Document Betreffende De Rechterlijke Ordre van 08 maart 2009
gepubliceerd op 19 maart 2009
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit tot uitvoering van de wet van 25 april 2007 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakorganisaties van de griffiers van de Rechterlijke Orde, de referendarissen bij het Hof van Cassatie en de referendarissen en parket

bron
federale overheidsdienst justitie
numac
2009009193
pub.
19/03/2009
prom.
08/03/2009
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

8 MAART 2009. - Koninklijk besluit tot uitvoering van de wet van 25 april 2007 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakorganisaties van de griffiers van de Rechterlijke Orde, de referendarissen bij het Hof van Cassatie en de referendarissen en parketjuristen bij de hoven en rechtbanken


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 25 april 2007 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakorganisaties van de griffiers van de Rechterlijke Orde, de referendarissen bij het Hof van Cassatie en de referendarissen en parketjuristen bij de hoven en rechtbanken;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 29 juli 2008;

Gelet op de akkoordbevinding van de Staatssecretaris voor Begroting van 7 oktober 2008;

Gelet op het advies 45.612/2 van de Raad van State, gegeven op 5 januari 2009, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.voor de toepassing van dit besluit moet worden verstaan onder : 1° « de wet » : de wet van 25 april 2007 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakorganisaties van de griffiers van de Rechterlijke Orde, de referendarissen bij het Hof van Cassatie en de referendarissen en parketjuristen bij de hoven en rechtbanken;2° « de Minister » : de Minister van Justitie;3° de « personeelsleden » : de griffiers van de Rechterlijke Orde, de referendarissen bij het Hof van Cassatie, en de referendarissen en de parketjuristen bij de hoven en rechtbanken;4° « de erkende vakorganisaties » : de vakorganisaties erkend overeenkomstig artikel 9 van de wet;5° « de representatieve vakorganisaties » de erkende vakorganisaties die in de zin van artikel 10, tweede lid, van de wet als representatief worden beschouwd;6° « de controlecommissie » : de in artikel 11 van de wet bedoelde commissie;7° « het bijdrageplichtig lid » : het personeelslid dat voor elke maand van de hierna gedefinieerde referteperiode waarin de refertedatum valt, de vakbondsbijdrage heeft betaald;8° « de refertedatum » : 30 juni van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin het begin van elke, in artikel 11, § 1, van de wet bedoelde periode van zes jaar valt of, in voorkomend geval, 30 juni van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de aanvraag tot tussentijdse controle bedoeld in artikel 11, § 2, van de wet is ingediend;9° De « referteperiode » : de periode van zes maanden vanaf de eerste dag van de vierde maand van het jaar waarin de refertedatum valt;10° « De vakbondsbijdrage » : de bijdrage die voor de maand waarin de refertedatum valt, ten minste gelijk is aan 0,74 pct.van de geïndexeerde gewaarborgde maandelijkse brutobezoldiging, zoals zij van toepassing is op 1 juli van het jaar dat aan de refertedatum voorafgaat.

Zij wordt berekend op basis van het laagste bedrag dat opgegeven is in artikel 3 van het koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende toekenning van een gewaarborgde bezoldiging aan sommige personeelsleden van de federale overheidsdiensten. Voor die berekeningen, wordt alleen het eindresultaat betreffende de maandelijkse bijdrage afgerond op die wijze dat, wanneer het berekende bedrag een gedeelte van een cent bevat, het tot de hogere of lagere cent wordt afgerond naar gelang het gedeelte van een cent al dan niet een half bereikt; 11° « de representativiteitsvoorwaarde » : de in artikel 10, tweede lid, a), van de wet bedoelde voorwaarde om als representatief te kunnen worden beschouwd;12° « het representativiteitscriterium » : het in artikel 10, tweede lid, 2°, b), van de wet bedoelde criterium inzake het aantal bijdrageplichtige leden van de vakorganisaties. HOOFDSTUK II. - De oprichting, de samenstelling en de werking van het onderhandelingscomité

Art. 2.Het onderhandelingscomité voor de griffiers, referendarissen en parketjuristen van de Rechterlijke Orde bedoeld in artikel 4 van de wet wordt opgericht. De Minister van Justitie of zijn behoorlijk gemachtigde afgevaardigde is er voorzitter van.

Art. 3.Het onderhandelingscomité beschikt over een secretariaat en een secretaris, aangewezen door de Minister.

Art. 4.De afvaardiging van de overheid mag zich doen vergezellen door deskundigen.

Art. 5.Elke representatieve vakorganisatie stelt, binnen de perken bepaald door het tweede en het derde lid, vrij haar afvaardiging samen.

Zij bestaat uit maximum drie leden.

De afvaardiging van elke vakorganisatie mag maximum twee deskundigen per punt op de agenda tellen.

Art. 6.Noch de afwezigheid van een of meer regelmatig opgeroepen leden van de afvaardiging van de overheid, noch de afwezigheid van een of meer regelmatig opgeroepen afvaardigingen van de vakorganisaties, maakt de onderhandelingen ongeldig.

Art. 7.Een aangelegenheid wordt aan onderhandeling onderworpen op initiatief van de overheid of van een representatieve vakorganisatie.

Art. 8.De onderhandeling bedoeld in artikel 3 van de wet en het overleg bedoeld in artikel 7 van de wet is niet vereist : 1° wanneer de te nemen maatregel betrekking heeft op de organisatie van 's lands veiligheid of defensie;2° bij natuurrampen in de zin van artikel 2 van de wet van 12 juli 1976 betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen;3° bij rampen en plagen, in de zin van artikel 135, § 2, 5°, van de Nieuwe Gemeentewet. De overheid is ertoe gehouden voor elke maatregel bedoeld in het eerste lid, haar beslissing niet tot onderhandelen of overleg over te gaan, met redenen te omkleden.

Art. 9.De voorzitter stelt de dagorde op, rekening houdend met de in artikel 7 bedoelde initiatieven. Hij bepaalt de datum van de vergaderingen. Hij leidt de debatten en handhaaft de orde in de vergadering.

De dagorde vermeldt voor elk punt binnen welke termijn de onderhandeling moet worden beëindigd.

Art. 10.De oproepingen met de dagorde worden door de secretaris ten minste tien werkdagen vóór de datum van de vergadering toegezonden aan de leden van de afvaardiging van de overheid en aan de representatieve vakorganisaties.

In dringende gevallen, waarover de voorzitter oordeelt, kan hij de termijn verminderen tot drie werkdagen, zonder dat zulks noodzakelijkerwijze de toepassing van artikel 11, derde lid, tot gevolg heeft.

Bij elke oproeping wordt de documentatie gevoegd die voor de onderhandeling nodig is.

Art. 11.De onderhandeling wordt beëindigd binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de dag van de vergadering waarop het punt voor het eerst ter sprake werd gebracht.

Bij onderlinge overeenkomst tussen de aanwezige afvaardigingen kan de termijn worden verlengd.

De voorzitter kan de termijn beperken tot tien dagen wanneer hij oordeelt dat een punt dringend moet worden behandeld.

Na het verstrijken van de vastgestelde termijn maakt de voorzitter het in artikel 13 bedoelde ontwerp van protocol op.

Art. 12.De secretaris stelt de notulen van de vergadering op.

De notulen van elke vergadering bevatten : 1° de dagorde;2° de naam van de aanwezige leden van de overheidsafvaardiging;3° de benaming van de aanwezige vakorganisaties, alsmede de naam van de aanwezige leden van de afvaardiging van die vakorganisaties;4° de naam van de deskundigen;5° de behandelde punten;6° de punten waarvoor de besprekingen zijn beëindigd. De notulen worden ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

Een afschrift van de notulen wordt verzonden naar ieder lid van de afvaardiging van de overheid en aan de vakorganisaties.

Art. 13.De voorzitter maakt het ontwerp van protocol op en legt het binnen vijftien werkdagen na de beëindiging van de onderhandeling, voor akkoord voor aan de andere leden van de afvaardiging van de overheid en aan de vakorganisaties.

De leden van de afvaardiging van de overheid en de vakorganisaties beschikken over een termijn van vijftien werkdagen om hun opmerkingen aan de voorzitter over te maken.

Wanneer er geen tekstwijziging wordt voorgesteld, dan wordt het ontwerp van protocol de definitieve tekst. In het andere geval worden de opmerkingen onderzocht tijdens een volgende vergadering. Op grond van dat onderzoek stelt de voorzitter de definitieve tekst van het protocol op.

Een afschrift van de definitieve tekst van het protocol wordt toegezonden aan de leden van de afvaardiging van de overheid en aan de vakorganisaties.

Art. 14.De verzending van de oproepingen met de dagorde, de documentatie, de notulen en het protocol gebeurt via elektronische weg en de termijn bedoeld in de artikelen 10 en 13 gaat in, de dag na de verzending van de e-mailberichten.

Op haar vraag ontvangt elke vakorganisatie een exemplaar van de vermelde documenten per brief.

Art. 15.De gevallen die niet voorzien zijn bij dit besluit, regelt het onderhandelingscomité bij huishoudelijk reglement.

Art. 16.De werkingskosten van het onderhandelingscomité komen ten laste van de begroting van Justitie. HOOFDSTUK III. - De oprichting, de samenstelling en de werking van het overlegcomité

Art. 17.Het overlegcomité voor de griffiers, referendarissen en parketjuristen van de Rechterlijke Orde bedoeld in artikel 8 van de wet, wordt opgericht. De minister van Justitie of zijn behoorlijk gemachtigde afgevaardigde zit het overlegcomité voor.

Art. 18.Per rechtsgebied van het hof van beroep wordt een basisoverlegcomité opgericht, dat uitsluitend bevoegd is voor aangelegenheden bedoeld in artikel 7 van de wet die het desbetreffende rechtsgebied niet overstijgen.

De Procureur-generaal bij het hof van beroep van het betreffende rechtsgebied of zijn afgevaardigde, is voorzitter van het basisoverlegcomité.

Art. 19.De voorzitter van het overlegcomité en van elk basisoverlegcomité wijst een secretaris aan.

Art. 20.De preventieadviseur is van rechtswege lid van elk overlegcomité bedoeld in artikel 17 en 18 voor de vergaderingen over aangelegenheden die in particuliere bedrijven zijn opgedragen aan de comités van Preventie en Bescherming op het werk.

Artikelen 4 tot en met 7, 9 tot en met 11, 14 tot en met 16 zijn overeenkomstig van toepassing op het overlegcomité en de basisoverlegcomités.

Art. 21.De secretaris stelt de notulen van de vergadering op.

De notulen van elke vergadering vermelden : 1° de dagorde;2° de naam van de aanwezige leden van de overheid, verontschuldigd of afwezig;3° de benaming van de aanwezige vakorganisaties, verontschuldigd of afwezig alsmede de naam van de aanwezige leden van de afvaardiging van die vakorganisaties, verontschuldigd of afwezig;4° de naam van de deskundigen;5° de beknopte uiteenzetting van de besprekingen;6° het met redenen omkleed advies. De notulen worden door de voorzitter en de secretaris ondertekend.

Art. 22.Een afschrift van de notulen wordt binnen vijftien werkdagen na de vergadering via elektronische weg verzonden naar de leden van de afvaardiging van de overheid, naar de vakorganisaties en, in voorkomend geval, naar de preventieadviseur.

De leden van de afvaardiging van de overheid, de vakorganisaties en, in voorkomend geval, de preventieadviseur beschikken over een termijn van vijftien werkdagen te rekenen vanaf de dag na de verzending van de e-mailberichten om hun opmerkingen mee te delen aan de voorzitter.

De voorzitter kan op voorstel van een afvaardiging en na de andere betrokken afvaardigingen binnen de voormelde termijn van vijftien werkdagen gehoord te hebben, die termijn wijzigen.

Wanneer er geen tekstwijziging wordt voorgesteld binnen de termijn, worden de notulen definitief.

De vraag om rechtzetting wordt door de voorzitter van het overlegcomité voorgelegd tijdens de volgende vergadering. Wanneer er geen overeenstemming wordt bereikt, worden de uiteenlopende standpunten in de notulen opgenomen.

Een afschrift van de notulen wordt aan de afvaardiging van de overheid, aan de vakorganisaties en in voorkomend geval aan de preventieadviseur gezonden.

Art. 23.De redenen waarom de beslissing van de overheid afwijkt van het met redenen omkleed advies dat door het overlegcomité is uitgebracht, worden binnen een maand na de beslissing meegedeeld aan de leden van de afvaardiging van de overheid, aan de vakorganisaties en, in voorkomend geval, aan de preventieadviseur. HOOFDSTUK IV. - De controle van de representativiteitsvoorwaarde

Art. 24.Een erkende vakorganisatie die krachtens artikel 10, tweede lid, 2°, van de wet wenst zitting te hebben in de onderhandelings- of overlegcomités, dient met dat doel een aanvraag in bij de Minister.

De aanvraag wordt ondertekend door een verantwoordelijke leider en bij een ter post aangetekende brief verzonden.

Art. 25.De Minister onderzoekt binnen de zestig dagen na de ontvangst van de aanvraag of de vakorganisatie aan de representativiteitsvoorwaarde voldoet.

Zo ja, dan brengt hij zijn beslissing onmiddellijk ter kennis van de vakorganisatie.

Zo neen, of wanneer blijkt dat de verschafte gegevens hem niet in staat stellen te oordelen, dan deelt hij zijn bevindingen onverwijld mee aan de vakorganisatie en verzoekt hij haar binnen de door hem vastgestelde termijn van ten minste dertig dagen uitleg te verschaffen. De niet-naleving van die termijn heeft de uitsluiting van het vervolg van de controleverrichtingen tot gevolg.

De Minister deelt zijn uiteindelijke beslissing mee binnen de dertig dagen na het verstrijken van die termijn.

Deze mededelingen aan de Minister en aan de vakorganisaties gebeuren bij een ter post aangetekende brief.

Art. 26.Binnen een termijn van tien dagen volgend op zijn eindbeslissing, deelt de Minister aan de controlecommissie de lijst mee van de vakorganisaties die aan de representativiteitsvoorwaarde voldoen. HOOFDSTUK V. - Controle van het representativiteitscriterium

Art. 27.De periode voor de controle van het representativiteitscriterium, bedoeld in artikel 11, van de wet vangt aan op de eerste dag van de maand volgend op de inwerkingtreding van dit besluit.

Art. 28.Zodra de controlecommissie de lijst ontvangt van de vakorganisaties die vragen om zitting te hebben in de comités voor de griffiers, referendarissen en parketjuristen van de Rechterlijke Orde, onderzoekt zij of de betrokken vakorganisaties voldoen aan het criterium betreffende het aantal bijdrageplichtige leden bedoeld in artikel 10, tweede lid, 2°, b), van de wet.

De controlecommissie nodigt elke vakorganisatie uit om een afgevaardigde aan te wijzen om haar te vertegenwoordigen bij de controleactiviteiten die de betrokken vakorganisatie aanbelangen.

De controlecommissie sluit dit onderzoek zo snel mogelijk af en uiterlijk binnen de zes maanden na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde lijst.

Binnen de tien dagen die volgen op het einde van het onderzoek deelt de controlecommissie haar beslissing mee aan de betrokken vakorganisaties, alsmede aan de Minister.

Art. 29.Binnen de twee maanden na ontvangst van de kennisgeving bedoeld in artikel 28 laat de Minister de lijst van de representatieve vakorganisaties bekendmaken in het Belgisch Staatsblad. HOOFDSTUK VI. - De vertegenwoordigers van de vakorganisaties en de syndicale prerogatieven van de personeelsleden

Art. 30.De vakorganisatieafgevaardigden zijn : 1° de verantwoordelijke leiders van een vakorganisatie vermeld op de lijst bedoeld in artikel 9 van de wet.2° de vaste afgevaardigden van de representatieve vakorganisaties, dit wil zeggen de personeelsleden die regelmatig en doorlopend de beroepsbelangen van het personeel behartigen en die als zodanig erkend zijn en met verlof zijn gesteld;3° de leden van de afvaardiging van de vakorganisatie die vertegenwoordigd is in het onderhandeling- of het overlegcomité, alsook de deskundigen van die afvaardiging;4° de personeelsleden die aangewezen zijn door een vakorganisatie om een of meer prerogatieven uit te oefenen die aan deze organisatie worden verleend krachtens artikelen 12 en 13 van de wet;5° de afgevaardigde van een vakorganisatie bij de controlecommissie;6° de personen die deelnemen aan de werkzaamheden van de in een vakorganisatie opgerichte algemene commissies en comités.

Art. 31.Elke representatieve vakorganisatie zendt aan de Minister, met het oog op de erkenning, een lijst van twee leden die door haar kunnen worden aangewezen als vaste afgevaardigde.

De erkenning blijkt uit de goedkeuring van de lijsten door de Minister, waarvan kennis wordt gegeven aan de betrokken representatieve vakorganisatie.

Art. 32.De erkenning van een lid van een representatieve vakorganisatie als vaste afgevaardigde, als bedoeld in artikel 31, kan door de Minister worden geweigerd bij een gemotiveerde en enkel op gewichtige redenen gesteunde beslissing.

De Minister neemt zijn beslissing, na advies van het onderhandelingscomité en na de betrokkene te hebben gehoord, in voorkomend geval bijgestaan door een persoon van zijn keuze, en door een of meer verantwoordelijke leiders van de betrokken vakorganisatie.

De Minister brengt zijn beslissing tot weigering ter kennis bij ter post aangetekende brief, aan de betrokkene, alsook aan diens vakorganisatie.

Art. 33.De Minister geeft een legitimatiekaart af, waarvan hij het model bepaalt, aan de in artikel 30, 1° en 2°, bedoelde vakorganisatieafgevaardigden.

Wanneer de lijst van verantwoordelijke leiders, bedoeld in artikel 9 van de wet uit meer dan zes personen bestaat, bekomen slechts de zes eerste personen de hoedanigheid van verantwoordelijke leider.

Zodra hun opdracht wordt beëindigd, wordt de Minister hiervan binnen de tien dagen verwittigd door de betrokken vakorganisatie. De betrokkene zendt binnen dezelfde termijn zijn legitimatiekaart terug aan de minister.

Art. 34.De erkenning kan door de Minister worden ingetrokken bij een gemotiveerde en enkel op gewichtige redenen gesteunde beslissing.

De Minister neemt zijn beslissing, na advies van het onderhandelingscomité en na de betrokkene, in voorkomend geval bijgestaan door een persoon van zijn keuze, en door een of meer verantwoordelijke leiders van de betrokken vakorganisatie, te hebben gehoord.

De Minister brengt zijn beslissing tot intrekking ter kennis bij brief, aan de betrokkene, alsook aan diens vakorganisatie. De beslissing heeft uitwerking drie dagen na de datum van de verzending van de beslissing tot intrekking.

Art. 35.Het aantal als vaste afgevaardigden erkende personeelsleden wordt beperkt tot twee per representatieve vakorganisatie.

De bezoldiging valt ten laste van de begroting van de Federale Overheidsdienst Justitie.

Art. 36.§ 1. Zodra hij erkend wordt, is de vaste afgevaardigde van rechtswege met vakbondsverlof.

Als zodanig is hij niet onderworpen aan het hiërarchisch gezag. Hij wordt niettemin geacht in werkelijke dienst te zijn. Hij blijft onderworpen aan de bepalingen die zijn persoonlijke rechten in die stand regelen, inzonderheid zijn recht op wedde, op bevordering in zijn loonschaal en op een bevordering. § 2. Het als vaste afgevaardigde erkende personeelslid waarop op de datum van zijn erkenning een stelsel van beoordeling, van waardebepaling of van gelijkwaardig rapport toepasselijk is, behoudt gedurende zijn vakbondsverlof de jongste hem voor zijn erkenning verleende vermelding.

Indien hij voor zijn erkenning niet het voorwerp heeft uitgemaakt van zodanige beoordeling, een waardebepaling of een gelijkwaardig rapport, wordt er hem tijdens zijn vakbondsverlof geen toegekend. § 3. Aan het vakbondsverlof van de vaste afgevaardigde wordt een einde gemaakt wanneer hij erom verzoekt, op vraag van zijn vakorganisatie, wanneer zijn erkenning wordt ingetrokken of wanneer zijn vakorganisatie niet meer als representatief wordt beschouwd.

De vaste afgevaardigde wordt aan het einde van zijn vakbondsverlof tewerkgesteld in een betrekking die overeenstemt met zijn graad en, in de mate van het mogelijke, in de functie die hij bekleedde.

Art. 37.Een in artikel 30, 3°, bedoelde afgevaardigde die vooraf aan zijn hiërarchische meerdere een van een verantwoordelijke leider uitgaande persoonlijke occasionele oproeping of doorlopende opdracht voorlegt, verkrijgt van rechtswege voor de nodige tijd, vakbondsverlof om deel te nemen aan de vergaderingen van de onderhandelings- en overlegcomités. Voor de verantwoordelijke leiders moet de oproeping of de doorlopende opdracht uitgaan van een andere verantwoordelijke leider.

De occasionele oproeping vermeldt de plaats, de dag en het uur van de vergaderingen.

Art. 38.Voor de in artikel 30, 4°, 5° en 6°, bedoelde afgevaardigde, wordt er van rechtswege voor de nodige tijd, vakbondsverlof toegekend op een van een verantwoordelijke leider uitgaande persoonlijke occasionele oproeping of doorlopende opdracht. Per kalenderjaar wordt het aantal dagen vakbondsverlof voor een representatieve vakorganisatie beperkt tot een maximum contingent van 2 000 dagen.

Voor een niet representatieve vakorganisatie wordt het maximum contingent vastgesteld op 50 dagen.

De oproeping of opdracht vermeldt de plaats, de dag en het uur van de vergaderingen.

Art. 39.Een personeelslid bekomt, gedurende de daartoe benodigde tijd, vakbondsverlof, op basis van een persoonlijke occasionele oproeping door een verantwoordelijke leider die betrokkene ten minste drie werkdagen vooraf voorlegt aan zijn hiërarchische meerdere om : 1° deel te nemen aan de werkzaamheden van het onderhandelings- of overlegcomités;2° deel te nemen aan de werkzaamheden van de in de vakorganisatie opgerichte algemene commissies en comités;3° een van de prerogatieven die opgesomd zijn in de artikelen 12, 1°, 2° en 3°, en 13, 1°, 2° en 3°, van de wet uit te oefenen. Is het betrokken personeelslid een verantwoordelijke leider, dan moet de uitnodiging uitgaan van een andere verantwoordelijke leider.

Art. 40.Op voorafgaand verzoek van een verantwoordelijke leider aan de korpschef verkrijgen de personeelsleden, behalve bij volstrekte onverenigbaarheid met de behoefte van de dienst, gedurende de daarvoor nodige tijd, dienstvrijstelling om deel te nemen aan de vergaderingen die de representatieve vakorganisaties in de lokalen organiseren.

Art. 41.Aanvragen voor vakbondsverlof en de dienstvrijstelling kunnen elektronisch worden verstuurd.

Art. 42.Het personeelslid- vakorganisatiesafgevaardigde wordt tijdens de duur van zijn permanent syndicaal verlof, van zijn syndicaal verlof of van zijn dienstvrijstelling om syndicale redenen beschouwd als zijnde in werkelijke dienst wat zijn statutaire rechten betreft.

Voor de toepassing van de wetgeving inzake de arbeidsongevallen en de ongevallen op weg naar en van het werk, wordt het personeelslid- vakorganisatieafgevaardigde tijdens de duur van zijn vakbondsverlof of van zijn vrijstelling van dienst om syndicale redenen en voor de uitoefening van zijn vakorganisatieopdracht geacht zich te bevinden op de plaats waar het zijn functies uitoefent.

Art. 43.De bepalingen betreffende de tuchtregeling en de tuchtstraffen, en schorsing in het belang van de dienst, mogen niet worden toegepast op de vakorganisatieafgevaardigden voor de handelingen die zij in die hoedanigheid verrichten en die rechtstreeks verband houden met de door hen uitgeoefende prerogatieven. Ze blijven evenwel gehouden aan de regels van onverenigbaarheden voorzien voor hun functie in de artikelen 293 tot en met 299 van het Gerechtelijk Wetboek.

De adviezen en beoordelingen uitgebracht in het raam van tuchtprocedures, procedures inzake bevordering, ambtsontheffing en beoordeling van de morele hoedanigheden of de beroepsbekwaamheden mogen niet steunen op de handelingen verricht als syndicale afgevaardigde, noch ervan gewag maken. HOOFDSTUK VII. - Uitoefening van de prerogatieven

Art. 44.De vakorganisaties oefenen de prerogatieven uit voor het personeel waarvan zij de beroepsbelangen behartigen.

Art. 45.De bevoegde overheid bepaalt bij onderlinge overeenkomst met de betrokken representatieve vakorganisaties de dagen en uren waarop zij in de lokalen van de diensten de vakbondsbijdrage mogen innen.

Art. 46.Iedere representatieve vakorganisatie heeft het recht om zich door een afgevaardigde te laten vertegenwoordigen in de examencommissie van elk vergelijkend examen, van elke proef of van elk examen georganiseerd voor de personeelsleden die ze vertegenwoordigt.

Art. 47.De afgevaardigde moet zich onthouden van iedere bemoeiing met het normaal verloop van het vergelijkend examen, van de proef of van het examen, en mag niet deelnemen aan de beraadslaging van de examencommissie. Hij mag geen kennis nemen van de notulen van de verrichtingen, noch een afschrift ervan ontvangen. Hij mag evenwel zijn opmerkingen over het verloop van het vergelijkend examen, van het examen of de proef doen aantekenen in een bijlage bij de notulen.

Art. 48.Plaats, dag en uur van de vergaderingen bedoeld in artikel 13, 4°, van de wet, worden bij onderlinge overeenkomst met de bevoegde overheid bepaald. HOOFDSTUK VIII. - Slotbepalingen

Art. 49.Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de maand volgend op de datum van publicatie in het Belgisch Staatsblad.

Art. 50.De Minister bevoegd voor Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 8 maart 2009.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Justitie, S. DE CLERCK

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^