Decreet van 30 april 2009
gepubliceerd op 18 juni 2009

Decreet betreffende de informatie, de coördinatie en de organisatie van de werven onder, op of boven de wegen of waterlopen

bron
waalse overheidsdienst
numac
2009202577
pub.
18/06/2009
prom.
30/04/2009
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

30 APRIL 2009. - Decreet betreffende de informatie, de coördinatie en de organisatie van de werven onder, op of boven de wegen of waterlopen (1)


Het Waals Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : TITEL I. - Algemeen HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.Voor de toepassing van dit decreet dient te worden verstaan onder : 1° "werf" : ieder geïsoleerd werk of elk geheel van werken die uitgevoerd worden onder, op of boven de weg of een waterloop of de plaats van hun uitvoering;2° "opdrachtgever" : de natuurlijke of rechtspersoon, die de grond of de ondergrond van de weg of van de waterloop gebruikt en die het initiatief tot werken onder, op of boven de weg of een waterloop neemt en die deze werken uitvoert of laat uitvoeren;3° "bouwheer" : de natuurlijke of rechtspersoon die voor het onderzoek, het ontwerpen of de leiding van de uitvoering van de werken onder, op of boven een weg of een waterloop zorgt;4° "weg" : de openbare landweg, met inbegrip van welke die in het openbaar domein opgenomen moet worden, samengesteld uit iedere plaats of iedere weg bestemd voor openbaar verkeer, met welke verplaatsingsmodus dan ook, net als de aanhorigheden en de boven- en ondergrondse ruimtes ervan;5° "waterloop" : een waterweg of een kanaal of een onbevaarbare waterloop en de aanhorigheden ervan;6° "beheerder" : de openbare overheid waaronder de weg of de waterloop ressorteert, waaronder, waarop of waarboven de werken worden uitgevoerd;7° "leidende en coördinerende persoon" : de natuurlijke of rechtspersoon aangewezen krachtens artikel 15, belast met de coördinatie, de uitvoering en de indiening van een dossier betreffende de aanvraag om machtiging tot uitvoering van een werf alsmede de organisatie van de uitvoering van een werf wanneer verschillende natuurlijke of rechtspersonen bedoeld in artikel 8 van mening zijn een werf uit te voeren op dezelfde plaats;8° "zending" : elke wijze van verzending en ontvangst waarbij een vaststaande datum aan de zending en aan de ontvangst ervan wordt verleend, ongeacht de gebruikte dienst van verzending van de post;9° "vergelijkingsplan" : het plan bedoeld in artikel 35 waarin de installaties gelegen onder, op of boven de weg of de waterloop worden vermeld;10° "systeem voor informatie-uitwisseling" : systeem dat de verzameling en de verspreiding van informatie nodig voor de uitvoering van dit decreet mogelijk maakt;11° "begunstigde van de machtiging tot uitvoering van een werf" : natuurlijke of rechtspersoon die werken wil uitvoeren en die alleen of via een leidende en coördinerende persoon een aanvraag heeft ingediend en die een machtiging tot uitvoering van een werf heeft gekregen overeenkomstig de procedure bedoeld in hoofdstuk IV van Titel II;12° "goede praktijkcode" : goede praktijkcode voor de voorkoming van schade aan de ondergrondse installaties ter gelegenheid van werken uitgevoerd bij die installaties, bijlage A-5 van het modelbestek van het Waalse Gewest inzake wegwerken RW99. HOOFDSTUK II. - De Commissie Afdeling 1. - De Commissie

Art. 2.Er wordt een Commissie voor de coördinatie van de werven opgericht, hierna de "Commissie" genoemd, die de volgende opdrachten heeft : 1° op initiatief of verzoek van ofwel de Regering, ofwel een beheerder, ofwel de natuurlijke of rechtspersonen bedoeld in artikel 8 die zich hebben doen kennen, opmerkingen formuleren, suggesties doen of algemene richtlijnen voorstellen met betrekking tot de informatie, de coördinatie en de organisatie van de werven op de wegen en waterlopen;2° het in artikel 7 bedoelde technisch comité controleren;3° de zendingen bedoeld in de artikelen 8, 11, 23, 37 en 47 in ontvangst nemen;4° de machtigingen afgeven voor de toegang tot het systeem voor informatie-uitwisseling bedoeld in artikel 43 en de beveiliging ervan controleren;5° de contacten met de Staat en de andere deelgebieden verzekeren in het kader van de toepassing van dit decreet.

Art. 3.De Commissie bestaat uit : 1° één vertegenwoordiger van de Minister-President van de Waalse Regering;2° één vertegenwoordiger van de Minister bevoegd voor de Openbare Werken;3° één vertegenwoordiger van de Minister bevoegd voor het toezicht op de Plaatselijke Besturen;4° één vertegenwoordiger van de Minister bevoegd voor de Gesubsidieerde werken;5° één vertegenwoordiger van de Minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening;6° één vertegenwoordiger van de Minister bevoegd voor Leefmilieu;7° één vertegenwoordiger van de Minister bevoegd voor Cartografie;8° één vertegenwoordiger van de Minister bevoegd voor Energie;9° vijf vertegenwoordigers van de beheerders;10° acht vertegenwoordigers van de beheerders van communicatienetwerken, van vervoer, distributie en inzameling van vloeistoffen en energie;11° twee vertegenwoordigers van de actoren voor economische ontwikkeling die de uitvoering van nieuwe economische activiteiten, hun omschakeling of hun uitbreiding als maatschappelijk doel hebben;12° drie vertegenwoordigers van de aannemers;13° twee leden van het technisch comité bedoeld in artikel 7.

Art. 4.Op de voordracht van de Ministers en instellingen bedoeld in artikel 8 benoemt de Regering de gewone en plaatsvervangende leden van de Commissie, die gehouden zijn tot een verplichting tot vertrouwelijkheid.

De benoeming van een lid van de Commissie eindigt in geval van vernieuwing van de Commissie of in geval van verlies van de hoedanigheid op grond waarvan het lid benoemd is.

Als een mandaat vacant is, wordt het plaatsvervangend lid gewoon lid.

Het plaatsvervangend lid wordt uiterlijk binnen twee maanden na de vacature vervangen.

Art. 5.De Commissie wordt voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Minister bevoegd voor het toezicht op de Plaatselijke Besturen.

Ze vergadert telkens als ze het nodig acht of op verzoek van minstens de helft van haar leden en minimum vier keer per jaar na schriftelijke oproeping van de voorzitter gericht minstens vijf dagen vóór de vergaderingsdatum.

Art. 6.De Commissie stelt haar huishoudelijk reglement vast op grond van de algemene beginselen die eerst bepaald zijn door de Regering.

Het huishoudelijk reglement wordt door de Regering goedgekeurd. Afdeling 2. - Het technisch comité

Art. 7.De Regering wordt ertoe gemachtigd om een technisch comité op te richten, dat belast is met de volgende opdrachten : 1° per gemeente de lijst opmaken van de natuurlijke of rechtpersonen bedoeld in artikel 8 die zich hebben doen kennen, alsmede de lijst van de door laatstgenoemden aangeduide eventuele contactpersonen, de lijst van de leidende en coördinerende personen voor elke werf alsmede de programmering van hun projecten bedoeld in artikel 11;2° gegevens betreffende de informatie over de werven en met name hun programmering, de machtigingen tot uitvoering en de maatregelen van ambtswege verzamelen en bijwerken in het in artikel 43 bedoelde systeem voor informatie-uitwisseling;3° de indiening van de informatie betreffende de bezetting van de weg en van de waterlopen, de in artikel 38 bedoelde vergelijkingsplannen controleren en de desbetreffende attesten afgeven;4° de raadpleging van de gegevens door de beheerders, de natuurlijke of rechtspersonen bedoeld in artikel 8 die zich hebben doen kennen, de opdrachtgevers, de aannemers van werken en de bouwheren die een belang aantonen, controleren en overgaan tot de materiële beveiligingshandelingen van het systeem voor informatie-uitwisseling;5° het secretariaat van de Commissie waarnemen, zorgen voor de opvolging van haar werken en haar verslag uitbrengen over zijn activiteiten. De Regering kan andere opdrachten toevertrouwen aan het technisch comité.

TITEL II. - Aan de uitvoering van een werf voorafgaande verplichtingen HOOFDSTUK I. - Verplichting om zich te doen kennen

Art. 8.De volgende natuurlijke of rechtspersonen zijn verplicht om zich binnen honderd twintig dagen na de inwerkingtreding van dit decreet bij de Commissie te doen kennen : 1° de exploitanten van telecommunicatienetwerken;2° de radio-teledistributieoperateurs;3° de energievervoerders en -verdelers;4° de vervoerders, de verdelers en de ophalers van vloeistoffen;5° de beheerders alsmede de rechtspersonen die van hen afhangen en die beschikken over het recht om de weg of de waterlopen te gebruiken om er werven uit te voeren;6° degenen die beschikken over het recht om de weg of de waterlopen te gebruiken om er werven uit te voeren; Elke natuurlijke of rechtspersoon bedoeld in het eerste lid is verplicht om zich te doen kennen binnen honderd twintig dagen na de datum waarop hij het recht krijgt om de weg of de waterlopen te gebruiken om er werven uit te voeren;

De Regering bepaalt de wijze waarop de natuurlijke of rechtspersonen bepaald in de vorige leden zich doen kennen bij de Commissie alsmede de informatie die hun moeten worden gestuurd.

Art. 9.De in artikel 8 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen die zich niet hebben doen kennen, mogen geen werf uitvoeren binnen drie jaar volgend op hun te laat ingediende verklaring.

De Regering kan de wettelijke redenen bepalen waarvoor kan worden afgeweken van het vorige lid. HOOFDSTUK II. - De programmering van de werven

Art. 10.De in artikel 8 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen bepalen de programmering van hun werven alvorens ze te coördineren.

De Regering maakt de lijst op van de werven en van de soorten werken die ervan vrijgesteld zijn te worden vermeld in de programmering wegens met name de dringende noodzakelijkheid, een beslissing van de gerechtelijke overheden die niet meer vatbaar is voor een beroep of wegens hun beperkt belang.

Art. 11.Geleidelijk en minstens 30 juni en 31 december van elk jaar sturen de natuurlijke of rechtspersonen bedoeld in artikel 8 de Commissie minstens de jaarlijkse programmering van hun werfprojecten rekening houdende met hun eigen verplichtingen.

De Regering bepaalt de vorm en de inhoud van die programmering. HOOFDSTUK III. - De coördinatie van de werven Afdeling 1. - Algemeen

Art. 12.De in artikel 8 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen coördineren hun werf door met name de orde van uitvoering van de werken, de opening en de sluiting van de werf gezamenlijk te bepalen.

De Regering maakt de lijst op van de werven en van de soorten werken die vrijgesteld zijn van coördinatie wegens met name het soort werven, de dringende noodzakelijkheid, een beslissing van de gerechtelijke overheden die niet meer vatbaar is voor een beroep, een ingebrekestelling van de Europese Commissie wanneer de coördinatieprocedure de uitvoering van de werken binnen de door het Europees recht voorgeschreven termijn onmogelijk maakt, of wegens hun beperkt belang.

Art. 13.§ 1. Behoudens behoorlijk gemotiveerde afwijking van de beheerder mag geen werf onderworpen aan een coördinatie gedurende een termijn van twee jaar uitgevoerd worden onder, op of boven het gedeelte van de weg of van een waterloop waar een gecoördineerde werf uitgevoerd is.

De in het eerste lid bedoelde termijn van twee jaar begint te lopen op de datum van de in artikel 37 bedoelde verklaring van einde van werf. § 2. Het verbod is niet van toepassing op de in artikel 8, tweede lid, bedoelde natuurlijke of rechtspersonen die zojuist het recht hebben gekregen om de weg of de waterloop te gebruiken, voor elke werf geprogrammeerd of gecoördineerd op het moment waarop ze niet in staat waren om hun tussenkomst te melden, indien ze het recht tot gebruik van de weg of de waterloop niet hebben gekregen. Afdeling 2. - Procedure

Onderafdeling 1. - Coördinatieaanvraag

Art. 14.§ 1. De in artikel 8 bedoelde natuurlijke of rechtspersoon die een werf wil uitvoeren, hierna de coördinatieaanvrager genoemd, stuurt een coördinatieaanvraag aan de andere natuurlijke of rechtspersonen bedoeld in artikel 8, eerste lid, die zich hebben doen kennen, voor de omtrek betrokken bij de werf zoals bepaald door de Regering.

De Regering bepaalt bovendien de inhoud van die aanvraag en kan er de vorm van bepalen. § 2. De in artikel 8 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen die de coördinatieaanvraag hebben gekregen, beschikken over een termijn van tien dagen na ontvangst van de in § 1 bedoelde aanvraag om ze behoorlijk ingevuld terug te sturen, samen met de informatie over de installaties die in de bij de werf betrokken omtrek bestaan.

De vervaldag is inbegrepen in de in het eerste lid bedoelde termijn.

Wanneer die dag een zaterdag, een zondag of een verlofdag is, kan de vervaldag evenwel uitgesteld worden tot de volgende werkdag. § 3. Bij gebrek aan antwoord binnen de bovenvermelde termijn worden de in § 1 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen geacht geen werf onderworpen aan coördinatie uit te voeren tijdens de in artikel 13, § 1, bedoelde termijn.

Onderafdeling 2. - Aanwijzing van de leidende en coördinerende persoon

Art. 15.§ 1. De aanvrager van de coördinatie roept de natuurlijke en rechtspersonen die hun belang hebben aangetoond alsmede de beheerder(s) als ze niet deel uitmaken van die personen, voor een coördinatievergadering op. Ze wordt binnen tien dagen na het verstrijken van de in artikel 14, § 2, bedoelde termijn gehouden.

De vervaldag is inbegrepen in de in het eerste lid bedoelde termijn.

Wanneer die dag een zaterdag, een zondag of een verlofdag is, kan de vervaldag evenwel uitgesteld worden tot de volgende werkdag.

De Regering bepaalt de inhoud van de oproeping die met name een aanvraag om planmededeling omvat. Ze kan de vorm van de oproeping bepalen. § 2. Tijdens die vergadering wordt er met name in voorzien : - de door de verschillende interveniënten geplande werken en hun orde van uitvoering voor te stellen; - voor de opening en de sluiting van de werven te zorgen; - de plannen uit te wisselen; - een overeenkomst op te maken, die alle deelnemers en de leidende en coördinerende persoon verbindt; - de termijnen en de procedure die nageleefd moet worden voor de verschillende stappen voor de indiening van de aanvraag om machtiging tot uitvoering van een werf te bepalen; - in voorkomend geval, de termijn voor de indiening de aanvraag om machtiging tot uitvoering van een werf te bepalen. § 3. Tijdens die vergadering wordt een leidende en coördinerende persoon, die niet de bij de werf betrokken beheerder mag zijn, in onderlinge samenspraak door de aanwezige personen aangewezen. Hij handelt in hun naam.

Bij gebrek aan overeenstemming wordt de natuurlijke of rechtspersoon onder die bedoeld in § 1, met uitzondering van de betrokken beheerder, waarvan de werf over een langere periode wordt gepland, aangewezen als leidende en coördinerende persoon. § 4. Wanneer de werf één of meer werken onderworpen aan de artikelen L3341-2 en volgende van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie omvat, kan de plenaire voortonwerpvergadering bedoeld in artikel L3341-9 van hetzelfde wetboek op hetzelfde moment als de in § 1 bedoelde coördinatievergadering worden gehouden. HOOFDSTUK IV. - De machtiging tot uitvoering van een werf Afdeling 1. - Uitvoering van het dossier betreffende de aanvraag om

machtiging tot uitvoering van een werf Onderafdeling 1. - Uitvoering van het gezamenlijke dossier betreffende de aanvraag om machtiging tot uitvoering van een werf

Art. 16.§ 1. De leidende en coördinerende persoon maakt een proces-verbaal op van de coördinatievergadering, dat binnen zeven dagen na de vergadering aan het geheel van de aanwezige of opgeroepen partijen wordt gestuurd.

De Regering bepaalt de inhoud van het proces-verbaal. § 2. De op de coördinatievergadering aanwezige of opgeroepen personen sturen hun aangevraagde overeenstemming, opmerkingen of inlichtingen binnen zeven dagen na ontvangst van het in § 1 bedoelde proces-verbaal. § 3. Uiterlijk binnen veertig dagen na zijn aanwijzing stuurt de leidende en coördinerende persoon alle personen die een werf hebben willen uitvoeren, met uitzondering van de beheerder bij wie hij de aanvraag moet indienen, het gezamenlijke afgewerkte dossier betreffende de aanvraag om machtiging tot uitvoering van een werf dat verwijst naar de voorschriften van de goede praktijkcode en dat overeenkomstig die code wordt opgemaakt.

De Regering bepaalt de vorm en de inhoud van het gezamenlijke dossier betreffende de aanvraag tot uitvoering van een werf, dat minstens de volgende gegevens omvat : 1° de ligging van de werf;2° het wegterrein van de werf en in het bijzonder een bovenaanzicht van de geplande werken;3° een omschrijvingsnota waarin de aard van de installaties, de uit te voeren werken, de geplande ontmanteling van de bestaande afgedankte installaties en de voor de uitvoering van de werken voorgestelde technieken worden opgegeven;4° de duur en de geplande uitvoeringsperiode van de werf;5° de eventuele uitvoeringsfasen van de werken met bepaling van de aanvang van elke fase. § 4. De ontvangers van het gezamenlijke dossier betreffende de aanvraag om machtiging tot uitvoering van een werf beschikken over vijf dagen na ontvangst van het dossier om hun relevante opmerkingen te sturen aan de leidende en coördinerende persoon die ze opneemt. § 5. De termijnen bedoeld in de §§ 1 tot 4 zijn van toepassing bij gebrek aan overeenstemming van de partijen over andere termijnen.

De termijn bedoeld in § 3 wordt verhoogd met vijftien dagen wanneer ze begint of vervalt gedurende de maanden juli en augustus.

Onderafdeling 2. - Uitvoering van het vereenvoudigde dossier betreffende de aanvraag om machtiging tot uitvoering van een werf

Art. 17.Wanneer de coördinatieaanvrager geen antwoord ontvangt of slechts negatieve antwoorden ontvangt op de in artikel 14 bedoelde coördinatieaanvraag of wanneer de werf niet onderworpen is aan coördinatie, maakt de coördinatieaanvraag of de opdrachtgever een vereenvoudigd dossier op over de aanvraag om machtiging tot uitvoering van een werf dat verwijst naar de voorschriften van de goede praktijkcode en dat overeenkomstig die voorschriften uitgevoerd wordt.

De Regering bepaalt de vorm en de inhoud van het vereenvoudigde dossier betreffende de aanvraag om machtiging tot uitvoering van een werf alsmede de modaliteiten betreffende zijn behandeling en de kennisgeving van de in artikel 23 bedoelde beslissing. Het vereenvoudigde dossier omvat minstens de volgende informatie : 1° de ligging van de werf;2° het wegterrein van de werf en in het bijzonder een bovenaanzicht van de geplande werken;3° een omschrijvingsnota waarin de aard van de installaties, de uit te voeren werken, de geplande ontmanteling van de bestaande afgedankte installaties en de voor de uitvoering van de werken voorgestelde technieken;4° de duur en de geplande uitvoeringsperiode van de werf;5° de eventuele uitvoeringsfasen van de werken met bepaling van de aanvang van elke fase. Onderafdeling 3. - Vrijstellingen

Art. 18.Wanneer de in artikel 14, § 1, bedoelde coördinatieaanvrager de bij de werf betrokken beheerder is en wanneer hij slechts negatieve antwoorden ontvangt of binnen de termijn geen antwoord ontvangt op de in artikel 14, § 1, bedoelde coördinatieaanvraag of wanneer de werf van die beheerder niet onderworpen is aan coördinatie, wordt hij vrijgesteld van de aanvraag om machtiging tot uitvoering.

Art. 19.De Regering bepaalt de lijst van de werven en van de soorten werven die vrijgesteld zijn van de machtiging tot uitvoering van een werf wegens met name de dringende noodzakelijkheid, een beslissing van de gerechtelijke overheden die niet meer vatbaar is voor een beroep, een ingebrekestelling van de Europese Commissie wanneer de machtigingsprocedure de uitvoering van de werken binnen de door het Europees recht voorgeschreven termijn onmogelijk maakt, of wegens hun beperkt belang. Afdeling 2. - Indiening en behandeling van de aanvraag

Art. 20.De leidende en coördinerende persoon stuurt de bevoegde beheerder het gezamenlijke dossier betreffende de aanvraag om machtiging tot uitvoering van een werf bedoeld in artikel 16 uiterlijk binnen zeven dagen na het verstrijken van de termijnen bedoeld in artikel 16, § 4.

In het geval van artikel 17, eerste lid, stuurt de coördinatieaanvrager of de opdrachtgever een vereenvoudigd dossier over de uitvoering van een werf aan de bevoegde beheerder.

Art. 21.Binnen tien dagen na ontvangst van de in artikel 20, eerste lid, bedoelde zending en als het dossier onvolledig is, stuurt de beheerder de leidende en coördinerende persoon een lijst van de ontbrekende stukken en bepaalt hij dat de procedure na ontvangst ervan wordt voortgezet.

Binnen dezelfde termijn en als de aanvraag volledig is, richt de beheerder een bericht van ontvangst en verzoekt hij, in voorkomend geval, om het advies van de andere betrokken beheerders bedoeld in artikel 22.

Art. 22.§ 1. Wanneer de bij de werken betrokken werf gelegen is op twee of verschillende wegen of waterlopen die van verschillende beheerders afhangen, is de in artikel 20 bedoelde beheerder de beheerder van de weg of van de waterloop waarop het wegterrein van de werf het belangrijkste is.

Om het belangrijkste wegterrein van de werf te bepalen, wordt de lengte van de gedeelten van de wegen of van de waterlopen waarop de werf uitgevoerd moet worden, in aanmerking genomen. § 2. Binnen zeven dagen na ontvangst van het volledige dossier richt hij de andere betrokken beheerders een afschrift van de aanvraag.

Laatstgenoemden sturen hun opmerkingen en adviezen binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van de zending en zoniet wordt hun advies geacht gunstig te zijn. § 3. In geval van ongunstig advies van één of meer beheerders nodigt de beheerder die de machtigingsaanvraag ontvangt, alle betrokken beheerders uit binnen een termijn van vijftien dagen na ontvangst van dat advies.

Als geen overeenstemming aan het einde van de vergadering gevonden is, wordt de machtiging slechts toegekend voor de werven die een gunstig advies van de betrokken beheerders gekregen hebben.

De machtiging wordt in haar geheel geweigerd als de werken geen gedeeltelijke machtiging mogelijk maken. Afdeling 3. - De beslissing

Art. 23.§ 1. De beslissing van de beheerder tot toekenning of weigering van de machtiging tot uitvoering van een werf wordt per zending betekend aan de leidende en coördinerende persoon, aan de coördinatieaanvrager of aan de in artikel 17 bedoelde opdrachtgever, aan de Commissie en, in voorkomend geval, aan de andere beheerders bedoeld in artikel 22.

De beheerder kan ook een gedeeltelijke machtiging tot uitvoering van een werf toekennen. § 2. De Regering bepaalt de vorm en de inhoud van de beslissing die minstens de volgende informatie moet bevatten : 1° de ligging van de werf;2° het wegterrein van de werf en in het bijzonder een bovenaanzicht van de geplande werken alsmede de geplande ontmanteling van de bestaande afgedankte installaties;3° de duur en de geplande uitvoeringsperiode van de werf;4° het bedrag van de waarborg die verstrekt moeten worden om de voorschriften van artikel 29 te vervullen;5° de eventuele uitvoeringsfasen van de werken met bepaling van de aanvang van elke fase.

Art. 24.§ 1 De in artikel 23 bedoelde kennisgeving vindt plaats binnen dertig dagen na de zending van het bericht van ontvangst bedoeld in artikel 21 of na het verstrijken van de in artikel 22 bedoelde termijnen.

Zoniet richt de leidende en coördinerende persoon binnen vijf dagen na ontvangst van de termijn een ter post aangetekende brief aan de beheerder die hem vraagt om zijn beslissing binnen vijftien dagen na ontvangst ervan overeenkomstig artikel 23, § 1, te betekenen.

Zo niet wordt de machtiging geacht geweigerd te zijn. § 2. De machtiging mag slechts geweigerd worden om redenen betreffende de veiligheid, de heilzaamheid, de mobiliteit en de leefbaarheid van de weg. § 3. De termijn bedoeld in § 1 wordt verhoogd met vijftien dagen wanneer hij begint of vervalt gedurende de maanden juli en augustus. Afdeling 4. - Het verval van de machtiging

Art. 25.§ 1. Als binnen twaalf maanden na de zending van de beslissing tot toekenning van de machtiging tot uitvoering van een werf de werken niet op duidelijke wijze zijn begonnen, is die vergunning verlopen.

Het verval gebeurt van rechtswege. § 2. Op verzoek van begunstigde van de machtiging tot uitvoering van een werf wordt ze evenwel verlengd voor een periode van zes maanden.

Dat verzoek wordt ingediend dertig dagen voor het verstrijken van in § 1 bedoelde vervaltermijn.

De verlenging wordt toegekend door de bevoegde beheerder en gericht aan de Commissie. Afdeling 5. - Het beroep

Art. 26.Indiening van het beroep § 1. De in artikel 8 bedoelde natuurlijke of rechtspersoon kan een beroep bij de Regering indienen binnen twintig dagen na ontvangst van de beslissing tot machtiging van de uitvoering van een werf of na het verstrijken van de termijnen toegekend om te beslissen. § 2. Het beroep wordt bij ter post aangetekende brief aan de Regering gezonden, die er een afschrift van richt aan de beheerder binnen tien dagen na ontvangst ervan. § 3. De Regering of haar afgevaardigde kan zich alle inlichtingen en documenten laten mededelen die ze nodig acht voor de behandeling van het beroep en om de getuigen te horen.

Art. 27.Verhoor van de partijen De Regering of de persoon die ze machtigt, hoort op hun verzoek de verzoeker of zijn raadsheer, de beheerder of zijn afgevaardigde.

Wanneer een partij erom verzoekt gehoord te worden, worden de andere partijen erom verzocht te verschijnen.

Art. 28.Beslissing van de Regering.

De beslissing van de Regering wordt aan de partijen betekend binnen zestig dagen na ontvangst van het beroep. Wanneer de partijen gehoord worden, wordt de termijn met vijftien dagen verlengd. Bij gebrek aan kennisgeving van de beslissing binnen die termijn wordt de oorspronkelijke beslissing van de beheerder, ongeacht of ze stilzwijgend was, geacht bevestigd te zijn.

Als de Regering de machtiging tot uitvoering van een werf toekent, omvat haar beslissing in voorkomend geval de in artikel 23, § 2, bedoelde inlichtingen.

TITEL III. - Uitvoering van de werf HOOFDSTUK I. - Aan de opening van een werf voorafgaande verplichtingen

Art. 29.§ 1. Bij gebrek aan overeenstemming tussen de beheerder en de begunstigde van de machtiging tot uitvoering van de werf over een andere oprichtingsvorm verstrekt de begunstigde een waarborg op de eerste aanvraag ten gunste van de beheerder, die bestemd is voor de dekking van de kosten gebonden aan het herstel van de plaats in haar oorspronkelijke staat of van de kosten voortvloeiend uit de beslissing om maatregelen van ambtswege te treffen.

De Regering bepaalt het bedrag en de modaliteiten voor het verstrekken, de aanpassing en de vrijstelling van die waarborg. § 2. De Regering maakt de lijst op van de werven en soorten werven waarvan de uitvoering het geheel van de weg of van de waterloop niet aantast of op minieme wijze aantast en die vrijgesteld zijn van het verstrekken van de waarborg bedoeld in § 1. § 3. De waarborg hoeft niet verstrekt te worden wanneer de opdrachtgever de beheerder is.

Art. 30.De leidende en coördinerende persoon, de coördinatieaanvrager of de opdrachtgever informeert de omwoners en de gebruikers per omzendbrief of affiche over de uitvoering van de werf uiterlijk binnen vijftien dagen voor het begin van de werken.

Art. 31.§ 1. De leidende en coördinerende persoon of de begunstigde van de machtiging tot uitvoering van een werf in het geval van artikel 17 maakt, in aanwezigheid van de beheerder, een plaatsbeschrijving van de weg of van de waterloop voor het begin van de werf op.

Die plaatsbeschrijving moet uiterlijk binnen vijf dagen vóór het begin van de werken behalve overeenstemming van de partijen opgemaakt worden. § 2. Als die plaatsbeschrijving niet kan worden opgemaakt ofwel door de beheerder, ofwel door de leidende en coördinerende persoon of de begunstigde van de machtiging tot uitvoering van een werf in het geval van artikel 17, wordt ze eenzijdig opgemaakt en geacht tegensprekelijk te zijn.

Een afschrift wordt zo spoedig mogelijk gezonden aan de in gebreke blijvende interveniënt.

Art. 32.§ 1. Uiterlijk binnen vijf dagen vóór het begin van de werken verwittigt de begunstigde van de machtiging tot uitvoering van een werf er de beheerder alsmede de Commissie per zending van.

De begunstigde van de machtiging tot uitvoering van een werf mag een werf pas beginnen na het verstrijken van een termijn van vijf dagen na de zending van de aanmaning bedoeld in het eerste lid. § 2. Behalve overmacht moeten de in artikel 8 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen die een werf vrijgesteld van de machtiging tot uitvoering van een werf uitvoeren, ook de beheerder en de Commissie voor het begin van de werken verwittigen. HOOFDSTUK II. - Verplichtingen gedurende de uitvoering van de werf

Art. 33.Gedurende de hele duur van de werf moet de machtiging tot uitvoering van een werf zich voortdurend op de plaats waar de werken uitgevoerd worden, bevinden.

Art. 34.§ 1. Wanneer de persoon die de werken uitvoert, gedurende de werf een installatie ontdekt, terwijl ze geen document dat laatstgenoemde vermeldt, heeft gekregen of wanneer ze een installatie ontdekt die niet vermeld staat op de documenten die ze heeft aangevraagd en gekregen of als ze de op de aangeduide plaats vermelde installatie niet vindt, informeert ze zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen 24 uur de beheerder, de leidende en coördinerende persoon en de begunstigde van de machtiging tot uitvoering van een werf daarvan.

Uiterlijk binnen 24 uur na de mededeling van de in het eerste lid bedoelde informatie neemt de beheerder contact op met de in artikel 8 bedoelde natuurlijke of rechtspersoon die bij de installatie betrokken is. § 2. Uiterlijk binnen 24 uur na ontvangst van de informatie stelt de in artikel 8 bedoelde betrokken natuurlijke of rechtspersoon de ligging van de ontdekte of slecht gesignaleerde installatie ter plaatse en in aanwezigheid van de beheerder vast en neemt ze elke nuttige maartregel die door de toestand vereist wordt.

Als die persoon niets doet, kan de beheerder zijn plaats innemen.

De beheerder, de leidende of coördinerende persoon en de begunstigde van de machtiging tot uitvoering van de werf worden daarvan op de hoogte gebracht. § 3. Uiterlijk binnen 24 uur na de termijn bedoeld in § 1, tweede lid, als de eigenaar van de ontdekte installatie niet geïdentificeerd kan worden, stelt de beheerder de ligging van de installatie ter plaatse vast en neemt hij elke nuttige maartregel die door de toestand vereist wordt voor de voortzetting van de werken.

De beheerder, de leidende of coördinerende persoon en de begunstigde van de machtiging tot uitvoering van een werf worden daarvan op de hoogte gebracht. § 4. De door de beheerder veroorzaakte kosten, die de plaats moet innemen van de in de §§ 2 en 3 in gebreke blijvende persoon worden aan laatstgenoemde geëist. § 5. De in § 2 bedoelde natuurlijke of rechtspersoon of de in § 3 bedoelde beheerder neemt deel aan de in artikel 38 bedoelde vergelijkingsvergadering deel. HOOFDSTUK III. - Verplichtingen aan het einde van de werf

Art. 35.§ 1. De leidende en coördinerende persoon of, in het geval van artikel 17, de begunstigde van de machtiging tot uitvoering van een werf, maakt in aanwezigheid van de beheerder, een plaatsbeschrijving bij het beëindigen op.

Die plaatsbeschrijving bij het beëindigen moet uiterlijk binnen vijf dagen na de in het eerste lid bedoelde aanvraag, behalve overeenstemming van de partijen, opgemaakt worden. § 2. Als die plaatsbeschrijving bij het beëindigen niet door de beheerder opgemaakt kan worden, wordt de weg of de waterloop geacht in zijn vorige staat aan het einde van de werf hersteld te zijn. § 3. Als de leidende en coördinerende persoon of, in het geval van artikel 17, de begunstigde van de machtiging tot uitvoering van een werf zich niet aanpast aan § 1, maakt de beheerder alleen de plaatsbeschrijving bij het beëindigen op, die als tegensprekelijk wordt beschouwd.

Die plaatsbeschrijving bij het beëindigen wordt zo spoedig mogelijk aan de in gebreke blijvende persoon gezonden.

Art. 36.§ 1. Als uit de in artikel 35 bedoelde plaatsbeschrijving bij het beëindigen blijkt dat de weg of de waterloop niet in zijn vorige staat wordt hersteld, duidt de beheerder de uit te voeren werken en de daarvoor bestemde termijn aan. § 2. Op zijn verzoek maakt de leidende en coördinerende persoon of, in het geval van artikel 17, de begunstigde van de machtiging tot uitvoering van een werf, in aanwezigheid van de beheerder, een aanvullende plaatsbeschrijving bij het beëindigen op.

Die aanvullende plaatsbeschrijving bij het beëindigen moet uiterlijk binnen vijf dagen na de in het vorige lid bedoelde aanvraag, behalve overeenstemming van de partijen, opgemaakt worden. § 3. Als die aanvullende plaatsbeschrijving bij het beëindigen niet door de beheerder opgemaakt kan worden, wordt de weg of de waterloop geacht in zijn vorige staat aan het einde van de uitvoering van de aanvullende werken hersteld te zijn. § 4. Als die aanvullende plaatsbeschrijving niet kan worden opgemaakt ofwel door de leidende en coördinerende persoon of de begunstigde van de machtiging tot uitvoering van een werf in het geval van artikel 17, maakt de beheerder de aanvullende plaatsbeschrijving bij het beëindigen alleen op, die als tegensprekelijk beschouwd wordt.

Die aanvullende plaatsbeschrijving bij het beëindigen wordt zo spoedig mogelijk gezonden aan de leidende en coördinerende persoon of aan de begunstigde van de machtiging tot uitvoering van een werf bedoeld in artikel 17. § 5. Als de leidende en coördinerende persoon of, in het geval van artikel 17, de begunstigde van de machtiging tot uitvoering van een werf, zich niet aanpast aan § 1, kan de beheerder in zijn plaats de aanvullende werken van ambtswege en op zijn kosten uitvoeren of laten uitvoeren.

Art. 37.Binnen vijf dagen na het behoorlijk vastgestelde herstel van de weg of van de waterloop in zijn oorspronkelijke staat, stuurt de beheerder de leidende en coördinerende persoon of, in het geval van artikel 3, de begunstigde van de machtiging tot uitvoering van een werf, een verklaring van einde van de werf.

Een afschrift van die verklaring wordt door de beheerder gezonden aan de Commissie en, in voorkomend geval, aan de andere beheerders bedoeld in artikel 22.

Art. 38.§ 1. Voor het herstel van de weg of de waterloop in zijn oorspronkelijke staat roept de leidende en coördinerende persoon het geheel van de begunstigden van de machtiging tot uitvoering van een werf op een vergelijkingsvergadering op.

Als er reeds een installatie onder, op of boven een weg of waterloop bestaat, roept de leidende en coördinerende persoon er ook enerzijds de in artikel 31 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen en, anderzijds, de in artikel 8 bedoelde andere natuurlijke of rechtspersonen die betrokken zijn bij een tevoren gesignaleerde installatie op.

Tijdens die vergadering maakt iedereen een vergelijkingsplan op van zijn installatie. § 2. In het geval bedoeld in artikel 17 en voor het herstel van de weg of de waterloop in zijn oorspronkelijke staat maakt de begunstigde van de machtiging een vergelijkingsplan op van zijn installatie.

Als er reeds een installatie onder, op of boven een weg of waterloop bestaat, roept hij enerzijds de in artikel 34 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen en, anderzijds, de in artikel 8 bedoelde andere betrokken natuurlijke of rechtspersonen op een vergadering op, die voorafgaand is aan herstel van de weg of van de waterloop in zijn oorspronkelijke staat, opdat laatstgenoemden de vergelijkingsplannen van hun installaties opmaken. § 3. Wanneer de werf impliceert dat hij geleidelijk zijn uitvoering afgesloten wordt, maken de begunstigden van de machtiging tot uitvoering van een werf geleidelijk het vergelijkingsplan van hun installaties op. Ze verwittigen er eerst de leidende en coördinerende persoon van. § 1, tweede lid, is van toepassing. § 4. Aan het einde van de werf en uiterlijk binnen zes maanden na de definitieve plaatsbeschrijving bij het beëindigen deelt eenieder een vergelijkingsplan van de installaties mede aan de beheerder en dient hij het in het systeem voor informatie-uitwisseling bedoeld in artikel 1 in.

De Commissie geeft een attest aan, dat bevestigt dat het vergelijkingsplan ingediend is in het systeem. § 5. De Regering bepaalt de vorm en de inhoud van het vergelijkingsplan. § 6. De indiening van het vergelijkingsplan in het systeem voor informatie-uitwisseling heeft de vrijstelling van de waarborg die voor de behoeften van de werf eventueel vrijgesteld wordt, als gevolg.

Daartoe maken alle personen bedoeld in § 1, derde lid, en in § 2, in voorkomend geval, het door de Commissie afgegeven attest aan de beheerder over. HOOFDSTUK V. - Werfonderbreking

Art. 39.De begunstigde van de machtiging tot uitvoering van een werf wordt geacht in gebreke blijvend te zijn wanneer hij zonder gegronde reden de uitvoering van de werf gedurende meer dan twintig dagen onderbreekt.

Art. 40.De beheerder stelt de begunstigde van de machtiging tot uitvoering van een werf die zich niet heeft aangepast aan zijn verplichtingen, in gebreke.

Als de begunstigde van de machtiging tot uitvoering van een werf de werken binnen vijf dagen na ontvangst van de ingebrekestelling zonder gegronde reden niet opnieuw begint, wordt de beheerder ertoe gemachtigd om alle nuttige maatregelen van ambtswege te treffen en dit, ten koste en op risico van de in gebreke blijvende begunstigde. HOOFDSTUK VI. - De maatregelen van ambtswege

Art. 41.De beslissing van de beheerder om maatregelen van ambtswege overeenkomstig de artikelen 31, § 2, 34, §§ 2 en 3, 36, §§ 4 en 5 en 40 te treffen wordt betekend aan de begunstigde van de machtiging tot uitvoering van een werf en aan de Commissie en, in voorkomend geval, aan de andere beheerders bedoeld in artikel 18.

Na ontvangst van de beslissing van de beheerder om de maatregelen van ambtswege te treffen kan de begunstigde van de machtiging tot uitvoering van een werf op de werf niet meer tussenbeide komen.

Art. 42.Het bedrag van de uitgaven voortvloeiend uit de toepassing van de maatregelen van ambtswege, dat op de vervaldatum niet betaald is, wordt van rechtswege en bij het eerste verzoek door de beheerder op de waarborg toegerekend of wordt door hem bij alle wettelijke middelen ingevorderd.

TITEL IV. - De informatie

Art. 43.De Regering richt een systeem voor de informatie-uitwisseling op dat de toegang tot de volgende inlichtingen mogelijk maakt : 1° de personalia van de in artikel 8 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen die zich hebben verklaard of van de door hen gesignaleerde contactpersoon alsmede de personalia van de leidende en coördinerende personen voor elke werf;2° de in artikel 11 bedoelde werfprogrammeringen;3° de in artikel 23 bedoelde machtigingen tot uitvoering van een werf en, in voorkomend geval, hun verlenging en hun verval;4° de in artikel 37 bedoelde verklaringen van einde van de werf;5° de afgegeven attesten betreffende de vergelijkingsplannen bedoeld in artikel 38;6° de maatregelen van ambtswege bedoeld in artikel 41;7° de andere inlichtingen betreffende de bezetting van de bodem of de ondergrond.

Art. 44.Volgens de door de Regering te bepalen modaliteiten hebben de volgende personen toegang tot het geheel of een gedeelte van de terbeschikking gestelde inlichtingen die vermeld staan in artikel 43 : 1° de beheerders;2° de in artikel 8 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen die zich hebben doen kennen;3° de werkondernemingen;4° de bouwheren;5° de opdrachtgevers;6° de overheden belast met de dringende planning en de crisiscoördinatie. De omvang van de toegang hangt af van de kwaliteit van de in het vorige lid bedoelde persoon.

TITEL V. - Straffen HOOFDSTUK I. - Het opsporen en het vaststellen van de overtredingen

Art. 45.§ 1. De daartoe door de Regering aangewezen ambtenaren en personeelsleden van het Waalse Gewest hebben de hoedanigheid om de overtredingen van dit decreet op te sporen en vast te stellen.

De in het eerste lid bedoelde ambtenaren en personeelsleden hebben de hoedanigheid van agenten of officieren van de gerechtelijke politie en moeten de eed afleggen overeenkomstig de vigerende wetten en verordeningen. § 2. Onverminderd de plichten van de officieren van de gerechtelijke politie hebben de in § 1 bedoelde ambtenaren en agenten toegang tot de werf om alle nuttige opsporingen en vaststellingen te doen. Ze kunnen zich alle inlichtingen die ze nuttig achten, laten mededelen. § 3. Bij overtreding van dit decreet kunnen de in § 1 bedoelde ambtenaren en agenten : 1° een termijn door de zending van een ingebrekestelling aan de overtreder opleggen om een einde te maken aan de vastgestelde overtreding. De ambtenaar of het personeelslid informeert de Commissie en de beheerder daarvan. Na het verstrijken van de termijn kan de ambtenaar of het personeelslid een werf verzegelen, maakt hij een verslag op en zendt hij het binnen vijf dagen aan de overtreder en aan de Commissie; 2° een proces-verbaal opmaken.Dat proces-verbaal wordt op straffe van nietigheid per zending overgemaakt aan de overtreder en dit, binnen vijf dagen na de opmaking ervan of na het verstrijken van de in 1° bedoelde termijn. HOOFDSTUK II. - De overtredingen en de administratieve boetes

Art. 46.§ 1. Met een geldboete van 2,5 EUR tot 7.500 EUR worden gestraft : 1° degenen die de werken uitvoeren zonder voorafgaande machtiging tot uivoering van een werf wanneer ze vereist wordt;2° degenen die de werken voortzetten na het verval van de voorafgaande machtiging tot uitvoering van een werf;3° degenen die de werken handhaven, die uitgevoerd zijn zonder voorafgaande machtiging tot uitvoering van de werf of na het verval van de voorafgaande machtiging tot uitvoering van de werf;4° degenen die het vergelijkingsplan van de verrichte werken niet mededelen aan de beheerder en die het niet indienen in de databank overeenkomstig artikel 38;5° degenen die ongeacht de wijze de voorafgaande machtiging tot uitvoering van de werf schenden;6° degenen die artikel 34 schenden, door de ligging van de slecht gesignaleerde of ontdekte installatie niet ter plaatse vast te stellen en door geen nuttige maatregel te treffen;7° degenen die krachtens artikel 14, § 2, de inlichtingen waarover ze beschikken, niet overmaken. § 2. In geval van samenloop van verschillende overtredingen zoals bedoeld in § 1, worden de bedragen van de boetes gecumuleerd zonder dat ze evenwel de dubbel van de in § 2 bedoelde boete mogen overschrijden.

Art. 47.§ 1. Een administratieve boete waarvan het bedrag niet hoger kan zijn dan 7.500 EUR kan toegepast worden op de overtreder.

Om de administratieve boetes te innen wijst elke beheerder een afgevaardigde aan die niet één van de personeelsleden of ambtenaren bedoeld in artikel 45, § 1, mag zijn. § 2. De vastgestelde overtredingen van de bepalingen bedoeld in artikel 46, § 1, worden d.m.v. administratieve boetes vervolgd tenzij het openbaar ministerie rekening houdende met de ernst van de overtreding oordeelt dat strafvervolgingen nodig zijn.

De strafvervolgingen sluiten de toepassing van een administratieve boete uit zelfs als een vrijspraak ze afsluiten. § 3. Een exemplaar van het proces-verbaal tot vaststelling van de overtreding wordt aan de beheerder overgemaakt.

Het openbaar ministerie beschikt over een termijn van twee maanden na ontvangst van het proces-verbaal om zijn beslissing over de al dan niet aanspanning van strafvervolgingen mede te delen. § 4. Als het openbaar ministerie ervan afziet te vervolgen of verzuimt zijn beslissing binnen de bepaalde termijn mede te delen, beslist de afgevaardigde of een reden is om een administratieve boete uit hoofde van de overtreding op te leggen, nadat hij de overtreder in staat heeft gesteld, zijn verdedigingsmiddelen schriftelijk voor te stellen binnen vijftien dagen na ontvangst van de door hem gezonden uitnodiging.

De gemotiveerde beslissing van de afgevaardigde bepaalt het bedrag van de administratieve boete. Ze wordt per zending aan de overtreder betekend op hetzelfde ogenblik als een verzoek om de boete te betalen binnen een termijn van één maand na ontvangst van de beslissing.

De kennisgeving door de afgevaardigde doet de strafvordering vervallen.

De beheerder of zijn afgevaardigde informeert de Commissie over de betaling van de boete. § 5. De administratieve beslissing waarbij de administratieve boete wordt opgelegd, mag niet vijf jaar na het feit dat aan de basis ligt van een overtreding, genomen worden.

Het verzoek aan de overtreder om zijn verdedigingsmiddelen bedoeld in § 4, eerste lid, voor te stellen, dat binnen de in dat lid te bepalen termijn wordt gezonden, onderbreekt de loop van de verjaring. Die akte laat een nieuwe termijn met de gelijke duur lopen. § 6. De overtreder die de beslissing van de beheerder betwist, dient op straffe van verval een beroep d.m.v. een verzoekschrift bij de rechtbank van eerste aanleg binnen een termijn van twee maanden na de betekening van de beslissing. Dat beroep schorst de uitvoering van de beslissing.

De bepaling van het vorige lid wordt vermeld in de beslissing tot oplegging van de administratieve boete.

Art. 48.In geval van niet-betaling van de administratieve boete binnen een termijn van één maand na de beslissing van de beheerder of na de in kracht van gewijsde getreden beslissing van de rechtbank van eerste aanleg kan de beheerder van rechtswege zijn bedrag heffen op de waarborg bedoeld in artikel 22, § 1, met als enige formaliteit dat hij de overtreder volgens de door de Regering bepaalde modaliteiten op de hoogte daarvan moet brengen.

TITEL IV. - Opheffings- en overgangsbepalingen

Art. 49.De volgende bepalingen worden opgeheven : 1° de artikelen 129, § 3, 154, eerste lid, 7°, en 158, eerste lid, 4°, van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium;2° artikel 1, vijfde lid, van de wet van 17 januari 1938 tot regeling van het gebruik door de openbare besturen, de verenigingen van gemeenten en de concessiehouders van openbare diensten of van diensten van openbaar nut, van de openbare domeinen van den Staat, van de provinciën en van de gemeenten, voor het aanleggen en het onderhouden van leidingen en inzonderheid van gas- en waterleidingen;3° artikel 19 van het decreet van 12 april 2001 betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt;4° artikel 19 van het decreet van 19 december 2002 betreffende de organisatie van de gewestelijke gasmarkt.

Art. 50.In artikel 11 en in artikel 12 van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen wordt een § 2 toegevoegd, luidend als volgt : « § 2. Wanneer die werken voor de uitvoering ervan een machtiging tot uitvoering van een werf bedoeld in artikel 23 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de informatie, de coördinatie en de organisatie van de werven onder, op of boven de wegen of waterlopen, mogen ze niet uitgevoerd worden zolang zijn titularis niet beschikt over de machtiging tot uitvoering van een werf behalve in de bij dat decreet bepaalde gevallen. » In artikel 14 van dezelfde wet wordt een § 3 toegevoegd, luidend als volgt : « § 3. Wanneer de in §§ 1 en 2 bedoelde werken voor de uitvoering ervan een machtiging tot uitvoering van een werf bedoeld in artikel 23 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de informatie, de coördinatie en de organisatie van de werven onder, op of boven de wegen of waterlopen, mogen ze niet uitgevoerd worden zolang zijn titularis niet beschikt over de machtiging tot uitvoering van een werf behalve in de bij dat decreet bepaalde gevallen. »

Art. 51.Dit decreet is niet van toepassing op de wegenkennisgevingen, op de voorafgaande verklaringen van werken, op de aanvragen om wegvergunningen, die ingediend zijn voor de inwerkingtreding van dit decreet overeenkomstig : 1° artikel 129, § 3, van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium;2° de artikelen 12 en 14 van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen;3° artikel 1, vierde en vijfde lid, van de wet van 17 januari 1938 tot regeling van het gebruik door de openbare besturen, de verenigingen van gemeenten en de concessiehouders van openbare diensten of van diensten van openbaar nut, van de openbare domeinen van den Staat, van de provinciën en van de gemeenten, voor het aanleggen en het onderhouden van leidingen en inzonderheid van gas- en waterleidingen;4° artikel 19 van het decreet van 12 april 2001 betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt;5° artikel 19 van het decreet van 19 december 2002 betreffende de organisatie van de gewestelijke gasmarkt.

Art. 52.Dit decreet treedt in werking uiterlijk op 1 januari 2011.

Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Namen 30 april 2009.

De Minister-President, R. DEMOTTE De Minister van Huisvesting, Vervoer en Ruimtelijke Ontwikkeling, A. ANTOINE De Minister van Begroting, Financiën, Uitrusting en Patrimonium, M. DAERDEN De Minister van Binnenlandse Aangelegenheden en Ambtenarenzaken, Ph. COURARD De Minister van Economie, Tewerkstelling, Buitenlandse Handel en Patrimonium, J.-C. MARCOURT De Minister van Wetenschappelijk Onderzoek, Nieuwe Technologieën en Buitenlandse Betrekkingen, Mevr. M.-D. SIMONET De Minister van Vorming, M. TARABELLA De Minister van Gezondheid, Sociale Actie en Gelijke Kansen, D. DONFUT De Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme, B. LUTGEN Nota (1) Zitting 2008-2009. Stukken van het Waals Parlement, 913 (2008-2009), nrs. 1 tot 6.

Volledig verslag, openbare vergadering van 29 april 2009.

Bespreking - Stemmingen.

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^