Etaamb.openjustice.be
Decreet van 30 april 2004
gepubliceerd op 07 juni 2004

Decreet tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin

bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
numac
2004035799
pub.
07/06/2004
prom.
30/04/2004
ELI
eli/decreet/2004/04/30/2004035799/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

30 APRIL 2004. - Decreet tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin (1)


Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : Decreet tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.

Art. 2.In dit decreet wordt verstaan onder : 1° het kaderdecreet : het kaderdecreet Bestuurlijk Beleid van 18 juli 2003;2° kinderopvang : de voorschoolse opvang van kinderen en de buitenschoolse opvang van kinderen in al zijn vormen;3° preventieve gezinsondersteuning : de dienstverlening aan jonge kinderen en de gezinnen waarin ze opgroeien, of aan toekomstige gezinnen, op het vlak van de preventieve gezondheidszorg en op sociaal-pedagogisch vlak.De preventieve gezinsondersteuning heeft aandacht voor de leefomgeving van het kind en in eerste instantie gericht op gezinnen met kinderen, jonger dan drie jaar; 4° gezin : primaire leefvormen of samenlevingsvormen waarin meerdere personen min of meer duurzame relaties onderhouden;5° voorzieningen : elke organisatievorm die de ondersteuning organiseert en/of verleent. HOOFDSTUK II. - Oprichting

Art. 3.Er wordt een intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid opgericht als bedoeld in artikel 10 van het kaderdecreet.

Dit agentschap draagt als naam Kind en Gezin, hierna het agentschap genoemd.

De Vlaamse regering bepaalt tot welk homogeen beleidsdomein het agentschap behoort.

De Vlaamse regering bepaalt de vestigingsplaats van het agentschap.

De bepalingen van het kaderdecreet zijn van toepassing op het agentschap. HOOFDSTUK III. - Missie en taken

Art. 4.§ 1. Het agentschap heeft als missie, samen met zijn partners, voor elk kind, waar en hoe het ook geboren is of opgroeit, zoveel mogelijk kansen te creëren. § 2. Bij het uitvoeren van zijn missie stelt het agentschap het respect voor de rechten van het kind en voor diversiteit centraal.

Het neemt bij de uitoefening van zijn taak de optimale ontwikkeling van het kind en de verantwoordelijkheid en mogelijkheden van de ouders als uitgangspunt. § 3. Het agentschap en de aangestuurde voorzieningen eerbiedigen bij hun optreden de ideologische, filosofische en godsdienstige overtuiging van de personen tot wie zij zich richten.

Art. 5.De kerntaak van het agentschap omvat de regie van de kinderopvang en de organisatie van de preventieve gezinsondersteuning.

Art. 6.§ 1. De taak inzake de regie van de kinderopvang omvat in elk geval : 1° de registratie van elk opvanginitiatief;2° het onder al zijn vormen stimuleren en toelaten van opvanginitiatieven;3° de bevordering van de kwaliteit van opvanginitiatieven;4° de programmatie op operationeel niveau, op lokaal en regionaal vlak en op het vlak van de Vlaamse Gemeenschap;5° de informatie aan ouders en toekomstige ouders. § 2. Het agentschap beoogt inzake kinderopvang een zo goed mogelijk antwoord te bieden aan de behoeften van gezinnen, vooral in het kader van de afstemming gezin-arbeid, met bijzondere aandacht voor de gezinnen met bijzondere opvangbehoeften.

Art. 7.§ 1. De taak van het agentschap inzake de organisatie van de preventieve gezinsondersteuning omvat in elk geval : 1° het informeren en adviseren van gezinnen en toekomstige ouders voor gezondheid, ontwikkeling, opvoeding, voeding en veiligheid van kinderen;2° het opvolgen, detecteren en signaleren van risico's inzake gezondheid, ontwikkeling en opvoeding van kinderen, waaronder de detectie van kindermishandeling en het screenen van gehoor en zicht;3° de preventieve gezondheidszorg met betrekking tot het jonge kind, in het bijzonder het promoten, toedienen en opvolgen van vaccinaties;4° de ondersteuning van gezinnen en toekomstige ouders met specifieke behoeften inzake gezondheid, ontwikkeling en opvoeding, waaronder huilen, slapen, eten en interactie ouders-kinderen. § 2. Het agentschap beoogt met de preventieve gezinsondersteuning een zo groot mogelijk bereik bij kinderen en gezinnen, maar richt zich tegelijkertijd intensief naar gezinnen met specifieke behoeften.

Onder gezinnen met specifieke behoeften wordt onder meer verstaan : kansarme gezinnen, vluchtelingengezinnen, gezinnen met kinderen met een handicap, éénoudergezinnen en gezinnen met een meerling.

Het agentschap kan zijn dienstverlening inzake preventieve gezinsondersteuning eveneens richten naar de opvanginitiatieven, als bedoeld in artikel 6.

Art. 8.§ 1. Naast de kerntaken, vermeld in artikel 5, neemt het agentschap ook taken op inzake crisisopvang van jonge kinderen, inzake verstoorde opvoedingssituaties en inzake hulpverlening bij kindermishandeling.

Het agentschap stemt deze taken af op het beleid inzake integrale jeugdzorg. § 2. Binnen het kader van de missie en de taken van het agentschap kan de Vlaamse regering specifieke opdrachten aan het agentschap toewijzen.

Art. 9.Onverminderd de behandeling van klachten over de eigen werking en dienstverlening zoals bepaald in het decreet van 1 juni 2001 houdende toekenning van een klachtrecht ten aanzien van bestuursinstellingen moet het agentschap klachten tegen partners en door hen geregistreerde voorzieningen opnemen en behandelen.

Art. 10.Het agentschap voert de taken, vermeld in artikel 5, 6, 7 en 8, voorzover het om beleidsuitvoerende taken gaat, uit in samenhang met : 1° het door andere beleidsdomeinen en beleidsniveaus gevoerde beleid;2° het door de Vlaamse Gemeenschap gevoerde beleid inzake welzijn en gezondheid. Het agentschap ontwikkelt terreinexpertise met betrekking tot de taken, vermeld in artikelen 5, 6, 7 en 8.

Het agentschap zal de verworven kennis en expertise ter beschikking stellen van de beleidsondersteuning als bedoeld in artikel 4, § 1, van het kaderdecreet.

Het agentschap zal haar dienstverlening permanent optimaliseren en vernieuwen op basis van actuele ontwikkelingen inzake kennis en expertise.

Het agentschap registreert en verwerkt alle gegevens, met inbegrip van persoonsgegevens met betrekking tot zijn cliënteel, die noodzakelijk zijn om : 1° de taken, bedoeld in artikelen 5, 6, 7 en 8 uit te voeren;2° de beleidsgerichte input als bedoeld in artikel 4, § 3, van het kaderdecreet te leveren. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot de gegevensregistratie en verwerking, onverminderd de toepassing van de regelgeving tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer voor de verwerking van de persoonsgegevens.

Art. 11.Het agentschap werkt voor de realisatie van zijn taken samen en sluit samenwerkingsakkoorden af met overheden, instanties, instellingen, diensten en verenigingen die op het vlak van de toegewezen taken actief zijn.

Inzake kinderopvang werkt het agentschap voor de lokale programmatie op structurele wijze samen met lokale actoren, waaronder de lokale besturen.

Inzake preventieve gezinsondersteuning werkt het agentschap in partnership met organisaties of instanties die consultatiebureaus organiseren, alsook met ziekenhuizen voor informatieverstrekking aan zwangeren en kraambezoeken aan pas bevallen moeders. Daartoe heeft het agentschap toegang tot de kraaminrichtingen middels een samenwerkingsakkoord vanuit het oogpunt van de continuïteit van zorg en rekening houdende met de medische noodwendigheden, met de deontologie en de privacy.

Art. 12.De Vlaamse regering kan binnen het kader van de taak van het agentschap, vermeld in artikelen 5, 6, 7 en 8 nadere regels bepalen met betrekking tot de normen en de voorwaarden om initiatieven toe te staan en of te subsidiëren, met dien verstande dat de toelatings- en/of erkenningsbeslissing bij het agentschap berust.

Art. 13.§ 1. Het agentschap kan voor het realiseren van zijn doelstellingen, al of niet binnen het kader van de regels, vermeld in artikel 12, alle mogelijke activiteiten van welke aard ook ontwikkelen, opzetten en realiseren. § 2. Inzake kinderopvang behelst dit onder meer het uitreiken van vergunningen, attesteren, erkennen, subsidiëren of financieren, dossierbeheer, vorming en onderzoek, met uitsluiting van het zelf verlenen van kinderopvang en de inspectie van voorzieningen voor kinderopvang. § 3. Inzake preventieve gezinsondersteuning behelst dit onder meer erkennen, subsidiëren of financieren, dossierbeheer, afsluiten van overeenkomsten, huisbezoeken, bezoeken van de bevallen moeders in de kraaminrichting (kraambezoeken), consulten en pedagogische spreekuren, met uitsluiting van de inspectie van erkende voorzieningen. HOOFDSTUK IV. - Meldingsplicht kinderopvang

Art. 14.Behalve als het ouders of verwanten tot en met de vierde graad betreft, is iedereen die op bestendige wijze en al dan niet tegen betaling, kinderen beneden de twaalf jaar opvangt, verplicht dat aan het agentschap mee te delen. De Vlaamse regering bepaalt wat onder opvang op bestendige wijze wordt verstaan.

Deze mededeling heeft tot gevolg dat de door de Vlaamse regering aangewezen inspectiediensten tijdens de opvangmomenten toegang hebben tot alle plaatsen of ruimten die voor de opvang bestemd zijn of ermee in verband staan.

De Vlaamse regering bepaalt de voorwaarden van de verplichting tot mededeling en van de toegang. De Vlaamse regering legt vast wie van de meldingsplicht wordt vrijgesteld op basis van een erkenning binnen de voor de opvangcapaciteit in kwestie geldende regelgeving.

Art. 15.Elke persoon die niet door de Vlaamse regering van de meldingsplicht is vrijgesteld en die kinderen beneden de twaalf jaar op bestendige wijze opvangt zonder dat aan het agentschap mee te delen, of elke persoon die de toegang vermeld in artikel 14, tweede lid, weigert, wordt gestraft met een geldboete van 0,64 tot 12,39 euro. HOOFDSTUK V. - Bestuur en werking

Art. 16.De Vlaamse regering regelt de werking van het agentschap voor zover deze regeling geen afbreuk doet aan de in het kaderdecreet of in voorliggend oprichtingsdecreet vastgelegde beslissings- en beleidsstructuur.

Art. 17.Het agentschap stelt alle gevraagde gegevens ter beschikking van de entiteit die door de Vlaamse regering is aangewezen voor de inspectie. Tussen het agentschap en die entiteit wordt een samenwerkingsovereenkomst gesloten.

De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot die samenwerkingsovereenkomst. HOOFDSTUK VI. - Raadgevend comité

Art. 18.Bij het agentschap wordt een raadgevend comité opgericht, dat advies verstrekt op verzoek van het hoofd van het agentschap. Het raadgevend comité verstrekt tevens op eigen initiatief advies over alle aangelegenheden die van belang zijn voor de taken van het agentschap.

Art. 19.Het raadgevend comité is samengesteld uit een gelijke vertegenwoordiging van de volgende maatschappelijke geledingen van het beleidsveld : 1° de kinderen en de gezinnen;2° de voorzieningen die op de vermelde taakgebieden werkzaam zijn;3° de werknemers van de voorzieningen. Deze vertegenwoordigers worden benoemd op voordracht van de representatieve middenveldorganisaties van de genoemde geledingen.

In het raadgevend comité kunnen ook andere, door de Vlaamse regering aan te wijzen personen, zitting hebben, alsook onafhankelijke deskundigen op het werkterrein van het agentschap.

Het lidmaatschap van het raadgevend comité is onverenigbaar met de hoedanigheid van personeelslid van het agentschap.

De Vlaamse regering stelt de nadere regels voor de samenstelling van het raadgevend comité vast, en kan voor de leden ervan een vergoeding bepalen. De leden worden door de Vlaamse regering voor een periode van vier jaar benoemd.

Het raadgevend comité stelt een huishoudelijk reglement op en legt het ter goedkeuring voor aan de Vlaamse regering. Het reglement stelt de praktische werking vast, de deontologie, de informatie- en rapporteringsopdracht van het comité, en de aard van de dossiers en rapporten die aan het raadgevend comité voorgelegd moeten worden. HOOFDSTUK VII. - Financiële middelen

Art. 20.Het agentschap kan beschikken over de volgende ontvangsten : 1° dotaties;2° schenkingen en legaten in speciën;3° inkomsten uit eigen participaties en uit door het agentschap verstrekte leningen aan derden;4° opbrengsten uit de verkoop van eigen participaties;5° ontvangsten voortvloeiend uit daden van beheer of beschikking met betrekking tot eigen domeingoederen;6° de subsidies waarvoor het agentschap in aanmerking komt;7° de opbrengst uit sponsoring;8° de terugvordering van ten onrechte verrichte betalingen;9° vergoedingen voor prestaties aan derden, volgens de voorwaarden, van de beheersovereenkomst, in het bijzonder de bijdragen van ouders of derden in de kostprijs van diensten;10° retributies voorzover ze bij het decreet zijn toegewezen aan het agentschap;11° leningen. Tenzij anders is bepaald in een decreet worden de ontvangsten, genoemd in het eerste lid, beschouwd als ontvangsten die bestemd zijn voor de gezamenlijke uitgaven.

Art. 21.Het agentschap kan schenkingen of legaten aanvaarden. Het hoofd van het agentschap beoordeelt vooraf de opportuniteit en de risico's die aan de aanvaarding verbonden zijn.

Art. 22.Het agentschap wordt gemachtigd om een reservefonds aan te leggen. In de begroting situeert het reservefonds zich op het niveau van de totaliteit van het agentschap.

Het agentschap mag de middelen in het reservefonds voor de volgende taken aanwenden : 1° voor de taken, bedoeld in artikelen 5, 6, 7 en 8, § 1, en voor de taken die de Vlaamse regering met toepassing van artikel 8, § 2, aan het agentschap opdraagt;2° voor het verwerven en beheren van patrimonium dat wordt aangewend voor de realisatie van de taken, bedoeld in artikelen 5, 6, 7 en 8, § 1, en van de taken die de Vlaamse regering met toepassing van artikel 8, § 2, aan het agentschap opdraagt. Het spijzen van het reservefonds is afhankelijk van een machtiging door het Vlaams Parlement in de jaarlijkse begroting. Die machtiging kan enkel betrekking hebben op dat deel van de uitgavenkredieten dat in de begroting aan het agentschap wordt toegekend en dat in het begrotingsjaar zelf niet wordt aangewend. HOOFDSTUK IX. - Coördinatie

Art. 23.§ 1. De Vlaamse regering wordt ermee belast de bestaande wets- en decreetsbepalingen te wijzigen, aan te vullen, te vervangen of op te heffen, om ze in overeenstemming te brengen met de bepalingen van dit decreet en van het kaderdecreet.

De besluiten die hiertoe worden vastgesteld, houden op uitwerking te hebben indien zij niet bij decreet zijn bekrachtigd binnen negen maanden na de datum van hun inwerkingtreding. De bekrachtiging werkt terug tot deze laatste datum.

De bevoegdheid die hiertoe aan de Vlaamse regering, is opgedragen, vervalt negen maanden na de inwerkingtreding van dit decreet. Na die datum kunnen de besluiten die krachtens deze paragraaf zijn vastgesteld en zijn bekrachtigd, alleen bij een decreet worden gewijzigd, aangevuld, vervangen of opgeheven. § 2. De Vlaamse regering kan de bepalingen van de decreten betreffende Kind en Gezin coördineren, alsook de bepalingen die daarin uitdrukkelijk of stilzwijgend wijzigingen hebben aangebracht tot het tijdstip van de coördinatie. Te dien einde kan zij : 1° de te coördineren bepalingen anders inrichten, inzonderheid opnieuw ordenen en vernummeren;2° de verwijzingen in de te coördineren bepalingen dienovereenkomstig vernummeren;3° de te coördineren bepalingen met het oog op onderlinge overeenstemming en eenheid van terminologie herschrijven, zonder te raken aan de erin neergelegde beginselen. De coördinatie treedt pas in werking nadat ze bij decreet is bekrachtigd. HOOFDSTUK IX. - Taalregeling

Art. 24.Opdat een voorziening erkend of gesubsidieerd kan worden, dient al het personeel in dienst van de voorziening een grondige kennis van het Nederlands te hebben.

Deze kennis blijkt uit het diploma of studiegetuigschrift van het genoten onderwijs.

Als de in het eerste lid bedoelde persoon geen diploma of getuigschrift kan voorleggen, zal zijn grondige kennis van het Nederlands worden bewezen door een examen als bedoeld in artikel 53 van de bij koninklijk besluit van 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken.

Art. 25.Van de bepalingen van artikel 24 kan worden afgeweken voor de personen van opgerichte, erkende of gesubsidieerde voorzieningen met of die ten dienste staan van allochtone kinderen en gezinnen. De afwijkingen worden op voorstel van het agentschap toegestaan door de Vlaamse regering. HOOFDSTUK X. - Slotbepalingen

Art. 26.De volgende regelingen wordt opgeheven : het decreet van 29 mei 1984 houdende oprichting van de instelling Kind en Gezin, gewijzigd bij decreet van 03/05/1989, decreet van 23/02/1994, decreet van 24/06/1997, decreet van 15/07/1997, decreet van 07/07/1998 en decreet van 09/03/2001; het artikel 30 van het decreet van 22 november 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 1995.

Art. 27.Het opheffen van het artikel 30 van het decreet van 22 november 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 1995 gebeurt slechts met dien verstande dat het saldo van het erin bedoelde reservefonds integraal overgaat naar het middels artikel 22 van voorliggend decreet nieuw opgerichte reservefonds.

Art. 28.Voor de huidige titularis van de rang A2L van de rechtsvoorganger van het agentschap wordt een functie van adjunct - genoemd algemeen directeur - voorzien, tot hij aangesteld wordt in een andere functie of het agentschap of zijn rechtsvoorganger verlaat.

Art. 29.Behoudens andersluidende bepalingen, worden de begroting en rekeningen opgemaakt en goedgekeurd en de controle door het Rekenhof uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op de instellingen van openbaar nut van categorie A.

Art. 30.De Vlaamse regering bepaalt de datum waarop dit decreet in werking treedt.

Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Brussel, 30 april 2004.

De minister-president van de Vlaamse regering, B. SOMERS De Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen A. BYTTEBIER _______ Nota (1) Zitting 2003-2004. Stukken. - Ontwerp van decreet : 2103-Nr. 1. - Amendementen : 2103-Nr. 2. - Verslag van het Rekenhof : 2103-Nr.3. - Amendementen : 2103-Nrs. 4 en 5. - Verslag : 2103-Nr. 6. - Amendementen : 2103-Nr. 7. - Tekst aangenomen door de plenaire vergadering : 2103-Nr. 8.

Handelingen. - Bespreking en aanneming. Vergaderingen van 21 april 2004.

^