandeel van elke hogeschool in het in § 1 bedoelde globaal bedrag wordt in 2006 en in 2007 berekend a rato van het aantal financierbare studenten in de academisch gerichte hogeschoolopleidingen. Voor de toepassing van deze bepaling wordt onder financierbare studenten verstaan : de studenten als bedoeld in artikel 177 van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap.

Art. VI.9quater. De op grond van artikel VI.9ter, § 2, per hogeschool berekende ondersteuningsmiddelen worden op het niveau van de associatie samengeteld en toegewezen aan het Industrieel Onderzoeksfonds, als bedoeld in artikel 74bis van het decreet van 20 december 2002 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2003, indien dit fonds beheerd wordt door het betrokken associatiebestuur. In dat geval wordt de generieke wijze waarop de middelen worden aangewend geregeld door het algemeen onderzoeks- en samenwerkingsreglement van de associatie, als bedoeld in artikel 101bis van het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen.

In het andere geval worden de ondersteuningsmiddelen rechtstreeks toegewezen aan de hogeschool.

Art. VI.9quinquies. § 1. Ter aanwending van de ondersteuningsmiddelen worden in de schoot van een associatie samenwerkingsovereenkomsten gesloten tussen één of meer hogescholen en de betrokken universiteit.

Deze samenwerkingsovereenkomsten regelen de wijze waarop personen worden aangeworven of ingezet voor onderzoeksopdrachten en -activiteiten die bijdragen aan de doelstellingen, als bedoeld in artikel VI.9ter, § 1, eerste lid. § 2. Samen kan ten hoogste 10 procent van de ondersteuningsmiddelen worden besteed aan projectkostenvergoedingen ter ondersteuning van : 1° de werkingskosten van de onderzoeksopdrachten en -activiteiten, als bedoeld in § 1, tweede lid;2° de aanschaf en afschrijving van wetenschappelijke uitrusting die nodig is voor de uitvoering van deze onderzoeksopdrachten en -activiteiten. § 3. Ten minste 75 procent van de ondersteuningsmiddelen wordt aangewend ter dekking van de personele kosten verbonden aan de uitvoering van onderzoeks-taken. § 4. De aan de hogeschool of de associatie toekomende ondersteuningsmiddelen die na afloop van het betrokken kalenderjaar niet zijn toegewezen, kunnen met behoud van bestemming worden overgedragen naar de begroting van de hogeschool of de associatie van het daaropvolgende jaar.

Art. VI.9sexies. Op het einde van elke maand wordt aan iedere hogeschool of, naargelang het geval, iedere associatie, één twaalfde van het bedrag van de ondersteuningsmiddelen ter beschikking gesteld.

Art. VI.9septies. Artikel VI.9quinquies geldt als subsidiëringsvoorwaarde.

Indien de commissaris van de hogescholen, of, naargelang het geval, de regeringscommissaris of commissaris, belast met het toezicht op de associatie, een overtreding van de subsidiëringsvoorwaarde vaststelt, voegt hij bij het beroepschrift een advies om, wat betreft de in het kader van deze titel toegekende middelen, toepassing te maken van artikel 13 van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof. ».

Art. 69.Aan artikel VI.10 van het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt : « Artikelen VI.9bis tot en met IV.9septies hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2006 en houden op uitwerking te hebben op 31 december 2007. ». Afdeling IV. - Odysseusfinanciering

Art. 70.In het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap wordt een artikel 167bis ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Art. 167bis.§ 1. Benevens de toelage als bedoeld in artikel 167 van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, wordt aan het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen jaarlijks een subsidie-enveloppe toegekend voor het Odysseusinitiatief.

Het Odysseusinitiatief voorziet in een startfinanciering met als doel uitstekende Vlaamse onderzoekers die momenteel in het buitenland werken en gerenommeerde buitenlandse onderzoekers aan een Vlaamse universiteit te verbinden. Zij krijgen door deze startfinanciering de mogelijkheid om stapsgewijs via de gangbare financieringskanalen middelen te verwerven, zich in te schakelen in het onderzoeksbestel en bij te dragen aan de verdere uitbouw van het Vlaamse onderzoekspotentieel. § 2. Voor het begrotingsjaar 2006 bedraagt de subsidie-enveloppe 12 miljoen euro. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd conform de bepalingen van artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 houdende subsidie aan het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen. De Vlaamse Regering kan het bedrag verhogen binnen de beschikbare begrotingskredieten. § 3. 80 % van de besteedbare middelen wordt door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen over de universiteiten verdeeld op basis van het gemiddelde van de sleutel gehanteerd voor de verdeling van de middelen bestemd voor de Bijzondere Onderzoeksfondsen. Het gemiddelde wordt berekend over vijf jaar, voorafgaand aan het begrotingsjaar waarop het Odysseusinitiatief betrekking heeft.

De resterende 20 % vormt de eigen beleidsruimte waarover het Fonds in het kader van dit initiatief beschikt. § 4. Universiteitsbesturen kunnen beslissen om de aan hen toekomende middelen in een bepaald begrotingsjaar geheel of gedeeltelijk over te dragen naar het volgende jaar en op die manier trekkingsrechten op te bouwen.

Universiteiten die over onvoldoende trekkingsrechten beschikken in een bepaald begrotingsjaar, kunnen met eigen middelen voorfinancieren, zolang dit beperkt blijft tot het bedrag dat zij in het kader van het Odysseusinitiatief zullen ontvangen. § 5. Voor de selectie van de kandidaten legt elk universiteitsbestuur een procedure vast. Deze procedure kan een onderscheid maken tussen internationaal toonaangevende onderzoekers en onderzoekers met het potentieel om door te groeien tot internationaal toonaangevende status. § 6. Bij de voordracht van een kandidaat bevestigt het betrokken universiteitsbestuur dat het een kaderplaats voor zelfstandig academisch personeel, respectievelijk een postdoctoraal mandaat met een looptijd van vijf jaar ter beschikking heeft, evenals de nodige infrastructuur. Daarenboven dient het universiteitsbestuur aan te geven hoe het onderzoeksplan van de betrokken kandidaat ingeschakeld kan worden in het onderzoeksbeleid van de universiteit.

Indien een voordracht uitgaat van twee of meer universiteitsbesturen, wordt een gezamenlijk voorstel geformuleerd. § 7. Het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen onderzoekt door middel van commissies van deskundigen : 1° of de door de universiteiten voorgestelde onderzoekers aan de gestelde eisen van excellentie voldoen;2° of het onderzoeksplan van de voorgestelde onderzoekers van hoge kwaliteit is;3° of het onderzoeksplan uitvoerbaar is met de hiervoor aangevraagde middelen. Een commissie van deskundigen bestaat uit leden die niet verbonden zijn aan een Belgische universiteit en die een algemene internationale erkenning genieten. § 8. Het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen beslist over de toekenning van de financiering. Indien de aanvragende universiteit over de nodige middelen beschikt, kan het Fonds een voorstel slechts afwijzen als de betreffende commissie oordeelt dat de kandidaat niet voldoet. § 9. De geselecteerde onderzoeker ontvangt gedurende vijf jaar startfinanciering. Hij of zij kan de middelen besteden aan werking, personeel en uitrusting, doch niet aan de eigen salariskosten.

Voor internationaal toonaangevende onderzoekers geldt een bedrag van minimaal 400.000 euro en maximaal 1.500.000 euro per jaar, ofwel tussen 2.000.000 en 7.500.000 euro voor de volledige vijf jaar. Voor onderzoekers met het potentieel om door te groeien tot internationaal toonaangevende status geldt een bedrag van minimaal 100.000 euro en maximaal 200.000 euro, ofwel tussen 500.000 en 1.000.000 euro voor de volledige vijf jaar.

De middelen toegekend in het kader van het Odysseusinitiatief aan een onderzoeker kunnen over een niet-verlengbare periode van acht jaar besteed worden. § 10. De universiteitsbesturen leggen een procedure vast voor de tussentijdse beoordeling van de uitvoering van het onderzoeksplan, in het bijzonder met het oog op het nemen van een beslissing over de aanpassing ervan, met inbegrip van de spreiding van de financiering in de tijd. § 11. De Vlaamse Regering kan nadere regelen bepalen voor de toepassing van dit artikel.

In een addendum op de beheersovereenkomst met het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen worden ten minste bepalingen vastgelegd op het vlak van : 1° de voorafname van het Fonds voor centrale beheerskosten en algemene exploitatiekosten;2° de aanrekenbaarheid, door de onthaalinstellingen, van overheadkosten;3° de wijze van bekendmaking van de beoordelingsverslagen, opgemaakt door de commissie van deskundigen in hoofde van de onderzoekers waaraan middelen in het kader van het Odysseusinitiatief worden toegekend;4° de rapportering, door de universiteitsbesturen, over de uitvoering van de onderzoeksplannen en de spreiding in de tijd van de financiering die aan onderzoekers wordt toegekend;5° de rapporteringsplicht van het Fonds aan de hand van statistische parameters;6° de evaluatie van het Odysseusinitiatief en de uitvoering ervan.». Afdeling V. - Methusalemfinanciering

Art. 71.In hoofdstuk VIII, afdeling 7, van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap wordt een artikel 169bis.1 ingevoegd, dat luidt als volgt : « Art. 169bis.1 § 1. Voor het toekennen van langetermijnprogrammafinanciering aan een beperkt aantal uitmuntende leden van het zelfstandig academisch personeel, verbonden aan universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, wordt per universiteit een overheidsbijdrage, verder de Methusalemfinanciering te noemen, toegekend.

De Methusalemfinanciering wordt toegekend en aangewend overeenkomstig de voorwaarden gesteld in dit artikel. § 2. Voor het begrotingsjaar 2006 wordt de Methusalemfinanciering vastgesteld op 3.000.000 euro. In het begrotingsjaar 2007 wordt dit bedrag verhoogd binnen de beschikbare begrotingskredieten. § 3. De verdeling van de Methusalemfinanciering over de Vlaamse universiteiten gebeurt overeenkomstig de verdeelsleutel die wordt gehanteerd voor de verdeling van overheidsmiddelen over de Bijzondere Onderzoeksfondsen. § 4. De Methusalemfinanciering wordt met behoud van bestemming toegevoegd aan het Bijzonder Onderzoeksfonds.

De aan het Bijzonder Onderzoeksfonds toekomende middelen die na afloop van het betrokken kalenderjaar niet zijn toegewezen, kunnen met behoud van bestemming worden overgedragen naar de begroting van de universiteit. § 5. De Vlaamse universiteiten zijn belast met het operationeel en financieel beheer van de Methusalemfinanciering. § 6. Voor de beoordeling van de kandidaten stelt elke universiteit internationale panels samen. De leden van deze panels zijn niet in België werkzaam en genieten een internationale erkenning.

De universiteit legt de samenstelling van de panels a priori voor aan het FWO voor een metabeoordeling van de internationale wetenschappelijke erkenning ervan. Slechts na positief advies van het FWO kan het panel worden ingesteld. § 7. Bij de beoordeling van een aanvraag past het panel eisen toe op het vlak van de excellentie van de kandidaten, hun vertrouwdheid met bestaande financieringskanalen, en de kritische massa van hun onderzoeksgroep, waarbij rekening wordt gehouden met de specificiteit van het betrokken vakgebied en onderzoeksdomein.

Het panel maakt de wijze van toetsing inzichtelijk.

Het panel gaat tevens na of met het aangevraagde bedrag van de Methusalemfinanciering de onderzoeksgroep verder uitgebouwd kan worden tot een internationale referentiepositie. Het panel kan in dit verband bijsturingen voorstellen. § 8. Het panel legt zijn bevindingen neer in een omstandig geargumenteerd advies. § 9. Op advies van de onderzoeksraad en eventueel andere door het universiteitsbestuur aangeduide instanties, en rekening houdend met het globale onderzoeksbeleid van de universiteit, beslist het universiteitsbestuur welke door een panel positief beoordeelde kandidaten financiering zullen ontvangen. Indien het aangevraagde bedrag aan financiering wordt aangepast, houdt het universiteitsbestuur op gemotiveerde wijze rekening met het advies van het panel ter zake. § 10. De onderzoeker die financiering ontvangt, wordt om de zeven jaar door een expertencommissie beoordeeld.

Deze expertencommissie beoordeelt : 1° of het verrichte werk internationaal toonaangevend is en aan de verwachtingen voldoet;2° of het human resources beleid en in het bijzonder de mate waarin postdoctorale onderzoekers die werken in onderzoeksgroepen van leden van het zelfstandig academisch personeel die Methusalemfinanciering ontvangen, worden gestimuleerd ervaring op te doen met het opzetten van zelfstandig onderzoek;3° of het onderzoeksplan voor de volgende zeven jaar en de aangevraagde financiering adequaat zijn. Het panel kan suggesties voor de ontwikkeling van het onderzoek doen. § 11. De Vlaamse Regering bepaalt nadere regelen op het vlak van de kenmerken van de financiering, de voorwaarden voor de financiering, de aanwending van de financiering en de rapportering daaromtrent, de evaluatie van het betrokken onderzoek en de beëindiging van de financiering. ». Afdeling VI. - Toegepast biomedisch onderzoek

Art. 72.Aan artikel 1 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid « Instituut voor Innovatie door Wetenschap en Technologie » wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt : « Artikel 5bis regelt een gemeenschapsaangelegenheid. ».

Art. 73.Aan hoofdstuk III van hetzelfde decreet wordt een artikel 5bis toegevoegd, dat luidt als volgt : «

Art. 5bis.§ 1. De Vlaamse Regering verleent binnen de beschikbare begrotingskredieten projectsubsidies voor toegepast biomedisch onderzoek met een primair maatschappelijke finaliteit, zijnde onderzoek dat voldoet aan volgende kenmerken : 1° er is een sterke focus op het verwerven van inzicht in de basis van ziekte en gezondheid van de mens;2° wetenschappelijke bevindingen worden uitgewerkt en vertaald naar klinische toepassingen;3° er is een maatschappelijke toepasbaarheid waarvoor op het ogenblik van indiening de industriële interesse beperkt is. Projectvoorstellen kunnen worden ingediend door een Vlaams universitair ziekenhuis, een Vlaams ziekenhuis of een consortium dat ten minste een Vlaams universitair ziekenhuis of een Vlaams ziekenhuis omvat. § 2. Het IWT wordt benevens de generieke missie en taken, als vermeld in artikelen 4 en 5, belast met het nemen van beslissingen tot ondersteuning van de in § 1 bedoelde projectvoorstellen, op grond van een advies van een expertencollege. De beoordeling van de projectvoorstellen betreft zowel de wetenschappelijke kwaliteit als de maatschappelijke utilisatieperspectieven van het projectvoorstel. § 3. De Vlaamse Regering stelt nadere regelen vast betreffende : 1° de procedurele, formele en materiële voorwaarden voor het verkrijgen van de projectfinanciering;2° de subsidiabele kosten;3° het steunpercentage;4° het beslissingsproces en de beslissingscriteria aangaande de projectvoorstellen;5° de bewaking van de doelstellingen van het financieringskanaal.».

Art. 74.Aan artikel 14 van hetzelfde decreet wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt : « Artikel 5bis treedt in werking op 1 juni 2006, met dien verstande dat, voor de toepassing van die bepaling, in de periode tussen 1 juni 2006 en de globale inwerkingtredingsdatum van dit decreet onder IWT moet worden verstaan : het Instituut voor de aanmoediging van innovatie door wetenschap en technologie in Vlaanderen. ». Afdeling VII. - Herculesstichting

Art. 75.In het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, deel VI, wordt een titel IVter ingevoegd, bestaande uit artikelen VI.9.8. tot en met VI.9.16., die luidt als volgt : « TITEL IVter. - Herculesfinanciering Art. VI.9.8. Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder : 1° FWO-Vlaanderen : de stichting van openbaar nut FONDS VOOR WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK-VLAANDEREN, opgericht bij notariële akte van 21 juni 2005, bij uittreksel gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 5 april 2006;2° IWT : het Instituut voor de aanmoediging van innovatie door wetenschap en technologie in Vlaanderen, of zijn rechtsopvolger; 3° middelzware onderzoeksinfrastructuur : onderzoeksinfrastructuur met een totale financieringskost van ten minste 150.000 euro en ten hoogste 1.500.000 euro; 4° onderzoeksinfrastructuur : faciliteiten en bronnen die het verrichten van grensverleggend en strategisch basisonderzoek bevorderen, daaronder onder meer begrepen wetenschappelijke infrastructuur, collecties, natuurlijke habitats, corpora en databanken, met inbegrip van de digitale ontsluiting ervan; 5° zware onderzoeksinfrastructuur : onderzoeksinfrastructuur met een totale financieringskost van meer dan 1.500.000 euro.

Art. VI.9.9. § 1. De Vlaamse Regering is ermee belast overeenkomstig de Wet van 27 juni 1921 op Verenigingen en Stichtingen een stichting op te richten, Herculesstichting genaamd, waarvan het maatschappelijk doel bestaat in de subsidiëring van middelzware en zware onderzoeksinfrastructuur.

De Vlaamse Regering ziet erop toe dat voor de Herculesstichting de erkenning als stichting van openbaar nut wordt aangevraagd.

De Herculesstichting is een privaatrechtelijk vormgegeven extern agentschap, als vermeld in artikel 29 van het kaderdecreet Bestuurlijk Beleid van 18 juli 2003. De Vlaamse Regering bepaalt tot welk homogeen beleidsdomein de Herculesstichting behoort. § 2. De Vlaamse Regering stelt de raad van bestuur van de Herculesstichting als volgt samen : 1° de voorzitter van de raad van bestuur is een expert op het vlak van het wetenschaps- en innovatiebeleid;2° de overige leden van de raad van bestuur worden voorgedragen door, enerzijds, het FWO-Vlaanderen en, anderzijds, het IWT.Een representatief aantal van de leden die door het IWT worden voorgedragen, dienen deskundigen uit te industrie te zijn.

De Vlaamse Regering kan nader regelen bepalen op het vlak van de voordrachtenregeling, als vermeld in het eerste lid, 2°. § 3. De Herculesstichting treedt bij de uitoefening van de in deze titel bedoelde taken en opdrachten op als functionele openbare dienst.

Art. VI.9.10. § 1. De Vlaamse Regering bepaalt jaarlijks, binnen de beschikbare begrotingskredieten, het bedrag dat aan het vermogen van de Herculesstichting wordt toegevoegd. § 2. Het jaarlijks te bepalen bedrag is voor twee derden bestemd voor de subsidiëring van middelzware onderzoeksinfrastructuur en voor één derde voor de financiering van zware onderzoeksinfrastructuur.

De Vlaamse Regering kan jaarlijks beslissen om van de in het eerste lid vermelde verhouding af te wijken op grond van objectief vastgestelde noodwendigheden. § 3. De Herculesstichting handelt ten aanzien van het tijdens een bepaald begrotingsjaar niet aangewende bedrag als volgt : 1° ofwel wordt het betrokken bedrag geheel of gedeeltelijk toegewezen aan door de Vlaamse Regering aan te wijzen investeringsinitiatieven;2° ofwel wordt het bedrag geheel of gedeeltelijk overgedragen naar het volgende begrotingsjaar, met behoud van de bestemming. Art. VI.9.11. § 1. Het jaarlijks voor middelzware onderzoeksinfrastructuur beschikbare bedrag wordt verdeeld onder de associaties door middel van een Herculesverdeelsleutel, die door de Vlaamse Regering per begrotingsjaar wordt vastgesteld, en afgeleid wordt van de verdeelsleutels die worden gehanteerd voor de verdeling van de overheidsmiddelen onder de Bijzondere Onderzoeksfondsen en de Industriële Onderzoeksfondsen. § 2. De Herculesstichting wijst de betrokken middelen per associatie toe aan investeringsinitiatieven na het inwinnen van een advies van het associatiebestuur en van een beoordelingspanel, bestaande uit deskundigen uit de associaties en vertegenwoordigers uit de industriële sector. De selectiecriteria hebben ten minste betrekking op : 1° de wetenschappelijke kwaliteit en relevantie van het door middel van de onderzoeksinfrastructuur uit te voeren onderzoeksprogramma;2° het belang van de onderzoeksinfrastructuur voor het onderzoek binnen de betrokken wetenschappelijke discipline;3° de betrouwbaarheid van het voor de voorgenomen investering opgemaakte investeringsplan. Art. VI.9.12. Het jaarlijks voor zware onderzoeksinfrastructuur beschikbare bedrag wordt door de Herculesstichting rechtstreeks toegewezen aan investeringsinitiatieven op grond van het advies van twee door de Vlaamse Regering aangewezen beoordelingspanels, waarbij het ene panel de wetenschappelijke kwaliteit van de aanvragen nagaat, en het andere panel ten aanzien van de excellent bevonden aanvragen nagaat of de opgemaakte investeringsplannen voldoende realistisch en objectief zijn.

Art. VI.9.13. De subsidiëring in de zin van deze titel wordt uitsluitend aangewend voor : 1° kosten voor wetenschappelijke investeringen, zijnde de kosten voor de aanschaf van de onderzoeksinfrastructuur zelf of de aanschaf van de onderdelen voor de constructie van de beoogde onderzoeksinfrastructuur;2° personeelskosten voor de ontwikkeling en de constructie van de onderzoeksinfrastructuur;3° onderhoudskosten gedurende de hele afschrijvingsperiode, zijnde de kosten voortvloeiende uit onderhoudsovereenkomsten of upgrades van de onderzoeksinfrastructuur. Art. VI.9.14. Geselecteerde investeringsinitiatieven ontvangen een subsidiëring ten bedrage van een bepaald percentage van de in artikel VI.9.13. bedoelde kosten, voor zover deze behoorlijk gestaafd en goedgekeurd worden door de raad van bestuur of het dagelijks bestuur van de Herculesstichting.

Art/ VI.9.15. § 1. De Vlaamse Regering stelt bij de Herculesstichting een regeringsafgevaardigde aan.

De regeringsafgevaardigde houdt van overheidswege toezicht op de overeenstemming van de verrichtingen en de werking van de Herculesstichting met het recht, de statuten, de samenwerkingsovereenkomst en de beginselen inzake financiële orthodoxie. § 2. De regeringsafgevaardigde heeft met raadgevende stem zitting in de raad van bestuur en de door de raad van bestuur ingestelde comités.

Ten minste vijf werkdagen voor de datum van de vergaderingen ontvangt hij de volledige dagorde van de vergaderingen van de raad van bestuur en van de door de raad van bestuur ingestelde comités, evenals alle documenten terzake. In gemotiveerde gevallen van hoogdringendheid kan van deze bepaling worden afgeweken.

Hij kan te allen tijde ter plaatse alle documenten en geschriften van de Herculesstichting inzien.

Hij kan van de bestuurders en de eventuele leden van het management alle inlichtingen en ophelderingen vorderen, en alle verificaties verrichten die hij nodig acht voor de uitvoering van zijn mandaat.

De Vlaamse Regering kan de regeringsafgevaardigde laten bijstaan door deskundigen voor bepaalde tijdelijke controles. § 3. De regeringsafgevaardigde stelt de Vlaamse Regering in kennis van elke beslissing van de raad van bestuur of het management die hij strijdig acht met de toezichtsgronden, als bedoeld in § 1, tweede lid.

Wanneer de Vlaamse Regering op grond van deze inlichtingen meent dat de Herculesstichting de aan haar opgedragen taken kennelijk verwaarloost, kan de Vlaamse Regering de aangelegenheid bepalen waarover de raad van bestuur van de Herculesstichting moet beraadslagen en de termijn bepalen waarbinnen die beraadslaging moet plaatsvinden.

Wordt binnen de gestelde termijn geen beslissing genomen, of stemt de Vlaamse Regering niet in met de genomen beslissing, dan kan zij de nodige voorzieningen treffen. Zij stelt het Vlaams Parlement daarvan onverwijld in kennis.

De nodige voorzieningen als bedoeld in het derde lid kunnen inhouden dat : 1° de Vlaamse Regering zich in de plaats stelt van de Herculesstichting, waarbij zij de regeringsafgevaardigde of een andere persoon met een bijzondere macht kan bekleden;2° de Vlaamse Regering de beslissingen van de Herculesstichting gedurende een door haar bepaalde en verlengbare termijn afhankelijk maakt van het voorafgaand advies of de voorafgaande instemming van de Vlaamse Regering, de regeringsafgevaardigde, of enige andere instantie. De Vlaamse Regering kan nadere procedurele regelen bepalen voor de toepassing van deze paragraaf. § 4. Het Vlaamse Gewest draagt de kosten verbonden aan de uitoefening van het ambt van de regeringsafgevaardigde.

De Vlaamse Regering bepaalt de rechtspositionele voorwaarden waaronder de regeringsafgevaardigde wordt aangesteld.

Art. VI.9.16. De Vlaamse Regering bepaalt nadere regelen op het vlak van : 1° de selectiemechanismen en -procedures ten aanzien van investeringsinitiatieven voor middelzware en zware onderzoeksinfrastructuur;2° de subsidiepercentages en de betalingsmodaliteiten;3° de voorwaarden en beperkingen op het vlak van : a) het copromotorschap door derden ten aanzien van gesubsidieerde investeringsinitiatieven;b) het beheer van de gesubsidieerde onderzoeksinfrastructuur;c) de terbeschikkingstelling van gesubsidieerde onderzoeksinfrastructuur aan derden. De Vlaamse Regering is ertoe gemachtigd de subsidiabele kosten nader te omschrijven en de middelzware en de zware onderzoeksinfrastructuur verder op te delen in verschillende categorieën, naargelang van het bedrag van de totale financieringskost. ».

Art. 76.Aan artikel VI.10 van het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt : « De artikelen VI.9.8 tot en met VI.9.16 treden in werking op 1 januari 2007 en houden op uitwerking te hebben op 31 december 2008. ». HOOFDSTUK XXI. - Schenking meubilair aan onderwijsnetten

Art. 77.Bij het verlaten van het Markiesgebouw en het North-Plazagebouw wordt niet-herbruikt meubilair aan het gefinancierd en het gesubsidieerd onderwijs geschonken. Het meubilair wordt geschonken aan het Gemeenschapsonderwijs en de representatieve verenigingen van inrichtende machten van het gesubsidieerd onderwijs voor de inrichting van hun basisscholen en secundaire scholen. Bij de verdeling van de schenking zal rekening worden gehouden met het aantal instellingen met basis- en secundair onderwijs en het aantal personeelsleden. HOOFDSTUK XXII. - DAB Overheidspersoneel

Art. 78.§ 1. Er wordt een Dienst met Afzonderlijk Beheer voor Overheidspersoneel opgericht, zoals bedoeld in artikel 140 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit. § 2. De DAB voor Overheidspersoneel wordt belast met de organisatie en ontwikkeling van allerlei P&O-activiteiten voor de beleidsdomeinen van de Vlaamse overheid. § 3. De dienst beschikt voor de uitvoering van haar activiteiten over haar eigen inkomsten uit vorming en kinderopvang alsook over een jaarlijkse dotatie voorzien in het decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap. HOOFDSTUK XXIII. - DAB ICT

Art. 79.§ 1. Er wordt een Dienst met Afzonderlijk Beheer ICT (DAB ICT) opgericht, zoals bedoeld in artikel 140 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit. § 2. De DAB ICT wordt als interne ICT-dienstverlener belast met de inrichting, de innovatie en de exploitatie van de gemeenschappelijk bruikbare ICT-omgevingen van de Vlaamse overheid, met het uitwerken van een vraaggericht en vraaggestuurd aanbod, en met het uitvoeren van de daarop betrekking hebbende programma's en projecten. § 3. De begroting van de DAB ICT wordt gestijfd door : 1° dotaties ten laste van de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap;2° alle ontvangsten voortvloeiend uit het beheer en de exploitatie door de DAB ICT. Het decreet houdende de begroting van de Vlaamse Overheid bepaalt elk jaar het bedrag van de dotaties die toegekend worden aan de DAB ICT. HOOFDSTUK XXIV. - Oprichting begrotingsfonds van de IVA Studiedienst van de Vlaamse Regering

Art. 80.Er wordt een fonds opgericht voor de IVA Studiedienst van de Vlaamse Regering. Dit fonds is een begrotingsfonds als bedoeld in artikel 45 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit.

Het fonds wordt gestijfd met ontvangsten uit contracten voor wetenschappelijke ondersteuning van onderzoeksprojecten, de inkomsten van studiedagen en opleidingen die door de Studiedienst worden georganiseerd, de verkoop van publicaties van de Studiedienst.

Het fonds is gemachtigd uitgaven te doen die verband houden met het uitvoeren van wetenschappelijke onderzoeksopdrachten, de organisatie van studiedagen en opleidingen, het drukken en verspreiden van publicaties. De uitgaven kunnen betrekking hebben op allerlei werkingskosten, het tijdelijke in dienst nemen van personeel in het kader van de projecten waarvoor inkomsten worden verworven, het realiseren van investeringen nodig voor het uitvoeren van de opdrachten.

De rekenplichtige die de ontvangsten gedaan heeft, beschikt rechtstreeks over de kredieten van het fonds. HOOFDSTUK XXV. - Vlaams Provinciefonds

Art. 81.Artikel 3 van het decreet van 29 april 1991 betreffende het Vlaams Provinciefonds wordt vervangen door wat volgt : «

Art. 3.§ 1. Elk jaar wordt de dotatie van het Vlaams Provinciefonds vastgesteld op een bedrag dat minstens gelijk is aan de dotatie van het vorige jaar, aangepast met een in § 2 bedoeld evolutiepercentage. § 2. Vanaf het begrotingsjaar 2007 bedraagt het evolutiepercentage 3,5 %. § 3. De berekende dotatie wordt afgerond op het hogere duizendtal. ». HOOFDSTUK XXVI. - Stadsvernieuwingsprojecten

Art. 82.Artikel 2 van het decreet van 22 maart 2002 houdende de ondersteuning van stadsvernieuwingsprojecten, gewijzigd bij de decreten van 19 december 2003 en 24 december 2004 wordt vervangen door wat volgt : «

Art. 2.Lastens de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap en het Financieringsfonds voor Schuldafbouw en Eenmalige Investeringsuitgaven kunnen uitgaven voor stadsvernieuwing worden aangerekend. ». HOOFDSTUK XXVII. - Eigen Vermogens Afdeling I. - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

Art. 83.In artikel 32, § 1, van het decreet van 23 december 2005 houdende de bepalingen voor de begeleiding van de begroting 2006 worden het eerste lid en het tweede lid vervangen door wat volgt : « Ieder jaar stelt de beheerscommissie de begroting vast van de uitgaven voor het volgende begrotingsjaar, alsmede de middelen van het EV INBO om die uitgaven te dekken. Voor het indienen van de begroting volgt de beheerscommissie de nadere regelen zoals vastgesteld in de begrotingsinstructies tot de opmaak van de algemene uitgaven- en middelenbegroting.

Ieder jaar, voor 15 maart, stelt de beheerscommissie de rekening van het EV INBO van het vorige begrotingsjaar op. ». Afdeling II. - Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek

Art. 84.In artikel 41, § 1, van het decreet van 23 december 2005 houdende de bepalingen voor de begeleiding van de begroting 2006 worden het eerste lid en het tweede lid vervangen door wat volgt : « Ieder jaar stelt de beheerscommissie de begroting vast van de uitgaven voor het volgende begrotingsjaar, alsmede de middelen van het EV ILVO om die uitgaven te dekken. Voor het indienen van de begroting volgt de beheerscommissie de nadere regelen zoals vastgesteld in de begrotingsinstructies tot de opmaak van de algemene uitgaven- en middelenbegroting.

Ieder jaar, voor 15 maart, stelt de beheerscommissie de rekening van het EV ILVO van het vorige begrotingsjaar op. ». Afdeling III. - Ondersteunend Centrum van het Agentschap voor Natuur

en Bos

Art. 85.In artikel 38 van het decreet van 19 mei 2006 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu en energie worden het eerste lid en het tweede lid vervangen door wat volgt : « Ieder jaar stelt de beheerscommissie de begroting vast van de uitgaven voor het volgende begrotingsjaar, alsmede de middelen van het OC-ANB om die uitgaven te dekken. Voor het indienen van de begroting volgt de beheerscommissie de nadere regelen zoals vastgesteld in de begrotingsinstructies tot de opmaak van de algemene uitgaven- en middelenbegroting.

Ieder jaar, voor 15 maart, stelt de beheerscommissie de rekening van het OC-ANB van het vorige begrotingsjaar op. ». Afdeling IV. - Verpachting van de jachtrechten van de ANB-domeinen

Art. 86.In artikel 3 van het decreet tot oprichting van het Fonds voor Preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuur als Gewestdienst met Afzonderlijk Beheer van 23 januari 1991 wordt een punt 4° ingevoegd, dat luidt als volgt : « 4° de opbrengsten gehaald uit de verpachting van de jacht- en visrechten, landpacht, huren en andere gebruiksrechten, toegestaan op het openbare of private domein, van onroerende goederen in het beheer van het Agentschap voor Natuur en Bos; ». HOOFDSTUK XXVIII. - Fonds voor Landbouw en Visserij

Art. 87.Artikel 2 van het decreet van 20 december 2002 houdende bepalingen tot begeleiding van de derde aanpassing van de begroting 2002 opgeheven door het decreet van 19 mei 2006 betreffende de oprichting en werking van het Fonds voor Landbouw en Visserij wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing : «

Art. 2.§ 1. Er wordt een « Fonds voor de Kwaliteit van de Landbouwproductie », in de zin van artikel 45 van de wetten op de rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991, opgericht. § 2. Aan het Fonds voor de Kwaliteit van de Landbouwproductie worden toegewezen : 1° de saldi die op 31 december 2001 beschikbaar waren op de volgende federale begrotingsfondsen : - het Landbouwfonds, bedoeld in subrubriek 31-3 van de tabel gevoegd bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen; - het Fonds voor de productie en bescherming van planten en plantaardige producten, bedoeld in subrubriek 31-4 van de tabel gevoegd bij de voornoemde organieke wet van 27 december 1990; - het Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten, bedoeld in subrubriek 31-1 van de tabel gevoegd bij de voornoemde organieke wet van 27 december 1990, en die met toepassing van artikel 35quater, § 2, tweede lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, gewijzigd bij de bijzondere wet van 13 juli 2001, aan het Vlaamse Gewest zijn overgemaakt; 2° de bijdragen opgelegd door de Vlaamse Regering ten laste van natuurlijke personen en rechtspersonen die planten of plantaardige producten, dieren of dierlijke producten voortbrengen, verhandelen, vervoeren, bewerken of verwerken;3° de verhogingen en intresten van de bijdragen vermeld onder 2°, alsmede de intresten van de betalingen;4° de bedragen, rechten en vergoedingen opgelegd met toepassing van de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt, en van de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijproducten, geïnd voor de controles en de prestaties van de overheid;5° de administratieve geldboeten opgelegd in het kader van de in 4° vermelde wetten;6° vrijwillige bijdragen;7° de ontvangsten voortkomend uit de deelneming van de Europese Gemeenschappen in de uitgaven van het Fonds;8° terugbetalingen van toelagen of voorschotten en ontvangen intresten verbonden aan uitgaven van het Fonds;9° bijstand van de EU voor de tenuitvoerlegging van de in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid geldende controleregeling overeenkomstig Verordening 2847/93. § 3. De middelen van het Fonds voor de Kwaliteit van de Landbouwproductie dienen aangewend te worden voor de prefinanciering of de financiering van : 1° de uitgaven in toepassing van de wet van 20 juni 1956 betreffende de verbetering van de rassen van voor de landbouw nuttige huisdieren;2° de uitgaven in toepassing van de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt;3° de uitgaven in toepassing van de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijproducten;4° personeels- en werkingskosten en kosten verbonden aan opdrachten toevertrouwd aan derden;5° de uitgaven voor het controlesysteem van het gemeenschappelijk visserijbeleid in uitvoering van Verordening (EG) nr.2847/93; 6° de uitgaven in het kader van het federale plan voor plattelandsontwikkeling uit hoofde van Verordening (EG) nr.1257/1999; 7° uitgaven van de overheid voor het vergoeden van economische schade voor zover de oorzaak van de schade niet kan toegeschreven worden aan degene die schade lijdt. § 4. De rekenplichtige die de ontvangsten gedaan heeft, beschikt rechtstreeks over de kredieten van het in § 1 bedoelde Fonds. § 5. Dit artikel treedt in werking op 1 januari 2006 en houdt op uitwerking te hebben op 31 december 2006. ».

Art. 88.Artikelen 14 en 15 van het decreet van 19 mei 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Fonds voor Landbouw en Visserij worden vervangen door wat volgt : «

Art. 14.Artikel 2 met betrekking tot het Fonds voor de Kwaliteit van de Landbouwproductie van het decreet van 20 december 2002 houdende bepalingen tot begeleiding van de derde aanpassing van de begroting 2002 wordt opgeheven op 1 januari 2007.

Art. 15.Het beschikbare saldo van het Fonds voor de Kwaliteit van de Landbouwproductie, vermeld in artikel 14, wordt op 1 januari 2007 overgedragen aan het Fonds voor Landbouw en Visserij. ». HOOFDSTUK XXIX. - Dagcentra voor palliatieve verzorging

Art. 89.De dagcentra voor palliatieve verzorging die krachtens artikel 81 van het decreet van 23 december 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2006 van rechtswege erkend waren voor de Vlaamse Gemeenschap van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006, kunnen door de Vlaamse Regering voor de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 verder erkend worden voor de Vlaamse Gemeenschap als dagcentrum voor palliatieve verzorging.

Met het oog op deze erkenning moeten de dagcentra voor palliatieve verzorging verder de verplichtingen naleven die hen waren opgelegd door de overeenkomst, vermeld in artikel 81, eerste lid, van het decreet van 23 december 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2006. De Vlaamse Regering kan de voorwaarden en normen van de erkenning nader bepalen evenals het toezicht op de naleving ervan. De Vlaamse Regering kan de verleende erkenning intrekken indien de betrokken instelling de erkenningsvoorwaarden en erkenningsnormen niet naleeft.

De Vlaamse Regering is gemachtigd om de tijdelijke erkenning, vermeld in het eerste lid, naderhand nog voor één jaar te verlengen, tot en met 31 december 2008 onder de voorwaarden vermeld in het tweede lid. HOOFDSTUK XXX. - Fonds voor de subsidiëring van zorgvernieuwingsprojecten

Art. 90.Artikel 24 van het ontwerp van decreet van 22 december 2004 houdende bepalingen tot begeleiding van de tweede aanpassing van de begroting 2004 wordt vervangen door wat volgt : Een Fonds voor de subsidiëring van Zorgvernieuwingsprojecten' wordt opgericht, hierna Fonds te noemen. Het Fonds is een begrotingsfonds zoals bedoeld in artikel 45 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit.

Het' Fonds wordt gespijsd met de middelen die in uitvoering van punt 6 van het protocol nr. 2 van 1 januari 2003 en punt 3 (12 RVT-equivalenten palliatieve dagopvang Vlaamse Gemeenschap) van hoofdstuk 2 van het protocol nr. 3 (Belgisch Staatsblad van 28 april 2006) gesloten tussen de Federale Regering en de overheden bedoeld in de artikelen 128, 130, 135 en 138 van de Grondwet, over het te voeren ouderenzorgbeleid door de federale overheid aan de Vlaamse Gemeenschap worden toegekend. Ten laste van dit Fonds worden alle uitgaven van de administratie Gezin en Maatschappelijk Welzijn aangerekend, voorzover deze verband houden met de uitvoering van punt 6 van het protocol nr. 2 van 1 januari 2003 en punt 3 (12 RVT-equivalenten palliatieve dagopvang Vlaamse Gemeenschap) van hoofdstuk 2 van het protocol nr. 3 (Belgisch Staatsblad van 28 april 2006) gesloten tussen de federale regering en de overheden bedoeld in de artikelen 128, 130, 135 en 138 van de Grondwet, over het te voeren ouderenzorgbeleid en meer specifiek de zorgvernieuwings-projecten.

De rekenplichtige die de ontvangsten gedaan heeft, beschikt rechtstreeks over de kredieten van het Fonds.

Deze bepaling treedt in werking op 1 januari 2006. ». HOOFDSTUK XXXI. - Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap

Art. 91.In het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, artikel 18, 3°, derde lid, worden na de woorden « moeten bewezen worden », de woorden « , behoudens uitzonderingen bepaald door de Vlaamse Regering met betrekking tot sommige kostencategorieën met een beperkte omvang » toegevoegd.

In hetzelfde decreet, artikel 18, 3°, vijfde lid, worden de woorden « bewezen en » geschrapt. HOOFDSTUK XXXII. - Fondsen Personeelsleden met Verlof voor Opdracht

Art. 92.Artikel 33 van het decreet van 6 juli 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2001 wordt vervangen door wat volgt : «

Art. 33.§ 1. Bij elk op 1 januari 2007 bestaand Vlaams ministerie wordt er een fonds, in de zin van artikel 45 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit, opgericht voor de aanwending van de terugbetaling van salarissen van personeelsleden binnen het Vlaams ministerie die ten laste genomen worden door andere overheden of vakorganisaties. § 2. Aan ieder fonds worden toegewezen : - alle terugvorderingen van wedden en ermee samenhangende vergoedingen of kosten met betrekking tot personeelsleden van het betrokken Vlaams ministerie die ten laste genomen worden door andere overheden of vakorganisaties; - een gedeelte van het vastleggings- en ordonnanceringssaldo op 31 december 2006 dat bij besluit van de Vlaamse Regering zal worden vastgesteld. § 3. De middelen van ieder fonds dienen aangewend te worden voor de betaling van wedden en weddentoelagen van de ter vervanging aangeworven personeelsleden. ». HOOFDSTUK XXXIII. - Toekomstfonds

Art. 93.Bij het beleidsdomein Financiën en Begroting wordt een intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid opgericht als bedoeld in artikel 10bis van het kaderdecreet bestuurlijk beleid van 18 juli 2003. Dit agentschap draagt als naam « het Vlaams Toekomstfonds » en hierna het Fonds te noemen.

Art. 94.De Vlaamse Regering regelt de werking van het Fonds.

Art. 95.De middelen van het Fonds zijn : 1° een dotatie ten laste van de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap;2° alle inkomsten voortvloeiend uit activiteiten en beleggingen van het Fonds;3° het gebeurlijke saldo op het einde van het voorgaande begrotingsjaar op het Fonds;4° de terugvorderingen voortvloeiend uit ten onrechte gedane betalingen.

Art. 96.Behoudens andersluidende bepalingen, worden de begroting en de rekening opgemaakt en goedgekeurd en de controle door het Rekenhof uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op de instellingen van openbaar nut van categorie A.

Art. 97.De middelen van het Fonds kunnen aangewend worden om uitgaven te financieren verbonden aan : 1° de afbouw van de directe en indirecte schuld van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest;2° de door de Vlaamse Regering, op voorstel van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, vast te stellen bestemmingen;3° de werkingskosten eigen aan het Fonds. HOOFDSTUK XXXIV. - Inwerkingtreding van Comptabiliteitsdecreet

Art. 98.In artikel 65 van het decreet van 7 mei 2004 houdende regeling van de begrotingen, de boekhouding, de controle inzake subsidies, en de controle door het Rekenhof wordt het eerste lid vervangen door wat volgt : « Dit decreet treedt in werking op de datum te bepalen door de Vlaamse Regering. ». HOOFDSTUK XXXV. - Fonds Ontwikkelingssamenwerking

Art. 99.§ 1. Er wordt een Fonds Ontwikkelingssamenwerking opgericht, hierna genoemd « het fonds ». § 2. Het fonds is een begrotingsfonds in de zin van artikel 45 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit. § 3. Het fonds wordt gespijsd door de terugvordering van subsidies of bedragen voor de financiering van overeenkomsten voor ontwikkelingssamenwerking die door de begunstigden niet of op onrechtmatige wijze werden aangewend of waarvan de aanwending onvoldoende wordt verantwoord. § 4. Het fonds wordt aangewend voor allerhande initiatieven inzake ontwikkelingssamenwerking. De aandacht zal hierbij voornamelijk gaan naar het versterken van lopende projecten of programma's en het uitwerken en uitvoeren van flankerende acties. § 5. De rekenplichtige die de ontvangsten gedaan heeft, beschikt rechtstreeks over de kredieten van het fonds. HOOFDSTUK XXXVI. - Bekrachtiging van de aanvaarding van de schenking precolumbiaanse kunst

Art. 100.De notariële akte houdende schenking van roerende goederen, verleden op 20 oktober 2006 voor de heer Jozef Coppens, geassocieerd notaris te Vosselaar, tussen : - enerzijds Mevr. Arts, Theodora Joanna Francisca, weduwe van Dr.

Paulus, Adrianus Joannes Janssen en de stichting van openbaar nut in oprichting « Stichting Dr. Paul & Dora Janssen » met zetel te Vosselaar, Antwerpsesteenweg 20, de schenkers; - en anderzijds het Vlaamse Gewest, mede handelend voor de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, waarvoor opgetreden is de heer Dirk Van Mechelen, Vlaams minister van Financiën en Begroting, de begiftigde; wordt hierbij bekrachtigd. HOOFDSTUK XXXVII. - Wijziging van het decreet van 19 december 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2004

Art. 101.Artikel 4 van het decreet van 19 december 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2004 wordt vervangen door wat volgt : «

Art. 4.Binnen de perken van de begrotingskredieten kunnen, in het kader van toeristische tewerkstelling, personeels- en werkingssubsidies verleend worden aan verenigingen.

De personeelsleden van Toerisme Vlaanderen zijn bevoegd ter plaatse of op stukken de aanvragen te onderzoeken, de naleving van de voorwaarden en de aanwending van de subsidies te controleren. De in het eerste lid bedoelde verenigingen zijn er toe gehouden op eenvoudig verzoek van Toerisme Vlaanderen alle nodige informatie te verstrekken die verband houdt met dit toezicht.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden en de procedure voor de toekenning van de subsidies. ». HOOFDSTUK XXXVIII. - Slotbepalingen

Art. 102.Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2007, met uitzondering van : - artikel 4 dat in werking treedt op 1 september 2006; - artikel 8 en afdeling IV Odysseusfinanciering van hoofdstuk XX Wetenschap en Innovatie, die in werking treden op 1 januari 2006; - afdeling II Belasting op de automatische ontspanningstoestellen van hoofdstuk VI Fiscaliteit, die in werking treedt vanaf het aanslagjaar 2007, met uitzondering van : 1° artikelen 21, A, C en E, 22, A, 23, A, 24, A, 25, 26, 27, A en B, 28, A, 29, A, en 30, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 1989;2° artikelen 21, B, 22, B, en 23, B, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 1991;3° artikel 28, B, dat uitwerking heeft vanaf het aanslagjaar 1991;4° artikel 21, G, dat uitwerking heeft vanaf het aanslagjaar 1992;5° artikel 23, C, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 1996;6° artikel 29, B en C, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 1997;7° artikelen 21, D, F, H, en 24, B, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2000;8° artikelen 21, I, 23, D, 27, C, 28, C en 29, D, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2002; - artikel 34, dat in werking treedt op 1 november 2006; - hoofdstuk VIII IVA VMM dat in werking treedt op 1 april 2006; - hoofdstuk XII Herstelfonds dat in werking treedt op 1 juli 2006; - afdeling II Industriële onderzoeksfondsen en afdeling III Bijkomende academiseringsmiddelen van hoofdstuk XX Wetenschap en Innovatie, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2006 en houdt op uitwerking te hebben op 31 december 2007; - afdeling V Methusalemfinanciering van hoofdstuk XX Wetenschap en Innovatie, die in werking treedt op 1 oktober 2006; - afdeling VI Toegepast biomedisch onderzoek van hoofdstuk XX Wetenschap en Innovatie, die in werking treedt op 1 juni 2006; - artikel 75, dat in werking treedt op 1 januari 2007 en houdt op uitwerking te hebben op 31 december 2008; - hoofdstuk XXI Schenking meubilair aan onderwijsnetten dat in werking treedt op 1 november 2006; - afdeling IV Verpachting van de jachtrechten van de ANB-domeinen van hoofdstuk XXVII Eigen Vermogens, die in werking treedt op 1 januari 2006; - hoofdstuk XXVIII Fonds voor Landbouw en Visserij dat in werking treedt op 1 januari 2006.

Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Brussel, 22 december 2006.

De minister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Institutionele Hervormingen, Landbouw, Zeevisserij en Plattelandsbeleid, Y. LETERME De vice-minister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Economie, Ondernemen, Wetenschap, Innovatie en Buitenlandse Handel, F. MOERMAN De vice-minister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Werk, Onderwijs en Vorming, F. VANDENBROUCKE De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, I. VERVOTTE De Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, D. VAN MECHELEN De Vlaamse minister van Cultuur, Jeugd, Sport en Brussel, B. ANCIAUX. De Vlaamse minister van Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme, G. BOURGEOIS De Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, K. PEETERS De Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering, M. KEULEN De Vlaamse minister van Mobiliteit, Sociale Economie en Gelijke Kansen, K. VAN BREMPT _______ Nota (1) Zitting 2006-2007. Stukken. - Ontwerp van decreet, 965 - Nr. 1. - Amendementen, 965 - Nrs. 2 en 3. - Verslag van het rekenhof, 965 - Nr. 4. - Amendementen, 965 - Nrs. 5 tot 9. - Verslagen : 965 - Nrs. 10 tot 21. - Tekst aangenomen door de commissies, 965 - Nr. 22. - Amendementen, 965 - Nr. 23. - Tekst aangenomen door de plenaire vergadering, 965 - Nr.24.

Handelingen. - Bespreking en aanneming : Vergaderingen van 19 en 20 december 2006.

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^