Etaamb.openjustice.be
Decreet van 26 maart 2004
gepubliceerd op 12 mei 2004

Decreet tot wijziging van de wet van 10 maart 1980 betreffende het verlenen van de eretitel van hun ambt aan de burgemeesters, aan de schepenen en aan de voorzitters van de raden van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of van de gewezen commissies van openbare onderstand

bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
numac
2004035668
pub.
12/05/2004
prom.
26/03/2004
ELI
eli/decreet/2004/03/26/2004035668/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

26 MAART 2004. - Decreet tot wijziging van de wet van 10 maart 1980 betreffende het verlenen van de eretitel van hun ambt aan de burgemeesters, aan de schepenen en aan de voorzitters van de raden van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of van de gewezen commissies van openbare onderstand (1)


Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, regering, bekrachtigen hetgeen volgt : decreet tot wijziging van de wet van 10 maart 1980 betreffende het verlenen van de eretitel van hun ambt aan de burgemeesters, aan de schepenen en aan de voorzitters van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of van de gewezen commissies van openbare onderstand.

Artikel 1.Dit decreet regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid.

Art. 2.In artikel 1 van de wet van 10 maart 1980 betreffende het verlenen van de eretitel van hun ambt aan de burgemeesters, aan de schepenen en aan de voorzitters van de raden van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of van de gewezen commissies van openbare onderstand, wordt het tweede lid, gewijzigd bij wet van 10 februari 2000, vervangen door wat volgt : « Evenzo kan een aftredende burgemeester, die zijn ambt gedurende ten minste zes jaar in eenzelfde gemeente heeft uitgeoefend en wiens gedrag onberispelijk is geweest, de Vlaamse regering verzoeken hem de eretitel van zijn ambt te verlenen, op voorwaarde dat hij in dezelfde gemeente aansluitend aan zijn ambt, ofwel ervoor en/of erna ten minste zes jaar een schepenambt bekleed heeft, ofwel ervoor en/of erna ten minste twaalf jaar een mandaat als gemeenteraadslid bekleed heeft. ».

Art. 3.In artikel 4 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het tweede lid, gewijzigd bij wet van 10 februari 2000, wordt vervangen door wat volgt : « Evenzo kan een aftredende schepen, die zijn ambt gedurende ten minste zes jaar in eenzelfde gemeente heeft uitgeoefend en wiens gedrag onberispelijk is geweest, door de gemeenteraad gemachtigd worden de eretitel van zijn ambt te voeren, op voorwaarde dat hij in dezelfde gemeente aansluitend aan zijn ambt, ofwel ervoor en/of erna ten minste twaalf jaar een mandaat als gemeenteraadslid bekleed heeft. »; 2° het laatste lid wordt vervangen door wat volgt : « Buiten de anciënniteit die de betrokken mandatarissen hebben verkregen als schepen, kunnen zij ook de daaraan aansluitende jaren doen gelden gedurende welke zij, voor of na hun ambt als schepen, in dezelfde gemeente een mandaat van burgemeester zouden hebben uitgeoefend of van voorzitter van de commissie van openbare onderstand of van voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.».

Art. 4.In artikel 5 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° na het eerste lid wordt een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt : « Evenzo kan een aftredende voorzitter, die zijn ambt gedurende ten minste zes jaar in dezelfde gemeente heeft uitgeoefend en wiens gedrag onberispelijk is geweest, door de raad voor maatschappelijk welzijn gemachtigd worden de eretitel van zijn ambt te voeren, op voorwaarde dat hij in dezelfde gemeente aansluitend aan zijn ambt, ofwel ervoor en/of erna ten minste twaalf jaar een mandaat als lid van de raad voor maatschappelijk welzijn bekleed heeft.»; 2° het laatste lid wordt vervangen door wat volgt : « Buiten de anciënniteit die de betrokken mandatarissen hebben verkregen als voorzitter, kunnen zij ook de daaraan aansluitende jaren doen gelden gedurende welke zij, voor of na hun ambt als voorzitter, in dezelfde gemeente of gedeelten van gemeenten, bedoeld in de artikelen 3 en 4 van deze wet, een mandaat van burgemeester of van schepen zouden hebben uitgeoefend.».

Art. 5.In artikel 5bis van dezelfde wet, ingevoegd bij wet van 4 juli 2001, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt : « Een aftredend gemeenteraadslid of een aftredend lid van de raad voor maatschappelijk welzijn, dat gedurende ten minste achttien jaar in dezelfde gemeenteraad of raad voor maatschappelijk welzijn zitting heeft gehad en wiens gedrag onberispelijk is geweest, kan door de gemeenteraad of de raad voor maatschappelijk welzijn tot het voeren van de eretitel van zijn mandaat worden gemachtigd. ».

Art. 6.In artikel 6 van dezelfde wet, gewijzigd bij wet van 4 juli 2001, worden de woorden « of OCMW-raadslid » vervangen door de woorden « of lid van de raad voor maatschappelijk welzijn ».

Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Brussel, 26 maart 2004.

De minister-president van de Vlaamse regering, B. SOMERS De Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken, P. VAN GREMBERGEN _______ Nota (1) Zitting 2003-2004. Stukken. - Voorstel van decreet : 1862-Nr. 1. - Verslag : 1862-Nr. 2. - Tekst aangenomen door de plenaire vergadering : 1862-Nr. 3.

Handelingen. - Bespreking en aanneming : Middagvergadering van 17 maart 2004.

^