Decreet van 26 april 1999
gepubliceerd op 06 oktober 1999
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Decreet betreffende het gewoon basisonderwijs

bron
ministerie van de duitstalige gemeenschap
numac
1999033086
pub.
06/10/1999
prom.
26/04/1999
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

26 APRIL 1999. - Decreet betreffende het gewoon basisonderwijs (1)


De Raad van de Duitstalige Gemeenschap heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen en definities

Artikel 1.Toepassingsgebied Dit decreet is van toepassing op de gewone basisscholen, georganiseerd en gesubsidieerd door de Duitstalige Gemeenschap. De artikelen 16 en 17 zijn toepasselijk op de scholen erkend overeenkomstig hoofdstuk IV, afdeling 1.

Art. 2.Hoedanigheden In dit decreet gelden de hoedanigheden voor beide geslachten.

Art. 3.Definities Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder : 1° basisschool, hierna « school » genoemd : school waar uitsluitend lager onderwijs of lager- en kleuteronderwijs wordt verstrekt, al dan niet gespreid over één of meer vestigingsplaatsen, en onder het gezag van een schoolhoofd;2° kleuterafdeling : gedeelte van een basisschool waar kleuteronderwijs wordt verstrekt;3° lagere school : gedeelte van de basisschool waar lager onderwijs wordt verstrekt of basisschool waar uitsluitend lager onderwijs wordt verstrekt;4° vestigingsplaats : gebouw of gebouwencomplex gevestigd op één adres en waar, namens een inrichtende macht, voorschoolse activiteiten worden georganiseerd en/of lager onderwijs wordt verstrekt;5° lestijd : eenheid van vijftig minuten aangewend voor het onderwijs of voor andere pedagogische activiteiten in het kader van de schoolopleiding;6° betrekkingenpakket : aantal betrekkingen waarover een school beschikt;7° schoolhoofd : directeur of hoofdonderwijzer van een basisschool;8° studieprogramma : wekelijkse uurrooster en leerplannen in het lager onderwijs. HOOFDSTUK II. - Toelatingsvoorwaarden Afdeling 1. - Inleidende bepaling

Art. 4.Inleidende bepaling Onverminderd de bepalingen van de afdeling 1 van hoofdstuk IV van het decreet van 31 augustus 1998 betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor het gewoon onderwijs zijn volgende toelatingsvoorwaarden van toepassing. Afdeling 2. - Toelating tot de kleuterafdeling

Art. 5.Algemene toelatingsvoorwaarde Tot de kleuterafdeling wordt het niet schoolplichtig kind toegelaten dat tenminste drie jaar oud is of die leeftijd op 31 december van het lopende schooljaar zal hebben bereikt.

Art. 6.Inschrijving op de kleuterafdeling van een leerling woonachtig in het buitenland § 1. Een kind dat zijn woonplaats in het buitenland heeft, mag slechts op een kleuterafdeling worden ingeschreven 1° als het de algemene toelatingsvoorwaarde vastgelegd in artikel 5 vervult;2° na overlegging van een door het Ministerie goedgekeurde aanvraag waaruit blijkt dat bijzondere persoonlijke omstandigheden de inschrijving rechtvaardigen;3° als een inschrijvingsgeld desgevallend werd uitbetaald overeenkomstig artikel 32, § 3 van het decreet van 31 augustus 1998 betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor het gewoon onderwijs. In afwijking van de voorwaarden opgenomen in lid 1, 2° en 3° moeten de kinderen die hun woonplaats in het ambtsgebied van een buitenlandse publiekrechtelijke entiteit hebben noch een door het Ministerie goedgekeurde aanvraag overleggen noch een inschrijvingsgeld betalen, indien deze entiteit evenredig bijdraagt in de personeels- en werkingskosten die de Duitstalige Gemeenschap voor deze school moet dragen; die kostenbijdrage moet in een geschreven overeenkomst vastgelegd zijn.

Art. 7.Verlenging van het bezoek van de kleuterafdeling In afwijking van artikel 5 kan een leerplichtig kind de kleuterafdeling bezoeken tijdens het eerste jaar leerplicht.

De personen belast met zijn opvoeding nemen een dienovereenkomstige beslissing nadat zij een met redenen omkleed advies van de klasseraad en van het bevoegde PMS-centrum ter kennis hebben genomen.

Gaat het om een kind dat het kleuteronderwijs nog niet heeft bezocht, dan is slechts het advies van een PMS-centrum vereist. Afdeling 3. - Toelating tot de lagere school

Art. 8.Algemene toelatingsvoorwaarden Tot de lagere school wordt de leerling toegelaten die op 31 december van het lopende schooljaar ten minste zes jaar oud is en de leeftijd van 15 jaar nog niet heeft overschreden.

Een leerling die houder is van het bewijs van basisonderwijs mag niet tot de lagere school worden toegelaten.

Art. 9.Inschrijving op de lagere school van een leerling woonachtig in het buitenland Vóór de lagere school te kunnen bezoeken legt de leerling die zijn woonplaats in het buitenland heeft en die de algemene toelatingsvoorwaarden vastgelegd in artikel 8 vervult, een attest voor dat door de bevoegde schooloverheid van de Staat waar hij zijn woonplaats heeft, wordt afgegeven en waaruit blijkt dat hij in België een lagere school mag bezoeken. Dit attest dient slechts bij de eerste inschrijving te worden voorgelegd.

Het eerste lid is niet van toepassing op de leerling ingeschreven in het vreemdelingenregister, in het wachtregister of in het bevolkingsregister van een Belgische gemeente.

Art. 10.Vervroegde toelating tot de lagere school In afwijking van artikel 8 mag een niet leerplichtig kind de lagere school vanaf het schooljaar bezoeken dat tijdens het kalenderjaar begint waar het kind 5 jaar oud wordt.

De personen belast met zijn opvoeding nemen een dienovereenkomstige beslissing nadat zij een met redenen omkleed advies van de klasseraad en van het bevoegde PMS-centrum ter kennis hebben genomen.

Gaat het om een kind dat het kleuteronderwijs nog niet heeft bezocht, dan is slechts het advies van een PMS-centrum vereist. Afdeling 4. - Duur van het lager onderwijs

Art. 11.Algemene bepaling De leerling bezoekt de lagere school tijdens zes schooljaren.

Art. 12.Verlenging van het bezoek van de lagere school In afwijking van artikel 11 kan de klasseraad beslissen dat de leerling op de lagere school één enkele keer een bijkomend jaar in één en hetzelfde niveau volgt. Wanneer een leerling van school verandert, is deze beslissing verbindend voor alle scholen met dezelfde graadverdeling.

Op de voordracht van de klasseraad en op grond van een advies uitgebracht door het PMS-centrum kunnen de personen belast met de opvoeding beslissen dat hun kind de jaren doorgebracht op de lagere school met een 8ste jaar verlengt.

Art. 13.Verkorting van het bezoek van de lagere school In afwijking van artikel 11 en op grond van een gunstig advies van de klasseraad kunnen de personen belast met de opvoeding beslissen dat de jaren doorgebracht door hun kind op de lagere school met één jaar worden verminderd. Afdeling 5. - Regelmatige leerling en verandering van school

Art. 14.Regelmatige leerling Op de kleuterafdeling geldt als regelmatige leerling degene die : 1° de voorwaarden vermeld in de afdeling 2 van dit hoofdstuk vervult;2° in één enkele school is ingeschreven;3° indien hij met toepassing van artikel 7 de kleuterafdeling bezoekt, op school aanwezig is en aan de voor hem of voor zijn klas georganiseerde activiteiten deelneemt. Op de lagere school geldt als regelmatige leerling degene die : 1° de voorwaarden vermeld in de afdeling 3 van dit hoofdstuk vervult;2° in één enkele school is ingeschreven;3° die op de lagere school aanwezig is en aan de voor hem of voor zijn klas georganiseerde onderwijsactiviteiten deelneemt.

Art. 15.Inschrijving op de lagere school en verandering van school § 1. De inschrijving op de lagere school vindt ten laatste op de derde werkdag vóór het begin van het schooljaar plaats.

Indien de inschrijving in uitzonderlijke gevallen later plaatsvindt, worden die leerlingen niet in aanmerking genomen voor de berekeningen overeenkomstig hoofdstukken IV, V en VI, onverminderd de artikelen 60, lid 3 en 70, § 1, lid 2. § 2. Een verandering van school mag niet na de derde werkdag vóór het begin van het schooljaar plaatsvinden, behalve als de leerling van woonplaats verandert.

In uitzonderlijke gevallen en in afwijking van het eerste lid kunnen de personen belast met de opvoeding, na de derde werkdag vóór het begin van het schooljaar, een met redenen omklede aanvraag om van school te veranderen bij het schooltoezicht indienen door bemiddeling van het schoolhoofd van de school waar de leerling zou worden ingeschreven. Die aanvraag omvat het advies van het schoolhoofd van de verlaten school. Het schooltoezicht beslist binnen de vijf dagen. De verandering van school mag slechts na goedkeuring plaatsvinden. HOOFDSTUK III. - Onderwijsaanbod, certificatie en organisatie van de schooltijd Afdeling 1. - Onderwijsaanbod

Onderafdeling 1. - Kleuterafdeling

Art. 16.Het activiteitenplan omvat verplicht de volgende activiteiten : 1° activiteiten in de moedertaal en in een vreemde taal;2° psychomotorische activiteiten;3° creatieve activiteiten;4° wiskundige en natuurwetenschappelijke activiteiten;5° activiteiten met het oog op het aanleren van bekwaamheden vereist in het alledaags en sociaal leven. Onderafdeling 2. - Lagere school

Art. 17.Vakken en vakgebieden Het aangeboden onderwijs omvat verplicht 1° volgende vakken of vakgebieden : a) moedertaal;b) psychomotorische en lichamelijke opvoeding;c) artistieke vorming en handenarbeid;d) wiskunde;e) wereldoriëntatie;f) eerste vreemde taal;g) godsdienst of niet-confessionele zedenleer.2° volgende vakoverschrijdende gebieden : a) methodiek van het leren;b) sociaal gedrag. Afdeling 2. - Certificatie in het lager onderwijs

Art. 18.Bewijs van basisonderwijs Het bezoek van het basisonderwijs wordt door een bewijs van basisonderwijs bekrachtigd.

Het bewijs van basisonderwijs wordt uitgereikt aan de regelmatige leerling en aan de leerling die krachtig moet worden gesteund, bedoeld in artikel 60, lid 2, die de sleutelbevoegdheden echter genoeg beheerst in de vakken « moedertaal », « eerste vreemde taal » en « wiskunde » alsook in de vakken en vakgebieden vastgelegd overeenkomstig artikel 82 van het decreet van 31 augustus 1998 betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor het gewoon onderwijs.

Art. 19.Studiebewijs De regelmatige leerling en de leerling die krachtig moet worden gesteund, bedoeld in artikel 60, lid 2, die op het einde van het lager onderwijs het bewijs van basisonderwijs niet verkrijgt, heeft recht op een schriftelijke verklaring uitgereikt door het schoolhoofd waarin de bereikte bevoegdheden en het aantal gevolgde leerjaren worden vermeld.

Art. 20.Bewijs van basisonderwijs uitgereikt buiten schoolverband Op advies van het schooltoezicht bepaalt de Regering een school waar een examencommissie wordt ingericht om het bewijs van basisonderwijs buiten schoolverband uit te reiken.

De examencommissie bestaat uit een lid van het schooltoezicht, het schoolhoofd en leden van het onderwijzend personeel van de betrokken school. Het lid van het schooltoezicht is voorzitter van de examencommissie.

Art. 21.Modaliteiten De Regering regelt de overige modaliteiten voor de uitreiking, in en buiten schoolverband, van de bewijzen van basisonderwijs en van de studiebewijzen en bepaalt er de vorm van. Afdeling 3. - Organisatie van de schooltijd

Art. 22.Schooldag en wekelijks uurrooster § 1. Het inrichtingshoofd van een Gemeenschapsschool of, naargelang het geval, de inrichtende macht van een gesubsidieerde school bepaalt, op voorstel van de Pedagogische Raad en na overleg met de afgevaardigden van de ouders en van een erkende werknemersorganisatie - indien zulke bestaan -, de openingsuren van de school, het tijdstip waarop de cursussen beginnen en eindigen alsmede de duur van het middaguur.

In afwijking van artikel 64 van het decreet van 31 augustus 1998 betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor het gewoon onderwijs worden de cursussen tussen 8 en 16 uur verstrekt. § 2. De openingsuren van de school houden rekening met het officieel georganiseerd leerlingenvervoer. `s Morgens en s`namiddags ontvangt de school de leerlingen vijftien minuten vóór het begin van de eerste lestijd en vijftien minuten na het einde van de laatste lestijd, onverminderd het eerste lid.

Tijdens de openingsuren zorgt de inrichtende macht voor een behoorlijk toezicht op de leerlingen. § 3. Het wekelijks uurrooster van de leerling beloopt 28 lestijden. HOOFDSTUK IV. - Erkening en subsidiëring Afdeling 1. - Erkenning

Art. 23.Voorwaarden Een school kan erkend worden als ze 1° onder de verantwoordelijkheid van een inrichtende macht staat;2° zich in lokalen bevindt die aan de criteria inzake hygiëne, veiligheid en bewoonbaarheid voldoen;3° uit een lagere school of uit een lagere school en een kleuterafdeling bestaat, gestructureerd overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 31 augustus 1998 betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor het gewoon onderwijs en van dit decreet;4° een pedagogische eenheid vormt;5° over voldoende leermiddelen en over een aangepaste onderwijsvoorziening beschikt;6° aan de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake taalregeling in het onderwijs voldoet; 7° aan de bepalingen m.b.t. de verloven en de cursussen voldoet; 8° een activiteitenplan of een studieprogramma volgt die door de Regering goedgekeurd zijn;9° het maatschappelijk project verwezenlijkt en de ontwikkelingsdoelen en sleutelbevoegdheden bereikt in de vakken "moedertaal", "eerste vreemde taal" en "wiskunde";10° zich aan het toezicht van het Ministerie onderwerpt wat de naleving der voorwaarden van de punten 1° tot 9° betreft.

Art. 24.Erkenningsprocedure De Regering kent de erkenning toe. Die geldt vanaf de eerste dag van een schooljaar en mag niet met terugwerkende kracht worden uitgesproken.

De Regering legt de erkenningsprocedure vast.

Art. 25.Intrekking van de erkenning De Regering kan de erkenning van een school of van een vestigingsplaats intrekken wanneer de school of vestigingsplaats één of meerdere voorwaarden van artikel 23 niet meer vervult.

De Regering bepaalt hoe de erkenning wordt ingetrokken. De procedure voorziet in voldoende beroepsmogelijkheden.

Art. 26.Uitreiking van titels De inrichtende macht van een erkende school kan de eindgetuigschriften en studiebewijzen bedoeld in de artikelen 18 en 19 van rechtswege uitreiken. Afdeling 2. - Werkingstoelagen

Art. 27.Recht Een school die, alhoewel zij niet door de Gemeenschap wordt georganiseerd, de voorwaarden van de eerste afdeling van dit hoofdstuk en de afdelingen 1 tot 3 van hoofdstuk V, alsmede alle voorwaarden van het decreet van 31 augustus 1998 betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor het gewoon onderwijs vervult, heeft recht op werkingstoelagen vanaf het begin van het schooljaar waarin ze deze voorwaarden vervult.

Art. 28.Aanwending van de werkingstoelagen De werkingstoelagen worden aangewend om 1° de werkings- en uitrustingskosten te dekken;2° schoolboeken en materiaal aan te werven die kosteloos ter beschikking van de leerlingen worden gesteld;3° gebouwen, lokalen, meubels en installaties te kopen of te huren;4° herstellings- en onderhoudskosten te dragen alsmede om leningen terug te betalen die voor infrastructuurmaatregelen zijn aangegaan.

Art. 29.Uitbetalingsmodaliteiten Vanaf het begin van het begrotingsjaar worden de werkingstoelagen maandelijks aan de inrichtende machten vóór de 22ste in twaalfden uitbetaald.

Art. 30.Bedrag van de werkingstoelagen § 1. Voor de kleuterafdelingen belopen de werkingstoelagen 6.550 F per regelmatige leerling die tot de laatste schooldag van september gedurende ten minste 10 schooldagen, ten belope van halve dagen, aanwezig was;

Voor de lagere scholen belopen de werkingstoelagen 8.800 F per leerling die op de derde werkdag vóór het begin van het schooljaar regelmatig ingeschreven was.

Voor de toezichten tijdens het middaguur, georganiseerd overeenkomstig artikel 77, § 1, verkrijgt de inrichtende macht - voor de eerste begonnen groep van 75 regelmatige leerlingen - een vergoeding van 285 F voor de studiemeesters die houders zijn van een pedagogisch getuigschrift en van 215 F voor de andere.

Indien de school of, naargelang het geval, de vestigingsplaats meer dan 75 regelmatige leerlingen telt, heeft de inrichtende macht recht - voor elke verdere begonnen groep van 75 leerlingen- op een bijkomende toelage overeenstemmend met de bedragen vastgelegd in het derde lid als zij bijkomende studiemeesters tot het toezicht tijdens het middaguur verplicht.

Het aantal leerlingen wordt overeenkomstig de artikelen 53 tot 55 en 58 tot 60 berekend. § 2. De bedragen van de werkingstoelagen vastgelegd in § 1 worden jaarlijks in september verhoogd of verminderd volgens de ontwikkeling van het indexcijfer der consumptieprijzen.

Het indexcijfer van september 1998 (102,7) geldt als basisindexcijfer; het indexcijfer van de voorafgaande maand september wordt in aanmerking genomen om de aanpassing te berekenen. Afdeling 3. - Weddetoelagen

Art. 31.Recht § 1. Een school die niet door de Gemeenschap wordt georganiseerd, heeft vanaf het begin van het schooljaar recht op weddetoelagen voor de personeelsleden van de categorieën « bestuurspersoneel » en « onderwijzend personeel » 1° wanneer de school de voorwaarden van de eerste afdeling van dit hoofdstuk en van de afdelingen 1 tot 3 van hoofdstuk V, alsmede alle voorwaarden van het decreet van 31 augustus 1998 betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor het gewoon onderwijs vervult;2° wanneer het om personeelsleden gaat a) die Belg of burger van de Europese Unie zijn;de Regering kan een afwijking toestaan; b) die de politieke en burgerlijke rechten genieten;c) die houder zijn van een vereist of voldoend geacht bekwaamheidsbewijs overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen;d) waarvan de gezondheidstoestand noch die van de leerlingen noch die van de andere personeelsleden in gevaar brengt;e) die aan de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake taalregeling in het onderwijs voldoen;f) die aangeworven of aangesteld zijn met inachtneming van de bepalingen inzake reaffectatie en wedertewerkstelling. § 2. De bepalingen van § 1 zijn ook van toepassing op de personeelsleden van de categorie « administratief personeel » in het gesubsidieerd vrij onderwijs. § 3. De weddetoelagen worden maandelijks, rechtstreeks aan de personeelsleden van de gesubsidieerde scholen, uitbetaald. HOOFDSTUK V. - Oprichting, handhaving en sluiting van scholen Afdeling 1. - Toepassingsgebied van de normen

Art. 32.Toepassingsgebied De normen vermeld in dit hoofdstuk gelden per school of vestigingsplaats, per taalsectie en onderwijsniveau. Afdeling 2. - Oprichting

Art. 33.Oprichting van een lagere school § 1. Onverminderd artikel 6 van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs wordt een lagere school, het oprichtingsjaar, vanaf de eerste dag van het schooljaar georganiseerd of gesubsidieerd, indien zij op de derde werkdag vóór het begin van het schooljaar ten minste 75 regelmatige leerlingen van het lager onderwijs telt die aan de leerplicht onderworpen zijn. § 2. Een lagere school opgericht overeenkomstig § 1 moet tijdens het tweede, derde en vierde jaar de bepaalde oprichtingsnorm bereiken. Als teldag geldt telkens de derde werkdag vóór het begin van het schooljaar.

Indien de lagere school de bepaalde norm niet bereikt, wordt ze vanaf de eerste schooldag gesloten resp. niet meer gesubsidieerd.

Art. 34.Oprichting van een kleuterafdeling § 1. Een kleuterafdeling mag slechts als onderwijsniveau van een basisschool worden opgericht.

Onverminderd artikel 6 van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs wordt een kleuterafdeling, tijdens het oprichtingsjaar, vanaf de eerste dag van het schooljaar georganiseerd resp. gesubsidieerd, indien zij op de laatste schooldag van de maand september tenminste 25 leerlingen telt. Worden in aanmerking genomen de regelmatige leerlingen van het kleuteronderwijs die hun woonplaats in België hebben en die, tot de laatste schooldag van de maand september, op de betrokken school gedurende ten minste 10 schooldagen, ten belope van halve dagen, aanwezig waren.

Indien de kleuterafdeling de voorwaarden vastgelegd in de leden 1 of 2 niet vervult, wordt ze vanaf 1 oktober gesloten resp. niet meer gesubsidieerd. In dit geval vallen de loon- en werkingskosten m.b.t. de maand september ten laste van de inrichtende macht. § 2. Een kleuterafdeling opgericht overeenkomstig § 1 moet het tweede, derde en vierde jaar de bepaalde oprichtingsnorm bereiken. Als teldag geldt telkens de laatste schooldag van de maand september.

Indien de kleuterafdeling de voorwaarden vastgelegd in het eerste lid niet vervult, wordt ze vanaf 1 oktober gesloten resp. niet meer gesubsidieerd. In dit geval vallen de loon- en werkingskosten m.b.t. de maand september ten laste van de inrichtende macht. Afdeling 3. - Sluiting en heropening

Art. 35.Sluiting en heropening van een lagere school Een lagere school die op de drie werkdagen vóór het begin van het schooljaar geen 12 regelmatige leerlingen van het lager onderwijs telt, wordt vanaf de eerste schooldag gesloten resp. niet meer gesubsidieerd.

Onverminderd artikel 33 kan een gesloten resp. niet meer gesubsidieerde lagere school binnen 10 jaar na de sluiting weder geopend of gesubsidieerd worden vanaf de eerste schooldag, op voorwaarde dat zij op de derde werkdag vóór het begin van het schooljaar 12 regelmatige leerlingen telt.

Indien de lagere school de overeenstemmende norm niet bereikt, wordt ze vanaf de eerste dag van het schooljaar gesloten resp. niet meer gesubsidieerd.

Art. 36.Sluiting en heropening van een kleuterafdeling § 1. Een kleuterafdeling die op de laatste schooldag van de maand september geen 6 regelmatige leerlingen telt, wordt vanaf 1 oktober gesloten resp. niet meer gesubsidieerd.

Onverminderd artikel 34 kan een gesloten resp. niet meer gesubsidieerde school binnen 10 jaar na de sluiting weder geopend of gesubsidieerd worden vanaf de eerste dag van het schooljaar, op voorwaarde dat zij op de laatste schooldag van de maand september ten minste 6 leerlingen telt.

Indien de kleuterafdeling de voorwaarden vastgelegd in lid 2 niet vervult, wordt ze vanaf 1 oktober gesloten resp. niet meer gesubsidieerd. In dit geval vallen de loon- en werkingskosten m.b.t. de maand september ten laste van de inrichtende macht.

Worden in aanmerking genomen de regelmatige leerlingen die hun woonplaats in de Duitstalige Gemeenschap hebben en die tot de laatste schooldag van de maand september gedurende ten minste 10 schooldagen, ten belope van halve dagen, aanwezig waren. § 2. In afwijking van § 1, lid 4 kunnen ook de leerlingen in aanmerking worden genomen die hun woonplaats in het ambtsgebied van een buitenlandse of binnenlandse publiekrechtelijke entiteit hebben, indien deze evenredig bijdraagt in de personeels- en werkingskosten die de Duitstalige Gemeenschap voor deze school moet dragen; die kostenbijdrage moet in een geschreven overeenkomst vastgelegd zijn. Afdeling 4. - Fusie en herstructurering

Onderafdeling 1. - Fusie

Art. 37.Definitie Een fusie van scholen kan volgende vormen hebben : 1° samenvoeging van twee of meerdere gelijktijdig gesloten scholen tot een nieuwe school onder het gezag van één schoolhoofd;2° samenvoeging van twee of meerdere scholen tot een nieuwe school onder het gezag van één schoolhoofd, waarbij één van de scholen blijft bestaan en de andere school (scholen) overneemt;

Art. 38.Modaliteiten voor de fusie § 1. Elke school kan met één of meer andere scholen gefusioneerd worden. Fusies van scholen moeten ten minste drie werkdagen vóór het begin van het schooljaar gebeuren en treden de eerste schooldag in werking.

Voor de toepassing van afdeling 2 van dit hoofdstuk wordt een door fusie ontstane school niet als nieuwe school beschouwd. § 2. Bij fusie van scholen kan de Regering jaarlijks en voor ten hoogste vier schooljaren van de bepalingen van hoofdstuk VI afwijken.

De afwijking mag echter nooit tot gevolg hebben dat het betrekkingenpakket overschreden wordt dat voor de door de fusie betrokken scholen met toepassing van hoofdstuk VI in de loop van het schooljaar vóór de fusie bepaald werd.

Onderafdeling 2. - Herstructurering

Art. 39.Principe Inrichtende machten kunnen één of meer van hun scholen bestaande op de dag van de inwerkingtreding van dit decreet, binnen de grenzen van de gemeente(n) waar ze gelegen zijn, herstructureren. De oprichtingsnormen vastgelegd in de artikelen 33 en 34 zijn niet van toepassing.

Art. 40.Voorwaarden Een herstructurering kan onder volgende voorwaarden gebeuren : 1° ze kan niet leiden tot een toename van het aantal scholen of vestigingsplaatsen bestaande op de dag van de inwerkingtreding van dit decreet;2° de normen vermeld in de artikelen 35, lid 1 en 36, § 1, lid 1 moeten bereikt worden.

Art. 41.Inwerkingtreding De herstructurering treedt in werking op de eerste dag van een schooljaar en niet met terugwerkende kracht. HOOFDSTUK VI. - Berekening van het aantal betrekkingen Afdeling 1. - Schoolleiding en administratief personeel

Onderafdeling 1. - Principe

Art. 42.Schoolhoofd § 1. Per school wordt een betrekking als schoolhoofd georganiseerd of gesubsidieerd.

Volgens het aantal leerlingen wordt het schoolhoofd geheel of gedeeltelijk vrijgesteld van het houden van een klas. Te dien einde verkrijgt de inrichtende macht, voor de betrokken school en naargelang de schoolbevolking, het volgende aantal betrekkingen : 1° van 50 tot 99 leerlingen : 1/4 betrekking;2° van 100 tot 149 leerlingen : 2/4 betrekking;3° van 150 tot 179 betrekkingen : 3/4 betrekking;4° vanaf 180 leerlingen : een voltijdse betrekking. § 2. De wedde van een schoolhoofd wordt overeenkomstig de weddeschalen onder volgende voorwaarden bepaald : 1° tot 71 leerlingen : de weddeschaal van schoolhoofd in een school met één tot drie klassen;2° van 72 tot 140 leerlingen : de weddeschaal van schoolhoofd in een school met 4 tot 6 klassen;3° van 141 tot 209 leerlingen : de weddeschaal van schoolhoofd in een school met zeven tot negen klassen;4° vanaf 210 leerlingen : de weddeschaal van schoolhoofd in een school met tien klassen en meer.

Art. 43.Rekenplichtig correspondent Voor een school georganiseerd door de Duitstalige Gemeenschap of voor een gesubsidieerde vrije school die zich niet in de vestiging van een secundaire of hogere school van éénzelfde inrichtende macht bevindt, verkrijgt de inrichtende macht naargelang de schoolbevolking volgende betrekkingen als rekenplichtig correspondent : 1° tot 49 leerlingen : 1/4 betrekking;2° van 50 tot 149 leerlingen : 2/4 betrekking;3° van 150 tot 249 leerlingen : 3/4 betrekking;4° vanaf 250 leerlingen : één voltijdse betrekking. Onderafdeling 2. - Berekeningsbasis

Art. 44.Principe De berekening van het betrekkingenpakket gebeurt per school.

Als teldag geldt de derde werkdag vóór het begin van het schooljaar.

Art. 45.Berekeningswijze Volgende leerlingen worden opgeteld : 1° de regelmatige leerlingen van het kleuteronderwijs, waarbij diegenen die een op grond van de artikelen 34 en 36 gesloten school bezochten, ten laatste tot de derde schooldag in aanmerking genomen worden;2° de regelmatige leerlingen van het lager onderwijs, waarbij diegenen die een op grond van de artikelen 33 en 35 gesloten lagere school bezochten ten laatste tot de derde schooldag in aanmerking genomen worden;3° de leerlingen die krachtig moeten worden gesteund, bedoeld in artikel 29 van het decreet van 31 augustus 1998 betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor het gewoon onderwijs, die een gewone lagere school bezoeken en ten minste 14 lestijden per week volgen. Onderafdeling 3. - Aanwending van het betrekkingenpakket

Art. 46.Toepassingsduur Het betrekkingenpakket vastgelegd overeenkomstig de artikelen 42 tot 45 is beschikbaar voor het lopende schooljaar.

Art. 47.Aanwending Het betrekkingenpakket bedoeld in de artikelen 42 tot 45 wordt in de school aangewend waarvan het aantal leerlingen recht geeft op deze betrekkingen. Afdeling 2. - Pedagogische coördinatie

Onderafdeling 1. - Principe

Art. 48.Pedagogische coördinatie Voor de pedagogische coördinatie, de animatie en de begeleiding verkrijgt de inrichtende macht, voor de betrokken school en naargelang de schoolbevolking, het volgende betrekkingenpakket : 1° van 280 tot 379 leerlingen : 1/4 betrekking;2° van 380 tot 479 leerlingen : 2/4 betrekking;3° van 480 tot 579 leerlingen : 3/4 betrekking;4° vanaf 580 leerlingen : één voltijdse betrekking. In afwijking van het eerste lid, 1° verkrijgt de inrichtende macht 1/4 betrekking wanneer de betrokken school ten minste 220 leerlingen en ten minste 4 vestigingen telt.

Onderafdeling 2. - Berekeningsbasis

Art. 49.Principe De berekening van het betrekkingenpakket gebeurt per school.

Als teldag geldt de derde werkdag vóór het begin van het schooljaar.

Art. 50.Berekeningswijze De volgende leerlingen worden opgeteld : 1° de regelmatige leerlingen van het kleuteronderwijs, waarbij diegenen die een op grond van de artikelen 34 en 36 gesloten school bezochten, ten laatste tot de derde schooldag in aanmerking genomen worden;2° de regelmatige leerlingen van het lager onderwijs, waarbij diegenen die een op grond van de artikelen 33 en 35 gesloten lagere school bezochten ten laatste tot de derde schooldag in aanmerking genomen worden;3° de leerlingen die krachtig moeten worden gesteund, bedoeld in artikel 29 van het decreet van 31 augustus 1998 betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor het gewoon onderwijs, die een gewone lagere school bezoeken en ten minste 14 lestijden per week volgen. Onderafdeling 3. - Aanwending van het betrekkingenpakket

Art. 51.Toepassingsduur Het betrekkingenpakket vastgelegd overeenkomstig de artikelen 48 tot 50 is beschikbaar voor het lopende schooljaar.

Art. 52.Aanwending Het betrekkingenpakket bedoeld in de artikelen 48 tot 50 wordt in de school aangewend waarvan het aantal leerlingen recht geeft op deze betrekkingen.

Het wordt aan het betrekkingenpakket bedoeld in de derde afdeling van dit hoofdstuk toegevoegd. Afdeling 3. - Onderwijzend personeel

Onderafdeling 1. - Kleuteronderwijs

Art. 53.Aantal betrekkingen Naargelang het aantal leerlingen verkrijgt de inrichtende macht het volgende aantal betrekkingen voor het kleuteronderwijs : Leerlingen Voltijdse betrekkingen tot 19 1 20-25 1,5 26-32 2 33-39 2,25 40-44 2,5 45-50 2,75 51-55 3 56-61 3,25 62-67 3,5 68-72 3,75 73-78 4 79-83 4,25 84-89 4,5 90-95 4,75 96-100 5 101-106 5,25 107-111 5,5 112-117 5,75 118-123 6 124-128 6,25 129-134 6,5 135-139 6,75 140-145 7 en bijkomend 1/4 betrekking voor elke begonnen groep van 5 leerlingen.

Art. 54.Berekeningswijze Voor de berekening gelden volgende regels : 1° de leerlingen worden per taalsectie afzonderlijk opgeteld;2° wanneer een school meerdere vestigingsplaatsen telt, worden de leerlingen van die verschillende vestigingsplaatsen per taalsectie afzonderlijk opgeteld. In afwijking van lid 1, 2° worden de leerlingen van meerdere vestigingsplaatsen samengeteld, wanneer die vestigingsplaatsen minder dan 2 km ver van elkaar liggen. Als basis dient de kortst mogelijke afstand gemeten langs de rijbaan, zoals omschreven in artikel 2, 1° van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, zonder dat rekening wordt gehouden met wegomleggingen en eenrichtingsverkeer.

Art. 55.Teldag en in aanmerking genomen leerlingen Als teldag voor de berekening van het betrekkingenpakket geldt de laatste schooldag van de maand september van het lopende schooljaar.

Worden in aanmerking genomen de regelmatige leerlingen die tot de laatste schooldag van de maand september van het lopende schooljaar gedurende ten minste 10 schooldagen, ten belope van halve dagen, aanwezig waren.

Art. 56.Nieuwe berekening van het betrekkingenpakket in de loop van het schooljaar In de vestigingsplaatsen die overeenkomstig de artikelen 53 tot 55 ten minste 26 leerlingen tellen, wordt het betrekkingenpakket op verzoek van de inrichtende macht op 15 maart van het lopende schooljaar opnieuw berekend.

Voor de nieuwe berekening worden de regelmatige leerlingen van het kleuteronderwijs in aanmerking genomen die gedurende de laatste vijftien klassedagen tot en met 15 maart gedurende ten minste 10 schooldagen, ten belope van halve dagen, aanwezig waren.

Art. 57.Aanwendingsduur § 1. Het betrekkingenpakket vastgelegd overeenkomstig de artikelen 53 tot 55 is beschikbaar vanaf 1 oktober van het lopende schooljaar tot 30 september van het volgende schooljaar.

Vanaf de eerste dag van het schooljaar mag de inrichtende macht bijkomende 1/4 betrekkingen organiseren; zij moet echter de betrekkingen op zich nemen die op grond van de nieuwe berekening op 1 oktober niet meer beschikbaar zijn. § 2. Het betrekkingenpakket vastgelegd overeenkomstig de artikelen 53, 54 en 56 is beschikbaar voor zover het ten minste 1/2 voltijdse betrekking meer telt dan het betrekkingenpakket waarop de inrichtende macht op 1 oktober recht had.

In dit geval is het beschikbaar vanaf de eerste schooldag na 15 maart tot de laatste schooldag van het lopende schooljaar.

Onderafdeling 2. - Lager onderwijs

Art. 58.Aantal betrekkingen Naargelang het aantal leerlingen verkrijgt de inrichtende macht het volgende aantal betrekkingen voor het lager onderwijs : Leerlingen Voltijdse betrekkingen 12-15 1,25 16-20 1,5 21-25 2 26-30 2,25 en bijkomend 1/4 voltijdse betrekking voor elke begonnen groep van 5 leerlingen.

Art. 59.Berekeningswijze Voor de berekening gelden volgende regels : 1° de leerlingen worden per taalsectie afzonderlijk opgeteld;2° wanneer een school meerdere vestigingsplaatsen telt, worden de leerlingen van die verschillende vestigingsplaatsen per taalsectie afzonderlijk opgeteld. In afwijking van lid 1, 2° worden de leerlingen van meerdere vestigingsplaatsen samengeteld, wanneer die vestigingsplaatsen minder dan 2 km ver van elkaar liggen. Als basis dient de kortst mogelijke afstand gemeten langs de rijbaan, zoals omschreven in artikel 2, 1° van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, zonder dat rekening wordt gehouden met wegomleggingen en eenrichtingsverkeer.

Art. 60.Teldag en in aanmerking genomen leerlingen Als teldag voor de berekening van het betrekkingenpakket in het lager onderwijs geldt de derde werkdag vóór het begin van het schooljaar.

Worden in aanmerking genomen de regelmatige leerlingen van het lager onderwijs alsmede de leerlingen die krachtig moeten worden gesteund, bedoeld in artikel 29 van het decreet van 31 augustus 1998 betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor het gewoon onderwijs, die een gewone lagere school bezoeken en tenminste 14 lestijden per week volgen.

Worden eveneens in aanmerking genomen de regelmatige leerlingen van het lager onderwijs die een op grond van de artikelen 33 en 35 gesloten school bezochten en ten laatste op de derde schooldag bij de school ingeschreven worden.

Art. 61.Aanwendingsduur Het betrekkingenpakket vastgelegd overeenkomstig de artikelen 58 tot 60 is beschikbaar voor het lopende schooljaar.

Onderafdeling 3. - Gemeenschappelijke bepalingen voor kleuter- en lager onderwijs

Art. 62.Solidariteit en overdracht van het betrekkingenpakket § 1. Met uitzondering van het betrekkingenpakket vastgelegd overeenkomstig de artikelen 53, 54 en 56 kan het betrekkingenpakket vastgelegd overeenkomstig afdeling 3 van dit hoofdstuk van een onderwijsniveau naar een ander, van een vestigingsplaats naar een andere, van een taalsectie naar een andere en van een school naar een andere overgedragen worden.

De overdracht van een onderwijsniveau naar een ander mag slechts per 1/4 betrekkingen gebeuren.

De overdracht waarvan sprake is in de leden 1 en 2 vindt slechts plaats in het officieel onderwijs georganiseerd door de Duitstalige Gemeenschap, in het door haar gesubsidieerd officieel onderwijs en in het door haar gesubsidieerd vrij onderwijs. § 2. De overdracht van het betrekkingenpakket mag niet tot gevolg hebben dat personeelsleden wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gesteld worden.

Een definitieve benoeming of aanstelling is niet toegelaten voor een betrekking of gedeelte van betrekking opgericht met toepassing van § 1.

Art. 63.Overleg en verhoor De inrichtende macht of haar vertegenwoordiger beslist over de aanwending van het betrekkingenpakket na overleg met het bestuurs- of onderwijzend personeel en na de oudersafvaardigingen te hebben gehoord.

Art. 64.Beperkende bepalingen De personeelsleden die in het door de Duitstalige Gemeenschap georganiseerd onderwijs tot de stage toegelaten zijn en degenen die in vast verband benoemd zijn, mogen niet ter beschikking worden gesteld wegens ontstentenis van betrekking zolang tijdelijke personeelsleden hetzelfde ambt in dezelfde school uitoefenen.

De personeelsleden die in het gesubsidieerd officieel onderwijs in vast verband benoemd zijn, mogen niet ter beschikking worden gesteld wegens ontstentenis van betrekking zolang tijdelijke personeelsleden hetzelfde ambt bij dezelfde inrichtende macht uitoefenen.

De personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs die definitief aangesteld zijn, mogen niet ter beschikking worden gesteld wegens ontstentenis van betrekking zolang tijdelijke personeelsleden hetzelfde ambt uitoefenen in scholen van het gesubsidieerd vrij onderwijs die in dezelfde gemeente gelegen zijn.

Een bijzonder leermeester wiens prestaties tot het betrekkingenpakket behoren, mag niet ter beschikking wegens ontstentenis van betrekking worden gesteld om een onderwijzer aan te werven.

Een onderwijzer mag niet ter beschikking wegens ontstentenis van betrekking worden gesteld om een bijzonder leermeester aan te werven wiens prestaties tot het lestijdenpakket behoren dat op grond van de artikelen 58 tot 60 en 68, § 4 berekend wordt. Afdeling 4. - Godsdienst en niet-confessionele zedenleer

Onderafdeling 1. - Principe

Art. 65.Aantal wekelijkse lestijden Elke leerling van het lager onderwijs ontvangt 2 uren godsdienst of niet-confessionele zedenleer per week.

Te dien einde verkrijgt de inrichtende macht 2 lestijden per week voor elke cursus godsdienst of niet-confessionele zedenleer georganiseerd in haar school.

Onderafdeling 2. - Organisatie van de cursussen en berekening van het aantal leerlingen

Art. 66.Berekeningsregels De berekeningsregels vermeld in artikel 59 zijn van toepassing op deze onderafdeling.

Art. 67.Teldag Onverminderd artikel 70, § 1, leden 2 en 3 geldt als teldag voor de berekening van het aantal leerlingen de derde werkdag vóór het begin van het schooljaar. De regelmatige leerlingen van het lager onderwijs worden in aanmerking genomen.

Art. 68.Recht § 1. In elke vestigingsplaats die één of twee klassen organiseert, worden de cursussen godsdienst resp. niet-confessionele zedenleer per klas georganiseerd. § 2. In elke vestigingsplaats die drie klassen of meer organiseert, wordt het aantal cursussen als volgt vastgelegd : tot 23 leerlingen 1 cursus van 24 tot 44 leerlingen 2 cursussen van 45 tot 71 leerlingen 3 cursussen van 72 tot 94 leerlingen 4 cursussen van 95 tot 117 leerlingen 5 cursussen van 118 tot 140 leerlingen 6 cursussen van 141 tot 163 leerlingen 7 cursussen van 164 tot 186 leerlingen 8 cursussen van 187 tot 209 leerlingen 9 cursussen van 210 tot 231 leerlingen 10 cursussen van 232 tot 256 leerlingen 11 cursussen en 1 bijkomend cursus voor elke begonnen groep van 25 leerlingen. § 3. Voor elke cursus godsdienst of niet-confessionele zedenleer worden de leerlingen per groep van twee opeenvolgende studiejaren opgeteld. Het gaat resp. om het eerste en het tweede, het derde en het vierde, het vijfde en het zesde studiejaar, telkens met het woord « graad » aangeduid in de artikelen 69 en 70. § 4. Indien de cursussen godsdienst en niet-confessionele zedenleer met toepassing van artikel 71 door een onderwijzer worden verstrekt, wordt het overeenkomstig de §§ 1 en 2 berekend aantal cursussen met het aantal cursussen verminderd die door de onderwijzer worden verstrekt. Dit kan niet tot gevolg hebben dat personeelsleden wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gesteld worden.

Het overeenkomstige aantal uren wordt aan het met toepassing van de artikelen 58 tot 60 berekend betrekkingenpakket toegevoegd. Een definitieve benoeming of aanstelling is voor deze uren niet toegelaten.

Art. 69.Afwijking voor minder bezochte cursussen In afwijking van artikel 68 kunnen 2 cursussen georganiseerd resp. gesubsidieerd worden voor elke cursus godsdienst of niet-confessionele zedenleer waarvoor minder dan 24 leerlingen per graad ingeschreven zijn, indien volgende voorwaarden vervuld zijn : 1° voor de betrokken cursus zijn ten minste 6 leerlingen van de betrokken graad ingeschreven;2° deze leerlingen worden verdeeld onder de twee studiejaren van de graad;3° de meest bezochte cursus van eenzelfde graad, wordt voor ten minste 24 leerlingen georganiseerd. Onderafdeling 3. - Aanwending van de lestijden godsdienst en niet-confessionele zedenleer

Art. 70.Toepassingsduur en beperkende bepalingen § 1. Het betrekkingenpakket berekend overeenkomstig de artikelen 68 en 69 is beschikbaar voor het lopende schooljaar.

Zodra een leerling zich in een school of vestiging met afzonderlijke telling inschrijft waar geen door hem gekozen cursus godsdienst of niet-confessionele zedenleer georganiseerd resp. gesubsidieerd wordt voor de graad waarin hij ingeschreven is, worden 2 lestijden godsdienst of niet-confessionele zedenleer voor hem georganiseerd resp. gesubsidieerd.

Indien er in de loop van een schooljaar geen leerling van een bepaalde graad meer is die de cursus godsdienst of niet-confessionele zedenleer volgt, dan wordt de cursus in deze graad slechts tot de laatste dag van de maand georganiseerd resp. gesubsidieerd waarin de laatste leerling met het bezoek van de cursus ophoudt. § 2. De leermeesters godsdienst of niet-confessionele zedenleer die in het door de Duitstalige Gemeenschap georganiseerd onderwijs tot de stage toegelaten zijn en degenen die in vast verband benoemd zijn, mogen niet ter beschikking worden gesteld wegens ontstentenis van betrekking zolang tijdelijke personeelsleden hetzelfde ambt in dezelfde school uitoefenen.

De leermeesters godsdienst of niet-confessionele zedenleer die in het gesubsidieerd officieel onderwijs in vast verband benoemd zijn, mogen niet ter beschikking worden gesteld wegens ontstentenis van betrekking zolang tijdelijke personeelsleden hetzelfde ambt bij dezelfde inrichtende macht uitoefenen.

De leermeesters godsdienst of niet-confessionele zedenleer die in het gesubsidieerd vrij onderwijs vastbenoemd en erkend zijn, mogen niet ter beschikking worden gesteld wegens ontstentenis van betrekking zolang tijdelijke personeelsleden hetzelfde ambt uitoefenen in scholen van het gesubsidieerd vrij onderwijs die in dezelfde gemeente gelegen zijn. § 3. Een bijzonder leermeester godsdienst mag niet ter beschikking wegens ontstentenis van betrekking worden gesteld als een onderwijzer cursussen godsdienst verstrekt.

Art. 71.Aanwending Onverminderd artikel 65bis van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, is het mogelijk dat : 1° de cursus godsdienst door een onderwijzer verstrekt wordt, voor zover de bevoegde instantie van de betrokken eredienst, indien zo'n instantie bestaat, de inrichtende macht en de betrokken onderwijzer ermee akkoord gaan;2° de cursus niet-confessionele zedenleer door een onderwijzer verstrekt wordt, voor zover hij en de inrichtende macht ermee akkoord gaan. De lestijden godsdienst en niet-confessionele zedenleer worden aangewend in de vestiging waarvan het aantal leerlingen recht geeft op deze cursussen. HOOFDSTUK VII. - Wekelijkse werktijd

Art. 72.Schoolhoofd Het schoolhoofd oefent zijn ambt uit tijdens de openingsuren van de school en de tijd bestemd tot de verwezenlijking van het schoolproject.

Art. 73.Rekenplichtig correspondent De werktijd van de rekenplichtig correspondent beloopt 36 uren van 60 minuten.

Art. 74.Onderwijzend personeel De prestaties verleend door het onderwijzend personeel omvatten de opdrachten bepaald in artikel 97 van het decreet van 31 augustus 1998 betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor het gewoon onderwijs.

De prestaties verleend door het onderwijzend personeel in een school belopen ten hoogste 26 uren van 60 minuten en omvatten : 1° de onderwijsprestatie die binnen het kader van de betrokken lestijd moet worden geleverd;2° het toezicht opgelegd aan het personeelslid door de inrichtende macht tijdens het tijdperk bepaald in artikel 22, § 2, lid 2;3° het toezicht dat vrijwillig en na overleg met de personeelsafvaardigingen door het personeelslid waargenomen wordt buiten het tijdperk bepaald in artikel 22, § 2, lid 2;4° het toezicht tijdens het middaguur dat vrijwillig door het personeelslid waargenomen wordt buiten het tijdperk bepaald in artikel 22, § 2, lid 2, als geen financiële tegemoetkoming toegekend overeenkomstig artikel 30, § 1, leden 3 en 4, voor dit toezicht uitbetaald wordt;5° andere prestaties die door het personeelslid overeenkomstig artikel 97 van het decreet van 31 augustus 1998 betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor het gewoon onderwijs geleverd worden.

Art. 75.Kleuterafdeling De kleuterleider verstrekt 24 tot 28 lestijden.

Art. 76.Lagere school De onderwijzer verstrekt 24 tot 26 lestijden.

De bijzonder leermeester lichamelijke opvoeding en de leermeester godsdienst of niet-confessionele zedenleer verstrekken 24 tot 28 lestijden.

Art. 77.Toezicht tijdens het middaguur § 1. In het kader van het schoolproject kan de inrichtende macht haar scholen tijdens het middaguur openen.

In dit geval verplicht er de inrichtende macht zich toe het toezicht op de leerlingen te waarborgen. Te dien einde verkrijgt ze middelen zijdens de Regering.

De Regering bepaalt er de modaliteiten van. § 2. In afwijking van § 1, lid 2 verkrijgt de inrichtende macht geen financieel middel voor het toezicht gehouden tijdens het middaguur door een lid van het onderwijzend personeel in het kader van zijn werktijd bepaald in artikel 74. HOOFDSTUK VIII. - Terugvorderingen en strafmaatregelen Afdeling 1. - Terugvorderingen

Art. 78.Principe De wedden, weddetoelagen en werkingstoelagen die ten onrechte werden uitbetaald, worden door de Regering teruggevorderd.

Gaat het om werkingstoelagen die ten onrechte werden uitbetaald, dan kan de terugvordering gebeuren d.m.v. een inhouding op de nog uit te betalen werkingstoelagen.

Art. 79.Verjaring De mogelijkheid om tot de terugvordering over te gaan die in artikel 78, lid 1 bedoeld is, verjaart binnen de twee jaar vanaf 1 januari volgend op de uitbetaling.

In afwijking van het eerste lid beloopt de verjaringstermijn 30 jaar, indien de uitbetaalde wedden of toelagen berekend zijn op basis van bedrieglijke daden of valse gegevens. Afdeling 2. - Strafmaatregelen

Art. 80.Inhouding van de werkingstoelagen § 1 Onverminderd de toepassing van artikel 78 worden volgende overtredingen gestraft : 1° het niet-bestaan van een opvoedingsproject dat met toepassing van artikel 16 van het decreet van 31 augustus 1998 betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor het gewoon onderwijs dient te worden uitgewerkt;2° het niet-bestaan van een schoolproject dat met toepassing van artikel 20 van het decreet van 31 augustus 1998 betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor het gewoon onderwijs dient te worden uitgewerkt;3° het niet-bestaan van een schoolreglement dat met toepassing van artikel 40 van het decreet van 31 augustus 1998 betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor het gewoon onderwijs dient te worden vastgelegd;4° de niet-oprichting van een pedagogische raad die met toepassing van artikel 48 van het decreet van 31 augustus 1998 betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor het gewoon onderwijs dient te worden ingesteld. § 2. Na waarschuwing tijdens de overtreding neemt de strafmaatregel opgelegd aan de inrichtende macht waarbij één der overtredingen vermeld in § 1 werd vastgesteld de vorm van een voorlopige inhouding op de nog niet uitbetaalde werkingstoelagen aan.

Het bedrag van de inhouding mag 20% van de werkingstoelagen niet overschrijden die de school waarin de overtreding werd vastgesteld voor het lopende schooljaar zou moeten verkrijgen.

Art. 81.Terugvordering van werkingstoelagen § 1. Onverminderd de toepassing van artikel 78 worden volgende overtredingen gestraft : 1° de niet-naleving van de bepalingen inzake oneerlijke praktijken vermeld in artikel 19, § 2 van het decreet van 31 augustus 1998 betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor het gewoon onderwijs;2° de niet-naleving van het principe van de kosteloze toegang tot het lager onderwijs met toepassing van artikel 32 van het decreet van 31 augustus 1998 betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor het gewoon onderwijs;3° de niet-naleving van de principes qua tuchtprocedure, vermeld in de artikelen 42 tot 45 van het decreet van 31 augustus 1998 betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor het gewoon onderwijs;4° de niet-naleving van de bepalingen betreffende de duur van een schooljaar alsmede de verlof- en vakantieregeling opgenomen in de artikelen 57 tot 60 van het decreet van 31 augustus 1998 betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor het gewoon onderwijs;5° de niet-naleving van de toelatingsvoorwaarden opgenomen in de artikelen 5 tot 13 en 15;6° de misbruiken bij de aanwending van de werkingstoelagen bedoeld in de artikelen 27 tot 30;7° de misbruiken bij de berekening van het aantal regelmatige leerlingen van het lager en kleuteronderwijs in het kader van de oprichting, de handhaving en de sluiting van scholen;8° de misbruiken bij de berekening en de aanwending van het betrekkingenpakket; § 2. De strafmaatregel opgelegd aan de inrichtende macht waarbij één der overtredingen vermeld in § 1 is vastgesteld, neemt de vorm van een terugvordering van de al uitbetaalde werkingstoelagen aan.

De terugvordering mag 20% van de werkingstoelagen niet overschrijden die de school waarin de overtreding is vastgesteld voor het vorige schooljaar heeft verkregen.

Art. 82.Procedure De Regering bepaalt de nadere modaliteiten volgens welke de overtredingen vastgesteld en de strafmaatregelen opgelegd worden. Deze procedure voorziet in voldoende mogelijkheden om beroep in te stellen. HOOFDSTUK IX. - Opheffings-, wijzigings- en overgangsbepalingen

Art. 83.Worden opgeheven 1° de artikelen 13, 14 en 15 van de wetten op het lager onderwijs, gecoördineerd op 20 augustus 1957;2° artikel 2, lid 2 van de wet van 11 juli 1969 betreffende het pensioen van sommige leden van het personeel van het onderwijs van de Staat en van het gesubsidieerd onderwijs;3° artikel 4 van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht;4° het decreet van 30 juni 1997 houdende oprichting, handhaving, sluiting en organisatie van het gewoon basisonderwijs op basis van een betrekkingenpakket, gewijzigd bij het decreet van 31 augustus 1998;5° het koninklijk besluit van 2 december 1969 tot vaststelling van de normen voor de schepping van betrekkingen van rekenplichtig correspondent en geselecteerd rekenplichtig correspondent in de inrichtingen van het Rijksonderwijs;6° het koninklijk besluit van 31 augustus 1971 genomen ter uitvoering van artikel 2 der wet van 11 juli 1969 betreffende het pensioen van sommige leden van het personeel van het onderwijs van de Staat en van het gesubsidieerd onderwijs;7° het koninklijk besluit van 28 januari 1971 genomen ter uitvoering van artikel 2 der wet van 11 juli 1969 betreffende het pensioen van sommige leden van het personeel van het onderwijs van de Staat en van het gesubsidieerd onderwijs;8° het besluit van de Executieve van 12 juni 1990 tot vaststelling van de normen voor de schepping van betrekkingen van rekenplichtig correspondent en geselecteerd rekenplichtig correspondent in de vrije gesubsidieerde autonome inrichtingen voor basisonderwijs, wanneer het schoolhoofd niet volledig van het houden van een klas vrijgesteld is. § 2. Worden opgeheven wat het gewoon basisonderwijs betreft : 1° de artikelen 24, 25, 28, 35, 36, § 1 en 37 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving;2° artikel 1, § 4, 1° en 2° van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht;3° het decreet van 18 april 1994 tot vaststelling van het bedrag van de werkingstoelagen voor het gesubsidieerd onderwijs, gewijzigd bij het decreet van 4 maart 1996. § 3. Artikel 6 van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht zal, wat het gewoon basisonderwijs betreft, op een door de Regering vastgelegde datum worden opgeheven.

Art. 84.Overgangsbepaling met het oog op de uitreiking van het bewijs van basisonderwijs door erkende scholen Tot de inwerkingtreding van artikel 26 kunnen de krachtens artikelen 23 tot 25 erkende scholen het bewijs van basisonderwijs uitreiken dat in artikel 6 van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht bedoeld is. HOOFDSTUK X. - Inwerkingtreding

Art. 85.Inwerkingtreding De bepalingen van dit decreet treden in werking op 20 augustus 1999, met uitzondering van de artikelen 6 en 70 die op 1 september 1998 uitwerking hebben en van de artikelen 16, 17, 18, 19, 23, 9°, 26, 80, 81 en 82 die op een door de Regering vastgelegde datum in werking zullen treden.

Kondigen dit decreet af en bevelen dat het door het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Eupen, 26 april 1999.

J. MARAITE, Minister-President van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap, Minister van Financiën, Internationale Betrekkingen, Gezondheid, Gezin en Bejaarden, Sport en Toerisme K.-H. LAMBERTZ, Minister van Jeugd, Vorming, Media en Sociale Aangelegenheden W. SCHRÖDER, Minister van Onderwijs, Cultuur, Wetenschappelijk Onderzoek, Monumenten en Landschappen _______ Nota (1) Zitting 1998-1999 : Bescheiden van de Raad : 132 (1998-1999), nr.1. Ontwerp van decreet. 132 (1998-1999), nrs. 2-4. Amendementsvoorstel. 132 (1998-1999), nr. 5. Verslag;

Integraal verslag. - Bespreking en aanneming. Vergadering van 26 april 1999.

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^