Decreet van 25 juni 2001
gepubliceerd op 02 oktober 2001
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Decreet over bijzondere maatregelen in verband met de lerarenambten en houdende aanpassing van de bezoldigingsregeling

bron
ministerie van de duitstalige gemeenschap
numac
2001033069
pub.
02/10/2001
prom.
25/06/2001
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

25 JUNI 2001. - Decreet over bijzondere maatregelen in verband met de lerarenambten en houdende aanpassing van de bezoldigingsregeling (1)


De Raad van de Duitstalige Gemeenschap heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : HOOFDSTUK I. - Overuren en bijbetrekking

Artikel 1.Dit hoofdstuk is van toepassing op de personeelsleden van de categorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel die, geheel of gedeeltelijk, een wervingsambt als hoofdambt uitoefenen in het secundair onderwijs met volledig leerplan, in het secundair onderwijs met beperkt leerplan of in de voortgezette schoolopleiding.

Art. 2.§ 1. Is er een gebrek aan gekwalificeerd personeel, dan kan een inrichtende macht of het schoolhoofd resp. de directeur : 1° aan een personeelslid overuren geven in de zin van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende toekenning van een toelage voor overwerk aan sommige leden van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs;2° een personeelslid tewerkstellen in een bijbetrekking in de zin van artikel 5, lid 1, a), van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van openbaar Onderwijs en in de zin van artikel 2, § 2, lid 1, a), van het koninklijk besluit nr.63 van 20 juli 1982 houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan.

De instemming van het personeelslid is vereist. § 2. Het bewijs van het gebrek aan gekwalificeerd personeel wordt geleverd met toepassing van artikel 10, § 6, van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan.

Art. 3.§ 1. In afwijking van de bestaande bepalingen van de bezoldigingsregeling wordt een toelage toegekend aan een personeelslid dat met toepassing van artikel 2 overuren verricht. Om de toelage te berekenen gaat men ervan uit dat deze overuren in een hoofdambt gepresteerd zijn zoals bedoeld in artikel 5 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van openbaar Onderwijs. § 2. Het personeelslid krijgt een toelage vanaf de dag waarop het de in § 1, lid 1, bedoelde overuren effectief presteert.

Tijdens het ontspanningsverlof en de kerst- en paasvakantie blijft het personeelslid de toelage genieten, indien het verlof of de vakanties in de periodes vallen waar de overuren gepresteerd worden.

In geval van onderbreking van de opdracht wordt de toelage voor overuren verder toegekend, indien de onderbreking niet meer dan 14 dagen duurt. Het verlof en de vakanties vermeld in het tweede lid gelden niet als onderbrekingsperiodes. § 3. De toelage wordt op het einde van elke maand, samen met de wedde en de weddetoelage, uitbetaald.

Art. 4.In afwijking van de bestaande bepalingen van de bezoldigingsregeling krijgt een personeelslid dat met toepassing van artikel 2 in een bijbetrekking tewerkgesteld is, voor de uren gepresteerd in deze bijbetrekking, een wedde of weddetoelage overeenkomstig de bepalingen van artikel 3. HOOFDSTUK II. - Tijdelijke terugroeping van bepaalde personeelsleden

Art. 5.Dit hoofdstuk is van toepassing op de wervingsambten van de categorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel in het basisonderwijs, in het secundair onderwijs met volledig leerplan, in het secundair onderwijs met beperkt leerplan of in de voortgezette schoolopleiding.

Art. 6.§ 1. Is er een gebrek aan gekwalificeerd personeel, dan kan een inrichtende macht of het schoolhoofd resp. de directeur een personeelslid tijdelijk terugroepen dat : 1° zich in verlof voor verminderde dienstprestaties gemotiveerd door sociale of gezinsredenen, in verlof voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden of in verlof met verminderde prestaties toegekend aan personeelsleden die de leeftijd van 50 jaar hebben bereikt of aan personeelsleden die twee kinderen hebben die de leeftijd van 14 jaar niet hebben overschreden, bevindt;2° ter beschikking is gesteld wegens persoonlijke aangelegenheden;3° wegens persoonlijke aangelegenheden vóór de oppensioenstelling geheel of gedeeltelijk ter beschikking staat;4° met pensioen is en op het begin van het schooljaar waar hij teruggeroepen wordt nog geen 65 jaar is. In alle gevallen is de instemming van het personeelslid vereist. De instemming wordt ten vroegste op het ogenblik schriftelijk vastgelegd waar het in het eerste lid bedoeld gebrek wordt vastgesteld. § 2. Het bewijs van het gebrek aan gekwalificeerd personeel wordt geleverd met toepassing van artikel 10, § 6, van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan.

Art. 7.§ 1. In geval van terugroeping worden de verloven en de terbeschikkingstelling vermeld in artikel 6, § 1, lid 1, 1° en 2°, geheel of gedeeltelijk geschorst.

Tijdens de schorsing bekleedt het personeelslid geheel of gedeeltelijk zijn betrekking of een andere betrekking. In afwijking van de bestaande bepalingen komt er geen einde aan de opdracht van het tijdelijk aangewezen of aangesteld personeelslid, wanneer het personeelslid zijn betrekking weder bekleedt. § 2. Tijdens de schorsing van het verlof gelden noch de maximumduur van de arbeidstijd noch het verbod om een winstgevende bedrijvigheid uit te oefenen die vastgelegd zijn : - in artikel 2, 3° en 4° van het besluit van de Executieve van de Duitstalige Gemeenschap van 23 augustus 1989 betreffende verloven voor verminderde prestaties toegestaan aan de leden van het personeel van het gesubsidieerde onderwijs en van de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra die de leeftijd van vijftig jaar hebben bereikt of die tenminste twee kinderen ten laste hebben die de leeftijd van veertien jaar niet hebben overschreden en betreffende de terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden die de oppensioenstelling voorafgaat, - in het koninklijk besluit van 4 september 1989 betreffende verloven voor verminderde prestaties toegestaan aan personeelsleden van het Rijksonderwijs en van de psycho-medisch-sociale centra van de Staat die de leeftijd van vijftig jaar hebben bereikt of die ten minste twee kinderen ten laste hebben die de leeftijd van veertien jaar niet hebben overschreden en betreffende de terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden die aan de pensionering voorafgaat, - in artikel 23 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 genomen ter uitvoering van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen, en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen.

In geval van volledige schorsing van het verlof of van de terbeschikkingstelling wordt de duur van de schorsing niet in aanmerking genomen voor de berekening van de maximumduur van het verlof of van de terbeschikkingstelling. § 3. Het personeelslid dat tijdelijk teruggeroepen wordt, ontvangt de wedde of weddetoelage die hem toekomt overeenkomstig het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van openbaar Onderwijs alsmede, desgevallend, een toelage met toepassing van het decreet van 17 juni 1991 houdende toekenning van een toelage aan de leden van het onderwijzend personeel die voorlopig een andere functie uitoefenen dan degene waartoe ze definitief zijn benoemd.

Art. 8.In afwijking van de bestaande bepalingen van de bezoldigingsregeling wordt aan de personeelsleden bedoeld in artikel 6, § 1, 3° en 4°, een toelage overeenkomstig artikel 3 toegekend voor de uren waarvoor ze teruggeroepen worden.

Krachtens de wet van 5 april 1994Relevante gevonden documenten type wet prom. 05/04/1994 pub. 10/08/2011 numac 2011000519 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende regeling van de cumulatie van pensioenen van de openbare sector met inkomsten voortvloeiend uit de uitoefening van een beroepsactiviteit of met een vervangingsinkomen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten houdende regeling van de cumulatie van pensioenen van de openbare sector met inkomsten voortvloeiend uit de uitoefening van een beroepsactiviteit of met een vervangingsinkomen kan het bedrag van de toelage toegekend aan de in artikel 6, 3°, vermelde personeelsleden niet de grenzen overschrijden die vastgelegd zijn voor de gerechtigden op een rustpensioen van de openbare sector. HOOFDSTUK III. - Aanpassing van de bezoldigingsregeling

Art. 9.In artikel 5 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van openbaar Onderwijs, gewijzigd bij de wet van 27 februari 1986 en bij het besluit van de Regering van 21 december 2000 betreffende het politiek verlof voor de personeelsleden in het onderwijs en houdende aanpassing van de bezoldigingsregeling, worden het lid 1, b), c) en e) alsmede het lid 3 opgeheven.

Art. 10.Artikel 5bis van hetzelfde koninklijk besluit van 15 april 1958, ingevoegd bij de wet van 8 februari 1974 en gewijzigd bij de wet van 27 februari 1986, wordt opgeheven.

Art. 11.Artikel 18, lid 1, b), van hetzelfde koninklijk besluit van 15 april 1958 wordt door de volgende bepaling vervangen : « b) tot het schooljaar 2000-2001 inbegrepen als titularis van één of meerdere ambten, gelijktijdig met één of meerdere beroepsactiviteiten uitgeoefend, indien deze beroepsactiviteiten ten minste 60 % uitmaken van de wekelijkse prestaties van iemand die uitsluitend deze beroepsactiviteiten uitoefent; deze tot het schooljaar 2000-2001 gepresteerde diensten worden echter vanaf het schooljaar 2001-2002 in aanmerking genomen;".

Artikel 18, lid 1, c), tweede streep, van hetzelfde koninklijk besluit van 15 april 1958 wordt door de volgende bepaling vervangen : « - tot het schooljaar 2000-2001 inbegrepen als titularis van een ambt waarvan de brutobezoldiging die het zou verkrijgen indien het zijn ambt voltijds uitoefende, echter berekend op het minimumloon van de weddeschaal, gelijk is aan of lager is dan het loon dat het genoot uit hoofde van elke andere bezigheid en/of wegens het genot van een pensioen ten laste van de Schatkist; deze tot het schooljaar 2000-2001 gepresteerde diensten worden echter vanaf het schooljaar 2001-2001 in aanmerking genomen".

Art. 12.In artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan worden het lid 1, b), c) en d) alsmede het lid 2 opgeheven.

Artikel 2, § 3, van hetzelfde koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 wordt opgeheven.

Art. 13.Het koninklijk besluit van 12 oktober 1976 houdende samenstelling en de werking van de commissie opgericht bij artikel 2 van de wet van 8 februari 1974 wordt opgeheven. HOOFDSTUK IV. - Overgangs-, wijzigings-, opheffings- en slotbepalingen

Art. 14.De commissie opgericht met toepassing van artikel 5bis van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van openbaar Onderwijs behoudt haar adviesfunctie voor de periode vóór 1 september 2001.

Art. 15.In artikel 10, § 6, van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan worden de leden 2, 3 en 4 vervangen door de volgende bepaling : « Onder "gekwalificeerd personeelslid" wordt elk personeelslid verstaan dat aan alle voorwaarden voldoet om tijdelijk aangewezen of aangesteld te worden, met uitzondering van de voorwaarde zijn kandidatuur ingediend te hebben.

De wedde of weddetoelage bedoeld in het eerste lid worden pas toegekend als de inrichtende macht vooraf een werkaanbieding in de krant heeft laten publiceren, de Dienst voor arbeidsbemiddeling ervan heeft verwittigd dat een betrekking te bekleden is en het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap dan ervan informeert dat zij geen gekwalificeerd personeelslid heeft kunnen vinden dat deze betrekking als hoofdambt kan uitoefenen.

Wordt er een verandering aangebracht aan de opdracht van het personeelslid, dan zijn de voorwaarden en modaliteiten bepaald in voorafgaande leden weer van toepassing. ».

Art. 16.Artikel 77 van de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977 wordt opgeheven.

Art. 17.Het koninklijk besluit van 15 december 1978 tot uitvoering van artikel 77, § 5, 2e lid, van de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977 wordt opgeheven.

Art. 18.Dit decreet treedt in werking op 1 september 2001, met uitzondering van artikel 15, dat op 1 juli 2001 in werking treedt.

Wij kondigen dit decreet af en bevelen dat het door het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt wordt.

Eupen op 25 juni 2001.

De Minister-President van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap, Minister van Werkgelegenheid, Gehandicaptenbeleid, Media en Sport, K.-H. LAMBERTZ De Minister van Onderwijs en Vorming, Cultuur en Toerisme, B. GENTGES De Minister van Jeugd en Gezin, Monumentenzorg, Gezondheid en Sociale Aangelegenheden, H. NIESSEN _______ Nota's (1) Zitting 2000-2001 : Bescheiden van de Raad : 65 (2000-2001), nr.1 Voorstel van decreet. 65 (2000-2001), nr. 2 Amendementsvoorstel. 65 (2000-2001), nr. 3 Verslag.

Integraal verslag. - Bespreking en aanneming. Vergadering van 25 juni 2001.

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^