Decreet van 31 mei 2007
gepubliceerd op 10 juli 2007
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Decreet betreffende de inspraak van het publiek inzake het leefmilieu

bron
ministerie van het waalse gewest
numac
2007027096
pub.
10/07/2007
prom.
31/05/2007
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

31 MEI 2007. - Decreet betreffende de inspraak van het publiek inzake het leefmilieu (1)


Het Waals Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt :

Artikel 1.Richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma's betreffende het milieu en, met betrekking tot inspraak van het publiek en toegang tot de rechter, tot wijziging van de richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de Raad, wat betreft de bepaling van gemeenschappelijke regels voor inspraak van het publiek in de opstelling van plannen en programma's betreffende het milieu en in de besluitvorming i.v.m. specifieke activiteiten wordt gedeeltelijk bij dit decreet omgezet. HOOFDSTUK I. - Bepalingen betreffende de inspraak van het publiek in de opstelling van plannen en programma's betreffende het milieu en in de besluitvorming i.v.m. specifieke activiteiten

Art. 2.Titel I van deel I van Boek I van het Milieuwetboek wordt aangevuld met een artikel D.5-1, luidend als volgt : « Art. D.5-1. § 1. Eén of meer gemeenten kunnen een milieuadviseur in dienst nemen. Die adviseur is een contact- en informatiepersoon bij wie de bevolking terecht kan voor alle vraagstukken i.v.m. milieubescherming.

De milieuadviseur vervult de taken die hem krachtens dit Wetboek worden toegewezenn in het kader van de mechanismen inzake inspraak van het publiek in de opstelling van plannen en programma's betreffende het milieu en in de besluitvorming i.v.m. projecten. § 2. Elke milieuadviseur is houder van een universitair diploma of van een diploma van het hoger onderwijs van het lange type en heeft een opleiding inzake het leefmilieu gevolgd, of heeft minstens vijf jaar beroepservaring inzake het leefmilieu. § 3. De Regering kan binnen de perken van de beschikbare kredieten een toelage toekennen als een gemeente of verschillende aangrenzende gemeenten of een vereniging van gemeenten erom verzoeken met het oog op de indienstneming of de handhaving van de indienstneming van een milieuadviseur. »

Art. 3.Artikel D.6 van Boek I van het Milieuwetboek wordt vervangen als volgt : « Art. D.6. In de zin van dit Wetboek wordt verstaan onder : 1° auteur van het plan of van het programma : de overheid die het initiatief neemt tot de opstelling van een plan of programma of, bij gebreke daarvan, de bevoegde overheid;2° bevoegde overheid : elk al dan niet beraadslagend orgaan, al dan niet met rechtspersoonlijkheid, belast met een openbare opdracht en gemachtigd om hetzij te beslissen over het verzoek tot vergunning van een project, met inbegrip van de overheid die inzake beroepen bevoegd is, hetzij een plan of een programma aan te nemen;3° 'CWATUP' : het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium;4° 'CWEDD': de « Conseil wallon de l'environnement pour le développement durable » (Waalse milieuraad voor duurzame ontwikkeling), zoals bedoeld in deel II van dit Boek;5° aangifte : handeling bedoeld in artikel 1, 2°, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning;6° milieuaangifte : het gedeelte van de beslissing tot aanneming of goedkeuring van een plan of programma of het bij deze beslissing gevoegde document dat de wijze samenvat waarop de milieuoverwegingen in het plan of programma zijn opgenomen en waarop het rapport over de milieubeoordelingen, de waarnemingen en adviezen uitgebracht door de instanties en het publiek na raadpleging ervan in overweging zijn genomen, alsook de redenen van de keuze van het plan of programma zoals aangenomen, rekening houdend met de overige redelijke oplossingen die overwogen werden;7° aanvrager : de persoon die om de vergunning van een project verzoekt;8° effectonderzoek : wetenschappelijk onderzoek uitgevoerd door een erkende persoon met als doel voor elk bijzonder geval de rechtstreekse en onrechtstreekse synergische of cumulatieve, permanente en tijdelijke milieueffecten van een project op korte en middenlange termijn op de gepaste wijze te identificeren, te omschrijven en te evalueren en de overwogen maatregelen over te leggen en te evalueren om de negatieve milieueffecten van het project te voorkomen, te beperken en, zo mogelijk, te verhelpen;9° informatie die door een overheidsinstantie wordt beheerd : milieu-informatie waarover deze overheid beschikt en die zij heeft ontvangen of vastgelegd;10° « informatie die voor een overheidsinstantie wordt beheerd »: milieu-informatie die in feite in opdracht van een overheidsinstantie door een natuurlijke of rechtspersoon wordt beheerd. 11° milieuinformatie : alle informatie die door een overheidsinstantie wordt beheerd of die voor haar wordt beheerd in geschreven, visuele, auditieve, elektronische of enige andere materiële vorm m.b.t. : a. de toestand van elementen van het milieu, zoals lucht en atmosfeer, water, bodem, land, landschap en natuurgebieden, met inbegrip van vochtige biotopen, kust- en zeegebieden, biologische diversiteit en de componenten ervan, met inbegrip van genetisch gemodificeerde organismen, alsook de interactie tussen deze elementen;b. factoren, zoals stoffen, energie, geluid, straling of afval, emissies, lozingen en ander vrijkomen van stoffen in het milieu die de onder a) bedoelde elementen van het milieu aantasten of kunnen aantasten;c. maatregelen, met inbegrip van de bestuurlijke maatregelen, zoals beleidsmaatregelen, wetgeving, plannen, programma's, milieuakkoorden en activiteiten die op de onder a) en b) bedoelde elementen en factoren van het milieu een uitwerking hebben of kunnen hebben, alsmede maatregelen of activiteiten ter bescherming van die elementen;d. verslagen over de toepassing van de milieuwetgeving;e. kosten-baten- en andere economische analyses en veronderstellingen die worden gebruikt in het kader van de onder c) bedoelde maatregelen en activiteiten;f. de toestand van de gezondheid en veiligheid van de mens, met inbegrip van de verontreiniging van de voedselketen, indien van toepassing, de levensomstandigheden, het patrimonium, voorzover zij worden of kunnen worden aangetast door de onder a) bedoelde toestand van elementen van het milieu of, via deze elementen, door het genoemde onder b) of c) ;12° evaluatienota inzake milieueffecten : document waarin de voornaamste ecologische parameters van het project opgenomen zijn en dat de milieueffecten ervan aan het licht brengt; 13° plannen en programma's : beslissingen, behalve die bedoeld in het 'CWATUP', alsook de wijzigingen ervan, met als doel de bepaling van hetzij een geordende opeenvolging van acties of handelingen die overwogen worden om één of meer specifieke doeleinden inzake de kwaliteit van het leefmilieu te halen, hetzij de bestemming of de regeling voor de bescherming van één meer gebieden of een locatie, o.a. voor het vastleggen van het kader waarin welbepaalde activiteiten ten uitvoer gelegd mogen worden, en die : a. door een overheid op gewestelijk of plaatselijk niveau uitgewerkt en/of aangenomen worden, of door een overheid uitgewerkt worden om door het Parlement of de Waalse Regering aangenomen te worden;b. en bij decretale, reglementaire of administratieve bepalingen voorzien worden;14° milieuvergunning : de beslissing bedoeld in artikel 1, 1°, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning;15° eenmalige vergunning : de beslissing bedoeld in artikel 1, 12°, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning;16° project : alle handelingen, activiteiten, werken, bouwen, afbraken, verbouwingen, uitbreidingen of buitendienststellingen van installaties met een wijziging van het leefmilieu als gevolg, waarvan de verwezenlijking door een publiek- of privérechtelijke natuurlijke of rechtspersoon overwogen wordt en aan een voorafgaandelijke vergunning onderworpen is;17° publiek : één of meer natuurlijke of rechtspersonen, alsmede hun verenigingen, organisaties of groepen.18° inspraak van het publiek : de mogelijkheid voor het publiek om tijdens een openbaar onderzoek en, desgevallend, de informatie- of overlegvergadering advies uit te brengen, het in aanmerking nemen van de resultaten van die raadpleging van het publiek bij de besluitvorming, alsook het verstrekken van informatie over de beslissing tot aanneming van een plan of programma of tot vergunning van een project;19° milieueffectrapport : gedeelte van de documentatie over het plan of programma waarin op de desbetreffende milieueffecten aan het licht gebracht worden;20° niet-technische samenvatting : document met de voornaamste resultaten van het milieueffectonderzoek of -rapport, synthese van de milieueffecten van het plan, programma of project, een voorstelling van de maatregelen overwogen om de negatieve milieueffecten van het project te voorkomen of te verminderen en, zo mogelijk, te verhelpen;21° systeem voor de beoordeling van de milieueffecten van de plannen en programma's : het opmaken van een milieueffectrapport, het voeren van raadplegingen, het in aanmerking nemen van genoemd rapport bij de besluitvorming, en de inspraak van het publiek; 22° systeem voor de beoordeling van de milieueffecten van de projecten : het geheel van de procedures i.v.m. de decretale en reglementaire bepalingen van dit deel houdende organisatie van het in aanmerking nemen van de milieueffecten van de projecten als beslissingselement vooraleer elke vergunning afgegeven wordt. »

Art. 4.Het opschrift van deel III van Boek I van het Milieuwetboek wordt vervangen door volgend opschrift : « Informatie, bewustmaking en inspraak van het publiek inzake het leefmilieu ».

Art. 5.Deel III van Boek I van het Milieuwetboek wordt aangevuld met een titel III, luidend als volgt : « Titel III. - Inspraak van het publiek inzake het leefmilieu HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Afdeling 1. - Indeling van de plannen, programma's en projecten

Art. D.29-1. § 1. Voor de toepassing van deze titel worden de plannen, programma's en projecten die na inspraak van het publiek aangenomen, goedgekeurd of toegelaten worden, met uitzondering van de plannen, schema's en verslagen bedoeld in het CWATUP', alsook de stedelijke of gemeentelijke mobiliteitsplannen in vier categorieën ingedeeld. § 2. Categorie A.1 is bestemd voor de volgende plannen of programma's : 1° het milieuplan voor de duurzame ontwikkeling bedoeld in artikel D.37; 2° de sectorale programma's bedoeld in article D.46, eerste lid; 3° de plannen en programma's voor de luchtkwaliteit, aangenomen ter uitvoering van de wet van 28 december 1964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging, die het hele Waalse grondgebied bestrijken;4° de plannen en programma's inzake geluidshinderbestrijding, aangenomen ter uitvoering van de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder, die het hele Waalse grondgebied bestrijken;5° het plan van de centra voor technische ingraving bedoeld in artikel 24 van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen; 6° de milieuovereenkomsten bedoeld in artikel D.82. § 3. Categorie A.2 is bestemd voor de volgende plannen of programma's : 1° de plannen en programma's die overeenkomstig artikel D.53 aan milieueffectbeoordeling onderworpen worden voor zover ze niet in paragraaf 2 bedoeld worden; 2° de plannen en programma's voor de luchtkwaliteit, aangenomen ter uitvoering van de wet van 28 december 1964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging, die niet in paragraaf 2, 3°, bedoeld worden;3° de plannen en programma's inzake geluidshinderbestrijding, aangenomen ter uitvoering van de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder, die niet in paragraaf 2, 4°, bedoeld worden;4° de natuurparken bedoeld in artikel 1 van het decreet van 16 juli 1985 betreffende de natuurparken;5° de aanwijzingen en herzieningen van de aanwijzingen van de Natura 2000-gebieden bedoeld in de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;6° de declasseringen van de Natura 2000-gebieden bedoeld in de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;7° de aanmoedigingszones rondom de Natura 2000-gebieden bedoeld in de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud. § 4. Categorie B is bestemd voor : a. de volgende plannen of programma's : 1° de plannen en programma's bedoeld in artikel D.53, § 1, tweede lid, en § 2, tweede lid, die zijn vrijgesteld van de milieueffectbeoordeling; 2° de voorkomingsgebieden bedoeld in artikel D.172 van Boek II van het Milieuwetboek; 3° de toezichtsgebieden bedoeld in artikel D.175 van Boek II van het Milieuwetboek; 4° de voorkomingsgebieden bedoeld in artikel D.177, tweede lid, 1°, van Boek II van het Milieuwetboek die in aanmerking komen voor een beschermingsstatuut op grond van de bijzondere milieuvereisten waaraan ze onderworpen kunnen worden; 5° de programma's tot beperking van de uitstrooiingen bedoeld in artikel D.177 van Boek II van het Milieuwetboek; 6° de verklaringen van openbaar nut van installaties voor waterproductie of -distributie of voor de verzameling of sanering van afvalwater bedoeld in artikel D.223 van Boek II van het Milieuwetboek; 7° de beslissingen betreffende de indeling van de onbevaarbare waterlopen bedoeld in de artikelen 3 en 4 van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen;8° de onteigeningsplannen en -besluiten bedoeld in artikel 8 van het decreet van 4 juli 2002 op de groeven en houdende wijziging van sommige bepalingen van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning;9° de oprichting van bosreservaten bedoeld in artikel 22 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;10° de plannen voor het beheer van een staatsnatuurreservaat bedoeld in artikel 14 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;11° de inrichtingen bedoeld in titel IV van het Boswetboek; b. de volgende projecten : 1° de projecten onderworpen aan een milieueffectonderzoek overeenkomstig de artikelen D.66, § 2, en D.68, §§ 2 en 3; 2° de onderzoeksvergunningen en mijnconcessies bedoeld in de artikelen 6 en 13 van het decreet van 7 juli 1988 op de mijnen;3° de vergunningen voor de ontsluiting van steenbergen bedoeld in artikel 4 van het decreet van 9 mei 1985 betreffende de ontsluiting van de steenbergen;4° de vergunningen voor het opsporen en het ontginnen van bitumineuze gesteenten, petroleum en brandbare gassen bedoeld in de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit nr.83 van 28 november 1939 betreffende het opsporen en het ontginnen van bitumineuze gesteenten, van petroleum en van brandbare gassen; 5° de verlening van het recht om andermans gronden te bezetten en te ontginnen zoals bedoeld in artikel 6 van het decreet van 4 juli 2002 op de groeven en houdende wijziging van sommige bepalingen van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning;6° de machtiging tot uitvoering van buitengewone werken ter verbetering of wijziging van de onbevaarbare waterlopen, zoals bedoeld in de artikelen 11, 12 en 14 van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen. § 5. Categorie C is bestemd voor de volgende projecten, voor zover ze niet in paragraaf 4, b., 1°, bedoeld worden : 1° de projecten onderworpen aan een milieuvergunning in de zin van artikel 1, 1°, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning;2° de projecten onderworpen aan een eenmalige vergunning in de zin van artikel 1, 12°, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning;3° de projecten waarvoor een beslissing tot wijziging van de specifieke exploitatienormen nodig is in de zin van artikel 65, § 1, eerste lid, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning en die het voorwerp van een openbaar onderzoek moeten uitmaken. Afdeling 2. - Algemene beginselen inzake de inspraak van het publiek

Art. D.29-2. De inspraak van het publiek bij het uitwerken van milieuplannen en -programma's en de besluitvorming inzake projecten wordt gewaarborgd overeenkomstig deze titel, onverminderd de toepassing van de bepalingen betreffende de toegang tot milieuinformatie.

De bepalingen van deze titel vervangen de modaliteiten inzake de inspraak van het publiek waarin voorzien wordt door de wetgevingen betreffende de plannen, programma's en projecten bedoeld in artikel D.29-1, onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen die voorzien in ruimere modaliteiten inzake de informatieverstrekking aan en de raadpleging van het publiek.

De resultaten van de inspraakprocedure worden behoorlijk in overweging genomen.

Art. D.29-3. Als hetzelfde project krachtens verschillende wetgevingen aan een openbaar onderzoek onderworpen moet worden, wordt er slechts één openbaar onderzoek georganiseerd en, desgevallend, slechts één enkele informatie- of overlegvergadering belegd om aan de vereisten van die wetgevingen te voldoen.

Als het project ressorteert onder verschillende categorieën bedoeld in artikel D.29-1 : 1° worden de modaliteiten inzake de inspraak van het publiek toegepast overeenkomstig de bepalingen van deze titel betreffende de hogere categorie waaronder het project ressorteert; 2° bevat het aan een openbaar onderzoek onderworpen dossier alle stukken die krachtens artikel D.29-17 vereist worden voor elk van de projecten bedoeld in artikel D.29-1.

Art. D.29-4. Voor de plannen en programma's van categorie A.2 bepaalt de Regering, op basis van het milieueffectrapport of, bij gebreke daarvan, op basis van het plan- of programmaontwerp, welke gemeenten, met inbegrip van de gemeente(n) waartoe het plan of programma zich uitbreidt, onder genoemd plan of programma kunnen vallen en op het grondgebied waarvan bijgevolg een openbaar onderzoek uitgevoerd moet worden.

Voor de projecten van categorieën B en C bepaalt de instantie die moet oordelen of de aanvraag volledig is, welke gemeenten, met inbegrip van de gemeente(n) waartoe het plan of programma zich uitbreidt, onder genoemd plan of programma kunnen vallen en op het grondgebied waarvan bijgevolg een openbaar onderzoek uitgevoerd moet worden. HOOFDSTUK II. - Informatievergadering Art. D.29-5. § 1. Voor de projecten van categorie B wordt vóór de indiening van de vergunningsaanvraag een informatievergadering belegd.

Voor de projecten van categorie C kan vóór de indiening van de vergunningsaanvraag op initiatief van de aanvrager een informatievergadering belegd worden.

Deze informatievergadering dient : 1° om de aanvrager in staat te stellen zijn project over te leggen; 2° om het publiek de mogelijkheid te bieden informatie in te winnen en opmerkingen en suggesties i.v.m. het project te formuleren; 3° als een effectbeoordeling voorgeschreven wordt overeenkomstig de artikelen D.66, § 2, en D.68, §§ 2 en 3 : - om te wijzen op specifieke punten die in het effectonderzoek aangesneden zouden kunnen worden; - om technische alternatieven voor te leggen die redelijkerwijs overwogen kunnen worden door de aanvrager en opdat hiermee rekening gehouden wordt bij het uitvoeren van het effectonderzoek. § 2. De aanvrager zorgt minstens vijftien dagen vóór de informatievergadering voor de bekendmaking van een bericht dat hoe dan ook de volgende gegevens bevat : 1° de identiteit van de aanvrager;2° de aard van het project en de vestigingsplaats ervan;3° het doel van de vergadering zoals aangegeven in paragraaf 1, derde lid;4° de datum, het uur en de plaats van de informatievergadering;5° de personen bij wie en de adressen waarop de informatie verkregen kan worden. Dit bericht wordt overgemaakt aan de gemeente op het grondgebied waarvan het project uitgevoerd moet worden en bekendgemaakt in twee media die de aanvrager onder de volgende media kiest : 1° twee dagbladen die in de streek in omloop gebracht worden;2° een gemeentelijk informatiebulletin als er één bestaat en als het onder de gezamenlijke bevolking verspreid wordt;3° een huis-aan-huis reclameblad;4° een huis-aan-huis informatiefolder verspreid binnen een straal van drie kilometer van de vestigingsplaats van het project. De aanvrager richt een afschrift van de gepubliceerde berichten aan het gemeentecollege.

Het gemeentecollege laat tot de dag na de informatievergadering een bericht waarin het eerste lid voorkomt aanplakken : 1° op de gebruikelijke aanplakplaatsen;2° op vier plaatsen dichtbij de plaats waar het project gevestigd moet worden, langs een openbare berijdbare weg of een doorgangsweg. § 3. Als een openbaar onderzoek op het grondgebied van verschillende gemeenten georganiseerd wordt, zijn de paragrafen 1 en 2 van toepassing op elk van de betrokken gemeenten. § 4. De Regering bepaalt : 1° de modaliteiten voor de informatieverstrekking aan het publiek;2° de modaliteiten voor de organisatie van de informatievergadering;3° welke instanties en administraties op de informatievergadering uitgenodigd worden;4° de modaliteiten volgens dewelke het publiek opmerkingen en suggesties kan formuleren en erom verzoeken kan dat specifieke punten betreffende het project aan het licht gebracht worden, alsook technische alternatieven kan voorleggen die redelijkerwijs door de aanvrager overwogen kunnen worden opdat ze in overweging genomen worden bij de tenuitvoerlegging van het effectonderzoek. Art. D.29-6. De informatievergadering wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de gemeente. De milieuadviseur of een vertegenwoordiger van de gemeente neemt er het secretariaat van waar en maakt de notulen op. Hij legt ze ter inzage van het publiek en maakt ze binnen dertig dagen na de informatievergadering over aan de bevoegde overheid en aan de aanvrager.

De Regering bepaalt de minimale inhoud van de notulen bedoeld in het eerste lid. HOOFDSTUK III. - Openbaar onderzoek Afdeling 1. - Maatregelen tot aankondiging van het openbaar onderzoek

Onderafdeling 1. - Aanplakking Art. D.29-7. § 1. De gemeentecolleges van de gemeenten op het grondgebied waarvan het plan, programma of project zich uitstrekt of die krachtens artikel D.29-4 zijn aangewezen, laten een bericht van openbaar onderzoek aanplakken op het gemeentehuis en op de gebruikelijke aanplakplaatsen.

Voor de projecten, alsook voor de plannen en programma's betreffende locaties die op een kadastraal perceel gelokaliseerd kunnen worden, laten ze bovendien een bericht van openbaar onderzoek op duidelijk zichtbare wijze aanplakken op vier plaatsen dichtbij de plaats waar het project gevestigd moet worden, langs een berijdbare weg of een doorgangsweg. § 2. Het bericht van openbaar onderzoek wordt aangeplakt uiterlijk vijf dagen vóór het begin van het openbaar onderzoek en tijdens de hele duur ervan.

Het bevat op zijn minst : 1° de identificatie van het plan, programma of project, de opgave van de categorie ervan en de bepaling op grond waarvan het project aan een openbaar onderzoek onderworpen wordt;2° de identificatie van de auteur van het plan of programma of van de aanvrager;3° de begin- en einddatum van het openbaar onderzoek;4° de dagen, de uren en de plaats waarop iedere persoon inzage kan nemen van het dossier; 5° de naam en de persoonsgegevens van de persoon die verantwoordelijk is voor de organisatie van de afspraken bedoeld in artikel D.29-16; 6° de bestemmeling aan wie en het adres waar de klachten en opmerkingen gericht kunnen worden en de uiterste verzenddatum ervan;7° de datum, het uur en de plaats van de slotzitting van het openbaar onderzoek;8° de aard van de beslissing tot tussenkomst en de identificatie van de bevoegde overheid;9° in voorkomend geval, het bestaan van een milieueffectonderzoek of -rapport;10° in voorkomend geval, het feit dat het plan, programma of project het voorwerp uitmaakt van een milieueffectbeoordelingsprocedure in grensoverschrijdend verband;11° de overige beschikbare milieuinformatie betreffende het plan, programma of project;12° de naam en persoonsgegevens van de milieuadviseur(s) of, bij gebreke daarvan, van de adviseur(s) inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw van de gemeente(n) op het grondgebied waarvan een openbaar onderzoek georganiseerd wordt, als ze over een dergelijke adviseur beschikt (beschikken). § 3. De vormen van het bericht van openbaar onderzoek worden nader bepaald door de Regering. De Regering kan bepalen welke andere duidingen in het bericht moeten voorkomen.

De Regering kan voorzien in de modaliteiten volgens dewelke de gewestelijke administratie de milieuinformatielijst waarover ze beschikt op gezette tijden aan de gemeenten overmaakt.

Onderafdeling 2. - Informatieverstrekking via email, televisie, radio en geschreven pers Art. D.29-8. Behalve de aanplakmodaliteiten bedoeld in artikel D.29-7, wordt het openbaar onderzoek ook aangekondigd : a. voor de plannen en programma's van categorie A.1, op initiatief van de auteur van het plan of programma : 1° via een bericht in het Belgisch Staatsblad ;2° via een bericht op het leefmilieuportaal van de site van het Waalse Gewest 3° en voor de andere plannen en programma's dan de milieuovereenkomsten : - via een bericht in minstens drie dagbladen verspreid over het gezamenlijke grondgebied van het Waalse Gewest, waarvan één Duitstalig; - via een mededeling die drie keer uitgezonden wordt door de R.T.B.F. en het 'Centre belge pour la radiodiffusion télévision de langue allemande'; b. voor de plannen en programma's van de categorieën A.2 en B, op initiatief van de auteur van het plan of programma, en voor de projecten van categorie B, op initiatief van de aanvrager : 1° via een bericht op de plaatselijke bladzijden van twee dagbladen met ruime verspreiding in het Waalse Gewest, waarvan minstens één verspreid wordt in elke gemeente op het grondgebied waarvan het openbaar onderzoek georganiseerd wordt;als één van de betrokken gemeenten Duitstalig is, is minstens één van beide dagbladen Duitstalig; 2° via een bericht in een gemeentelijk informatiebulletin of een huis-aan-huis reclameblad dat gratis verspreid wordt onder de bevolking van de gemeenten op het grondgebied waarvan het project, plan of programma zich uitstrekt, als dergelijk bulletin of reclameblad bestaat. Het bericht wordt ook bekendgemaakt op de Internetsite van betrokken gemeente.

Art. D.29-9. De berichten of mededelingen worden bekendgemaakt of uitgezonden binnen acht dagen vóór het begin van het onderzoek.

Onderafdeling 3. - Kennisgeving Art. D.29-10. § 1. Voor de projecten van de categorieën B en C geeft het gemeentebestuur van de gemeente(n) op het grondgebied waarvan het openbaar onderzoek georganiseerd wordt binnen acht dagen na ontvangst van de beslissing waarbij het dossier volledig en ontvankelijk verklaard wordt, schriftelijk en individueel kennis van een advies i.v.m. de indiening van de vergunningsaanvraag en het houden van het openbaar onderzoek aan de eigenaars en bewoners van de gebouwen gelegen in een straal van tweehonderd meter voor de projecten van categorie B en vijftig meter voor de projecten van categorie C, waarbij die straal berekend wordt vanaf de grenzen van het kadastraal perceel/de kadastrale percelen waarop het project betrekking heeft.

De eigenaars krijgen de kennisgeving thuis toegestuurd en op basis van de kadastrale legger die beschikbaar is bij het begin van het onderzoek.

Als de eigenaars en bewoners van de betrokken gebouwen een elektronisch adres voor kennisgevingsdoeleinden aan het gemeentebestuur hebben overgemaakt, kan de in het tweede lid bedoelde kennisgeving aan dat elektronisch adres gericht worden. § 2. Het gemeentebestuur van de gemeente(n) op het grondgebied waarvan het openbaar onderzoek georganiseerd wordt geeft volgens dezelfde modaliteiten kennis van het advies bedoeld in paragraaf 1 aan de houders van rechten die voortvloeien uit erfdienstbaarheden gevestigd door 's mensen toedoen of uit in de aanvraag vermelde conventionele verplichtingen betreffende het grondgebruik die teniet zouden kunnen gaan of gewijzigd zouden kunnen worden als gevolg van de vergunning.

Als de betrokken houders van rechten een elektronisch adres voor kennisgevingsdoeleinden aan het gemeentebestuur hebben overgemaakt, kan de in het tweede lid bedoelde kennisgeving aan dat elektronisch adres gericht worden. § 3. Het gemeentebestuur van de gemeente(n) op het grondgebied waarvan het openbaar onderzoek georganiseerd wordt geeft schriftelijk kennis van het advies bedoeld in paragraaf 1 aan de openbare besturen waaronder een verbindingsweg, een waterloop, een werk of om het even welke inrichting gelegen binnen de in paragraaf 1 bedoelde straal ressorteert.

Als deze besturen over een openbaar elektronisch adres beschikken, kan de kennisgeving aan dat elektronisch adres gericht worden.

Art. D.29-11. § 1. Als een plan, programma of project het voorwerp uitmaakt van een milieueffectrapport of -onderzoek en als de Regering, die overeenkomstig artikel D.56, § 2 beslist, of de overheid die overeenkomstig artikel D.68, § 1 moet nagaan of het aanvraagdossier volledig is, constateert dat het niet te verwaarlozen milieueffecten zou kunnen hebben in een ander Gewest, een andere Lidstaat van de Europese Unie of een andere Staat die het Espoo-Verdrag van 25 februari 1991 inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband heeft ondertekend, of als een ander Gewest, een andere Lidstaat van de Europese Unie of een andere Staat die voornoemd Verdrag heeft ondertekend daarom verzoekt, wordt het planontwerp, het programmaontwerp of het vergunningsaanvraagdossier, samen met hetzij het milieueffectrapport, hetzij het effectonderzoek, en eventuele gegevens over de grensoverschrijdende effecten van het dossier, overgemaakt aan de bevoegde overheden van dat ander Gewest, die andere Lidstaat van de Europese Unie of die andere Staat die het Espoo-Verdrag ondertekend heeft.

De Regering kan bepalen : 1° welke instanties het planontwerp, het programmaontwerp of het vergunningsaanvraagdossier zullen overmaken aan de overheden bedoeld in het eerste lid;2° volgens welke modaliteiten de bevoegde overheden van het Gewest of de Staat die getroffen kunnen worden aan de milieueffectbeoordelingsprocedure kunnen deelnemen; 3° volgens welke modaliteiten de gegevens bedoeld in de artikelen D.29-24 en D.29-25 meegedeeld worden aan de overheden bedoeld het eerste lid. § 2. Als een plan, programma of project gelegen op het grondgebied van een ander Gewest, een andere Lidstaat van de Europese Unie of een andere Staat die het Espoo-Verdrag van 25 februari 1991 inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband heeft ondertekend niet te verwaarlozen milieueffecten zou kunnen hebben in het Waalse Gewest, worden de gegevens over het plan, programma of project, samen met de effectbeoordelingsdocumenten, die door de bevoegde overheden van dat andere Gewest of van die andere Staat zijn overgemaakt, ter inzage gelegd van het publiek en van de door de Regering aangewezen instanties.

De Regering bepaalt : 1° volgens welke modaliteiten de gegevens bedoeld in het eerste lid ter inzage gelegd worden van het publiek en van de instanties bedoeld in het eerste lid;2° volgens welke modaliteiten het advies van het publiek en van de geraadpleegde instanties ingewonnen en overgemaakt wordt. Onderafdeling 4. - Bijkomende bekendmaking Art. D.29-12. De overheid die bevoegd is om het plan of programma aan te nemen en om de vergunningen m.b.t. de projecten af te leveren, alsook het gemeentecollege van de gemeenten die het openbaar onderzoek organiseren, kunnen gebruik maken van elke bijkomende vorm van bekendmaking en raadpleging binnen de voorgeschreven beslissingstermijnen. Afdeling 2. - Openbaar onderzoek

Art. D.29-13. § 1. Het openbaar onderzoek duurt : 1° vijfenveertig dagen voor de plannen en programma's van de categorieën A.1 en A.2; 2° dertig dagen voor de plannen, programma's of projecten van categorie B;3° vijftien dagen voor de projecten van categorie C. Als de laatste dag van het openbaar onderzoek een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag is, wordt het verlengd tot de eerstkomende werkdag. § 2. Het openbaar onderzoek wordt geschorst tussen 16 juli en 15 augustus en tussen 24 december en 1 januari.

Deze schorsing heeft als gevolg de verlenging van : 1° de termijnen waarin de geraadpleegde instanties advies moeten uitbrengen;2° de termijnen waarin de ambtenaren of administraties hun onderzoeks- of syntheseverslag moeten overmaken;3° de termijn waarin de bevoegde overheid het plan of programma moet aannemen en haar vergunning aan de aanvrager moet afgeven of sturen. Afdeling 3. - Modaliteiten voor de toegang tot informatie in het kader

van het openbaar onderzoek Art. D.29-14. § 1. Onverminderd artikel D.29-15, bevat het aan openbaar onderzoek onderworpen dossier het plan- of programmaontwerp of de vergunningsaanvraag.

Het dossier bevat in voorkomend geval : 1° de originele milieueffectbeoordeling of een afschrift ervan dat voor eensluidend verklaard is door de auteur;2° het originele milieueffectonderzoek of een afschrift ervan dat voor eensluidend verklaard is door de auteur, vergezeld van de niet-technische samenvatting;3° het originele milieueffectrapport of een afschrift ervan dat voor eensluidend verklaard is door de auteur;4° de originele aanvulling van het milieueffectonderzoek of de milieueffectbeoordeling of een afschrift ervan dat voor eensluidend verklaard is door de auteur; 5° een afschrift van de opmerkingen en voorstellen geformuleerd in het kader van de informatievergadering bedoeld in artikel D.29-5, alsook de notulen bedoeld in artikel D.29-6; 6° een afschrift van de adviezen, opmerkingen en voorstellen geformuleerd overeenkomstig de regelgeving die van toepassing is.Deze adviezen, opmerkingen en voorstellen worden na ontvangst ervan door de bevoegde overheid door haar opgenomen in het aan het openbaar onderzoek onderworpen dossier of overgemaakt aan de gemeente(n) op het grondgebied waarvan het openbaar onderzoek georganiseerd wordt om opgenomen te worden in het dossier dat het voorwerp uitmaakt van het openbaar onderzoek. § 2. De Regering kan voor elk van de plannen, programma's of projecten bedoeld in artikel D.29-1 bepalen uit welke documenten, naast die bedoeld in paragraaf 1, het aan het openbaar onderzoek onderworpen dossier samengesteld is.

Art. D.29-15. Als een vergunningsaanvraag betreffende een project van categorie B of C ingediend wordt, beslist de instantie die moet nagaan of de aanvraag volledig is of het past bepaalde gegevens aan het openbaar onderzoek te onttrekken op grond van de motieven en criteria inzake de beperking van het recht op toegang tot de informatie van artikel D.19 en de artikelen 6 en 9 van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur.

Het aan een openbaar onderzoek onderworpen aanvraagdossier vermeldt het feit dat de instantie die moet oordelen of die aanvraag volledig is, beslist heeft bepaalde gegevens aan het onderzoek te onttrekken.

Art. D.29-16. Vanaf de aankondiging tot de afsluiting van het openbaar onderzoek kan het dossier dat het voorwerp uitmaakt van het openbaar onderzoek gratis ingekeken worden op het gemeentebestuur van de gemeente(n) op het grondgebied waarvan het onderzoek georganiseerd wordt.

Het dossier bedoeld in het eerste lid ligt ter inzage op de kantooruren alsook één dag per week tot twintig uur of op zaterdagochtend.

Als de raadpleging op een werkdag na zestien uur of op zaterdagochtend plaatsvindt, maakt de persoon die inzage van het dossier wenst te nemen uiterlijk vierentwintig uur op voorhand een afspraak bij de milieuadviseur of, bij gebreke daarvan, bij het gemeentecollege of de daartoe afgevaardigde gemeentebeambte. Bij gebrek aan afspraak mag de dienstwaarneming afgeschaft worden.

Art. D.29-17. Elke persoon kan uitleg over het plan, programma of project verkrijgen bij de milieuadviseur of, bij gebreke daarvan, bij het gemeentecollege of de daartoe afgevaardigde gemeentebeambte.

Art. D.29-18. Klachten en opmerkingen worden vóór het afsluiten van het onderzoek of de dag van de sluitingszitting per fax, email, als de gemeente daartoe een adres heeft vastgelegd, of per gewone post verzonden of aan de milieuadviseur, het gemeentecollege of de daartoe afgevaardigde gemeentebeambte overgelegd.

Op straffe van nietigheid worden de verzendingen per post of fax gedateerd en getekend terwijl elektronische verzendingen duidelijk geïdentificeerd en gedateerd worden.

Geschreven klachten en opmerkingen worden eveneens op afspraak ingezameld door de milieuadviseur of, bij gebreke daarvan, het gemeentecollege of de daartoe afgevaardigde gemeentebeambte, die ze op papier zet en vóór het afsluiten van het onderzoek aan het gemeentecollege overmaakt.

Art. D.29-19. Op de laatste dag van het openbaar onderzoek organiseert een lid van het gemeentecollege of een daartoe afgevaardigde gemeentebeambte een sluitingszitting waarop iedereen die het wenst gehoord wordt. De zitting wordt voorgezeten door de milieuadviseur of, bij gebreke daarvan, het gemeentecollege of de daartoe afgevaardigde gemeentebeambte. Laatsgenoemde maakt binnen vijf dagen na afsluiting van het openbaar onderzoek proces-verbaal van afsluiting op waarin hij melding maakt van de geformuleerde opmerkingen en commentaren en tekent het. Afdeling 4. - Vervangingsbevoegdheid

Art. D.29-20. Als de gemeente niet voldoet aan de verplichtingen inzake de organisatie van het openbaar onderzoek, kan de Regering of haar afgevaardigde bij gewoon schrijven een gemotiveerde waarschuwing aan betrokken gemeentecollege richten waarin het gewezen wordt op de nog te nemen maatregelen en op de termijn waarin het die moet nemen, en waarin het zijn houding moet rechtvaardigen.

Als het geen gevolg geeft aan de waarschuwing, kan de Regering of haar afgevaardigde zich volgens de modaliteiten die door de Regering bepaald kunnen worden, in de plaats van de gemeente stellen en alle nuttige maatregelen treffen in plaats van de gemeentelijke overheden. HOOFDSTUK IV. - Bekendmaking betreffende de beslissing Art. D.29-21. De beslissing tot aanneming of goedkeuring van een plan of programma van de categorieën A.1 en A.2, de milieuaangifte en de vastgelegde opvolgingsmaatregelen worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en op het leefmilieuportaal van de site van het Waalse Gewest, alsook op de site van de betrokken gemeente(n) wat betreft de plannen en programma's van categorie A.2.

De gemeente of de Regering kan beslissen over elke bijkomende vorm van bekendmaking.

Art. D.29-22. § 1. De beslissing tot aanneming of goedkeuring van een plan of programma van categorie B wordt bekendgemaakt via een bericht in het Belgisch Staatsblad en op het leefmilieuportaal van de site van het Waalse Gewest. § 2. De beslissing tot aanneming of goedkeuring van een plan of programma van categorie B en de beslissing van de bevoegde overheid betreffende een project van categorie B of C zijn het voorwerp van een bericht dat gedurende twintig dagen op de gebruikelijke aanplakplaatsen aangeplakt wordt in de gemeente(n) op het grondgebied waarvan het openbaar onderzoek georganiseerd wordt.

Voor projecten van categorie B of C wordt het bericht bovendien duidekijk zichtbaar aangeplakt op het bij het project betrokken goed.

Dat bericht vermeldt : 1° het voorwerp van de beslissing;2° de plaats(en) waar de beslissing ter inzage ligt, de voorwaarden die er eventueel gepaard mee gaan, de motieven en overwegingen waarop ze berust, met inbegrip van de informatie over het proces van inspraak van het publiek en, desgevallend, de omschrijving van de voornaamste maatregelen tot voorkoming, vermindering en, zo mogelijk, compensering van de aanzienlijke negatieve effecten;3° het bestaan van een milieuaangifte als ze vereist wordt;4° de opvolgingsmodaliteiten als de beslissing betrekking heeft op een plan of programma dat aan het milieueffect rapport onderworpen is;5° de uren waarop de beslissing ter inzage ligt, minstens één werkdag per week tot twintig uur of zaterdagochtend op afspraak.Het bericht vermeldt ook dat, als de raadpleging plaatsvindt op een werkdag na zestien uur of op zaterdagochtend, de persoon die het dossier wenst in te kijken uiterlijk vierentwintig uur op voorhand afspraak moet maken bij de milieuadviseur of, bij gebreke daarvan, het gemeentecollege of de daartoe afgevaardigde gemeentebeambte; 6° het adres van de door de Regering aangewezen instantie of overheid waar de beroepen ingediend kunnen worden, alsook de desbetreffende vormen en termijnen;7° het recht voor iedere persoon om inzage te nemen van het dossier bij de diensten van de bevoegde overheid, overeenkomstig de bepalingen van titel I van deel III van Boek I van het Milieuwetboek. De aanplakking wordt door het gemeentecollege uitgevoerd binnen tien dagen na : 1° hetzij de aanneming van de beslissing als de overheid die beslist heeft de gemeente is;2° hetzij de kennisgeving van de beslissing aan de de gemeente in de andere veronderstellingen;3° hetzij het verstrijken van de termijnen waarin de bevoegde overheid haar beslissing moet verzenden als een juridisch gevolg aan de verstrijkdatum gebonden is § 3.De beslissing tot aanneming of goedkeuring van een plan of programma van categorie B, alsook de milieuaangifte en de vastgelegde opvolgingsmaatregelen en de beslissing van de bevoegde overheid betreffende een project van categorie B of C worden door de bevoegde overheid meegedeeld aan. 1° de gemeente(n) op het grondgebied waarvan het openbaar onderzoek georganiseerd wordt;2° aan de aanvrager en de instanties die de Regering aanwijst;3° aan de administraties en overheden die geraadpleegd werden in het kader van de procedure tot behandeling van de aanvraag. De kennisgeving bedoeld in het eerste lid, 2°, gebeurt bij ter post aangetekend schrijven of door elk ander dateringsmiddel.

De kennisgeving bedoeld in het eerste lid, 1° en 3°, gebeurt per gewone post of per email. De informatie bedoeld in het tweede lid wordt met dezelfde middelen toegestuurd.

Voor de plannen of programma's van categorie B vindt de kennisgeving plaats binnen tien dagen na hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. Voor de projecten van categorie B of C vindt de kennisgeving plaats binnen tien dagen na de beslissing, onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen die in andere kennisgevingstermijnen voorzien.

Art. D.29-23. Als een plan of programma het voorwerp uitmaakt van een aanneming of een stilzwijgende weigering bij gebrek aan aanneming of weigering van de Regering binnen de voorgeschreven termijnen, wordt, op initiatief van de Regering, hetzij het bericht waarbij de bevoegde overheid de stilzwijgende goedkeuring van het plan of programma constateert, hetzij het bericht waarbij vastgesteld wordt dat het plan geacht wordt geweigerd te zijn in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

Als het project bij gebrek aan uitdrukkelijke beslissing van de bevoegde overheid binnen de voorgeschreven termijnen geacht wordt geweigerd of toegekend te zijn, bepaalt het bericht bedoeld in artikel D.29-22 dat hetzij de aanvraag geweigerd wordt, hetzij de beslissing geacht wordt toegekend te zijn, waarbij melding wordt gemaakt van het document waarin de beslissing vastligt, alsook van de informatie bedoeld in paragraaf 2, 2°, 5°, 6° en 7°.

Art. D.29-24. Gedurende de hele aanplakperiode kan de beslissing of het document waarin ze vastligt, met inbegrip van de milieuaangifte en de vastgelegde opvolgingsmaatregelen bedoeld in artikel D.29-22, § 2, derde lid, 3° en 4°, ingekeken worden volgens de modaliteiten bedoeld in artikel D.29-16.

Na afloop van de aanplaktermijn maakt de burgemeester een attest op ter bevestiging van de aanplakking. HOOFDSTUK V. - Begeleidingscomité Art. D.29-25. Voor de projecten van categorie B of C kan de bevoegde overheid bovenop de vergunning eisen dat een begeleidingscomité opgericht wordt.

Het begeleidingscomité is een orgaan waarbinnen de aanvrager, de overheid en de bevolking samenspraak kunnen houden over een toegelaten project.

Het kan op eigen initiatief of op verzoek advies uitbrengen aan de bevoegde overheid.

Art. D.29-26. Het begeleidingscomité is samengesteld uit : 1° vertegenwoordigers van elke gemeente waar een openbaar onderzoek voor het betrokken project is georganiseerd;2° vertegenwoordigers van de bevoegde overheid en de betrokken administraties;3° vertegenwoordigers van de plaatselijke bevolking, alsook deskundigen of vertegenwoordigers van verenigingen die ze uitnodigen;4° vertegenwoordigers van de aanvrager. De toelating vermeldt het aantal vertegenwoordigers per groep.

De milieuadviseur(s) van de gemeente(n) op het grondgebied waarvan een openbaar onderzoek is georganiseerd zijn lid van rechtswege van het begeleidingscomité.

De vertegenwoordigers van elke groep zijn zelfstandig en mogen met geen andere groep verbonden zijn, noch persoonlijk noch als bloedverwant tot de vierde graad.

Het comité kan voorgezeten worden door één van zijn leden of door een vertegenwoordiger van de dienst die er het secretariaat van waarneemt.

Art. D.29-27. Het opgerichte begeleidingscomité neemt tijdens zijn eerste vergadering een huishoudelijk reglement aan.

Het reglement bevat o.a. : 1° de oproepingsmodaliteiten;2° de modaliteiten voor de opstelling en de kennisgeving van de agenda;3° de modaliteiten betreffende het verloop van de vergaderingen;4° de periodiciteit van de vergaderingen. De notulen van elke vergadering van het begeleidingscomité worden door de voorzitter van het comité opgesteld. ». HOOFDSTUK II. - Wijzigings- en slotbepalingen Afdeling 1. - Boek I van het Milieuwetboek

Art. 6.In artikel D.10 van Boek I van het Milieuwetboek, zoals gewijzigd bij het decreet van 16 maart 2006, worden de bewoordingen « informatie, raadpleging en participatie van de bevolking en het nabuurschap « vervangen door de bewoordingen « inspraak van het publiek ».

Art. 7.In art. D.11. van Boek I van het Milieuwetboek worden de definities 3° tot 6° opgeheven.

Art. 8.Artikel D. 19, § 2, tweede lid, van Boek I van het Milieuwetboek, gewijzigd bij het decreet van 16 maart 2006, wordt vervangen door volgend lid : « De overheid mag een aanvraag niet weigeren : 1° als ze betrekking heeft op een dossier dat aan een openbaar onderzoek onderworpen wordt overeenkomstig de artikelen D.29.14 en D.29.15 2° of als ze betrekking heeft op informatie over milieuemissies, om één van de redenen bedoeld in paragraaf 1, a., d., f., g. en h. ».

Art. 9.In artikel D.41 van Boek I van het Milieuwetboek worden de bewoordingen « gedurende dertig dagen aan een openbaar onderzoek. De gemeentelijke overheden stellen de bevolking hiervan in kennis. Zij zamelen de opmerkingen van de bevolking in en zenden ze, eventueel met hun gemotiveerde adviezen, door naar de Regeringen » worden vervangen door de bewoordingen « aan een openbaar onderzoek volgens de modaliteiten van titel III van deel III van dit Wetboek ».

Art. 10.In artikel D. 43 van Boek I van het Milieuwetboek worden het derde en het vierde lid opgeheven.

Art. 11.Artikel D.49 van Boek I van het Milieuwetboek wordt vervangen als volgt: « Art. D.49. Voor de toepassing van dit deel wordt verstaan onder « vergunning » : a. de milieuvergunningen en de eenmalige vergunningen;b. de vergunningen verleend krachtens de artikelen 84, 89 en 127 van het 'CWATUP';c. de vergunningen voor de ontsluiting van de steenbergen, afgegeven krachtens het decreet van 9 mei 1985 met betrekking tot de ontsluiting van steenbergen;d. de door de Regering opgesomde bestuurshandelingen, genomen overeenkomstig wetten, decreten en reglementen, waarbij beslist wordt een project of een deel ervan uit te voeren of te laten uitvoeren.».

Art. 12.In art. D.57 van Boek I van het Milieuwetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1 worden de bewoordingen « van minstens zestig dagen » vervangen door de bewoordingen « volgens de modaliteiten van titel III van deel III van dit Wetboek »;2° paragraaf 2 wordt opgeheven.

Art. 13.Artikel D.58 van Boek I van het Milieuwetboek wordt opgeheven.

Art. 14.Het tweede en het derde lid van artikel D. 60 van Boek I van het Milieuwetboek worden opgeheven.

Art. 15.In paragraaf 3 van artikel D.61 van Boek I van het Milieuwetboek, gewijzigd bij het decreet van 10 november 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de bewoordingen « , een openbaar onderzoek » worden geschrapt;2° punt 1° wordt opgeheven;3° punt 2° wordt punt 1° en punt 3° wordt punt 2°.

Art. 16.In artikel D.70 van Boek I van het Milieuwetboek worden tussen de woorden « ruimtelijke ordening » en « als » de bewoordingen « bedoeld in artikel 1 van het 'CWATUP' » ingevoegd.

Art. 17.Artikel D.71 van Boek I van het Milieuwetboek wordt opgeheven.

Art. 18.In artikel D.72 van Boek I van het Milieuwetboek worden tussen de bewoordingen « ruimtelijke ordening » en « of » de bewoordingen « bedoeld in artikel 1 van het 'CWATUP' » ingevoegd.

Art. 19.Artikel D.74 van Boek I van het Milieuwetboek, zoals gewijzigd bij het decreet van 10 november 2006, wordt vervangen als volgt : « Art. D.74. De projecten die het voorwerp zijn van een effectonderzoek worden aan een openbaar onderzoek onderworpen volgens de modaliteiten van titel III van deel III van dit Wetboek. ».

Art. 20.Artikel D.75 van Boek I van het Milieuwetboek wordt opgeheven.

Art. 21.Artikel D.76 van Boek I van het Milieuwetboek, gewijzigd bij het decreet van 10 november 2006, wordt opgeheven.

Art. 22.Artikel D.77 van Boek I van het Milieuwetboek wordt opgeheven.

Art. 23.In artikel D.86 van Boek I van het Milieuwetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het tweede lid van paragraaf 2 wordt vervangen door volgend lid : « Het ontwerp van milieuovereenkomst wordt aan een openbaar onderzoek onderworpen volgens de modaliteiten van titel III van deel III van dit Wetboek.»; 2° het tweede en het derde lid van paragraaf 2 worden opgeheven.3° paragraaf 4 wordt opgeheven. Afdeling 2. - Boek II van het Milieuwetboek

Art. 24.In artikel D.172, § 2, eerste lid, van Boek II van het Milieuwetboek worden de bewoordingen « na een openbaar onderzoek volgens de modaliteiten van Boek I van het Milieuwetboek » na de woorden « door de Regering » ingevoegd.

Art. 25.In artikel D.175, § 1, van Boek II van het Milieuwetboek worden de bewoordingen « na een openbaar onderzoek volgens de modaliteiten van Boek I van het Milieuwetboek » na het woord « vestigingsmodaliteiten » ingevoegd.

Art. 26.In art. D.177, tweede lid, van Boek II van het Milieuwetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in punt 1° worden in fine de bewoordingen « , na een openbaar onderzoek volgens de modaliteiten van Boek I van het Milieuwetboek » ingevoegd;2° in punt 2° worden in fine de bewoordingen « , na een openbaar onderzoek volgens de modaliteiten van Boek I van het Milieuwetboek » ingevoegd.

Art. 27.In artikel D.223 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid van paragraaf 1 wordt het woord « onderzoek » vervangen door de bewoordingen « een openbaar onderzoek volgens de modaliteiten van Boek I van het Milieuwetboek ».2° in punt 1° van paragraaf 3 worden de bewoordingen « de onderzoeken uit te voeren door de overheid die de aanvragen in ontvangst neemt » geschrapt. Afdeling 3. - Wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare

waterlopen;

Art. 28.In artikel 19 van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de cijfers « 3, 4, 8, 10, 11, 12, 13, 14 et 18 » vervangen door de cijfers « 8 en 13 ».2° tussen het eerste en het tweede lid wordt volgend lid ingevoegd : « De overeenkomstig de artikelen 3, 4, 11, 12 en 14 te nemen beslissingen worden voorafgegaan door een openbaar onderzoek volgens de modaliteiten omschreven in Boek I van het Milieuwetboek ». Afdeling 4. - Wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van

landeigendommen uit kracht van de wet

Art. 29.In artikel 6 van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de bewoordingen « Die stukken worden gedurende dertig dagen ter inzage neergelegd in het gemeentehuis van de gemeenten waarin de in het kavelplan opgenomen goederen zijn gelegen » vervangen door de bewoordingen « Die stukken worden aan een openbaar onderzoek onderworpen volgens de modaliteiten omschreven in Boek I van het Milieuwetboek ».2° het tweede en het vierde lid worden opgeheven;3° in het derde lid, dat het tweede lid wordt, worden de bewoordingen « van die neerlegging » vervangen door de bewoordingen « van het openbaar onderzoek ».

Art. 30.In artikel 7 van dezelfde wet worden het eerste en het tweede lid opgeheven.

Art. 31.In artikel 9 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de bewoordingen « in het gemeentehuis van de gemeenten waarin de binnen de blokgrens opgenomen goederen zijn gelegen;ieder belanghebbende mag er inzage van nemen » vervangen door de bewoordingen « volgens de modaliteiten omschreven in Boek I van het Milieuwetboek »; 2° in het tweede lid worden de bewoordingen « dat dit laatste slechts een termijn van vijftien dagen bestrijkt en » geschrapt.

Art. 32.In artikel 21 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de worden de bewoordingen « ten gemeentehuize van die gemeente waarin het betrekkelijk grootste gedeelte van het blok is gelegen, of ten zetel van het comité » vervangen door de bewoordingen « volgens de modaliteiten omschreven in Boek I van het Milieuwetboek ».2° in het eerste lid worden de bewoordingen « van artikel 6, tweede en vierde lid, alsmede de bepalingen » geschrapt;3° in het tweede lid worden de bewoordingen « van de neerlegging » vervangen door de bewoordingen « van het openbaar onderzoek ».

Art. 33.In artikel 24 van dezelfde wet worden de bewoordingen « een onderzoek de commodo et incommodo, aangekondigd door aanplakking » vervangen door de bewoordingen « een openbaar onderzoek volgens de modaliteiten omschreven in Boek I van het Milieuwetboek. ».

Art. 34.In artikel 35 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de worden de bewoordingen « gedurende dertig dagen op het gemeentehuis van de gemeenten op het grondgebied waarvan op het in het blok opgenomen gedeelte gelegen is dat relatief het grootste is » vervangen door de bewoordingen « volgens de modaliteiten omschreven in Boek I van het Milieuwetboek ».2° in het eerste lid worden de bewoordingen « van artikel 6, tweede en vierde lid, alsook de bepalingen » geschrapt;3° in het tweede lid worden de bewoordingen « van de indiening » vervangen door de bewoordingen « van het openbaar onderzoek ».

Art. 35.In artikel 42 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de worden de bewoordingen « gedurende dertig dagen ter inzage neergelegd ten gemeentehuize van die gemeente waarin het betrekkelijk grootste gedeelte van het blok is gelegen of ten zetel van het comité » vervangen door de bewoordingen « aan een openbaar onderzoek onderworpen volgens de modaliteiten omschreven in Boek I van het Milieuwetboek ».2° in het eerste lid worden de bewoordingen « van artikel 6, tweede en vierde lid, evenals de bepalingen » geschrapt. Afdeling 5. - Wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud

Art. 36.Artikel 14 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud wordt aangevuld met volgend lid : « Het bijzonder beheerplan wordt onderworpen aan de modaliteiten voor inspraak van het publiek inzake het leefmilieu waarin het Milieuwetboek voorziet ».

Art. 37.Artikel 22 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud wordt aangevuld met volgend lid : « De inrichting van de bosreservaten wordt onderworpen aan de modaliteiten voor inspraak van het publiek inzake het leefmilieu waarin Boek I van het Milieuwetboek voorziet »;

Art. 38.In artikel 25 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, zoals gewijzigd bij het decreet van 6 december 2001 betreffende de instandhouding van de Natura 2000-gebieden alsook van de wilde fauna en flora, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° paragraaf 3, tweede lid, wordt aangevuld als volgt : « Ze wordt onderworpen aan de modaliteiten voor inspraak van het publiek inzake het leefmilieu waarin het Milieuwetboek voorziet ». 2° paragraaf 4, derde lid, wordt vervangen door volgend lid : « Het declasseringsbesluit wordt onderworpen aan de modaliteiten voor inspraak van het publiek inzake het leefmilieu waarin het Milieuwetboek voorziet ».; 3° paragraaf 4 wordt opgeheven;4° paragraaf 5, derde lid, wordt vervangen door volgend lid : « Het declasseringsbesluit wordt onderworpen aan de modaliteiten voor inspraak van het publiek inzake het leefmilieu waarin het Milieuwetboek voorziet »;5° paragraaf 5, vierde lid, wordt opgeheven;6° paragraaf 6 wordt opgeheven.

Art. 39.In artikel 26 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, zoals gewijzigd bij het decreet van 6 december 2001 betreffende de instandhouding van de Natura 2000-gebieden alsook van de wilde fauna en flora, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt : « § 2.Het aanwijzingsbesluit wordt onderworpen aan de modaliteiten voor inspraak van het publiek inzake het leefmilieu waarin Boek I van het Milieuwetboek voorziet »; 2° in paragraaf 3, eerste lid, worden de bewoordingen « Binnen een maand vanaf de kennisgeving van het aanwijzingsbesluit aan de eigenaren en de gebruikers, » vervangen door de bewoordingen « Binnen de maand van de bekendmaking van het aanwijzingsbesluit in het Belgisch Staatsblad krachtens de openbaarheid van de beslissingen waarin Boek I van het Milieuwetboek voorziet ». Afdeling 6. - Wet van 10 januari 1978 houdende bijzondere maatregelen

inzake ruilverkaveling van landeigendommen in der minne

Art. 40.In artikel 19 van de wet van 10 juli 1978 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt vervangen door volgend lid : « Het provinciaal comité onderwerpt de lijsten en tabellen waarin artikel 18 voorziet aan een openbaar onderzoek volgens de modaliteiten omschreven in Boek I van het Milieuwetboek »;2° het tweede en het derde lid worden opgeheven.

Art. 41.In artikel 45, eerste lid, van dezelfde wet wordt de tweede zin vervangen door volgende zin : « Te dien einde verzoekt het provinciaal comité de betrokken gemeenteraden om advies en gaat het over tot een openbaar onderzoek volgens de modaliteiten omschreven in Boek I van het Milieuwetboek. ». Afdeling 7. - Wet van 12 juli 1976 houdende bijzondere maatregelen

inzake ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet bij de uitvoering van grote infrastructuurwerken

Art. 42.In artikel 13 van de wet van 12 juli 1976 houdende bijzondere maatregelen inzake ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet bij de uitvoering van grote infrastructuurwerken worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de bewoordingen « gedurende dertig dagen ter inzage neergelegd in de gemeenten waar het comité zijn zetel gevestigd heeft » vervangen door de bewoordingen « ter inzage gelegd volgens de modaliteiten omschreven in Boek I van het Milieuwetboek »;2° het tweede en het vierde lid worden opgeheven.

Art. 43.Artikel 14 van dezelfde wet wordt opgeheven.

Art. 44.In artikel 37, tweede lid, van dezelfde wet worden de bewoordingen « te dien einde vraagt het comité het advies van de betrokken gemeenteraad, dat wordt gegeven na een onderzoek de commodo et incommodo, aangekondigd door aanplakking, en het advies van de bestendige deputatie » vervangen door de bewoordingen « te dien einde verzoekt het comité de betrokken gemeenteraad om advies en gaat het over tot een openbaar onderzoek volgens de modaliteiten omschreven in Boek I van het Milieuwetboek ».

Art. 45.In artikel 48 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de bewoordingen « gedurende dertig dagen ter inzage neergelegd ten zetel van het comité » vervangen door de bewoordingen « ter inzage gelegd volgens de modaliteiten omschreven in Boek I van het Milieuwetboek »;2° het tweede, vierde, vijfde en zesde lid worden opgeheven. Afdeling 8. - Decreet van 9 mei 1985 met betrekking tot de ontsluiting

van steenbergen

Art. 46.In artikel 3, eerste lid, worden de bewoordingen « en nadat het advies van een Commissie, die ze opricht en die uit de betrokken partijen bestaat werd ingewonnen » vervangen door de bewoordingen « na advies van een Commissie die ze instelt en na openbaar onderzoek volgens de modaliteiten omschreven in Boek I van het Milieuwetboek ».

Art. 47.In artikel 4, § 1, tweede lid, worden na de woorden « openbaar onderzoek in » de bewoordingen « volgens de modaliteiten omschreven in Boek I van het Milieuwetboek » ingevoegd. Afdeling 9. - Decreet van 16 juli 1985 betreffende de natuurparken

Art. 48.Artikel 4, § 1, vierde lid, van het decreet van 16 juli 1985 betreffende de natuurparken wordt vervangen als volgt : « Binnen twee maanden na de kennisgeving gaan de gemeenten over tot een openbaar onderzoek volgens de modaliteiten omschreven in Boek I van het Milieuwetboek ».

Art. 49.Artikel 5, § 3, van hetzelfde decreet wordt vervangen als volgt : « § 3. Het eindadvies van het studiecomité wordt neergelegd op het gemeentehuis van ieder van de betrokken gemeenten waar het ter inzage ligt van de inwoners.

Dezelfde regel is toepasselijk in geval van wijziging van de handeling waarbij het natuurpark is opgericht. ». Afdeling 10. - Decreet van 7 juli 1988 op de mijnen

Art. 50.In artikel 13 van het decreet van 7 juli 1988 op de mijnen worden de bewoordingen « afgegeven na een openbaar onderzoek georganiseerd volgens de modaliteiten van Boek I van het Milieuwetboek » na de bewoordingen « akte van mijnbouwvergunning » ingevoegd. Afdeling 11. - Decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen

Art. 51.Artikel 26, §§ 1, 2 en 3, van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen wordt opgeheven. Afdeling 12. - Decreet van 11 maart 1999 betreffende de

milieuvergunning

Art. 52.De artikelen 25 tot 29 van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning worden opgeheven.

Art. 53.Artikel 38 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.

Art. 54.Het tweede lid van artikel 39 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.

Art. 55.In artikel 40, § 2, 3°, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het programmadecreet van 3 februari 2005, worden de bewoordingen « overeenkomstig artikel 35 » geschrapt en worden de bewoordingen « overeenkomstig de modaliteiten van de artikelen D.29-25 en D.29-26 van Boek I van het Milieuwetboek » na de bewoordingen « of van het daarmee gelijkgestelde stuk, » ingevoegd.

Art. 56.In article 65, § 1, vijfde lid, van hetzelfde decreet worden de woorden « de artikelen 24 tot 26, § 2, eerste lid, en 27 tot 29, » vervangen door de woorden « volgens de modaliteiten omschreven in Boek I van het Milieuwetboek ».

Art. 57.Artikel 90 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het programmadecreet van 3 februari 2005, wordt vervangen als volgt : «

Art. 90.Er wordt een openbaar onderzoek georganiseerd volgens de modaliteiten omschreven in Boek I van het Milieuwetboek. ».

Art. 58.In artikel 93, § 4, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het programmadecreet van 3 februari 2005, worden de bewoordingen « de artikelen 36 en 38 » vervangen door de bewoordingen « artikel 36 » en worden de woorden « zijn van toepassing » vervangen door de woorden « is van toepassing ».

Art. 59.In artikel 95, § 2, 3°, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het programmadecreet van 3 februari 2005, worden de bewoordingen « overeenkomstig artikel 93 » vervangen door de bewoordingen « overeenkomstig de modaliteiten van de artikelen D.29-25 en D.29-26 van Boek I van het Milieuwetboek ». Afdeling 13. - Decreet van 4 juli 2002 op de steengroeven en tot

wijziging van sommige bepalingen van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning

Art. 60.In artikel 6, tweede lid, van het decreet van 4 juli 2002 op de steengroeven en tot wijziging van sommige bepalingen van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning worden na de woorden « openbaar onderzoek » de bewoordingen « volgens de modaliteiten omschreven in Boek I van het Milieuwetboek » toegevoegd.

Art. 61.In artikel 9, § 1, eerste lid, van het decreet van 4 juli 2002 op de steengroeven en tot wijziging van sommige bepalingen van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de bewoordingen « dat veertien dagen duurt » worden geschrapt;2° de bewoordingen « volgens de modaliteiten omschreven in Boek I van het Milieuwetboek » worden na de woorden « door de onteigenende instantie wordt ingesteld » ingevoegd. HOOFDSTUK III. - Overgangs- en slotbepalingen

Art. 62.De procedures tot aanneming van handelingen betreffende projecten, opgestart vóór de inwerkingtreding van dit decreet, worden geregeld door de teksten die van kracht zijn de dag waarop de procedure is opgestart.

Art. 63.In afwijking van artikel D.5-1, § 2, van Boek I van het Milieuwetboek, zoals gewijzigd bij artikel 2 van dit decreet, mag elke persoon die op de datum van inwerkingtreding van dit decreet een functie van milieuadviseur uitoefent zonder diploma, vorming of ervaring bedoeld in artikel D.5-1, § 2, van Boek I van het Milieuwetboek die functie blijven uitoefenen voor zover hij een milieuopleiding volgt volgens de modaliteiten die de Regering bepaalt.

Art. 64.Dit decreet treedt in werking op de datum die de Regering bepaalt.

Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Namen, 31 mei 2007.

De Minister-President, E. DI RUPO De Minister van Huisvesting, Vervoer en Ruimtelijke Ontwikkeling, A. ANTOINE De Minister van Begroting, Financiën, Uitrusting en Patrimonium, M. DAERDEN De Minister van Vorming, Mevr. M. ARENA De Minister van Binnenlandse Aangelegenheden en Ambtenarenzaken, Ph. COURARD De Minister van Onderzoek, Nieuwe Technologieën en Buitenlandse Betrekkingen, Mevr. M.-D. SIMONET De Minister van Economie, Tewerkstelling en Buitenlandse Handel, J.-C. MARCOURT De Minister van Gezondheid, Sociale Actie en Gelijke Kansen, Mevr. Ch. VIENNE De Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme, B. LUTGEN _______ Nota (1) Zitting 2006-2007. Stukken van het Waals Parlement. - 595 (2006-2007) Nrs. 1 tot 4.

Volledig verslag. - Openbare vergadering van 30 mei 2007.

Bespreking - Stemmingen.

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^