Document van 07 juni 2013
gepubliceerd op 10 september 2013
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse besluiten inzake leefmilieu houdende omzetting van Europese richtlijnen en andere diverse wijzigingen

bron
vlaamse overheid
numac
2013035649
pub.
10/09/2013
prom.
07/06/2013
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

7 JUNI 2013. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse besluiten inzake leefmilieu houdende omzetting van Europese richtlijnen en andere diverse wijzigingen


Verslag aan de leden van de Vlaamse Regering 1. Algemene toelichting Dit ontwerpbesluit wijzigt : - titel I en titel II van het VLAREM en de bijlagen, - het koninklijk besluit van 24 februari 1977 houdende vaststelling van geluidsnormen voor muziek in openbare en private inrichtingen, - het VLAREBO, - het Milieuhandhavingsbesluit en - het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten5 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties en de inzet van flexibele mechanismen Hieronder worden de voornaamste wijzigingen algemeen toegelicht. 1. Omzetting richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies 1.1. Inleiding Op 17 december 2010 werd de richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (afgekort : richtlijn industriële emissies, hierna RIE) gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (1). De RIE is in werking getreden op 6 januari 2011 en moet door de lidstaten binnen de 2 jaar in de nationale wetgeving omgezet worden (uiterlijk op 7 januari 2013). Met uitzondering van een aantal bepalingen voor welbepaalde bestaande installaties waarvoor de toepassing van de nationale omzettingsmaatregelen mag worden uitgesteld tot op een in de RIE bepaald tijdstip, moeten de nationale omzettingsmaatregelen worden toegepast vanaf 7 januari 2013.

De RIE herziet en herschikt de volgende afzonderlijke richtlijnen tot één enkel juridisch instrument : de GPBV-richtlijn, de drie TiO2-richtlijnen, de VOS/oplosmiddelenrichtlijn, de afvalverbrandingsrichtlijn, de GSI-richtlijn.

Met dit ontwerpbesluit wordt gevolg gegeven aan de vereiste aanpassingen van de milieuhygiëneregelgeving aan de eisen van de RIE. De krachtlijnen van deze aanpassingen worden in de volgende hoofdstukken toegelicht. 1.2. Historiek van de richtlijn industriële emissies en eerdere omzettingen in Vlaamse wetgeving 1.2.1. Europese beleid inzake industriële emissies De doelstellingen en beginselen van het milieubeleid van de Europese Unie hebben betrekking op het voorkomen, terugdringen en zoveel mogelijk elimineren van verontreiniging door deze bij voorrang aan de bron te bestrijden en te zorgen voor een voorzichtig beheer van natuurlijke hulpbronnen overeenkomstig het beginsel dat de vervuiler betaalt en het preventiebeginsel.

In het vijfde milieuactieprogramma van de Europese Commissie (P.B. 17 mei 1993), werd prioriteit verleend aan geïntegreerde bestrijding van verontreiniging als een belangrijk onderdeel van het streven naar een duurzamer evenwicht tussen menselijke activiteit en sociaaleconomische ontwikkeling enerzijds en de instandhouding van de hulpbronnen en het regeneratievermogen van de natuur anderzijds.

Een geïntegreerde benadering was noodzakelijk gezien afzonderlijke initiatieven ter bestrijding van emissies in de lucht, het water of de bodem ertoe kunnen leiden dat verontreiniging van het ene milieucompartiment naar het andere wordt overgeheveld, in plaats dat het milieu in zijn geheel wordt beschermd.

Met het oog op het voorgaande werd in 1996 door de Europese Raad de Europese richtlijn 96/61/EG van 24 september 1996 inzake de geïntegreerde preventie en beperking van verontreiniging goedgekeurd, ook gekend als GPBV-richtlijn (in het Engels : Integrated Pollution Prevention and Control, afgekort IPPC). Met deze richtlijn werd getracht te komen tot een geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging die door grote industriële installaties wordt veroorzaakt en dit via een systeem van vergunningsvoorwaarden op basis van de beste beschikbare technieken (BBT), zodoende dat de belangrijkste emissies naar water, lucht en bodem en andere milieueffecten worden aangepakt.

De GPBV-richtlijn werd sinds de inwerkingtreding vier maal gewijzigd.

De eerste wijziging had tot doel de GPBV-richtlijn in overeenstemming te brengen met het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (2). De tweede wijziging had tot doel de GPBV-richtlijn en de richtlijn Handel in Broeikasgasemmissierechten voor vaste installaties onderling af te stemmen (3). De laatste twee wijzigingen handelden over de comitologieprocedure (4) en het Europees emissieregister van verontreinigende stoffen (European Pollutant Emission Register of EPER) (5).

De GPBV-richtlijn werd gecodificeerd tot richtlijn 2008/1/EG van 15 januari 2008 (6). Dit betekent dat alle inmiddels goedgekeurde wijzigingen aan de oorspronkelijke GPBV-richtlijn van 1996 geïntegreerd werden tot één nieuwe richtlijn en de artikelen hernummerd. Richtlijn 2008/1/EG werd op zijn beurt gewijzigd in het kader van de invoering van een systeem van geologische opslag van kooldioxide (7).

Uit het verslag van de Commissie van 2005 over de uitvoering van GPBV-richtlijn (8) bleek dat een herziening van de GPBV-richtlijn noodzakelijk was om : - bepaalde technische en juridische aspecten uit te klaren; - voldoende bij te dragen tot de ontwikkelde thematische strategieën (bodem, lucht, water en afval); - de bestaande wetgeving inzake industriële emissies beter te stroomlijnen (de GPBV-richtlijn en relevante sectorale wetgeving, zoals de richtlijnen inzake grote stookinstallaties, afvalverbranding en het gebruik van organische oplosmiddelen); - het dynamisch concept van Beste Beschikbare Technieken (BBT) door het gebruik van mogelijke marktgebaseerde instrumenten en andere stimuleringsmaatregelen te versterken.

De Commissie concludeerde bijgevolg om de wetgeving met betrekking tot industriële installaties te herzien teneinde de bestaande bepalingen te vereenvoudigen en te verduidelijken, de administratieve belasting te verminderen en uitvoering te geven aan de conclusies van de verschillende mededelingen van de Commissie van 21 september 2005 over de thematische strategie inzake luchtverontreiniging, van 22 september 2006 over de thematische strategie inzake bodembescherming en van 21 december 2005 over de thematische strategie inzake afvalpreventie en afvalrecycling, die ten vervolge op Besluit nr. 1600/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juli 2002 tot vaststelling van het Zesde Milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap werden aangenomen. Die mededelingen omvatten doelstellingen inzake bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu die zonder een verdere vermindering van de door industriële activiteiten veroorzaakte emissies niet kunnen worden gehaald.

De wetgeving inzake industriële emissies bestond uit verschillende Europese richtlijnen die elk afzonderlijk tot doel hadden industriële installaties milieuhygiënisch te reguleren inzake vergunningsprocedures, emissiegrenswaarden, monitoringseisen,... Het betrof de volgende richtlijnen, die verder nader worden toegelicht : - richtlijn 78/176/EEG van de Raad van 20 februari 1978 betreffende de afvalstoffen afkomstig van de titaandioxide-industrie; - richtlijn 82/883/EEG van de Raad van 3 december 1982 betreffende de voorschriften voor het toezicht op en de controle van de milieus die betrokken zijn bij lozingen van de titaandioxide-industrie; - richtlijn 92/112/EEG van de Raad van 15 december 1992 tot vaststelling van de procedure voor de harmonisatie van de programma's tot vermindering en uiteindelijke algehele opheffing van de verontreiniging door afval van de titaandioxide-industrie; (deze drie richtlijnen staan gezamenlijk bekend als de "TiO2-richtlijnen") - richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (de "GPBV-richtlijn"); - richtlijn 1999/13/EG van de Raad van 11 maart 1999 inzake de beperking van de emissie van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen bij bepaalde werkzaamheden en in installaties (de "VOS/oplosmiddelenrichtlijn"); - richtlijn 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2000 betreffende de verbranding van afval (de "richtlijn afvalverbranding"); - richtlijn 2001/80/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties (de "GSI-richtlijn").

De herziening van de GPBV-richtlijn en zes voornoemde sectorale richtlijnen zou gebeuren via de procedure van de « herschikking » tot één enkele richtlijn (9). Daardoor wordt de samenhang van de Europese wetgeving verbeterd en de complexiteit ervan verminderd.

Vervolgens startte de Commissie in 2006 ondersteunende studies ter herziening van de GPBV-richtlijn. Op basis van de resultaten van deze studies en consultaties van stakeholders, heeft de Commissie op 21 december 2007 uiteindelijk een voorstel voor een richtlijn inzake industriële emissies ingediend (10). Het voorstel was vergezeld van een mededeling van de Commissie (11) en een Impact Assessment (IA) (12).

De onderhandelingen op Europees niveau werden gestart in mei 2008 en werden beëindigd nadat volgens de codecisieprocedure in tweede lezing een akkoord bereikt werd en de definitieve nieuwe RIE goedgekeurd werd door het Europees Parlement op 7 juli 2010 en de Europese Raad op 8 november 2010. 1.2.2. Omzetting in Vlaamse wetgeving In België/Vlaanderen was lang voor de GPBV-richtlijn een milieuvergunningensysteem van kracht. Met het besluit van de Regent van 11 februari 1946 houdende goedkeuring van de titels I en II van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming (afgekort ARAB) werd de eerste gecoördineerde regelgeving vastgesteld. Deze ARAB-reglementering vertoonde al enkele kenmerken van de Europese GPBV-regelgeving die pas 50 jaar later zou worden uitgevaardigd. Als basis voor de milieuvergunningsplicht werd een lijst gebruikt met een indeling van de gevaarlijke, ongezonde of hinderlijke inrichtingen.

Voor de indeling van de inrichtingen werden vaak drempelwaarden voor « grootte » of « capaciteit » gebruikt. De lijst van ingedeelde inrichtingen was zeer uitgebreid en veel ruimer dan de huidige GPBV-lijst. De potentieel minder hinderlijke inrichtingen werden in tweede klasse ingedeeld. De vergunningverlenende bevoegdheid hiervoor werd op het niveau van de lokale overheden gelegd. De potentieel meer hinderlijke inrichtingen werden ingedeeld in eerste klasse. De provincies werden hiervoor als vergunningverlenende overheid aangeduid. Ook was er in deze vergunningsprocedure al inspraakmogelijkheid en beroepsmogelijkheid voor alle belanghebbenden voorzien.

Voor 1991 was er op vlak van milieuvergunningen nog geen geïntegreerde aanpak voor de verschillende milieucompartimenten. Ook de termijnen van de verschillende vergunningen waren verschillend.

Met het decreet betreffende de milieuvergunning van 28 juni 1985 werd in het Vlaams Gewest de geïntegreerde vergunning decretaal vastgelegd en werden verschillende vergunningssystemen samengevoegd in één vergunning. De doelstelling hierbij was de verwezenlijking van een geïntegreerde preventie en bestrijding van de verontreiniging ter bescherming van de mens en het leefmilieu. Voormeld decreet (artikel 20) bood de mogelijkheid aan de Vlaamse Regering om algemene of per categorie van inrichting geldende milieuvoorwaarden uit te vaardigen (dit werden de algemene en de sectorale voorwaarden van VLAREM II) en bepaalde dat de vergunningverlenende overheid bij het verlenen van een vergunning bijzondere vergunningsvoorwaarden kan opleggen. Deze decretaal geïntegreerde vergunning werd effectief in werking gesteld vanaf 1 september 1991 met het besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning van 6 februari 1991, verder genoemd VLAREM I. Zoals bij de ARAB-reglementering wordt ook bij deze VLAREM-reglementering als basis voor de milieuvergunningsplicht een indelingslijst gehanteerd, met als verschil dat een derde klasse werd ingevoerd voor louter meldingsplichtige inrichtingen.

Op 1 juni 1995 werden met het besluit van de Vlaamse Regering houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, verder genoemd VLAREM II, algemene en sectorale voorwaarden voor de preventie en bestrijding van verontreiniging voor hinderlijke inrichtingen ingevoerd.

Met het besluit van de Vlaamse Regering van 12 januari 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten6 werd de GPBV-richtlijn van 24 september 1996 volledig omgezet in VLAREM I en II. De volgende hoofdstukken van VLAREM I werden uitgebreid als gevolg van deze omzetting : - Hoofdstuk I. Definities - Hoofdstuk III. De vergunningsaanvraag - Hoofdstuk VIII. Beslissing over de vergunningsaanvraag - Hoofdstuk X. Procedures voor de behandeling van milieuvergunningsaanvragen, afdeling IV. Bijzondere bepalingen - Hoofdstuk XI. Exploitatievoorwaarden en verplichtingen van de exploitant - Bijlage I : de indelingslijst. Alle activiteiten van bijlage I van de GPBV-richtlijn (categorieën van industriële activiteiten) werden nog eens opgenomen met een bijzondere aanduiding « X ».

In VLAREM II werd in deel 2 « Milieukwaliteitsnormen en beleidstaken ter zake » een hoofdstuk 2.8 ingevoegd : « Beleidstaken ter zake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging ».

De wijzigingen van het VLAREM ter omzetting van de GPBV-richtlijn waren beperkt, gezien VLAREM de hoofdlijnen van de GPBV-richtlijn reeds bevatte.

De RIE is opgebouwd uit 7 hoofdstukken en 10 bijlagen. De volgende hoofdstukken komen aan bod : I. Gemeenschappelijke bepalingen (art. 1-9) II. Bepalingen voor de in bijlage I genoemde activiteiten (art. 10-27) III. Bijzondere bepalingen betreffende stookinstallaties (art. 28-41) IV. Bijzondere bepalingen betreffende afvalverbrandingsinstallaties en afvalmeeverbrandingsinstallaties (art. 42-55) V. Bijzondere bepalingen voor installaties waarin en activiteiten waarbij organische oplosmiddelen worden gebruikt (art. 56-65) VI. Bijzondere bepalingen voor installaties die titaandioxide produceren (art. 66-70) VII. Comité, overgangsbepalingen en slotbepalingen (art. 71-84) De hoofdstukken worden gevolgd door de volgende bijlagen : I. de in artikel 10 bedoelde categorieën van activiteiten (GPBV-activiteiten) II. lijst van verontreinigende stoffen III. criteria voor de bepaling van de beste beschikbare technieken IV. publieke inspraak in de besluitvorming V. technische bepalingen inzake stookinstallaties VI. technische bepalingen inzake afvalverbrandingsinstallaties en afvalmeeverbrandingsinstallaties VII. technische bepalingen voor installaties en activiteiten waarbij organische oplosmiddelen worden gebruikt VIII. technische bepalingen voor installaties die titaandioxide produceren IX. deel A : ingetrokken richtlijnen en opeenvolgende wijzigingen X. deel B : lijst van termijnen voor omzetting in nationaal recht XI. transponeringstabel Hierna worden de verschillende hoofdstukken van de RIE besproken.

Hierbij wordt de nadruk gelegd op de belangrijkste nieuwe en gewijzigde bepalingen ten opzichte van de afzonderlijke richtlijnen. 1.3. Gemeenschappelijke bepalingen (artikelen 1-9) Hierna worden de krachtlijnen van hoofdstuk I van de RIE uiteengezet.

In dit hoofdstuk worden alle bepalingen samengebracht die gemeenschappelijk zijn aan de verschillende soorten installaties (GPBV-installaties, grote stookinstallaties, afval(mee)verbrandingsinstallaties, gebruik van organische oplosmiddelen (VOS) en installaties voor de productie van titaandioxide). Het hoofdstuk omvat naast definities ook een aantal algemene bepalingen in verband met vergunningen, het principe van algemene bindende voorschriften, incidenten en ongevallen en de niet-naleving van de vergunningsvoorwaarden.

De definities die toepasselijk zijn op alle hoofdstukken van de richtlijn werden in dit hoofdstuk opgenomen. Verschillende definities werden ongewijzigd overgenomen uit de richtlijnen die in de herschikking zijn opgenomen. Andere definities zijn gewijzigd of na samenvoeging overgenomen. Er werden ook nieuwe definities toegevoegd.

Naast deze gemeenschappelijke definities bevat de RIE ook nog definities die enkel op een bepaald hoofdstuk toepasselijk zijn (zie hoofdstukken IV en V).

De gemeenschappelijke bepalingen met betrekking tot de vergunningsplicht, het verlenen van vergunningen en de algemene bindende voorschriften werden grotendeels gebaseerd op bepalingen van de afzonderlijke richtlijnen en voornamelijk de GPBV-richtlijn, mits enkele verduidelijkingen en aanpassingen.

Ook de gemeenschappelijke bepalingen inzake incidenten en ongevallen werden gebaseerd op bepalingen van de GPBV-richtlijn, maar er dient benadrukt te worden dat hierbij enkele significante wijzigingen zijn doorgevoerd. Zo wordt er nu een onderscheid gemaakt tussen de verplichtingen van de bevoegde autoriteit en die van de exploitant.

Dit onderscheid tussen verplichtingen van de bevoegde autoriteit en die van de exploitant werd ook doorgevoerd bij de gemeenschappelijke bepalingen inzake de niet-naleving van de vergunningsvoorwaarden.

Tevens bepaalt de RIE de randvoorwaarden tot opschorting van de exploitatie van een installatie bij inbreuk op de vergunningsvoorwaarden. 1.4. Bepalingen voor de in bijlage I genoemde activiteiten (GPBV-activiteiten) (artikelen 10-27) Hierna worden de krachtlijnen van hoofdstuk II van de RIE uiteengezet.

Dit hoofdstuk is van toepassing op de activiteiten vermeld in bijlage I (GPBV-activiteiten). Deze bepalingen vervangen de bepalingen van de richtlijn 2008/1/EG van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bescherming van verontreiniging (GPBV-richtlijn) die vanaf 7 januari 2014 wordt ingetrokken. Zoals voormeld heeft de GPBV-richtlijn de geïntegreerde preventie en bescherming van verontreiniging door een lijst van industriële activiteiten tot doel. Zij bevat maatregelen ter voorkoming en beperking van emissies in lucht, water en bodem, met inbegrip van maatregelen voor afvalstoffen, om een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel te bereiken. Belangrijke pijlers in deze richtlijn zijn de gecordineerde vergunningsprocedure enerzijds, en de toepassing van de beste beschikbare technieken anderzijds. In Vlaanderen worden momenteel ongeveer 1.400 activiteiten door de GPBV-richtlijn gevat waarvan ongeveer de helft betrekking heeft op intensieve veeteelt.

Verschillende bepalingen van de RIE werden grondig gewijzigd ten opzichte van de GPBV-richtlijn. Hierna worden de belangrijkste nieuwe bepalingen en wijzigingen uiteengezet. 1.4.1. Bepalingen om het gebruik van BBT te ondersteunen en te intensiveren Zoals reeds werd aangehaald is het van essentieel belang dat bij de afgifte van vergunningen een geïntegreerde benadering wordt toegepast die rekening houdt met de effecten op alle milieucompartimenten. De toepassing van de beste beschikbare technieken (BBT) vormt de kern van een dergelijke benadering. Daaronder wordt het gebruik verstaan van de bestaande technieken die het doeltreffendst zijn om een hoog beschermingsniveau voor het milieu als geheel te bereiken en waarvan de toepassing in de sector in kwestie, rekening houdend met de kosten en baten, economisch en technisch haalbaar is.

Een belangrijk knelpunt dat naar voor kwam bij het hiervoor vermelde herzieningsproces van de GPBV-richtlijn was de verduidelijking en de aanscherping van het begrip « beste beschikbare technieken », dit zowel met betrekking tot de BBT-referentiedocumenten, de BBT-conclusies als de ermee verbonden emissieniveaus. Uit verschillende studies is namelijk gebleken dat er tekortkomingen werden vastgesteld met de feitelijke toepassing van de BBT in de lidstaten. Een belangrijke doelstelling van de RIE bestaat dus uit het versterken van de rol van BBT en de BBT-referentiedocumenten in de vergunningsprocedure. In dit kader werden drie nieuwe definities opgenomen in de RIE : « BBT-conclusies », « met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus » en « BBT-referentiedocument ».

In de RIE wordt nu uitdrukkelijk bepaald dat de BBT-conclusies de referentie vormen voor de vaststelling van de vergunningsvoorwaarden.

De RIE stelt eveneens randvoorwaarden vast voor het opleggen van strengere vergunningsvoorwaarden dan haalbaar door gebruik te maken van BBT in de BBT-conclusies, voor het vaststellen van vergunningsvoorwaarden op basis van een beste beschikbare techniek die niet in één van de desbetreffende BBT-conclusies staat beschreven en voor het vaststellen van vergunningsvoorwaarden indien op een activiteit of productieproces geen BBT-conclusies van toepassing zijn.

Ook met betrekking tot de bepalingen inzake emissiegrenswaarden worden grondige wijzigingen doorgevoerd. De bepaling dat de emissiegrenswaarden, gelijkwaardige parameters en technische maatregelen gebaseerd moeten zijn op de beste beschikbare technieken blijft behouden. Er wordt bijkomend gesteld dat de bevoegde autoriteit emissiegrenswaarden vaststelt die waarborgen dat de emissies onder normale bedrijfsomstandigheden niet hoger zijn dan de met BBT geassocieerde emissieniveaus zoals vastgesteld in de BBT-conclusies.

Indien deze emissiegrenswaarden op vlak van waarden, perioden en referentieomstandigheden verschillen van deze met BBT geassocieerde emissieniveaus uit de BBT-conclusies, dan worden de nodige monitoringsverplichtingen voorzien om de conformiteit te toetsen.

In afwijking op het bovenvermelde geeft de RIE aan de bevoegde autoriteiten de mogelijkheid om in specifieke gevallen minder strenge emissiegrenswaarden vast te stellen, op basis van een beoordeling van de economische milieukosten en -baten en rekening houdend met de technische kenmerken of de geografische ligging of de plaatselijke milieuomstandigheden. De emissiegrenswaarden mogen echter niet hoger zijn dan de eventueel toepasselijke in de bijlagen bij de RIE opgenomen of nog vast te stellen emissiegrenswaarden die het zogenaamde "veiligheidsnet" vormen. Momenteel bestaat dergelijk « veiligheidsnet » alleen voor emissies door afval(mee)verbrandingsinstallaties, grote stookinstallaties, installaties en activiteiten waarbij organische oplosmiddelen worden gebruikt en installaties die titaandioxide gebruiken.

In de RIE wordt tevens bepaald dat de algemene bindende voorschriften moeten worden gebaseerd op de beste beschikbare technieken, zonder dat het gebruik van een techniek of een specifieke technologie wordt voorgeschreven.

In het VLAREM en bij de vergunningverlening werd reeds bij aanvang het principe van BBT als uitgangspunt gehanteerd. Toch hebben deze wijzigingen impact (zie artikelsgewijze bespreking).

Ook voor wat betreft de vergunningseisen inzake monitoring stelt de RIE dat deze gebaseerd moeten zijn op de in de BBT-conclusies beschreven conclusies inzake monitoring.

In de RIE wordt meer aandacht besteed aan de totstandkoming van de BBT-referentiedocumenten, de procedure inzake het vaststellen van besluiten met betrekking tot BBT-conclusies en de organisatie van de uitwisseling van informatie in het algemeen. Het onderwerp van de uitwisseling van informatie voor het opstellen, evalueren en actualiseren van de BBT-referentiedocumenten, ook het « Sevilla-proces » genoemd, wordt verder afgelijnd, zonder afbreuk te doen aan de bestaande gang van zaken. Verder bevat de RIE bepalingen over het Forum, opgericht door de Commissie, en stelt de taken van dit forum vast. De RIE bevat tevens ook de regelgevingsprocedure voor het vaststellen van besluiten door de Europese Commissie met betrekking tot de BBT-conclusies.

Om de rol van BBT en BBT-referentiedocumenten in de vergunningsprocedure te versterken is het belangrijk dat de bevoegde autoriteiten de ontwikkelingen op het gebied van de beste beschikbare technieken en de bekendmaking van nieuwe of bijgewerkte BBT-conclusies volgt of daarvan op de hoogte wordt gehouden. Dit wordt, samen met de eis om het betrokken publiek hierover te informeren, bepaald in de RIE. 1.4.2. Bepalingen inzake naleving en versterking van milieuverbeteringen Een belangrijk knelpunt dat naar voor kwam bij het herzieningsproces van de GPBV-richtlijn was de vaststelling van grote verschillen tussen de lidstaten bij de toepassing van de wetgeving, wat leidt tot een suboptimaal milieubeschermingsniveau, als gevolg van te vage bepalingen inzake naleving, inspectie en toetsing van de vergunningen.

De RIE bevat daarom specifiekere bepalingen om een doeltreffende uitvoering en handhaving van de richtlijn te garanderen.

Om aan dit knelpunt tegemoet te komen werden de bepalingen inzake toetsing en bijstelling van de vergunningsvoorwaarden in de RIE uitgebreid. De vergunningsvoorwaarden moeten nog steeds geregeld worden getoetst om de naleving van de richtlijn te garanderen en de RIE geeft ook aan in welke gevallen dergelijke toetsing zeker dient plaats te vinden. Er wordt nu ook een verplichting voor de exploitant opgenomen inzake het voorleggen van de voor de toetsing noodzakelijke gegevens. Een belangrijke nieuwe bepaling voor de bevoegde autoriteit is dat binnen de vier jaar na de bekendmaking van de besluiten over de BBT-conclusies, alle vergunningsvoorwaarden voor de betrokken installaties worden getoetst en indien noodzakelijk worden geactualiseerd. De bevoegde autoriteit ziet er tevens op toe dat de installatie aan die vergunningsvoorwaarden voldoet.

In dit kader wordt in de RIE ook meer aandacht besteed aan de eisen inzake algemene bindende voorschriften, met inbegrip van de verplichting voor de lidstaten om erop toe te zien dat de algemene bindende voorschriften gelijke tred houden met de ontwikkelingen op gebied van BBT, zodat kan worden voldaan aan de eisen inzake toetsing en bijstelling van de vergunningsvoorwaarden.

Zoals reeds werd aangehaald bij de gemeenschappelijke bepalingen, bepaalt de RIE dat de exploitant en de bevoegde autoriteit in geval van niet-naleving van de vergunningsvoorwaarden de noodzakelijke maatregelen moeten treffen.

De RIE besteedt aandacht aan de kwestie van inspectie van industriële installaties. Naast een nieuwe definitie voor « milieu-inspectie », wordt er tevens een systeem van inspectieplannen en -programma's ingevoerd. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat er voor alle installaties een milieu-inspectieplan op nationaal, regionaal of plaatselijk niveau is en zien er op toe dat dit plan geregeld wordt getoetst en waar nodig bijgewerkt. Ook wordt de inhoud van elk milieu-inspectieplan vastgelegd. Daarnaast wordt opgelegd dat de bevoegde autoriteit geregeld programma's voor routinematige milieu-inspecties opstelt en wordt de frequentie bepaald van de bezoeken ter plaatse rekening houdend met een systematische evaluatie van de milieurisico's van de betrokken installaties. Ook worden er eisen gesteld inzake niet-routinematige milieu-inspecties. Na elk bezoek ter plaatse wordt een verslag opgesteld dat vervolgens binnen vier maanden nadat het bezoek ter plaatse heeft plaatsgevonden, openbaar wordt gemaakt.

Ook bepaalt de RIE dat de lidstaten sancties dienen vast te stellen voor overtredingen van de nationale bepalingen die op grond van de richtlijn worden vastgesteld en somt zij de eisen op waaraan deze sancties moeten voldoen. 1.4.3. Bepalingen ter bevordering van innovatie en het inzetten van nieuwe technieken Ter bevordering van innovatie en nieuwe technieken bevat de RIE verschillende nieuwe bepalingen. Naast een nieuwe definitie voor « techniek in opkomst », biedt de richtlijn voor het testen en gebruiken van technieken in opkomst aan de bevoegde autoriteit de mogelijkheid om voor een totale periode van ten hoogste negen maanden een tijdelijke vrijstelling te verlenen van de eisen inzake emissiegrenswaarden, alsook van bepaalde verplichtingen van de exploitant, op voorwaarde dat na de vermelde periode hetzij met de techniek wordt gestopt, hetzij met de activiteit in kwestie de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus niet worden overschreden.

In dit kader wordt in de RIE tevens bepaald dat de lidstaten, waar passend, de ontwikkeling en de toepassing van technieken in opkomst stimuleren, in het bijzonder de in de BBT-referentiedocumenten vermelde technieken in opkomst. 1.4.5. Toegang tot informatie en deelneming van het publiek aan de vergunningsprocedure De bepalingen inzake de toegang tot informatie en de deelneming van het publiek aan de vergunningsprocedure worden in de RIE op enkele aspecten verder uitgebreid ten opzichte van de GPBV-richtlijn. 1.4.6. Bepalingen inzake bodem-gerelateerde aspecten Naast enkele bepalingen die nu reeds in de vergunningen zijn opgenomen met betrekking tot het nemen van maatregelen om bodem- en grondwaterverontreiniging te voorkomen, worden GPBV-bedrijven ingevolge de RIE in de toekomst geconfronteerd met extra analyses en rapportages die moeten toezien op de kwaliteit van de bodem en van het grondwater.

Om te verzekeren dat de exploitatie van een installatie niet resulteert in de verslechtering van de kwaliteit van de bodem en het grondwater, dienen de vergunningsvoorwaarden passende maatregelen te omvatten met het oog op het voorkomen van emissies in de bodem en het grondwater en te voorzien in een regelmatig toezicht op deze maatregelen teneinde lekken, verliezen, incidenten of ongevallen tijdens het gebruik van apparatuur en tijdens de opslag te voorkomen.

Met de RIE ligt de aandacht echter niet alleen op de preventie van bodem- en grondwaterverontreiniging, maar ook op het in kaart brengen van bestaande bodem- en grondwaterverontreiniging én op het saneren van de bodem en het grondwater.

De RIE bevat een aantal bepalingen die zeer specifiek betrekking hebben op de bodem en het grondwater. Het betreft de bepalingen rond het situatierapport, de periodieke monitoring van mogelijke bodem- en grondwaterverontreiniging en de sluiting van terreinen. Het toepassingsgebied van deze bepalingen wordt afgebakend door het begrip 'relevante gevaarlijke stoffen'. « Relevant » betekent « met een hoog potentieel voor bodem- en grondwaterverontreiniging ». De gevaarlijke stoffen zijn deze die de kwalificatie « gevaarlijk » verwerven op grond van artikel 3 van de CLP-verordening (13).

Dit heeft tot gevolg dat de verplichtingen vastgelegd in bovenvermelde bodem- en grondwatergerelateerde bepalingen enkel van toepassing zijn op die in bijlage 1 van de richtlijn opgenomen GPBV-bedrijven, die potentieel bodem- of grondwaterverontreiniging kunnen veroorzaken door het gebruik, de productie of de uitstoot van gevaarlijke stoffen.

Een uitzondering hierop zijn de verplichtingen rond de sluiting van terreinen zoals opgenomen in artikel 22(4) van de RIE. In dit laatste geval is het toepassingsgebied ruimer. Deze bepaling heeft met name betrekking op het gebruik, de productie of de uitstoot van alle gevaarlijke stoffen, en dus niet alleen die gevaarlijke afvalstoffen met een hoog potentieel voor bodem- of grondwaterverontreiniging. Deze bepaling is dan ook van toepassing op alle GPBV-bedrijven die opgenomen zijn in bijlage 1 van de richtlijn en die gevaarlijke stoffen gebruiken, produceren of uitstoten.

In Vlaanderen wordt het saneren van de verontreinigde bodem en het grondwater geregeld binnen het decreet van 27 oktober 2006Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten5 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (Bodemdecreet) en het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten7 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (VLAREBO). Voor een belangrijke deel van de bepalingen van de richtlijn die betrekking hebben op de bodem en het grondwater bestaat er nu reeds een uitgewerkte regeling in het Bodemdecreet en het VLAREBO. Op deze punten is de Vlaamse wetgeving reeds in overeenstemming met de bepalingen van de richtlijn en is geen verdere wetgevende actie vereist om in een omzetting van de richtlijn te voorzien.

Zo voorziet de huidige Vlaamse bodemwetgeving reeds in een periodieke bodemonderzoeksplicht voor de exploitanten van welbepaalde risico-inrichtingen en in een bodemonderzoeks- en saneringsverplichting voor de exploitanten bij de sluiting van risico-inrichtingen. De installaties opgesomd in bijlage 1 van de richtlijn die relevante gevaarlijke stoffen gebruiken, produceren of uitstoten vallen onder het toepassingsgebied van de voormelde verplichtingen van de Vlaamse bodemwetgeving. 1.4.7. Bijlage I : GPBV-activiteiten Het toepassingsgebied van bijlage I werd enigszins uitgebreid ten opzichte van de GPBV-richtlijn door de toevoeging van enkele extra activiteiten. Andere activiteiten werden geherformuleerd en verduidelijkt. Zoals reeds in hoofdstuk 1.1 werd aangegeven, werden alle activiteiten van bijlage I van de GPBV-richtlijn (categorien van industriële activiteiten) in het Vlaamse Gewest opgenomen in de indelingslijst (bijlage I van VLAREM I) met een bijzondere aanduiding « X ». Deze lijst is bijgevolg aangevuld en gewijzigd, conform de nieuwe bijlage bij de RIE. 1.4.8. Korte toelichting inzake de beoogde wijzigingen in de Vlaamse milieuregelgeving De omzetting van de hoofdstukken I en II van de RIE gebeurt via wijzigingen in en toevoegingen aan VLAREM I en II en het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten8 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (milieuhandhavingsbesluit). Deze wijzigingen en toevoegingen vinden hoofdzakelijk plaats in de volgende bepalingen : VLAREM I : - Hoofdstuk I. Definities - Hoofdstuk III. De vergunningsaanvraag - Hoofdstuk IIIbis. Verandering van een vergunde inrichting van klasse 1 of 2 - Hoofdstuk VI. De adviezen - Hoofdstuk VIII. Beslissing over de vergunningsaanvraag - Hoofdstuk IX. Bekendmaking en toegang tot milieu-informatie - Hoofdstuk X. Procedures voor de behandeling van milieuvergunningsaanvragen, afdeling IV. Bijzondere bepalingen - Hoofdstuk XI. Exploitatievoorwaarden en verplichtingen van de exploitant - Bijlage 1 : de indelingslijst. - Bijlage 4 : Milieuvergunningsaanvraagformulier voor de exploitatie of verandering van een inrichting van klasse 1 of 2. - Bijlage 18 (nieuw) : criteria voor het bepalen van BBT VLAREM II : - Deel 1. Algemene bepalingen (art. 1.1.2. definities) - Deel 2. Milieukwaliteitsnormen en beleidstaken ter zake. - Deel 4. Algemene milieuvoorwaarden voor ingedeelde inrichtingen - Deel 5. Sectorale milieuvoorwaarden voor ingedeelde inrichtingen Milieuhandhavingsbesluit : - Hoofdstuk V. Toezicht, Afdeling II. Toezichtopdrachten (nieuwe onderafdeling III. Uitoefening van toezichtsopdrachten) - Hoofdstuk VI. Bestuurlijke maatregelen, Afdeling II. Procedure tot het nemen van bestuurlijke maatregelen - Hoofdstuk VIII. Veiligheidsmaatregelen 1.5. Bijzondere bepalingen betreffende stookinstallaties (artikelen 3 en 28-41, bijlage V) Hoofdstuk III en bijhorende bijlage V van de RIE hebben betrekking op stookinstallaties met een thermisch vermogen van 50 MW of meer, de zogenaamde grote stookinstallaties. De bepalingen van hoofdstuk III en bijlage V van de RIE vervangen de bepalingen van richtlijn 2001/80/EG inzake grote stookinstallaties die vanaf 1 januari 2016 volledig wordt ingetrokken. De bepalingen van richtlijn 2001/80/EG werden voor het Vlaamse gewest geïmplementeerd via het VLAREM II- wijzigingsbesluit van 23 april 2004 (B.S. 30 juni 2004, eerste editie, erratum B.S. 15 oktober 2004, tweede editie). Dit wijzigingsbesluit gaf ook uitvoering aan doelstellingen van richtlijn 2001/81/EG inzake nationale emissieplafonds (NEC). In het licht van de voor het Vlaamse gewest strenge NEC-doelstellingen werden op basis van de beschikbare technieken (BBT) de emissiegrenswaarden voor grote stookinstallaties waar mogelijk via het wijzigingsbesluit van 23 april 2004 scherper gesteld dan minimaal vereist door richtlijn 2001/80. Tegelijkertijd met de omzetting van richtlijn 2001/80/EG, werden in het licht van de NEC-doelstellingen ook de emissiegrenswaarden voor stookinstallaties met een thermisch vermogen van minder dan 50 MW, stationaire motoren, gasturbine-installaties en raffinaderijen op basis van BBT verder aangescherpt. In enkele daaropvolgende VLAREM II-wijzigingsbesluiten werden sommige voorschriften voor stookinstallaties, stationaire motoren en gasturbine-installaties nog bijkomend verstrengd.

De bepalingen voor grote stookinstallaties in de RIE zijn grondig gewijzigd t.o.v. de bepalingen van richtlijn 2001/80/EG. De belangrijkste wijzigingen zijn (1) uitbreiding van het toepassingsgebied, (2) aanscherping van de emissiegrenswaarden, (3) verduidelijking van de samentelregels, (4) inclusie van extra derogatiemogelijkheden en (5) aanpassing van de regels voor emissiemeting en naleving van de emissiegrenswaarden. (1) Het toepassingsgebied werd uitgebreid tot stationaire motoren.In de RIE zijn, in tegenstelling tot richtlijn 2001/80/EG, nu ook emissienormen voorzien voor stationaire gasmotoren. Voor stationaire dieselmotoren is een clausule in de RIE opgenomen die de Commissie de mogelijkheid verschaft een wetgevingsvoorstel inzake emissienormen voor stationaire dieselmotoren voor te leggen op latere datum. (2) De emissiegrenswaarden zijn gebaseerd op wat haalbaar is volgens toepassing van de BBT en meer bepaald op basis van de bovenste BBT-geassocieerde emissiewaarden die in het Europese BREF-document voor grote stookinstallaties gerapporteerd zijn.(3) Met betrekking tot het samentellen van stookinstallaties, werden duidelijkere regels opgenomen.Dit ontbrak in richtlijn 2001/80/EG wat leidde tot verschillende interpretaties door de lidstaten en de Commissie. De nieuwe samentellingsregels verduidelijken in welke gevallen afzonderlijke stookinstallaties, waarvan de rookgassen naar één gemeenschappelijke schoorsteen worden afgeleid of kunnen afgeleid worden, als één stookinstallatie moeten beschouwd worden, met mogelijk strengere normen tot gevolg. (4) In richtlijn 2001/80/EG waren reeds verschillende derogatiemogelijkheden op de naleving van de emissiegrenswaarden voorzien.Van deze afwijkings mogelijkheden maakt het Vlaamse Gewest momenteel slechts beperkt gebruik. De afwijkingsmogelijkheden van richtlijn 2001/80/EG zijn deels verlengd en aangevuld met extra mogelijkheden in de RIE. (5) De regels voor emissiemeting en naleving van de emissiegrenswaarden zijn gebaseerd op de voorschriften van richtlijn 2001/80/EG.Om het Vlaamse Gewest in regel te stellen met de nieuwe voorschriften hieromtrent in de RIE zijn enkele aanpassingen aan de bestaande desbetreffende VLAREM-voorschriften noodzakelijk.

Bijlage V van de RIE legt voor de grote stookinstallaties slechts de minimum emissie-grenswaarden op die in alle gevallen moeten worden nageleefd (voor NOx, SO2 en stof). Zoals hierboven aangehaald zijn deze minimale emissiegrenswaarden gebaseerd op de bovenste BBT-geassocieerde emissiewaarden, vermeld in de BBT-conclusies van het Europese BREF document voor grote stookinstallaties (goedgekeurd in juli 2006).

De omzetting van de bepalingen van dit hoofdstuk III en bijlage V gebeurt door wijzigingen van VLAREM II. De omzetting van het hoofdstuk III en bijlage V van de RIE resulteert in wijzigingen in en toevoegingen aan titel II van het VLAREM in volgende bepalingen : - artikel 1.1.2 (definities) - hoofdstuk 2.11 (beleidstaken m.b.t. emissies van grote stookinstallaties) - artikel 5.2.3bis.1.21 (stookinstallaties waarin afvalstoffen worden verbrand) - subafdeling 5.2.3bis.4 ((mee-)verbrandingsinstallaties voor biomassa-afval) - afdeling 5.20.2 (petroleumraffinaderijen) - hoofdstuk 5.31 (motoren met inwendige verbranding) - hoofdstuk 5.43 (stookinstallaties) 1.6. Bijzondere bepalingen betreffende afvalverbrandingsinstallaties en afvalmeeverbrandingsinstallaties (artikelen 42-55) Hoofdstuk IV en bijlage VI van de RIE bevatten de bijzondere bepalingen voor afvalverbrandings- en afvalmeeverbrandingsinstallaties. Deze bepalingen zijn inhoudelijk nagenoeg ongewijzigd overgenomen van richtlijn 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2000 betreffende de verbranding van afval (Afvalverbrandingsrichtlijn). Definities van afvalverbrandingsinstallaties en afvalmeeverbrandingsinstallaties werden tekstueel licht gewijzigd. Voor de aanpassing van de definitie van « residu » in deze context werd expliciet voor een meer omvattende omschrijving gekozen. Verder meldenswaardig is de verstrenging van Cproces, een term van de mengregel die de emissiegrenswaarden voor de beschreven industrieën bepaalt.

Hoofdstuk IV van de RIE bevat bepalingen over het toepassingsgebied van het hoofdstuk, residuen, de vergunningsaanvraag, de vergunningsvoorwaarden, de controle en monitoring van emissies, het uitvallen van de installatie, het naleven van de emissiegrenswaarden, de exploitatievoorwaarden en de wijziging ervan, de aflevering en inontvangstneming van afval, de belangrijke wijziging van de exploitatie van de installatie en over verslaglegging en publieksvoorlichting.

In bijlage VI bij de RIE zijn de technische bepalingen inzake afvalverbrandingsinstallaties en afvalmeeverbrandingsinstallaties opgenomen. De bijlage bevat een aantal definities en bepalingen over de equivalentiefactoren voor dibenzo-p-dioxinen en dibenzofuranen, over (de berekening van) grenswaarden voor emissies naar de lucht voor afvalverbrandingsinstallaties en ingeval van meeverbranding van afval, over emissiegrenswaarden voor lozingen van afvalwater van de reiniging van afgassen, alsook bepalingen over emissiemonitoring, de berekening van de emissieconcentratie bij genormaliseerd zuurstofgehalte en over de beoordeling van de naleving van emissiegrenswaarden.

De Afvalverbrandingsrichtlijn werd in Vlaanderen omgezet via het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten7 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne en van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 1997 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en beheer (B.S. 13 februari 2004). Het besluit van 12 december 2003 heeft afvalverbrandings- en afvalmeeverbrandingsinstallaties onderworpen aan milieuvoorwaarden die strenger waren dan vereist door de Afvalverbrandingsrichtlijn. Deze milieuvoorwaarden zijn streng genoeg om te voldoen aan de meeste eisen van hoofdstuk IV en bijlage VI van de RIE. Om de coherentie van de Vlaamse wetgeving inzake milieuvoorwaarden die van toepassing zijn op afvalverbrandings- en afvalmeeverbrandingsinstallaties te behouden, verdient het de voorkeur om de bepalingen van de RIE waarvoor nog geen omzettingsmaatregelen bestaan, om te zetten via een nieuwe aanpassing van Vlarem I en II. 1.7. Bijzondere bepalingen voor installaties waarin en activiteiten waarbij organische oplosmiddelen worden gebruikt (artikelen 56-65) Hoofdstuk V van de RIE heeft betrekking op installaties waarin en activiteiten waarbij organische oplosmiddelen worden gebruikt. Deze bepalingen vervangen de bepalingen van de VOS/oplosmiddelenrichtlijn van 11 maart 1999, maar houden geen ingrijpende wijzigingen in.

De bepalingen van de VOS/oplosmiddelenrichtlijn zijn destijds omgezet via hoofdstuk 5.59 (activiteiten die gebruik maken van organische oplosmiddelen) van VLAREM II en via rubriek 59 van de indelingslijst van bijlage I van VLAREM I. 1.8. Bijzondere bepalingen voor installaties die titaandioxide produceren (artikelen 66-70) Hoofdstuk VI van de RIE heeft betrekking op installaties die titaandioxide produceren. Ten opzichte van de drie bestaande TiO2-richtlijnen houdt de RIE een grote vereenvoudiging in. Ook de emissiegrenswaarden voor water en lucht worden aangepast en afgestemd op de beste beschikbare technieken.

De bepalingen van de drie bestaande TiO2-richtlijnen zijn destijds omgezet via de toevoeging van een afdeling 5.7.2 (productie van titaandioxide) aan VLAREM II. De omzetting van hoofdstuk VI van de RIE gebeurt bijgevolg via wijzigingen van en toevoegingen aan afdeling 5.7.2 van VLAREM II. 1.9. Comité, overgangsbepalingen en slotbepalingen (artikelen 71-83) De bepalingen van hoofdstuk VII van de RIE hebben betrekking op het comité dat de Europese Commissie moet bijstaan in het kader van de uitvoering van de RIE, op de overgangsbepalingen en de slotbepalingen.

Deze bepalingen zijn van toepassing op de verschillende soorten installaties (GPBV-installaties, grote stookinstallaties, afval(mee)verbrandingsinstallaties, gebruik van organische oplosmiddelen (VOS) en installaties voor de productie van titaandioxide).

De bepalingen inzake de verslaglegging door de lidstaten aan de Europese Commissie die in de verschillende in de herziening opgenomen richtlijnen waren opgenomen, zijn in dit hoofdstuk samengevoegd. Er werd ook een bepaling toegevoegd die de evaluatie door de Europese Commissie van de uitvoering van de RIE regelt, onder meer met het oog op een herziening van de richtlijn.

Verder behandelt dit hoofdstuk nog de volgende aspecten : wijzigingen in de bijlagen bij de richtlijn, comitéprocedure, uitoefening en intrekking van de bevoegdheidsdelegatie, bezwaar tegen gedelegeerde handelingen, sancties, omzetting, intrekking, overgangsbepalingen en inwerkingtreding. Deze bepalingen hebben voornamelijk betrekking op verplichtingen voor de lidstaten en de Commissie en vereisen geen omzetting in de Vlaamse regelgeving, met uitzondering van deel 2 van VLAREM II (milieukwaliteitsnormen en beleidstaken ter zake). 2. Omzetting van de ETS-Richtlijn Dit wijzigingsbesluit voert ook een aantal aanpassingen door naar aanleiding van de start van de tweede verbintenisperiode (2013-2020) van het Europese systeem voor emissiehandel.Dit is noodzakelijk in het kader van de omzetting van richtlijn 2009/29/EG, die richtlijn 2003/87/EG wijzigt teneinde het Europese systeem voor emissiehandel te verbeteren en uit te breiden.

De oorspronkelijke richtlijn 2003/87/EG werd in het Vlaamse Gewest omgezet via twee uitvoeringsbesluiten : - het besluit van de Vlaamse Regering inzake de verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen (het VER-besluit). Dit besluit regelt onder meer de procedures inzake de toewijzing en verlening van emissierechten, en bevat bepalingen inzake het gebruik van flexibele mechanismen. Dit besluit wordt naar aanleiding van de omzetting van de herziene richtlijn 2003/87/EG vervangen door het « Besluit van de Vlaamse Regering inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties en de inzet van flexibele mechanismen ». Dit nieuwe besluit werd op 20 april 2012 definitief goedgekeurd door de Vlaamse Regering; - VLAREM : via dit besluit werd gezorgd voor de omzetting van de bepalingen uit deze richtlijn inzake de verplichtingen om emissies te monitoren, te rapporteren en emissierechten in te leveren. Voorliggend wijzigingsbesluit moet zorgen dat de wijzigingen in richtlijn 2003/87/EG ook in VLAREM correct worden omgezet.

De bepalingen inzake emissiehandel in VLAREM dienen overeenkomstig de herziene richtlijn 2003/87/EG uiterlijk tegen 31 december 2012 aangepast te worden.

Globaal gezien kunnen de vereiste aanpassingen in drie categorien geklasseerd worden : 1) Aanpassingen nodig door de wijzigingen aan de Richtlijn emissiehandel Vanaf de tweede verbintenisperiode van het emissiehandelssysteem, verandert het systeem van emissiehandel op een aantal essentiële punten, als gevolg van richtlijn 2009/29/EG, die richtlijn 2003/87/EG wijzigt.Hierdoor dient VLAREM op volgende punten aangepast te worden : - Als gevolg van de herziening van de richtlijn, wordt het toepassingsgebied van emissiehandel gewijzigd en uitgebreid. Het toepassingsgebied van emissiehandel is onder andere verwerkt in titel I van het VLAREM. Dit besluit bepaalt immers welke installaties over een « broeikasgasvergunning » moeten beschikken : inrichtingen die een rubriek uit de indelingslijst (bijlage 1 van titel I van het VLAREM) hebben die is aangeduid met een letter Y in de vierde kolom. De activiteiten uit de indelingslijst waarbij de letter Y vermeld staat, komen overeen met het toepassingsgebied van emissiehandel. De uitbreiding van het toepassingsgebied is nu weerspiegeld in de aanpassingen aan de indelingslijst van VLAREM. - De herziene richtlijn 2003/87/EG bepaalt ook dat de regels inzake monitoring en rapportering van emissies voor de tweede verbintenisperiode vastgelegd worden in een Europese verordening. In VLAREM wordt voor wat betreft het opleggen van de verplichtingen inzake monitoring en rapportering nu dan ook verwezen naar deze verordening. - Daarnaast zijn er nog een aantal kleinere aanpassingen het gevolg van de gewijzigde richtlijn. Dit wordt verder besproken bij de artikelsgewijze toelichting. 2) Aanpassingen nodig om het VLAREM in lijn te brengen met het nieuwe besluit van de Vlaamse Regering inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties en de inzet van flexibele mechanismen Op 20 april 2012 werd het besluit van de Vlaamse Regering inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties en de inzet van flexibele mechanismen definitief goedgekeurd door de Vlaamse Regering.Dit besluit vervangt het oude VER-besluit voor wat betreft de vaste installaties. Met dit besluit werden reeds een aantal dringende bepalingen vastgesteld als voorbereiding voor de tweede verbintenisperiode.

Eén van deze bepalingen stelt dat de grenzen van de BKG-installatie (die bij de start van de handelsperiode gekozen worden) voor de volledige tweede verbintenisperiode blijven gelden. Deze bepalingen kunnen ertoe leiden dat na een splitsing van de milieuvergunning, een inrichting die strikt genomen binnen de grenzen van haar milieuvergunning geen activiteit uitvoert die onder het toepassingsgebied valt, toch nog steeds deel uitmaakt van een BKG-installatie, en bijgevolg zal moeten blijven voldoen aan de verplichtingen van emissiehandel. Om dit principe ook in VLAREM te verankeren, worden hiertoe een aantal specifieke bepalingen in VLAREM opgenomen. 3) Administratieve vereenvoudigingen Tenslotte worden ook een aantal administratieve vereenvoudigingen voor exploitanten inzake emissiehandel geïntroduceerd in VLAREM : - Exploitanten moeten voortaan enkel bij de aanvraag van de « broeikasgasvergunning » zelf (de Y rubrieken) een monitoringplan toevoegen aan de milieuvergunningsaanvraag.Bij elke andere milieuvergunningsaanvraag of mededeling kleine verandering van een BKG-installatie is het niet langer noodzakelijk om een monitoringplan toe te voegen aan het dossier. Deze administratieve vereenvoudiging is in lijn met de gewijzigde richtlijn 2003/87/EG. Deze richtlijn stelt immers dat bij de aanvraag van een broeikasgasvergunning een monitoringplan moet worden toegevoegd, maar vereist niet dat voor de latere actualisaties van deze vergunning eveneens een aangepast monitoringplan moet worden toegevoegd; - De procedure die exploitanten verplicht om goedgekeurde wijzigingen aan het monitoringplan toe te voegen aan de milieuvergunning wordt opgeheven. Het betreft een toepassing van de mogelijkheid uit de herziene richtlijn 2003/87/EG waarin vermeld is dat lidstaten de exploitanten kunnen toestaan om de monitoringplannen bij te werken zonder de vergunning te wijzigen.

Deze administratieve vereenvoudigingen zouden leiden tot een daling van de administratieve lasten met € 4.659 per jaar voor de BKG-installaties (zie RIA). 3. Gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden Dit besluit kadert tevens binnen de implementatie van de vermelde richtlijn 2009/128/EG (14).Met het oog op de in ons land gecordineerde implementatie van de betrokken richtlijn werd door het Overlegcomité op 3 februari 2010 een NAPAN Task Force opgericht (waarbij NAPAN staat voor Nationaal Actieplan - Plan d'action national). Het gaat hierbij immers om een oefening waarbij diverse overheden betrokken zijn vanuit hun respectievelijke bevoegdheden. De aanduiding van de Vlaamse vertegenwoordigers in deze NAPAN Task Force werd op 26 februari 2010 beslist door de Vlaamse Regering.

Via dit besluit wordt voorzien in de implementatie van artikel 13, 1, c) en d) van deze richtlijn.De betrokken richtlijn diende voor wat deze bepalingen betreft reeds op 26 november 2011 te zijn omgezet in onze regelgeving.

Artikel 13, 1, c) en d), van de richtlijn bepaalt : « 1. De Lidstaten stellen de noodzakelijke maatregelen vast om te verzekeren dat de volgende verrichtingen van professionele gebruikers, en in voorkomend geval van distributeurs, de menselijke gezondheid of het milieu niet in gevaar brengen : (...) c) de verwijdering van tankmengels die overblijven na toepassing; d) het schoonmaken van gebruikte apparatuur na toepassing; (...) ».

Met het oog op de uitwerking van een afdoende regelgeving bleek uit diverse contacten tussen de beleidsdomeinen LV en LNE (15), die in een eerste fase reeds dateren van begin 2008, dat een aanpassing van het VLAREM hiertoe onvermijdelijk was om een aantal redenen. Een regeling louter via codes van goede praktijk zou niet de volledige sector kunnen omvatten, en zou daardoor wellicht ook niet aanvaard worden als een voldoende implementatie van de betrokken bepalingen van de richtlijn. Daarenboven blijkt een reglementair kader vereist om rechtszekerheid te kunnen bieden aan de betrokken sector zodat zij weten aan welke voorwaarden deze installaties dienen te voldoen. Ook met het oog op de controleerbaarheid is een reglementair kader vereist. Tenslotte laat dit toe om te sector te ontlasten van bepaalde verplichtingen die anders zouden voortvloeien uit VLAREA (bv. waar anders niet zou kunnen aanvaard worden dat het substraat na een uitgewerkte biologische zuivering zou worden hergebruikt op de eigen gronden - tenzij na uitvoering van dure analyses die aantonen dat de kwaliteit ervan dit toelaat).

Het vooropgestelde in dit besluit hieromtrent kadert binnen de diverse inspanningen ter voorkoming van puntvervuiling van oppervlaktewater door pesticiden. Het vormt ook het sluitstuk van goede landbouwpraktijken. Door deze goede praktijken wordt er naar gestreefd om de milieu-impact van het gebruik van pesticiden zo veel mogelijk te beperken. Maar soms zijn er resten die niet kunnen vermeden worden wat leidt tot water dat gecontamineerd is door gewasbeschermingsmiddelen en waarvoor filtersystemen bestaan.

In eerste instantie wordt hier een regeling voorzien voor de filtering die is gebaseerd op microbiële activiteit via een zgn. biofilter en fytobak (16). Verder is ook voorzien in een regeling voor het Sentinel zuiveringssysteem (geproduceerd door de firma WMEC-Verenigd Koninkrijk). Dit is een zuiveringssysteem, dat in tegenstelling tot de biofilter en fytobak, niet gebaseerd is op microbiële activiteit maar voorziet in een fysico-chemisch filterproces. Het werkt op basis van toediening van chemicaliën, flocculatie, sedimentatie en filtering.

Dit laatste systeem kan ook zeer grote capaciteiten aan, waardoor het eerder geschikt is voor loonsproeiers. Tenslotte wordt ook een regeling voorzien ten aanzien van inrichtingen voor het schoonmaken van spuitapparatuur voor toepassing van pesticiden (weliswaar is dit niet van toepassing op hand- en rugspuitapparatuur).

Voor wat de beoogde milieuwinst betreft, kan verwezen worden naar onderzoek dat stelt dat 60 tot 80 % van de milieuvervuiling afkomstig van gewasbeschermings middelen te wijten zou zijn aan puntlozingen.

Daarom kan een wijdverspreide toepassing van dergelijke zuiveringssystemen volgens het beleidsdomein Landbouw & Visserij een belangrijke milieuwinst opleveren. Zo bleken de resultaten van het proefproject met een aantal loonsproeiers uit het IJzerbekken (reeds opgestart in 2007) alvast een belangrijke milieuwinst aan te tonen.

Ook tot tevredenheid van de loonsproeiers lieten zij namelijk een spectaculaire daling van concentraties pesticiden in oppervlaktewater zien.

Vanuit het beleidsdomein Leefmilieu, Natuur en Energie is men ook reeds een hele tijd vragende partij voor een reglementering m.b.t. deze zuiveringssystemen, dit met name in het licht van de te halen doelstellingen zoals bepaald door de Kaderrichtlijn Water.

De biozuiveringssystemen hebben van juli 2005 tot december 2009 het voorwerp uitgemaakt van een IWT-studie (17), waarvan het eindverslag dateert van mei 2010. Hierin werd onderzocht in welke mate actieve stoffen efficiënt worden afgebroken in fytobakken. Uit deze studie blijkt alvast dat bioremediatiesystemen kunnen leiden tot aanzienlijke vermindering van het directe verlies van pesticiden naar oppervlakte- en grondwater. Het project heeft daarenboven inzichten opgeleverd in activiteiten die kunnen worden toegepast ter verbetering van de bioremediatie-systemen. 4. Ontginningen Aan rubriek 18 van de indelingslijst van titel I van het VLAREM wordt een subrubriek 18.7 toegevoegd betreffende de afgraving van steenkoolterrils. De afgraving van steenkoolterrils is een activiteit die zich in de praktijk voordoet, maar het is niet geheel duidelijk onder welke vergunningsrubriek deze activiteit vandaag vergund moet worden. Door toevoeging van een subrubriek 18.7 zijn voor deze activiteit geen interpretatieproblemen meer mogelijk en kunnen in titel II van het VLAREM in de sectorale voorwaarden inzake stabiliteit voor rubriek 18 zonder problemen specifieke bepalingen van toepassing gemaakt worden op deze nieuwe subrubriek 18.7. De sectorale voorwaarden voor ontginningen van hoofdstuk 5.18 van titel II van het VLAREM worden dan ook volledig vervangen, dit op basis van de studie « Onderzoek stabiliteitsrisico's ontginningen » in opdracht van de afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond, Natuurlijke Rijkdommen (ALBON) van het Departement LNE door de BVBA Geolab i.s.m. Prof. Jan Maertens van de KUL. 5. Overige wijzigingen Verder worden een aantal diverse wijzigingen doorgevoerd : - Vertaling van de herziene BBT-studie voor de zwembaden van augustus 2011; - Mogelijk maken van injectie van percolaat bij de uitbating van stortplaatsen waar biologisch afbreekbaar afval wordt gestort; - Omzetting van de richtlijn 2011/97/EU met betrekking tot specifieke criteria voor opslag van metallisch kwik dat als afval wordt beschouwd; - Rechtzetten van errata; - Wegwerken van onduidelijkheden. 2. Artikelsgewijze bespreking HOOFDSTUK 1.- Inleidende bepalingen Artikel 1, 2, 3 en 4 Deze artikels geven aan welke Europese richtlijnen worden omgezet met dit besluit, namelijk : - richtlijn 2009/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten van de Gemeenschap te verbeteren en uit te breiden (ETS-richtlijn); - richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden; - richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies en - richtlijn 2011/97/EU van de Raad van 5 december 2011 tot wijziging van Richtlijn 1999/31/EG met betrekking tot specifieke criteria voor opslag van metallisch kwik dat als afval wordt beschouwd. HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van titel I van het VLAREM Artikel 5 Dit artikel voert meerdere wijzigingen door in artikel 1 van titel I van het VLAREM dat in de titels I en II van het VLAREM gehanteerde begrippen definieert.

Punt 1° Dit punt vervangt punt 13° « gevaarlijke stoffen » en bundelt de drie mogelijke definities voor gevaarlijke stoffen.

Momenteel is de definitie gevaarlijke stoffen reeds 2 keer opgenomen, meer bepaald in punten 13° en 19° van de definities. Deze definities zijn afkomstig van respectievelijk de Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG d.d. 23/10/2000) en Seveso Richtlijn (96/82/EG d.d. 09/12/1996). De definitie uit de RIE verschilt van deze definities en verwijst naar de CLP Verordening (EG) nr. 1272/2008 d.d. 16/12/2008.

De definitie uit artikel 3, punt 18 van de RIE wordt letterlijk overgenomen. Er werd voor geopteerd om deze drie definities voor « gevaarlijke stoffen » bij elkaar te plaatsen in de opsomming van de definities, namelijk onder punt 13°.

Punt 2° Dit punt past de definities voor « GPBV-installatie » en « vergunning », vervat in punt 16° en 17° van de definities, aan conform de terminologie van de RIE. Installatie is in artikel 3, punt 3, van de RIE gedefinieerd voor installaties die enerzijds GPBV-activiteiten uitvoeren en anderzijds activiteiten waarbij organische oplosmiddelen gebruikt worden. De definitie GPBV-installatie heeft enkel betrekking op de installaties die GPBV-activiteiten uitvoeren. De definitie met betrekking tot de installaties die gebruik maken van organische oplosmiddelen is opgenomen in artikel 1.1.2. onder punt 1° van « Definities activiteiten die gebruikmaken van organische oplosmiddelen (hoofdstuk 5.59) » van titel II van het VLAREM De definitie voor vergunning is enerzijds de omzetting van artikel 3, punt 7, en anderzijds wordt tevens de omzetting van artikel 4, lid 2, van de RIE hierin meegenomen, die stelt dat een vergunning betrekking heeft op twee of meer installaties of delen van installaties die door dezelfde exploitant op dezelfde locatie worden gexploiteerd.

Punt 3° Dit punt past de definitie voor « belangrijke wijziging van een GPBV-installatie », vervat in punt 18° van de definities, aan conform de terminologie van artikel 3, punt 9, van de RIE. Tevens gebeurt er een rechtzetting van de verkeerdelijk opgenomen term GPBV-inrichting, deze term wordt gewijzigd in GPBV-installatie.

Punt 4° Dit punt heft de definitie voor « gevaarlijke stoffen » op, op deze plaats, daar deze wordt overgeheveld naar punt 13° om de leesbaarheid van de definities van titel I van het VLAREM te vereenvoudigen. In dit punt 13° worden de drie definities voor « gevaarlijke stoffen » samen gezet.

Punt 5° Dit punt schrapt de definitie voor « verontreinigen », vervat in punt 28 van de definities, aangezien er een nieuwe definitie voor verontreiniging (conform de RIE) opgenomen wordt bij de definities van dit artikel (zie Punt 9° ) en de definitie voor verontreinigen geen meerwaarde meer heeft.

Punt 6° Dit punt past de definitie voor « beste beschikbare techniek », vervat in punt 29° van de definities, aan conform de terminologie van artikel 3, punt 10, van de RIE. Daarnaast wordt eveneens de afkorting BBT mee opgenomen, aangezien deze op verschillende plaatsen in het VLAREM wordt gebruikt.

Punt 7° Dit punt vervangt de definitie voor een BKG-inrichting ten gevolge van de ETS-richtlijn. Deze definitie wordt, in lijn met de terminologie uit het nieuwe besluit van de Vlaamse Regering inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties en de inzet van flexibele mechanismen, vervangen door de definitie voor een BKG-installatie. Inhoudelijk wijzigt deze definitie echter niet.

Punt 8° Dit punt heft de definities voor « verandering aan een BKG-inrichting » en « aardgastransportsector » op omdat deze in het kader van emissiehandel niet langer relevant zijn.

Punt 9° Dit punt beoogt enerzijds de verplaatsing van de definities : - « stof », momenteel vervat in artikel 1.1.2 onder « Definities geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (delen 3, 4 en 5) » van titel II van het VLAREM, naar punt 66° van de definities.

De definitie wordt daarnaast aangepast conform de terminologie van artikel 3, punt 1, van de RIE. - « verontreiniging », momenteel vervat in artikel 1.1.2 onder « Definities geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (delen 3, 4 en 5) » van titel II van het VLAREM, naar punt 67° van de definities. Deze definitie komt overeen met de definitie in artikel 3, punt 2, van de RIE. - « emissie », momenteel vervat in artikel 1.1.2 onder « Definities geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (delen 3, 4 en 5) » van titel II van het VLAREM, naar punt 68° van de definities.

De definitie wordt daarnaast aangepast conform de terminologie van artikel 3, punt 4, van de RIE. - « emissiegrenswaarde », momenteel vervat in artikel 1.1.2 onder « Definities geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (delen 3, 4 en 5) » van titel II van het VLAREM, naar punt 69° van de definities. De definitie wordt daarnaast aangepast conform de terminologie van artikel 3, punt 5, van de RIE en is tevens een omzetting van artikel 15, lid 1, van de RIE die ook bepalingen m.b.t. emissiegrenswaarden bevat. Enkel emissiegrenswaarde wordt gedefinieerd en niet langer emissienorm, waardoor in titel II van het VLAREM de term emissienorm op enkele plaatsen wordt vervangen door emissiegrenswaarde (zie Artikel 63, Artikel 131, Artikel 146 en Artikel 199). - « milieukwaliteitsnorm », momenteel vervat in artikel 1.1.2 onder « Definities geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (delen 3, 4 en 5) » van titel II van het VLAREM, naar punt 70° van de definities. De verwijzing in de definitie naar titel II van het VLAREM moet behouden blijven en wordt aangepast. Deze definitie komt overeen met de definitie in artikel 3, punt 6 van de RIE. - « publiek », momenteel vervat in artikel 1.1.2 onder « Definities luchtverontreiniging (hoofdstukken 2.5, 4.4, 5.20, 5.43 en 6.6) - Algemeen » van titel II van het VLAREM, naar punt 75° van de definities. Deze definitie komt overeen met de definitie in artikel 3, punt 16, van de RIE. - « toezichthouder », momenteel vervat in artikel 1.1.2 onder « Definities algemeen » van titel II van het VLAREM, naar punt 79° van de definities.

Deze definities gelden door de verplaatsing zowel voor titel I als titel II van het VLAREM en voor alle inrichtingen van VLAREM. Anderzijds voegt dit punt een reeks nieuwe definities toe : - Vier nieuwe definities, vervat in de punten 71°, 72°, 73° en 74°, van de definities, met name « BBT-referentiedocument » (BREF), « BBT-conclusies », « met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus » (BBT-GEN) en « techniek in opkomst ». Deze nieuwe begrippen uit respectievelijk artikel 3, punten 11 tot en met 14, van de RIE worden letterlijk overgenomen. - Een nieuwe definitie, vervat in punt 76° van de definities, met name « bodem », een begrip dat vaak in zowel titel I als titel II van het VLAREM wordt gebruikt. De definitie uit artikel 3, punt 21, van de RIE wordt letterlijk overgenomen. - Een nieuwe definitie, vervat in punt 77° van de definities, met name « ondergrond », een begrip dat wordt gebruikt in de bestaande definitie van grondwater. - Een nieuwe definitie, vervat in punt 78° van de definities, met name « ontvangend waterlichaam », een begrip uit de Richtlijn 2006/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 betreffende het beheer van afval van winningsindustrien (rechtzetting). - Er worden ook zes nieuwe definities geïntroduceerd in het kader van de ETS-richtlijn (punt 80° tot en met punt 85° ). Zo worden onder meer de begrippen « eerste » en « tweede » verbintenisperiode ingevoerd.

Hierdoor kunnen er specifieke regels voor de verschillende handelsperiodes ingevoerd worden. De nieuwe definities van « monitoringplan » en « emissiejaarrapport » verwijzen naar de nieuwe Europese verordeningen die alle relevante bepalingen inzake deze documenten bevatten.

Artikel 6 Punt 1° Dit punt wijzigt artikel 5, § 7, van titel I van het VLAREM. Dit artikel zet artikel 12 van de RIE om. Artikel 5, § 7, van titel I van het VLAREM bepaalt welke stukken moeten worden toegevoegd bij de milieuvergunningsaanvraag voor een GPBV-installatie.

Enerzijds worden er aanpassingen gedaan conform de terminologie van de RIE en anderzijds wordt een nieuwe bepaling uit de RIE, die de exploitant verplicht om bij de vergunningsaanvraag een verslag van oriënterend bodemonderzoek en een bodemattest, conform artikel 33bis van het bodemdecreet, toe te voegen, opgenomen in punt k). Uit het bodemattest van OVAM moet blijken dat met het oriënterend bodemonderzoek voldaan is aan de bodemonderzoeksplicht.

Het laatste lid van artikel 5, § 7, voorziet in de mogelijkheid om gegevens uit het milieueffectrapport of uit het veiligheidsrapport op te nemen of toe te voegen. Deze mogelijkheid bestond reeds, maar gebruikt nu meer de bewoordingen van de RIE. Punt 2° Dit punt wijzigt artikel 5, § 8, van titel I van het VLAREM in het kader van de ETS-richtlijn. - Voor BKG-installaties gelden niet langer specifieke bepalingen voor wat betreft het toevoegen van een energiestudie aan de vergunningsaanvraag. In de handelsperiode 2008-2012 waren er steeds gegevens nodig uit een energieplan om de hoeveelheid gratis toewijzing te berekenen voor een BKG-inrichting. Daarom moest elke BKG-inrichting een energieplan toevoegen aan de vergunningsaanvraag, zelfs indien de drempel van 0,1 PJ niet was overschreden. Aangezien de toewijzing van emissierechten vanaf 2013 niet langer gebaseerd is op gegevens uit een energieplan, zijn dergelijke specifieke bepalingen niet langer vereist. - Er wordt een vrijstelling van de verplichting tot opmaak van een energieplan voorzien voor de energie-intensieve inrichtingen van de Ondernemingen die zijn toegetreden tot één van de energiebeleidsovereenkomsten voor de verankering van en voor blijvende energie-efficiëntie in de Vlaamse energie-intensieve industrie (VER-bedrijven of niet VER-bedrijven), zoals een eerste maal principieel goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 19 oktober 2012.

Dit houdt voor deze Ondernemingen zeker geen versoepeling van de regelgeving in. Integendeel, in kader van de energiebeleidsovereenkomsten engageren de Ondernemingen zich tot het opstellen van energieplannen met de uitvoer van investeringen die verder gaan dan in het bovenvermeld Energiebesluit. In de energiebeleidsovereenkomsten gelden namelijk strengere rendabiliteitseisen voor de uitvoer van de maatregelen. Bovendien engageren de Ondernemingen zich ook tot opmaak van potentieelstudies voor WKK en warmte- en koudenetten, alsook voor de invoer van energiebeheermaatregelen. - De drempelwaarde van 15 % voor de interne rentevoet voor maatregelen uit het energieplan die binnen de drie jaar na toekenning van de milieuvergunning moeten uitgevoerd zijn, wordt vervangen door een verwijzing naar de drempelwaarde vermeld in artikel 6.5.4, § 1, 7°, van het Energiebesluit. Indien na de evaluatie van deze drempelwaarde deze waarde gewijzigd wordt, moet dit hierdoor enkel in het Energiebesluit aangepast worden.

Punt 3° Dit punt vervangt artikel 5, § 9, van titel I van het VLAREM in het kader van de ETS-richtlijn. Dankzij de nieuwe definitie voor een « monitoringplan » (zie artikel 5, 84° ) is het niet langer vereist om in artikel 5, § 9, alle elementen van een monitoringplan op te lijsten. Enkel bij de aanvraag zelf van een Y-rubriek (via vergunningsaanvraag of mededeling kleine verandering) moet een monitoringplan gevoegd worden, en dus niet langer bij elk dossier van een BKG-installatie. Dit moet leiden tot een administratieve vereenvoudiging bij de exploitanten.

Bij de aanvraag van een schrapping van een Y-rubriek moeten documenten gevoegd worden waaruit blijkt dat de installatie niet langer onder het toepassingsgebied van emissiehandel valt. Hierdoor moet vermeden worden dat een dergelijke rubriek (waaraan heel wat rechten en plichten in het kader van emissiehandel verbonden zijn), onterecht geschrapt kan worden.

Punt 4° Dit punt introduceert een nieuwe paragraaf (artikel 5, § 10) in titel I van het VLAREM. Dit artikel zet artikel 44 van de RIE om : de vergunningsaanvraag voor een afvalverbrandings- of meeverbrandingsinstallatie.

De aspecten die in dit artikel opgenomen zijn, verschillen niet met de milieurelevante aspecten die in het verleden reeds in titel I en titel II van het VLAREM waren opgenomen. Het verschil zit er hierin dat een antwoord op deze aspecten nu specifiek in de vergunningsaanvraag opgenomen moeten, daar waar dit in het verleden voornamelijk in de sectorale voorwaarden of de specifieke vergunning opgenomen waren. Met andere woorden het is een specifieke verwijzing naar de aspecten die minimaal in een milieuvergunningsaanvraag voor een afvalverbranding- of afvalmeeverbrandinginstallatie door de aanvrager moeten verduidelijkt worden.

Artikel 7 Dit artikel betreft een rechtzetting van artikel 6bis, § 2, van titel I van het VLAREM, gezien GPBV-inrichting niet gedefinieerd is en GPBV-installatie wordt bedoeld. Dit artikel zet artikel 20, lid 2, van de RIE om.

Artikel 8 Dit punt wijzigt artikel 6quater, § 3, van titel I van het VLAREM in het kader van de ETS-richtlijn. De afdeling bevoegd voor luchtverontreiniging moet niet langer bij elke mededeling kleine verandering of milieuvergunningsaanvraag advies verlenen, maar enkel indien het gaat om de aanvraag van, of de schrapping van een Y-rubriek. Dit moet leiden tot een administratieve vereenvoudiging bij de overheid.

Artikel 9 Dit artikel wijzigt artikel 17, § 3, van titel I van het VLAREM. De verouderde benamingen : « het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen bedoeld in het Algemeen Reglement voor Arbeidsbescherming » en « de Technische Inspectie van de Administratie voor Arbeidsveiligheid van het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid », worden vervangen door de huidige benamingen die respectievelijk « het comité voor preventie en bescherming op het werk » en « de Algemene Directie Toezicht op het Welzijn op het Werk van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg » luiden. Er wordt tevens een redactionele ongerijmdheid rechtgezet.

Artikel 10 Dit artikel wijzigt artikel 20, § 2, van titel I van het VLAREM in het kader van de ETS-richtlijn. De afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, moet niet langer bij elke mededeling kleine verandering of milieuvergunningsaanvraag advies verlenen, maar enkel indien het gaat om de aanvraag van, of de schrapping van een Y-rubriek. Dit moet leiden tot een administratieve vereenvoudiging bij de overheid.

Artikel 11 Dit artikel wijzigt artikel 21 van titel I van VLAREM. 1° Dit punt vervangt artikel 21, § 9, van titel I van het VLAREM in het kader van de ETS-richtlijn. De afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, moet niet langer bij elke mededeling kleine verandering of milieuvergunningsaanvraag advies verlenen, maar enkel indien het gaat om de aanvraag van, of de schrapping van een Y-rubriek. Dit moet leiden tot een administratieve vereenvoudiging bij de overheid. 2° Dit punt wijzigt artikel 21, § 10, 1°, van titel I van het VLAREM, meer bepaald wordt de omschrijving van het begrip GPBV-installatie vervangen door de term « GPBV-installatie », een term die is gedefinieerd (zie Artikel 5, Punt 1° ). Artikel 12 Punt 1° Dit punt wijzigt artikel 30, § 1, van titel I van het VLAREM (aangaande de inhoud van vergunningsbesluiten) in het kader van de ETS-richtlijn door de gebruikte terminologie aan te passen aan deze richtlijn.

Punt 2° Dit punt betreft het aanvullen van het artikel 30bis, § 1, van titel I van het VLAREM dat bepaalt welke gegevens er moeten vermeld worden in de beslissing over de vergunningsaanvraag. Dit artikel is de omzetting van artikel 24, lid 2, punten d), e) en f), van de RIE. De RIE bepaalt dat bepaalde gegevens met betrekking tot de milieuvergunning van de GPBV-installatie ter beschikking moeten gesteld worden van het publiek. Hieronder vallen o.a. de titel van de BBT-referentiedocumenten die voor de betrokken installatie of activiteit relevant zijn en de manier waarop de vergunningsvoorwaarden (waaronder de emissiegrenswaarden) zijn vastgesteld in relatie tot de BBT en de emissieniveaus die met de best beschikbare technieken geassocieerd zijn en de specifieke redenen om een individuele afwijking van de emissiegrenswaarden toe te staan en de daaraan verbonden voorwaarden.

Aangezien de beslissing over de vergunningsaanvraag ter beschikking wordt gesteld van het publiek en dat deze beslissing nu ook via het internet ter beschikking wordt gesteld (zie Artikel 17), wordt bovenstaande vereiste informatie opgenomen in de beslissing.

Artikel 13 Dit artikel wijzigt artikel 30bis van titel I van het VLAREM. Punt 1° Dit punt wijzigt artikel 30bis, § 1, van titel I van het VLAREM in het kader van de ETS-richtlijn onder andere naar terminologie toe. Door de vervanging van artikel 5, § 9, met dit besluit (zie Artikel 6, Punt 3° ) moet de verwijzing in artikel 30bis, § 1, naar dit artikel opgeheven worden.

Punt 2° Dit punt wijzigt het artikel 30bis, § 2, van titel I van het VLAREM dat betrekking heeft op de wijze waarop de vergunningsvoorwaarden worden vastgesteld. Dit punt zet artikel 14, lid 1, van de RIE om.

De nummering wordt aangepast, zodat de bepalingen die betrekking hebben op alle inrichtingen die vallen onder VLAREM vooraan in dit artikel opgenomen zijn, gevolgd door de bepalingen die betrekking hebben op de GPBV-installaties en andere specifieke installaties. Twee punten worden geschrapt omdat deze punten betrekking hebben op artikels uit de GPBV-richtlijn die niet mee opgenomen zijn in de RIE (herziening van de GPBV-richtlijn).

In punt 5° van artikel 30bis, § 2, wordt nu conform de RIE verwezen naar artikel 30, § 4 van titel I van het VLAREM, het artikel dat betrekking heeft op milieukwaliteitsnormen, en de nieuwe bijlage 18 van titel I van het VLAREM, deze bijlage bevat de criteria voor het bepalen van BBT en vervangt artikel 43bis (zie Artikel 23 en Artikel 36).

Enkele nieuwe bepalingen uit de RIE worden opgenomen in artikel 30bis, § 2 : - Punt 6° bepaalt dat de vergunningsvoorwaarden van alle vergunningsplichtige inrichtingen (dus ook niet GPBV-installaties) nu ook passende eisen dienen te bevatten voor het regelmatig onderhoud en bewaken van maatregelen die worden genomen ter voorkoming van emissies in de bodem en het grondwater; - Punt 10° bepaalt dat alle vergunningsplichtige inrichtingen vergunningsvoorwaarden dienen te bevatten voor het beoordelen van de naleving van de emissiegrenswaarden of een verwijzing naar de elders omschreven toepasselijke eisen; - Punt 11°, b), bepaalt dat GPBV-installaties waarvoor in de milieuvergunning emissiegrenswaarden zijn opgenomen met hogere waarden, langere perioden of andere referentieomstandigheden dan de waarden, perioden of referentieomstandigheden opgenomen in de BBT-GEN, de vergunningsvoorwaarden passende eisen dienen te bevatten voor de monitoring van emissies zodat de resultaten van de monitoring van emissies beschikbaar zijn voor dezelfde periode en referentieomstandigheden als deze opgenomen in de BBT-GEN. Deze verplichting werd tevens opgenomen in de nieuwe afdeling 4.1.13 van titel II van het VLAREM (zie Artikel 74); - Punt 12°, b), bepaalt dat voor GPBV-installaties de vergunningsvoorwaarden verplichtingen bevatten om de toezichthouder regelmatig en ten minste jaarlijks in kennis te stellen van informatie op basis van de resultaten van de monitoring van de emissies en van andere vereiste gegevens waarvan deze toezichthouder gebruik kan maken om de naleving van de vergunningsvoorwaarden te toetsen. Deze verplichting werd tevens opgenomen in de nieuwe afdeling 4.1.13 van titel II van het VLAREM (zie Artikel 74); - Punt 12°, c), bepaalt dat voor de GPBV-installaties waar in de milieuvergunning emissiegrenswaarden zijn opgenomen die hogere waarden, langere perioden of andere referentieomstandigheden bevatten dan de waarden, perioden of referentieomstandigheden opgenomen in de BBT-GEN, de vergunningsvoorwaarden verplichtingen bevatten om de Deputatie regelmatig en ten minste jaarlijks in kennis te stellen van een overzicht van de resultaten van de monitoring van emissies dat een vergelijking mogelijk maakt met de BBT-GEN. Deze verplichting werd tevens opgenomen in de nieuwe afdeling 4.1.13 van titel II van het VLAREM (zie Artikel 74); - Punt 14° bepaalt dat voor de GPBV-installaties, waarvoor conform het Bodemdecreet een oriënterend bodemonderzoek verplicht is, de vergunningsvoorwaarden de op de inrichting van toepassing zijnde eisen bevatten inzake de periodieke monitoring van bodem en grondwater met betrekking tot relevante gevaarlijke stoffen die op het terrein kunnen worden aangetroffen. Deze verplichting werd tevens opgenomen in de nieuwe afdeling 4.1.13 van titel II van het VLAREM (zie Artikel 74); - Punt 15° tot en met 21° geven specifiek invulling aan de bepalingen van artikel 45 van de RIE. Hierin wordt bepaald welke voorwaarden specifiek in de vergunning opgenomen moeten worden. In het verleden waren deze aspecten deels opgenomen in titel I van het VLAREM en deels in titel II van het VLAREM. Artikel 45 van de RIE bepaalt echter heel expliciet de vergunningsvoorwaarden die opgenomen moeten zijn in de milieuvergunning. Er is voor gekozen om deze dan ook zo letterlijk mogelijk om te zetten in artikel 30bis § 2. Punt 16° is aangevuld met « afvalverbrandingsinstallaties »; dit is een bepaling die bij de omzetting van de afvalverbrandingsrichtlijn reeds had moeten gebeurd zijn, m.a.w. dit is dus geen nieuwe bepaling.

Punt 3° Dit punt vervangt artikel 30bis, § 2bis, van titel I van het VLAREM in het kader van de ETS-richtlijn. Deze wijziging leidt tot een duidelijkere formulering, zonder inhoudelijke aanpassingen.

Punt 4° Dit punt wijzigt artikel 30bis, § 3, van titel I van het VLAREM. Dit punt zet artikel 14, lid 2, van de RIE om. De verwijzing naar artikel 30bis, § 2, wordt aangepast, naar aanleiding van de hernummering (zie Artikel 13, Punt 2° ). De tweede zin van artikel 30bis, § 3, wordt geschrapt aangezien dit afkomstig is van de vorige GPBV-richtlijn en niet meer wordt opgenomen in de RIE. Punt 5° Dit punt wijzigt artikel 30bis, § 4, van titel I van het VLAREM. Dit betreft geen inhoudelijke aanpassing.

Punt 6° Dit punt wijzigt artikel 30bis, § 5, van titel I van het VLAREM. Dit betreft voornamelijk een aanpassing conform de terminologie van de RIE. Punt 7° Dit punt vervangt artikel 30bis, § 6, van titel I van het VLAREM. Dit punt zet artikel 13, lid 7, en artikel 14, lid 3, van de RIE om.

De bepalingen met betrekking tot varkens- en pluimveehouderijen is afkomstig van de vorige GPBV-richtlijn en is niet meer opgenomen in de RIE. Deze bepaling wordt geschrapt en vervangen door een nieuwe paragraaf die betrekking heeft op het feit dat voor alle inrichtingen van VLAREM de BBT de referentie vormen voor het vaststellen van vergunningsvoorwaarden. Daarenboven vormen voor GPBV-installaties de BBT-conclusies de referentie voor het vaststellen van vergunningsvoorwaarden. Indien er voor bepaalde GPBV-installaties nog geen BBT-conclusies zijn, gelden de BBT afkomstig van de BBT-referentiedocumenten die door de Europese Commissie vóór 7 januari 2011 zijn aangenomen, met uitzondering van de emissiegrenswaarden.

Punt 8° Dit punt beoogt de toevoeging van een nieuwe paragraaf 7 tot en met 12 aan artikel 30bis van titel I van het VLAREM. De nieuwe paragraaf 7 bepaalt dat het vaststellen van strengere vergunningsvoorwaarden dan die welke haalbaar zijn door BBT (voor alle inrichtingen van VLAREM) en BBT-conclusies (voor GPBV-installaties) mogelijk is in bijzondere omstandigheden, zoals het niet halen van de milieukwaliteitsnormen of specifieke lokale omstandigheden. Deze strengere bijzondere voorwaarden worden vastgesteld op grond van de noodzaak die voortvloeit uit één of meerdere toetsen die plaatsvinden in het kader van de milieuvergunningverlening, zoals de watertoets, de passende beoordeling,....Deze nieuwe paragraaf is de omzetting van artikel 14, lid 4, van de RIE. De nieuwe paragrafen 8 en 9 bevatten bepalingen met betrekking tot het vaststellen van vergunningsvoorwaarden voor GPBV-installaties indien er geen BBT-conclusies zijn. Deze nieuwe paragrafen zijn de omzetting van artikel 14, lid 5 en 6, van de RIE. De nieuwe paragraaf 8 heeft betrekking op de vergunningsvoorwaarden van een GPBV-activiteit waarvoor BBT-conclusies zijn, maar waar een bepaalde techniek niet is opgenomen in de van toepassing zijnde BBT-conclusies en die na toetsing met de criteria voor BBT wel als BBT kan beschouwd worden.

De nieuwe paragraaf 9 heeft betrekking op de vaststelling van de vergunningsvoorwaarden van een GPBV-activiteit of type productieproces waarvoor geen BBT-conclusies zijn of ze niet alle mogelijke effecten van de activiteit of het proces behandelen. Deze vergunningsvoorwaarden worden vastgesteld na raadpleging van de exploitant op basis van de BBT die voor de betrokken activiteiten of processen bepaald zijn met bijzondere aandacht voor de criteria voor de bepaling van BBT. De nieuwe paragraaf 10 bevat bepalingen met betrekking tot het vaststellen van emissiegrenswaarden voor GPBV-installaties. Deze nieuwe paragraaf is de omzetting van artikel 15, lid 3, van de RIE. De emissiegrenswaarden die opgelegd worden in de milieuvergunning, mogen niet hoger zijn dan de BBT-GEN uit de BBT-conclusies en worden uitgedrukt in ofwel dezelfde of kortere periodes en voor dezelfde referentieomstandigheden als deze vastgesteld voor de BBT-GEN uit de BBT-conclusies ofwel een langere periode of referentieomstandigheden die verschillen van deze vastgesteld voor de BBT-GEN uit de BBT-conclusies. In dit laatste geval, dient de Deputatie ten minste jaarlijks de resultaten van de monitoring van emissies te beoordelen, zodat kan nagegaan worden dat de emissies in normale bedrijfsomstandigheden niet hoger zijn dan de BBT-GEN. De nieuwe paragraaf 11 voorziet de mogelijkheid voor een tijdelijke vrijstelling van ten hoogste negen maanden van BBT en BBT-conclusies voor technieken in opkomst. Na deze periode dient de techniek ofwel stopgezet te worden ofwel kan deze verder gebruikt worden op voorwaarde dat de BBT-GEN niet worden overschreden. Deze vrijstelling is beperkt tot GPBV-installaties. Deze nieuwe paragraaf is de omzetting van artikel 15, lid 5, van de RIE. De nieuwe paragraaf 12 bepaalt dat, met behoud van de op de inrichting van toepassing zijnde milieuvoorwaarden vastgesteld door titel II van het VLAREM, de eisen inzake monitoring in voorkomend geval gebaseerd moeten zijn op de in de BBT-conclusies beschreven conclusies inzake monitoring. Deze nieuwe paragraaf is de omzetting van artikel 16, lid 1, van de RIE. Artikel 14 Dit artikel wijzigt artikel 31, § 2, 3°, van titel I van het VLAREM, meer bepaald wordt de omschrijving van het begrip GPBV-installatie vervangen door de term « GPBV-installatie », een term die is gedefinieerd (zie Artikel 5, Punt 1° ).

Artikel 15 Dit artikel wijzigt artikel 32 van titel I van het VLAREM. Dit artikel zet artikel 24, lid 3, van de RIE om.

Punt 1° : Artikel 32, eerste paragraaf, heeft betrekking op de documenten die kosteloos door derden op het gemeentehuis kunnen geconsulteerd worden.

In punt 7° wordt nu meer gespecifieerd dat de bevoegde autoriteit, eigenlijk de toezichthouder is. Naast de resultaten van de controle, voor alle inrichtingen, zal deze toezichthouder nu ook voor de GPBV-installaties beschikken over de resultaten van de monitoring van de emissies. Ook de resultaten van de monitoring van emissies moet ter beschikking van het publiek gesteld worden. Tot slot wordt in dit punt de verwijzing naar artikel 30bis, § 2, aangepast en dit ten gevolge van een hernummering (zie Artikel 13Punt 2° ).

Punt 2° : dit is een bepaling die in het verleden in artikel 5.2.3bis1.35 van titel II van het VLAREM opgenomen was; dit artikel bepaalt immers waaruit een technische en niet-technische rapport moet bestaan. Het artikel bepaalde ook dat het rapport ter inzage gelegd moet worden bij de respectievelijke gemeente. Dit laatste is echter een verplichting voor de gemeente en niet voor de exploitant, vandaar dat het hier toegevoegd wordt.

Punt 3° : Artikel 32, tweede paragraaf, stelt dat om de eerste paragraaf te kunnen uitvoeren de resultaten van de controle, voor alle inrichtingen, en de monitoring van de emissies, enkel voor GPBV-installaties, door de toezichthouder aan het gemeentebestuur ter beschikking worden gesteld. In deze tweede paragraaf wordt eveneens de verwijzing naar artikel 30bis, § 2, aangepast en dit ten gevolge van een hernummering (zie Artikel 13, Punt 2° ).

Artikel 16 Dit artikel wijzigt artikel 32bis van titel I van het VLAREM, meer bepaald wordt de omschrijving van het begrip GPBV-installatie vervangen door de term « GPBV-installatie », een term die is gedefinieerd (zie Artikel 5, Punt 1° ).

Artikel 17 Dit artikel voegt een nieuw artikel 33 aan titel I van het VLAREM toe en is de omzetting van artikel 24, lid 2. Dit artikel geldt enkel voor GPBV-installaties en heeft betrekking op het ter beschikking stellen van informatie aan het publiek via het internet.

De bestaande artikelen 31, 31bis, 32 en 32bis betreffende het ter beschikking stellen van informatie blijven ook van toepassing op GPBV-installaties, alleen moet voor deze installaties nu ook bepaalde informatie via het internet ter beschikking worden gesteld. Deze informatie betreft de beslissingen over milieuvergunningsaanvragen, de vergunningen van mededelingen kleine veranderingen of de beslissingen tot wijzigingen of aanvullingen van de vergunningsvoorwaarden of de afwijkingen van de emissiegrenswaarden die worden verleend in het kader van afdeling 1.2.2.bis van titel II van het VLAREM. Artikel 18 Dit artikel voegt een artikel 33bis toe aan titel I van het VLAREM. Artikel 55.3 en artikel 72 van de RIE bepaalt dat bepaalde informatie bekend gemaakt moet worden. Vermits dit betrekking heeft op het bekend maken van informatie rond afvalverbranding zal de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij het betreffende rapport ter beschikking stellen en een lijst van afvalverbrandingsinstallaties met een nominale capaciteit van minder dan 2 ton/uur opstellen.

Artikel 19 Dit artikel wijzigt artikel 35, 5°, c), van titel II van het VLAREM. De verouderde benamingen : « de Technische Inspectie van de Administratie voor « Arbeidsveiligheid van het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid », « het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen bedoeld in het Algemeen Reglement voor Arbeidsbescherming » en « het federaal ministerie » worden vervangen door de huidige benamingen die respectievelijk « de Algemene Directie Toezicht op het Welzijn op het Werk van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg », « het comité voor preventie en bescherming op het werk » en « de FOD » luiden.

Artikel 20 Dit artikel wijzigt artikel 36, 5°, c), van titel II van het VLAREM. De verouderde benamingen : « de Technische Inspectie van de Administratie voor Arbeidsveiligheid van het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid », « het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen bedoeld in het Algemeen Reglement voor Arbeidsbescherming » worden vervangen door de huidige benamingen die respectievelijk « de Algemene Directie Toezicht op het Welzijn op het Werk van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg » en « het comité voor preventie en bescherming op het werk » luiden.

Artikel 21 Dit artikel wijzigt het artikel 41bis van titel I van het VLAREM. Dit artikel zet artikel 21, lid 1, 3, 4 en 5, van de RIE om.

Artikel 41bis, punt 1°, bepaalt dat de vergunningsvoorwaarden van de GPBV-installaties geregeld dienen getoetst te worden en indien noodzakelijk bijgesteld. De toetsing gebeurt door de afdeling Milieuvergunningen en zij kan een verzoek tot wijziging of aanvulling van de vergunningsvoorwaarden indienen bij de deputatie. Om deze toetsing te kunnen uitvoeren maakt de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, gebruik van eventuele bij de monitoring of bij inspecties verkregen gegevens.

Artikel 41bis, punt 2°, bepaalt dat de toetsing, indien nodig de aanpassing van de vergunningsvoorwaarden en het voldoen aan deze vergunningsvoorwaarden binnen de vier jaar nadat de BBT-conclusies betreffende de hoofdactiviteit van de GPBV-installatie zijn gepubliceerd, dient te gebeuren. De toezichthouder is de bevoegde instantie die erop toeziet dat aan de vergunningsvoorwaarden voldaan is.

Artikel 41bis, punt 3°, bepaalt wanneer er dient getoetst te worden indien er geen BBT-conclusies op de installatie van toepassing zijn.

Artikel 41bis, punt 4°, somt de gevallen op waarvoor in ieder geval een toetsing plaatsvindt. Enerzijds zijn er aanpassingen conform de terminologie van de RIE en anderzijds is er conform de RIE een bepaling geschrapt en een nieuwe bepaling opgenomen. Deze nieuwe bepaling stelt dat er in ieder geval moet getoetst worden als aan een nieuwe of herziene milieukwaliteitsnorm moet worden voldaan.

Artikel 22 Dit artikel wijzigt artikel 43 van titel I van het VLAREM. Van de wijziging van het artikel wordt gebruik gemaakt om de terminologie van het besluit te uniformiseren. 1° In paragraaf 1 worden de woorden « de in de milieuvergunning opgelegde bijzondere voorwaarden, de voor de inrichting geldende algemene of per categorie van inrichtingen door de Vlaamse Regering in toepassing van artikel 20 van het decreet vastgestelde milieuvergunningsvoorwaarden » vervangen door « de algemene, sectorale en bijzondere milieuvoorwaarden ».Deze wijziging heeft geen impact. 2° Een nieuwe paragraaf wordt toegevoegd die de omzetting realiseert van artikel 8, eerste lid, a) en b), van de RIE met betrekking tot de verplichtingen van de exploitanten in geval van een schending van een milieuvoorwaarde. Artikel 23 Dit artikel heft artikel 43bis van titel I van het VLAREM op.

De inhoud van artikel 43bis wordt opgenomen in een nieuwe bijlage 18 aan titel I van het VLAREM (zie Artikel 36).

Artikel 24 Dit artikel vervangt artikel 43ter van titel I van het VLAREM. Dit artikel is de omzetting van artikel 11 van de RIE. Het artikel 43ter dat betrekking heeft op de verplichtingen van de exploitant van een GPBV-installatie wordt aangepast conform de terminologie van de RIE. Enkel punt 6° wijzigt inhoudelijk. Hier wordt verwezen naar een nieuw artikel in titel II van het VLAREM, dat bepaalt wat de exploitant dient te doen bij definitieve stopzetting van zijn activiteiten (zie Artikel 74).

De bepalingen van het Materialendecreet en het VLAREMA waar naar verwezen wordt in punten 3 en 3° bis betreffen respectievelijk artikel 4 en artikel 2.4.1.1.

Artikel 25 Dit artikel voegt een nieuw artikel 43quater aan titel I van het VLAREM toe dat betrekking heeft op de verplichting van de exploitant van een GPBV-installatie om in het kader van de toetsing van de vergunningsvoorwaarden op vraag van de afdeling Milieuvergunningen de nodige gegevens over te maken aan deze afdeling. Dit nieuwe artikel is de omzetting van artikel 21, lid 2, van de RIE. In dit artikel wordt dus een rapporteringsverplichting aan de exploitant opgelegd. Ook in de nieuwe artikels 4.1.13.4 en 4.1.13.5 van titel II van het VLAREM (zie artikel 74 van dit besluit) wordt een rapporteringsverplichting opgelegd.

Het gaat hier evenwel om drie verschillende rapporteringen met telkens een andere finaliteit en andere informatie. Het betreft meer bepaald enerzijds een algemene rapporteringsplicht en anderzijds twee uitzonderlijke rapporteringsplichten : - Artikel 4.1.13.5 van titel II van het VLAREM : deze rapporteringsplicht (enkel) naar de toezichthouder is de regel en dient, zoals in het artikel vermeld, om de naleving van de vergunningsvoorwaarden te toetsen.

Deze gegevens moeten steeds slechts éénmalig aangeleverd worden : andere overheden kunnen/moeten deze gegevens opvragen bij de toezichthouder. - Artikel 43quater van titel I van het VLAREM : het gaat hier om gegevens die slechts éénmalig en slechts op specifiek verzoek dienen te worden bezorgd in het kader van een (over het algemeen tienjaarlijkse) toetsing van de vergunningsvoorwaarden door de afdeling Milieuvergunningen (als bevoegde overheid voor de toetsing).

Het gaat hierbij om gegevens die nodig zouden blijken te zijn tijdens het toetsen. Het kan hierbij onder andere gaan om emissiegegevens waarover de overheid nog niet beschikt via de jaarlijkse monitoring of via inspecties (zie artikel 41bis, 1° ). Gelet op deze specificiteit kan dit niet worden geïntegreerd met de rapporteringsverplichting van artikel 4.1.13.5 van titel II van het VLAREM. - Artikel 4.1.13.4 van titel II van het VLAREM : deze rapporteringsplicht geldt slechts indien de afwijkingsmogelijkheid van artikel 30bis, § 10, 2°, van titel I van het VLAREM wordt toegepast.

Volgens de RIE is het vereist dat de emissiegrenswaarden moeten waarborgen dat de emissies niet hoger zijn dan de BBT-GEN die zijn vastgesteld in de BBT-conclusies. Dit gebeurt in principe door emissiegrenswaarden vast te stellen die niet hoger zijn dan de BBT-GEN en waarbij die emissiegrenswaarden worden uitgedrukt voor dezelfde of kortere periodes en voor dezelfde referentieomstandigheden als de BBT-GEN. Hierdoor is de conformiteit met de RIE immers steeds gegarandeerd. Er kunnen echter ook afwijkende emissiegrenswaarden worden vastgesteld, wat betreft waarden, perioden en referentieomstandigheden. In dit geval is de conformiteit met de RIE niet gegarandeerd waardoor de RIE verplicht in een bijkomende rapporteringsplicht, waarbij enkel voor die emissiegrenswaarden waarvoor afgeweken wordt een « omrekening » naar de BBT-GEN moet gerapporteerd worden. De finaliteit van deze rapporteringsplicht is niet het toezicht op de naleving van de emissiegrenswaarden maar wel een controle op de conformiteit van de vergunningsvoorwaarden met de eisen van de RIE. Aangezien enkel de vergunningverlenende overheid bevoegd is om de vergunningsvoorwaarden te wijzigen gebeurt deze rapportering naar deze overheid. De RIE voorziet in deze afwijkingsmogelijkheid en deze werd ook omgezet in VLAREM maar er kan worden van uitgegaan dat deze afwijking slechts zeer uitzonderlijk zal worden toegepast. Ook hier kan dit gezien de specificiteit niet worden geïntegreerd met de rapporteringsverplichting van artikel 4.1.13.5 van titel II van het VLAREM. Aan dit artikel wordt wel de bepaling toegevoegd dat de jaarlijkse rapportage moet gebeuren voor 15 maart van elk kalenderjaar, analoog aan de termijnstelling voor het indienen van het IMJV. Zo moet een exploitant slechts op één moment denken aan rapporteren aan de overheid.

Het is van het grootste belang dat een bedrijf niet aan verschillende overheidsinstanties soortgelijke gegevens moet rapporteren. Er moet maximaal gebruik gemaakt worden van gegevens waar de overheid reeds over beschikt. Dit principe wordt expliciet aangehaald in artikel 43quater en in artikel 41bis van titel I van het VLAREM. Het is tevens zaak dat de bedrijven de gevraagde gegevens op een gecordineerde manier moeten kunnen aanleveren. In dat opzicht werd er reeds gestart met de aanbesteding van een alternatievenonderzoek met betrekking tot deze rapportering en waarin de mogelijke integratie in het IMJV zal worden afgewogen tegen alternatieven, zoals een gestructureerde online gegevensinvoer door de laboratoria die de betrokken emissiemetingen uitvoeren. Deze procedure is momenteel lopende. Er zijn al inschrijvers bekend op deze opdracht; de gunning is voorzien voor mei 2013. Het betreft een studieopdracht met een looptijd van zes maanden. Dit betekent dus dat de studieopdracht reeds zal afgerond kunnen worden tegen het einde van 2013. In 2014 kan derhalve gestart worden met de eigenlijke uitvoering ervan. Het is dus aangewezen de resultaten van deze studie af te wachten vooraleer het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten8 tot invoering van het integrale milieujaarverslag te wijzigen, zoals wordt geopperd door de strategische adviesraden in hun advies van 21 februari 2013.

Artikel 26 1° Dit punt wijzigt artikel 45, § 1, van titel I van het VLAREM.Er wordt bepaald dat ook de toezichthouder een verzoek kan indienen om de in de lopende vergunning(en) opgelegde voorwaarde te wijzigen of aan te vullen. 2° Dit punt wijzigt artikel 45, § 3, van titel I van het VLAREM, meer bepaald wordt de omschrijving van het begrip GPBV-installatie vervangen door de term « GPBV-installatie », een term die is gedefinieerd (zie Artikel 5, punt 2° ). Artikel 27 Dit artikel wijzigt artikel 50, 4°, c), van titel II van het VLAREM. De verouderde benamingen : « de Technische Inspectie van de Administratie voor Arbeidsveiligheid van het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid », « het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen bedoeld in het Algemeen Reglement voor Arbeidsbescherming » en « de dienst van de Civiele Bescherming gelast met de opstelling van het rampenplan bedoeld in artikel 7, § 2 van de wet van 21 januari 1987 inzake de risico's van zware ongevallen bij bepaalde industriële activiteiten » worden vervangen door de huidige benamingen die respectievelijk « de Algemene Directie Toezicht op het Welzijn op het Werk van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg », « het comité voor preventie en bescherming op het werk » en » de Algemene Directie van de Civiele Veiligheid van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken » luiden.

Artikel 28 Dit artikel wijzigt artikel 52, 4°, c), van titel II van het VLAREM. De verouderde benamingen : « de Technische Inspectie van de Administratie voor Arbeidsveiligheid van het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid », » het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen bedoeld in het Algemeen Reglement voor Arbeidsbescherming » en « de dienst van de Civiele Bescherming gelast met de opstelling van het rampenplan bedoeld in artikel 7, § 2 van de wet van 21 januari 1987 inzake de risico's van zware ongevallen bij bepaalde industriële activiteiten », worden vervangen door de huidige benamingen die respectievelijk « de Algemene Directie Toezicht op het Welzijn op het Werk van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg », « het comité voor preventie en bescherming op het werk » en « de Algemene Directie van de Civiele Veiligheid van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken » luiden.

Artikel 29 Dit artikel wijzigt artikel 57decies, § 4, van titel I van het VLAREM. Het gebruik van haakjes in bestandsnamen van bijlagen geeft softwaretechnische problemen met het eMIL-milieuvergunningenloket. Om deze reden werd er voor geopteerd om de indiener de mogelijkheid te geven om, voorafgaand aan het indienen van de digitale milieuvergunningsaanvraag, de bijlagen die niet voor openbaarheid in aanmerking komen te markeren als « niet openbaar » in het eMIL-loket. HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen aan de bijlagen van titel I van het VLAREM Artikel 30 Dit artikel brengt verschillende wijzigingen in bijlage 1 van titel I van het VLAREM (indelingslijst) aan : Punt 1° Aan de inleiding wordt een bepaling toegevoegd zodat definities die opgenomen zijn in artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM, eveneens gelden voor de bijlage 1 van titel I van het VLAREM (zijnde de indelingslijst).

Daarnaast wordt een bepaling opgenomen dat onderzoeksactiviteiten, ontwikkelingsactiviteiten of het testen van nieuwe producten en processen niet worden ingedeeld als GPBV-installatie of BKG-installatie en niet worden ingedeeld onder de rubriek die van toepassing is op activiteiten die gebruik maken van organische oplosmiddelen.

Deze uitzonderingsbepaling is enkel geldig op laboschaal en is de omzetting van artikel 2, lid 2, van de RIE. Punt 2° Dit punt vult in de inleiding aan dat de verklaring van de symbolen in 8ste kolom ook zijn opgenomen. Dit is reeds zo sinds het invoegen van deze kolom (d.d. 27 januari 2009), maar werd nooit aangepast. Deze aanpassing betreft een rechtzetting.

Punt 3° Dit punt past de verklaring van de letter « X » van de indelingslijst aan. De verklaring wordt ingekort, aangezien een verwijzing naar de definitie in titel I van het VLAREM volstaat. De verwijzing naar de GPBV-richtlijn wordt vervangen door de RIE. Punt 4° Dit punt past de verklaring van de letter « Y » van de indelingslijst aan. De uitzondering voor de onderzoeksactiviteiten, ontwikkelingsactiviteiten of het testen van nieuwe producten en processen wordt hier geschrapt (zie punt a)), aangezien dit nu meer algemeen wordt opgenomen (zie Punt 1° ) in het kader van de ETS-richtlijn. De toelichting bij deze letter « Y » wordt ook uitgebreid, in lijn met enkele nieuwe bepalingen uit het toepassingsgebied van emissiehandel van de tweede verbintenisperiode (vastgelegd in bijlage 1 van de richtlijn nr. 2003/87/EG). Zo wordt nu onder meer vermeld dat installaties die uitsluitend biomassa gebruiken als brandstof, niet geacht worden om ingedeeld te zijn met de vermelding Y (zie punt b)).

Punt 5° Dit punt past de verklaring van de letter « R » van de indelingslijst aan. Deze aanpassing betreft een rechtzetting, aangezien de verordening betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen als kenmerk 166/2006 heeft.

Punt 6° a) Dit punt voegt een zin in die verduidelijkt dat OVAM bevoegd is voor de naleving van kolom 8.c) Dit punt geeft een verklaring voor de letter « S ». GPBV-installaties die na 6 januari 2013 in gebruik genomen worden moeten vóór de aanvang van de exploitatie een oriënterend bodemonderzoek laten uitvoeren conform artikel 33bis van het bodemdecreet. Dit artikel stipuleert onder andere dat dit oriënterend bodemonderzoek eenmalig moet worden uitgevoerd.

GPBV-installaties die reeds in gebruik genomen waren op deze datum hebben de tijd tot 7 januari 2014 om dit oriënterend bodemonderzoek te laten uitvoeren.

Bepaalde GPBV-installaties die reeds in gebruik genomen waren op deze datum hebben uitstel tot 7 juli 2015. De activiteiten waarvoor dit uitstel geldt zijn opgesomd, het betreft enkel nieuwe GPBV-activiteiten die nog niet in de GPBV-RL waren opgenomen en wel opgenomen zijn in de RIE. Punt 7° Dit punt wijzigt rubriek 1.1. conform de terminologie van bijlage I, punt 1.1 van de RIE. De letter S wordt toegevoegd aan de 8ste kolom (zie Punt 6° ). Ook de letter Y wordt toegevoegd in de tweede kolom; dit is het gevolg van de uitbreiding van het toepassingsgebied in het kader van de ETS-richtlijn.

Punt 8°, punt 9°, punt 14°, punt 15°, punt 16° en punt 17° Deze punten schrappen alle GPBV-rubrieken inzake afval (meer bepaald 2.2.4.g), 2.2.7., 2.3.4.4., 2.3.8., 2.3.9.b) en c) en 2.3.10.) aangezien ze worden ondergebracht in een nieuwe afvalrubriek (zie Punt 18° ).Doordat de GPBV-rubrieken rond afvalbeheer worden ondergebracht in één rubriek, wordt het geheel duidelijker en overzichtelijker.

Punt 10° Dit punt vervangt punt f in rubriek 2.3.2 in het kader van de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden.

Er worden een aantal nieuwe rubrieken in rubriek 2.3 (2.3 omvat « opslag en verwijdering van afvalstoffen ») ingevoegd met het oog op de regeling ten aanzien van restvloeistoffen afkomstig van het vullen en schoonmaken van spuitapparatuur [2.3.2, f) voorziet dit in het kader van de fysico-chemische behandeling (Sentinel), 2.3.3, b) (zie Punt 12° ) voorziet dit in het kader van de biologische behandeling (fytobak, biofilter)]. Anders dan hetgeen inzake opslag en verwijdering van afvalstoffen gewoonlijk het geval is, gaat het hierbij niet om een klasse 1, maar om een klasse 2-inrichting.

Punt 11° Dit punt voegt een punt g toe aan rubriek 2.3.2 (opslag en fysisch-chemische behandeling van afvalstoffen) in het kader van de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden (zie voorgaand punt).

Punt 12° Dit punt wijzigt rubriek 2.3.3 (opslag en biologische behandeling van afvalstoffen) in het kader van de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden (zie ook Punt 10° ).

Punt 13° Dit punt past de rubriek 2.3.4.1.a), 1° en 2.3.4.2.a), 1° aan zodat biomassa-afval overeenkomt met de licht gewijzigde definitie voor biomassa-afval uit artikel 3, punt 31, van de RIE. Punt 18° Dit punt voegt een nieuwe rubriek 2.4. « Afvalbeheer in het kader van industriële emissies » in waarin alle GPBV rubrieken inzake afvalbeheer worden ondergebracht. Dit punt is de omzetting van bijlage I, punt 5 van de RIE. De rubriek « afvalbeheer » in de RIE werd grondig gewijzigd ten opzichte van de overeenkomstige rubriek in de GPBV-richtlijn. Dit heeft als gevolg dat deze wijzigingen niet zomaar kunnen doorgevoerd worden in de bestaande GPBV-rubrieken inzake afvalstoffen (meer bepaald de rubrieken 2.2.4.g), 2.2.7., 2.3.4.4., 2.3.8., 2.3.9.b) en c) en 2.3.10.). Om dit op te vangen en om de duidelijkheid en overzichtelijkheid van de afvalstoffenrubriek te kunnen garanderen, werd de nieuwe rubriek 2.4 ingevoerd en werden de GPBV-rubrieken onder rubriek 2 geschrapt (zie punt 8°, punt 9°, punt 14°, punt 15°, punt 16° en punt 17° ).

Punt 19° Dit punt voegt een nieuwe rubriek 3.6.7. « Een zelfstandige geëxploiteerde behandeling, met uitzondering van de behandelingen inzake stedelijk afvalwater, van afvalwater ten dienste van een of meer activiteiten, aangeduid met een « X » in de vierde kolom van deze lijst » toe aan rubriek 3.6. « Afvalwaterzuiveringsinstallaties, met inbegrip van het lozen van het effluentwater en het ontwateren van de bijhorende slibproductie ». Het betreft de nieuwe activiteit 6.11. die is opgenomen in bijlage I van de RIE. Deze nieuwe rubriek heeft als gevolg dat installaties die het afvalwater van andere GPBV-installaties verwerken in hun waterzuiveringsinstallatie en daarna lozen nu ook een GPBV-installatie worden. RWZI's zijn uitgezonderd.

De letter S wordt opgenomen in de 8ste kolom (zie Punt 6° ).

Punt 20°, punt 34°, punt 35°, punt 40°, punt 41°, punt 47°, punt 48° en punt 49° Deze punten wijzigen rubriek 4.6, rubriek 20.1.1, rubriek 20.1.2, rubriek 20.2.1 t/m 20.2.5, rubriek 25.1.1, rubriek 29.2.1, rubriek 33.1, rubriek 33.2.e) en rubriek 41.10 conform de terminologie van bijlage I van de RIE, deze aanpassingen hebben inhoudelijk geen gevolgen. De letter S wordt toegevoegd aan de 8ste kolom (zie Punt 6° ).

Punt 21° Dit punt vervangt rubriek 5 in het kader van de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden.

Er wordt onder andere een nieuwe rubriek 5.6 [inrichtingen voor het schoonmaken van apparatuur (...) horende bij een inrichting voor opslag en behandeling van restvloeistoffen] toegevoegd. Hieraan voorafgaand worden de reeds bestaande rubrieken hernomen, maar worden een aantal terminologische aanpassingen geïntegreerd om deze rubriek compatibel te maken met de nieuwe terminologie zoals deze voortvloeit uit voormelde richtlijn 2009/128/EG. Dit punt wijzigt tevens rubriek 5.5 ook conform de terminologie van bijlage I, punt 4.4, van de RIE. Door het schrappen van het woord basis en de biologische omzetting hierin op te nemen, breidt het toepassingsgebied uit. De letter S wordt toegevoegd aan de 8ste kolom (zie Punt 6° ).

Punt 22° Dit punt wijzigt rubriek 7.11 conform de terminologie van bijlage I, punt 4, van de RIE. Door het schrappen van het woord basis, de biologische omzetting hierin op te nemen en voor de farmaceutische industrie ook de tussenproducten te beschouwen, breidt het toepassingsgebied uit. De letter S wordt toegevoegd aan de 8ste kolom (zie Punt 6° ).

Punt 23° Dit punt voegt twee nieuwe rubrieken in, namelijk 7.13 en 7.14.

Dit is het gevolg van de uitbreiding van het toepassingsgebied in het kader van de ETS-richtlijn.

Punt 24° en punt 25° Deze punten vullen rubrieken 9.3.1.d) en 9.4.1.d) aan, aangezien voor beide rubrieken er overlap kan zijn met de bestaande rubriek 9.5.

Punt 26° Dit punt wijzigt rubriek 16.1, conform de terminologie bijlage I van de RIE; deze aanpassingen hebben inhoudelijk geen gevolgen.

Punt 27° Dit punt vervangt rubriek 16.3.3 « Pompstations die horen bij pijpleidingen voor het vervoer van koolstofdioxidestromen voor geologische opslag ». Dit is het gevolg van de uitbreiding van het toepassingsgebied in het kader van de ETS-richtlijn.

Punt 28° Dit punt voegt in de vierde kolom « bemerkingen » van rubriek 16.11 wordt het symbool « Yk » in. Dit is het gevolg van de uitbreiding van het toepassingsgebied in het kader van de ETS-richtlijn.

Punt 29° Dit punt voegt aan rubriek 16.12 « Installaties voor het afvangen van koolstofdioxide » een punt 3° toe (het afvangen van broeikasgassen, afkomstig van installaties die met een Y zijn aangeduid in de vierde kolom van de indelingslijst, met het oog op de geologische opslag overeenkomstig het decreet van 8 mei 2009Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/03/2009 pub. 06/04/2009 numac 2009011129 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 6 februari 2007 tot uitvoering van artikel 3, § 2, van de wet van 13 juli 2005 betreffende de invoering van een jaarlijkse bijdrage ten laste van bepaalde instellingen type koninklijk besluit prom. 19/03/2009 pub. 01/04/2009 numac 2009003135 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 september 1998 betreffende de nationale zijde van de eerste serie euromuntstukken type koninklijk besluit prom. 19/03/2009 pub. 08/04/2009 numac 2009022162 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot wijziging van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen sluiten2 betreffende de diepe ondergrond); dit is het gevolg van de uitbreiding van het toepassingsgebied in het kader van de ETS-richtlijn.

Punt 30° Aan rubriek 18 wordt een subrubriek 18.7 toegevoegd betreffende de afgraving van steenkoolterrils. De afgraving van steenkoolterrils is een activiteit die zich in de praktijk voordoet, maar heden is het niet geheel duidelijk onder welke rubriek deze activiteit vergund moet worden. Door toevoeging van een subrubriek 18.7 zijn voor deze activiteit geen interpretatieproblemen meer mogelijk en kunnen in de sectorale voorwaarden inzake stabiliteit voor rubriek 18 in titel II van het VLAREM specifieke bepalingen van toepassing gemaakt worden op deze nieuwe subrubriek 18.7.

Punt 31° Dit punt voegt een nieuwe subrubriek 19.4.4° « De conservering van hout en houtproducten met behulp van chemische stoffen met een productiecapaciteit van meer dan 75 m3 per dag, met uitzondering van de behandeling die uitsluitend gericht is op het voorkomen van sapvlekken » toe aan rubriek 19.4. « Inrichtingen voor het chemisch behandelen van hout en soortgelijke producten, andere dan deze bedoeld in rubriek 19.8 ». Het betreft de nieuwe activiteit 6.10. die is opgenomen in bijlage I van de RIE. De conservering van hout en houtproducten met chemicaliën met een productiecapaciteit van 50 m3 per dag of meer is reeds ingedeeld onder rubriek 19.4.3°, maar een inrichting die deze activiteit uitvoert met een productiecapaciteit van 75 m3 per dag wordt nu tevens ingedeeld als GPBV-installatie.

De letter S wordt opgenomen in de 8ste kolom (zie Punt 6° ).

Punt 32° Dit punt voegt een nieuwe subrubriek 19.9. « De industriële fabricage van een of meer van de volgende platen en panelen van hout : oriented strand board (OSB), spaanplaat, vezelplaat met een productiecapaciteit van meer dan 600 m3 per dag » toe aan rubriek 19. « Hout (hout, houtschors, riet, vlas (houtachtig gedeelte), stro of soortgelijke producten) ». Het betreft de nieuwe activiteit 6.1.c) die is opgenomen in bijlage I van de RIE. De productie van houtvezelplaat- spaanderplaat-, duplex-, triplex- en multiplexfabrieken met een productiecapaciteit van 200 ton en meer is reeds ingedeeld onder rubriek 19.7., maar inrichting die deze activiteit uitvoert met een productiecapaciteit van 600 m3 per dag wordt nu tevens ingedeeld als GPBV-installatie.

Punt 33° Dit punt schrapt in rubriek 20 de verwijzing naar de EG-richtlijn 84/360/EEG van 28 juni 1984 betreffende de bestrijding van door industriële inrichtingen veroorzaakte luchtverontreiniging, die op 30 oktober 2007 werd ingetrokken.

Punt 34° Dit punt wijzigt o.a. rubriek 20.1.3 conform de terminologie van de RIE en breidt uit met subrubriek 20.1.3.b), wat overeenkomt met de nieuwe activiteit 1.4.b) uit bijlage I van de RIE. Het vergassen of vloeibaar maken van steenkool wordt hiermee uitgebreid naar andere brandstoffen in installaties met een totaal nominaal thermisch vermogen van 20 MW of meer. De letter S wordt toegevoegd aan de 8ste kolom (zie punt 6° ).

Punt 35° Dit punt vervangt rubriek 20.2.1 tot en met 20.2.5, conform de terminologie van bijlage I van de RIE, deze aanpassingen hebben inhoudelijk geen gevolgen. De letter S wordt toegevoegd aan de 8ste kolom (zie punt 6° ).

Punt 36° Dit punt voegt drie nieuwe rubrieken toe, namelijk 20.2.8 tot en met 20.2.10 (productie van aluminium, productie of bewerking van ferrometalen en productie of bewerking van non-ferrometalen). Dit is het gevolg van de uitbreiding van het toepassingsgebied in het kader van de ETS-richtlijn.

Punt 37° tot en met punt 41° Deze punten wijzigen rubrieken 20.3.2 tot en met 20.3.7. Deze rubrieken worden aangepast conform de terminologie van bijlage I van de RIE (behalve punt 38° ), deze aanpassingen hebben inhoudelijk geen gevolgen. Bij bepaalde rubrieken (20.3.4 en 20.3.5) wordt de letter S toegevoegd aan de 8ste kolom (zie Punt 6° ).

De punten 38° en 39° worden ook gewijzigd ten gevolge van de uitbreiding van het toepassingsgebied in het kader van de ETS-richtlijn.

Punt 42° Dit punt voegt een nieuwe rubriek 20.3.8 toe (Het drogen of calcineren van gips of het produceren van gipsplaten en andere gipsproducten waarbij verbrandingseenheden met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW worden gebruikt). Dit is het gevolg van de uitbreiding van het toepassingsgebied in het kader van de ETS-richtlijn.

Punt 43° Dit punt wijzigt rubriek 23.4, conform de terminologie van bijlage I, punt 2.6, van de RIE en hierin wordt expliciet opgenomen dat de inhoud van de spoelbaden bij de oppervlaktebehandeling van kunststoffen niet moet meegerekend worden bij de berekening van de behandelingsbaden.

Dit is conform de RIE en de rubriek 29.5.5.4° met betrekking tot de oppervlaktebehandeling van metalen.

Punt 44° Dit punt vervangt rubriek 25.1.1, conform de terminologie van bijlage I van de RIE, deze aanpassingen hebben inhoudelijk geen gevolgen. De letter S wordt toegevoegd aan de 8ste kolom (zie punt 6° ).

Punt 45° Dit punt wijzigt rubriek 29.

Het al of niet ingedeeld zijn van een inrichting moet blijken uit de indelingslijst vervat in bijlage 1 van titel I van het VLAREM en niet uit titel II van het VLAREM. Daarom wordt paragraaf 2 van artikel 5.29.0.1 waarin het mechanisch, thermisch of fysisch bewerken van metaal, alsook het stralen met zand of andere producten gekoppeld aan de uitvoering van eigenlijke bouw- of sloopwerken, uitgezonderd van het toepassingsgebied van hoofdstuk 5.29 (« zijnde handelingen die overeenkomstig de indelingslijst niet als hinderlijke inrichting zijn ingedeeld ») en verplaatst naar rubriek 29.

Punt 46° Dit punt vervangt rubriek 29.1.2 (inrichtingen voor de op- of overslag van ertsen).

Door een typfout is bij de wijziging van de indelingslijst op 19 september 2008 (gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 27 januari 2009) de ondergrens van de rubriek 29.1.2.1° weggevallen. Deze wijziging was niet bedoeld en dus ook niet gemotiveerd. Deze fout wordt hersteld door de ondergrens van 1 hectare opnieuw in te voeren.

Punt 47° Dit punt wijzigt rubriek 29.2. a) en b) passen rubriek 29.2 en rubriek 29.2.1.1° aan, conform de terminologie van bijlage I van de RIE, deze aanpassingen hebben inhoudelijk geen gevolgen. De letter S wordt toegevoegd aan de 8ste kolom (zie punt 6° ).

Punt 48° Dit punt wijzigt rubriek 29.5. a) en b) Deze punten passen rubriek 29.5.1. en 29.5.5. aan conform de terminologie van bijlage I, punt 2.3.b) en 2.6 van de RIE. c) Dit punt voegt de letter S toe aan de 8ste kolom voor de rubriek 29.5.5.4° en 29.5.6, a) (zie Punt 6° ). d) Dit punt wijzigt rubriek 29.5.10 van de indelingslijst « Thermisch reinigen van metalen voorwerpen... » en meer bepaald de activiteiten die ingedeeld worden in klasse 2 en klasse 1. Deze rubriek werd ingevoegd met de VLAREM-trein 2011 ( besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten2). Bij de invoering van deze rubriek werd echter geen categorie toegekend in de VLAREBO-kolom (kolom 8). Gelet op de mogelijks vrijkomende producten (halogeenhoudende stoffen, rubbers of asbestcontaminanten) bij de thermische reiniging en de omvang van de activiteiten is het aangewezen om voor de subrubriek 29.5.10, 2°, a), in kolom 8 een categorie O op te nemen en voor de subrubriek 29.5.10, 2°, b), een categorie A. Punt 49° Dit punt wijzigt rubriek 30.2. a) Dit punt past rubriek 30.2 aan conform de terminologie van bijlage I, punt 3.1 van de RIE. b) Dit punt voegt de letter S toe aan de 8ste kolom voor de rubriek 30.2.2° (zie Punt 6° ). c) Dit punt past rubriek 30.2.3° aan conform de terminologie van bijlage I, punt 3.1 van de RIE en voegt de letter S aan de 8ste kolom toe(zie Punt 6° ). d) Dit punt voegt een nieuwe subrubriek 30.2.4° « De productie van magnesiumoxide in ovens met een productiecapaciteit van meer dan 50 ton per dag » toe aan rubriek 30 « Minerale industrie (niet-metaalachtige producten, bouwmaterialen en soortgelijke materialen) ». Het betreft de nieuwe activiteit 3.1.c) die is opgenomen in bijlage I van de RIE. De letter S wordt toegevoegd aan de 8ste kolom (zie Punt 6° ).

Punt 50° Dit punt wijzigt rubriek 31, deze aanpassingen zijn een verduidelijking om ook overeenstemming te krijgen met de nieuwe voorwaarden (zie Artikel 159) en heeft geen inhoudelijke gevolgen.

Punt 51° Dit punt wijzigt rubriek 31.1, conform de terminologie van bijlage I, punt 1.1, van de RIE. Een inhoudelijke aanpassing is er voor de berekening van het totaal nominaal thermisch ingangsvermogen voor noodgeneratoren of bluswaterpompen. De grens van het aantal bedrijfsuren waaronder maar de helft van het nominaal thermisch ingangsvermogen in rekening mag worden gebracht, wordt opgetrokken van 360 naar 500 uren, dit om in overeenstemming te zijn met de RIE. Rubriek 31.1.4° wordt geschrapt aangezien deze activiteiten vallen onder rubriek 43.3.

Punt 52° Dit punt wijzigt rubriek 31.2. Conform rubriek 31.1 wordt hier eveneens totaal nominaal vermogen gewijzigd in totaal nominaal thermisch ingangsvermogen.

Punt 53° Het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten3 betreffende het maximaal geluidsniveau van muziek in inrichtingen, vervangt de rubrieken 32.1 en 32.2 van de indelingslijst. Hierbij werd over het hoofd gezien dat de symbolen van de kolom bemerkingen ook aan de nieuwe indeling moeten worden aangepast. Bij deze wordt dit rechtgezet.

Punt 54° Dit punt wijzigt rubriek 32.7.1° (Schietstanden voor wapens met veren en perslucht, paintball shooting).

Ook schietstanden voor kruisbogen dienen aan deze klasse 2 rubriek toegevoegd te worden, gelet op de sectorale voorwaarden van een schietstand categorie D (zie artikel 5.32.7.1.1. § 3, 4°, van titel II van het VLAREM); het niet vermelden van schietstanden voor kruisbogen in voormelde tweede klasse rubriek betreft een vergetelheid.

Punt 55° Dit punt vervangt rubriek 33.1, conform de terminologie van bijlage I van de RIE, deze aanpassingen hebben inhoudelijk geen gevolgen. De letter S wordt toegevoegd aan de 8ste kolom (zie punt 6° ).

Punt 56° Dit punt vervangt rubriek 33.2, e, conform de terminologie van bijlage I van de RIE, deze aanpassingen hebben inhoudelijk geen gevolgen. De letter S wordt toegevoegd aan de 8ste kolom (zie punt 6° ).

Punt 57° Dit punt wijzigt rubriek 38.3 « Opslagplaatsen voor springstoffen ».

Er wordt een uitzondering voorzien voor producten die eenieder zonder vergunning onder zich kan houden overeenkomstig het koninklijk besluit van 23 september 1958Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten1 houdende algemeen reglement betreffende het fabriceren, opslaan, onder zich houden, verkopen, vervoeren en gebruik van springstoffen, inzonderheid artikel 265 (Algemeen Reglement Springstoffen). Voormelde artikel bepaalt wanneer geen opslagvergunning vereist is. De opslag van deze producten tot een gewicht van 10 kg (veiligheidsmunitie) wordt dus uitgesloten van rubriek 38.3 van de indelingslijst.

Punt 58° Dit punt vervangt rubriek 41.10, conform de terminologie van bijlage I van de RIE, deze aanpassingen hebben inhoudelijk geen gevolgen. De letter S wordt toegevoegd aan de 8ste kolom (zie punt 6° ).

Punt 59° Dit punt wijzigt rubriek 43. Deze aanpassingen zijn een verduidelijking om ook overeenstemming te krijgen met de nieuwe voorwaarden voor stookinstallaties (zie Artikel 1811 tot en met Artikel 1877) en heeft geen inhoudelijke gevolgen.

Punt 60° Dit punt wijzigt rubriek 43.1. Conform rubriek 43.3. wordt hier totaal nominaal warmtevermogen gewijzigd in totaal nominaal thermisch ingangsvermogen.

Punt 61° Dit punt schrapt rubriek 43.2. Aangezien het niet logisch is om een onderscheid te maken tussen stookinstallaties met en zonder elektriciteitsproductie wordt deze rubriek geschrapt.

Punt 62° Dit punt wijzigt rubriek 43.3. conform de terminologie van bijlage I, punt 1.1, van de RIE. De letter S wordt toegevoegd aan de 8ste kolom (zie Punt 6° ).

Punt 63° Dit punt vervangt rubriek 43.4 (verbrandingsinstallaties met een totaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW). Dit is het gevolg van de uitbreiding van het toepassingsgebied in het kader van de ETS-richtlijn.

Punt 64° Dit punt wijzigt het opschrift van rubriek 45.1, conform de terminologie bijlage I van de RIE; deze aanpassingen hebben inhoudelijk geen gevolgen.

Punt 65° Dit punt wijzigt rubriek 45.6, conform de terminologie bijlage I van de RIE; deze aanpassingen hebben inhoudelijk geen gevolgen.

Punt 66° Dit punt wijzigt rubriek 45.16, conform de terminologie bijlage I van de RIE. Er wordt tevens een nieuwe rubriek 45.16.3 voorzien, waarvoor een milieucordinator type A vereist is (terwijl voorheen type B nodig was voor de rubriek 45.16.1 en/ of 45.16.2).

Punt 67° Dit punt wijzigt rubriek 59.3.

De verwijzing naar de datum van wijziging van het vermelde koninklijk besluit is achterhaald, maar is ook overbodig. De verwijzing wordt dan ook geschrapt.

Punt 68° Dit punt wijzigt rubriek 59.5.1.1°.

De verwijzing naar de datum van wijziging van het vermelde Koninklijk Besluit is achterhaald, maar is ook overbodig. De verwijzing wordt dan ook geschrapt.

Punt 69° Dit punt vervangt rubriek 59.7.

De met dit artikel ingevoegde bepaling is letterlijk overgenomen uit de RIE. Dit is eveneens bepaald in de richtlijn 1999/13/EG maar was nog niet overgenomen in de indelingslijst voor de betrokken activiteit.

Punt 70° Dit punt vervangt rubriek 59.10.

De met dit artikel ingevoegde bepaling is letterlijk overgenomen uit de RIE. Dit is eveneens bepaald in de richtlijn 1999/13/EG maar was nog niet overgenomen in de indelingslijst voor de betrokken activiteit.

Punt 71° Dit punt voegt een punt C toe aan de noot van de indelingslijst. Dit punt C is een grafiek die de formule opgenomen in rubriek 45.16.3° grafisch illustreert. Deze grafiek is overgenomen uit bijlage I van de RIE. Artikel 31 Dit artikel vervangt het punt F4 van bijlage 3A (aanvraagformulier voor een mededeling kleine verandering of een melding van klasse 3-onderdelen van een vergunde inrichting van klasse 1 of 2) van titel I van het VLAREM. Dit is nodig om in overeenstemming te zijn met de aanpassingen die worden doorgevoerd in titel I van het VLAREM in het kader van de omzetting van de ETS-richtlijn.

Artikel 32 Dit artikel voert een wijziging door in het milieuvergunningsaanvraagformulier vervat in bijlage 4.A van titel I van het VLAREM. Punt 1° Deel D, punt D6, van het aanvraagformulier stelt de vraag of het gaat om een GPBV-inrichting. Deze term is echter niet gedefinieerd en wordt gewijzigd in GPBV-installatie. Daarnaast wordt de verwijzing naar de GPBV-RL geschrapt en wordt naar hoofdstuk II van de RIE verwezen.

Punt 2° Dit punt vervangt punt D8 van bijlage 4A van titel I van het VLAREM. Dit is nodig om in overeenstemming te zijn met de aanpassingen die worden doorgevoerd in titel I van het VLAREM in het kader van de ETS-richtlijn.

Punt 3° Dit punt wijzigt punt E13 van het milieuvergunningsaanvraagformulier.

Er wordt hiermee verwezen naar hoofdstuk V van de RIE. Punt 4° Dit punt vervangt punt E14 van het milieuvergunningsaanvraagformulier.

Bij de aanvraag van een stookinstallatie met een vermogen van 50 MW of meer moet bijkomende informatie toegevoegd worden. Deze bijkomende gegevens hebben betrekking op de opstarten en stilleggen van de installaties.

In artikel 14, lid 1, punt f, van de RIE is bepaald dat de vergunning maatregelen bevat inzake andere dan normale bedrijfsomstandigheden, zoals opstarten en stilleggen. Voor stookinstallaties die onder hoofdstuk III van de RIE vallen, is de vaststelling van opstart- en stilleggingsperioden vereist om te beoordelen of de in bijlage V van de RIE vastgestelde emissiegrenswaarden, met inachtneming van deel 4 van deze bijlage, worden nageleefd en om het aantal bedrijfsuren van de stookinstallaties te bepalen, wanneer dit voor de toepassing van de RIE relevant is. In het Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 7 mei 2012 betreffende de vaststelling van opstart- en stilleggingsperioden voor de toepassing van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies zijn regels opgenomen betreffende de vaststelling van de bedoelde opstart- en stilleggingsperioden. Om deze regels te kunnen toepassen, is specifieke informatie voor de betreffende stookinstallaties vereist.

Deze informatie dient toegevoegd te worden bij de aanvraag van stookinstallatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 50 MW. Bij de bepaling van het totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van de stookinstallatie dient rekening gehouden te worden met de in artikel 5.43.3.1 van titel II van het VLAREM vastgestelde samentelling regels.

Punt 5° Dit punt voegt een punt E15 toe. Het aanvraagformulier wordt aangevuld met de aspecten die in artikel 44 van de RIE opgenomen zijn, specifiek voor afvalverbrandings- of meeverbrandingsinstallaties.

Punt 6° Dit punt vervangt punt F9 van het aanvraagformulier omdat rubriek 61.1, waarnaar in dit punt heden nog verwezen wordt, opgeheven is sinds 25 juli 2009 ( besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten6, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 juli 2009). Voor de duidelijkheid is er voor geopteerd om het gehele punt F9 te vervangen.

Punt 7° Dit punt voegt een punt F16 toe aan het milieuvergunningsaanvraagformulier ingevolge de inwerkingtreding van verordening (EG) nummer 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH). Gezien de REACH-verordening van toepassing is sinds 1 juni 2007, wordt het noodzakelijk geacht dat er geen milieuvergunningen verleend worden die niet conform de REACH-verordening zijn en dan meer specifiek voor wat betreft stoffen (als zodanig, in mengsels of in voorwerpen) onderworpen aan een beperking (overeenkomstig titel VIII van de REACH-verordening) of aan de autorisatieplicht (overeenkomstig titel VII van de REACH-verordening). Op die manier kan ten volle uitvoering gegeven worden aan artikel 125 van de REACH-verordening.

Dit artikel stelt namelijk dat de lidstaten een systeem onderhouden van officiële controles en andere op de situatie afgestemde activiteiten. Door deze controle uit te voeren op het moment van de milieuvergunningsaanvraag wordt vermeden dat de overheid een vergunning aflevert die in strijd is met bepaalde belangrijke bepalingen uit de REACH-verordening. De administratieve impact voor de exploitant zal minimaal zijn.

De voorgestelde wijzigingen in de bijlagen 4.A en 4.B van titel I van het VLAREM zullen een controle van de van toepassing zijnde beperkingen en autorisatieverplichtingen toelaten bij het behandelen van een milieuvergunningsaanvraag. De milieuvergunningsvoorwaarden zullen afgestemd worden op deze van toepassing zijnde beperkingen en autorisatieverplichtingen.

De invultabel opgenomen in bijlage 4.B geeft de aanvrager toe om over stoffen die autorisatieplichtig zijn of waarvoor beperkingen gelden volgens REACH (Verordening nr. 1907/2006), bijkomende informatie te verschaffen (zie ook bovenstaand artikel). Deze tabel is opgesteld naar model van de chemische sector en vraagt alleen de hoogstnoodzakelijke gegevens op een overzichtelijke manier. Door het handige formaat van de tabel en het feit dat exploitanten over stoflijsten van hun stoffen beschikken, zal de administratieve last voor de exploitant tot het strikte minimum beperkt zijn.

Punt 8° In punt H6 worden er aankruisvakjes voorzien voor de hierboven vernoemde nieuwe punten E14 en E15.

Punt 9° In punt H6 wordt er een aankruisvakje voorzien voor het hierboven vernoemde nieuwe punt F16.

Punt 10° In punt K1 wordt de procedure voor een milieuvergunningsaanvraag vermeld. Hierbij is echter nog sprake van drie maanden voor een uitspraak van het college van burgemeester en schepenen voor een milieuvergunningsaanvraag, terwijl dit gewijzigd werd naar 105 dagen.

Dit wordt hierbij rechtgezet.

Artikel 33 Dit artikel voert een wijziging door in de toelichtingsbijlage vervat in bijlage 4.B van titel I van het VLAREM. Dit artikel zet mee artikel 12 van de RIE om.

Punt 1° Deel D, punt D6, van de toelichtingsbijlage wordt aangepast conform artikel 5, § 7, van titel I van het VLAREM (zie Artikel 6, Punt 1° ).

Daarnaast wordt verduidelijkt dat als de gevraagde informatie beschikbaar is in een milieueffectrapport, een veiligheidsrapport of andere wettelijke informatie, dat hiernaar mag verwezen worden met uitdrukkelijke vermelding en verwijzing waar deze gegevens terug te vinden zijn.

Punt 2° Dit punt vervangt punt D8 van bijlage 4B van titel I van het VLAREM, daar via artikel 27, Punt 2°, van dit besluit, dit punt in het aanvraagformulier zelf ook wordt vervangen.

Punt 3° Dit punt voegt een punt E14 in de toelichtingsbijlage in.

E14 is een nieuw punt in deze bijlage aangezien bij de aanvraag van een stookinstallatie met een vermogen van 50 MW of meer bijkomende informatie toegevoegd moet worden. Deze bijkomende gegevens hebben betrekking op de opstarten en stilleggen van de installaties.

Punt 4° Dit punt wijzigt punt F14 van de toelichtingsbijlage bij het aanvraagformulier en houdt een tekstuele verduidelijking in.

Volgens artikel 5.20.6.4.2 van titel II van het VLAREM (sectorale geluidsvoorwaarden voor windturbines) moet het geluid van een windturbine per beoordelingsperiode lager zijn dan ofwel de richtwaarden (bijlage 5.20.6.1) ofwel de waarde van het achtergrondgeluid. Indien aan een van beide waarden voldaan kan worden, is voldaan aan de geluidsnormen. Het uitvoeren van een achtergrondgeluidsmeting is dus niet noodzakelijk volgens deze bepalingen.

Momenteel staat in de toelichtingsbijlage bij het milieuvergunningsaanvraagformulier een paragraaf die echter zo gelezen kan worden dat een achtergrondgeluidsmeting verplicht dient uitgevoerd te worden indien het specifiek geluid van de inrichting hoger is dan de richtwaarde : « ...Indien het specifiek geluid van de windturbine hoger ligt dan de richtwaarde vermeld in bijlage 5.20.6.1, bevat de geluidsstudie tevens een uitgebreide toelichting met betrekking tot de meetcampagne voor de bepaling van het LA95 van het oorspronkelijke omgevingsgeluid. De duurtijd van de meetcampagne kan bepaald worden in overleg met de vergunningverlenende overheid. » Dit is in tegenspraak met de sectorale geluidsvoorwaarden en de zin van de regelgeving. Daarom wordt nu de eerste zin van de betreffende paragraaf gewijzigd zodat de paragraaf wordt als volgt : « ...Indien gebruik gemaakt wordt van het achtergrondgeluid als norm, bevat de geluidsstudie tevens een uitgebreide toelichting met betrekking tot de meetcampagne voor de bepaling van het LA95 van het oorspronkelijke omgevingsgeluid. De duurtijd van de meetcampagne kan bepaald worden in overleg met de vergunningverlenende overheid. » Dit stemt beter overeen met de zin van de regelgeving, met name dat een achtergrondgeluidsmeting bij niveaus hoger dan de richtwaarden steeds optioneel is. Door deze aanpassing wordt de tekst van de toelichtingsbijlage van het milieuvergunningsaanvraagformulier over de achtergrondgeluidsmeting verduidelijkt en in overeenstemming gebracht met de bedoeling en de uitvoering van de regelgeving.

Punt 5° Dit punt wijzigt punt F15 dat werd toegevoegd met het besluit omtrent diffuse stofemissies van 18 januari 2013. Er wordt aangegeven voor de duidelijkheid dat dit punt F15 deel moet uitmaken van een milieuvergunningsaanvraag voor nieuwe bedrijven die een bepaalde hoeveelheid stuivende stoffen opslaan, vanaf 1 juli 2014.

Punt 6° Dit punt voegt een punt F16 toe aan de toelichtingsbijlage bij het milieuvergunningsaanvraagformulier. Voor de toelichting hieromtrent wordt verwezen naar voorgaand artikel, punt 6°.

Artikel 34 Dit artikel voegt een nieuwe bijlage 8quater in, in titel I van het VLAREM. Met dit formulier wordt een individuele afwijkingsaanvraag en het bijhorend openbaar onderzoek bekendgemaakt. Met dit wijzigingsbesluit wordt namelijk voorzien in een openbaar onderzoek voor de vragen tot afwijking van de emissiegrenswaarden in het kader van de RIE en de vragen tot afwijking van inplantingsregels (zie verder de nieuwe afdeling 1.2.2ter).

Artikel 35 Dit artikel voegt een nieuwe bijlage 10quater in, in titel I van het VLAREM. Met dit formulier wordt de beslissing omtrent een individuele afwijkingsaanvraag bekendgemaakt.

Artikel 36 Dit artikel maakt een nieuwe bijlage 18, van titel I van het VLAREM aan. Deze nieuwe bijlage 18 is de omzetting van bijlage III van de RIE. De inhoud van artikel 43bis van titel I van het VLAREM wordt opgenomen in deze bijlage 18 (zie Artikel 23) aan titel I van het VLAREM. HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van titel II van het VLAREM Artikel 37 Dit artikel vervangt doorheen het gehele titel II van het VLAREM « toezichthoudende ambtena(a)r(en) » door « toezichthouder(s) ».

Artikel 38 Dit artikel voert meerdere wijzigingen door in de definities vervat in artikel 1.1.2 die van toepassing zijn voor titel II van het VLAREM. Punt 1° a) Dit punt schrapt de definities toezichthoudende overheid en verontreinigingen onder « Definities algemeen ».De definitie voor toezichthoudende overheid wordt verplaatst naar artikel 1 van titel I van het VLAREM (« toezichthouder »), waarin ook een nieuwe definitie voor verontreiniging wordt opgenomen (zie Artikel 5, Punt 9° ). b) Dit punt schrapt paragraaf 3 in de definitie voor « nieuwe inrichting ».De definitie die het begrip « nieuw » definieert voor grote stookinstallaties, is niet meer van toepassing vermits in de RIE de begrippen « bestaand » en « nieuw » niet meer gebruikt worden voor grote stookinstallaties. De van toepassing zijnde bepalingen voor grote stookinstallaties worden nu gedifferentieerd op basis van de datum van de vergunningsverlening of indiening van de vergunningsaanvraag. Deze differentiatie van de RIE is overgenomen in titel II van het VLAREM met betrekking tot de bepalingen voor grote stookinstallaties.

Punt 2° Dit punt voegt definities in met betrekking tot risicobeheersing.

Dit betreft een deel van de omzetting van artikel 7, a) en b), van de RIE. Van de omzetting wordt gebruik gemaakt om de bestaande en de nieuwe meldings- en maatregelenverplichtingen te harmoniseren op basis van artikel 20 en 22 van het Milieuvergunningendecreet. De wijziging maakt daartoe een scheiding tussen bepalingen met betrekking tot hygiëne en hinderbeheersing, algemene informatieplicht, en risicobeheersing. Voor dat laatste wordt een nieuwe afdeling, afdeling 4.1.12 « Risicobeheersing » ingevoerd in titel II van het VLAREM (zie Artikel 74). Met de wijziging worden eveneens de algemene en sectorale milieuvoorwaarden die overlappen met de bepalingen van de nieuwe afdeling 4.1.12 opgeheven (zie verder).

Punt 3° a) Dit punt wijzigt de definitie voor verbrandingsinstallatie.De afvalverbrandingsrichtlijn 2000/76/EG hanteerde een uitgebreide definitie voor « verbrandingsinstallatie ». Deze is omgezet in het VLAREM. De RIE heeft deze definitie echter ingekort en het tweede deel van de oorspronkelijke uitgebreide definitie in het toepassingsgebied van hoofdstuk IV (afvalverbranding) opgenomen. Dit punt heeft dus enkel betrekking op deze inkorting van de definitie. b) Dit punt wijzigt de definitie voor meeverbrandingsinstallatie.Ook hier : de afvalverbrandingsrichtlijn 2000/76/EG hanteerde een uitgebreide definitie voor « meeverbrandingsinstallatie ». Deze is omgezet in het VLAREM. De RIE heeft deze definitie deels ingekort en het tweede deel van de oorspronkelijke uitgebreide definitie in het toepassingsgebied van hoofdstuk IV (afvalverbranding) opgenomen.

Anderzijds is de definitie el aangevuld met een verduidelijking die ook in de definitie van de RIE staat. c) Dit punt schrapt de definities emissie en emissiegrenswaarde onder « Definities afvalstoffenverwerking (hoofdstuk 5.2.) ». Beide definities worden verplaatst naar artikel 1, van titel I van het VLAREM (zie Artikel 5, Punt 9° ).

Punt 4° Dit punt past de definities van biomassa, biomassa-afval en verontreinigd behandeld houtafval aan onder « Definities afvalstoffenverwerking (hoofdstuk 5.2) », conform de terminologie zoals bepaald in punt 31 van artikel 3 van de RIE. Het betreft taal-technische en geen inhoudelijke aanpassingen. Het aspect « houtafval » is verduidelijkt door onderscheid te maken tussen enerzijds « onbehandeld houtafval of louter mechanisch behandeld houtafval » en anderzijds « niet verontreinigd behandeld houtafval ».

Punt 5° De « definities bestrijdingsmiddelen » worden vervangen door « definities pesticiden ». Deze aanpassingen dringen zich op in het licht van de implementatie van richtlijn 2009/128/EG en diens definities (zie artikel 3 van de richtlijn). De huidige definities blijken hiermee niet verenigbaar. Er wordt bovendien een specifieke definitie ingevoegd voor het begrip « restvloeistoffen », met name diverse door pesticiden gecontamineerde vloeistoffen.

Punt 6° Dit punt beoogt de toevoeging van een nieuwe definitie voor pluimvee.

Dit nieuwe begrip uit artikel 3, punt 23, van de RIE wordt letterlijk overgenomen.

Punt 7° Dit punt heft de woorden « en bijlage 4.1.8 » op onder de definities betreffende het emissiejaarverslag. Deze bijlage werd immers reeds opgeheven sinds 2004, waardoor er niet meer moet verwezen worden naar deze bijlage.

Punt 8° Dit punt schrapt alle definities onder « Definities geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (delen 3, 4 en 5) » omdat enerzijds bepaalde definities niet langer van toepassing zijn (bv. bestaande installatie) en niet opgenomen zijn in de RIE en omdat anderzijds bepaalde definities (bv. stof) verplaatst zijn naar artikel 1 van titel I van het VLAREM (zie Artikel 5, Punt 9° ) en aangepast worden conform de terminologie van de RIE. Punt 9° Dit punt wijzigt een aantal definities onder « Definities gevaarlijke producten ». a) De definitie van hoofdeigenschap wordt vervangen omdat zowel de EG-richtlijn, als het koninklijk besluit waarnaar verwezen wordt beide werden opgeheven en vervangen door een andere reglementering.Deze foutieve verwijzingen worden nu rechtgezet. b) De definitie van schip wordt vervangen omdat het koninklijk besluit waarnaar verwezen wordt werd opgeheven en vervangen door een ander koninklijk besluit.Deze foutieve verwijzing wordt nu rechtgezet.

Punt 10° Dit punt voert verschillende wijzigingen door in « Definities luchtverontreiniging (hoofdstukken 2.5., 4.4., 5.20., 5.43. en 6.6.) ». a) 1) Dit punt schrapt de definities emissiegrenswaarde en publiek onder « Algemeen ».De definities worden verplaatst naar artikel 1, van titel I van het VLAREM en aangepast conform de definities voor « emissiegrenswaarde » en « publiek », zoals bepaald in respectievelijk punt 5 en 16 van artikel 3 van de RIE. (zie Artikel 5, Punt 9° ). 2) Dit punt past de definitie « PM2,5 » aan door het woord « efficiëntiegrens » nu correct te spellen.3) Dit punt voegt een definitie toe voor « schoorsteen », conform de definitie voor « schoorsteen » zoals bepaald in punt 26 van artikel 3 van de RIE.Deze definitie is onder meer belangrijk voor de correcte implementatie van de bepalingen van artikel 29 en 30 en bijlage V van de RIE. b) 1) Dit punt schrapt de definitie voor « rookgassen », momenteel vervat in artikel 1.1.2 onder « Definities luchtverontreiniging, stookinstallaties ». In de RIE wordt het woord « rookgassen » - in tegenstelling tot de bestaande richtlijnen die door de RIE worden herzien en herschikt - niet meer gebruikt en is het als dusdanig ook niet meer gedefinieerd in de RIE. In de RIE wordt nu het algemenere begrip « afgassen » gebruikt.

Dit punt schrapt tevens de definitie voor « ontzwavelingspercentage », vervat in artikel 1.1.2 onder « Definities luchtverontreiniging, stookinstallaties ». Deze definitie is gelinkt aan de derogatiemogelijkheid die in artikel 31 van de RIE voorzien is voor stookinstallaties die inheemse brandstof (bruinkool) stoken. Vermits deze derogatiemogelijkheid voor Vlaanderen niet relevant is en niet is overgenomen in titel II van het VLAREM, kan deze definitie geschrapt worden. 2) Dit punt past de definitie voor « brandstof », vervat in artikel 1.1.2 onder « Definities luchtverontreiniging, stookinstallaties », aan conform de definitie voor « brandstof » zoals bepaald in punt 24 van artikel 3 van de RIE. Meer bepaald wordt het tweede gedeelte van de definitie dat betrekking heeft op de uitzondering van de afvalstoffen geschrapt. Deze uitzondering wordt nu opgenomen, conform artikel 28 van de RIE, in het gewijzigde artikel 5.43.1.2 van titel II van het VLAREM (toepassingsgebied stookinstallaties). 3) Dit punt past de definitie voor « stookinstallatie », vervat in artikel 1.1.2 onder « Definities luchtverontreiniging, stookinstallaties », aan conform het toepassingsgebied van de RIE. Meer bepaald wordt « met uitzondering van gasmotoren en dieselmotoren » geschrapt in de definitie, vermits in de RIE de bepalingen voor grote stookinstallaties nu ook van toepassing zijn op gasmotoren en dieselmotoren (uitbreiding van het toepassingsgebied in vergelijking met de richtlijn 2001/80/EG inzake grote stookinstallaties). 4) Dit punt past de definities voor « grote stookinstallatie », « middelgrote stookinstallatie » en « kleine stookinstallatie », vervat in artikel 1.1.2 onder « Definities luchtverontreiniging, stookinstallaties », aan. De formulering « nominaal thermisch vermogen » wordt telkens vervangen door de formulering « totaal nominaal thermisch ingangs-vermogen, conform de formulering gebruikt in hoofdstuk III van de RIE inzake het thermisch vermogen van stookinstallaties. 5) Met dit punt wordt de definitie voor « nominaal thermisch vermogen, vervat in artikel 1.1.2 onder « Definities luchtverontreiniging » overgenomen door een definitie voor « totaal nominaal thermisch ingangsvermogen » (conform aangepaste definities voor grote, middelgrote en kleine stookinstallatie). Het laatste gedeelte in de definitie, met name « en die is vermeld in de milieuvergunning voor de betrokken installatie », wordt geschrapt vermits dit overbodig wordt geacht en zou kunnen leiden tot verwarring. 6) en 7) Dit punt past de definities voor « biomassa en biomassa-afval », vervat in artikel 1.1.2 onder « Definities luchtverontreiniging, stookinstallaties », aan conform de definitie voor « biomassa » zoals bepaald in punt 31 van artikel 3 van de RIE. Het betreft taal-technische en geen inhoudelijke aanpassingen. Het aspect « houtafval » is verduidelijkt door onderscheid te maken tussen enerzijds « onbehandeld houtafval of louter mechanisch behandeld houtafval » en anderzijds « niet verontreinigd behandeld houtafval ». 8) Dit punt voegt een definitie toe voor « bedrijfsuren » in artikel 1.1.2 onder « Definities luchtverontreiniging, stookinstallaties », conform de definitie voor « bedrijfsuren » zoals bepaald in punt 27 van artikel 3 van de RIE. Deze definitie is belangrijk voor de correcte implementatie van de bepalingen van artikel 30, 32, 33 en 72 en bijlage V van de RIE. Dit punt voegt tevens een definitie toe voor « bepalende brandstof » in artikel 1.1.2 onder « Definities luchtverontreiniging, stookinstallaties », conform de definitie voor « bepalende brandstof » zoals bepaald in punt 29 van artikel 3 van de RIE. Deze definitie is belangrijk voor de correcte implementatie van de bepalingen van artikel 40 van de RIE. 9) Dit punt schrapt de definities voor « emissiegrenswaarde » en « exploitant » onder « Stookinstallaties ».De definitie emissiegrenswaarde is verplaatst naar artikel 1, van titel I van het VLAREM en aangepast conform de definitie voor « emissiegrenswaarde » zoals bepaald in punt 5 van artikel 3 van de RIE (zie Artikel 5, Punt 9° ).De definitie exploitant was reeds opgenomen in titel I van het VLAREM. Dit punt heft ook de definities op voor « gasturbine in warmtekrachttoepassing » en « stoom- en gasturbine-installatie (STEG) in warmtekrachttoepassing ». 10) Dit punt voegt een definitie toe voor « gasmotor » in artikel 1.1.2 onder « Definities luchtverontreiniging, stookinstallaties », conform de definitie voor « gasmotor » zoals bepaald in punt 34 van artikel 3 van de RIE. Deze definitie is belangrijk voor de correcte implementatie van de bepalingen van artikels 28, 72 en bijlage V van de RIE. Deze definitie vervangt de bestaande definitie voor « gasmotor », momenteel vervat in artikel 1.1.2 onder « Definities luchtverontreiniging, machines met inwendige verbranding » die hier geschrapt wordt.

Dit punt voegt tevens een definitie toe voor « dieselmotor » in artikel 1.1.2 onder « Definities luchtverontreiniging, stookinstallaties », conform de definitie voor « dieselmotor » zoals bepaald in punt 35 van artikel 3 van de RIE. Deze definitie is belangrijk voor de correcte implementatie van de bepalingen van artikel 30 en 72 van de RIE. Deze definitie vervangt de bestaande definitie voor « dieselmotor », momenteel vervat in artikel 1.1.2 onder « Definities luchtverontreiniging, machines met inwendige verbranding » die hier geschrapt wordt.

Dit punt voegt ook een eenvoudige en duidelijke definitie toe voor « dual-fuelmotor » in artikel 1.1.2 onder « Definities luchtverontreiniging, stookinstallaties », vermits naar dit begrip wordt verwezen in zowel de definitie voor « gasmotor » als voor « dieselmotor ».

Er wordt ook een definitie toegevoegd voor « gasturbine/STEG/motor in warmtekrachttoepassing ». Deze definitie vervangt de bestaande definities voor « gasturbine in warmtekrachtkoppeling », « STEG in warmtekrachtkoppeling », « gasmotor in warmtekrachtkoppeling » en « dieselmotor in warmtekrachtkoppeling » momenteel vervat in artikel 1.1.2 onder « Definities luchtverontreiniging, stookinstallaties » en/of onder « Definities luchtverontreiniging, machines met inwendige verbranding », die hier geschrapt worden. De nieuwe algemene definitie is ook van toepassing op dual-fuelmotoren in warmtekrachttoepassing.

Dit punt beoogt ook de verplaatsing van de definitie voor « nominaal motorrendement », momenteel vervat in artikel 1.1.2 onder « Definities luchtverontreiniging, machines met inwendige verbranding » naar « Definities luchtverontreiniging, stookinstallaties ».

Tenslotte voegt dit punt een definitie toe voor « aardgas » in artikel 1.1.2 onder « Definities luchtverontreiniging, stookinstallaties », conform de definitie voor « aardgas » zoals vermeld in voetnoot 1 bij de tabel in punt 6 van deel 1 van bijlage V van de RIE (met betrekking tot de toepasselijke emissiegrenswaarden bij gebruik van aardgas in gasturbine-installaties). Er werd voor gekozen om deze definitie algemeen van toepassing te maken voor stookinstallaties. c) Dit punt schrapt alle definities onder « Definities luchtverontreiniging (hoofdstukken 2.5., 4.4., 5.20., 5.43. en 6.6) - productie titaandioxide » omdat deze definities niet zijn overgenomen in de definities van de RIE en de noodzaak ook niet meer bestaat om dit in VLAREM op te nemen.

Dit punt schrapt ook alle definities momenteel onder « Definities luchtverontreiniging, machines met inwendige verbranding ». De definities voor stookinstallaties en machines met inwendige verbranding (stationaire motoren) worden vanaf nu samen behandeld onder « Definities luchtverontreiniging, stookinstallaties ».

Stationaire motoren vallen in de context van de RIE nu ook expliciet onder het toepassingsgebied van grote stookinstallaties : daarom werd er voor gekozen om alle bepalingen voor stationaire motoren in titel II van het VLAREM te verschuiven van hoofdstuk 5.31 naar hoofdstuk 5.43, in plaats van de in hoofdstuk 5.43 van toepassing zijnde (RIE-)bepalingen voor (grote) stookinstallaties te herhalen in hoofdstuk 5.31. Enkel de definities voor « gasmotor », « dieselmotor » en « nominaal motorendement « dienden in aangepaste vorm terug opgepikt te worden onder « Definities luchtverontreiniging, stookinstallaties » (zie supra).

Punt 11° Dit punt schrapt de definitie emissiegrenswaarde onder « Definities minerale producten (hoofdstuk 5.30.) ». De definitie voor emissiegrenswaarde opgenomen in artikel 1 van titel I van het VLAREM geldt nu ook voor deze sector (zie Artikel 5, Punt 9° ).

Punt 12° Met dit wijzigingsbesluit worden de sectorale voorwaarden voor ontginningen (hoofdstuk 5.18) volledig vervangen, dit ten gevolge van de resultaten van de studie « Onderzoek stabiliteitsrisico's ontginningen », in 2010 uitgevoerd door de bvba Geolab in samenwerking met professor Jan Maertens van de Katholieke Universiteit Leuven, in opdracht van de afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond, Natuurlijke Rijkdommen (ALBON) van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie. Voor dit nieuwe hoofdstuk 5.18 is het nodig een aantal termen te definiëren, namelijk « droge ontginning onder het grondwaterpeil » en « bresprofiel ».

Punt 13° Dit punt past de definitie aan van « het collectief te optimaliseren buitengebied" van « Algemeen » van « Definities oppervlaktewater- en grondwaterbescherming (integraal waterbeleid) (hoofdstukken 2.3, 4.2, 5.3 en 6.2 (oppervlaktewater) en 2.4, 4.3, 5.52, 5.53, 5.54 en 5.55 (grondwater)) ». Het betreft een louter tekstuele aanpassing.

Punt 14° Dit punt doet verschillende wijzigingen in « Definities activiteiten die gebruikmaken van organische oplosmiddelen (hoofdstuk 5.59) ».

Volgende wijzigingen zijn doorgevoerd : - De definities « installatie », « bestaande installatie », « belangrijke wijziging » worden volledig afgestemd op de definities van de RIE (a, b, c). - De definities « emissiegrenswaarde » en « stoffen » worden geschrapt omdat deze algemeen bepaald worden in VLAREM (d). - De definitie van « voertuig » wordt vormelijk aangepast (f) : net zoals in de RIE wordt enkel verwezen naar de codes van de verschillende voertuigtypes zoals bepaald in het KB van 15 maart 1968, dewelke letterlijk overeenkomt met de richtlijn 2007/46/EG, waarnaar verwezen wordt in de RIE. Dit zorgt er ook voor dat de definities van « aanhangwagen », « land- en bosbouwtrekker », « mobiele machine » en « oplegger » overbodig zijn en dus geschrapt worden (g).

Punt 15° Dit punt heft de definities op voor « ton koolstofdioxide-equivalent » en « monitoringplan » in het kader van de ETS-richtlijn.

Punt 16° Dit punt wijzigt de definitie van « vast opgestelde zendantenne ».

Meer bepaald wordt het woord « Multibandzendantennes » vervangen door de woorden « Monoband- en multibandzendantennes ». Op het moment dat de normering met betrekking tot zendantennes werd opgenomen in VLAREM in 2010 werd per (frequentie)band slechts één technologie aangeboden.

Voor verschillende technologieën werden bijgevolg verschillende banden en ook verschillende antennes gebruikt of een multibandantenne.

Ondertussen is de technologie zo geëvolueerd dat het technisch mogelijk is om op één band wel verschillende technologieën aan te bieden, weliswaar in verschillende subfrequentiebanden die van mekaar te onderscheiden zijn. Ook hier worden ofwel verschillende antennes gebruikt ofwel een monobandantenne. De aangepaste definitie brengt VLAREM in overeenstemming met de laatste technische evoluties.

Artikel 39 Dit artikel voegt een artikel 1.2.2.1bis in afdeling 1.2.2 van titel II van het VLAREM in dat de voorwaarden herneemt waaraan voldaan moet worden voor het toestaan van een afwijking op de milieuvoorwaarden die vermeld werden in het oud artikel 1.2.2.2 van titel II van het VLAREM. Op die manier worden de bepalingen van de reguliere afwijkingsprocedure van afdeling 1.2.2 verduidelijkt en op analoge wijze gestructureerd aan de bepalingen van de IED-afwijkingsprocedure van de nieuwe afdeling 1.2.2bis die wordt ingevoegd in titel II van het VLAREM ter omzetting van de RIE, artikel 15, lid 4.

Artikel 40 Dit artikel wijzigt artikel 1.2.2.2 van titel II van het VLAREM naar analogie met het nieuwe artikel 1.2.2bis.4 van titel II van het VLAREM dat wordt ingevoegd naar aanleiding van de nieuwe afwijkingsprocedure (afdeling 1.2.2bis) die wordt ingevoegd in titel II van het VLAREM ter omzetting van de RIE, artikel 15, lid 4. Er wordt uitdrukkelijk gesteld dat de afwijkingsaanvragen bij aangetekend schrijven moeten worden ingediend bij de afdeling Milieuvergunningen.

Artikel 41 Dit artikel voegt een nieuwe afdeling 1.2.2bis « Individuele afwijkingen op de emissiegrenswaarden voor GPBV-installaties » en een nieuwe afdeling 1.2.2ter « Procedure voor de individuele afwijkingen die door de minister worden toegestaan » aan titel II van het VLAREM toe.

De nieuwe afdeling 1.2.2bis laat de Vlaamse Minister toe om bij gemotiveerd besluit in specifieke gevallen minder strenge emissiegrenswaarden toe te staan dan de BBT-GEN voor GPBV-installaties. Deze afwijkingsmogelijkheid betreft de omzetting van artikel 15, lid 4, van de RIE. De nieuwe afdeling 1.2.2ter bepaalt de procedurele stappen die een individuele afwijkingsaanvraag moet doorlopen en geldt zowel voor de « reguliere » afwijkingsaanvragen van afdeling 1.2.2 als voor de vragen tot afwijking van de emissiegrenswaarden voor GPBV-installaties van afdeling 1.2.2bis Elke aanvraag wordt door de minister of de gemachtigd ambtenaar van de afdeling Milieuvergunningen onderzocht op haar volledigheid en ontvankelijkheid.

Indien de aanvraag volledig en ontvankelijk wordt verklaard (of geacht), wordt de aanvrager hiervan op de hoogte gesteld en krijgt de bevoegde burgemeester de opdracht een openbaar onderzoek te houden.

Indien er gegevens ontbreken, krijgt de aanvrager de kans zijn aanvraag te vervolledigen.

Voormeld openbaar onderzoek is voorbehouden voor de vragen tot afwijking van de emissiegrenswaarden in het kader van de RIE en de vragen tot afwijking van inplantingsregels. De beslissingen omtrent deze afwijkingsaanvragen zullen openbaar gemaakt worden via het internet.

Artikel 42 Dit artikel wijzigt artikel 2.5.2.3.2, § 1, van titel II van het VLAREM. Er stond een woord « de » te veel in deze zin. Dit erratum wordt hiermee rechtgezet.

Artikel 43 Dit artikel wijzigt artikel 2.5.2.5.1, § 1, van titel II van het VLAREM. Er ontbrak een cijfer in het artikelnummer waarnaar verwezen wordt; dit erratum wordt hiermee rechtgezet.

Artikel 44 Dit artikel wijzigt artikel 2.5.7.1 van titel II van het VLAREM. De verwijzing naar de industriële installaties die vallen onder bijlage 2.8 van VLAREM II wordt geschrapt en dit wordt vervangen door de GPBV-installaties. Inhoudelijk wijzigt niets, alleen kan niet langer naar bijlage 2.8 worden verwezen aangezien deze wordt geschrapt (zie Artikel 201).

Artikel 45 Dit artikel vervangt paragraaf 2 van artikel 2.7.1.1 omdat de woorden « aan de Europese Commissie toegezonden » twee keer worden vermeld.

Dit erratum wordt hiermee rechtgezet.

Artikel 46 Dit artikel voegt een artikel 2.7.1.3 toe aan afdeling 2.7.1 « Verslaggeving aan de Europese Commissie » inzake beleidstaken afvalstoffen (hoofdstuk 2.7) van titel II van het VLAREM. Het artikel bepaalt dat de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij aan de Europese commissie een verslag moet uitbrengen over de uitvoering van de RIE en dat dit verslag gepubliceerd moet worden.

Artikel 47 Dit artikel voegt een subafdeling 2.7.2 « Verslaggeving ter inzage » toe aan hoofdstuk 2.7 van titel II van het VLAREM. Dit heeft betrekking op het publiceren van een lijst van afvalverbrandingsinstallaties of meeverbrandingsinstallaties die minder dan 2 ton/uur verbranden. Het enige artikel in deze subafdeling geeft invulling aan de bepaling van artikel 55.3 van de RIE. Artikel 48 Dit artikel voegt aan het hoofdstuk 2.8 van titel II van het VLAREM een tussentitel 2.8.0 toe met als opschrift « Afdeling 2.8.0.

Beleidstaken in uitvoering van de EU-richtlijn 2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging ». Dit om een duidelijk onderscheid te maken tussen de beleidstaken die voorvloeien uit de EU-richtlijn 2008/1/EG (GPBV-richtlijn) en hoofdstuk II van de EU-richtlijn 2010/75/EU (deel GPBV van RIE) (zie Artikel 52).

Artikel 49 Dit artikel wijzigt artikel 2.8.0.2 van titel II van het VLAREM. De wijziging betreft een rechtzetting. De woorden « de minister » worden vervangen door de woorden « de Vlaamse minister », zoals gedefinieerd in artikel 1, 1°, van titel I van het VLAREM;

Artikel 50 Dit artikel wijzigt artikel 2.8.0.3 van titel II van het VLAREM. Deze wijziging betreft enerzijds het aanduiden van de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, als de bevoegde autoriteit voor het uitwisselen van informatie bedoeld in het artikel 17 van de EU-richtlijn 2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging in de plaats van de afdeling, bevoegd voor het internationaal milieubeleid. Anderzijds wordt de verwijzing naar « per activiteiten categorie van bijlage 2.8 » vervangen door « de GPBV-installaties ». Inhoudelijk wijzigt niets, alleen kan niet langer naar bijlage 2.8 worden verwezen aangezien deze wordt geschrapt (zie Artikel 201).

Artikel 51 Dit artikel schrapt artikel 2.8.0.4 van titel II van het VLAREM. Het betreft een achterhaalde bepaling, die ondertussen niet meer van toepassing is.

Artikel 2.8.0.4 stelt immers dat voor GPBV-bedrijven, bedoeld in de rubrieken 9.3.1.d) en 9.4.1.d) van de indelingslijst, door de VLM tegen 1 januari 2006 een voorstel tot herziening van de sectorale voorwaarden van hoofdstuk 5.9 van VLAREM II, moest worden voorgelegd aan de minister, voor de implementatie van de maatregelen, beschreven in de BREF-studie voor de veeteeltsector.

Artikel 52 Dit artikel voegt aan het hoofdstuk 2.8 van titel II van het VLAREM een nieuwe afdeling 2.8.1. toe met als opschrift « Beleidstaken in uitvoering van hoofdstuk II van de richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) ». Dit om een duidelijk onderscheid te maken tussen de beleidstaken die voorvloeien uit de EU-richtlijn 2008/1/EG (GPBV-richtlijn) en hoofdstuk II van de EU-richtlijn 2010/75/EU (deel GPBV van RIE) (zie Artikel 48).

Het nieuwe artikel 2.8.1.1 is de omzetting van artikel 17, derde lid, van de RIE, dat stelt dat de Vlaamse minister erop moeten toezien dat de algemene en sectorale milieuvoorwaarden gelijke tred houden met de ontwikkelingen op het gebied van de BBT, zodat conformiteit met artikel 41bis en 43quater van titel I van het VLAREM (toetsing en wijziging of aanvulling van de vergunningsvoorwaarden) wordt gewaarborgd.

Het nieuwe artikel 2.8.1.2 is de omzetting van artikel 19 van de RIE met betrekking tot de opvolging van ontwikkelingen op het gebied van de beste beschikbare technieken en de bekendmaking van nieuwe of bijgewerkte BBT-conclusies door de bevoegde autoriteiten. Een belangrijke aanvulling ten opzicht van de gelijkaardige bepaling in het kader van de GPBV-richtlijn (zie artikel 2.8.0.2 van titel II van het VLAREM) is dat de Vlaamse minister het publiek hierover informeert.

Artikel 53 Dit artikel wijzigt artikel 2.9.0.3, § 1, van titel II van het VLAREM. Artikel 2.9.0.3, § 1, verwijst naar een artikel in richtlijn 1999/13/EG. Aangezien de RIE dit artikel overneemt, dient het artikel 2.9.0.3, § 1, hieraan aangepast te worden.

Artikel 54 Dit artikel vervangt het opschrift van hoofdstuk 2.11 van titel II van het VLAREM. In de volgende artikels worden enkele beleidstaken voor de grote stookinstallaties aangepast conform de bepalingen van artikel 30, 5°, en 6°, 33, 2°, en 72, 3°, van de RIE. Tegelijkertijd worden er een aantal taalkundige en legistieke wijzigingen aangebracht en worden overgangstermijnen en bepalingen die verstreken zijn geschrapt. In de titel van hoofdstuk 2.11 wordt « gasturbines en stoom- en gasturbine-installaties » geschrapt, vermits deze installaties sowieso vervat zijn in de term « stookinstallaties ». Ook « vanaf 50 MW » wordt geschrapt in de titel, vermits met grote stookinstallaties sowieso stookinstallaties bedoeld zijn die groter zijn dan of gelijk zijn aan 50 MW en deze toevoeging dus overbodig is.

Artikel 55 Dit artikel heft artikel 2.11.1.1 van titel II van het VLAREM op omdat dit artikel een éénmalige rapporteringsverplichting betreft die vóór 1 oktober 2004 moest uitgevoerd zijn en dus overbodig is geworden.

Artikel 56 Dit artikel vervangt artikel 2.11.1.2 van titel II van het VLAREM conform de bepalingen van punt 3 van artikel 72 van de RIE. De huidige verplichting tot het inventariseren en rapporteren van emissiegegevens en energieverbruiken voor elke grote stookinstallatie (conform de bepalingen van de vroegere richtlijn 2001/80/EG inzake grote stookinstallaties, zoals omgezet via het VLAREM-wijzigingsbesluit van 23 april 2004), wordt conform de bepalingen van artikel 72 van de RIE nu uitgebreid met het opnemen van volgende gegevens : thermisch vermogen van de stookinstallatie, soort stookinstallatie, datum van in bedrijfsstelling van de stookinstallatie en aantal bedrijfsuren van de stookinstallatie.

Artikel 57 Dit artikel wijzigt artikel 2.11.1.3 van titel II van het VLAREM. Het betreffen hier louter wetgevingstechnische aanpassingen.

Artikel 58 Dit artikel vervangt artikel 2.11.2.1 van titel II van het VLAREM. In artikel 2.11.2.1 wordt « richtlijn 2001/80/EG » geschrapt en vervangen door « richtlijn 2010/75/EU » (RIE). Het betreft de verslaggeving aan de Europese Commissie over het gebruik van afwijkingsmogelijkheden zoals toegestaan in punten 5 en 6 van artikel 30 van de RIE. Deze afwijkingsmogelijkheden zijn overgenomen uit de richtlijn 2001/80/EG die door de RIE in zijn geheel is vervangen. Verder wordt in artikel 2.11.2.1 « richtlijn 1999/32/EG » geschrapt. Het vermelden van deze richtlijn als basis voor verslaggeving aan de Commissie is redundant.

Ook de verplichting tot verslaggeving aan de Commissie voor de kleine en middelgrote stookinstallaties wordt geschrapt vermits dergelijk verslaggeving geheel niet vereist is.

Artikel 59 Dit artikel vervangt artikel 2.11.2.2 van titel II van het VLAREM. In artikel 2.11.2.2 wordt het jaartal « 2008 » vervangen door « 2016 » conform het bepaalde in punt 2 van artikel 33 van de RIE waarin aan de lidstaten wordt opgelegd om jaarlijks aan de Commissie verslag uit te brengen over het aantal bedrijfsuren na 1 januari 2016 van de installaties die einde levensduur zijn en die vrijstelling krijgen om te voldoen aan de geldende emissiegrenswaarden van de RIE. Een dergelijke derogatie voor installaties einde levensduur was met ingang van 1 januari 2008 ook reeds voorzien in de richtlijn 2001/80/EG. Enkele installaties in Vlaanderen hebben gebruikt gemaakt van deze derogatiemogelijkheid. Deze installaties zijn inmiddels uit dienst genomen of geconverteerd.

Artikel 60 Dit artikel wijzigt artikel 2.12.0.3, § 2, van titel II van het VLAREM. In deze paragraaf wordt de definitie voor « betrokken publiek » uit de RIE opgenomen.

Artikel 61 Dit artikel heft hoofdstuk 2.13 (beleidstaken voor de beperking van het gebruik van perfluoroctaansulfonaten) van titel II van het VLAREM op. Dit betreft een eenmalige actie die de Europese lidstaten moesten volbrengen tegen uiterlijk 1 mei 2009, namelijk het ter beschikking stellen van een inventaris overeenkomstig EU-Richtlijn 2006/122/EG, aangaande PFOS. Daar deze termijn reeds geruime tijd verstreken is, kan de betreffende bepaling geschrapt worden.

Artikel 62 Dit artikel voegt aan deel 2 van titel II van het VLAREM een nieuw hoofdstuk 2.15 toe.

Dit nieuwe hoofdstuk heeft betrekking op de beleidstaken inzake industriële emissies en bevat het artikel 2.15.0.1. Dit artikel geeft nadere invulling aan het artikel 72, lid 1, van de RIE inzake de verslaglegging door de lidstaten en heeft betrekking op alle hoofdstukken die onder de RIE vallen.

Artikel 63 Dit artikel vervangt in het artikel 3.2.1.2, § 3, c), van titel II van het VLAREM de term emissienormen door emissiegrenswaarden, aangezien emissienorm niet langer gedefinieerd is (zie Artikel 5, Punt 9° ).

Artikel 64 Dit artikel wijzigt artikel 4.1.2.1, § 1, van titel II van het VLAREM. 1° Het aspect « energie » wordt ook opgenomen in de opsomming waar bronbeperkende maatregelen nuttig zijn ter bescherming van mens en milieu.2° Aangezien artikel 43bis van titel I van het VLAREM werd verplaatst naar bijlage 18 van hetzelfde besluit, betekent dit dat er geen verplichting meer is voor de exploitant aangaande de in aanmerking te nemen criteria voor de bepaling van BBT.In afdeling 4.1.2 van titel II van het VLAREM (BBT) wordt daarom deze verplichting voor de exploitant opgenomen.

Artikel 65 tot en met 71 Deze artikels wijzigen afdeling 4.1.3 « Hygiëne, Risico- en Hinderbeheersing », 4.1.5 « Informatieplicht » en 4.1.7 « Opslag van gevaarlijke stoffen » van titel II van het VLAREM en betreft een deel van een reeks wijzigingen die de omzetting realiseren van artikel, 7 a) en b) van de RIE. Van de omzetting wordt gebruik gemaakt om de bestaande en de nieuwe meldings- en maatregelenverplichtingen te harmoniseren op basis van artikel 20 en 22 van het Milieuvergunningsdecreet. De wijziging maakt daartoe een scheiding tussen bepalingen met betrekking tot hygiëne en hinderbeheersing, algemene informatieplicht, en risicobeheersing. Voor dat laatste wordt een nieuwe afdeling, afdeling 4.1.12 « Risicobeheersing » ingevoerd (zie Artikel 74).

Met de wijziging worden eveneens de algemene en sectorale milieuvoorwaarden die overlappen met de bepalingen van de nieuwe afdeling 4.1.12 opgeheven (zie verder).

Dit artikel vervangt het opschrift van afdeling 4.1.3 « Hygiëne, Risico- en Hinderbeheersing » door « Hygiëne en Hinderbeheersing ».

Artikel 66 Dit artikel vervangt artikel 4.1.3.1 tot en met 4.1.3.3 van titel II van het VLAREM. Artikel 67 Dit artikel heft artikel 4.1.3.4 van titel II van het VLAREM op.

Artikel 68 Dit artikel vervangt het opschrift van afdeling 4.1.5 « Informatieplicht » door « Algemene informatieplicht ».

Artikel 69 Dit artikel wijzigt artikel 4.1.5.2 van titel II van het VLAREM. Artikel 70 Dit artikel vervangt artikel 4.1.5.3 van titel II van het VLAREM. Artikel 71 Dit artikel wijzigt afdeling 4.1.7 van titel II van het VLAREM. Met de nieuwe afdeling 4.1.12 (zie hieronder) worden alle bepalingen inzake risicobeheersing gegroepeerd. Dat heeft gevolgen voor afdeling 4.1.7 : in artikel 4.1.7.3 moet worden verwezen naar de nieuwe afdeling 4.1.12 en artikel 4.1.7.4 moet worden opgeheven.

Artikel 72 Dit artikel wijzigt artikel 4.1.8.1, § 1, 2°, van titel II van het VLAREM. Het gaat louter over het rechtzetten van een verkeerde zinsconstructie.

Artikel 73 Dit artikel wijzigt artikel 4.1.9.2.6, § 1, van titel II van het VLAREM. In punt 1° en 2° van dit artikel wordt verkeerdelijk verwezen naar paragraaf 2. Er moet verwezen worden naar paragraaf 2 van het voorgaand artikel. Dit erratum wordt hiermee rechtgezet.

Artikel 74 Dit artikel voegt twee nieuwe afdelingen 4.1.12 « Risicobeheersing » en 4.1.13 « GPBV-installaties » toe aan deel 4 van titel II van het VLAREM. De nieuwe afdeling 4.1.13 geldt enkel voor GPBV-installaties.

De nieuwe artikels 4.1.13.2 en 4.1.13.3. worden vastgesteld in uitvoering van het Bodemdecreet en het VLAREBO. De RIE stelt in artikel 14, lid 1, e), (2de deel) dat de vergunningsvoorwaarden worden vastgesteld zodanig dat ze passende eisen bevatten voor de periodieke monitoring van bodem en grondwater met betrekking tot relevante gevaarlijke stoffen die op het terrein kunnen worden aangetroffen, rekening houdend met de mogelijkheid van bodem- en grondwaterverontreiniging op het terrein van de installatie (zie Artikel 13, Punt 2° ). Aangezien dit ook een verplichting inhoudt voor de exploitant wordt dit opgenomen in het artikel 4.1.13.2 van titel II van het VLAREM. De verplichting geldt enkel voor GPBV-installaties die onderworpen zijn aan de periodieke bodemonderzoeksplicht, vastgesteld door en krachtens artikel 33 van het Bodemdecreet.

Bij de definitieve stopzetting van de activiteiten stelt artikel 22 van de RIE dat de nodige maatregelen moeten worden getroffen om elk risico van verontreiniging te voorkomen en het exploitatieterrein weer een bevredigende toestand te brengen. Dit houdt een verplichting in voor de exploitant en wordt daarom opgenomen in het artikel 4.1.13.3 van titel II van het VLAREM. In het laatstgenoemde artikel is een opsplitsing gemaakt voor GPBV-installaties die in het VLAREBO zijn gedefinieerd als risico-inrichting (1° ) en die niet gedefinieerd als risico-inrichting (2° ).

Indien in de milieuvergunning emissiegrenswaarden worden opgelegd die worden uitgedrukt in ofwel dezelfde of kortere periodes en voor dezelfde referentieomstandigheden als deze vastgesteld voor de BBT-GEN uit de BBT-conclusies ofwel een langere periode of referentieomstandigheden die verschilt van deze vastgesteld voor de BBT-GEN uit de BBT-conclusies (zie Artikel 13, Punt 8° ), dan dient de exploitant jaarlijks een overzicht van de resultaten van de monitoring van emissies met dezelfde periode en onder dezelfde referentieomstandigheden zoals bepaald voor de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus te bezorgen aan de deputatie (zie Artikel 13, Punt 8° ). Deze verplichting voor de exploitant wordt opgenomen in artikel 4.1.13.4. van titel II van het VLAREM. Dit artikel is de omzetting van artikel 14, lid 1, c), ii, en artikel 14, lid 1, d), ii, van de RIE. Bijkomend moet de exploitant de toezichthouder ook nog regelmatig en tenminste jaarlijks in kennis stellen van monitoringsresultaten en andere vereiste gegevens zodat deze overheid de naleving van de vergunningsvoorwaarden kan toetsen (zie Artikel 13, Punt 8° ). Deze verplichting voor de exploitant wordt opgenomen in artikel 4.1.13.5. van titel II van het VLAREM. Dit artikel is de omzetting van artikel 14, lid 1, d), i, van de RIE. Dat de twee rapporteringsverplichtingen die worden opgelegd in de laatste twee vernoemde artikelen twee verschillende rapporteringen betreffen die niet kunnen worden geïntegreerd, wordt reeds uitgebreid toegelicht bij artikel 25 van dit besluit.

Artikel 75 Dit artikel verbetert een schrijffout in artikel 4.2.2.3.1, 6° van titel II van het VLAREM. Artikel 76 Dit artikel wijzigt artikel 4.2.5.3.1, § 1 van titel II van het VLAREM. In de tabel worden de rijen met kenmerkende parameters weggelaten voor sub 2°, sub 14° en sub 48° van bijlage 5.3.2. Sub 2° en sub 14° werden immers opgeheven bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten2 en sub 48° werd opgeheven bij besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten5.

Artikel 77 Dit artikel wijzigt artikel 4.4.4.5 van titel II van het VLAREM door een bepaling toe te voegen die stelt dat er bij de berekening van de gemiddelde emissiewaarden, de waarden die zijn gemeten in de periodes van opstarten en stilleggen buiten beschouwing moeten worden gelaten.

Dit punt wordt hier toegevoegd omdat de definities voor « emissiegrenswaarde » (waarin wordt verwezen naar « in normale bedrijfsomstandigheden ») en « normale bedrijfsomstandigheden » (buiten opstart- en stilleggingsprocedures) met dit besluit opgeheven worden in de definities voor luchtverontreiniging. Om eventuele interpretatieproblemen te vermijden en vooral om te zorgen voor een duidelijke en coherente wetgeving wordt dit punt nu toegevoegd in afdeling 4.4.4 van titel II van het VLAREM « Meetstrategie en toetsing meetwaarden ».

Artikel 78 Dit artikel wijzigt artikel 4.4.5.3, § 1, van titel II van het VLAREM. Artikel 4.4.5.3 bepaalt de drempelwaarden van concentraties aan NO2 en SO2 in de omgevingslucht waarbij een waarschuwingsfase wordt afgeroepen en de betrokken bedrijven zich klaar moeten houden om maatregelen te nemen om hun emissies naar de lucht tijdelijk te verminderen.

Deze wijziging gebeurt om de invloed van verkeer tijdens de spitsuren te verminderen. Momenteel werkt men bij de drempelwaarden voor NO2 met glijdende uurgemiddelden, waardoor het waarschuwingssysteem door de vele kortstondige pieken in de NO2-concentraties in de omgevingslucht te vaak getriggerd wordt. Deze kortstondige pieken zijn gerelateerd aan weersomstandigheden (bijvoorbeeld temperatuursinversie in de ochtend), aan de variatie in emissies gedurende de dag die vooral afhankelijk is van de verkeersintensiteit en variaties in de menglaaghoogte.

Bovendien komt de nieuwe formulering beter overeen met de formulering uit de Europese richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa, die de concentraties ook uitdrukt in functie van drie opeenvolgende uren : NO2 : alarmdrempel van 400 µg/m3 gedurende drie opeenvolgende uren.

Artikel 79 Dit artikel wijzigt artikel 4.9.1 van titel II van het VLAREM door de punten b en c op te heffen. Dit gebeurt in het kader van de omzetting van de ETS-richtlijn.

Voor BKG-installaties gelden niet langer specifieke bepalingen voor wat betreft energieplanning. In de handelsperiode 2008-2012 waren er steeds gegevens nodig uit een energieplan om de hoeveelheid gratis toewijzing te bereken voor een BKG-inrichting. Aangezien de toewijzing van emissierechten vanaf 2013 niet langer gebaseerd is op gegevens uit een energieplan zijn dergelijke specifieke bepalingen niet langer vereist. Bovendien wordt een vrijstelling van de verplichting tot opmaak van een energieplan voorzien voor de energie-intensieve inrichtingen van de Ondernemingen die zijn toegetreden tot één van de energiebeleidsovereenkomsten voor de verankering van en voor blijvende energie-efficiëntie in de Vlaamse energie-intensieve industrie (VER-bedrijven of niet VER-bedrijven), zoals een eerste maal principieel goedgekeurd door de Vlaams Regering op 19 oktober 2012.

Dit houdt voor deze Ondernemingen zeker geen versoepeling van de regelgeving in. Integendeel, in kader van de energiebeleidsovereenkomsten engageren de Ondernemingen zich tot het opstellen van energieplannen met de uitvoer van investeringen die verder gaan dan in het bovenvermeld Energiebesluit. In de energiebeleidsovereenkomsten gelden namelijk strengere rendabiliteitseisen voor de uitvoer van de maatregelen. Bovendien engageren de Ondernemingen zich ook tot opmaak van potentieelstudies voor WKK en warmte- en koudenetten, alsook voor de invoer van energiebeheersmaatregelen.

Artikel 80 Dit artikel wijzigt artikel 4.9.2, § 3, van titel II van VLAREM. De drempelwaarde van 15 % voor de interne rentevoet voor maatregelen uit het energieplan die binnen de drie jaar na indiening van een geactualiseerd energieplan moeten uitgevoerd zijn, wordt vervangen door een verwijzing naar de drempelwaarde vermeld in artikel 6.5.4, § 1, 7°, van het Energiebesluit. Indien na de evaluatie van deze drempelwaarde deze waarde gewijzigd wordt, moet dit hierdoor enkel in het energiebesluit aangepast worden.

Artikel 81 Dit artikel vervangt afdeling 4.10.1 van titel II van het VLAREM in het kader van de omzetting van de ETS-richtlijn.

In deze afdeling worden opnieuw de verplichtingen inzake monitoring, rapportering en inlevering van emissierechten opgenomen in het kader van emissiehandel. Deze verplichtingen gelden voor drie categorien van inrichtingen : - Inrichtingen die als BKG-installaties zijn ingedeeld voor wat betreft hun BKG-emissies; - Ondanks dat deze wijzigingen ingaan op 1 januari 2013, moeten er toch nog bepaalde verplichtingen gelden voor inrichtingen die in het jaar 2012 onder het toepassingsgebied van de periode 2008-2012 vielen.

Deze inrichtingen moeten in uitvoering van richtlijn 2003/87/EG in 2013 immers nog rapporteren over hun BKG-emissies van het jaar 2012, en moeten voldoende emissierechten inleveren voor deze emissies uit het jaar 2012. Omdat de nieuwe Y-rubrieken in de indelingslijst van titel I van het VLAREM volledig afgestemd zijn op het toepassingsgebied van de tweede verbintenisperiode, wordt daarom expliciet vermeld dat inrichtingen die in 2012 een activiteit uit de nieuw ingevoerde bijlage 4.10.1 beoefenen, ook moeten voldoen aan de bepalingen uit afdeling 4.10.1 (tenzij expliciet is vermeld dat de bepalingen enkel gelden voor de tweede verbintenisperiode). De nieuwe bijlage 4.10.1 bevat het toepassingsgebied van emissiehandel uit de eerste verbintenisperiode (2008-2012). - Afdeling 4.10.1 is tenslotte ook van toepassing voor inrichtingen die ontstaan na opsplitsing van de milieuvergunning van een BKG-installatie, indien binnen de grenzen van de oorspronkelijke BKG-installatie een activiteit wordt uitgevoerd die onder het toepassingsgebied van de tweede verbintenisperiode valt. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan de bepaling uit artikel 23 van het nieuwe besluit van de Vlaamse Regering inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties en de inzet van flexibele mechanismen dat stelt dat « De grenzen van de BKG-installatie [...] gelden gedurende de volledige tweede verbintenisperiode, wat betreft de bewaking en rapportering van emissies, en het inleveren van emissierechten. ».

Wat betreft de verplichtingen die gelden voor bovenstaande inrichtingen bevat de vervangen afdeling 4.10.1 enkele nieuwe elementen in vergelijking met de vorige afdeling 4.10.1 : - Gelet op het feit dat de grenzen van de BKG-installatie blijven gelden gedurende de volledige verbintenisperiode, zijn er in verschillende artikels van afdeling 4.10.1 nieuwe bepalingen opgenomen die de verantwoordelijkheden vastleggen in het geval dat een milieuvergunning wordt opgesplitst; - De bepalingen inzake het aflopen van de verplichtingen in het geval dat de Y-rubriek geschrapt wordt, zijn nu ook opgenomen in afdeling 4.10.1. Deze bepalingen waren voorheen opgenomen in het VER-besluit, maar omwille van de duidelijkheid (het gaat om verplichtingen inzake monitoring, rapportering en inlevering) worden deze artikels nu in het VLAREM opgenomen; - Het emissiejaarrapport moet in de tweede verbintenisperiode opgesteld en geverifieerd worden conform de nieuwe Europese verordening inzake accreditatie en verificatie. Dit impliceert onder meer dat elke geaccrediteerde verificateur het emissiejaarrapport mag verifiëren, en niet langer enkel het verificatiebureau; - Het nieuwe monitoringplan (voor de tweede verbintenisperiode) moet in 2013 toegevoegd worden aan de milieuvergunning. Deze toevoeging gebeurt door de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, voor zover dit nog niet is gebeurd door de exploitant van de BKG-installatie. Uiterlijk 5 jaar na deze eerste toevoeging voegt de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, het actuele monitoringplan opnieuw toe aan de milieuvergunning van de BKG-installaties. Deze bepalingen moeten zorgen voor een correcte omzetting van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2003/87/EG; - De procedure die exploitanten verplicht om goedgekeurde wijzigingen aan het monitoringplan toe te voegen aan de milieuvergunning wordt geschrapt. Het betreft een toepassing van de mogelijkheid uit de ETS-richtlijn waarin vermeld is dat lidstaten de exploitanten kunnen toestaan om de monitoringplannen bij te werken zonder de vergunning te wijzigen. - De procedures met betrekking tot een inrichting die niet meer onder emissiehandel valt, worden vereenvoudigd en afgestemd op andere Vlaamse wetgeving.

Met de voorgestelde wijziging wordt verduidelijkt dat vanaf 2013 de datum van de melding van stopzetting van de BKG-activiteiten aan de afdeling bevoegd voor luchtverontreiniging als relevante « stopzettingsdatum » wordt beschouwd in kader van de verplichtingen inzake emissiehandel, voor zover de « stopzetting » is bevestigd door de afdeling. Op deze manier wordt VLAREM afgestemd op het besluit van de Vlaamse Regering 20 april 2012 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties en de inzet van flexibele mechanismen. Bovendien wordt vermeden dat een bedrijf, omwille van een mogelijke vertraging bij de schrapping van een rubriek uit de milieuvergunning, moet voldoen aan de verplichtingen inzake emissiehandel, terwijl het geen toewijzing van emissierechten meer ontvangt. Daarnaast worden inrichtingen er via de invoeging van artikel 4.10.1.6 toe aangezet om werk te maken van de aanpassing van hun milieuvergunning, indien er geen BKG-activiteit meer wordt verricht.

Ten opzichte van de versie van de eerste principiële goedkeuring werd de volgende bijkomende wijziging opgenomen, teneinde in lijn te zijn met de aanpassingen die zijn doorgevoerd aan de wijzigingen van het VER-besluit van 20 april 2012 (zie hoofdstuk 9 van dit wijzigingsbesluit) : Indien een exploitant de (gedeeltelijke) sluitingen of significante capaciteitsvermindering niet tijdig meldt, kan de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, deze situatie vaststellen. Daarom wordt in afdeling 4.10.1 niet langer verwezen naar de « melding », maar naar de situatie zelf.

Artikel 82 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.1.1 van titel II van VLAREM zodat hoofdstuk 5.2 (inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen) niet van toepassing is op inrichtingen zoals vermeld in de nieuwe rubrieken 2.3.2, f) en 2.3.3, b). Voor die laatsten zijn namelijk de bepalingen van het nieuwe hoofdstuk 5.5 « Pesticiden » van toepassing (zie Artikel 128).

Artikel 83 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.1.9 van titel II van het VLAREM. Zie toelichting bij Artikel 74.

Artikel 84 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.2.1.3, § 4, van titel II van het VLAREM naar analogie met artikel 5.2.5.2 van het VLAREMA. De voorwaarde « rechtopstaand » voor koel- en vriesapparaten werd met het van kracht worden van het VLAREMA artikel 5.2.5.2 (artikel 5.5.5.1.bis van het VLAREA) op 1 juni 2012 geschrapt. Er is gebleken dat het niet meer noodzakelijk is om koelkasten rechtopstaand op te slaan. Zowel hergebruikcentra als verwerkers hebben dit bevestigd. Er werd dan ook geopteerd om dit te schrappen in VLAREMA. In artikel 5.2.2.1.3, § 4 van titel II van het VLAREM wordt dit echter wel nog vermeld. Dit wordt met dit wijzigingsartikel rechtgezet.

Artikel 85 Dit artikel heft de tussentitels van subafdeling 5.2.3bis.1 op.

Artikel 86 Dit artikel voegt een artikel 5.2.3bis.1.1bis in, in subafdeling 5.2.3bis.1 « Algemeen geldende voorwaarden voor verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties » van titel II van het VLAREM. In Artikel 38 van dit wijzigingsbesluit was reeds opgenomen dat de definities van afvalverbranding en meeverbranding gewijzigd zijn. Het deel dat bij de vergelijking tussen de afvalverbrandingsrichtlijn 2000/76/EG en de RIE niet meer in de definitie opgenomen wordt en toegevoegd is aan het toepassingsgebied in artikel 42 van de RIE, wordt ook in de definitie in titel II van het VLAREM gewijzigd, maar het toepassingsgebied wordt wel verder verduidelijkt in dit artikel.

Bijkomend verduidelijkend is wel dat de subafdeling 5.2.3bis.1 niet van toepassing is in het geval er afval verbrand wordt op basis van vergassings- of pyrolysetechnieken, enkel en alleen indien de gegenereerde rookgassen voor de verbranding ervan steeds vergelijkbaar zijn met aardgas.

Artikel 87 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.3bis.1.2 van titel II van het VLAREM. Dit betreft een letterlijke aanvulling uit de RIE. Artikel 88 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.3bis.1.3, § 3, van titel II van het VLAREM. Bij de omzetting van Richtlijn 2000/76/EG was « verbrandingsinstallatie » niet opgenomen in dit artikel. Dit wordt nu rechtgezet.

Artikel 89 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.3bis.1.5 van titel II van het VLAREM. Dit heeft betrekking op de verwijzing naar de correcte Vlaamse wetgeving. Het VLAREA werd immers vervangen door het VLAREMA van 17 februari 2012.

Artikel 90 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.3bis.1.6 van titel II van het VLAREM. Het betreft louter een tekstuele aanpassing zodanig dat op een correcte wijze naar het betreffende artikel verwezen wordt.

Artikel 91 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.3bis.1.8 van titel II van het VLAREM. Het betreffen louter tekstuele aanpassingen.

Artikel 92 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.3bis.1.9, § 2, van titel II van het VLAREM. De term rookgassen wordt vervangen door « afgassen ».

Artikel 93 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.3bis.1.10 van titel II van het VLAREM. Het betreffen louter tekstuele aanpassingen.

Artikel 94 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.3bis.1.11 van titel II van het VLAREM. Het betreffen louter tekstuele aanpassingen.

Artikel 95 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.3bis.1.13 van titel II van het VLAREM. Het betreffen louter tekstuele aanpassingen.

Artikel 96 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.3bis.1.14 van titel II van het VLAREM. Het betreft tekstuele aanpassingen zodanig dat de terminologie overeenkomt met deze die gehanteerd wordt in de RIE. Artikel 97 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.3bis.1.15, van titel II van het VLAREM. 1° Bij de bepaling van de emissiegrenswaarden voor de parameter CO wordt de zinsnede « (behalve tijdens het opstarten en stilleggen van de installatie) » opgeheven, daar er geen reden is waarom dit voor CO expliciet zou moeten bepaald zijn.Dit geldt niet alleen voor CO, maar ook voor andere parameters. Dit wordt ook zo gesteld in artikel 5.2.3bis.1.27 van titel II van het VLAREM : de halfuurgemiddelden en de tienminutengemiddelden worden bepaald binnen de tijd dat de installatie in werking is (de tijd die nodig is voor de inwerkingstelling en stillegging is daarin niet begrepen). 2° Dit betreft enerzijds tekstuele aanpassingen aan het eerste lid van punt 2°.Anderzijds wordt lid 2 van punt 2° opgeheven, vermits deze bepaling in strijd is met de bepalingen uit de RIE. Artikel 98 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.3bis.1.16 van titel II van het VLAREM. Het betreffen tekstuele aanpassingen zodanig dat enerzijds op een correcte wijze naar het betreffende artikel verwezen wordt en anderzijds de terminologie overeenkomt met deze die gehanteerd wordt in de RIE. Artikel 99 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.3bis.1.17, § 1, van titel II van het VLAREM. Artikel 100 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.3bis.1.18, § 1, van titel II van het VLAREM. Het betreffen louter tekstuele aanpassingen.

Artikel 101 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.3bis.1.19 van titel II van het VLAREM. Het betreffen tekstuele aanpassingen zodanig dat enerzijds op een correcte wijze naar het betreffende artikel verwezen wordt en anderzijds de terminologie overeenkomt met deze die gehanteerd wordt in de RIE. Artikel 102 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.3bis.1.20 van titel II van het VLAREM. Enerzijds werden de emissiegrenswaarden voor NOx voor cementovens aangepast. Anderzijds werden enkele voetnoten toegevoegd met betrekking tot Lepol-ovens en lange draai-ovens en bepalingen in verband met dioxines en furanen. Deze wijzigingen zijn een letterlijke overname uit de RIE. Artikel 103 Dit artikel vervangt artikel 5.2.3bis.1.21 van titel II van het VLAREM. Hierbij wordt uitvoering gegeven aan de bepalingen van punt 3 van deel 3 van bijlage VI van de RIE (bijzondere voorschriften voor stookinstallaties waarin afval wordt verbrand). Huidig artikel 5.2.3bis.1.21 legt specifieke proces-emissiegrenswaarden op voor stookinstallaties waarin afvalstoffen worden mee verbrand. De proces-emissiegrenswaarden zijn hierbij van toepassing op fossiele brandstoffen en biomassa. De totale emissiegrenswaarden voor deze stookinstallaties worden bepaald op basis van een mengregel waarbij voor de afvalstoffen de emissiegrenswaarden gelden die van toepassing zijn op de afvalverbrandingsinstallaties. De huidige proces-emissiegrenswaarden waren gebaseerd op de vereisten van de Afvalverbrandingsrichtlijn 2000/76/EG (gelijk aan of strenger dan).

Afvalverbrandingsrichtlijn 2000/76/EG is opgenomen in de RIE en hierdoor vervangen.

In het huidig artikel 5.2.3bis.1.21 gelden dezelfde proces-emissiegrenswaarden voor bestaande als nieuwe installaties. In het gewijzigd artikel 5.2.3bis.1.21 wordt nu, conform de bepalingen in deel VI van de RIE, onderscheid gemaakt tussen enerzijds installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend voor 7 januari 2013 of waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd voor 7 januari 2013 mits uiterlijk op 7 januari 2014 in gebruik genomen (bestaande installaties) en anderzijds installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd op of na 7 januari 2013 of die na 7 januari 2014 in gebruik worden genomen (nieuwe installaties). Voor de bestaande installaties is een overgangsperiode voorzien tot en met 31 december 2015. Tot dan blijven de huidige proces-emissiegrenswaarden van titel II van het VLAREM van toepassing. Voor biomassa zijn deze emissiegrenswaarden evenwel omgerekend van 11 % O2 overmaat naar 6 % O2 overmaat in de rookgassen.

De reden hiervoor is dat ook in de RIE de (proces-) emissiegrenswaarden voor biomassaverbranding in grote stookinstallaties zijn gedefinieerd bij een referentiezuurstofgehalte van 6 % in de rookgassen (omwille van consistentie doorgetrokken voor biomassa-stook in alle stookinstallaties). De proces-emissiegrenswaarden worden vanaf 1 januari 2016 voor bestaande installaties en vanaf 7 januari 2013 voor de nieuwe installaties aangescherpt. Hierbij werd rekening gehouden met de minimum voorwaarden van de RIE (bijlage VI, deel 3, punt 3) en in de mate van het mogelijke de overeenkomstige emissiegrenswaarden voor stook van fossiele brandstoffen en biomassa in stookinstallaties zoals gewijzigd in hoofdstuk 5.43. De procesemissiegrenswaarden gelden als daggemiddelden.

De totaal-emissiegrenswaarden voor zware metalen en dioxinen en furanen voor stookinstallaties waarin afvalstoffen worden mee verbrand blijven ongewijzigd. De voorwaarden die hiervoor in bijlage VI van de RIE zijn voorzien zijn niet veranderd ten opzichte van wat hiervoor in de afvalverbrandingsrichtlijn 2000/76/EG was opgenomen.

Artikel 104 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.3bis.1.23 van titel II van het VLAREM. Het betreft louter tekstuele aanpassingen.

Artikel 105 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.3bis.1.24 van titel II van het VLAREM. 1° Dit punt betreft louter tekstuele aanpassingen.2° Dit punt vervangt paragraaf 3.Het betreft een aanpassing met betrekking tot de controle van vast opgestelde meettoestellen. Op deze manier wordt VLAREM volledig conform de RIE gebracht : - De controle moet volgens de RIE gebeuren volgens de CEN-norm en niet volgens een code van goede praktijk (de huidige code van goede praktijk is niet conform de CEN) - Toestellen moeten om de 3 jaar gekalibreerd worden in plaats van gekeurd (cfr. de CEN).

Artikel 106 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.3bis.1.25 van titel II van het VLAREM. Paragraaf 2 wordt vervangen. Het betreft een aanpassing met betrekking tot de controle van vast opgestelde meettoestellen. Op deze manier wordt VLAREM volledig conform de RIE gebracht : - De controle moet volgens de RIE gebeuren volgens de CEN-norm en niet volgens een code van goede praktijk (de huidige code van goede praktijk is niet conform de CEN) - Toestellen moeten om de 3 jaar gekalibreerd worden in plaats van gekeurd (cfr. de CEN).

Artikel 107 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.3bis.1.26 van titel II van het VLAREM. 1° De term rookgassen wordt vervangen door « afgassen ».2° en 3° Dit betreffen louter terminologische aanpassingen.4° Dit betreft louter het rechtzetten van een erratum. 5° Dit punt voegt een paragraaf 9 toe aan artikel 5.2.3bis.1.26 ter omzetting van de RIE, met name het tweede lid van punt 2.5 van deel 6 van bijlage VI. Deze bepaling stelt dat de bevoegde autoriteit kan besluiten dat het in bestaande installaties met een nominale capaciteit van minder dan 6 ton per uur niet nodig is continumetingen voor NOx uit te voeren, maar wel periodieke metingen als bedoeld in punt 2.1, onder c), indien de exploitant aan de hand van informatie betreffende de kwaliteit van het betrokken afval, de gebruikte technologien en de resultaten van de emissiemonitoring kan aantonen dat de uitstoot van NOx in geen geval de vastgestelde emissiegrenswaarden kan overschrijden.

Artikel 108 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.3bis.1.27 van titel II van het VLAREM. In paragraaf 2 werden een aantal wijzigingen opgenomen om de leesbaarheid van dit artikel te verbeteren Door de aanpassing is het nu duidelijker welke voorwaarden gelden voor afvalverbrandingsinstallaties en welke voor meeverbrandingsinstallaties.

Paragraaf 3 werd aangepast zodanig dat deze in lijn met de RIE is; een aantal afwijkingsmogelijkheden waren immers niet overeenstemming met de RIE. Punt 2° van paragraaf 3 wordt opgeheven, daar dit een overbodige bepaling betreft : de toetsing aan de emissiegrenswaarden in geval van continue metingen voor SO2 is opgenomen in art. 5.2.3bis.1.27, § 2, 1°. De toetsing aan de emissiegrenswaarden in geval van periodieke metingen voor SO2 is opgenomen in art. 5.2.3bis.1.27, § 3, 1°.

Artikel 109 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.3bis.1.28 van titel II van het VLAREM. Dit punt betreft tekstuele aanpassingen, tevens in het kader van de aanpassing naar de terminologie van het VLAREL inzake erkende laboratoria.

Artikel 110 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.3bis.1.29, § 2, van titel II van het VLAREM. Dit betreft de toevoeging van « de kwaliteitsborging van geautomatiseerde meetsystemen » zoals bepaald in de RIE. Artikel 111 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.3bis.1.30 van titel II van het VLAREM. Het betreffen louter tekstuele aanpassingen.

Artikel 112 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.3bis.1.31 van titel II van het VLAREM. Het betreft louter een tekstuele aanpassing.

Artikel 113 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.3bis.1.32, § 4, van titel II van het VLAREM. Het betreft louter een tekstuele aanpassing.

Artikel 114 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.3bis.1.33 van titel II van het VLAREM. Dit punt betreft tekstuele aanpassingen, tevens in het kader van de aanpassing naar de terminologie van het normenkader NBN EN. Artikel 115 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.3bis.1.34, § 1, van titel II van het VLAREM. Het betreft louter een tekstuele aanpassing.

Artikel 116 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.3bis.1.35 van titel II van het VLAREM. Het betreft voornamelijk een tekstuele aanpassing. Punt 2° heeft betrekking op het aspect in de ter inzage legging. Het betreffende rapport moet ter inzage gelegd worden. Dit is geen verplichting voor de exploitant, maar is een bepaling voor de gemeente. Vandaar dat dit hier verwijderd wordt. De verplichting voor de gemeente werd wel in Artikel 15 van dit wijzigingsbesluit opgenomen.

Artikel 117 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.3bis.3.6, § 2, van titel II van het VLAREM. Het betreft louter een tekstuele aanpassing.

Artikel 118 Dit artikel wijzigt afdeling 5.2.3bis.4 (voorwaarden voor verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties van biomassa-afval).

Dit artikel voert meerdere wijzigingen door in subafdeling 5.2.3bis.4 van titel II van het VLAREM. Het betreft enerzijds enkele taalkundige en legistieke wijzigingen, anderzijds aanpassingen aangaande de analyseverplichting voor houtafval. Verder worden de verschillende voorwaarden aangaande toelaatbare emissies (van SO2, NOX, stof, CO, dioxines en zware metalen) voor (mee-)verbrandingsinstallaties van houtafval verschoven naar hoofdstuk 5.43 waardoor de emissievoorwaarden voor stookinstallaties zoveel mogelijk in één hoofdstuk gebundeld worden. Tot slot wordt een meldingsplicht aangaande het uitvoeren van de emissiemetingen toegevoegd. De bestaande VLAREM-tekst van subafdeling 5.2.3bis.4 wordt met dit artikel geheel vervangen.

De wijzigingen die in deze subafdeling worden doorgevoerd vloeien enerzijds voort uit de omzetting van de RIE en anderzijds uit de noodzaak om de negatieve impact van de kleine hout-gestookte installaties op de luchtkwaliteit (in bijzonder voor fijn stof) beperkt te houden. De uitvoering van het Actieplan Groene Warmte zal immers zorgen voor een belangrijke toename van de stook van biomassa-afval in deze stookinstallaties. Deze verwachte toename noopt tot een actualisering van de VLAREM-voorwaarden omdat anders de negatieve impact op de luchtemissies en dus ook de luchtkwaliteit onaanvaardbaar hoog zou worden.

Belangrijkste wijzigingen : 1. De bepalingen in de bestaande artikels 5.2.3bis.4.8 tot en met 5.2.3bis.4.13 en artikels 5.2.3bis.4.15 tot en met 5.2.3bis.4.19bis aangaande de emissievoorwaarden voor NOx, SO2, stof, CO, dioxines en zware metalen worden integraal verwijderd uit deze subafdeling. In het nieuwe artikel 5.2.3bis.4.9. wordt verwezen naar hoofdstuk 5.43 voor wat betreft de emissiegrenswaarden en gerelateerde voorwaarden (waarbij voor de (mee)verbrandingsinstallaties van biomassa-afval < 0.3 MWth de bepalingen gelden voor installaties tussen 0.3 en 1 MWth).

In het kader van de omzetting van de RIE in titel II van het VLAREM is er immers gekozen om hoofdstuk 5.43 « stookinstallaties » in titel II van het VLAREM structureel te hervormen om zo de bepalingen voor de conventionele stookinstallaties (ketels, fornuizen), gasturbines, STEG's en stationaire motoren, gestookt met fossiele brandstoffen of biomassa samen te brengen. Tegelijk zijn de emissievoorwaarden aangepast conform de eisen van de RIE, het Europese BBT-referentiedocument voor grote stookinstallaties (BREF GSI) en de Vlaamse BBT-studie « Verbranding van hernieuwbare brandstoffen » (2009). De bespreking over de aanpassing van de emissievoorwaarden komt aan bod in de artikelsgewijze bespreking van hoofdstuk 5.43 van titel II van het VLAREM. 2. In het nieuwe artikel 5.2.3bis.4.8 aangaande de voorwaarden voor het te verbranden houtafval worden enkele kleine wijzigingen doorgevoerd. Zo wordt in paragraaf 2 wordt voor kleine stookinstallaties de zelfcontroleplicht van het houtafval verstrengd van een zesmaandelijkse naar een driemaandelijkse bemonstering, wanneer het houtafval afkomstig is van derden, conform de voorwaarde die geldt voor stookinstallaties > 5 MWth. Deze aanpassing wordt doorgevoerd omwille van de vaststelling dat in vele gevallen niet voldaan wordt aan de samenstellingsvoorwaarden van het aangekochte houtafval, wat mede kan leiden tot een overschrijding van de emissiegrenswaarden. Het opdrijven van de analysefrequentie moet toelaten om vlugger vast te stellen wanneer het houtafval niet voldoet, zodat gerichter kan ingegrepen worden op de kwaliteit van het aangekochte houtafval. Tevens worden in de nieuwe paragraaf 5 de voorwaarden bij een jaarlijkse en zesmaandelijkse controles licht verstrengd. In eerste instantie was ook voorgesteld om van de samenstellingsvoorwaarden voor houtafval bindende en afdwingbare grenswaarden te maken, maar dit voorstel heeft het doelgroepenoverleg niet overleeft. Ook werd ten opzichte van de versie van het ontwerpbesluit dat ter kennisgeving was gepubliceerd in artikel 5.2.3bis.4.8 een bestaande paragraaf 4 die toelaat dat analyses van houtafval tevens kunnen geleverd worden door leveranciers, opnieuw ingevoegd.

Dit gebeurde naar aanleiding van een opmerking van Boerenbond die van mening is dat de leverancier van het houtafval verantwoordelijk moet blijven voor de samenstelling van het geleverde hout en niet de eindgebruiker.

Tevens, conform de principes zoals uitgewerkt in het Materialendecreet en het Vlarema is de producent van een afvalstof of leverancier van een beoogde grondstof verantwoordelijk voor de analyses van de afvalstof/grondstof die moeten aantonen dat de afvalstof/grondstof voldoet aan de voorwaarden voor het aanwendingsgebied in kwestie. Met andere woorden de verantwoordelijkheid met betrekking tot de samenstelling rust op de producent/leverancier van de grondstof en niet op de ontvanger/gebruiker.

Tenslotte werd met het schrappen van paragraaf 4 in artikel 5.2.3bis.4.8 voorbij gegaan aan de piste die in 2007 door de overheid (kabinet leefmilieu en OVAM) werd gelanceerd : opmaak van een Code Goede Praktijk Houtafval en het invoeren van een daarmee verbonden 'certificatie' voor de leveranciers die voldoen aan deze Code.

Deze opmerking van Boerenbond werd dus terecht bevonden en zodoende werd de mogelijkheid dat de leverancier van het houtafval de analyses aanlevert opnieuw ingevoegd. 3. Zoals vermeld onder punt 1 zijn alle emissievoorwaarden voor NOx, SO2, stof, CO, dioxines en zware metalen verplaatst naar hoofdstuk 5.43. De voorwaarden voor fluoriden, chloriden en totaal organisch koolstof blijven behouden in subafdeling 5.2.3bis.4, en zijn terug te vinden in het nieuwe artikel 5.2.3bis.4.10. Een aanpassing, is dat de meldingsplicht aan de toezichthouder aangaande datum en uitvoering van de emissiemetingen nu ook geldt voor kleine stookinstallaties (? 5 MWth) op niet verontreinigd behandeld houtafval; zie de bepaling in paragraaf 5, 2°. Omdat het vooraf plannen van een meetcampagne voor kleine biomassa-gestookte installaties niet altijd evident is, wordt hierbij enige flexibiliteit voorzien voor de exploitant. 4. Tot slot worden in de bestaande artikelen aangaande normoverschrijdingen en storingen, energierecuperatie en verwerking van verbrandingsresten enkele bepalingen geschrapt omdat deze geregeld worden in hoofdstuk 5.43.

Artikel 119 Dit artikel heft een aantal artikelen op in subafdeling 5.2.3bis.4 « Voorwaarden voor verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties van biomassa-afval » van titel II van het VLAREM. Deze bepalingen aangaande de emissievoorwaarden voor NOx, SO2, stof, CO, dioxines en zware metalen worden integraal verwijderd uit deze subafdeling. In het nieuwe artikel 5.2.3bis.4.9. wordt verwezen naar hoofdstuk 5.43 voor wat betreft de emissiegrenswaarden en gerelateerde voorwaarden (waarbij voor de (mee)verbrandingsinstallaties van biomassa-afval < 0.3 MWth de bepalingen gelden voor installaties tussen 0.3 en 1 MWth).

In het kader van de omzetting van de RIE in titel II van het VLAREM is er immers gekozen om hoofdstuk 5.43 « stookinstallaties » in titel II van het VLAREM structureel te hervormen om zo de bepalingen voor de conventionele stookinstallaties (ketels, fornuizen), gasturbines, STEG's en stationaire motoren, gestookt met fossiele brandstoffen of biomassa samen te brengen.

Artikel 120 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.4.0.1 van titel II van het VLAREM. Aangezien rubriek 2.3.10 in de indelingslijst wordt geschrapt en vervangen door een nieuwe rubriek 2.4.4 dient de verwijzing naar deze rubriek ook aangepast te worden.

Artikel 121, 122, 123 en 125 De Europese richtlijn 2011/97/EU van 5 december 2011 tot wijziging van de richtlijn 1999/31/EG met betrekking tot specifieke criteria voor opslag van metallisch kwik dat als afval wordt beschouwd moet tegen 15 maart 2013 omgezet worden door de lidstaten. Deze richtlijn verwijst naar de verordening 1102/2008/EG van 22 oktober 2008 inzake het verbod op de uitvoer van metallisch kwik en andere kwikverbindingen en -mengsels en de veilige opslag van metallisch kwik. Deze verordening legt vanaf 15 maart 2011 een uitvoerverbod op van metallisch kwik en andere kwikverbindingen en -mengsels uit Europa. Artikel 2 van de verordening stelt dat metallisch kwik dat niet langer in de chlooralkali-industrie wordt gebruikt vanaf 15 maart 2011 als afval wordt beschouwd.

Artikel 3 van de verordening stelt dat de bepalingen van de Stortplaatsrichtlijn 1999/31/EG en de Beschikking 2003/33/EG tot vaststelling van de criteria en procedures voor het aanvaarden van afvalstoffen op stortplaatsen van toepassing zijn op faciliteiten voor de opslag van metallisch kwik (in een adequate omhulling) gedurende meer dan een jaar. Deze bepalingen zijn echter niet volledig afgestemd op de specifieke kenmerken van metallisch kwik en daarom zijn aanvullende voorschriften noodzakelijk.

De richtlijn 2011/97/EU wijzigt dan ook de bijlagen I, II en III van de Stortplaatsrichtlijn door aan die drie bijlagen telkens welbepaalde voorschriften met betrekking tot de opslag van metallisch kwik toe te voegen. Deze wijzigingen worden toegevoegd aan afdeling 5.2.4 « Stortplaatsen van afvalstoffen in of op de bodem » van titel II van het VLAREM. Voormelde specifieke voorschriften worden opgelegd voor de tijdelijke opslag van metallisch kwik gedurende meer dan een jaar tot een periode van vijf jaar, zoals bepaald in de richtlijn 2011/97/EU. Daarnaast wordt het toepassingsgebied voor de tijdelijke opslag van metallisch kwik bepaald in artikel 3, punt 1, b) van de EG-verordening 1102/2008. Deze bepaling wordt tevens toegevoegd aan de voormelde afdeling van titel II van het VLAREM. Dit artikel voegt een paragraaf 4 toe aan artikel 5.2.4.1.2 van titel II van het VLAREM, conform artikel 3, punt 1, b), van de voormelde verordening (inzake het toepassingsgebied voor de tijdelijke opslag van metallisch kwik), meer bepaald aan de subafdeling 5.2.4.1. « De aanvaarding van afvalstoffen op de stortplaatsen ».

Artikel 122 Dit artikel voegt een artikel 5.2.4.1.11/1 toe aan subafdeling 5.2.4.1.B « Criteria voor de aanvaarding van afvalstoffen » van titel II van het VLAREM, conform punt 6, A) tot en met D) van de bijlage van de richtlijn 2011/97/EU (toegevoegd aan bijlage II van de Stortplaatsrichtlijn). Deze formulering inzake de specifieke criteria en aanvaardingsprocedures voor de tijdelijke opslag van metallisch kwik wordt integraal overgenomen. Deze voorschriften hebben betrekking op A) de samenstelling van het kwik, B) de omhulling (namelijk de vaten voor de opslag van metallisch kwik moeten aan welbepaalde eisen voldoen), C) aanvaardingsprocedures (alleen vaten met een certificaat dat aan welbepaalde voorschriften voldoet, mogen aanvaard worden) en D) certificaat (het certificaat moet onder meer de volgende gegevens bevatten : naam en adres van de producent, naam en adres van de voor het vullen verantwoordelijke persoon, plaats en datum van vullen, hoeveelheid kwik en dergelijke).

In dit artikel wordt er verwezen naar verschillende normen. Deze zijn terug te vinden via het Bureau voor Normalisatie (www.nbn.be).

Artikel 123 Dit artikel voegt een artikel 5.2.4.3.5 toe aan subafdeling 5.2.4.3 « Inrichting en infrastructuur van de stortplaats » van titel II van het VLAREM, conform punt 8 van de bijlage van de richtlijn 2011/97/EU (toegevoegd aan bijlage 1 van de Stortplaatsrichtlijn). Deze formulering inzake de algemene voorschriften op de tijdelijke opslag van metallisch kwik gedurende meer dan een jaar wordt integraal overgenomen. Deze voorschriften hebben betrekking op een aparte opslag van metallisch kwik in vaten, in daartoe bestemde verzamelbekkens, voorzien van een kunstmatige of een natuurlijke barrière en gecoat met een kwikbestendig dichtingsproduct. Alle vaten moeten gemakkelijk bereikbaar zijn en de opslaglocatie moet uitgerust zijn met een brandbeveiligingssysteem.

Artikel 124 Deze wijziging heeft een dubbel doel.

In a) en b) wordt de mogelijkheid gecreëerd om het betrokken percolaat of water nuttig toe te passen op de stortplaats met het oog op reductie van stofhinder of het bevorderen van de biologische werking van de stortplaats. Punt c) beoogt het stimuleren van innovatieve tijdelijke proefprojecten om bijvoorbeeld de recyclage en terugwinning van afvalstoffen en materialen uit stortplaatsen te bevorderen zoals beoogd wordt bijvoorbeeld in Enhanced Landfill Mining. Op basis van dergelijke projecten kan de haalbaarheid en wenselijkheid van dergelijke technieken immers verder verduidelijkt worden zodat in voorkomend geval op termijn de wetgeving hiervoor kan aangepast worden. Deze uitzonderingsmogelijkheid moet duidelijk toegekend worden aan een proefproject met een concreet omschreven doel, onderzoeksgericht en strikt beperkt in de tijd.

Artikel 125 Dit artikel voegt een artikel 5.2.4.6.6 toe aan subafdeling 5.2.4.6 « Controle en toezichtprocedure tijdens de exploitatie- en nazorgfase » van titel II van het VLAREM, conform punt 6, A) en B) van de bijlage bij de richtlijn 2011/97/EU (toegevoegd aan bijlage III van de Stortplaatsrichtlijn). Deze formulering inzake toezicht, inspectie en noodsituaties voor de tijdelijke opslag van metallisch kwik wordt integraal overgenomen. Deze voorschriften hebben betrekking op A) toezicht, inspectie en noodsituaties (de opslagplaats moet uitgerust zijn met een permanent meetsysteem voor kwikdamp; de opslaglocatie en de vaten moeten ten minste eenmaal per maand visueel onderzocht worden) en B) het bijhouden van registers (alle documenten, inclusief het certificaat dat het vat begeleidt, moeten gedurende ten minste drie jaar na het einde van de opslag worden bewaard).

Artikel 126 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.6.3.2, § 3, 3°, van titel II van het VLAREM. In deze paragraaf wordt de definitie voor « betrokken publiek » uit de RIE opgenomen.

Artikel 127 Dit artikel wijzigt artikel 5.2.7.1 van titel II van het VLAREM. Dit artikel behoort toe tot de nieuwe sectorale voorwaarden voor dierenbegraafplaatsen, die werden toegevoegd via de VLAREM-trein 2011 ( besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten2). In dit artikel wordt verkeerdelijk verwezen naar « dit hoofdstuk ». De toepasselijke sectorale voorwaarden worden immers bepaald in de afdeling 5.2.7.

Daarom moet er in het eerste artikel van deze afdeling verwezen worden naar « deze afdeling ».

Artikel 128 Dit artikel vervangt hoofdstuk 5.5 « Biociden » door hoofdstuk 5.5 « Pesticiden » in het kader van de gedeeltelijke omzetting van de richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden.

Deze voorwaarden zijn van toepassing op de rubrieken 2.3.2, f), 2.3.3, b) en 5 van de indelingslijst. In het artikel 5.5.1.2, § 1, worden de beperkingen ten aanzien van de ligging niet behouden ten aanzien van de opslagplaatsen voor pesticiden (rubriek 5.3) en de inrichtingen voorzien in de nieuwe rubriek 5.6.

In artikel 5.5.1.3, § 1, wordt de term « pesticiden » ingevoegd waar voorheen sprake was van « bestrijdingsmiddelen », dit in lijn met de definities van voormelde richtlijn. De vermeldingen op het informatiebord worden verder beperkt tot de vermelding van de naam, het adres en telefoonnummer van de exploitant (waar in de hierdoor gewijzigde bepaling ook nog sprake was van de contactgegevens van de toezichthouder, en van de brandweer (in geval van noodgevallen).

De in artikel 5.5.1.3, § 2, voorziene verplichte omheining is reeds voorzien in de huidige bepaling. Het nieuwe artikel voegt hier echter een derde zin aan toe om aan te geven dat deze verplichting niet geldt voor inrichtingen die vallen onder de nieuwe rubriek 5.6.

Artikel 5.5.1.4 voorziet dat de exploitant een register dient bij te houden. Nieuw is dat het hierbij ook mag gaan om een alternatieve informatiedrager. Wel wordt daarom aangegeven dat deze gegevens zo dienen te worden opgeslagen dat het mogelijk is om op elk ogenblik de in het bedrijf aanwezige hoeveelheden pesticiden te bepalen. De laatste paragraaf van dit artikel voorziet ook in een wijziging van de duur waarbij dit moet worden ter beschikking gehouden van de toezichthoudende ambtenaar (namelijk één maand in plaats van de huidige periode van drie jaar).

Artikel 5.5.1.5 bevat geen aanpassingen ten opzichte van het huidige artikel 5.5.0.5 behoudens de toegevoegde aanhef van paragraaf 1 (« Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 5.16 »). Het vermelde inzake verontreinigd bluswater wordt hier geschrapt, maar komt verder aan bod in het nieuwe artikel 5.5.1.7, § 4.

Artikel 5.5.1.6, § 1, voorziet ten aanzien van het hierdoor gewijzigde artikel 5.5.0.6, § 1, in een aanpassing in het voorlaatste lid hiervan (inzake de tussenkomst van de vereiste deskundigen), om dit in overeenstemming te brengen met het VLAREL van 19 november 2010.

Artikel 5.5.1.7 neemt het huidige artikel 5.5.0.7 over.

Artikel 5.5.2.1 geeft aan op welke inrichtingen dit van toepassing is.

Het gaat om de inrichtingen die nieuw toegevoegd worden aan de indelingslijst.

Artikel 5.5.2.2 specifieert dat de betrokken inrichtingen bedoeld zijn als sluitstuk van de toepassing van goede landbouwpraktijken.

Artikel 5.5.2.3. voorziet in een aantal voorwaarden inzake de constructie van de terreinen waar restvloeistoffen op de bodem kunnen terecht komen, inzake de constructie van de behandelings- en opslagruimten voor restvloeistoffen en gezuiverde vloeistof, inzake de gebruikte constructiematerialen zelf, en de schoonmaakplaatsen.

Paragraaf 5 schrijft de reiniging van de schoonmaakplaats voor na ieder gebruik, en bepaalt de afzonderlijke afvoer van niet-verontreinigd hemelwater. Paragraaf 6 geeft aan wat verboden wordt opdat er geen verontreiniging zou kunnen plaats vinden van oppervlakte en grondwater.

Artikel 5.5.2.4, § 1 bepaalt hoe bij een inrichting met biologische zuivering moet omgegaan worden met de gezuiverde vloeistoffen. In paragraaf 2 wordt voor een inrichting met fysico-chemische zuivering aangegeven hoe de vaste restanten moeten worden afgevoerd en behandeld. Momenteel wordt dit door Phytofar Recover opgehaald en verwerkt.

Artikel 5.5.2.5 voorziet dat de exploitant een gebruiksregister bijhoudt waardoor zicht is op de hoeveelheid restvloeistoffen, op de gezuiverde vloeistoffen en hun bestemming, op de hoeveelheid en de afvoerwijze van het substraat van de biologische behandeling, en de hoeveelheid en afvoerwijze van de vaste restanten bij de fysico-chemische behandeling. Ook wordt gevraagd om hier melding te maken van onregelmatigheden en de in dit verband genomen herstelmaatregelen. Het register dient bijgehouden zolang het systeem in gebruik is. De betreffende richtlijn stelt immers dat er controle moet mogelijk zijn en handhaving moet kunnen verwezenlijkt worden. Dit gebruiksregister zal hiervoor dienen. Er hoeft geen nieuw register opgemaakt te worden indien een bestaand register, bijgehouden in het kader van een andere regelgeving, aangevuld kan worden met de gevraagde gegevens.

Artikel 129 Dit artikel heft paragraaf 4 en 5 op van artikel 5.7.1.3 van titel II van het VLAREM. Zie toelichting bij Artikel 74.

Artikel 130 Dit artikel vervangt afdeling 5.7.2 van titel II van het VLAREM. De afdeling die vervangen wordt, was de omzetting van de oude TiO2- richtlijnen. De herziening van deze richtlijnen werd meegenomen in de RIE, meer bepaald in hoofdstuk VI van de RIE (Bijzondere bepalingen voor installaties die titaandioxide produceren). De tekst van artikel 66 tot en met 70 en bijlage VIII van de RIE is bijna letterlijk overgenomen. Het voornaamste verschil is dat het verbod om bepaalde afvalstoffen te lozen in « wateren, zee of oceaan » niet letterlijk is overgenomen, aangezien het reguleren van lozing/storten in niet-mariene wateren op Vlaams grondgebied een Vlaamse bevoegdheid is en het reguleren van lozing/storten in mariene wateren (zee + oceaan) een federale bevoegdheid is (zie hiervoor de wet van 20/01/1999 ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België). Dit wordt nu algemeen geformuleerd door te stellen dat het verboden is om bepaalde afvalstoffen te lozen.

In artikel 5.7.2.5, derde lid, wordt er in subsidiaire orde verwezen naar ISO-normen. Deze zijn terug te vinden via het Bureau voor Normalisatie (www.nbn.be).

Artikel 131 Dit artikel vervangt in het artikel 5.7.3.2, § 7, van titel II van het VLAREM de term emissienormen door emissiegrenswaarden, aangezien emissienorm niet langer gedefinieerd is (zie artikel 5, Punt 9° ).

Artikel 132 en Artikel 133 Dit artikel wijzigt afdeling 5.9.2 « Constructievoorschriften voor stallen en mestopslagplaatsen en plaatsen voor mestbewerking en mestverwerking ».

In de huidige tekst deze afdeling beschikt de minister bevoegd voor het leefmilieu over een delegatie om de technische lijst van de ammoniakemissiearme stallen te kunnen vaststellen. Deze lijst is technisch en dient regelmatig te worden aangepast, zodanig dat een delegatie noodzakelijk is. Aangezien de aanvraag komende van een belanghebbende om de lijst aan te passen, alsmede de specifieke gebruikseisen van elk van de op de lijst voorkomende staltechnieken, voor de duidelijkheid beter worden opgenomen in één en hetzelfde besluit, wordt de delegatie van de minister met deze wijziging op tweevoudige wijze uitgebreid : volgens de nieuwe paragraaf 1/1, kan de minister bevoegd voor het leefmilieu de wijze waarop de aanvraag tot wijziging van de lijst dient te gebeuren vaststellen en kan de minister per staltype specifieke gebruikseisen vastleggen (nieuwe paragraaf 4).

Artikel 134 Dit artikel heft paragraaf 1 op van artikel 5.9.9.4 van titel II van het VLAREM. Zie toelichting bij Artikel 74.

Artikel 135 Dit artikel heft paragraaf 3 en 4 op van artikel 5.10.0.4 van titel II van het VLAREM. Zie toelichting bij Artikel 74.

Artikel 136 Dit artikel heft paragraaf 5 en 6 op van artikel 5.11.0.4 van titel II van het VLAREM. Zie toelichting bij Artikel 74.

Artikel 137 Dit artikel heft paragraaf 2 en 3 op van artikel 5.12.0.5 van titel II van het VLAREM. Zie toelichting bij Artikel 74.

Artikel 138 Dit artikel heft paragraaf 4 en 5 op van artikel 5.13.0.4 van titel II van het VLAREM. Zie toelichting bij Artikel 74.

Artikel 139 Dit artikel heft paragraaf 3 en 4 op van artikel 5.15.0.5 van titel II van het VLAREM. Zie toelichting bij Artikel 74.

Artikel 140 Dit artikel heft artikel 5.16.4.4.6 van titel II van het VLAREM op.

Zie toelichting bij Artikel 74.

Artikel 141 Dit artikel wijzigt artikel 5.16.8.6, § 9, van titel II van het VLAREM. Er staat een werkwoord te veel in deze zin; dit erratum wordt nu rechtgezet.

Artikel 142 Dit artikel heft paragraaf 1 en 2 van artikel 5.17.1.8 van titel II van het VLAREM op.

Zie toelichting bij Artikel 74.

Artikel 143 Dit artikel heft paragraaf 4 van artikel 5.17.2.12 van titel II van het VLAREM op.

Zie toelichting bij Artikel 74.

Artikel 144 Dit artikel heft paragraaf 4 van artikel 5.17.3.20 van titel II van het VLAREM op.

Zie toelichting bij Artikel 74.

Artikel 145 Dit artikel vervangt hoofdstuk 5.18 « Ontginningen » van titel II van het VLAREM. De afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond, Natuurlijke Rijkdommen van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie beschikt over een advies- en toezichtbevoegdheid inzake ontginningen, wat betreft het gevaar voor grondverschuivingen en/of instortingen.

Twintig jaar ervaring in de uitoefening van deze advies- en toezichtbevoegdheid doet ALBON concluderen dat de huidige sectorale voorwaarden inzake ontginningen ontoereikend zijn om het gevaar voor grondverschuivingen en/of instortingen op een voldoende wijze in te perken. Getuige hiervan de bressen die tijdens deze periode bij verschillende ontginningen in Vlaanderen zijn ontstaan, waaronder een paar zeer aanzienlijke in 2003 en 2004.

Stabiliteitsrisico's dienen op een wetenschappelijk onderbouwde wijze te worden aangepakt. Het is evenmin aangewezen om telkens ad hoc bijzondere voorwaarden inzake stabiliteit in de vergunningen te laten opnemen. Ter evaluatie van de huidige VLAREM-bepalingen en in functie van de opmaak van een voorstel tot aanpassing ervan, werd in 2010 in opdracht van de afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond, Natuurlijke Rijkdommen van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie een studie « Onderzoek stabiliteitsrisico's ontginningen » uitgevoerd door de bvba Geolab in samenwerking met professor Jan Maertens van de Katholieke Universiteit Leuven. De resultaten van deze studie vormen de basis voor de aanpassing van hoofdstuk 5.18.

In artikel 5.18.1.1 worden aanpassingen doorgevoerd zodat duidelijk wordt op welke inrichtingen, vermeld in de indelingslijst, de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing zijn.

In artikel 5.18.1.2 wordt de inhoud van het werkplan aangevuld met de opgave van grondbalansen en een beschrijving van het noodzakelijke grondverzet, een nauwkeurig voorstel met betrekking tot de beschermingsstroken en de aansluitende hellingen, een omschrijving van de maatregelen om te voorkomen dat toestromend oppervlaktewater aanleiding geeft tot stabiliteitsproblemen en, voor droge ontginningen onder het grondwaterpeil en natte ontginningen, een stabiliteitsrisicoanalyse.

De nieuwe afdeling 5.18.2 wordt volledig herwerkt en in functie van de leesbaarheid opgedeeld in veertien subafdelingen : 1° Subafdeling 5.18.2.1. Afpaling van de vergunde ontginningszone : Deze subafdeling is de inhoudelijke overname van het huidige artikel 5.18.2.1, § 1. 2° Subafdeling 5.18.2.2. De toegang tot de ontginning : Deze subafdeling is de inhoudelijke overname van het huidige artikel 5.18.2.1, § 2. 3° Subafdeling 5.18.2.3. Opmeting van referentiepunten bij een ontginning langs wegen, gebouwen, hoogspanningsmasten en kunstwerken : Deze subafdeling is nieuw en voorziet in de verplichting om referentiepunten aan te brengen aan constructies in de buurt van ontginningen die vijfjaarlijks zullen worden opgemeten in functie van de monitoring van zettingen. 4° Subafdeling 5.18.2.4. Ontginningsmethode : Deze subafdeling vormt de inhoudelijke overname van het huidige artikel 5.18.2.1, § 6, maar werd juridisch-technisch verbeterd. 5° Subafdeling 5.18.2.5. Stapelen van dekgronden of teelaarde : Deze subafdeling is de inhoudelijke overname van het huidige artikel 5.18.2.1, § 3, weliswaar met de bijkomende verplichting dat door middel van een stabiliteitsstudie of door middel van een goed gefundeerde extrapolatie van bestaande ervaringsgegevens moet worden aangetoond dat het stapelen van dekgrond of teelaarde binnen de beschermingsstrook, en bij natte ontginningen eveneens op reeds wederaangevulde gronden, voldoende veilig is. 6° Subafdeling 5.18.2.6. Aanleg van beschermingsstroken : De artikelen 5.18.2.6.1 tot en met 5.18.2.6.3 bevatten nieuwe bepalingen inzake in stand te houden onaangetaste beschermingsstroken, gebaseerd op voormelde studie. 7° Subafdeling 5.18.2.7. Hellingen tijdens de ontginning : De artikelen 5.18.2.7.1 tot en met 5.18.2.7.3 bevatten bepalingen inzake in stand te houden hellingen, gebaseerd op voormelde studie. 8° Subafdeling 5.18.2.8. Definitieve hellingen na de ontginning : De artikelen 5.18.2.8.1 en 5.18.2.8.2 bevatten nieuwe bepalingen voor definitieve hellingen met aanduiding van concrete maximale hellingsgraden. In het huidige hoofdstuk 5.18 van titel II van het VLAREM bestaat hiervoor nog geen regeling. Op basis van voormelde studie mag de omvorming naar de definitieve hellingen een halvering van de beschermingsstroken tot gevolg hebben in het geval van aangrenzende percelen die geen eigendom zijn van de exploitant, maar niet in het geval van aangrenzende autosnelwegen, spoorwegen, waterwegen, gebouwen, leidingen, hoogspanningsmasten, kunstwerken en openbare en private land- en buurtwegen. 9° Subafdeling 5.18.2.9. Waterhuishouding : Artikel 5.18.2.9.1 is de inhoudelijke overname van het huidige artikel 5.18.2.1, § 7. Artikel 5.18.2.9.2 bevat een belangrijke aanvulling in functie van de stabiliteit wanneer er zich wateruittreding voordoet uit de hellingen langs de beschermingsstroken. Er wordt namelijk een verplichting opgelegd om ter hoogte van de wateruittreding ofwel een drainering aan te leggen, ofwel een berm met een breedte zoals voorgesteld in voormelde studie. 10° Subafdeling 5.18.2.10. Stabiliteitsproblemen en andere incidenten : De artikelen 5.18.2.10.1 en 5.18.2.10.2 bevatten bepalingen voor de melding van stabiliteitsproblemen en andere incidenten, met het huidige artikel 5.18.1.1, § 6, als uitgangspunt. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen dreigende instabiliteiten enerzijds en zware ongevallen, incidenten en aanzienlijke effectieve instabiliteiten anderzijds. Deze laatste categorie moet immers onmiddellijk gemeld worden aan de burgemeester en de toezichthouders.

Er wordt concreet aangegeven welke effectieve instabiliteiten moeten worden gemeld teneinde te vermijden dat de minste kleine ongevaarlijke afschuiving ook onder de meldingsplicht zou vallen. Ingeval zich een instabiliteit heeft voorgedaan met een volume van meer dan 500 m3 waarbij een beschermingsstrook of een opgelegde helling werd aangetast, wordt de verplichting opgelegd om een instabiliteitsrapport op te maken met opmeting van de geometrie van de hellingen. 11° Subafdeling 5.18.2.11. Herstellingen van beschermingsstroken en hellingen : Deze subafdeling bevat bepalingen inzake herstellingen, gebaseerd op voormelde studie. Herstellingsmaatregelen moeten pas gemeld worden vanaf een volume van 250 m3. 12° Subafdeling 5.18.2.12. Ontginningen nabij eerder uitgevoerde wederaanvullingen : De artikelen 5.18.2.12.1 en 5.18.2.12.2 bevatten nieuwe bepalingen inzake ontginningen nabij eerder uitgevoerde wederaanvullingen, gebaseerd op voormelde studie. In het huidige hoofdstuk 5.18 bestaat hiervoor nog geen regeling. Uit de studie bleek dat ontginningen van wederaangevulde gronden het risico op stabiliteitsproblemen verhogen. Zeker bij natte ontginningen is er een verhoogd risico wanneer ontgonnen wordt in de nabijheid van eerder uitgevoerde wederaanvullingen. Wil men deze activiteiten toch uitvoeren, dan moet via een stabiliteitsstudie aangetoond worden dat het voldoende veilig is. 13° Subafdeling 5.18.2.13. Afgraving van steenkoolterrils : De artikelen 5.18.2.13.1 tot en met 5.18.2.13.3 bevatten nieuwe bepalingen inzake de afgraving van steenkoolterrils, gebaseerd op voormelde studie. In het huidige hoofdstuk 5.18 bestaat hiervoor nog geen regeling. 14° Subafdeling 5.18.2.14. Het gebruik van springstoffen : Artikel 5.18.2.14.1 is een overname van het huidige artikel 5.18.2.2.

Artikel 146 Dit artikel vervangt in het 5.19.1.4, § 5, van titel II van het VLAREM de term emissienorm door emissiegrenswaarde, aangezien emissienorm niet langer gedefinieerd is (zie Artikel 5, Punt 9° ).

Artikel 147 Dit artikel heft paragraaf 5 van artikel 5.19.2.1.1 van titel II van het VLAREM op.

Zie toelichting bij Artikel 74.

Artikel 148 Dit artikel vervangt artikel 5.20.2.1 van titel II van het VLAREM. In dit artikel wordt het toepassingsgebied van afdeling 5.20.2 « Petroleumraffinaderijen » bepaald. De bepalingen voor grote stookinstallaties in deze afdeling worden aangepast conform de vereisten van de RIE (zie Artikel 150). Daarnaast zijn er vele andere (kleine) wijzigingen doorgevoerd in deze afdeling die evenwel niet inhoudelijk van aard zijn. Het betreft taalkundige en legistieke verbeteringen en enkele tekstvereenvoudigingen, zoals het schrappen van bepalingen die verstreken zijn (zie Artikel 149, Artikel 151 en Artikel 152).

Artikel 149 Dit artikel vervangt artikel 5.20.2.2 van titel II van het VLAREM. Het betreft het schrappen van bepalingen die verstreken zijn en enkele taalkundige aanpassingen, waarvan enkele conform de vereisten van de RIE. Artikel 150 Dit artikel vervangt artikel 5.20.2.3 van titel II van het VLAREM. De emissiegrenswaarden voor grote stookinstallaties in raffinaderijen worden aangepast conform de minimum vereisten van bijlage V van de RIE. In de gevallen dat de huidige van toepassing zijnde VLAREM-emissiegrenswaarden voor grote stookinstallaties in raffinaderijen reeds strenger zijn dan de overeenkomstige emissiegrenswaarden in de RIE, worden de huidige VLAREM-emissiegrenswaarden voor grote stookinstallaties in raffinaderijen behouden. Omwille van de vrij unieke situatie voor raffinaderijen is er opnieuw voor gekozen om de emissienormering voor grote stookinstallaties in raffinaderijen afzonderlijk te regelen, in afwijking van de sectorale emissiegrenswaarden voor grote stookinstallaties van hoofdstuk 5.43 van titel II van het VLAREM. Omwille van het bubbelconcept voor raffinaderijen, waarbij vrij scherpe bubbelemissiegrenswaarden zijn opgelegd die betrekking op het geheel van de installaties in een raffinaderij (proces en stook), kan er op individueel installatieniveau meer flexibiliteit toegelaten worden. Vandaar dat de emissiegrenswaarden voor grote stookinstallaties in raffinaderijen in het algemeen minder streng zijn vastgesteld dan deze in hoofdstuk 5.43. De minimum emissiegrenswaarden die de RIE voor grote stookinstallaties voorschrijft, worden evenwel gerespecteerd.

Paragrafen 2 en 3 van het nieuwe artikel 5.20.2.3 beogen de omzetting van de bepalingen voor gemengde grote stookinstallaties in raffinaderijen conform paragrafen 2 en 3 van artikel 40 van de RIE. Deze bepalingen vervangen de huidige VLAREM-bepalingen voor gemengde stookinstallaties (zie paragraaf 3 van huidig artikel 5.20.2.3) die de omzetting waren van de desbetreffende bepalingen van artikel 8.2 van richtlijn 2001/80/EG (richtlijn grote stookinstallatie die door de RIE wordt vervangen en opgeheven). Inhoudelijk is er aan deze bepalingen niets wezenlijks gewijzigd.

Artikel 151 Dit artikel heft artikel 5.20.2.4 en 5.20.2.5 van titel II van het VLAREM op.

Huidig artikel 5.20.2.4 kan geschrapt worden, omdat de specifieke verwijzing voor gasturbines naar hoofdstuk 5.43 vervat zit in het eerste lid van paragraaf 1 van het nieuwe artikel 5.20.2.3 (gasturbines zijn stookinstallaties).

Huidig artikel 5.20.2.5 waarin verwezen wordt naar vóór 1 januari 1994 opgelegde voorwaarden in de exploitatievergunningen wordt geschrapt, vermits alle raffinaderijen na 1994 inmiddels hervergund werden.

Artikel 152 Dit artikel vervangt de artikels 5.20.2.6 tot en met 5.20.2.8 van titel II van het VLAREM. De opsomming van definities in paragraaf 1 van huidig artikel 5.20.2.6 kan geschrapt worden, vermits de definities voor « stookinstallaties », zoals bepaald in artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM, sowieso van toepassing zijn op de stookinstallaties in raffinaderijen en de opsomming ervan in dit artikel dus overbodig is. In huidig artikel 5.20.2.6, § 1, 2°, c, wordt er verwezen naar codes van goede praktijk voor de berekening van de emissies van procesinstallaties. De verwijzing naar codes van goede praktijk wordt vervangen door een formulering die gebaseerd is op de formulering gebruikt voor stookinstallaties in hoofdstuk 5.43, conform de bepalingen van de RIE. Paragraaf 2 van huidig artikel 5.20.2.6 kan geschrapt worden. Het betreft hier een bepaling die nog dateert van de eerste richtlijn 88/609/EEG voor grote stookinstallaties. Deze bepaling is inmiddels achterhaald.

In artikel 5.20.2.6, 2°, wordt er in subsidiaire orde verwezen naar ISO-normen. Deze zijn terug te vinden via het Bureau voor Normalisatie (www.nbn.be).

Artikel 153 Dit artikel wijzigt artikel 5.20.6.4.2 van titel II van het VLAREM en houdt een tekstuele verduidelijking in.

Volgens artikel 5.20.6.4.2 van titel II van het VLAREM (sectorale geluidsvoorwaarden windturbines) moet het geluid van een windturbine per beoordelingsperiode lager zijn dan ofwel de richtwaarden (bijlage 5.20.6.1) ofwel de waarde van het achtergrondgeluid. Omdat door gebruik van het achtergrondgeluid als norm hogere waarden kunnen worden toegestaan dan de richtwaarden, werd bij de regelgeving met betrekking tot het achtergrondgeluid de bijkomende beschermingsvoorwaarde ingebouwd dat de afstand van de windturbines tot de woningen meer dan drie maal de rotordiameter moet bedragen.

De huidige bewoording kan echter in een aantal gevallen verkeerd gelezen worden, zodat onduidelijkheid kan bestaan over wat de randvoorwaarden zijn om het achtergrondgeluid als maatgevend te beschouwen : « Art. 5.20.6.4.2. Het specifieke geluid in openlucht wordt, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, in de nabijheid van de dichtstbijzijnde vreemde woning of het dichtstbijzijnde woongebied, per beoordelingsperiode beperkt tot de richtwaarde vermeld in bijlage 5.20.6.1 of tot het achtergrondgeluid, vermeld in bijlage 4B, punt F14, 3, van titel I van dit besluit : Lsp ? MAX(richtwaarde, LA95).

In het geval het achtergrondgeluid maatgevend is als norm, geldt dat de afstand van de windturbines tot de woningen, meer dan drie maal de rotordiameter moet bedragen. ».

Dit artikel wordt nu aangepast conform de bedoeling van de regelgeving, met name dat voldoen aan de achtergrondgeluidsnormering bij niveaus hoger dan de richtwaarden steeds optioneel is. Enkel indien er van het achtergrondgeluid gebruik gemaakt wordt om een hogere norm te bekomen, geldt de bijkomende beschermingsvoorwaarde waarbij een afstand van drie maal de rotordiameter van de woning tot de turbines aanhouden moet worden.

Het is een feit dat er heden een aantal technische evoluties en innovaties aan de gang zijn in de sector van de windenergie. Deze innovaties en hun impact op de VLAREM-reglementering wordt heden en zal verder worden onderzocht en kan mogelijks leiden tot aanpassing van de VLAREM-reglementering terzake.

Artikel 154 Dit artikel wijzigt artikel 5.23.1.1 van titel II van het VLAREM. Tijdens de productie van gexpandeerd polystyreenschuim uitgaande van EPS-granulaat komen pentaanemissies vrij. De uitstoot van pentaan is niet continu. De piekbelasting die ontstaat, kan tot een overschrijding van de algemene emissiegrenswaarde leiden. Om de vergunningverlener de mogelijkheid te bieden met dit knelpunt om te gaan wordt deze emissiegrenswaarde ingeschreven in de sectorale voorwaarden. Deze sectorale voorwaarde stelt immers dat deze emissiegrenswaarde geldt, tenzij het anders bepaald is in de milieuvergunning. De sector heeft zich gengageerd om op korte termijn een studie te laten uitvoeren die als basis zal dienen voor een sectorale afwijkingsaanvraag. Bijgevolg wordt de afwijkingsmogelijkheid voorzien voor een termijn van vijf jaar (tot en met 31 december 2017). Een nieuwe evaluatie van deze problematiek door het departement Leefmilieu, Natuur en Energie zal gebeuren in het kader van de sectorale afwijkingsaanvraag.

Artikel 155 Dit artikel heft paragraaf 4, 2°, op van artikel 5.28.2.3 van titel II van het VLAREM. Zie toelichting bij Artikel 74.

Artikel 156 Dit artikel heft paragraaf 2 van artikel 5.29.0.1 van titel II van het VLAREM op waarin bepaald wordt dat de bepalingen van hoofdstuk 5.29 niet van toepassing zijn op het mechanisch, thermisch of fysisch bewerken van metaal, alsook het stralen met zand of andere producten gekoppeld aan de uitvoering van eigenlijke bouw- of sloopwerken, zijnde handelingen die overeenkomstig de indelingslijst niet als hinderlijk zijn ingedeeld.

Het al of niet ingedeeld zijn van een inrichting moet echter blijken uit de indelingslijst vervat in bijlage 1 van titel I van het VLAREM en niet uit titel II. De tekst van de opgeheven paragraaf 2 wordt verplaatst naar de rubriek 29.

Artikel 157 Dit artikel voegt een overgangstermijn toe aan artikel 5.29.0.6, § 2, 3°, b), betreffende de emissiegrenswaarde voor de parameter SOx voor installaties voor het winnen van non-ferro ruwmetalen. Het betreft het rechtzetten van een materiële vergissing : met de VLAREM-trein 2011, het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten2, werd deze emissiegrenswaarde aangescherpt van 800 mg/Nm3 naar 500 mg/Nm3, zonder evenwel een overgangstermijn hiervoor te voorzien, teneinde de inrichtingen de tijd te geven om hieraan te kunnen voldoen. Ook de emissiegrenswaarden voor de parameters stof en dioxines werden met voormeld besluit aangescherpt voor deze sector; hier werd evenwel voorzien in een overgangstermijn van drie jaar.

Artikel 158 Dit artikel heft artikel 5.29.0.9, 7°, van titel II van het VLAREM op.

Zie toelichting bij Artikel 74.

Artikel 159 Dit artikel wijzigt artikel 5.30.1.3, 2°, b), van titel II van het VLAREM. Recent werd vastgesteld dat relevante emissies van benzeen ontstaan bij de productie van snelbouwstenen. Deze parameter wordt bijgevolg opgenomen in de sectorale voorwaarden.

Artikel 160 Dit artikel wijzigt hoofdstuk 5.31 « Motoren met inwendige verbranding » van titel II van het VLAREM. Met dit artikel worden de huidige bepalingen van titel II van het VLAREM voor stationaire motoren verplaatst van hoofdstuk 5.31 naar hoofdstuk 5.43. Stationaire motoren vallen in de context van de RIE nu ook expliciet onder het toepassingsgebied van grote stookinstallaties, vandaar dat er voor gekozen werd om alle bepalingen voor stationaire motoren in titel II van het VLAREM, inclusief voor de kleinere stationaire motoren, samen te brengen in één hoofdstuk, met name hoofdstuk 5.43 dat de sectorale voorwaarden bevat voor stookinstallaties. Hierdoor wordt onder andere herhaling van identieke bepalingen op verschillende plaatsen in titel II van het VLAREM vermeden. Hoofdstuk 5.31 wordt hierdoor een leeg hoofdstuk. Voor de stationaire motoren die vallen onder rubrieken 31.2 en 31.3 (testbanken voor motoren) zijn, zoals momenteel het geval, geen sectorale voorwaarden van toepassing. Voor de grote motoren is dit overeenkomstig de bepalingen van artikel 2 van de RIE (toepassingsgebied). In punt 2° van dit artikel wordt vermeld dat de richtlijn niet van toepassing is op onderzoeksactiviteiten, ontwikkelingsactiviteiten of het testen van nieuwe producten en processen.

Artikel 161 Dit artikel wijzigt artikel 5.32.2.2, § 2, van titel II van het VLAREM. Het woord « milieuvergunning » wordt vervangen door de woorden « bijzondere voorwaarden » zodat het ook mogelijk is om voor inrichtingen ingedeeld in de derde klasse afwijkingen van de verbodsbepalingen uit het eerste lid van dezelfde paragraaf toe te staan in de bijzondere voorwaarden.

Artikel 162 Dit artikel wijzigt artikel 5.32.2.5, § 4, van titel II van het VLAREM. Zie toelichting bij Artikel 74.

Artikel 163 Dit artikel wijzigt artikel 5.32.3.8, § 1, van titel II van het VLAREM. Zie toelichting bij Artikel 74.

Artikel 164 Dit artikel wijzigt artikel 5.32.3.10 van titel II van het VLAREM. Door het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten3 betreffende het maximaal geluidsniveau van muziek in inrichtingen, werd een verkeerde nummering ingevoerd in artikel 5.32.3.10 : « § 4 » werd meer bepaald tweemaal gebruikt. Dit erratum wordt door dit artikel rechtgezet.

Artikel 165 Dit artikel wijzigt artikel 5.32.7.2.6, § 1, van titel II van het VLAREM. Zie toelichting bij Artikel 74.

Artikel 166 Dit artikel wijzigt artikel 5.32.7.5.4 van titel II van het VLAREM. Zie toelichting bij Artikel 74.

Artikel 167 Dit artikel wijzigt artikel 5.32.9.1.2, § 1, van titel II van het VLAREM. Zie toelichting bij Artikel 74.

Artikel 168 Dit artikel voegt een artikel 5.32.9.1.6 toe aan subafdeling 5.32.9.1 van titel II van het VLAREM. In de herziene BBT-studie voor de zwembaden van augustus 2011 wordt vermeld dat wanneer het zwembad volledig leeg gelaten wordt, dit een verhoogde hydraulische belasting kan betekenen voor het ontvangende oppervlaktewater of RWZI. Door goede afspraken te maken met de beheerder kan dit vermeden worden.

Artikel 169 Dit artikel voert wijzigingen door in artikel 5.32.9.2.1 van titel II van het VLAREM. Punt 1° Punt 1° wijzigt paragraaf 1, 5°, van dit artikel.

Het betreft een aanpassing van de sectorale voorwaarden voor zwembaden betreffende de lokaalvloeren. Bij het behandelen van afwijkingsaanvragen is gebleken dat deze bepaling (Alle lokaalvloeren hebben een helling van 1 tot 2 %) niet werkzaam is. Deze bepaling geeft namelijk vaak aanleiding tot afwijkingsaanvragen die na een concrete afweging veelal door de minister worden toegestaan. De wijziging bestaat erin de gevallen waarbij afwijking kan toegestaan worden, nu eveneens te verwerken in het betreffende artikel. Dit betekent een administratieve vereenvoudiging voor de exploitant (er is geen afwijkingsaanvraag meer nodig) en een vermindering van de werklast voor de administratie.

Punt 2° Punt 2° wijzigt paragraaf 2, 4°, van dit artikel.

Het betreft een aanpassing van de sectorale voorwaarden voor zwembaden betreffende de volledige lediging van het bad. Bij het behandelen van afwijkingsaanvragen is gebleken dat deze bepaling (Het diepste punt van de zwembadbodem is voorzien van een afvoer voor een volledige lediging van het bad) niet werkzaam is. Deze bepaling geeft namelijk vaak aanleiding tot afwijkingsaanvragen die na een concrete afweging veelal door de minister worden toegestaan. De wijziging bestaat erin de gevallen waarbij afwijking kan toegestaan worden, nu eveneens te verwerken in het betreffende artikel (er wordt meer bepaald het volgende toegevoegd : in bestaande inrichtingen mag het restwater ook verwijderd worden door middel van een pomp of een alternatief systeem). Dit betekent een administratieve vereenvoudiging voor de exploitant (er is geen afwijkingsaanvraag meer nodig) en een vermindering van de werklast voor de administratie.

Punt 3° Punt 3° wijzigt paragraaf 3, 4°, van dit artikel.

Het betreft een aanpassing van de sectorale voorwaarden voor zwembaden betreffende de aanleg van de kaden in het kader van de afvoer van kuiswater. Bij het behandelen van afwijkingsaanvragen is gebleken dat deze bepaling niet werkzaam is. Deze bepaling geeft namelijk vaak aanleiding tot afwijkingsaanvragen die na een concrete afweging veelal door de minister worden toegestaan. De wijziging bestaat erin de gevallen waarbij afwijking kan toegestaan worden, nu eveneens te verwerken in het betreffende artikel. Dit betekent een administratieve vereenvoudiging voor de exploitant (er is geen afwijkingsaanvraag meer nodig) en een vermindering van de werklast voor de administratie.

Punt 4° Punt 4° wijzigt paragraaf 4, 1°, van dit artikel.

Het betreft een aanpassing van de sectorale voorwaarden voor zwembaden betreffende de omkleedcabines van het wisseltype. Bij het behandelen van afwijkingsaanvragen is gebleken dat deze bepaling (De omkleedcabines en kleedkamers zijn van het wisseltype zodat de geschoeide en de ongeschoeide zone van elkaar gescheiden worden) niet werkzaam is. Deze bepaling geeft namelijk vaak aanleiding tot afwijkingsaanvragen die na een concrete afweging veelal door de minister worden toegestaan. De wijziging bestaat erin de gevallen waarbij afwijking kan toegestaan worden, nu eveneens te verwerken in het betreffende artikel. Dit betekent een administratieve vereenvoudiging voor de exploitant (er is geen afwijkingsaanvraag meer nodig) en een vermindering van de werklast voor de administratie.

Punt 5° Punt 5° wijzigt paragraaf 5, 1°, van dit artikel.

Het betreft een aanpassing van de sectorale voorwaarden voor zwembaden betreffende de aanwezigheid van afzonderlijke toiletten voor de baders. Bij het behandelen van afwijkingsaanvragen is gebleken dat deze bepaling niet werkzaam is. Deze bepaling geeft namelijk vaak aanleiding tot afwijkingsaanvragen die na een concrete afweging veelal door de minister worden toegestaan. De wijziging bestaat erin de gevallen waarbij afwijking kan toegestaan worden, nu eveneens te verwerken in het betreffende artikel. Dit betekent een administratieve vereenvoudiging voor de exploitant (er is geen afwijkingsaanvraag meer nodig) en een vermindering van de werklast voor de administratie.

Punt 6° Punt 6° wijzigt paragraaf 5, 2°, van dit artikel.

Het betreft een aanpassing van de sectorale voorwaarden voor zwembaden betreffende de lokaalvloeren. Bij het behandelen van afwijkingsaanvragen is gebleken dat deze bepaling (Alle lokaalvloeren hebben een helling van 1 tot 2 %) niet werkzaam is. Deze bepaling geeft namelijk vaak aanleiding tot afwijkingsaanvragen die na een concrete afweging veelal door de minister worden toegestaan. De wijziging bestaat erin de gevallen waarbij afwijking kan toegestaan worden, nu eveneens te verwerken in het betreffende artikel. Dit betekent een administratieve vereenvoudiging voor de exploitant (er is geen afwijkingsaanvraag meer nodig) en een vermindering van de werklast voor de administratie.

Punt 7° Punt 7° wijzigt paragraaf 5, 3°, van dit artikel.

Het betreft een aanpassing van de sectorale voorwaarden voor zwembaden betreffende de toiletten die bevestigd zijn aan de muur. Bij het behandelen van afwijkingsaanvragen is gebleken dat deze bepaling (De toiletten voor de ongeschoeide bezoekers zijn bevestigd aan de muur van de toiletruimten) niet werkzaam is. Deze bepaling geeft namelijk vaak aanleiding tot afwijkingsaanvragen die na een concrete afweging veelal door de minister worden toegestaan. De wijziging bestaat erin de gevallen waarbij afwijking kan toegestaan worden, nu eveneens te verwerken in het betreffende artikel. Dit betekent een administratieve vereenvoudiging voor de exploitant (er is geen afwijkingsaanvraag meer nodig) en een vermindering van de werklast voor de administratie.

Punt 8° Punt 8° wijzigt paragraaf 8, 2°, van dit artikel.

Het betreft een aanpassing van de sectorale voorwaarden voor zwembaden betreffende de filterbedhoogte. Bij het behandelen van afwijkingsaanvragen is gebleken dat deze bepaling (Elke filter heeft een minimum filterbedhoogte van 1 meter en is voorzien van een kijkglas en van drukmeters voor en na de filtratie...) niet werkzaam is. Deze bepaling geeft namelijk vaak aanleiding tot afwijkingsaanvragen die na een concrete afweging veelal door de minister worden toegestaan. De wijziging bestaat erin de gevallen waarbij afwijking kan toegestaan worden, nu eveneens te verwerken in het betreffende artikel. Dit betekent een administratieve vereenvoudiging voor de exploitant (er is geen afwijkingsaanvraag meer nodig) en een vermindering van de werklast voor de administratie.

Punt 9° Punt 9° wijzigt paragraaf 8, 6°, van dit artikel.

In de herziene BBT-studie voor de zwembaden van augustus 2011 wordt vermeld dat, om besparingen op het energieverbruik te stimuleren, het interessant kan zijn om de turnoverperiode van laagbelaste zwembaden te kunnen verlengen van twee uur naar vier uur. Om de mogelijkheid te bieden om de wettelijk verplichte turn-over periode te verlengen, kan dit best worden geregeld met de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid, omdat deze mogelijkheid van zwembad tot zwembad zal verschillen en de mogelijkheid zal afhangen van de kwaliteit van het zwembadwater.

Instructie-, kinder- en therapiebaden (die hoog belast zijn) komen hiervoor immers niet in aanmerking.

Punt 10° In punt 10° wordt een paragraaf 9 toegevoegd.

De studie « Beste Beschikbare Technieken voor zwembaden », uitgevoerd door het Vlaams Kenniscentrum voor Beste Beschikbare Technieken in opdracht van het Vlaams Gewest, vermeldt dat door het toevoegen van chloor aan water dat ammonium bevat, wat bij zwembadwater, dat ureum bevat, het geval is, zeer snel anorganische chlooramines worden gevormd. De vluchtigheid (en oplosbaarheid) is afhankelijk van de stof : monochlooramine is weinig vluchtig, dichlooramine en trichlooramine zijn respectievelijk ongeveer 3 en 300 keer meer vluchtig.

Monochlooramine bevindt zich dus praktisch enkel in het water en trichlooramine praktisch enkel in de lucht van zwembaden.

Monochlooramine is weinig irritant, trichlooramines in de lucht zijn sterk irriterend. Trichlooramine is de belangrijkste gechloreerde verontreiniging in de lucht van zwembaden en is verantwoordelijk voor de bekende geur. De irritatie-eigenschap is vergelijkbaar met die van chloor. De eerste klachten bij bezoekers van zwembaden komen bij een concentratie van 0,5 mg/m3 voor en een concentratie van 0,7 mg/m3 wordt als overdreven beschouwd. Het onderzoek van prof. Bernard naar de relatie tussen chlooraminen in de lucht en luchtwegklachten, vooral bij kinderen, heeft de nadruk gelegd op de zorg voor een goede luchtkwaliteit. Ook in Vlaanderen is onderzoek gedaan naar de luchtkwaliteit in overdekte baden. Uit deze studie blijkt dat ook in de lucht van onze Vlaamse baden toxische producten voorkomen. Een kortdurende blootstelling aan deze stoffen tijdens het zwemmen in de bemonsterde zwembaden zal weinig tot geen gezondheidsschade veroorzaken, met uitzondering op trichlooramine.

De voorgestelde grenswaarde voor trichlooramine van 300 µg/m3 geldt in het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. In deze laatste geldt ook de voorgestelde richtwaarde van 500 µg/m3.

Artikel 170 Dit artikel wijzigt artikel 5.32.9.2.2 van titel II van het VLAREM. Punt 1° Dit punt wijzigt de tabel in paragraaf 4 van artikel 5.32.9.2.2 van titel II van het VLAREM. Gebonden chloor is een ongewenst product in zwembaden, het is niet meer actief, werkt het desinfecteren tegen, is agressief en veroorzaakt huidirritaties en rode ogen. Gebonden chloor is de verzamelnaam voor anorganische en organische chloorstikstofverbindingen en bestaat uit mono- di- en tri-chlooraminen. Vooral trichlooramine ontsnapt gemakkelijk uit het water en veroorzaakt dan niet alleen overlast voor baders en personeel in de lucht van overdekte baden, maar is ook corrosief voor sommige bouwmaterialen en constructies van het zwemcomplex. De huidige Vlaamse en Nederlandse grenswaarde bedraagt ? 1 mg/l.

Ondertussen bestaan moderne technieken die toelaten deze grenswaarde te verlagen. De grenswaarde bedraagt in het Waalse en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest 0,8 mg/l, in Frankrijk 0,6 mg/l en in Spanje zelfs 0,4 mg/l. In het Waalse en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wordt ook een richtwaarde gehanteerd voor gebonden chloor van respectievelijk 0,3 en 0,5 mg/l. (cfr. het besluit van de Waalse Regering van 13 maart 2003 houdende sectorale voorwaarden in verband met zwembaden (gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 25 april 2003) en het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 11 oktober 2002 tot vaststelling van de exploitatievoorwaarden voor zwembaden (gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 8 november 2002).Volgens recent onderzoek van de afdeling Toezicht Volksgezondheid van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid is deze grenswaarde vanuit technisch standpunt haalbaar. Omdat nog circa 15 % van de zwembaden extra investeringen moet doen om deze grenswaarde te halen, wordt een overgangstermijn voor deze bestaande zwembaden voorzien tot en met 31 december 2015.

Punt 2° en 3° Deze punten wijzigen paragraaf 4 van artikel 5.32.9.2.2.

Juridisch-technisch kan overeenkomstig artikel 1.2.2.1, § 1, van titel II van het VLAREM een afwijking enkel worden toegestaan door de minister en niet door de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid. Daarom wordt het woord « afwijking » in de tekst vervangen door « toelating », wat juridisch-technisch correcter is.

Punt 4° Dit punt wijzigt paragraaf 5 van artikel 5.32.9.2.2.

In de herziene BBT-studie voor de zwembaden van augustus 2011 wordt voorgesteld dat, om technieken met betrekking tot waterbesparingen nog verder te stimuleren, de mogelijkheid kan worden voorzien om van de verplichting om per bader 30 l suppletiewater toe te moeten voegen, af te zien.

Artikel 171 Dit artikel wijzigt artikel 5.32.9.3.1 van titel II van het VLAREM. Punt 1° Punt 1° wijzigt paragraaf 1, 5°, van dit artikel.

Het betreft een aanpassing van de sectorale voorwaarden voor zwembaden betreffende de lokaalvloeren. Bij het behandelen van afwijkingsaanvragen is gebleken dat deze bepaling (Alle lokaalvloeren hebben een helling van 1 tot 2 %) niet werkzaam is. Deze bepaling geeft namelijk vaak aanleiding tot afwijkingsaanvragen die na een concrete afweging veelal door de minister worden toegestaan. De wijziging bestaat erin de gevallen waarbij afwijking kan toegestaan worden, nu eveneens te verwerken in het betreffende artikel. Dit betekent een administratieve vereenvoudiging voor de exploitant (er is geen afwijkingsaanvraag meer nodig) en een vermindering van de werklast voor de administratie.

Punt 2° Punt 2° wijzigt paragraaf 2, 4°, van dit artikel.

Het betreft een aanpassing van de sectorale voorwaarden voor zwembaden betreffende de volledige lediging van het bad. Bij het behandelen van afwijkingsaanvragen is gebleken dat deze bepaling (Het diepste punt van de zwembadbodem is voorzien van een afvoer voor een volledige lediging van het bad) niet werkzaam is. Deze bepaling geeft namelijk vaak aanleiding tot afwijkingsaanvragen die na een concrete afweging veelal door de minister worden toegestaan. De wijziging bestaat erin de gevallen waarbij afwijking kan toegestaan worden, nu eveneens te verwerken in het betreffende artikel (er wordt meer bepaald het volgende toegevoegd : in bestaande inrichtingen mag het restwater ook verwijderd worden door middel van een pomp of een alternatief systeem). Dit betekent een administratieve vereenvoudiging voor de exploitant (er is geen afwijkingsaanvraag meer nodig) en een vermindering van de werklast voor de administratie.

Punt 3° Punt 3° wijzigt paragraaf 3, 3°, van dit artikel.

Het betreft een aanpassing van de sectorale voorwaarden voor zwembaden betreffende de aanleg van de kaden in het kader van de afvoer van kuiswater. Bij het behandelen van afwijkingsaanvragen is gebleken dat deze bepaling niet werkzaam is. Deze bepaling geeft namelijk vaak aanleiding tot afwijkingsaanvragen die na een concrete afweging veelal door de minister worden toegestaan. De wijziging bestaat erin de gevallen waarbij afwijking kan toegestaan worden, nu eveneens te verwerken in het betreffende artikel. Dit betekent een administratieve vereenvoudiging voor de exploitant (er is geen afwijkingsaanvraag meer nodig) en een vermindering van de werklast voor de administratie.

Punt 4° Punt 4° wijzigt paragraaf 5, 2°, van dit artikel.

Het betreft een aanpassing van de sectorale voorwaarden voor zwembaden betreffende de lokaalvloeren. Bij het behandelen van afwijkingsaanvragen is gebleken dat deze bepaling (Alle lokaalvloeren hebben een helling van 1 tot 2 %) niet werkzaam is. Deze bepaling geeft namelijk vaak aanleiding tot afwijkingsaanvragen die na een concrete afweging veelal door de minister worden toegestaan. De wijziging bestaat erin de gevallen waarbij afwijking kan toegestaan worden, nu eveneens te verwerken in het betreffende artikel. Dit betekent een administratieve vereenvoudiging voor de exploitant (er is geen afwijkingsaanvraag meer nodig) en een vermindering van de werklast voor de administratie.

Punt 5° Punt 5° wijzigt paragraaf 7, 2°, van dit artikel.

Het betreft een aanpassing van de sectorale voorwaarden voor zwembaden betreffende de filterbedhoogte. Bij het behandelen van afwijkingsaanvragen is gebleken dat deze bepaling (Elke filter heeft een minimum filterbedhoogte van 1 meter en is voorzien van een kijkglas en van drukmeters voor en na de filtratie...) niet werkzaam is. Deze bepaling geeft namelijk vaak aanleiding tot afwijkingsaanvragen die na een concrete afweging veelal door de minister worden toegestaan. De wijziging bestaat erin de gevallen waarbij afwijking kan toegestaan worden, nu eveneens te verwerken in het betreffende artikel. Dit betekent een administratieve vereenvoudiging voor de exploitant (er is geen afwijkingsaanvraag meer nodig) en een vermindering van de werklast voor de administratie.

Punt 6° Dit punt wijzigt paragraaf 7, 6°, van dit artikel.

In de herziene BBT-studie voor de zwembaden van augustus 2011 wordt vermeld dat, om besparingen op het energieverbruik te stimuleren, het interessant kan zijn om de turnoverperiode van laagbelaste zwembaden te kunnen verlengen van twee uur naar vier uur. Om de mogelijkheid te bieden om de wettelijk verplichte turn-over periode te verlengen, kan dit best worden geregeld met de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid, omdat deze mogelijkheid van zwembad tot zwembad zal verschillen en de mogelijkheid zal afhangen van de kwaliteit van het zwembadwater.

Instructie-, kinder- en therapiebaden (die hoog belast zijn) komen hiervoor immers niet in aanmerking.

Artikel 172 Dit artikel wijzigt artikel 5.32.9.3.2 van titel II van het VLAREM. Punt 1° en 2° Deze punten wijzigen paragraaf 4 van artikel 5.32.9.3.2.

Juridisch-technisch kan overeenkomstig artikel 1.2.2.1, § 1, van titel II van het VLAREM een afwijking enkel worden toegestaan door de minister en niet door de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid. Daarom wordt het woord « afwijking » in de tekst vervangen door « toelating », wat juridisch-technisch correcter is.

Punt 3° Dit punt wijzigt paragraaf 5 van artikel 5.32.9.3.2.

In de herziene BBT-studie voor de zwembaden van augustus 2011 wordt voorgesteld dat, om technieken met betrekking tot waterbesparingen nog verder te stimuleren, de mogelijkheid kan worden voorzien om van de verplichting om per bader 30 liter suppletiewater toe te moeten voegen, af te zien.

Artikel 173 Dit artikel voegt een paragraaf 6 toe aan artikel 5.32.9.4.1 van titel II van het VLAREM. De studie « Beste Beschikbare Technieken voor zwembaden », uitgevoerd door het Vlaams Kenniscentrum voor Beste Beschikbare Technieken in opdracht van het Vlaams Gewest, vermeldt dat door het toevoegen van chloor aan water dat ammonium bevat, wat bij zwembadwater, dat ureum bevat, het geval is, zeer snel anorganische chlooramines worden gevormd. De vluchtigheid (en oplosbaarheid) is afhankelijk van de stof : monochlooramine is weinig vluchtig, dichlooramine en trichlooramine zijn respectievelijk ongeveer 3 en 300 keer meer vluchtig.

Monochlooramine bevindt zich dus praktisch enkel in het water en trichlooramine praktisch enkel in de lucht van zwembaden.

Monochlooramine is weinig irritant, trichlooramines in de lucht zijn sterk irriterend. Trichlooramine is de belangrijkste gechloreerde verontreiniging in de lucht van zwembaden en is verantwoordelijk voor de bekende geur. De irritatie-eigenschap is vergelijkbaar met die van chloor. De eerste klachten bij bezoekers van zwembaden komen bij een concentratie van 0,5 mg/m3 voor en een concentratie van 0,7 mg/m3 wordt als overdreven beschouwd. Het onderzoek van prof. Bernard naar de relatie tussen chlooraminen in de lucht en luchtwegklachten, vooral bij kinderen, heeft de nadruk gelegd op de zorg voor een goede luchtkwaliteit. Ook in Vlaanderen is onderzoek gedaan naar de luchtkwaliteit in overdekte baden. Uit deze studie blijkt dat ook in de lucht van onze Vlaamse baden toxische producten voorkomen. Een kortdurende blootstelling aan deze stoffen tijdens het zwemmen in de bemonsterde zwembaden zal weinig tot geen gezondheidsschade veroorzaken, met uitzondering op trichlooramine.

De voorgestelde grenswaarde voor trichlooramine van 300 µg/m3 geldt in het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. In deze laatste geldt ook de voorgestelde richtwaarde van 500 µg/m3.

Artikel 174 Dit artikel wijzigt artikel 5.32.9.4.2 van titel II van het VLAREM. Punt 1° Dit punt wijzigt artikel 5.32.9.4.2, § 1, van titel II van het VLAREM. Gebonden chloor is een ongewenst product in zwembaden, het is niet meer actief, werkt het desinfecteren tegen, is agressief en veroorzaakt huidirritaties en rode ogen. Gebonden chloor is de verzamelnaam voor anorganische en organische chloorstikstofverbindingen en bestaat uit mono- di- en trichlooraminen. Vooral trichlooramine ontsnapt gemakkelijk uit het water en veroorzaakt dan niet alleen overlast voor baders en personeel in de lucht van overdekte baden, maar is ook corrosief voor sommige bouwmaterialen en constructies van het zwemcomplex. De huidige Vlaamse en Nederlandse grenswaarde bedraagt ? 1 mg/l.

Ondertussen bestaan moderne technieken die toelaten deze grenswaarde te verlagen. De grenswaarde bedraagt in het Waalse en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest 0,8 mg/l, in Frankrijk 0,6 mg/l en in Spanje zelfs 0,4 mg/l. In het Waalse en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wordt ook een richtwaarde gehanteerd voor gebonden chloor van respectievelijk 0,3 en 0,5 mg/l. (cfr. het besluit van de Waalse Regering van 13 maart 2003 houdende sectorale voorwaarden in verband met zwembaden (gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 25 april 2003) en het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 11 oktober 2002 tot vaststelling van de exploitatievoorwaarden voor zwembaden (gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 8 november 2002).Volgens recent onderzoek van de afdeling Toezicht Volksgezondheid van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid is deze grenswaarde vanuit technisch standpunt haalbaar. Omdat nog circa 15 % van de zwembaden extra investeringen moet doen om deze grenswaarde te halen, wordt een overgangstermijn voor deze bestaande zwembaden voorzien tot en met 31 december 2015.

Punten 2° en 3° Deze punten wijzigen paragraaf 1 en 3 van artikel 5.32.9.4.2.

Juridisch-technisch kan overeenkomstig artikel 1.2.2.1, § 1, van titel II van het VLAREM een afwijking enkel worden toegestaan door de minister en niet door de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid. Daarom wordt het woord « afwijking » in de tekst vervangen door « toelating », wat juridisch-technisch correcter is.

Artikel 175 Dit artikel wijzigt artikel 5.32.9.5.1 van titel II van het VLAREM. Punt 1° Dit punt wijzigt artikel 5.32.9.5.1, § 1, van titel II van het VLAREM. Gebonden chloor is een ongewenst product in zwembaden, het is niet meer actief, werkt het desinfecteren tegen, is agressief en veroorzaakt huidirritaties en rode ogen. Gebonden chloor is de verzamelnaam voor anorganische en organische chloorstikstofverbindingen en bestaat uit mono- di- en trichlooraminen. Vooral trichlooramine ontsnapt gemakkelijk uit het water en veroorzaakt dan niet alleen overlast voor baders en personeel in de lucht van overdekte baden, maar is ook corrosief voor sommige bouwmaterialen en constructies van het zwemcomplex. De huidige Vlaamse en Nederlandse grenswaarde bedraagt ? 1 mg/l.

Ondertussen bestaan moderne technieken die toelaten deze grenswaarde te verlagen. De grenswaarde bedraagt in het Waalse en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest 0,8 mg/l, in Frankrijk 0,6 mg/l en in Spanje zelfs 0,4 mg/l. In het Waalse en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wordt ook een richtwaarde gehanteerd voor gebonden chloor van respectievelijk 0,3 en 0,5 mg/l. (cfr. het besluit van de Waalse Regering van 13 maart 2003 houdende sectorale voorwaarden in verband met zwembaden (gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 25 april 2003) en het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 11 oktober 2002 tot vaststelling van de exploitatievoorwaarden voor zwembaden (gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 8 november 2002).Volgens recent onderzoek van de afdeling Toezicht Volksgezondheid van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid is deze grenswaarde vanuit technisch standpunt haalbaar. Omdat nog circa 15 % van de zwembaden extra investeringen moet doen om deze grenswaarde te halen, wordt een overgangstermijn voor deze bestaande zwembaden voorzien tot en met 31 december 2015.

Punten 2° en 3° Deze punten wijzigen paragraaf 1quater en 3 van artikel 5.32.9.3.2.

Juridisch-technisch kan overeenkomstig artikel 1.2.2.1, § 1, van titel II van het VLAREM een afwijking enkel worden toegestaan door de minister en niet door de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid. Daarom wordt het woord « afwijking » in de tekst vervangen door « toelating », wat juridisch-technisch correcter is.

Artikel 176 Dit artikel wijzigt artikel 5.32.9.7.1 van titel II van het VLAREM. Punt 1° Punt 1° wijzigt paragraaf 1, 5°, van dit artikel.

Het betreft een aanpassing van de sectorale voorwaarden voor zwembaden betreffende de lokaalvloeren. Bij het behandelen van afwijkingsaanvragen is gebleken dat deze bepaling (Alle lokaalvloeren hebben een helling van 1 tot 2 %) niet werkzaam is. Deze bepaling geeft namelijk vaak aanleiding tot afwijkingsaanvragen die na een concrete afweging veelal door de minister worden toegestaan. De wijziging bestaat erin de gevallen waarbij afwijking kan toegestaan worden, nu eveneens te verwerken in het betreffende artikel. Dit betekent een administratieve vereenvoudiging voor de exploitant (er is geen afwijkingsaanvraag meer nodig) en een vermindering van de werklast voor de administratie.

Punt 2° Punt 2° wijzigt paragraaf 2, 4°, van dit artikel.

Het betreft een aanpassing van de sectorale voorwaarden voor zwembaden betreffende de volledige lediging van het bad. Bij het behandelen van afwijkingsaanvragen is gebleken dat deze bepaling (Het diepste punt van de zwembadbodem is voorzien van een afvoer voor een volledige lediging van het bad) niet werkzaam is. Deze bepaling geeft namelijk vaak aanleiding tot afwijkingsaanvragen die na een concrete afweging veelal door de minister worden toegestaan. De wijziging bestaat erin de gevallen waarbij afwijking kan toegestaan worden, nu eveneens te verwerken in het betreffende artikel (er wordt meer bepaald het volgende toegevoegd : in bestaande inrichtingen mag het restwater ook verwijderd worden door middel van een pomp of een alternatief systeem). Dit betekent een administratieve vereenvoudiging voor de exploitant (er is geen afwijkingsaanvraag meer nodig) en een vermindering van de werklast voor de administratie.

Punt 3° Punt 3° wijzigt paragraaf 3, 3°, van dit artikel.

Het betreft een aanpassing van de sectorale voorwaarden voor zwembaden betreffende de aanleg van de kaden in het kader van de afvoer van kuiswater. Bij het behandelen van afwijkingsaanvragen is gebleken dat deze bepaling niet werkzaam is. Deze bepaling geeft namelijk vaak aanleiding tot afwijkingsaanvragen die na een concrete afweging veelal door de minister worden toegestaan. De wijziging bestaat erin de gevallen waarbij afwijking kan toegestaan worden, nu eveneens te verwerken in het betreffende artikel. Dit betekent een administratieve vereenvoudiging voor de exploitant (er is geen afwijkingsaanvraag meer nodig) en een vermindering van de werklast voor de administratie.

Punt 4° Punt 4° wijzigt paragraaf 4, 1°, van dit artikel.

Het betreft een aanpassing van de sectorale voorwaarden voor zwembaden betreffende de omkleedcabines van het wisseltype. Bij het behandelen van afwijkingsaanvragen is gebleken dat deze bepaling (De omkleedcabines en kleedkamers zijn van het wisseltype zodat de geschoeide en de ongeschoeide zone van elkaar gescheiden worden) niet werkzaam is. Deze bepaling geeft namelijk vaak aanleiding tot afwijkingsaanvragen die na een concrete afweging veelal door de minister worden toegestaan. De wijziging bestaat erin de gevallen waarbij afwijking kan toegestaan worden, nu eveneens te verwerken in het betreffende artikel. Dit betekent een administratieve vereenvoudiging voor de exploitant (er is geen afwijkingsaanvraag meer nodig) en een vermindering van de werklast voor de administratie.

Punt 5° Punt 5° wijzigt paragraaf 5, 1°, van dit artikel.

Het betreft een aanpassing van de sectorale voorwaarden voor zwembaden betreffende de aanwezigheid van afzonderlijke toiletten voor de baders. Bij het behandelen van afwijkingsaanvragen is gebleken dat deze bepaling niet werkzaam is. Deze bepaling geeft namelijk vaak aanleiding tot afwijkingsaanvragen die na een concrete afweging veelal door de minister worden toegestaan. De wijziging bestaat erin de gevallen waarbij afwijking kan toegestaan worden, nu eveneens te verwerken in het betreffende artikel. Dit betekent een administratieve vereenvoudiging voor de exploitant (er is geen afwijkingsaanvraag meer nodig) en een vermindering van de werklast voor de administratie.

Punt 6° Punt 6° wijzigt paragraaf 5, 2°, van dit artikel.

Het betreft een aanpassing van de sectorale voorwaarden voor zwembaden betreffende de lokaalvloeren. Bij het behandelen van afwijkingsaanvragen is gebleken dat deze bepaling (Alle lokaalvloeren hebben een helling van 1 tot 2 %) niet werkzaam is. Deze bepaling geeft namelijk vaak aanleiding tot afwijkingsaanvragen die na een concrete afweging veelal door de minister worden toegestaan. De wijziging bestaat erin de gevallen waarbij afwijking kan toegestaan worden, nu eveneens te verwerken in het betreffende artikel. Dit betekent een administratieve vereenvoudiging voor de exploitant (er is geen afwijkingsaanvraag meer nodig) en een vermindering van de werklast voor de administratie.

Punt 7° Punt 7° wijzigt paragraaf 5, 3°, van dit artikel.

Het betreft een aanpassing van de sectorale voorwaarden voor zwembaden betreffende de toiletten die bevestigd zijn aan de muur. Bij het behandelen van afwijkingsaanvragen is gebleken dat deze bepaling (De toiletten voor de ongeschoeide bezoekers zijn bevestigd aan de muur van de toiletruimten) niet werkzaam is. Deze bepaling geeft namelijk vaak aanleiding tot afwijkingsaanvragen die na een concrete afweging veelal door de minister worden toegestaan. De wijziging bestaat erin de gevallen waarbij afwijking kan toegestaan worden, nu eveneens te verwerken in het betreffende artikel. Dit betekent een administratieve vereenvoudiging voor de exploitant (er is geen afwijkingsaanvraag meer nodig) en een vermindering van de werklast voor de administratie.

Punt 8° Punt 8° wijzigt paragraaf 8, 2°, van dit artikel.

Het betreft een aanpassing van de sectorale voorwaarden voor zwembaden betreffende de filterbedhoogte. Bij het behandelen van afwijkingsaanvragen is gebleken dat deze bepaling (Elke filter heeft een minimum filterbedhoogte van 1 meter en is voorzien van een kijkglas en van drukmeters voor en na de filtratie...) niet werkzaam is. Deze bepaling geeft namelijk vaak aanleiding tot afwijkingsaanvragen die na een concrete afweging veelal door de minister worden toegestaan. De wijziging bestaat erin de gevallen waarbij afwijking kan toegestaan worden, nu eveneens te verwerken in het betreffende artikel. Dit betekent een administratieve vereenvoudiging voor de exploitant (er is geen afwijkingsaanvraag meer nodig) en een vermindering van de werklast voor de administratie.

Punt 9° Dit punt wijzigt paragraaf 8, 6°, van dit artikel.

In de herziene BBT-studie voor de zwembaden van augustus 2011 wordt vermeld dat, om besparingen op het energieverbruik te stimuleren, het interessant kan zijn om de turnoverperiode van laagbelaste zwembaden te kunnen verlengen van twee uur naar vier uur. Om de mogelijkheid te bieden om de wettelijk verplichte turn-over periode te verlengen, kan dit best worden geregeld met de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid, omdat deze mogelijkheid van zwembad tot zwembad zal verschillen en de mogelijkheid zal afhangen van de kwaliteit van het zwembadwater.

Instructie-, kinder- en therapiebaden (die hoog belast zijn) komen hiervoor immers niet in aanmerking.

Punt 10° Dit punt voegt een paragraaf 9 toe aan artikel 5.32.9.7.1 van titel II van het VLAREM. De studie « Beste Beschikbare Technieken voor zwembaden », uitgevoerd door het Vlaams Kenniscentrum voor Beste Beschikbare Technieken in opdracht van het Vlaams Gewest, vermeldt dat door het toevoegen van chloor aan water dat ammonium bevat, wat bij zwembadwater, dat ureum bevat, het geval is, zeer snel anorganische chlooramines worden gevormd. De vluchtigheid (en oplosbaarheid) is afhankelijk van de stof : monochlooramine is weinig vluchtig, dichlooramine en trichlooramine zijn respectievelijk ongeveer 3 en 300 keer meer vluchtig.

Monochlooramine bevindt zich dus praktisch enkel in het water en trichlooramine praktisch enkel in de lucht van zwembaden.

Monochlooramine is weinig irritant, trichlooramines in de lucht zijn sterk irriterend. Trichlooramine is de belangrijkste gechloreerde verontreiniging in de lucht van zwembaden en is verantwoordelijk voor de bekende geur. De irritatie-eigenschap is vergelijkbaar met die van chloor. De eerste klachten bij bezoekers van zwembaden komen bij een concentratie van 0,5 mg/m3 voor en een concentratie van 0,7 mg/m3 wordt als overdreven beschouwd. Het onderzoek van prof. Bernard naar de relatie tussen chlooraminen in de lucht en luchtwegklachten, vooral bij kinderen, heeft de nadruk gelegd op de zorg voor een goede luchtkwaliteit. Ook in Vlaanderen is onderzoek gedaan naar de luchtkwaliteit in overdekte baden. Uit deze studie blijkt dat ook in de lucht van onze Vlaamse baden toxische producten voorkomen. Een kortdurende blootstelling aan deze stoffen tijdens het zwemmen in de bemonsterde zwembaden zal weinig tot geen gezondheidsschade veroorzaken, met uitzondering op trichlooramine.

De voorgestelde grenswaarde voor trichlooramine van 300 µg/m3 geldt in het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. In deze laatste geldt ook de voorgestelde richtwaarde van 500 µg/m3.

Artikel 177 Dit artikel wijzigt artikel 5.32.9.7.2, § 4, van titel II van het VLAREM. Punt 1° Dit punt wijzigt artikel 5.32.9.7.2, § 4, 1°, van titel II van het VLAREM. Gebonden chloor is een ongewenst product in zwembaden, het is niet meer actief, werkt het desinfecteren tegen, is agressief en veroorzaakt huidirritaties en rode ogen. Gebonden chloor is de verzamelnaam voor anorganische en organische chloorstikstofverbindingen en bestaat uit mono- di- en trichlooraminen. Vooral trichlooramine ontsnapt gemakkelijk uit het water en veroorzaakt dan niet alleen overlast voor baders en personeel in de lucht van overdekte baden, maar is ook corrosief voor sommige bouwmaterialen en constructies van het zwemcomplex. De huidige Vlaamse en Nederlandse grenswaarde bedraagt ? 1 mg/l.

Ondertussen bestaan moderne technieken die toelaten deze grenswaarde te verlagen. De grenswaarde bedraagt in het Waalse en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest 0,8 mg/l, in Frankrijk 0,6 mg/l en in Spanje zelfs 0,4 mg/l. In het Waalse en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wordt ook een richtwaarde gehanteerd voor gebonden chloor van respectievelijk 0,3 en 0,5 mg/l. (cfr. het besluit van de Waalse Regering van 13 maart 2003 houdende sectorale voorwaarden in verband met zwembaden (gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 25 april 2003) en het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 11 oktober 2002 tot vaststelling van de exploitatievoorwaarden voor zwembaden (gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 8 november 2002).Volgens recent onderzoek van de afdeling Toezicht Volksgezondheid van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid is deze grenswaarde vanuit technisch standpunt haalbaar. Omdat nog circa 15 % van de zwembaden extra investeringen moet doen om deze grenswaarde te halen, wordt een overgangstermijn voor deze bestaande zwembaden voorzien tot en met 31 december 2015.

Punten 2° en 3° Deze punten wijzigen punten 1° en 3° van artikel 5.32.9.7.2, § 4.

Juridisch-technisch kan overeenkomstig artikel 1.2.2.1, § 1, van titel II van het VLAREM een afwijking enkel worden toegestaan door de minister en niet door de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid. Daarom wordt het woord « afwijking » in de tekst vervangen door « toelating », wat juridisch-technisch correcter is.

Artikel 178 Dit artikel wijzigt artikel 5.32.9.7.3, § 5, van titel II van het VLAREM. In de herziene BBT-studie voor de zwembaden van augustus 2011 wordt voorgesteld dat, om technieken met betrekking tot waterbesparingen nog verder te stimuleren, de mogelijkheid kan worden voorzien om van de verplichting om per bader 30 liter suppletiewater toe te moeten voegen, af te zien.

Artikel 179 Dit artikel heft het derde lid op van artikel 5.32.10.5, § 2, van titel II van het VLAREM. Zie toelichting bij Artikel 74.

Artikel 180 Dit artikel wijzigt artikel 5.33.0.3 van titel II van het VLAREM. Zie toelichting bij Artikel 74.

Artikel 181 Dit en de volgende artikels (tot en met artikel 187) beogen de volledige vervanging van hoofdstuk 5.43 « Stookinstallaties » van titel II van het VLAREM. Dit artikel wijzigt de titel van hoofdstuk 5.43 : « niet in rubriek 2 en 28 begrepen verbrandingsinrichtingen » wordt vervangen door « stookinstallaties ». Deze wijziging geeft beter aan dat dit hoofdstuk sectorale bepalingen bevat voor stookinstallaties. Het begrip « stookinstallatie » is hierbij duidelijk gedefinieerd in artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM en de afbakening zelf van dit hoofdstuk is verder voldoende toegelicht in artikel 5.43.1.2. Het is ook zo dat de bepalingen aangaande emissiegrenswaarden en de naleving ervan voor stookinstallaties waarin biomassa-afval wordt verbrand (rubrieken 2.3.4.1 en 2.3.4.2) nu grotendeels onder dit hoofdstuk vallen (verplaatsing van bepalingen voor verbranding van biomassa-afval van subafdeling 5.2.3bis4 naar hoofdstuk 5.43) en bijgevolg de titel niet meer correct was. 1. Algemeen kader van de wijzigingen in hoofdstuk 5.43 Hoofdstuk 5.43 is zowel qua structuur (indeling, groepering) als qua inhoud grondig herzien en herschreven. Met de nieuwe tekst voor hoofdstuk 5.43 : - worden de huidige bepalingen voor grote stookinstallaties aangepast conform de bepalingen (minimum vereisten) voor grote stookinstallaties zoals vastgesteld in hoofdstuk III en bijlage V van de RIE; - wordt verder uitvoering gegeven aan de conclusies van het Europees BBT-referentiedocument voor grote stookinstallaties (BREF GSI, 2006) en worden emissiegrenswaarden voor grote stookinstallaties op basis van de conclusies van dit document waar nodig/mogelijk verder aangescherpt; - wordt uitvoering gegeven aan de conclusies van de BBT-studie « Verbranding van hernieuwbare brandstoffen » (VITO, 2009) en de BBT-studie « Nieuwe kleine en middelgrote stookinstallaties, stationaire motoren en gasturbines gestookt met fossiele brandstoffen » (VITO, 2012) en worden op basis van de conclusies van deze twee recent uitgevoerde BBT-studies de emissiegrenswaarden voor de kleine en middelgrote stookinstallaties waar nodig/mogelijk verder aangescherpt; - worden de bepalingen voor stookinstallaties zoveel mogelijk samengebracht in één hoofdstuk; met name worden de bepalingen voor stationaire motoren (hoofdstuk 5.31) en stookinstallaties gevoed met biomassa(-afval) (subafdeling 5.2.3bis4) zoveel mogelijk ondergebracht in hoofdstuk 5.43; - worden taalkundige en legistieke verbeteringen en tekstvereenvoudigingen, zoals het schrappen van bepalingen die verstreken zijn, doorgevoerd.

In deze nieuwe bepalingen voor hoofdstuk 5.43 zijn tevens de bepalingen voor stationaire motoren uit hoofdstuk 5.31 en een groot deel van de bepalingen voor stookinstallaties op biomassa(-afval) uit subafdeling 5.2.3bis4 overgenomen en wordt mede als gevolg van deze groepering de bestaande indeling als volgt herzien : - afdeling 5.43.1 : algemene bepalingen - afdeling 5.43.2 : kleine en middelgrote stookinstallaties - afdeling 5.43.3 : grote stookinstallaties - afdeling 5.43.4 : immissiecontroleprocedures De bepalingen voor de conventionele stookinstallaties (ketels, fornuizen), gasturbines, STEG's en stationaire motoren, gestookt met fossiele brandstoffen of biomassa, worden in de nieuwe indeling samengebracht. Al deze installaties vallen onder de definitie voor stookinstallatie en het samenbrengen van de bepalingen voor deze installaties in één hoofdstuk vermijdt onnodige herhaling van dezelfde bepalingen op verschillende plaatsen in titel II van het VLAREM. Zowel in de nieuwe afdeling 5.43.2 (kleine en middelgrote stookinstallaties), als in de nieuwe afdeling 5.43.3 (grote stookinstallaties) wordt de emissienormering nu gegroepeerd als volgt : - Emissiegrenswaarden voor stookinstallaties, gevoed met vaste fossiele brandstoffen, met uitzondering van gasturbines en stationaire motoren - Emissiegrenswaarden voor stookinstallaties, gevoed met vaste biomassa, met uitzondering van gasturbines en stationaire motoren - Emissiegrenswaarden voor stookinstallaties, gevoed met vloeibare brandstoffen, andere dan gasturbines, dieselmotoren en dual-fuelmotoren - Emissiegrenswaarden voor gasturbines, met inbegrip van STEG en al dan niet met bijstook, gevoed met vloeibare brandstoffen, die 500 bedrijfsuren per jaar of meer in bedrijf zijn - Emissiegrenswaarden voor gasturbines, met inbegrip van STEG en al dan niet met bijstook, gevoed met vloeibare brandstoffen, die minder dan 500 bedrijfsuren per jaar in bedrijf zijn - Emissiegrenswaarden voor dieselmotoren en dual-fuelmotoren in werking volgens de dieselcyclus, gevoed met vloeibare brandstoffen, die 500 bedrijfsuren per jaar of meer in bedrijf zijn - Emissiegrenswaarden voor dieselmotoren en dual-fuelmotoren in werking volgens de dieselcyclus, gevoed met vloeibare brandstoffen, die minder dan 500 bedrijfsuren per jaar in bedrijf zijn - Emissiegrenswaarden voor stookinstallaties, andere dan gasturbines, gasmotoren en dual-fuelmotoren, gevoed met gasvormige brandstoffen - Emissiegrenswaarden voor gasturbines, met inbegrip van STEG en al dan niet met bijstook, die 500 bedrijfsuren per jaar of meer in bedrijf zijn, gevoed met gasvormige brandstoffen - Emissiegrenswaarden voor gasturbines, met inbegrip van STEG en al dan niet met bijstook, die minder dan 500 bedrijfsuren per jaar in bedrijf zijn, gevoed met gasvormige brandstoffen - Emissiegrenswaarden voor gasmotoren en dual-fuelmotoren in werking volgens de ottocyclus, die 500 bedrijfsuren per jaar of meer in bedrijf zijn, gevoed met gasvormige brandstoffen - Emisiegrenswaarden voor gasmotoren en dual-fuelmotoren in werking volgens de ottocyclus, die minder dan 500 bedrijfsuren per jaar in bedrijf zijn, gevoed met gasvormige brandstoffen. 2. Voorwerp van de wijzigingen in hoofdstuk 5.43 (a) Omzetting van de bepalingen voor grote stookinstallaties van de RIE De RIE herziet en herschikt een aantal richtlijnen, waaronder de richtlijn 2001/80/EG inzake grote stookinstallaties (bestaande GSI-richtlijn), tot één enkel juridisch instrument.Grote stookinstallaties zijn stookinstallaties met een thermisch vermogen van 50 MW of meer. Hoofdstuk III en bijlage V van de RIE bevatten de bijzondere bepalingen voor grote stookinstallaties die de bepalingen van de bestaande GSI-richtlijn vervangen. De GSI-richtlijn wordt vanaf 1 januari 2016 volledig ingetrokken. De GSI-richtlijn werd in 2004 omgezet in de Vlaamse regelgeving (hoofdstuk 5.43 van VLAREM II). De belangrijkste wijzigingen in de RIE voor grote stookinstallaties ten opzichte van de GSI-richtlijn die aanpassing van de huidige VLAREM-bepalingen voor grote stookinstallaties vereisen, zijn : - uitbreiding van het toepassingsgebied met stationaire motoren en oudere gasturbine-installaties; - aanscherping van de emissiegrenswaarden op basis van wat haalbaar is met de toepassing van BBT; meer bepaald op basis van de bovenste BBT-geassocieerde emissiewaarden die in het Europees BREF-document voor grote stookinstallaties gerapporteerd zijn; - verduidelijking van de regels met betrekking tot het samentellen van stookinstallaties (de samentellingsregels zoals bepaald in de bestaande GSI-richtlijn leidde tot verschillende interpretaties door de lidstaten en de Commissie); - inclusie van extra derogatiemogelijkheden voor onder andere oudere installaties, installaties die einde levensduur zijn, piekinstallaties en noodinstallaties; - aanpassing van de regels voor emissiemonitoring en naleving van de emissiegrenswaarden.

De bepalingen van de GSI-richtlijn van 2001 waren destijds voor het Vlaams gewest geïmplementeerd via het VLAREM II- wijzigingsbesluit van 23 april 2004. Dit wijzigingsbesluit gaf tegelijkertijd ook uitvoering aan de doelstellingen van de richtlijn 2001/81/EG inzake nationale emissieplafonds (NEC-richtlijn). In het licht van de strenge NEC-doelstellingen werden op basis van de BBT de emissiegrenswaarden voor grote stookinstallaties waar mogelijk via het wijzigingsbesluit van 23 april 2004 scherper gesteld dan minimaal vereist door de richtlijn 2001/80/EG. Tegelijkertijd met de omzetting van GSI-richtlijn werden in het licht van de NEC-doelstellingen ook de emissiegrenswaarden voor kleine en middelgrote stookinstallaties, stationaire motoren, gasturbine-installaties en petroleumraffinaderijen op basis van BBT verder aangescherpt. In een aantal daaropvolgende wijzigingsbesluiten van VLAREM II werden sommige voorschriften voor stookinstallaties, stationaire motoren en gasturbine-installaties nog extra verstrengd, tot een niveau dat voor bepaalde groepen van stookinstallaties (afhankelijk van leeftijd en vermogen van installatie en gestookte brandstof) reeds strenger is dan wat de RIE nu als minimum en dwingend oplegt. (b) Toepassing van BBT voor grote stookinstallaties De RIE legt op dat vergunningsvoorwaarden en in het bijzonder de emissiegrenswaarden voor installaties die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, waaronder de grote stookinstallaties, moeten gebaseerd zijn op de BBT.Het toepassen van BBT is inmiddels verankerd in het milieuvergunningsdecreet en de VLAREM-wetgeving. De emissiegrenswaarden die voor de grote stookinstallaties momenteel in het bestaand hoofdstuk 5.43 van titel II van het VLAREM zijn vastgelegd (voor SO2, NOx, stof, CO), zijn deels reeds strenger dan de minimum eisen die in hoofdstuk III en bijlage V van de RIE zijn voorgeschreven. Deze minimum eisen voor emissiegrenswaarden in de RIE zijn gebaseerd op de bovenste BBT-geassocieerde emissieniveaus die in het Europees BBT referentiedocument voor grote stookinstallaties (BREF GSI, juli 2006) gerapporteerd zijn. Er is dus nog ruimte om met de toepassing van de BBT verder te gaan dan de minimum emissiegrenswaarden die in hoofdstuk III en bijlage V van de RIE worden opgelegd, in bepaalde gevallen zelfs verder dan de huidige in bestaand hoofdstuk 5.43 van titel II van het VLAREM vastgelegde emissiegrens-waarden. Voor deze optie is ook gekozen omdat het verder terugdringen van de emissies van de grote stookinstallaties in een niet te verwaarlozen mate zal kunnen bijdragen tot het behalen (of beheersen) van Europese doelstellingen inzake luchtverontreiniging (nationale emissieplafonds, luchtkwaliteitsnormen).

De optie om verder te gaan dan de minimum emissiegrenswaarden die door de RIE worden opgelegd is vooral genomen voor de zeer grote stookinstallaties (> 300 MW) en de nieuwe te vergunnen installaties in het algemeen. Stookinstallaties met een thermisch vermogen van 300 MW zijn enkel terug te vinden bij de elektriciteitsproducenten (elektriciteitscentrales). Zo zijn in de nieuwe tekst voor hoofdstuk 5.43 de emissiegrenswaarden op basis van de vereisten van de RIE en op basis van wat haalbaar is met de toepassing van de BBT zodanig aangescherpt dat een vernieuwing van de MBO « betreffende de vermindering van de SO2- en NOx-emissies afkomstig van de elektriciteitsproducenten voor de periode 2010-2014 » kan vermeden worden. De aanscherping van de emissiegrenswaarden heeft als het ware de betrachting de einddoelstellingen van deze MBO te consolideren voor de periode na 2014. Vermits de meest vervuilende installaties die vallen onder het toepassingsgebied van de MBO tegen 2015 (grotendeels) uit dienst zullen zijn genomen of gesaneerd en het aantal vrijheidsgraden binnen deze MBO dus gevoelig zal zijn afgenomen, lijkt een verlenging ervan geen meerwaarde meer op te leveren ten opzichte van een sectorale/ individuele aanpak van de resterende bestaande installaties die onder deze MBO vallen. De voorgestelde emissiegrenswaarden in de nieuwe tekst van afdeling 5.43.3 « grote stookinstallaties » voor nieuwe elektriciteitscentrales zou ten opzichte van de minimum emissiegrenswaarden die door de RIE worden opgelegd in de komende 5 à 10 jaar een belangrijke reductie opleveren indien er opnieuw geïnvesteerd zou worden in grote klassieke thermische centrales zoals steenkoolcentrales. (c) Toepassing van BBT voor kleine en middelgrote stookinstallaties De omzetting van de RIE vormt tevens de aanleiding om enkele BBT conclusies van twee recent uitgevoerde Vlaamse BBT-studies over stookinstallaties om te zetten.Het betreft : - de BBT-studie « verbranding hernieuwbare brandstoffen van juni 2009, en - de BBT-studie « nieuwe kleine en middelgrote stookinstallaties, stationaire motoren en gasturbines gestookt met fossiele brandstoffen van januari 2012.

Beide BBT-studies richten zich (in hoofdzaak) tot stookinstallaties met een thermisch vermogen kleiner dan 50 MW (kleine en middelgrote stookinstallaties), daar waar de bepalingen voor stookinstallaties in de RIE gelden voor de stookinstallaties met een thermisch vermogen van 50 MW of meer (grote stookinstallaties).

De nieuwe tekst voor hoofdstuk 5.43, afdeling 5.43.2, bevat voorstellen tot aanscherping van de emissiegrens-waarden voor kleine en middelgrote stookinstallaties op basis van de emissieniveaus die volgens de conclusies van deze twee BBT-studies haalbaar zijn met toepassing van BBT. De nieuwe tekst bevat evenwel enkel voorstellen tot aanpassing van de emissiegrenswaarden voor nieuwe installaties : enerzijds omdat de BBT-studie van januari 2012 zich enkel richtte tot nieuwe installaties, anderzijds omdat de conclusies van de BBT-studie van juni 2009 geen significante aanscherpingen van de huidige van toepassing zijnde sectorale emissiegrenswaarden voor bestaande installaties in titel II van het VLAREM rechtvaardigt of noodzakelijk maakt.

Bij de omzetting van de BBT-conclusies van de hierboven vermelde BBT-studies is er bijzondere aandacht uitgegaan naar de installaties van 1 tot en met 5 MW. In uitvoering van het Vlaams actieplan Groene Warmte wordt de komende jaren immers een sterke groei verwacht van kleinschalige houtverbranding (installaties tot en met 5 MW) wat een significante meer-uitstoot van fijn stof en de aangehechte polluenten en NOx met zich mee zal brengen en een negatieve impact zal hebben op de lokale luchtkwaliteit en bijgevolg ook op de menselijke gezondheid.

Om deze negatieve effecten zoveel mogelijk te beperken, worden de emissiegrenswaarden voor nieuwe installaties in de vermogensrange van 1 tot en met 5 MW voldoende scherp gesteld, waarbij niet alleen gekeken werd wat haalbaar is volgens de BBT-conclusies uit de Vlaamse BBT-studie « verbranding van hernieuwbare brandstoffen », maar ook wat volgens ditzelfde BBT-principe reeds in buitenland wordt toegepast.

Hierbij wordt een overgangsperiode voorzien.

Tegelijk wordt met de omzetting van de BBT-conclusies gestreefd naar een zo goed mogelijke afstemming van de emissiegrenswaarden voor brandstoffen van een gelijke fysieke toestand (vast, vloeibaar of gas), ongeacht deze brandstof een fossiele of hernieuwbare brandstof is. (d) Hergroeperen, vereenvoudigen en stroomlijnen van de bepalingen voor stookinstallaties, inclusief taalkundige en legistieke verbeteringen Vermits het logisch is een sterke coherentie tussen de bepalingen voor kleine, middelgrote en grote stookinstallaties te behouden en vermits er een noodzaak was ontstaan om de leesbaarheid van het hoofdstuk « stookinstallaties » in titel II van het VLAREM (hoofdstuk 5.43) te vergroten door enerzijds dit hoofdstuk structureel te hervormen en anderzijds de bepalingen met betrekking tot stookinstallaties zoveel mogelijk samen te brengen in dit hoofdstuk, leek de omzetting van het deel « grote stookinstallaties » van de RIE in titel II van het VLAREM het ideale moment om hoofdstuk 5.43 grondig te herzien en waar nodig te vereenvoudigen en te stroomlijnen voor zowel de kleine, middelgrote als grote stookinstallaties, en om tegelijkertijd de emissievoorwaarden voor de kleine en middelgrote stookinstallatie te actualiseren op basis van de hierboven vermelde BBT-studies.

Artikel 182 Dit artikel wijzigt afdeling 5.43.1 « Algemene bepalingen » van titel II van het VLAREM. Het huidige artikel 5.43.1.1 werd aangepast conform de bepalingen van de RIE. Paragraaf 1 van dit artikel bepaalt het toepassingsgebied van het hoofdstuk 5.43 dat de sectorale voorschriften bevat voor stookinstallaties. Conform de bepalingen van artikel 28 van de RIE werd de lijst van installaties waarop dit hoofdstuk van toepassing is aangepast. Deze lijst geldt niet enkel voor de grote stookinstallaties zoals door de RIE wordt voorgeschreven, maar ook voor de kleine en middelgrote stookinstallaties (omwille van consistentie met de grote stookinstallaties). Er werd expliciet toegevoegd dat stookinstallaties waarin afvalstoffen (andere dan biomassa-afval) worden gestookt, niet onder de bepalingen van dit hoofdstuk vallen. Dit is in wezen geen inhoudelijke wijziging ten opzichte van het huidig toepassingsgebied van hoofdstuk 5.43, omdat deze uitzondering toen geregeld werd via de definitie voor brandstof.

Paragraaf 2 van huidig artikel 5.43.1.1 dat de samentellingsregels vastlegt voor zowel de kleine, middelgrote als de grote stookinstallaties, is geschrapt. Vermits deze regels voor de grote stookinstallaties in de RIE verder werden verduidelijkt (en aangescherpt), werd er voor gekozen om de samentellingsregels voor enerzijds de kleine en middelgrote stookinstallaties en anderzijds de grote stookinstallaties afzonderlijk te regelen. De samentellingsregels voor de kleine en middelgrote stookinstallaties zijn daarbij ongewijzigd gebleven (behalve de toevoeging van de beperking van de samentellingsregels tot installaties ? 15 MW, naar analogie met wat voorzien is voor grote stookinstallaties) en opgenomen in het nieuw artikel 5.43.2.1 dat onder afdeling 5.43.2 valt. De samentellingsregels voor grote stookinstallaties zijn aangepast conform de bepalingen van artikel 29 van de RIE (zie bespreking onder afdeling 5.43.3).

Artikel 183 Dit artikel wijzigt afdeling 5.43.2 van titel II van het VLAREM. De gewijzigde afdeling heeft betrekking op kleine en middelgrote stookinstallaties.

De aanpassingen aan de bepalingen voor kleine en middelgrote stookinstallaties vloeien enerzijds voort uit een stroomlijning met de bepalingen voor de grote stookinstallaties (waar mogelijk of gewenst) volgend uit de omzetting van de RIE, anderzijds uit de omzetting van de BBT-conclusies van de BBT-studie « Verbranding van hernieuwbare brandstoffen » (VITO, 2009) en « Nieuwe, kleine en middelgrote stookinstallaties, stationaire motoren en gasturbines gestookt met fossiele brandstoffen » (VITO, 2012) (voornamelijk wat betreft de aanpassing van de emissie-grenswaarden) Bij de aanpassing van de voorwaarden voor verbranding van biomassa-afval conform BBT, lag de focus hierbij op de kleine stookinstallaties, vermits de uitvoering van het Actieplan Groene Warmte zal zorgen voor een belangrijke toename van de stook van biomassa-afval. Deze verwachte toename noopt tot een actualisering van de VLAREM-emissiegrenswaarden omdat anders de negatieve impact op de haalbaarheid van de emissieplafonds (NEC-richtlijn 2001/81/EG) en de normen uit de richtlijn luchtkwaliteit 2008/50/EG onaanvaardbaar hoog zou worden.

Belangrijkste wijzigingen : 1. Nieuw artikel 5.43.2.1 bevat geen nieuwe bepaling maar betreft een verschuiving van de bepaling omtrent de samentellingsregels die in de huidige titel II van het VLAREM is opgenomen onder de afdeling 5.43.1 algemene bepalingen. De samentellingsregel is naar analogie met deze voor grote stookinstallaties beperkt tot installaties met een thermisch vermogen van 15 MW of meer. 2. Nieuw artikel 5.43.2.2 betreft een verduidelijking van de voorwaarden waaronder de emissiegrenswaarden zijn gedefinieerd. Merk op dat de emissiegrenswaarden voor vaste brandstoffen, dus ook biomassa in vaste toestand, vanaf nu eenduidig worden gedefinieerd bij 6 % O2, waar deze voor biomassa-afval in de huidige subafdeling 5.2.3bis.4 van titel II van het VLAREM worden uitgedrukt bij 11 % O2.

Merk tevens op dat de emissiegrenswaarden voor stationaire motoren vanaf nu gelden bij 15 % O2, waar de emissiegrenswaarden voor stationaire motoren in huidig hoofdstuk 5.31 gelden bij 5 % O2. 3. In de nieuwe artikels 5.43.2.3 tot en met 5.43.2.14 worden voor de kleine en middelgrote stookinstallaties de emissiegrenswaarden voor de polluenten stof, SO2, NOx en CO vastgelegd. Voor de vaste fossiele brandstoffen horen hier nog emissiegrenswaarden bij voor chloriden en fluoriden; voor de vaste biomassa brandstoffen horen hier nog emissiegrenswaarden bij voor dioxines en zware metalen zoals reeds voorzien in de huidige subafdeling 5.2.3bis.4. a) De emissiegrenswaarden voor stookinstallaties zijn gedifferentieerd op basis van type installatie (ketel, fornuis, gasturbine, STEG, gasmotor, dieselmotor, dual-fuelmotor), type brandstof (vaste, vloeibare en gasvormige fossiele brandstoffen en biomassa), thermisch vermogen van de installatie en leeftijd van de installatie. b) Voor de stookinstallaties op vaste fossiele brandstoffen (zie artikel 5.43.2.3) zijn de normen voor stof, SO2 en NOx deels aangescherpt voor de nieuwe installaties (met een vergunning vanaf 1 januari 2014). Deze aanscherpingen vloeien voort uit de conclusies van de recente Vlaamse BBT-studie ter zake. c) Ook voor de stookinstallaties op vaste biomassa brandstof (zie artikel 5.43.2.4) zijn de normen voor stof, SO2 en NOx deels aangescherpt voor de nieuwe installaties (met een vergunning vanaf 1 januari 2014). Deze aanscherpingen vloeien voort uit de conclusies van de BBT-studie « Verbranding van hernieuwbare brandstoffen ». Hierbij is ook een afstemming nagestreefd met de emissiegrenswaarden voor de vaste fossiele brandstoffen en met de geldende emissienormering voor vaste biomassa in o.m. Nederland, Duitsland en Zwitserland; zodoende wordt in zo groot mogelijke mate een level playing field gecreëerd.

Voor stof en NOx gelden voor installaties van 1 tot 5 MWth met een vergunning vanaf 1 januari 2014 emissiegrenswaarden van 50 respectievelijk 450 mg/Nm3 (bij 6 % O2). De aangescherpte emissiegrenswaarde voor stof zal toelaten om de negatieve impact op de emissies en luchtkwaliteit van de verwachte toename van de stook aan houtafval (in het kader van het actieplan Groene Warmte) sterk te beperken; indien deze stofnorm niet zou worden aangescherpt zou de meer-emissie echter oplopen tot ca. 1 kton PM2.5 In de eerste VLAREM-wijzigingsvoorstellen die met de betrokken doelgroepen werden overlegd, werd er een aanscherping van de stof- en NOx-emissiegrenswaarde voor de nieuwe kleine hout-gestookte installaties beoogd tot respectievelijk 20 en 200 mg/Nm3. Deze initieel voorgestelde scherpe normen werden overwogen omwille van de problematiek van de luchtkwaliteitsnormen voor fijn stof en NOx en waren gebaseerd op de conclusies van de BBT-studie « Verbranding van hernieuwbare brandstoffen » en voorbeelden uit het buitenland. De betrokken sectoren betwijfelden echter sterk de technische en economische haalbaarheid van deze scherpe normen. Om aan deze bezorgdheden tegemoet te komen en het gebruik van biomassa als brandstof in het kader van de Vlaamse doelstellingen rond hernieuwbare energie niet te hypothekeren, werd beslist de voorgestelde aanpak voor deze installaties te herzien en wordt nu voorgesteld om de normen voor stof en NOx voorlopig minder scherp te stellen (respectievelijk 50 en 450 mg/Nm3) en een evaluatie ervan te voorzien vanaf 1 januari 2016. Op basis van de praktische ervaring die de komende jaren zal worden opgebouwd en rekening houdend met de verdere technologische ontwikkelingen in binnen- en buitenland kan dan onderzocht worden in hoeverre de stofnorm van 50 mg/Nm3 en de NOx-norm van 450 mg/Nm3 in de toekomst voor nieuw te vergunnen installaties mogelijk verder kunnen aangescherpt worden. Er wordt voorgesteld dat het Departement LNE dit in de nabije toekomst verder zal onderzoeken.

In de eerste VLAREM-wijzigingsvoorstellen die met de betrokken doelgroepen werden overlegd, waren tevens extra emissievoorwaarden en meetverplichtingen opgenomen voor zware metalen en dioxines bij voeding met vaste biomassa in de volgende gevallen : - emissiegrenswaarden en meetverplichtingen voor zware metalen voor stookinstallaties < 50 MW gevoed met vaste biomassa andere dan niet-verontreinigd behandeld houtafval - emissiegrenswaarden en meetverplichtingen voor zware metalen voor stookinstallaties ? 5 MW gevoed met niet-verontreinigd behandeld houtafval - emissierichtwaarde en meetverplichtingen voor dioxines voor stookinstallaties ? 5 MW gevoed met vaste biomassa andere niet-verontreinigd behandeld houtafval Deze verplichtingen zijn momenteel nog niet voorzien in titel II van het VLAREM. Na zorgvuldig overleg met de betrokken doelgroepen over deze extra emissievoorwaarden, werd besloten deze voorwaarden opnieuw te schrappen, vooral omwille van de hoge kosten die hiermee gepaard gaan en rekening houdend met het feit dat aanscherping van de stofemissiegrenswaarden voor de kleine houtgestookte installaties en de controle hierop ook een positief effect zullen hebben op de reductie van de emissies van zware metalen (en dioxines). d) Bij de stookinstallaties op vloeibare brandstoffen (zie artikel 5.43.2.5) worden voor de polluenten stof, SO2 en NOx nieuwe emissiegrenswaarden voorgesteld voor de nieuwe installaties (met een vergunning vanaf 1 januari 2014) die zonder inzet van nageschakelde reinigingstechnieken haalbaar zijn in geval van gebruik van lichte stookolie en biobrandstof. Verbranding van zware stookolie in kleine en middelgrote stookinstallaties wordt aldus ontmoedigd. De voorgestelde normen zijn bij gebruik van zware stookolie enkel haalbaar mits de inzet van nageschakelde technieken (ontstoffing, DeNOx en DeSOx). Ten opzichte van de eerste VLAREM-wijzigingsvoorstellen werd op uitdrukkelijk verzoek van enkele betrokken sectoren, evenwel de mogelijkheid toegevoegd om van de voorgestelde emissiegrenswaarden voor SO2 en NOx af te wijken indien het gebruik van een andere meer milieuvriendelijke brandstof dan zware stookolie technisch niet haalbaar is of disproportionele kosten met zich meebrengt (bijv. bij de afwezigheid van aansluiting aan het aardgasnet). e) Voor de dieselmotoren met een vergunning vanaf 1 januari 2014 en meer dan 500 bedrijfsuren (zie artikel 5.43.2.8) wordt vanaf 1 MWth een aangescherpte NOx-emissiegrenswaarde voorzien waardoor de installatie van een performante deNOx (SCR) vereist is (wat BBT is).

De emissiegrenswaarde voor SO2 is van die aard dat deze enkel kan gehaald worden mits voeding met lichte stookolie of in geval van gebruik van hoogzwavelige brandstoffen door de inzet van een deSOx; op deze wijze wordt het gebruik van zware stookolie in dieselmotoren ontraden. Ook hier wordt de mogelijkheid voorzien om van de voorgestelde emissiegrenswaarde voor SO2 af te wijken indien het gebruik van een andere meer milieuvriendelijke brandstof dan zware stookolie technisch niet haalbaar is of disproportionele kosten met zich meebrengt. f) Bij de installaties gevoed met gasvormige brandstoffen met een vergunning vanaf 1 januari 2014 (zie artikel 5.43.2.10) wordt op enkele plaatsen de emissiegrenswaarde voor NOx aangepast conform de conclusies van de nieuwe BBT-studie ter zake; deze emissiegrenswaarden vereisen voor de conventionele ketels een lage NOx-brander met getrapte verbrandingslucht met bijpassend ketelontwerp; voor de gasmotoren vanaf 1 MWth is dat doorgedreven toepassing van « lean burn » (arme mengsel verbranding) of toepassing van SNCR / SCR. Voor gasmotoren die werken op biogas wordt de NOx-norm niet aangepast voor de nieuwe installaties van 1 tot 5 MW (aanscherping was voorzien in de eerste VLAREM-wijzigingsvoorstellen, maar niet weerhouden omwille van de extra kost en het gering aandeel van biogas). Gelijktijdig met de evaluatie die wordt voorzien voor mogelijke aanscherping van de NOx- en stofnorm voor kleine hout-gestookte installaties (zie supra), zal vanaf 1 januari 2016 onderzocht worden in hoeverre de NOx-norm voor kleine stationaire gasmotoren die op biogas draaien verder kan aangescherpt worden. In het nieuw artikel 5.43.2.16 wordt de bepaling toegevoegd aangaande het uitvallen van de rookgaszuivering die nu reeds opgenomen is in titel II van het VLAREM voor grote stookinstallaties (huidige paragraaf 1 in artikel 5.43.2.1.2), vermits voor nieuwe en kleine middelgrote stookinstallaties met een vergunning vanaf 1 januari 2014 in bepaalde gevallen emissiegrenswaarden zullen gelden die eveneens de toepassing van een nageschakelde reinigingstechnieken vereisen. 5. De bepalingen aangaande de zelfcontrole meetverplichting kunnen teruggevonden worden in artikels 5.43.2.19 tot en met 5.43.2.30.

Hierbij is een zekere harmonisering nagestreefd tussen de meetfrequenties die momenteel gelden voor fossiele brandstoffen, biomassa en niet verontreinigd behandeld houtafval. Ook dient de toezichthouder vooraf op de hoogte worden gebracht van de datum en de uitvoerder van de metingen. Omdat het vooraf plannen van een meetcampagne voor kleine biomassa-gestookte installaties niet altijd evident is, wordt hierbij enige flexibiliteit voorzien voor de exploitant. De aanscherping van de meetfrequentie (en de bijhorende meldingsplicht hebben tot doel om met een grotere frequentie de emissies van biomassa gestookte installaties op te volgen, aangezien wordt vastgesteld dat momenteel in een groot aandeel van de installaties een of meerdere emissiegrenswaarden niet worden nageleefd. Tenslotte wordt in art. 5.43.2.20 voorzien dat voor installaties die minder dan 100 uren per jaar in bedrijf zijn (noodinstallaties) geen metingen zijn verplicht en dat voor installaties die tussen 100 en 500 uren per jaar in bedrijf zijn de meetverplichting beperkt wordt tot 5-jaarlijks voor installaties van 0,3 tot 5 MW en 2-jaarlijks voor installaties van 5 tot 50 MW. Deze soepelere meetregimes voor installaties die minder dan 100 uren of tussen 100 en 500 uren per jaar operationeel zijn, zijn ingevoegd naar aanleiding van de opmerkingen die tijdens de publieke consultatieronde werden overgemaakt. Artikel 5.43.2.25 voorziet bijkomend dat nu ook voor kleine en middelgrote stookinstallaties een alternatief mogelijk is voor de periodieke metingen van stof, SO2, NOx, CO en organische stoffen; zodoende is er conformiteit van de kleine en middelgrote met de grote stookinstallaties, gezien deze bepaling volgt uit de omzetting van bijlage V, deel 3, 5°, van de RIE. In dit artikel wordt er in subsidiaire orde verwezen naar ISO-normen. Deze zijn terug te vinden via het Bureau voor Normalisatie (www.nbn.be). In artikel 5.43.2.26 tot slot, wordt nader bepaald dat bij gebruik van een nageschakelde zuiveringstechniek (in casu deNOx en ontstoffer) de exploitant moet kunnen aantonen dat deze techniek effectief in werking is tijdens de werking van de installatie. Deze bepaling dient om te vermijden dat zuiveringstechnieken enkel worden ingezet op het moment van de metingen, of dat deze regelmatig buiten werking worden gesteld om zo te besparen op operationele kosten. 6. De huidige artikels 5.43.2.2.5 en 5.43.2.2.6 in titel II van het VLAREM die van toepassing zijn op middelgrote stookinstallaties worden geschrapt. Middelgrote stookinstallaties (5-50 MWth) die minder dan 360 uren per jaar operationeel zijn, waren via artikel 5.43.2.2.5 vrijgesteld van meetverplichting. Deze vrijstelling is vervangen door de nieuwe bepalingen in nieuw artikel 5.43.2.20, waarbij onderscheid wordt gemaakt in meetverplichtingen voor installaties die meer dan 500 uren/jaar operationeel zijn, tussen de 100 en 500 uren operationeel zijn of minder dan 100 uren/jaar operationeel zijn (zie supra).

Artikel 5.43.2.2.6 bevat bepalingen die gedateerd zijn en kunnen geschrapt worden.

Artikel 184 Dit artikel wijzigt afdeling 5.43.3 van titel II van het VLAREM. De gewijzigde afdeling heeft betrekking op grote stookinstallaties.

Aandachtspunten zijn hierbij de volgende : 1. De benaming en definitie van bestaande en nieuwe stookinstallaties zoals vastgesteld in de vroegere richtlijnen 88/609/EEG en 2001/80/EG voor grote stookinstallaties worden niet meer gebruikt.In de RIE wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds installaties waarvoor de vergunning is verleend voor 7 januari 2013, of waarvoor de vergunning is aangevraagd voor 7 januari 2013 mits uiterlijk op 7 januari 2014 in gebruik genomen en anderzijds installaties waarvoor de vergunning is aangevraagd op of na 7 januari 2013 of die na 7 januari 2014 in gebruik worden genomen. Dit onderscheid is aldus overgenomen in de herziene tekst voor hoofdstuk 5.43. 2. De emissiegrenswaarden voor grote stookinstallaties zijn gedifferentieerd op basis van type installatie (ketel, fornuis, gasturbine, STEG, gasmotor, dieselmotor, dual-fuelmotor), type brandstof (vaste, vloeibare en gasvormige fossiele brandstoffen en biomassa), thermisch vermogen van de installatie en leeftijd van de installatie.3. Voor de installaties waarvoor de vergunning is verleend voor 7 januari 2013, of waarvoor de vergunning is aangevraagd voor 7 januari 2013 mits uiterlijk op 7 januari 2014 in gebruik genomen (bestaande installaties) gelden overgangstermijnen tot en met 31 december 2015. Tot die datum blijven de huidige VLAREM-emissiegrenswaarden van toepassing. 4. Voor de installaties waarvoor de vergunning is aangevraagd op of na 7 januari 2013 of die na 7 januari 2014 in gebruik worden genomen (nieuwe installaties) gelden de nieuwe emissiegrenswaarden en bijhorende bepalingen vanaf 7 januari 2013.5. Derogaties : de RIE voorziet tal van derogatiemogelijkheden die evenwel optioneel zijn.De volgende derogatiemogelijkheden zijn (deels) overgenomen in de nieuwe tekst voor hoofdstuk 5.43 : a. geen aanscherping van de emissiegrenswaarden voor installaties die einde levensduur zijn (maximum 17.500 bedrijfsuren tussen 1 januari 2016 en 31 december 2023); b. soepelere emissiegrenswaarden voor bepaalde piekinstallaties (< 1500 bedrijfsuren per jaar);c. uitzonderingen voor noodinstallaties (< 500 bedrijfsuren per jaar).6. De emissiegrenswaarden voor stationaire motoren zijn bepaald bij een referentiezuurstofgehalte van 15 % in de rookgassen in tegenstelling tot de huidige emissiegrenswaarden voor stationaire motoren van titel II van het VLAREM die bij een referentiezuurstofgehalte van 5 % zijn gedefinieerd.Dezelfde emissiegrenswaarde bij 15 % O2 overmaat is een factor 2,67 lager dan bij 5 % O2 overmaat.

Belangrijkste wijzigingen : 1. Het nieuwe artikel 5.43.3.1 beoogt de omzetting van de nieuwe samentellingsregels voor grote stookinstallaties conform artikel 29 van de RIE. Deze bepalingen vervangen de huidige VLAREM-samentellingsregels van paragraaf 2 van bestaand artikel 5.43.1.1 die de omzetting waren van de desbetreffende bepalingen van artikel 2 van de GSI-richtlijn 2001/80/EG. De samentellingsregels in de RIE werden aangepast en verduidelijkt. Stookinstallaties met een thermisch vermogen van minder dan 15 MW moeten niet in rekening worden gebracht. 2. Het nieuwe artikel 5.43.3.2 betreft een verduidelijking van de voorwaarden waaronder de emissiegrenswaarden zijn gedefinieerd. Merk op dat de emissiegrenswaarden voor vaste brandstoffen, dus ook biomassa in vaste toestand, vanaf nu eenduidig worden gedefinieerd bij 6 % O2. waar deze voor biomassa-afval in de huidige subafdeling 5.2.3bis.4 van titel II van het VLAREM worden uitgedrukt bij 11 % O2. 3. In de nieuwe artikels 5.43.3.3 tot en met 5.43.3.14 worden voor de grote stookinstallaties de nieuwe sectorale emissiegrenswaarden vastgelegd. De belangrijkste aanpassingen aan de emissiegrenswaarden worden hieronder kort opgesomd : a. Een overgangstermijn tot 31 december 2015, zoals omschreven in de aandachtspunten hierboven.Gezien deze overgangstermijn van relatief korte duur is, gaan we verder enkel nog in op de emissiegrenswaarden die gelden vanaf 1 januari 2016. b. Voor de grote stookinstallaties op vaste brandstoffen (fossiel en biomassa : zie artikel 5.43.3.3 en 5.43.3.4) worden voornamelijk voor de stookinstallaties vanaf 100 MWth en zeker voor de stookinstallaties vanaf 300 MWth normen voor stof, SO2 en NOx opgelegd die verder gaan dan de minimum normen uit de RIE. De strengere SO2- en NOx-emissiegrenswaarden zijn haalbaar volgens de conclusies van het Europees BBT-referentiedocument voor grote stookinstallaties (BREF GSI) en hebben mede tot doel de doelstellingen uit de MBO elektriciteit te consolideren gezien deze emissieniveaus in praktijk momenteel grotendeels al gehaald worden. Daarnaast worden voor de niet-verontreinigde behandelde houtafvalstromen emissiegrenswaarden voorzien voor zware metalen. De opgenomen emissiegrenswaarden zijn overgenomen uit het bestaande artikel 5.2.3bis.4.15. De voorziene emissiegrenswaarden voor dioxinen en furanen bij voeding met vaste biomassa zijn overgenomen uit de bestaande artikels 5.2.3bis.4.9 en 5.2.3bis.4.15.

De in de RIE voorziene soepelere emissiegrenswaarden voor installaties die minder dan 1500 uren per jaar operationeel zijn, zijn niet overgenomen in titel II van het VLAREM, omdat dit deels een versoepeling zou inhouden van de huidige VLAREM-normering en de huidig gehaalde emissieniveaus en deels de MBO/NEC-doelstellingen zou ondermijnen. c. Voor de grote stookinstallaties op vloeibare (zie artikel 5.43.3.5 tot en met 5.43.3.9) en gasvormige (zie artikel 5.43.3.10 tot en met 5.43.3.14) brandstoffen geldt dezelfde benadering als deze beschreven voor de vaste brandstoffen. Voor stookinstallaties gevoed met niet-commerciële brandstoffen en voor gasturbine-installaties die minder dan 1500 uren per jaar in bedrijf zijn iets soepelere emissiegrenswaarden voorzien (naar aanleiding van opmerkingen die betrokken sectoren hebben overgemaakt tijdens publieke consultatieronde van voorliggend wijzigingsbesluit) : evenwel niet soepeler dan de huidige geldende VLAREM-normen of de minimumeisen van de RIE. 4. Het nieuwe artikel 5.43.3.16 voorziet een mogelijkheid tot derogatie van de emissiegrenswaarden voor bestaande installaties die einde levensduur zijn, conform artikel 33 van de RIE (voorwaarde : maximaal 17.500 bedrijfsuren tussen 1 januari 2016 en 31 december 2023), die in Vlaanderen mogelijk zal toegepast worden voor enkele bestaande elektriciteitscentrales en andere grote stookinstallaties. 5. In de nieuwe artikels 5.43.3.16, 5.43.3.17 en 5.43.3.18 worden enkele taalkundige en inhoudelijke aanpassingen aangebracht aan reeds bestaande bepalingen aangaande gemengde stookinstallaties en wijzigingen van bestaande stookinstallaties (zoals reeds voorzien waren in artikels 8(1) en 10 van de GSI-richtlijn uit 2001), conform artikels 40(1) en 30(7) uit de RIE. 6. In de nieuwe artikels 5.43.3.21, 5.43.3.22 en 5.43.2.23 worden kleine taalkundige aanpassingen aangebracht aan reeds bestaande bepalingen aangaande lozing van de afgassen en kortstondige afwijking van de geldende emissiegrenswaarden (zoals deze reeds voorzien waren in artikel 7 van de GSI-richtlijn uit 2001), conform artikels 30(5) en (6) en 37 van de RIE. 7. Nieuwe artikels 5.43.3.24 tot en met 5.43.3.32 bevatten de bepalingen aangaande de meetverplichting. De reeds bestaande bepalingen worden in overeenstemming gebracht met de gevraagde wijzigingen volgend uit artikel 38 en bijlage V, deel 3, van de RIE. In artikel 5.43.3.25 wordt vanaf nu ook voor grote installaties onder 100 MWth de mogelijkheid voorzien om andere methoden dan de periodieke metingen te gebruiken voor het vaststellen van de emissieniveaus; dit volgt uit bijlage V, deel 3, 5°, van de RIE, en deze mogelijkheid wordt ook voorzien voor de kleine en middelgrote stookinstallaties. In dit artikel wordt er in subsidiaire orde verwezen naar ISO-normen.

Deze zijn terug te vinden via het Bureau voor Normalisatie (www.nbn.be). In nieuw artikel 5.43.3.26 wordt de meetverplichting voor stookinstallaties waarin vaste biomassa wordt verbrand nader geduid (voor dioxinen en furanen en zware metalen). Deze bepalingen zijn overgenomen uit de huidige subafdeling 5.2.3bis.4. Voor zware metalen blijft de meetverplichting beperkt ingeval van voeding met niet-verontreinigd behandeld houtafval. Nieuw artikel 5.43.3.28 bevat een nieuwe meetverplichting voor de totale kwikuitstoot van grote stookinstallaties gevoed met steenkool of bruinkool, conform bijlage V, deel 3, 4°, van de RIE. In nieuw artikel 5.43.3.32 is bijkomend opgenomen dat bij verbranding van biomassa de toezichthouder vooraf op de hoogte moet gebracht worden van de datum en uitvoerder van de periodieke metingen; dit is in overeenstemming met de aangepaste bepalingen voor de kleine en middelgrote stookinstallaties op houtafval (zie supra). 8. In nieuwe artikels 5.43.3.33 tot en met 5.43.3.39 worden de reeds bestaande VLAREM-bepalingen aangaande monitoring van de emissies in de lucht en naleving van de emissiegrenswaarden aangepast conform de bepalingen van artikels 38 en 39 en deel 3 en 4 van bijlage V van de RIE. De RIE-bepalingen aangaande monitoring van de emissies en naleving van de emissiegrenswaarden zijn grotendeels gebaseerd op de bepalingen hieromtrent in de GSI-richtlijn uit 2001 (destijds omgezet in titel II van het VLAREM in 2004). In het nieuwe artikel 5.43.3.39 is daarnaast opgenomen dat bij een overschrijding van de drempelwaarde voor dioxinen en furanen (emissiegrenswaarden zijn bepaald voor de grote stookinstallaties op vaste biomassa) de exploitant bijkomende maatregelen en metingen moet uitvoeren en de toezichthouder dient te verwittigen. 9. De huidige artikels 5.43.2.1.5 en 5.43.2.1.6 in titel II van het VLAREM worden geschrapt. De gegeven vrijstelling van meetverplichting voor installaties zoals voorzien in artikel 5.43.2.2.5 is niet conform de RIE. Artikel 5.43.2.1.6 bevat bepalingen die nog dateren van de eerste GSI-richtlijn 88/609. Deze bepalingen zijn verouderd en kunnen geschrapt worden.

Artikel 185 Dit artikel wijzigt artikel 5.43.4.3 van titel II van het VLAREM. Het gaat hier louter om aanpassingen van formuleringen en wetgevingstechnische aanpassingen.

Artikel 186 Dit artikel wijzigt artikel 5.43.4.4 van titel II van het VLAREM. Hierbij wordt verwezen naar de toelichting bij het nieuwe artikel 5.20.2.6, §§ 4 en 5.

Artikel 187 Dit artikel voegt een artikel 5.43.4.5 toe aan titel II van het VLAREM. Hierbij wordt verwezen naar de toelichting bij het nieuwe artikel 5.20.2.6, §§ 4 en 5.

Artikel 188 Dit artikel vervangt artikel 5.59.1.1 van titel II van het VLAREM. Artikel 189 Dit artikel heft paragraaf 1 en 2 van artikel 5.59.1.2 van titel II van het VLAREM op.

Deze overgangsbepalingen zijn verlopen en worden dan ook geschrapt.

Het derde lid van paragraaf 2 wordt verplaatst naar lid 2° van paragraaf 1 van artikel 5.59.2.1. Dit betreft de melding van het gebruik van het reductieprogramma aan de bevoegde autoriteit.

Artikel 190 Dit artikel wijzigt artikel 5.59.2.1 van titel II van het VLAREM. 1° Aan lid 2° van paragraaf 1 wordt een bepaling toegevoegd, ter vervanging van de geschrapte bepaling van artikel 5.59.1.2. Dit zorgt ervoor dat exploitanten altijd kunnen gebruik maken van het reductieprogramma, zoals ook voorzien in de RIE, maar mits melding aan de bevoegde autoriteit zoals voorzien in richtlijn 199/13/EG. In de Solventrichtlijn was dit enkel mogelijk indien hiervan melding was gemaakt op bepaalde tijdstippen. 2° Dit betreft louter tekstuele aanpassingen.3° Deze bepalingen zijn opgenomen in richtlijn 1999/13/EG, maar werden niet overgenomen in de RIE.Deze bepalingen zijn dan ook overbodig en kunnen dan ook geschrapt worden zonder dat dit inhoudelijke gevolgen heeft. Het blijft dus zo dat noch het reductieprogramma, noch toepassing van artikel 5.59.2.1, § 4, van titel II van het VLAREM installaties kan ontslaan van de bepalingen van artikel 5.59.2.2 van titel II van het VLAREM. Artikel 191 Dit artikel wijzigt artikel 5.59.2.2 van titel II van het VLAREM. Artikel 192 Dit artikel wijzigt artikel 5.59.3.1 van titel II van het VLAREM. 1° Dit betreft een terminologische aanpassing teneinde in overeenstemming te zijn met het VLAREL.2° punt 3° van het derde lid van paragraaf 2 wordt vervangen door : de naverbranding wordt ingesteld op de optimale temperatuur en deze wordt continu geregistreerd.3° Lid 1° en 2° zijn geschrapt omdat de overgangstermijnen verstreken zijn. Artikel 193 Dit artikel wijzigt artikel 5.59.3.2 van titel II van het VLAREM. Artikel 194 Dit artikel wijzigt artikel 5.59.3.3, § 2, 1°, van titel II van het VLAREM. Artikel 195 Dit artikel heft artikel 5.59.3.4 van titel II van het VLAREM op.

Dit artikel kan geschrapt worden omdat dit algemeen in titel II van het VLAREM is geregeld.

Artikel 196 Dit artikel wijzigt artikel 5bis.15.5.2.7 van titel II van het VLAREM. Artikel 197 Dit artikel wijzigt artikel 5bis.19.8.2.7 van titel II van het VLAREM. Artikel 198 Dit artikel voegt een afdeling 6.2.3 « Lozing van bedrijfsafvalwater afkomstig van zwembaden » toe aan hoofdstuk 6.2 « Beheersing van oppervlaktewaterverontreiniging » van titel II van het VLAREM. In de herziene BBT-studie voor de zwembaden van augustus 2011 wordt vermeld dat wanneer het zwembad volledig leeg gelaten wordt, dit een verhoogde hydraulische belasting kan betekenen voor het ontvangende oppervlaktewater of RWZI. Door goede afspraken te maken met de beheerder kan dit vermeden worden.

Artikel 199 Dit artikel vervangt in het artikel 6.4.0.1, § 1, 4°, van titel II van het VLAREM de term emissienormen door emissiegrenswaarden, aangezien emissienorm niet langer gedefinieerd is (zie Artikel 5, Punt 9° ). HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen aan de bijlagen van titel II van het VLAREM Artikel 200 Dit artikel wijzigt bijlage 1.1.2 van titel II van het VLAREM. Deze bijlage, die betrekking heeft op de lijst van verontreinigende stoffen, wordt aangepast conform de terminologie van bijlage II van de RIE. Artikel 201 Dit artikel voegt een bijlage 1.2.2bis toe aan titel II van het VLAREM. Deze bijlage bevat de maximale grenswaarden waarbinnen individuele afwijkingen op de BBT-GEN voor GPBV-installaties kunnen worden verleend. Deze emissiegrenswaarden worden vastgesteld in de bijlagen bij de RIE. Artikel 202 Dit artikel heft bijlage 2.8 op, deze bijlage betreft een letterlijke oplijsting van de GPBV-activiteiten uit de GPBV-richtlijn. Aangezien deze lijst tevens is opgenomen in onze indelingslijst, nl. alle rubrieken die in de vierde kolom zijn aangeduid met de letter X, kan deze lijst geschrapt worden.

Artikel 203 Dit artikel voegt een bijlage 4.1.12 « Melding van een voorval » toe aan titel II van het VLAREM in het kader van de omzetting van artikel 7 van de RIE. Dit formulier dient een exploitant te gebruiken om een voorval te melden.

Artikel 204 Dit artikel wijzigt bijlage 4.2.5.1, B), 1° van titel II van het VLAREM. Een foutieve verwijzing wordt weggewerkt en een aanvullende tabelverwijzing wordt opgenomen om de duidelijkheid te verbeteren.

Artikel 205 Dit artikel voegt een bijlage 4.10.1 toe aan titel II van het VLAREM in het kader van de omzetting van de ETS-richtlijn. De nieuwe bijlage 4.10.1 bevat het toepassingsgebied van emissiehandel uit de eerste verbintenisperiode (2008-2012).

Artikel 206 Dit artikel wijzigt bijlage 5.3.2 van titel II van het VLAREM en behelst de rechtzetting van een materiële vergissing.

Artikel 207 Dit artikel wijzigt bijlage 5.16.7 van titel II van het VLAREM en behelst de rechtzetting van een materiële vergissing.

Artikel 208 Dit artikel wijzigt artikel 2 van bijlage 5.32.2.2bis van titel II van het VLAREM. In artikel 2 van bijlage 5.32.2.2bis van VLAREM II wordt in punt 5° het leesteken « ; » vervangen door het leesteken « . » om de zin op een correcte manier af te sluiten.

Artikel 209 Dit artikel wijzigt de tabel in bijlage 5.59.1 van titel II van het VLAREM. Het betreffen geen inhoudelijke wijzigingen, maar een beperkt aantal kleinere verschillen tussen VLAREM enerzijds en de RIE en richtlijn 1999/13/EG van de Raad van 11 maart 1999 inzake de beperking van de emissie van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen bij bepaalde werkzaamheden en in installaties (VOS-richtlijn) anderzijds.

Artikel 210 Dit artikel wijzigt bijlage 5.59.2 van titel II van het VLAREM. De overgangstermijnen zijn verlopen en worden bijgevolg opgeheven.

Artikel 211 Dit artikel wijzigt bijlage 5.59.3 van titel II van het VLAREM. HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen van het koninklijk besluit van 24 februari 1977 houdende vaststelling van geluidsnormen voor muziek in openbare en private inrichtingen Artikel 212 Dit artikel wijzigt artikel 3 van het koninklijk besluit van 24 februari 1977 houdende vaststelling van geluidsnormen voor muziek in openbare en private inrichtingen. Door het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten3 betreffende het maximaal geluidsniveau van muziek in inrichtingen, werd een woord teveel geschrapt, namelijk het woord « inrichtingen », in artikel 3 van het koninklijk besluit van 24 februari 1977 houdende vaststelling van geluidsnormen voor muziek in openbare en private inrichtingen. Dit wordt door dit artikel rechtgezet. HOOFDSTUK 7. - Wijzigingen aan het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten7 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (VLAREBO) Artikel 213 Dit artikel vervangt artikel 20 van het VLAREBO. Overeenkomstig artikel 24, lid 3, van de RIE hebben de bevoegde instanties de verplichting om onder meer de volgende informatie ter beschikking te stellen van het publiek : 1) de resultaten van de monitoring van bodem en grondwater door GPBV-installaties die relevante gevaarlijke stoffen gebruiken, produceren of uitstoten;2) relevante informatie over de maatregelen die bij definitieve stopzetting van de GPBV-activiteiten door de exploitant worden genomen.Deze informatie moet overeenkomstig RIE onder meer ook via het internet ter beschikking worden gesteld.

In het Bodemdecreet (artikel 33) en het VLAREBO (artikel 21 in samenlezing met kolom 8 van de indelingslijst van titel I van het VLAREM, artikel 61 tot en met 63) is voor exploitanten een periodieke bodemonderzoeksplicht opgenomen die als omzetting voldoet aan de monitoringsplicht van artikel 14, lid 1, onder e) en artikel 16, lid 2, van de RIE. In het kader van die periodieke bodemonderzoeksplicht uit het Bodemdecreet moeten de exploitanten periodiek een oriënterend bodemonderzoek uitvoeren en het verslag ervan aan de OVAM bezorgen. De OVAM beoordeelt de bodemonderzoeken en neemt het verslag van die onderzoeken op in het Grondeninformatieregister.

De richtlijnverplichting in verband met de definitieve stopzetting als vermeld in artikel 22, lid 3, van de RIE is in het Bodemdecreet omgezet via de bestaande regeling over de sluiting van risico-inrichtingen (artikel 32 en 122). Volgens die bepalingen van het Bodemdecreet hebben de exploitanten bij de sluiting van een risico-inrichting (zoals een GPBV-installatie die relevante gevaarlijke stoffen gebruikt, produceert of uitstoot) de verplichting om een afsluitend oriënterend bodemonderzoek uit te voeren, en afhankelijk van de ernst van de vastgestelde bodemverontreiniging nog verdergaand bodemonderzoek (beschrijvend bodemonderzoek en bodemsanering (bodemsaneringsproject, bodemsaneringswerken en eindevaluatie-onderzoek) uit te voeren. Aangezien GPBV-installaties die relevante gevaarlijke stoffen gebruiken, produceren of uitstoten worden beschouwd als risico-inrichtingen, gelden de sluitingsverplichtingen uit het Bodemdecreet ook voor de exploitanten van dergelijke GPBV-installaties. De OVAM beoordeelt eveneens de in het kader van de sluiting uitgevoerde bodemonderzoeken en bodemsanering, en neemt die informatie op in het Grondeninformatieregister.

De toegang tot deze informatie (verslagen van bodemonderzoeken en rapporten over bodemsaneringen) uit het Grondeninformatieregister is in het huidige VLAREBO reeds geregeld. Op basis van artikel 20 van het VLAREBO wordt die informatie nu reeds via het internet (e-loket van de OVAM) ter beschikking gesteld van een beperkte categorie van personen die nauw betrokken zijn bij de uitvoering van het bodembeleid, met name de erkende bodemsaneringsdeskundigen.

Met oog op omzetting van de richtlijnverplichting over de toegang tot informatie (artikel 24, lid 3, van de RIE) wordt in artikel 20 van het VLAREBO de toegankelijkheid van de informatie over verslagen van bodemonderzoeken en rapporten over bodemsaneringswerken via het e-loket ook open gesteld voor het brede publiek.

Artikel 214 Dit artikel vervangt artikel 21, eerste lid, van het VLAREBO. Artikel 33bis van het Bodemdecreet voert een nieuwe bodemonderzoeksplicht in voor de exploitanten van welbepaalde door de Vlaamse Regering aan te duiden risico-inrichtingen. Die nieuwe bepaling vormt de omzetting van de verplichting tot opmaak van een situatierapport uit artikel 22, lid 2, van de RIE (vastleggen nulsituatie), die geldt voor de exploitanten van GPBV-activiteiten die relevante gevaarlijke stoffen produceren, gebruiken of uitstoten.

De Vlaamse Regering moet aldus bepalen voor welke risico-inrichtingen de nieuwe bodemonderzoeksplicht van toepassing is. Vóór de inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten5 was de lijst van risico-inrichtingen terug te vinden in bijlage 1 van het VLAREBO. Met het oog op harmonisatie werd de lijst van risico-inrichtingen bij voormeld besluit van 19 september 2008 evenwel geïntegreerd in de indelingslijst van bijlage 1 van titel I van VLAREM (lijst van als hinderlijk beschouwde inrichtingen), meer bepaald werd in kolom 8 aangegeven welke inrichtingen voor de toepassing van het Bodemdecreet en het VLAREBO als risico-inrichting moeten worden beschouwd (kenletter O, A en B).

Met de voorgestelde wijziging van artikel 21 van het VLAREBO wil de Vlaamse Regering voor de duidelijkheid aangeven dat ze niet in het VLAREBO, maar wel in kolom 8 van de indelingslijst van bijlage 1 van VLAREM I zal bepalen voor welke risico-inrichtingen de nieuwe bodemonderzoeksplicht van artikel 33bis van het Bodemdecreet geldt. De Vlaamse Regering zal hiervoor de kenletter 'S' gebruiken. De betekenis van kenletter 'S' wordt verduidelijkt in de verklaring van de kenletters die de VLAREM I-indelingslijst voorafgaat (zie artikel 21, Punt 6° ).

Artikel 215 Dit artikel wijzigt artikel 61 en 62 van het VLAREBO. In artikel 61 en 62 van het VLAREBO wordt de periodieke onderzoeksplicht geregeld voor de exploitanten van die risico-inrichtingen die in de lijst van risico-inrichtingen worden aangeduid met de kenletter 'A' of 'B'. In de betreffende bepalingen wordt voor de lijst van risico-inrichtingen verkeerdelijk nog verwezen naar bijlage 1 van het VLAREBO. Ingevolge het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten5 is de lijst van risico-inrichtingen evenwel niet langer terug te vinden in bijlage 1 van het VLAREBO, maar werd ze geïntegreerd in de indelingslijst van bijlage 1 van titel I van VLAREM (kolom 8). Omdat de bepalingen van artikel 61 en 62 van het VLAREBO deels ook een omzetting zijn van de RIE (monitoringsplicht van artikel 14, lid 1, onder e) en artikel 16, lid 2, RIE), wordt naar aanleiding van voorliggend omzettingsbesluit de correctie aangebracht.

Artikel 216 Dit artikel voegt een nieuw artikel 67/1 toe aan het VLAREBO. De bepalingen van artikel 64 tot en met 67 van het VLAREBO zijn een uitvoering van artikel 36 van het Bodemdecreet, en geven aan onder welke voorwaarden in geval van een decretaal verplicht onderzoeksmoment (bijv. overdracht van risicogrond; sluiting van risico-inrichting) toch geen nieuw oriënterend bodemonderzoek moet worden uitgevoerd, maar in de plaats daarvan kan verwezen worden naar een eerder uitgevoerd oriënterend bodemonderzoek.

De voorliggende nieuwe bepaling van artikel 67/1 strekt er toe om de uitzonderingsregeling van artikel 64 tot en met 67 van het VLAREBO niet van toepassing te maken op de nieuwe bodemonderzoeksplicht van artikel 33bis van het Bodemdecreet. Die bodemonderzoeksplicht beoogt immers voor GPBV-installaties die relevante gevaarlijke stoffen gebruiken, produceren of uitstoten de nultoestand inzake bodemverontreiniging vast te leggen vooraleer de exploitatie van die installatie wordt aangevat (artikel 33bis, § 1 Bodemdecreet). Gelet op het oogmerk van dergelijk bodemonderzoek kan uiteraard geen eerder uitgevoerd oriënterend bodemonderzoek aanvaard worden. Om die reden wordt de toepassing van de uitzonderingsregeling van artikel 64 tot en met 67 van het VLAREBO uitdrukkelijk uitgesloten.

Voor de installaties die reeds in exploitatie waren op het ogenblik van de invoering van de nieuwe bodemonderzoeksplicht kan uiteraard geen nultoestand meer worden vastgelegd. Wel moet er op basis van artikel 33bis, § 2, van het Bodemdecreet voor die inrichtingen wel nog een eenmalig oriënterend bodemonderzoek worden uitgevoerd vóór 7 januari 2014 of vóór 7 juli 2015, afhankelijk of de inrichting op het ogenblik van de invoering van de nieuwe bodemonderzoeksplicht al dan niet als een GPBV-installatie werd gekwalificeerd. Voor deze eenmalige bodemonderzoeksplicht kan wel worden aanvaard dat een beroep wordt gedaan op een eerder uitgevoerd bodemonderzoek, op voorwaarde dat dit bodemonderzoek werd uitgevoerd in het kader van de exploitatie van die inrichting. Het oriënterend bodemonderzoek dat in een vroeger stadium van de exploitatie van die inrichting werd uitgevoerd leunt immers dichter aan bij de nultoestand die men met het situatierapport wenst vast te stellen. Het tweede lid van het voorliggende artikel 67/1 voorziet in die specifieke uitzondering. HOOFDSTUK 8. - Wijzigingen aan het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten8 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid Artikel 217 Dit artikel wijzigt artikel 1 van het Milieuhandhavingsbesluit.

De toelichting omtrent het toevoegen van een definitie voor de begrippen « GPBV-installatie » en « controle » kan hieronder worden teruggevonden.

Artikel 218 Dit artikel voegt een onderafdeling III « Uitoefening van toezichtsopdrachten » toe aan afdeling II van het Milieuhandhavingsbesluit.

In de nieuwe onderafdeling III worden een nieuw artikel 35/1 tot en met 35/8 ingevoegd die de omzetting realiseren van artikel 23, artikel 3, 22°, en artikel 21,3, b, van de RIE. Artikel 35/1 legt het toepassingsgebied vast. Het betreft de GPBV-installaties zoals gedefinieerd in titel I van het VLAREM. Artikel 35/2 tot en met 35/8 bepalen dat de bevoegde toezichthouders een systeem van controles van de GPBV-installaties moeten opzetten waarbij het volledig spectrum van relevante milieueffecten van alle GPBV-installaties wordt afgedekt en bepaalt de modaliteiten ervan op het vlak van planning, programmering, uitvoering en rapportering van controles. Zij bepalen daarnaast ook dat binnen de vier jaar na bekendmaking van besluiten over BBT-conclusies een controle moet gebeuren bij de betrokken GPBV-installaties van de aan die BBT-conclusies getoetste vergunningsvoorwaarden (zie ook het gewijzigde artikel 41bis van titel I van het VLAREM).

In artikel 35/5, 3°, wordt er verwezen naar de norm ISO 14001. Deze norm is terug te vinden via het Bureau voor Normalisatie (www.nbn.be).

In het kader van deze nieuwe artikelen die worden ingevoegd, wordt in artikel 1 van dit besluit ook een punt 33° toegevoegd, waarin het begrip « controle » wordt gedefinieerd.

Artikel 219 Dit artikel vervangt afdeling II van hoofdstuk VI van het Milieuhandhavingsbesluit door « Afdeling II - Procedure tot het nemen van bestuurlijke maatregelen ».

Een nieuw artikel 61 wordt ingevoegd dat de omzetting van artikel 8, eerste lid, c), en tweede lid van de RIE. Het bepaalt in welke gevallen van schending van milieuvoorwaarden bestuurlijke maatregelen moeten worden genomen door de bevoegde toezichthouders. Paragraaf 1 van dit artikel kent toezichtstaken toe aan de toezichthouders met betrekking tot een aantal opgesomde milieuvoorwaarden. Die taak is beperkt tot de milieuvoorwaarden waarop zij, op basis van hun wettelijke toezichtsopdracht, toezicht kunnen uitoefenen, en dus niet op alle in artikel 61, § 1, opgesomde milieuvoorwaarden. Om het nieuwe artikel op een logische plaats te kunnen invoegen in het besluit worden de bestaande artikels 61 en 61/1 hernoemd tot artikels 61/1 respectievelijk 61/2. Deze wijzigingen hebben geen impact.

Artikel 220 Dit artikel voegt een artikel 79 in het Milieuhandhavingsbesluit in.

Dit artikel realiseert de omzetting van artikel 7, c), van de RIE. Het bepaalt in welke gevallen van incident of ongeval veiligheidsmaatregelen moeten worden genomen door de bevoegde toezichthouders. Om het nieuwe artikel op een logische plaats te kunnen invoegen in het besluit wordt het bestaande artikel 79 hernoemd tot artikel 79/1. Deze wijziging heeft geen impact.

Artikel 221 Dit artikel voegt twee regels toe aan bijlage III « Lijst van de milieu-inbreuken, in uitvoering van de artikelen 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. » van het Milieuhandhavingsbesluit.

Dit gebeurt naar aanleiding van de aanpassingen aan het VLAREBO ter omzetting van de RIE. Artikel 222 Dit artikel wijzigt artikel 1 van bijlage VII « Lijst van de milieu-inbreuken, in uitvoering van de artikelen 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid » van het Milieuhandhavingsbesluit. Dit gebeurt naar aanleiding van de aanpassingen aan titel II van het VLAREM in het kader van de omzetting van de RIE. HOOFDSTUK 9. - Wijzigingen aan het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten5 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties en de inzet van flexibele mechanismen Artikel 223 Dit artikel wijzigt artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten5 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties en de inzet van flexibele mechanismen. Een aantal van de wijzigingen die via dit besluit worden aangebracht in het VLAREM in het kader van de omzetting van de ETS-richtlijn, hebben tevens een impact op het besluit van de Vlaamse Regering inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties en de inzet van flexibele mechanismen. Zo worden de definities van BKG-inrichting en BKG-installatie in dit besluit inzake verhandelbare emissierechten gewijzigd om consistent te zijn met de aangebrachte wijzigingen in het VLAREM. Ook wordt toegevoegd dat de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, de bevoegde autoriteit is inzake enkele specifieke taken vermeld in de Europese verordening inzake monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG. Deze verordening was immers nog niet formeel aangenomen op het moment van de definitieve goedkeuring van het besluit inzake verhandelbare emissierechten.

In punt 4° wordt een definitie ingevoegd voor « onverschuldigd verleende emissierechten ».

Artikel 224 Dit artikel vervangt het eerste lid van artikel 36 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten5 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties en de inzet van flexibele mechanismen.

Via deze wijziging wordt de bepaling geschrapt die nieuwkomers verplicht de toewijzingsaanvraag per aangetekend schijven in te dienen. De regels en procedures voor de indiening van een toewijzingsaanvraag worden immers overeenkomstig het laatste lid van artikel 36 uitgewerkt in een ministerieel besluit. Door het weglaten van de indiening per aangetekende brief, wordt de nodige flexibiliteit gecreerd om een elektronische indiening mogelijk te maken en zo de administratieve last voor exploitanten te verminderen.

Artikel 225 Dit artikel wijzigt artikel 43, § 3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten5 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties en de inzet van flexibele mechanismen (nieuw ten opzichte van de versie van de eerste principiële goedkeuring).

De volledige stopzetting van de activiteiten van de BKG-inrichting is een situatie met belangrijke gevolgen : - de toewijzing aan de BKG-installatie wordt voor de resterende jaren van de handelsperiode stopgezet; - de installatie moet in de toekomst niet langer voldoen aan de verplichtingen in het kader van emissiehandel (indienen emissiejaarrapport, opstellen monitoringplan, inleveren emissierechten,...) Indien de exploitant van de BKG-installatie deze volledige stopzetting niet tijdig meldt, moet de afdeling deze volledige stopzetting kunnen vaststellen.

Artikel 226 Dit artikel wijzigt artikel 47 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten5 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties en de inzet van flexibele mechanismen (nieuw ten opzichte van de versie van de eerste principiële goedkeuring).

Ook een gedeeltelijke stopzetting heeft belangrijke gevolgen voor toewijzing van de BKG-installatie. Indien de exploitant dit niet meldt, moet dit toch nog vastgesteld kunnen worden.

Artikel 227 Dit artikel wijzigt artikel 51, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten5 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties en de inzet van flexibele mechanismen (nieuw ten opzichte van de versie van de eerste principiële goedkeuring).

Ook een gedeeltelijke stopzetting heeft belangrijke gevolgen voor toewijzing van de BKG-installatie. Indien de exploitant dit niet meldt, moet dit toch nog vastgesteld kunnen worden.

Artikel 228 Dit artikel voegt een artikel 55/1 en 55/2 in in het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten5 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties en de inzet van flexibele mechanismen (nieuw ten opzichte van de versie van de eerste principiële goedkeuring).

Op basis van de Europese geharmoniseerde toewijzingsregels moet een exploitant van een BKG-installatie een gedeeltelijke of volledige sluiting of een significante capaciteitsvermindering melden voor het einde van het jaar waarin deze situatie zich voordoet. Het jaar nadien moet de toewijzing aan de betrokken installatie deze gewijzigde situatie al weerspiegelen. Aangezien de toegewezen emissierechten echter op 28 februari worden verleend, en het aanpassen van de toewijzing een relatief lange procedure vereist, kan het in sommige gevallen voorkomen dat de toewijzing formeel niet vóór 28 februari aangepast kan worden.

Om te vermijden dat in het geval waarbij een melding van de volledige stopzetting van de activiteiten werd ingediend (maar waarbij het definitief ministerieel besluit tot schrapping van de toewijzing nog niet werd genomen) toch nog emissierechten worden verleend, moet de bevoegde autoriteit de verlening van emissierechten in deze situatie opschorten.

In het geval dat er toch emissierechten onverschuldigd worden verleend (dit is mogelijk bij een gedeeltelijke of volledige stopzetting van activiteiten, of bij significante capaciteitsverminderingen) moet de bevoegde autoriteit dit vaststellen. In eerste instantie zal getracht worden om deze hoeveelheid onverschuldigd verleende emissierechten te verrekenen bij de eerstvolgende verlening aan de exploitant van de BKG-installatie in kwestie. Als dit niet mogelijk blijkt, zal de bevoegde autoriteit een equivalente hoeveelheid van de onverschuldigd verleende emissierechten terugvorderen.

Met deze nieuwe bepalingen wordt een correcte implementatie van de geharmoniseerde toewijzingsregels verzekerd. Als dergelijke bepalingen niet ingevoerd worden, bestaat de kans dat er emissierechten onverschuldigd worden verleend, zonder de mogelijkheid om dit recht te zetten. Initieel was het de verwachting dat dergelijke bepalingen op Europees niveau zouden vastgesteld worden in de zogenaamde Registerverordening. Bij de besprekingen over deze Registerverordening liet de Commissie echter verstaan dat de lidstaten dergelijke bepalingen in hun nationale wetgeving moeten voorzien.

Artikel 229 Dit artikel vervangt paragraaf 5 van artikel 63 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten5 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties en de inzet van flexibele mechanismen (nieuw ten opzichte van de versie van de eerste principiële goedkeuring).

In lijn met andere dossiers waarvoor binnen het departement Leefmilieu, Natuur en Energie een invordering bij dwangbevel wordt opgelegd, zal voortaan ook de boete voor het onvoldoende inleveren van emissierechten bij dwangbevel ingevorderd worden door AFO. Om dit mogelijk te maken moest in een eerste stap de juridische basis aangepast worden. Deze decretale aanpassingen zullen in het Energiedecreet doorgevoerd worden, via het Verzameldecreet. De procedure voor het aannemen van dit Verzameldecreet is bijna rond, vandaar dat deze aanpassing in het besluit van 20 april 2012 niet eerder werd voorgesteld.

Artikel 230 Dit artikel vervangt artikel 104 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten5 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties en de inzet van flexibele mechanismen. Door de wijzigingen die via dit besluit worden doorgevoerd aan artikel 1 van titel I van het VLAREM, moet ook dit artikel in dit licht aangepast worden.

Artikel 231 Dit artikel wijzigt bijlage 3.1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten5 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties en de inzet van flexibele mechanismen.

Het betreft een noodzakelijke afstemming op het besluit van de Commissie van 17 augustus 2012 tot wijziging van de Besluiten 2010/2/EU en 2011/278/EU wat betreft de bedrijfstakken en deeltakken die worden geacht te zijn blootgesteld aan een significant CO2-weglekrisico.

Deze aanpassing is noodzakelijk om een correcte definitieve toewijzing te bepalen voor de betrokken installaties.

Artikel 232 Dit artikel wijzigt bijlage 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten5 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties en de inzet van flexibele mechanismen.

Het betreffen noodzakelijke afstemmingen op het besluit van de Commissie van 17 augustus 2012 tot wijziging van de Besluiten 2010/2/EU en 2011/278/EU wat betreft de bedrijfstakken en deeltakken die worden geacht te zijn blootgesteld aan een significant CO2-weglekrisico.

Deze aanpassing is noodzakelijk om een correcte definitieve toewijzing te bepalen voor de betrokken installaties.

Artikel 233 Dit artikel voegt een bijlage 6 toe aan het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten5 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties en de inzet van flexibele mechanismen. HOOFDSTUK 1 0. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 januari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten1 tot wijziging van artikel 1 en bijlage 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning en diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne Artikel 234 Dit artikel regelt de opheffing van artikel 23 van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 januari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten1 tot wijziging van artikel 1 en bijlage 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning en diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (omtrent diffuse stofemissies).

In dit besluit moet een rechtzetting gebeuren betreffende het stofrapport dat moet ingediend worden voor bepaalde activiteiten (die grote hoeveelheden stuivende stoffen opslaan). Het is immers de bedoeling van het besluit dat bestaande dergelijke inrichtingen tegen 1 juli 2014 een stofrapport moeten indienen en dat nieuwe dergelijke inrichtingen die pas moeten doen vanaf die datum. Welke gegevens dat stofrapport minstens moet bevatten, is bepaald in het nieuwe punt F15 dat wordt toegevoegd aan de toelichtingsbijlage bij het milieuvergunningen-aanvraagformulier.

Dit nieuwe punt F15 wordt toegevoegd aan de toelichtingsbijlage via het wijzigingsartikel 3 van voormeld besluit van 18 januari 2013.

Volgens de slotbepalingen van voormeld besluit (artikel 23) treedt artikel 3 evenwel pas in werking op 1 juli 2014.. Dit betekent dat bestaande bedrijven niet kunnen weten welke gegevens hun stofrapport moet bevatten, daar dit artikel pas in werking treedt op 1 juli 2014.

Het is dus zaak om artikel 23 op te heffen, zodat het gehele besluit, inclusief artikel 3, van toepassing wordt of is geworden op 19 april 2013, zijnde tien dagen na de publicatie van het besluit in het Belgisch Staatsblad. HOOFDSTUK 1 1. - Slotbepalingen Artikel 235 De overgangsbepalingen stellen dat : - BKG-installaties die op 1 januari 2013 beschikken over een milieuvergunning voor activiteiten en processen die BKG-emissies tot gevolg hebben en die geviseerd worden door een wijziging ingevolge richtlijn 2009/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten van de Gemeenschap te verbeteren en uit te breiden, worden geacht vergund te zijn voor hun BKG-emissies; - Niettegenstaande deze BKG-installaties geacht worden vergund te zijn voor hun BKG-emissies, dienen deze inrichtingen hun milieuvergunning te actualiseren tegen uiterlijk 31 december 2013. - Voor zover de vergunningsaanvraag enkel betrekking heeft op het bekomen van een vergunning voor de emissie van broeikasgassen, kan de aanvraag ingediend en behandeld worden volgens de procedure van een mededeling kleine verandering. Bij deze mededeling kleine verandering dient enkel een door het verificatiebureau geverifieerd monitoringplan gevoegd te worden. De andere zaken die bij de mededeling kleine verandering toegevoegd moeten worden zijn niet relevant voor de vergunningsvoorwaarden en exploitatievoorwaarden van een BKG-inrichting.

Artikel 236 Dit artikel regelt enerzijds (in paragraaf 1) de afhandeling van aanvragen die voor de inwerkingtreding van dit besluit werden ingediend. Deze aanvragen worden afgehandeld volgens de procedure die van toepassing was op het ogenblik van hun indiening. Daarnaast stelt paragraaf 2 dat reeds vergunde bedrijven (op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit) geen nieuwe milieuvergunningsaanvraag moten indienen, als zij onder de toepassing zouden vallen van een rubriek die wordt ingevoegd of gewijzigd met dit besluit. De lopende milieuvergunning blijft dan onverminderd gelden.

Artikel 237 Dit artikel regelt de afhandeling van afwijkingsaanvragen die voor de inwerkingtreding van dit besluit werden ingediend. Deze aanvragen worden afgehandeld volgens de procedure die van toepassing was op het ogenblik van hun indiening.

Artikel 238 Dit artikel regelt de inwerkingtreding van het besluit voor bijzondere gevallen voorzien in de RIE (overgangsbepalingen).

Artikel 239 Dit artikel stelt de klassieke slotbepaling vast.

De Vlaamse Minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur, J. SCHAUVLIEGE _______ Nota's (1) PB L 17 december 2010, afl.34, 17-119. (2) Richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma's betreffende het milieu en, met betrekking tot inspraak van het publiek en toegang tot de rechter, tot wijziging van de Richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de Raad, PB L 156 van 25.6.2003, blz. 17-25 (3) Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad, PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32-46 (4) Beschrijving van de procedure die moet gevolgd worden bij niet-essentiële wijzigingen van de Richtlijn (5) Verordening (EG) nr.166/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 18 januari 2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen en tot wijziging van de Richtlijnen 91/689/EEG en 96/61/EG van de Raad, PB L 33 van 4.2.2006, blz. 1-17. (6) Richtlijn 2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (Gecodificeerde versie), PB L 24 van 29.1.2008, blz. 8-29 (7) Richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de geologische opslag van kooldioxide en tot wijziging van Richtlijn 85/337/EEG van de Raad, de Richtlijnen 2000/60/EG, 2001/80/EG, 2004/35/EG, 2006/12/EG en 2008/1/EG en Verordening (EG) nr.1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad, PB L 140 van 5.6.2009, blz. 114-135 (8) document COM(2005) 540 - Verslag van de Commissie over de uitvoering van Richtlijn 96/61/EG inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (9) Een « herschikking » bestaat in de aanneming van een nieuw wetgevingsbesluit (bv.een Europese richtlijn), waarbij de materiële wijzigingen van een vorig wetgevingsbesluit en de ongewijzigde bepalingen van dat besluit in één enkele tekst worden samengebracht.

Het vorige wetgevingsbesluit wordt door het nieuwe wetgevingsbesluit vervangen en ingetrokken (Interinstitutioneel akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten, PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1-3) (10) document COM(2007) 843 (11) document COM(2007) 844 (12) document SEC(2007) 1679 (13) Verordening 1272/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr.1907/2006 (14) Richtlijn 2009/128/EG van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden (15) Kaderend binnen het overleg aansluitend bij de inventarisatie van knelpunten en het bepalen van kansen voor afstemming en samenwerking tussen de beide beleidsdomeinen (LV-LNE).(16) Zie in dit verband de uitgebreide brochure die in 2007 reeds tot stand kwam getiteld « Praktische gids biozuiveringssystemen Biofilter, fytobak ».Deze werd opgesteld binnen het kader van het ADLO project « Demonstratie rond spuittechniek versus puntvervuiling door gewasbeschermingsmiddelen » (met steun van de Europese Unie en Afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling van de Vlaamse Overheid) en

uitgevoerd door het PCLT en POVLT. Deze brochure is op volgend websiteadres terug te vinden : http://www.west-vlaanderen.be/upload/povlt/site-2007/PDF/gewasbescherming/brochures/Brochure-zuiveringssystemen.pdf (17) Landbouwkundig Onderzoek IWT 040727 - Optimalisatie en haalbaarheid van bioremediatiesystemen voor de verwerking van spuitresten van gewasbeschermingsmiddelen (uitvoerders KULeuven, UGent, PC Fruit). ADVIES 53.163/3 VAN 7 MEI 2013 VAN DE RAAD VAN STATE, AFDELING WETGEVING, OVER EEN ONTWERP VAN BESLUIT VAN DE VLAAMSE REGERING 'TOT WIJZIGING VAN DIVERSE BESLUITEN INZAKE LEEFMILIEU HOUDENDE OMZETTING VAN EUROPESE RICHTLIJNEN EN ANDERE DIVERSE WIJZIGINGEN' Op 3 april 2013 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur verzocht binnen een termijn van dertig dagen, een advies te verstrekken over een ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering 'tot wijziging van diverse besluiten inzake leefmilieu houdende omzetting van Europese richtlijnen en andere diverse wijzigingen'.

Het ontwerp is door de derde kamer onderzocht op 23 april 2013.

De kamer was samengesteld uit Jo Baert, kamervoorzitter, Jan Smets en Bruno Seutin, staatsraden, Jan Velaers en Lieven Denys, assessoren, en Annemie Goossens, griffier.

Het verslag is uitgebracht door Kristin Bams, eerste auditeur.

Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 7 mei 2013. 1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan (1). Strekking en rechtsgrond van het ontwerp 2. Het om advies voorgelegde ontwerp van besluit strekt ertoe de volgende besluiten te wijzigen : - het koninklijk besluit van 24 februari 1977 'houdende vaststelling van geluidsnormen voor muziek in openbare en private inrichtingen'; - het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 'houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning' (hierna : Vlarem I); - het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 'houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne' (hierna : Vlarem II); - het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten7 'houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming'; - het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten8 'tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid'; - het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten5 'inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties en de inzet van flexibele mechanismen'.

Met deze wijzigingen wordt in de eerste plaats beoogd de volgende richtlijnen om te zetten : - richtlijn 2009/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 'tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten van de Gemeenschap te verbeteren en uit te breiden'; - ten dele richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 'tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden'; - richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 'inzake industriële emissies'; - richtlijn 2011/97/EU van de Raad van 5 december 2011 'tot wijziging van richtlijn 1999/31/EG met betrekking tot specifieke criteria voor opslag van metallisch kwik dat als afval wordt beschouwd'.

Daarnaast wordt aan rubriek 18 van de indelingslijst van Vlarem I een subrubriek 18.7 toegevoegd betreffende de afgraving van steenkoolterrils en worden de sectorale voorwaarden voor ontginningen vervat in hoofdstuk 5.18 van Vlarem II vervangen.

Ten slotte worden ook diverse andere wijzigingen doorgevoerd, zoals de vertaling van de herziene BBT-studie van augustus 2011 voor de zwembaden, de mogelijkheid voor de injectie van percolaat bij de uitbating van stortplaatsen waar biologisch afbreekbaar afval wordt gestort, de rechtzetting van errata en het wegwerken van onduidelijkheden. 3.1. De rechtsgrond voor de meeste van de ontworpen bepalingen wordt geboden door één of meer van de volgende bepalingen : - artikel 1 van de wet van 28 december 1964Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten 'betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging'; - artikel 3 van de wet van 26 maart 1971 'op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging'; - artikel 1, eerste lid, van de wet van 18 juli 1973Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten 'betreffende de bestrijding van de geluidshinder'; - de artikelen 20 en 87, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten 'tot hervorming der instellingen'; - de artikelen 2.2.6, 10.2.4, § 5, 10.3.4, § 6, 16.1.2, 1°, f), 16.3.9, § 3, 16.4.5, 16.4.10, 16.4.27, derde lid, en 16.7.1, § 3, van het decreet van 5 april 1995 'houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid'; - de artikelen 3, tweede lid, 4, § 2, tweede lid, 11, § 1, 12, § 1, 14, § 1, 17, eerste lid, 20, eerste en derde lid, 21, § 3, 22, vierde lid, 22bis, § 1, tweede lid, 24, § 2, en 27, §§ 2 en 3, van het decreet van 28 juni 1985 'betreffende de milieuvergunning'; - artikel 30 van het decreet van 26 maart 2004Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten6 'betreffende de openbaarheid van bestuur;' - artikel 21 van het bijzonder decreet van 7 juli 2006Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/03/2009 pub. 06/04/2009 numac 2009011129 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 6 februari 2007 tot uitvoering van artikel 3, § 2, van de wet van 13 juli 2005 betreffende de invoering van een jaarlijkse bijdrage ten laste van bepaalde instellingen type koninklijk besluit prom. 19/03/2009 pub. 01/04/2009 numac 2009003135 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 september 1998 betreffende de nationale zijde van de eerste serie euromuntstukken type koninklijk besluit prom. 19/03/2009 pub. 08/04/2009 numac 2009022162 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot wijziging van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen sluiten3 'over de Vlaamse instellingen'; - de artikelen 5, § 4, 6, 33, 33bis, § 2, tweede lid, en 36 van het decreet van 27 oktober 2006Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten5 'betreffende de bodemsanering en de bodembescherming'; - artikel 9.1.1 van het Energie decreet van 8 mei 2009Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/03/2009 pub. 06/04/2009 numac 2009011129 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 6 februari 2007 tot uitvoering van artikel 3, § 2, van de wet van 13 juli 2005 betreffende de invoering van een jaarlijkse bijdrage ten laste van bepaalde instellingen type koninklijk besluit prom. 19/03/2009 pub. 01/04/2009 numac 2009003135 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 september 1998 betreffende de nationale zijde van de eerste serie euromuntstukken type koninklijk besluit prom. 19/03/2009 pub. 08/04/2009 numac 2009022162 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot wijziging van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen sluiten2; - artikel 17 van het decreet van 25 mei 2012Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten8 'tot wijziging van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en het decreet van 27 oktober 2006Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten5 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming met het oog op de omzetting van de Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging)'. 3.2. Voor artikel 222 van het ontwerp moet echter worden opgemerkt dat er geen rechtsgrond is.

Artikel 222 van het ontwerp strekt ertoe een bijlage XXVII in te voegen in het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten8. In die bijlage wordt de niet-naleving van de verplichtingen opgenomen in artikel 17 van het decreet van 25 mei 2012Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten8 als een milieu-inbreuk aangemerkt (2).

Volgens de aanhef wordt de rechtsgrond hiervoor gezocht in artikel 16.1.2, 1°, f), van het voornoemde decreet van 5 april 1995.

Er dient te worden opgemerkt dat luidens artikel 16.1.2, 1°, a), van het laatstgenoemde decreet een milieu-inbreuk een gedraging is die exclusief een schending van administratieve verplichtingen betreft zoals bepaald in de milieuwetgeving, vermeld in artikel 16.1.1, eerste lid, van dat decreet. Aangezien artikel 17 van het decreet van 25 mei 2012Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten8 een autonome bepaling is en in artikel 16.1.1, eerste lid, van het decreet van 5 april 1995 geen gewag wordt gemaakt van het decreet van 25 mei 2012Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten8, kan artikel 16.1.2, 1°, f), geen rechtsgrond bieden voor artikel 222 van het ontworpen besluit.

Artikel 222 van het ontwerp kan dan ook geen doorgang vinden.

Voorafgaande vormvereisten 4. De artikelen 38, 5°, 82 en 128 van het ontwerp strekken tot de gedeeltelijke omzetting van de voornoemde richtlijn 2009/128/EG, die blijkens artikel 2, lid 1, van de richtlijn, van toepassing is op pesticiden die gewasbeschermingsmiddelen zijn in de zin van artikel 3, punt 10, a), van de richtlijn.In zoverre het ontwerp regels bevat die gelden voor biociden (3), gaat de ontworpen regeling dus verder dan de richtlijn.

Het is de lidstaten toegestaan, op grond van artikel 193 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : VWEU), om verdergaande beschermingsmaatregelen te nemen dan die welke worden vastgesteld uit hoofde van artikel 192 VWEU. De lidstaten kunnen dus verder gaan dan hetgeen bepaald is in richtlijn 2009/128/EG (4). In dat geval moet de nationale maatregel overeenkomstig artikel 193 VWEU wel ter kennis van de Europese Commissie worden gebracht.

Aan dat laatste vereiste zal dus moeten worden voldaan. Dit kan gebeuren nadat het ontworpen besluit is genomen.

Algemene opmerkingen Overeenstemming met richtlijn 2009/128/EG 5. Volgens de door de gemachtigde bezorgde concordantietabel wordt met artikel 38 van het ontwerp onder meer de omzetting van artikel 3 van richtlijn 2009/128/EG beoogd en met de artikelen 82 en 128 de omzetting van artikel 13, lid 1, c) en d), van dezelfde richtlijn. In artikel 3 van richtlijn 2009/128/EG worden de begrippen omschreven die verder in die richtlijn worden gehanteerd.

Artikel 13, lid 1, van richtlijn 2009/128/EG luidt : « 1. De lidstaten stellen de noodzakelijke maatregelen vast om te verzekeren dat de volgende verrichtingen van professionele gebruikers, en in voorkomend geval van distributeurs, de menselijke gezondheid of het milieu niet in gevaar brengen : a) de opslag, hantering, verdunning en vermenging van pesticiden vóór de toepassing ervan;b) de hantering van verpakkingen en restanten van pesticiden;c) de verwijdering van tankmengsels die overblijven na toepassing;d) het schoonmaken van de gebruikte apparatuur na toepassing;e) de terugwinning of verwijdering van restanten van pesticiden en van de verpakkingen ervan overeenkomstig de communautaire wetgeving inzake afvalstoffen.» Gevraagd waarom enkel c) en d) van artikel 13, lid 1, van de richtlijn worden omgezet, heeft de gemachtigde het volgende geantwoord : « Inzake artikel 13.1 van de RL geeft de omzettingstabel die refereert naar Vlaamse (rechterkolom) en federale acties het volgende aan : (a) storage, handling, dilution and mixing of pesticides before application; Wet PN KB Landbouw Praktijkgidsen goede landbouwpraktijken b) (b) handling of packaging and remnants of pesticides; Wet PN KB c) (c) disposal of tank mixtures remaining after application; Wet PN KB Zie voorstel van Vlarem-aanpassing, mho op de implementatie van art. 13.1. c) en d) (onderdeel VLAREM-trein 2012 eerste principiële goedkeuring door de Vlaamse Regering op 20 december 2012) d) (d) cleaning of the equipment used after application; Zie voorstel van Vlarem-aanpassing, mho op de implementatie van art. 13.1. c) en d) (onderdeel VLAREM-trein 2012 eerste principiële goedkeuring door de Vlaamse Regering op 20 december 2012) e) (e) recovery or disposal of pesticide remnants and their packaging in accordance with Community legislation on waste.a) 30/05/1996 - Interregionaal Samenwerkingsakkoord betreffende de preventie en het beheer van verpakkingsafval (artikel 6)[1] b) Onderdeel van het Klein Gevaarlijk Afval (KGA);dergelijk afval wordt selectief ingezameld via de KGA-inzameling die in elke Vlaamse gemeente georganiseerd wordt.

Het klopt dus inderdaad dat dit deels ook federaal wordt geïmplementeerd, aangezien een deel van het door de richtlijn vooropgestelde moet worden geregeld voor wat de fase van het op de markt brengen betreft (aspecten die vallen op te nemen in de federale erkenning van pesticiden opdat zij kunnen worden op de markt gebracht/blijven, vermeldingen op de verpakking van pesticiden, regelingen tav verkoopplaatsen van pesticiden). » Wat onder meer de omzetting van artikel 13 van richtlijn 2009/128/EG betreft, wenst de Raad van State, afdeling Wetgeving, te wijzen op hetgeen hij in dit verband heeft opgemerkt in zijn advies 52.679/VR/3 van 26 februari 2013 over een voorontwerp van ordonnantie 'betreffende een pesticidegebruik dat verenigbaar is met de duurzame ontwikkeling van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest' : « 7. Uit al het bovenstaande volgt dat de omzetting van richtlijn 2009/128/EG in wezen zowel onder de bevoegdheid van de gewesten als onder die van de federale overheid valt, waarbij die bevoegdheden zich aandienen als complementaire bevoegdheden in de zin zoals het Grondwettelijk Hof die reeds heeft aangegeven (5).

Aangezien het actiekader dat voorzien wordt in richtlijn 2009/128/EG een geheel vormt dat bedoeld is om een duurzaam gebruik van pesticiden tot stand te brengen, is het belangrijk ervoor te zorgen dat de maatregelen die genomen worden om de richtlijn om te zetten in het interne recht, een samenhangend, georganiseerd en gearticuleerd geheel vormen.

Zoals de afdeling Wetgeving van de Raad van State reeds heeft opgemerkt (6), kan ze alleen maar aanbevelen dat daartoe een samenwerkingsakkoord wordt gesloten tussen de federale overheid en de gewesten, en zelfs de gemeenschappen.

Zulk een akkoord is thans nog onbestaande, ook al lijkt het erop dat wel overwogen is een aantal gedeeltelijke samenwerkingsakkoorden af te sluiten (7). Het is juist dat geen enkele bepaling uitdrukkelijk het sluiten van zulk een akkoord oplegt. De ontstentenis van zulk een akkoord kan een goede omzetting van richtlijn 2009/128/EG in het Belgische recht echter alleen maar complexer maken. » (8) Regeling door verwijzing 6. In het ontwerp wordt op verschillende plaatsen verwezen naar voorschriften van richtlijnen (9). Er dient met betrekking tot de betrokken bepalingen te worden opgemerkt dat de techniek van regeling door verwijzing naar voorschriften van richtlijnen om wetgevingstechnische redenen ontoelaatbaar is.

Uit de kenmerken van een EU-richtlijn volgt immers dat in principe niet de richtlijn zelf, maar de voorschriften van intern recht die de bepalingen ervan in de interne rechtsorde omzetten, in die rechtsorde van toepassing zullen zijn.

Bijgevolg dienen de verwijzingen naar richtlijnen te worden vervangen door verwijzingen naar de internrechtelijke voorschriften waarmee die richtlijnen in het interne recht werden omgezet. Mochten die richtlijnen nog niet volledig zijn omgezet, dan dienen de bedoelde voorschriften ervan in het ontwerp zelf te worden omgezet.

Internationale normen 7. In het ontwerp wordt op verschillende plaatsen verwezen naar internationale normen : - ontworpen artikel 5.2.4.1.11/1, § 2, van Vlarem II (artikel 122 van het ontwerp) : in die ontworpen bepaling wordt voor koolstofstaal en roestvrij staal verwezen naar respectievelijk de ASTM A36-norm (American Society for Testing and Materials) en de AISI 304, 316L-norm (American Iron and Steel Institute); ook wordt verwezen naar « UN Recommendations »; - ontworpen artikel 35/5, 3°, van het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten8 (artikel 217 van het ontwerp) : er wordt verwezen naar de norm ISO 14001 die als een mogelijke norm wordt vooropgesteld; - ontworpen artikelen 5.7.2.5, derde lid (artikel 130 van het ontwerp), 5.20.2.6, 2° (artikel 152 van het ontwerp), 5.43.2.25, tweede en derde lid (artikel 183, 4°, van het ontwerp) en 5.43.3.25, § 4 (artikel 184, 3°, van het ontwerp) van Vlarem II : in deze bepalingen wordt in subsidiaire orde verwezen naar ISO-normen.

Wat deze normen en aanbevelingen betreft, dient te worden opgemerkt dat deze niet door de constitutioneel (of Europeesrechtelijk) daartoe bevoegde organen tot stand zijn gebracht, deze niet zijn onderworpen aan de geldende waarborgen bij de totstandkoming van regelgeving, en deze niet in het Belgisch Staatsblad (of het Publicatieblad van de Europese Unie) zijn bekendgemaakt. Om enigszins aan deze bezwaren tegemoet te komen, zou minstens de vindplaats ervan moeten worden aangegeven.

Bovendien zijn deze normen niet noodzakelijk vrij toegankelijk (10).

Bijzondere opmerkingen Aanhef 8. Overeenkomstig hetgeen betreffende de rechtsgrond van het ontworpen besluit is opgemerkt, dient de aanhef als volgt te worden aangevuld : - vóór het huidige tweede lid dienen twee nieuw leden te worden ingevoegd waarin in een nieuw tweede lid wordt verwezen naar artikel 1 van de voornoemde wet van 28 december 1964Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten en in een nieuw derde lid naar artikel 3 van de wet van 26 maart 1971; - in het huidige derde lid (dat het vijfde lid wordt) dient ook te worden verwezen naar artikel 87, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten; - in het huidige vierde lid (dat het zesde lid wordt) dient ook te worden verwezen naar de artikelen 3, tweede lid, 11, § 1, 20, eerste en derde lid, 22, vierde lid, en 27, § 2, van het voornoemde decreet van 28 juni 1985; - in het huidige vijfde lid (dat het zevende lid wordt) dient ook te worden verwezen naar de artikelen 2.2.6, 10.2.4, § 5, 10.3.4, § 6, 16.3.9, § 3, 16.4.5, en 16.7.1, § 3, van het voornoemde decreet van 5 april 1995; - vóór het huidige zesde lid dienen twee nieuwe leden te worden ingevoegd waarin in een nieuw achtste lid wordt verwezen naar artikel 30 van het voornoemde decreet van 26 maart 2004Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten6 en in een nieuw negende lid naar artikel 21 van het voornoemde bijzonder decreet van 7 juli 2006Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/03/2009 pub. 06/04/2009 numac 2009011129 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 6 februari 2007 tot uitvoering van artikel 3, § 2, van de wet van 13 juli 2005 betreffende de invoering van een jaarlijkse bijdrage ten laste van bepaalde instellingen type koninklijk besluit prom. 19/03/2009 pub. 01/04/2009 numac 2009003135 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 september 1998 betreffende de nationale zijde van de eerste serie euromuntstukken type koninklijk besluit prom. 19/03/2009 pub. 08/04/2009 numac 2009022162 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot wijziging van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen sluiten3; - in het huidige zesde lid (dat het tiende lid wordt) dient ook te worden verwezen naar artikel 6 van het voornoemde decreet van 27 oktober 2006Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten5 en moet de verwijzing naar artikel 33 weggelaten worden; - in het huidige achtste lid (dat het twaalfde lid wordt) dient te worden verwezen naar artikel 17 van het voornoemde decreet van 25 mei 2012Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten8. 9. Voor het huidige negende lid van de aanhef dient een nieuw lid (dat het dertiende lid wordt) te worden ingevoegd waarin wordt verwezen naar het koninklijk besluit van 24 februari 1977 dat bij het ontworpen besluit wordt gewijzigd. Dispositief Artikel 5 10. Artikel 5, 1°, van het ontwerp strekt ertoe in artikel 1, 13°, van Vlarem I de definitie van de term « gevaarlijke stoffen » te vervangen en eraan drie verschillende betekenissen te geven afhankelijk van het kader waarin die term wordt gehanteerd. In a) en b) van het ontworpen 13° wordt dit kader aangegeven door een verwijzing naar respectievelijk richtlijn 2000/60/EG (11) en richtlijn 96/82/EG (12). Er dient echter te worden verwezen naar de interne regelgeving van het Vlaamse Gewest waarbij die richtlijnen zijn omgezet.

Artikel 30 11. Artikel 30, 6°, c), van het ontwerp strekt ertoe in kolom 8 van bijlage 1 bij Vlarem I na de verklaring van het symbool « B » een verklaring van het symbool « S » toe te voegen.In de eerste regel van die verklaring dienen na de woorden « conform artikel 33bis van het Bodemdecreet » de woorden « en artikel 17 van het decreet van 25 mei 2012Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten8 tot wijziging van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en het decreet van 27 oktober 2006Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten5 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming met het oog op de omzetting van de Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) » te worden toegevoegd.

Artikel 41 12. Luidens het ontworpen artikel 1.2.2ter.2, § 3, van Vlarem II vat de termijn van dertig kalenderdagen, vermeld in paragraaf 2 van dat artikel, aan uiterlijk op de elfde dag na de verklaring tot ontvankelijkheid en volledigheid van het aanvraagdossier van de afwijking, vermeld in de artikelen 1.2.2.2 en 1.2.2bis.4 ervan.

In het ontworpen artikel 1.2.2ter.1, § 3, van Vlarem II is de hypothese van een stilzwijgende goedkeuring van de ontvankelijkheid en volledigheid van de aanvraag opgenomen.

Gevraagd waar voor die hypothese de aanvang van deze termijn wordt bepaald, heeft de gemachtigde het volgende geantwoord : « Bij gebreke aan ontvankelijk- en volledigverklaring, vat de termijn van 30 dagen van het openbaar onderzoek uiterlijk aan op de 11de dag nadat de aanvraag ontvankelijk en volledig geacht wordt met toepassing van het ontworpen artikel 1.2.2ter1, § 3.

Titel I van het VLAREM vervat een gelijkaardige bepaling voor milieuvergunningsaanvragen, met name artikel 35, 2° en artikel 36, 2°.

Voor zover dit noodzakelijk zou zijn kan de bepaling als volgt verduidelijkt worden : 'De termijn van dertig kalenderdagen, vermeld in paragraaf 2, vat uiterlijk aan op de elfde dag na de dag waarop het aanvraagdossier van de afwijking, vermeld in artikel 1.2.2.2 en 1.2.2bis.4, ontvankelijk en volledig wordt verklaard of geacht zoals vermeld in artikel 1.2.2ter1, § 3. » De volgende tekst wordt ter overweging gegeven : « De termijn van dertig kalenderdagen, vermeld in paragraaf 2, vat aan uiterlijk op de elfde dag na de dag waarop het aanvraagdossier van de afwijking, vermeld in de artikelen 1.2.2.2 en 1.2.2bis.4, ontvankelijk en volledig wordt verklaard overeenkomstig artikel 1.2.2ter.1, § 2, of dit wordt geacht te zijn overeenkomstig artikel 1.2.2ter.1, § 3. » 13. Luidens het ontworpen artikel 1.2.2ter.5, tweede lid, van Vlarem II omvat de uitspraak van de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, een « gemotiveerde » beslissing waarbij rekening wordt gehouden met de bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek werden geuit.

In zoverre hiermee wordt verwezen naar de formele motivering die wordt opgelegd bij de wet van 29 juli 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 29/07/1991 pub. 18/12/2007 numac 2007001008 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. - Duitse vertaling sluiten 'betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen', is zulks tegelijk overbodig en misleidend. Overbodig, omdat de formele motiveringsplicht reeds op zich uit de wet van 29 juli 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 29/07/1991 pub. 18/12/2007 numac 2007001008 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. - Duitse vertaling sluiten voortvloeit. Misleidend, omdat erdoor ten onrechte de indruk wordt gewekt dat de formele motiveringsverplichting niet bestaat zonder dat zulks uitdrukkelijk wordt voorgeschreven.

Tenzij een meer verregaande motiveringsplicht dan die welke voortvloeit uit de wet van 29 juli 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 29/07/1991 pub. 18/12/2007 numac 2007001008 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. - Duitse vertaling sluiten wordt beoogd, in welk geval de draagwijdte ervan dient te worden omschreven, dient het woord « gemotiveerde » in de genoemde bepaling te vervallen.

Artikel 47 14. In het ontworpen artikel 2.7.2.1 van Vlarem II dient te worden verwezen naar artikel 33bis van VLAREM I in plaats van naar artikel 34 ervan.

Artikel 52 15. Luidens het ontworpen artikel 2.8.1.1 van Vlarem II ziet de « Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, (...) erop toe dat algemene en sectorale milieuvoorwaarden gelijke tred houden met de ontwikkelingen op het gebied van de BBT, zodat voor GPBV-installaties conformiteit met artikel 41bis van titel I van het Vlarem wordt gewaarborgd ».

Met die bepaling wordt beoogd artikel 17, lid 3, van richtlijn 2010/75/EU om te zetten, naar luid waarvan de lidstaten erop toezien dat de algemene bindende voorschriften gelijke tred houden met de ontwikkelingen op het gebied van de beste beschikbare technieken, zodat conformiteit met artikel 21 van de richtlijn wordt gewaarborgd.

In tegenstelling met wat de stellers van het ontwerp voorhouden, behoeft artikel 17, lid 3, van richtlijn 2010/75/EU geen omzetting aangezien deze bepaling enkel gericht is tot de lidstaten. Bovendien moet worden opgemerkt dat het ontworpen artikel 2.8.1.1 misleidend is, nu de indruk kan worden gewekt dat aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, delegatie wordt verleend om de algemene en de sectorale milieuvoorwaarden aan te passen.

Het ontworpen artikel 2.8.1.1 dient bijgevolg uit het ontwerp te worden weggelaten.

Artikel 81 16. In het ontworpen artikel 4.10.1.4, § 2, tweede zin, van Vlarem II wordt verwezen naar « artikel 5, § 9, en artikel 6quater, § 3 », zonder dat gewag wordt gemaakt van de regelgeving waartoe deze artikelen behoren. De ontworpen bepaling dient op dat punt te worden aangevuld.

Artikel 94 17. Artikel 94, 1°, van het ontwerp strekt ertoe in artikel 5.2.3bis.1.11, § 3, van Vlarem II de zinsnede « 7 maart 2001 betreffende de benaming, de kenmerken en het zwavelgehalte van de gasolie voor verwarming » te vervangen door de zinsnede « 3 oktober 2002 tot vervanging van het koninklijk besluit van 3 oktober 2002Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 03/10/2002 pub. 23/10/2002 numac 2002011394 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit tot vervanging van het koninklijk besluit van 7 maart 2001 betreffende de benaming, de kenmerken en het zwavelgehalte van de gasolie voor verwarming sluiten tot vervanging van het koninklijk besluit van 7 maart 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/03/2001 pub. 23/03/2001 numac 2001011114 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit betreffende de benaming, de kenmerken en het zwavelgehalte van de gasolie voor verwarming type koninklijk besluit prom. 07/03/2001 pub. 23/03/2001 numac 2001011115 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit betreffende de benaming, de kenmerken en het zwavelgehalte van de gasolie voor de zeescheepvaart sluiten betreffende de benaming, de kenmerken en het zwavelgehalte van de gasolie voor verwarming ». Deze ontworpen zinsnede is echter verkeerd en dient te worden vervangen door de zinsnede : « 3 oktober 2002 tot vervanging van het koninklijk besluit van 7 maart 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/03/2001 pub. 23/03/2001 numac 2001011114 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit betreffende de benaming, de kenmerken en het zwavelgehalte van de gasolie voor verwarming type koninklijk besluit prom. 07/03/2001 pub. 23/03/2001 numac 2001011115 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit betreffende de benaming, de kenmerken en het zwavelgehalte van de gasolie voor de zeescheepvaart sluiten betreffende de benaming, de kenmerken en het zwavelgehalte van de gasolie voor verwarming ».

Artikel 145 18. In het ontworpen artikel 5.18.2.7.2, § 2, tweede lid, van Vlarem II wordt in een overgangsregeling voorzien voor inrichtingen die definitief vergund zijn vóór 1 juli 2013.

Gevraagd hoe die scharnierdatum van 1 juli 2013 kan worden verantwoord, heeft de gemachtigde het volgende geantwoord : « De reden voor die datum is dat de overheid niet opeens nieuwe regels over beschermingsstroken en hellingsgraden kan opleggen voor oude vergunningen (oude ontginningsputten) : het is technisch niet mogelijk om die beschermingsstroken en hellingsgraden plotseling aan te passen aan de nieuwe regels.

Het betreft dus een overgangstermijn om bestaande inrichtingen de tijd te geven aan de nieuwe bepalingen te kunnen voldoen. Deze was oorspronkelijk gezet op 1 juli 2013, maar door de huidige stand van zaken van het dossier Vlarem-trein 2012, komt deze datum in het gedrang. Het is opportuun om deze datum te verschuiven naar 1 januari 2014, mede gelet op de duur van een vergunningsaanvraag (6 maanden).

Er moet immers vermeden worden dat een vergunningsaanvraag lopende is overeenkomstig de oude regels, dan plots de nieuwe regels in werking treden, en de vergunningsvoorwaarden plots niet meer in overeenstemming zijn met de nieuwe sectorale voorwaarden.

Deze datum moet dan ook aangepast worden in het ontworpen artikel 5.18.2.6.2, § 2. » Met deze voorstellen kan worden ingestemd.

Artikel 221 19.1. Artikel 221 van het ontwerp strekt tot wijziging van artikel 1 van bijlage VII bij het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten8 waarin de lijsten met de milieu-inbreuken zijn opgenomen.

In artikel 16.1.2, 1°, van het voornoemde decreet van 5 april 1995 wordt de term « milieu-inbreuk » gedefinieerd (13). In het licht van deze definitie rijst bij sommige van de ontworpen milieu-inbreuken de vraag welke gedraging precies de milieu-inbreuk vormt. 19.2. In artikel 1 van bijlage VII bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten8 wordt bij artikel « 5 18 2 1 1 » (lees : 5.18.2.1, § 1) de wettelijke verplichting vervangen als volgt : (14) « Tenzij het anders is vermeld in de milieuvergunning, wordt de vergunde ontginningszone vóór de aanvang van de ontginningswerken duidelijk afgepaald door een beëdigd landmeter. De exploitant deelt de datum en het uur waarop tot die afpaling wordt overgegaan, uiterlijk zeven kalenderdagen vooraf mee aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, en aan de afdeling bevoegd voor natuurlijke rijkdommen. » Gevraagd wat hier precies de milieu-inbreuk is, namelijk de afpaling door een beëdigd landmeter of het meedelen van de datum en het uur waarop tot die afpaling wordt overgegaan, alsook of de eerste « gedraging » wel kan worden beschouwd als een milieu-inbreuk gelet op het bepaalde in artikel 16.1.2, 1°, van het decreet van 5 april 1995, heeft de gemachtigde het volgende geantwoord : « Inbreuk : Het meedelen van de datum en het uur waarop tot afpaling zal worden overgegaan aan de afdeling bevoegd voor milieuhandhaving en de afdeling bevoegd voor natuurlijke rijkdommen. » In de ontworpen milieu-inbreuk bij artikel 5.18.2.1, § 1, dient bijgevolg de eerste zin te worden weggelaten. 19.3. In artikel 1 van bijlage VII bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten8 wordt bij artikel 5.32.2.5, § 4, de wettelijke verplichting vervangen als volgt : (15) « Onverminderd de bepalingen van afdeling 4.1.12 beschikt de inrichting over een voldoende aantal geschikte, gebruiksklare en gemakkelijk te bereiken blustoestellen. Deze blustoestellen worden tenminste jaarlijks op hun goede werking gecontroleerd door de leverancier of een bevoegde deskundige. De attesten met datum en uitslag van deze controle moeten bij het veiligheidsdossier gevoegd worden dat ter inzage van de toezichthouder dient gehouden. » Ook hier gevraagd wat precies de milieu-inbreuk is, heeft de gemachtigde het volgende geantwoord : « Inbreuk : Aantonen van jaarlijkse controle van de blustoestellen adhv attesten die ter inzage worden gehouden van de toezichthouder. » In de ontworpen milieu-inbreuk bij artikel 5.32.2.5, § 4, dienen bijgevolg de eerste en de tweede zin te worden weggelaten.

Artikel 237 en 238 20. Luidens het verslag aan de Vlaamse Regering wordt in artikel 237 van het ontwerp de inwerkingtreding van het besluit geregeld voor de bijzondere gevallen waarin wordt voorzien in de « RIE » (bedoeld wordt : richtlijn 2010/75/EU), meer bepaald voor de GPBV-stallaties. Luidens artikel 238 van het ontwerp treedt het besluit in werking op 1 januari 2013, met uitzondering van artikel 38, 12°, en artikel 145, die in werking treden op 1 juli 2013 (16). Volgens het verslag aan de Vlaamse Regering is de inwerkintreding op 1 januari 2013 nodig om een tijdige omzetting van de « ETS-richtlijn » (bedoeld wordt : richtlijn 2009/29/EG) en de RIE te garanderen.

Door te bepalen dat het besluit « in werking treedt » op (lees : uitwerking heeft met ingang van » 1 januari 2013 wordt eraan terugwerkende kracht verleend. Deze retroactiviteit vindt haar oorzaak in het feit dat voor de volgende richtlijnen, waarvan het ontwerp strekt tot de omzetting, het Vlaamse Gewest reeds de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking had moeten doen treden : - voor richtlijn 2009/29/EG is de uiterste omzettingsdatum 31 december 2012; - voor richtlijn 2009/128/EG is de uiterste omzettingsdatum 26 november 2011; - voor richtlijn 2010/75/EU is voor een aantal bepalingen de uiterste omzettingsdatum 7 januari 2013; (17) - voor richtlijn 2011/97/EU is de uiterste omzettingsdatum 15 maart 2013.

In zoverre door het te nemen besluit met terugwerkende kracht allerlei nieuwe verplichtingen worden opgelegd, is de terugwerkende kracht van dergelijke bepalingen strijdig met de beginselen van rechtszekerheid en van voorzienbaarheid van de regelgeving. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de vaststelling dat de Vlaamse Regering te laat is met de omzetting van deze richtlijnen.

De bezwaren tegen de terugwerkende kracht gelden des te meer nu de overtredingen van deze bepalingen strafbaar worden gesteld. De terugwerkende kracht zou aldus strijdig zijn met het verbod van retroactiviteit van de strafwet, gewaarborgd bij artikel 7 van het Europees Verdrag over de rechten van de mens en artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten (18).

Aangezien uit het voorgaande volgt dat aan artikel 238 van het ontwerp geen terugwerkende kracht kan worden verleend, kunnen de artikelen 237 en 238 van het ontwerp worden samengevoegd tot één artikel met een gedifferentieerde inwerkingtreding. Daarbij dient erover te worden gewaakt dat de inwerkingtreding op een consequente wijze wordt geformuleerd, dit om de leesbaarheid te bevorderen. Immers in het huidige artikel 237, tweede lid, van het ontwerp wordt verwezen naar de nieuwe bepalingen van Vlarem I en vlarem II, terwijl in artikel 237, derde lid, wordt verwezen naar de artikelen van het ontwerp. ______ Nota's (1) Gelet op de toegemeten termijn, de omvang van het ontwerp en de huidige overbevraging van de kamer, heeft de Raad van State slechts een summier onderzoek van het ontworpen besluit kunnen verrichten.Uit de vaststelling dat in dit advies over een bepaling niets wordt opgemerkt, mag bijgevolg niet zonder meer worden afgeleid dat er niets over kan worden opgemerkt. Evenmin betekent het gegeven dat over een bepaling wel iets wordt opgemerkt, dat er niets méér kan over worden opgemerkt. (2) Artikel 17 van het decreet van 25 mei 2012Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten8 luidt als volgt : « Als de milieuvergunningsaanvraag, vermeld in artikel 33bis, § 1, van het decreet van 27 oktober 2006Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten5 betreffende de bodemsanering en bodembescherming, vóór 7 januari 2013 werd ingediend en als de inrichting op 7 januari 2013 nog niet in gebruik genomen werd, wordt alsnog een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd en wordt het verslag daarvan aan de OVAM bezorgd vóór de vergunde inrichting in gebruik genomen wordt.» (3) Vanaf 1 september 2013 geldt voor biociden verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 'betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden'. (4) Richtlijn 2009/128/EG is aangenomen op grond van artikel 175, lid 1, van het EG-verdrag, thans artikel 192, lid 1, VWEU.(5) Voetnoot nr.60 uit advies 52.679/VR/3 : GwH 15 januari 2009, nr. 2/2009, B.8. (6) Voetnoot nr.61 uit advies 52.679/VR/3 : Voornoemd advies 50.417/3. (7) Voetnoot nr.62 uit advies 52.679/VR/3 : Zo bijvoorbeeld staat in het reeds eerder genoemde document gevoegd bij de notulen van de vergadering van de uitgebreide ICL van 28 juni 2011 (voetnoot 31 van dit advies), dat zelf niet als samenwerkingsakkoord kan worden bestempeld, onder principe 2 en in punt 1 van principe 5 dat een samenwerkingsakkoord « moet worden goedgekeurd » vóór 1 januari 2013.

Zo ook staat in het document « Répartition des compétences pour la transposition de la directive (2009/128) instaurant un cadre d'action communautaire pour parvenir à une utilisation des pesticides compatible avec le développement durable », dat ook reeds eerder is genoemd (zie punt 4 van dit advies) enerzijds dat een samenwerkingsakkoord moet worden afgesloten voor sommige bepalingen van richtlijn 2009/128/EG, en dit, nadat die bepalingen door elk van de betrokken bevoegdheidsniveaus zullen zijn omgezet, en anderzijds, bij voorkeur een samenwerkingsakkoord zou moeten worden afgesloten tussen de gewesten en de gemeenschappen voor een aantal andere bepalingen van richtlijn 2009/128/EG (het gaat om de bepalingen betreffende de organisatie van de basisopleiding en de aanvullende opleiding, het verbod op of de vermindering van pesticiden op sommige openbare of beschermde plaatsen, het schoonmaken van gebruikt materiaal, na het toepassen van pesticiden en de geïntegreerde gewasbescherming - in datzelfde document staat echter dat « la répartition entre les Régions et les Communautés doit encore être précisée »). (8) Parl.St. Br.H.Parl. 2012-13, A-384/1, 63. (9) Zie de ontworpen rubriek 2.4.3 van bijlage 1 bij Vlarem I (artikel 30, 18°, van het ontwerp), de ontworpen definitie van « hoofdeigenschap » bij « gevaarlijke producten » in artikel 1.1.2 van Vlarem II (artikel 38, 9°, a), van het ontwerp), de ontworpen artikelen 1.2.2bis.3, 2°, en 1.2.2bis.4, 3°, van Vlarem II (artikel 41, 1°, van het ontwerp, artikel 53 van het ontwerp) en het ontworpen 2°, m), in de lijst van verontreinigde stoffen van bijlage 1.1.2 bij Vlarem II (artikel 200, 8°, van het ontwerp). (10) ISO-normen bijvoorbeeld kunnen enkel tegen betaling worden verkregen.(11) Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 'tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid'.(12) Richtlijn 96/82/EG van de Raad van 9 december 1996 'betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken'. (13) Artikel 16.1.2, 1°, van het voornoemde decreet van 5 april 1995 luidt als volgt : « Tenzij het uitdrukkelijk anders bepaald is, wordt, voor de toepassing van deze titel, verstaan onder : 1° milieu-inbreuk : een gedraging, in strijd met een voorschrift dat wordt gehandhaafd met toepassing van deze titel.Die gedraging : a) betreft exclusief een schending van administratieve verplichtingen zoals bepaald in de milieuwetgeving, vermeld in artikel 16.1.1, eerste lid; b) betreft geen emissies als vermeld in artikel 16.6.2; c) betreft niet het achterlaten, beheren of overbrengen van afvalstoffen als vermeld in artikel 16.6.3; d) veroorzaakt geen gezondheidsschade of dood;e) kan niet strafrechtelijk worden bestraft overeenkomstig de bepalingen van deze titel;f) moet opgenomen zijn in een lijst, te bepalen door de Vlaamse Regering. Onverminderd de bepalingen van het eerste lid kunnen evenwel gedragingen die een schending inhouden van : a) de verplichting om te beschikken over een milieuvergunning of een erkenning;b) de verplichting om een veiligheidsrapport of een milieueffectrapport op te maken; niet beschouwd worden als een milieu-inbreuk. » (14) Zie artikel 221, 4°, van het ontwerp.(15) Zie artikel 221, 7°, van het ontwerp. (16) De voorwaarden opgenomen in het ontworpen hoofdstuk 5.18 van Vlarem II (artikel 145 van het ontwerp) en de erbij horende definities van artikel 1.1.2 van Vlarem II (artikel 38, 12°, van het ontwerp) treden maar in werking op 1 juli 2013 om, zoals in het verslag aan de Vlaamse Regering wordt vermeld, de exploitanten enige tijd te geven om zich in regel te stellen met de nieuwe bepalingen. (17) Ook het decreet van 25 mei 2012Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten8 is op 7 januari 2013 in werking getreden.(18) Ook de kwalificatie als milieu-inbreuk van het overtreden van een aantal bepalingen, is niet te verenigen met enige rectroactiviteit. De griffier, A. Goossens.

De voorzitter, J. Baert.

7 JUNI 2013. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse besluiten inzake leefmilieu houdende omzetting van Europese richtlijnen en andere diverse wijzigingen De Vlaamse Regering, Gelet op Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie, het laatst gewijzigd bij de Verordening (EU) nr. 412/2012 van de Commissie van 15 mei 2012;

Gelet op de wet van 28 december 1964Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging, artikel 1;

Gelet op de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van oppervlaktewateren tegen verontreiniging, artikel 3, gewijzigd bij de wet van 21 december 1998 betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid;

Gelet op de wet van 18 juli 1973Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten betreffende de bestrijding van de geluidshinder, artikel 1, eerste lid;

Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot hervorming der instellingen, artikel 20 en artikel 87, § 1, het laatst gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993;

Gelet op het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, artikel 3, tweede lid, vervangen bij het decreet van 23 december 2010, artikel 4, § 2, tweede lid, artikel 11, § 1, artikel 12, § 1, artikel 14, § 1, gewijzigd bij het decreet van 21 december 1990, artikel 17, eerste lid, artikel 20, eerste en derde lid, gewijzigd bij het decreet van 25 mei 2012Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten8, artikel 21, § 3, artikel 22, derde en vierde lid, artikel 22bis, § 1, tweede lid, artikel 24, § 2, eerste lid en artikel 27, § 2 en § 3;

Gelet op het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, artikel 2.2.6, artikel 10.2.4, § 5, artikel 10.3.4, § 6, artikel 16.1.2, 1°, f), ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten9, artikel 16.3.9, § 3, artikel 16.4.5, artikel 16.7.1, § 3, artikel 16.4.10, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten9 en gewijzigd bij de decreten van 30 april 2009 en 23 december 2010, en artikel 16.7.1, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten9;

Gelet op het decreet van 26 maart 2004Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten6 betreffende de openbaarheid van bestuur, artikel 30;

Gelet op het bijzonder decreet van 7 juli 2006Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/03/2009 pub. 06/04/2009 numac 2009011129 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 6 februari 2007 tot uitvoering van artikel 3, § 2, van de wet van 13 juli 2005 betreffende de invoering van een jaarlijkse bijdrage ten laste van bepaalde instellingen type koninklijk besluit prom. 19/03/2009 pub. 01/04/2009 numac 2009003135 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 september 1998 betreffende de nationale zijde van de eerste serie euromuntstukken type koninklijk besluit prom. 19/03/2009 pub. 08/04/2009 numac 2009022162 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot wijziging van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen sluiten3 over de Vlaamse instellingen, artikel 21;

Gelet op het decreet van 27 oktober 2006Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten5 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, artikel 5, § 4, artikel 6, artikel 33bis, § 2, tweede lid, ingevoegd bij het decreet van 25 mei 2012Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten8 en artikel 36;

Gelet op het Energie decreet van 8 mei 2009Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/03/2009 pub. 06/04/2009 numac 2009011129 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 6 februari 2007 tot uitvoering van artikel 3, § 2, van de wet van 13 juli 2005 betreffende de invoering van een jaarlijkse bijdrage ten laste van bepaalde instellingen type koninklijk besluit prom. 19/03/2009 pub. 01/04/2009 numac 2009003135 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 september 1998 betreffende de nationale zijde van de eerste serie euromuntstukken type koninklijk besluit prom. 19/03/2009 pub. 08/04/2009 numac 2009022162 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot wijziging van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen sluiten2, artikel 9.1.1;

Gelet op het decreet van 25 mei 2012Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten8 tot wijziging van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en het decreet van 27 oktober 2006Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten5 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming met het oog op de omzetting van de Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging), artikel 17;

Gelet op het koninklijk besluit van 24 februari 1977 houdende vaststelling van geluidsnormen voor muziek in openbare en private inrichtingen;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten7 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten8 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten5 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties en de inzet van flexibele mechanismen;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 18 januari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten1 tot wijziging van artikel 1 en bijlage 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning en diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 19 december 2012;

Gelet op advies 53.163/3 van de Raad van State, gegeven op 7 mei 2013, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur;

Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen

Artikel 1.Dit besluit voorziet in de omzetting van Richtlijn 2009/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten van de Gemeenschap te verbeteren en uit te breiden.

Art. 2.Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden.

Art. 3.Dit besluit voorziet in de omzetting van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies.

Art. 4.Dit besluit voorziet in de omzetting van Richtlijn 2011/97/EU van de Raad van 5 december 2011 tot wijziging van Richtlijn 1999/31/EG met betrekking tot specifieke criteria voor opslag van metallisch kwik dat als afval wordt beschouwd. HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van titel I van het VLAREM

Art. 5.In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 januari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten1, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° punt 13° wordt vervangen door wat volgt : « 13° « gevaarlijke stoffen » : a) in toepassing van artikel 38, § 6, artikel 41, § 1, en bijlage 2 van dit besluit, de afdelingen 2.4.3, 4.2.2, 4.2.3, 4.2.5 en 4.3.1, de artikels 2.3.6.1, 5.3.2.4, § 7, 5BIS.15.5.4.3.4, 5BIS.15.5.4.3.5, 5BIS.19.8.4.5.4 en 5BIS.19.8.4.5.5, artikel 3 van bijlage 2.3.1 en bijlage 5.3.2, 21 van titel II van het VLAREM : toxische, persistente en bioaccumuleerbare stoffen of groepen van stoffen en andere stoffen of groepen van stoffen die aanleiding geven tot evenveel bezorgdheid; b) in toepassing van artikel 6quater, § 3, artikel 7, § 1, artikel 8, § § 1 en 2, artikel 16, 1°, bijlage 5, deel 2, III en bijlage 6 van dit besluit en artikel 5.2.6.3.1 van titel II van het VLAREM : stoffen, mengsels of preparaten als vermeld in bijlage 6, deel 1, gevoegd bij dit besluit of beantwoordend aan de criteria, vermeld in bijlage 6, deel 2, gevoegd bij dit besluit en aanwezig als grondstof, product, bijproduct, residu of tussenproduct, met inbegrip van die stoffen waarvan redelijkerwijs mag worden verwacht dat ze bij een ongeval ontstaan; c) in toepassing van artikel 30bis, § 2, 14°, van dit besluit en artikel 4.1.13.3, 2° van titel II van het VLAREM en in uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 : stoffen of mengsels als vermeld in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels »; 2° punt 16° en 17° worden vervangen door wat volgt : « 16° « GPBV-installatie » : een vaste technische eenheid waarin een of meer van de activiteiten en processen, vermeld in de indelingslijst, en aangeduid met de letter X in de vierde kolom van de indelingslijst, alsook andere op dezelfde locatie ten uitvoer gebrachte en daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden die technisch in verband staan met de voormelde activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging;17° « vergunning » : een schriftelijke machtiging om een inrichting, dan wel een deel ervan, te exploiteren en waarbij een vergunning betrekking kan hebben op een of meer inrichtingen die zich op dezelfde locatie bevinden en die door dezelfde exploitant worden geëxploiteerd;»; 3° in punt 18° wordt het woord « GPBV-inrichting » vervangen door het woord « GPBV-installatie », het woord « kenmerken » door het woord « aard » en de woorden « negatieve en significante effecten » door de woorden « significante negatieve effecten »;4° punt 19° wordt opgeheven;5° punt 28° wordt opgeheven;6° in punt 29° worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) de woorden « beste beschikbare techniek : » worden vervangen door de zinsnede « beste beschikbare technieken, hierna BBT te noemen : »;b) tussen de woorden « emissiegrenswaarden » en de woorden « te vormen » worden de woorden « en andere vergunningsvoorwaarden » ingevoegd;c) in punt b) wordt tussen de woorden « dat de » en het woord « technieken » het woord « betrokken » ingevoegd;7° punt 38° wordt vervangen door wat volgt : « 38° « BKG-installatie » : een vaste technische eenheid waarin een of meer van de activiteiten en processen, vermeld in de indelingslijst en aangeduid met de letter Y in de vierde kolom van de indelingslijst, alsook andere op dezelfde locatie ten uitvoer gebrachte en daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden die technisch in verband staan met voormelde activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging;»; 8° punt 39° en punt 42° worden opgeheven;9° er worden een punt 67° tot en met 86° toegevoegd, die luiden als volgt : « 67° « stof » : een chemisch element en de verbindingen daarvan, met uitzondering van radioactieve stoffen en genetisch gemodificeerde organismen en micro-organismen;68° « verontreiniging » : de directe of indirecte inbreng door menselijke activiteiten van stoffen, trillingen, warmte of geluid in lucht, water of bodem, die de gezondheid van de mens of de milieukwaliteit kan aantasten, schade kan toebrengen aan materiële goederen, of de belevingswaarde van het milieu of een ander rechtmatig milieugebruik kan aantasten of in de weg kan staan;69° « emissie » : de directe of indirecte uitstoot uit puntbronnen of diffuse bronnen van de installatie, stoffen, trillingen, warmte of geluid in de lucht, het water of de bodem;70° « emissiegrenswaarde » : de massa, gerelateerd aan bepaalde specifieke parameters, de concentratie en/of het niveau van een emissie, die gedurende een of meer vastgestelde perioden niet mogen worden overschreden. De emissiegrenswaarden kunnen ook voor bepaalde groepen, families of categorieën van stoffen worden vastgesteld, namelijk voor de stoffen, vermeld in bijlage 1.1.2 van titel II van het VLAREM. De emissiegrenswaarden voor de emissies van stoffen gelden op het punt waar de emissies de installatie verlaten en worden bepaald zonder rekening te houden met een eventuele verdunning.

Voor indirecte lozingen van verontreinigende stoffen in water mag bij de bepaling van de emissiegrenswaarden van de betrokken installatie rekening worden gehouden met het effect van een waterzuiveringsinstallatie, op voorwaarde dat een equivalent niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel wordt gewaarborgd en dat dit niet leidt tot een hogere belasting van het milieu; 71° « milieukwaliteitsnorm » : alle eisen waaraan op een gegeven ogenblik in een bepaald milieucompartiment of een bepaald gedeelte daarvan moet worden voldaan overeenkomstig deel 2 van titel II van het VLAREM;72° « BBT-referentiedocument », hierna BREF te noemen : een document dat het resultaat is van de overeenkomstig artikel 13 van de Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) georganiseerde uitwisseling van informatie, dat opgesteld is voor welomschreven activiteiten en dat met name een beschrijving geeft van toegepaste technieken, huidige emissies en consumptieniveaus, technieken die in overweging worden genomen voor de bepaling van BBT, alsook BBT-conclusies en eventuele technieken in opkomst, met bijzondere aandacht voor de criteria, vermeld in bijlage 18 bij dit besluit;73° « BBT-conclusies » : een document dat bestaat uit die delen van een BREF met de conclusies over BBT, de beschrijving ervan, gegevens ter beoordeling van de toepasselijkheid ervan, de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus, de daarmee verbonden monitoring, de daarmee verbonden consumptieniveaus en, in voorkomend geval, de toepasselijke terreinsaneringsmaatregelen;74° « met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus », hierna BBT-GEN te noemen : de bandbreedte van emissieniveaus verkregen in normale bedrijfsomstandigheden met gebruikmaking van een beste beschikbare techniek of een combinatie van BBT als omschreven in de BBT-conclusies, uitgedrukt als een gemiddelde over een bepaalde periode, in specifieke referentieomstandigheden;75° « techniek in opkomst » : een nieuwe techniek voor een industriële activiteit die, als ze commercieel wordt ontwikkeld, hetzij een hoger algemeen beschermingsniveau voor het milieu hetzij ten minste hetzelfde beschermingsniveau voor het milieu en grotere kostenbesparingen kan opleveren dan de bestaande BBT;76° « publiek » : een of meer natuurlijke personen of rechtspersonen en hun verenigingen, organisaties of groepen;77° « bodem » : de bovenste laag van de aardkorst die begrensd is door het vaste gesteente en het aardoppervlak.De bodem bestaat uit minerale deeltjes, organisch materiaal, water, lucht en levende organismen; 78° « ondergrond » : het gedeelte van de aardkorst dat onder de bodem ligt;79° « ontvangend waterlichaam » : oppervlaktewater, grondwater en overgangswater als vermeld in artikel 3, § 2, 3°, 4° en 10°, van het decreet van 18 juli 2003Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten7 betreffende het integraal waterbeleid;80° « toezichthouder » : de persoon die krachtens dit besluit of krachtens titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid bevoegd is om toezicht uit te oefenen.». « 81° « eerste verbintenisperiode » : de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2012; 82° « tweede verbintenisperiode » : de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2020;83° « ton kooldioxide-equivalent » : een metrische ton koolstofdioxide (CO2) of een hoeveelheid van de andere broeikasgassen met een gelijkwaardig aardopwarmingspotentieel;84° « BKG-emissies » : a) in het kader van de eerste verbintenisperiode, CO2-emissies die overeenkomstig het ministerieel besluit van 14 december 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten2 houdende vaststelling van richtsnoeren voor het opstellen en wijzigen van het 'monitoringplan' voor de handelsperiode 2008-2012 bewaakt worden;b) in het kader van de tweede verbintenisperiode, emissies van broeikasgassen afkomstig van activiteiten met de vermelding van de letter Y in de indelingslijst, alleen voor wat betreft de emissies waarop de subindexen bij de letter Y betrekking hebben, uitgedrukt in ton kooldioxide-equivalenten;85° « monitoringplan » : een document dat bedoeld is voor het bewaken van BKG-emissies en dat opgesteld is overeenkomstig Verordening (EU) nr.601/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad; 86° « emissiejaarrapport » : a) in het kader van de eerste verbintenisperiode, een rapport over de BKG-emissies die zijn uitgestoten tijdens het voorgaande kalenderjaar, dat is opgesteld overeenkomstig de sjabloon die op 23 januari 2009 is vastgesteld door de Vlaamse minister, bevoegd voor leefmilieu en het waterbeleid;b) in het kader van de tweede verbintenisperiode, een emissieverslag over de BKG-emissies die zijn uitgestoten tijdens het voorgaande kalenderjaar, dat is opgesteld en waarover werd gerapporteerd overeenkomstig verordening (EU) nr.601/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad. ».

Art. 6.In artikel 5 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten0, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° paragraaf 7 wordt vervangen door wat volgt : « § 7.Bij de vergunningsaanvraag voor een GPBV-installatie, worden bovendien de volgende stukken gevoegd : 1° een bijlage over geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging die een beschrijving bevat van : a) de installatie en de activiteiten die er plaatsvinden;b) de grondstoffen en hulpmaterialen, de andere stoffen, en de energie die in de installatie worden gebruikt of door de installatie worden gegenereerd;c) de emissiebronnen van de installatie;d) de toestand van het terrein van de installatie;e) de aard en de omvang van de te verwachten emissies van de installatie in elk milieucompartiment met een overzicht van de significante milieueffecten van de emissies;f) de beoogde technologie en de andere technieken om de emissies van de installatie te voorkomen of, als dat niet mogelijk is, te verminderen;g) de maatregelen voor de preventie, de voorbereiding voor hergebruik, de recycling en de terugwinning van de door de installatie voortgebrachte afvalstoffen;h) de andere maatregelen die worden getroffen om te voldoen aan de algemene beginselen van de fundamentele verplichtingen van de exploitant, vermeld in artikel 43ter;i) de maatregelen die worden getroffen ter controle van de emissies in het milieu;j) een schets van de voornaamste door de aanvrager bestudeerde alternatieven voor de vooropgestelde technologie, technieken en maatregelen;k) voor installaties met een rubriek die in de achtste kolom van de indelingslijst met de kenletter S worden aangeduid : een verslag van oriënterend bodemonderzoek en een bodemattest van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij waaruit blijkt dat met dat oriënterend bodemonderzoek voldaan is aan de bodemonderzoeksplicht, vastgesteld door en krachtens artikel 33bis van het decreet van 27 oktober 2006Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten5 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming;2° een niet-technische samenvatting van de gegevens, vermeld in punt 1°. Als aan een van de eisen, vermeld in het eerste lid, kan worden voldaan met gegevens uit het milieueffectrapport of uit het veiligheidsrapport, of met andere informatie die wordt verstrekt overeenkomstig andere wetgeving, kunnen die gegevens in de vergunningsaanvraag worden opgenomen of bij de vergunningsaanvraag worden gevoegd. »; 2° in paragraaf 8 worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) in het eerste lid wordt punt c) opgeheven;b) het tweede en derde lid worden vervangen door wat volgt : « Een inrichting met een totaal jaarlijks energiegebruik van ten minste 0,1 PetaJoule, voegt bij de vergunningsaanvraag voor een hernieuwing van een vergunning een energieplan als vermeld in hoofdstuk V van titel VI van het Energiebesluit van 19 november 2010. In afwijking van het tweede lid zijn de energie-intensieve inrichtingen van ondernemingen die zijn toegetreden tot de energiebeleidsovereenkomsten voor de verankering van en voor blijvende energie-efficiëntie in de Vlaamse energie-intensieve industrie (niet VER-bedrijven en VER-bedrijven) vrijgesteld van de verplichtingen vermeld in het tweede lid.

De maatregelen uit dit energieplan met een interne rentevoet zoals vermeld in artikel 6.5.4, § 1, 7°, van het Energiebesluit van 19 november 2010, worden uiterlijk drie jaar na het verlenen van de milieuvergunning uitgevoerd. »; 3° paragraaf 9 wordt vervangen door wat volgt : « § 9.Als het om een aanvraag van een Y-rubriek gaat, wordt bovendien een monitoringplan toegevoegd dat geverifieerd werd door het verificatiebureau en goedgekeurd werd door de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging.

Als het om een aanvraag tot schrapping van een Y-rubriek gaat, worden bovendien documenten toegevoegd die aantonen dat de installatie niet langer onder het toepassingsgebied van emissiehandel valt. »; 4° paragraaf 10 wordt vervangen door wat volgt : « § 10.Bij een vergunningsaanvraag voor een inrichting voor het verbranden of meeverbranden van afvalstoffen moeten volgende stukken worden gevoegd : 1° een beschrijving van de maatregelen die zijn gepland om te waarborgen dat de installatie zo ontworpen, uitgerust, onderhouden en geëxploiteerd wordt dat aan de exploitatievoorwaarden en verplichtingen van de exploitant wordt voldaan zoals vastgesteld in hoofdstuk XI van dit reglement, rekening houdend met de afvalcategorieën die er zullen worden verbrand of meeverbrand;2° een beschrijving van de maatregelen die zijn gepland om te waarborgen dat de bij het proces opgewekte warmte voor zover mogelijk wordt teruggewonnen door de productie van warmte, stoom of elektriciteit;3° een beschrijving van de maatregelen die zijn gepland om te waarborgen dat het ontstaan van residuen en de schadelijkheid ervan tot een minimum beperkt worden, en dat de residuen in voorkomend geval gerecycleerd worden.».

Art. 7.In artikel 6bis, § 2, eerste lid, 1°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 januari 1991 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten5, wordt het woord « inrichting » vervangen door het woord « installatie ».

Art. 8.In artikel 6quater, § 3, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 januari 1991 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 12 mei 2006, 7 maart 2008 en 19 september 2008, wordt de zin « Als de mededeling betrekking heeft op een BKG-inrichting, wordt daarenboven een exemplaar gezonden aan de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging » vervangen door de zin « Als de mededeling betrekking heeft op een aanvraag of schrapping van een Y-rubriek wordt bovendien een exemplaar gezonden aan de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging. ».

Art. 9.In artikel 17, § 3, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten4, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in punt 2° worden de woorden « het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen bedoeld in het Algemeen Reglement voor Arbeidsbescherming » vervangen door de woorden « het comité voor preventie en bescherming op het werk, vermeld in het het koninklijk besluit van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten0 betreffende de opdrachten en de werking van de Comités voor Preventie en Bescherming op het Werk »;2° in punt 3° worden de woorden « de Technische Inspectie van de Administratie voor Arbeidsveiligheid van het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid de openbare besturen die belast zijn met het beheer van een verkeersweg, een waterloop of een instelling binnen de bovenvermelde straal » vervangen door de woorden « de Algemene Directie Toezicht op het Welzijn op het Werk van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg »;3° een punt 3bis wordt ingevoegd, dat luidt als volgt : « het door de bevoegde burgemeester schriftelijk ter kennis brengen van de aanvraag aan de openbare besturen die belast zijn met het beheer van een verkeersweg, een waterloop of een instelling binnen een straal van 100 m rond de inrichting;».

Art. 10.In artikel 20, § 2, eerste lid, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten8 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, 29 mei 2009 en 9 september 2011, wordt punt 10° vervangen door wat volgt : « 10° als het gaat om een aanvraag of schrapping van een Y-rubriek : de afdeling, vermeld in paragraaf 1, 9° ; ».

Art. 11.In artikel 21 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten3, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° paragraaf 9 wordt vervangen door wat volgt : « § 9.Het advies van de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, over een vergunningsaanvraag of een beroep tegen een beslissing over een milieuvergunningsaanvraag bevat de volgende gegevens : 1° een gemotiveerde beoordeling van het monitoringplan, als het gaat om een aanvraag van een Y-rubriek;2° een gemotiveerde beoordeling van de documenten die moeten aantonen dat de rubriek niet langer van toepassing is, als het gaat om een aanvraag tot schrapping van een Y-rubriek.»; 2° in paragraaf 10, 1°, wordt de zinsnede « wanneer het een inrichting betreft die in de 4e kolom van de indelingslijst is aangeduid met de letter X, » vervangen door de woorden « als het om een GPBV-installatie gaat : ».

Art. 12.In artikel 30, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 4 februari 2005, 12 mei 2006 en 6 juni 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het tweede lid wordt het woord « handelsperiodes » vervangen door het woord « jaren », wordt het woord « BKG-inrichtingen » vervangen door het woord « BKG-installaties », wordt het woord « BKG-inrichting » vervangen door het woord « BKG-installatie » en wordt het woord « CO2-emissies » vervangen door het woord « BKG-emissies »;2° een vijfde lid wordt toegevoegd, dat luidt als volgt : « De vergunning die betrekking heeft op een GPBV-installatie bevat bovendien : 1° de titel van de BREF's die voor de installatie of activiteit in kwestie relevant zijn;2° de manier waarop de vergunningsvoorwaarden, vermeld in artikel 30bis, § 2, waaronder emissiegrenswaarden, zijn vastgesteld in relatie tot de BBT en de BBT-GEN; 3° als er een afwijking als vermeld in artikel 1.2.2bis.4 van titel II van het VLAREM, is toegestaan, de specifieke redenen, vermeld in artikel 1.2.2bis.3, 1°, van titel II van het VLAREM, en de daaraan verbonden voorwaarden. ».

Art. 13.In artikel 30bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 januari 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten6 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten6, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1, derde lid, wordt het woord « BKG-inrichting » vervangen door het woord « BKG-installatie » en wordt de zinsnede « zoals bedoeld in artikel 5, § 9 » opgeheven;2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt : « § 2.De vergunningsvoorwaarden, vermeld in artikel 30, § 1, eerste lid, 6°, c), worden vastgesteld als volgt : 1° ze bevatten de exploitatievoorwaarden en de verplichtingen van de exploitant zoals vastgesteld in het hoofdstuk XI;2° ze bevatten de milieuvoorwaarden die op de inrichting van toepassing zijn, vastgesteld in titel II van het VLAREM;3° ze bevatten voorwaarden die ervoor zorgen dat er geen vermijdbare schade aan de natuur kan ontstaan; 4° ze bevatten emissiegrenswaarden voor de verontreinigende stoffen, vermeld in bijlage 1.1.2 van titel II van het VLAREM, en voor andere verontreinigende stoffen die in significante hoeveelheden uit de installatie in kwestie kunnen vrijkomen, gelet op hun aard en hun potentieel voor overdracht van verontreiniging tussen milieucompartimenten. Ze bevatten daarnaast ook passende voorschriften ter bescherming van bodem, grond- en oppervlaktewater en lucht en maatregelen voor de monitoring en het beheer van de door de installatie voortgebrachte afvalstoffen; 4° bis ze bevatten uitdrukkelijk berekende emissiegrenswaarden voor lucht en water die specifiek gelden voor meeverbranding van afvalstoffen;5° ze bevatten alle maatregelen die nodig zijn voor de vervulling van de voorwaarden, vermeld in paragraaf 4 en bijlage 18;6° ze bevatten passende eisen voor het regelmatig onderhoud en het bewaken van maatregelen die worden genomen ter voorkoming van emissies in de bodem en het grondwater overeenkomstig punt 4° ;7° ze bevatten maatregelen voor andere dan de normale bedrijfsomstandigheden, zoals opstarten en stilleggen, lekken, storingen, korte stilleggingen en definitieve bedrijfsbeëindiging;8° ze bevatten bepalingen betreffende de minimalisering van de verontreiniging over lange afstand of van de grensoverschrijdende verontreiniging;9° ze waarborgen een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel;10° ze bevatten voorwaarden voor het beoordelen van de naleving van de emissiegrenswaarden of een verwijzing naar de elders omschreven toepasselijke eisen;11° ze bevatten passende eisen voor de monitoring van de emissies, met vermelding : a) van de meetmethode, de meetfrequentie en de procedure voor de evaluatie van de metingen;b) als voor GPBV-installaties de mogelijkheid, vermeld in paragraaf 10, eerste lid, 2°, wordt toegepast, dat de resultaten van de monitoring van emissies beschikbaar zijn voor dezelfde periode en referentieomstandigheden als voor de BBT-GEN;12° ze bevatten de verplichting : a) om de toezichthouder op de hoogte te brengen van de gegevens die noodzakelijk zijn voor de controle op de naleving van de vergunningsvoorwaarden voor lozingen;b) voor GPBV-installaties om de toezichthouder regelmatig en ten minste jaarlijks op de hoogte te brengen van informatie op basis van de resultaten van de monitoring van de emissies, vermeld in punt 11°, en van andere vereiste gegevens aan de hand waarvan de toezichthouder de naleving van de vergunningsvoorwaarden kan toetsen;c) als voor GPBV-installaties paragraaf 10, eerste lid, 2°, wordt toegepast, om de vergunningverlenende overheid die in eerste aanleg bevoegd is regelmatig en ten minste jaarlijks op de hoogte te brengen van een overzicht van de resultaten van de monitoring van emissies die een vergelijking mogelijk maken met de BBT-GEN;13° voor GPBV-installaties wordt rekening gehouden met de algemene beginselen, vermeld in artikel 43ter;14° ze bevatten voor GPBV-installaties die in de achtste kolom van de indelingslijst worden aangeduid met de kenletter S, de eisen die op de inrichting van toepassing zijn voor de periodieke monitoring van bodem en grondwater met betrekking tot relevante gevaarlijke stoffen die op het terrein kunnen worden aangetroffen, zoals vastgesteld in het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten7 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming.Daarbij wordt rekening gehouden met de mogelijkheid van bodem- en grondwaterverontreiniging op het terrein van de installatie; 15° ze bevatten een lijst van de afvalcategorieën die mogen worden verwerkt.Deze lijst omvat de totale hoeveelheid en indien mogelijk en nuttig de hoeveelheid per afvalcategorie. Als dat mogelijk is, worden die afvalcategorieën bijkomend opgelijst conform het onderscheid als vermeld in bijlage 2.1 bij het Vlaams reglement voor het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen van 17 februari 2012 (VLAREMA) zonder dat er aan deze oplijsting rechtsgevolgen verbonden zijn; 16° ze bevatten de volgende gegevens indien het een afvalverbrandingsinstallatie of een afvalmeeverbrandingsinstallatie betreft waarin gevaarlijke afvalstoffen worden verbrand : a) een specificatie van de minimale en de maximale toevoer van die gevaarlijke afvalstoffen;b) de laagste en de hoogste calorische waarde van die gevaarlijke afvalstoffen;c) de maximumgehalten aan pcb's, pcp, chloor, fluor, zwavel, zware metalen en andere verontreinigende stoffen in de afvalstoffen;17° ze dragen bij tot de verwezenlijking van de doelstellingen, vermeld in artikel 5 van het decreet van 18 juli 2003Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten7 betreffende het integraal waterbeleid;18° ze bevatten, in het geval van een afvalverbrandingsinstallatie of een afvalmeeverbrandingsinstallatie, eisen voor de bemonsterings- en meetprocedures en voor de bemonsterings- en meetfrequenties die worden gehanteerd om te voldoen aan de gestelde voorwaarden voor de monitoring van emissies;19° ze bevatten, in het geval van een afvalverbrandingsinstallatie of een afvalmeeverbrandingsinstallatie, een vermelding van de totale afvalverbrandings- of meeverbrandingscapaciteit van de installatie;20° ze bevatten, in het geval van een afvalverbrandingsinstallatie of een afvalmeeverbrandingsinstallatie, de eisen voor de pH, de temperatuur en het debiet van het geloosde afvalwater;21° ze bevatten, in het geval van een afvalverbrandingsinstallatie of een afvalmeeverbrandingsinstallatie, de maximaal toelaatbare duur van technisch onvermijdelijke stilleggingen, storingen of defecten aan de reinigingsapparatuur of de meetapparatuur gedurende welke de emissies in de lucht en de lozingen van afvalwater de vastgestelde emissiegrenswaarden mogen overschrijden.»; 3° paragraaf 2bis wordt vervangen door wat volgt : « § 2bis.Als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een BKG-installatie, kan de vergunning geen emissiegrenswaarden opleggen voor de emissie van BKG-emissies, tenzij dat noodzakelijk is om te verzekeren dat er geen significante plaatselijke verontreiniging wordt veroorzaakt. »; 4° in paragraaf 3 worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) in het eerste lid wordt het woord « grenswaarden » vervangen door het woord « emissiegrenswaarden » en wordt de zinsnede « § 2, 5° » vervangen door de zinsnede « paragraaf 2, 4°, »;b) het tweede lid wordt opgeheven;5° paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt : « § 4.Als met het oog op een milieukwaliteitsnorm strengere voorwaarden moeten gelden dan die welke door toepassing van de beste beschikbare technieken haalbaar zijn, worden in de vergunning extra voorwaarden opgenomen, met behoud van de toepassing van artikel 3.3.0.1 van titel II van het VLAREM en met behoud van de toepassing van andere maatregelen die getroffen kunnen worden om aan de milieukwaliteitsnormen te voldoen. »; 6° in paragraaf 5 worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) de zinsnede « § 4 » wordt vervangen door de zinsnede « paragraaf 4 », de woorden « de parameters » worden vervangen door de woorden « de gelijkwaardige parameters » en de zinsnede « bedoeld in § 2, 5° en § 3 » worden vervangen door de zinsnede « vermeld in paragraaf 2 en 3 »;b) de zinsnede « met inachtneming van de technische kenmerken en de geografische ligging van de betrokken installatie, alsmede de plaatselijke milieuomstandigheden » wordt opgeheven;7° paragraaf 6 wordt vervangen door wat volgt : « § 6.De BBT vormen de referentie voor de vaststelling van de vergunningsvoorwaarden, vermeld in artikel 30, § 1, eerste lid, 6°, c). Bovendien vormen voor GPBV-installaties de BBT-conclusies de referentie voor de vaststelling van vergunningsvoorwaarden. In afwachting van de aanneming door de Europese Commissie van het besluit met betrekking tot die BBT-conclusies, gelden de BBT afkomstig van de BREF's die door de Europese Commissie vóór 7 januari 2011 zijn aangenomen, met uitzondering van de emissiegrenswaarden, vermeld in paragraaf 10 en afdeling 1.2.2bis van titel II van het VLAREM. »; 8° er worden een paragraaf 7 tot en met 12 toegevoegd, die luiden als volgt : « § 7.Met behoud van de milieuvoorwaarden, vastgesteld bij titel II van het VLAREM, die op de inrichting van toepassing zijn en met behoud van de toepassing van paragraaf 4 kunnen met het oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu strengere bijzondere vergunningsvoorwaarden vastgesteld worden dan die welke haalbaar zijn door gebruik te maken van de BBT, en kunnen voor GPBV-installaties bovendien strengere bijzondere vergunningsvoorwaarden vastgesteld worden dan die welke haalbaar zijn door gebruik te maken van de BBT-conclusies.

De strengere bijzondere milieuvoorwaarden, vermeld in het eerste lid, kunnen, in bijzondere omstandigheden, worden vastgesteld op grond van de noodzaak : 1° voor de bescherming van de mens en het leefmilieu in geval er voor bepaalde emissies geen milieukwaliteitsnorm bepaald is, desgevallend moet daarbij onder meer rekening worden gehouden met de toxiciteit, de persistentie en de bio-accumulatie van de betrokken stoffen in het milieu waarin ze worden geëmitteerd;2° voor het voorkomen van schade, hinder, en incidenten en ongevallen die de mens of het leefmilieu aanzienlijk beïnvloeden;3° om in functie van de specifieke lokale omstandigheden een hoog niveau van bescherming van de mens en het leefmilieu te waarborgen;4° om in functie van de specifieke lokale omstandigheden de hinder voor de mens en het leefmilieu te beperken tot een aanvaardbaar niveau;5° voor het behalen van de Europese verordeningen op het vlak van milieukwaliteitsbeheer;6° voor het behalen van de doelstellingen opgenomen in goedgekeurde Vlaamse beleidsplannen, actieplannen en reductieprogramma's;7° voor het behalen van de doelstellingen opgenomen in geratificeerde internationale verdragen. Hierbij wordt rekening gehouden met het volgende : 1° de ligging en gebiedsbestemming van het bedrijf en omgeving;2° de technische haalbaarheid van de voorgestelde maatregelen;3° de economische haalbaarheid van de voorgestelde maatregelen;4° de praktische haalbaarheid van de voorgestelde maatregelen;5° de efficiëntie en effectiviteit van de voorgestelde maatregelen;6° de handhaafbaarheid van de voorgestelde maatregelen. § 8. Als voor een GPBV-installatie de vergunningsvoorwaarden, vermeld in artikel 30, § 1, eerste lid, 6°, c), worden vastgesteld op basis van een beste beschikbare techniek die niet in een van de desbetreffende BBT-conclusies staat beschreven, gelden de volgende voorwaarden : 1° de techniek wordt bepaald met bijzondere aandacht voor de criteria, vermeld in bijlage 18; 2° er is voldaan aan de voorschriften, vermeld in paragraaf 5, 10 en 11, van dit artikel en artikel 1, 69°, en afdeling 1.2.2bis van titel II van het VLAREM. Als de BBT-conclusies, vermeld in het eerste lid, geen BBT-GEN bevatten, garandeert de techniek, vermeld in het eerste lid, een niveau van milieubescherming dat gelijkwaardig is aan dat van de BBT, vermeld in de BBT-conclusies. § 9. Als op een activiteit of op een type productieproces in een GPBV-installatie geen BBT-conclusies van toepassing zijn of als die BBT-conclusies niet alle mogelijke milieueffecten van de activiteit of het proces behandelen, worden de vergunningsvoorwaarden, vermeld in artikel 30, § 1, eerste lid, 6°, c), vastgesteld, na voorafgaande raadpleging van de exploitant, op basis van de BBT die voor de desbetreffende activiteiten of processen bepaald zijn met bijzondere aandacht voor de criteria, vermeld in bijlage 18. § 10. Voor GPBV-installaties waarborgen de emissiegrenswaarden, vermeld in paragraaf 2, 4°, dat de emissies onder normale bedrijfsomstandigheden niet hoger zijn dan de BBT-GEN die zijn vastgesteld in de BBT-conclusies, door te opteren voor een van de volgende mogelijkheden : 1° door emissiegrenswaarden vast te stellen die niet hoger zijn dan de BBT-GEN.Die emissiegrenswaarden worden uitgedrukt voor dezelfde of kortere periodes en voor dezelfde referentieomstandigheden als de BBT-GEN; 2° door emissiegrenswaarden vast te stellen die, wat betreft waarden, perioden en referentieomstandigheden, verschillen van de emissiegrenswaarden, vermeld in punt 1°. Als emissiegrenswaarden worden vastgesteld met toepassing van het eerste lid, 2°, worden ten minste jaarlijks de resultaten van de monitoring van die emissies beoordeeld door de vergunningverlenende overheid die in eerste aanleg bevoegd is, zodat die kan nagaan of de emissies in normale bedrijfsomstandigheden niet hoger waren dan de BBT-GEN. § 11. Voor GPBV-installaties kan een tijdelijke vrijstelling toegestaan worden van de eisen vermeld in artikel 30bis, § 5 en § 10, en artikel 43ter, 1° en 1° bis, voor een totale periode van ten hoogste negen maanden voor het testen en gebruiken van technieken in opkomst, op voorwaarde dat na de vermelde periode hetzij met de techniek wordt gestopt, hetzij met de activiteit in kwestie in elk geval de BBT-GEN niet worden overschreden. § 12. Met behoud van de milieuvoorwaarden, vastgesteld bij titel II van het VLAREM, die op de inrichting van toepassing zijn, worden voor GPBV-installaties de eisen voor monitoring, vermeld in paragraaf 2, 11°, in voorkomend geval gebaseerd op de conclusies voor monitoring die in de BBT-conclusies worden beschreven. ».

Art. 14.In artikel 31, § 2, 3°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten4 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten3, wordt de zinsnede « inrichting waarvan een onderdeel of het geheel aangeduid is met de letter X in de vierde kolom van de indelingslijst, die MER-plichtig is » vervangen door de zinsnede « GPBV-installatie, een inrichting die MER-plichtig is".

Art. 15.In artikel 32 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 januari 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten6 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten4, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1, 7°, worden de woorden « bevoegde overheid » vervangen door het woord « toezichthouder », wordt het woord « lozingscontrole » vervangen door de woorden « controle en monitoring van de emissies » en wordt de zinsnede « bedoeld in artikel 30bis, § 2, 8° vereist is » vervangen door de zinsnede « vermeld in artikel 30bis, § 2, 12°, a) en b), vereist zijn »; 2° aan paragraaf 1, eerste lid, wordt een punt 9° toegevoegd, dat luidt als volgt : « 9° het technisch en niet-technisch rapport, vermeld in artikel 5.2.3bis1.35, § 4, van titel II van het VLAREM, als dat betrekking heeft op een afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie. »; 3° in paragraaf 2 worden de woorden « toezichthoudende ambtenaar » vervangen door het woord « toezichthouder », wordt het woord « lozingscontrole » vervangen door de woorden « controle en monitoring van de emissies » en wordt de zinsnede « bedoeld in artikel 30bis, § 2, 8° vereist is » vervangen door de zinsnede « vermeld in artikel 30bis, § 2, 12°, a) en b), vereist zijn ».

Art. 16.In artikel 32bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten4 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten3, wordt de zinsnede « inrichting of een onderdeel van een inrichting, aangeduid met de letter X in de vierde kolom van de indelingslijst » vervangen door het woord « GPBV-installatie ».

Art. 17.Artikel 33 van hetzelfde besluit, opgeheven door het decreet van 18 mei 1999Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/03/2009 pub. 06/04/2009 numac 2009011129 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 6 februari 2007 tot uitvoering van artikel 3, § 2, van de wet van 13 juli 2005 betreffende de invoering van een jaarlijkse bijdrage ten laste van bepaalde instellingen type koninklijk besluit prom. 19/03/2009 pub. 01/04/2009 numac 2009003135 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 september 1998 betreffende de nationale zijde van de eerste serie euromuntstukken type koninklijk besluit prom. 19/03/2009 pub. 08/04/2009 numac 2009022162 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot wijziging van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen sluiten0, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing : «

Art. 33.Met behoud van toepassing van artikel 31, 31bis, 32 en 32bis stelt de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, in het geval van een GPBV-installatie de beslissingen over milieuvergunningsaanvragen, de vergunningen bij wege van aktename van mededelingen kleine veranderingen of de beslissingen tot wijzigingen of aanvullingen van de vergunningsvoorwaarden via internet ter beschikking van het publiek. ».

Art. 18.Aan hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten3, wordt een artikel 33bis toegevoegd, dat luidt als volgt : « Art 33bis. Het verslag, vermeld in artikel 2.7.1.3 van titel II van VLAREM, wordt ter beschikking gesteld van het publiek.

Als de vergunning betrekking heeft op een inrichting of een onderdeel van een inrichting die is ingedeeld in rubriek 2.3.4.1 of rubriek 2.3.4.2 van de indelingslijst, met uitzondering van inrichtingen die onder rubriek 2.3.4.1, a, en 2.3.4.2, a, ingedeeld zijn, maakt de OVAM een lijst bekend van afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallaties met een nominale capaciteit van minder dan 2 ton/uur. ».

Art. 19.In artikel 35, 5°, c), van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 29 september 2000, 7 maart 2008 en 23 december 2011, worden de woorden « de Technische Inspectie van de Adminstratie voor Arbeidsveiligheid van het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid » vervangen door de woorden « de Algemene Directie Toezicht op het Welzijn op het Werk van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg », worden de woorden « het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen bedoeld in het Algemeen Reglement voor Arbeidsbescherming » vervangen door de woorden « het comité voor preventie en bescherming op het werk, vermeld in het het koninklijk besluit van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten0 betreffende de opdrachten en de werking van de Comités voor Preventie en Bescherming op het Werk » en worden de woorden « het federale ministerie van » vervangen door de woorden « de FOD ».

Art. 20.In artikel 36, 5°, b), van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 29 september 2000, 7 maart 2008 en 23 december 2011, worden de woorden « de Technische Inspectie van de Adminstratie voor Arbeidsveiligheid van het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid » vervangen door de woorden « de Algemene Directie Toezicht op het Welzijn op het Werk van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg » en worden de woorden « het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen bedoeld in het Algemeen Reglement voor Arbeidsbescherming » vervangen door de woorden « het comité voor preventie en bescherming op het werk, vermeld in het het koninklijk besluit van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten0 betreffende de opdrachten en de werking van de Comités voor Preventie en Bescherming op het Werk ».

Art. 21.Artikel 41bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het het besluit van de Vlaamse Regering van 12 januari 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten6 en gewijzigd bij het het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten7, wordt vervangen door wat volgt : «

Art. 41bis.Voor GPBV-installaties geldt bovendien het volgende : 1° de vergunningsvoorwaarden worden op initiatief en onder coördinatie van de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, geregeld getoetst overeenkomstig punt 2°, 3° en 4°.Als dat noodzakelijk is, kan de afdeling een verzoek indienen tot wijziging of aanvulling van de vergunningsvoorwaarden overeenkomstig de procedure, vermeld in artikel 45. Bij de toetsing van de vergunningsvoorwaarden maakt de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, in eerste instantie gebruik van eventuele bij de monitoring of bij inspecties verkregen gegevens;2° binnen vier jaar na de bekendmaking van de door de Europese Commissie aangenomen BBT-conclusies betreffende de hoofdactiviteit van de installatie : a) zorgt de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, ervoor dat alle vergunningsvoorwaarden voor de installatie in kwestie worden getoetst, waarbij alle nieuwe of herziene BBT-conclusies in aanmerking worden genomen die voor de installatie gelden en die sinds de afgifte of de laatste toetsing van de vergunning door de Europese Commissie zijn aangenomen; b) zorgt de vergunningverlenende overheid ervoor dat, als op basis van die toetsing door de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, een verzoek tot wijziging of aanvulling van de vergunningsvoorwaarden wordt ingediend, de vergunningsvoorwaarden voor de installatie in kwestie worden geactualiseerd zodat artikel 30bis, § 10, en afdeling 1.2.2bis van titel II van het VLAREM, voor zover deze van toepassing is, worden nageleefd; 3° als op een installatie geen van de BBT-conclusies van toepassing is, worden de vergunningsvoorwaarden getoetst en zo nodig gewijzigd of aangevuld als ontwikkelingen op het gebied van de BBT een significante vermindering van de emissies mogelijk maken;4° een toetsing en daaruit volgend, als dat noodzakelijk is, een wijziging of aanvulling van de vergunningsvoorwaarden, vindt in ten minste de volgende gevallen plaats : 1° de door de installatie veroorzaakte verontreiniging is van die aard dat de bestaande emissiegrenswaarden in de vergunning moeten worden gewijzigd of nieuwe emissiegrenswaarden moeten worden opgenomen;2° de bedrijfsveiligheid van het proces of de activiteit vereist de toepassing van andere technieken;3° er moet aan een nieuwe of herziene milieukwaliteitsnorm overeenkomstig artikel 30bis, § 4, worden voldaan. 5° Indien voor een GPBV-installatie een individuele afwijking op de BBT-GEN overeenkomstig afdeling 1.2.2.bis van titel II van het VLAREM, werd toegestaan, toetst de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, bij iedere toetsing overeenkomstig de punten 1° tot en met 4° opnieuw de toepassing van artikel 1.2.2bis.3. van titel II van het VLAREM. ».

Art. 22.In artikel 43 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 september 2000Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten4, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede « de in de milieuvergunning opgelegde bijzondere voorwaarden, de voor de inrichting geldende algemene of per categorie van inrichtingen door de Vlaamse Regering in toepassing van artikel 20 van het decreet vastgestelde milieuvergunningsvoorwaarden » vervangen door de zinsnede « de algemene, sectorale en bijzondere milieuvoorwaarden »;2° er wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die luidt als volgt : « § 3.In geval van een schending van een milieuvoorwaarde inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, inzake voorkoming of beperking van emissies in lucht, water en bodem of inzake voorkoming van het ontstaan van afvalstoffen, brengt de exploitant van een GPBV-installatie of een inrichting, als vermeld in rubriek 59 van de indelingslijst, de toezichthouder daarvan onmiddellijk op de hoogte en treft de exploitant onmiddellijk de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat op een zo kort mogelijke termijn weer aan de geschonden milieuvoorwaarde wordt voldaan. ».

Art. 23.Artikel 43bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het het besluit van de Vlaamse Regering van 12 januari 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten6 en gewijzigd bij het het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten6, wordt opgeheven.

Art. 24.Artikel 43ter van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het het besluit van de Vlaamse Regering van 12 januari 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten6 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 24 april 2009 en 17 februari 2012, wordt vervangen door wat volgt : «

Art. 43ter.Een GPBV-installatie wordt als volgt geëxploiteerd : 1° alle passende preventieve maatregelen tegen verontreiniging worden getroffen;1° bis de BBT worden toegepast;2° er wordt geen significante verontreiniging veroorzaakt;3° overeenkomstig het decreet van 23 december 2011Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/03/2009 pub. 06/04/2009 numac 2009011129 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 6 februari 2007 tot uitvoering van artikel 3, § 2, van de wet van 13 juli 2005 betreffende de invoering van een jaarlijkse bijdrage ten laste van bepaalde instellingen type koninklijk besluit prom. 19/03/2009 pub. 01/04/2009 numac 2009003135 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 september 1998 betreffende de nationale zijde van de eerste serie euromuntstukken type koninklijk besluit prom. 19/03/2009 pub. 08/04/2009 numac 2009022162 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot wijziging van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen sluiten1 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen en het VLAREMA, wordt het ontstaan van afvalstoffen voorkomen;3° bis waar toch afvalstoffen worden voortgebracht, worden ze in prioriteitsvolgorde en overeenkomstig het decreet van 23 december 2011Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/03/2009 pub. 06/04/2009 numac 2009011129 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 6 februari 2007 tot uitvoering van artikel 3, § 2, van de wet van 13 juli 2005 betreffende de invoering van een jaarlijkse bijdrage ten laste van bepaalde instellingen type koninklijk besluit prom. 19/03/2009 pub. 01/04/2009 numac 2009003135 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 september 1998 betreffende de nationale zijde van de eerste serie euromuntstukken type koninklijk besluit prom. 19/03/2009 pub. 08/04/2009 numac 2009022162 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot wijziging van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen sluiten1 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen en het VLAREMA, voorbereid voor hergebruik, gerecycleerd, teruggewonnen of, als dat technisch en economisch onmogelijk is, op zo'n wijze verwijderd dat milieu-effecten worden voorkomen of beperkt;4° de energie wordt op doelmatige wijze gebruikt;5° de nodige maatregelen worden getroffen om ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan te beperken; 6° bij de definitieve stopzetting van de activiteiten worden de nodige maatregelen getroffen om elk risico van verontreiniging te voorkomen en om het bedrijfsterrein weer in de bevredigende toestand te brengen die in artikel 4.1.13.3 van titel II van het VLAREM wordt omschreven. ».

Art. 25.In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten3, wordt een artikel 43quater ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Art. 43quater.Voor GPBV-installaties bezorgt de exploitant op verzoek van de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, alle gegevens die voor de toetsing van de vergunningsvoorwaarden, vermeld in artikel 41bis, noodzakelijk zijn, waaronder met name de resultaten van de monitoring van emissies en andere gegevens die een vergelijking mogelijk maken van de werking van de installatie met de BBT zoals beschreven in de toepasselijke BBT-conclusies en met de BBT-GEN. Dit verzoek kan geen betrekking hebben op gegevens die reeds beschikbaar zijn bij de overheid. ».

Art. 26.In artikel 45 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten6, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt een punt 6° toegevoegd, dat luidt als volgt : « 6° op verzoek van de toezichthouder.»; 2° in paragraaf 3, tweede lid, wordt de zinsnede « inrichting in haar geheel of waarvan een onderdeel, aangeduid is met de letter X in de vierde kolom van de indelingslijst » vervangen door het woord « GPBV-installatie ».

Art. 27.In artikel 50, 4°, c), van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van 7 maart 2008 en 23 december 2011, worden de woorden « de Technische Inspectie van de Adminstratie voor Arbeidsveiligheid van het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid » vervangen door de woorden « de Algemene Directie Toezicht op het Welzijn op het Werk van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg », worden de woorden « het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen bedoeld in het Algemeen Reglement voor Arbeidsbescherming » vervangen door de woorden « het comité voor preventie en bescherming op het werk, vermeld in het het koninklijk besluit van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten0 betreffende de opdrachten en de werking van de Comités voor Preventie en Bescherming op het Werk » en worden de woorden « de dienst van de Civiele Bescherming gelast met de opstelling van het rampenplan bedoeld in artikel 7, § 2 van de wet van 21 januari 1987 inzake de risico's van zware ongevallen bij bepaalde industriële activiteiten » vervangen door de woorden « de Algemene Directie van de Civiele Veiligheid van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken ».

Art. 28.In artikel 52, 4°, c), van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van 7 maart 2008 en 23 december 2011, worden de woorden « de Technische Inspectie van de Adminstratie voor Arbeidsveiligheid van het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid » vervangen door de woorden « de Algemene Directie Toezicht op het Welzijn op het Werk van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg », worden de woorden « het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen bedoeld in het Algemeen Reglement voor Arbeidsbescherming » vervangen door de woorden « het comité voor preventie en bescherming op het werk, vermeld in het het koninklijk besluit van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten0 betreffende de opdrachten en de werking van de Comités voor Preventie en Bescherming op het Werk » en worden de woorden « de dienst van de Civiele Bescherming gelast met de opstelling van het rampenplan bedoeld in artikel 7, § 2 van de wet van 21 januari 1987 inzake de risico's van zware ongevallen bij bepaalde industriële activiteiten » vervangen door de woorden « de Algemene Directie van de Civiele Veiligheid van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken ».

Art. 29.In artikel 57decies, § 4, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten2, worden de zinsneden « worden deze door de indiener in aparte bestanden ingediend. In de naamgeving van die bestanden wordt door de indiener de woorden « (niet openbaar) » opgenomen. » vervangen door de zinsnede « worden ze door de indiener gemarkeerd als « niet openbaar » in het eMIL-milieuvergunningenloket. ». HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van de bijlagen van titel I van het VLAREM

Art. 30.In bijlage 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten5 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten3, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° tussen de zinsnede « geldt voor deze inrichting de procedure van de hoogste klasse.» en de woorden « Verklaring van de symbolen » worden een vijfde en een zesde lid ingevoegd, die luiden als volgt : « Met behoud van de toepassing van de definities van dit besluit zijn tevens de definities, vermeld in artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM van toepassing.

Onderzoeksactiviteiten, ontwikkelingsactiviteiten of het testen van nieuwe producten en processen worden geacht niet ingedeeld te zijn : 1° onder een rubriek met de vermelding X of Y;2° onder de rubriek 59.»; 2° de woorden « de kolommen 4 tot en met 7 » worden vervangen door de woorden « de kolommen 4 tot en met 8 »;3° de verklaring van symbool « X » in « kolom 4 « bemerkingen » » wordt vervangen door wat volgt : « X = Inrichting als vermeld in artikel 1, 16°, van titel I van het VLAREM en als vermeld in hoofdstuk II van de Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging).»; 4° in de verklaring van symbool « Y » in « kolom 4 « bemerkingen » » worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) de zin « Een dergelijke inrichting omvat telkens de vaste technische eenheid waarin de in de overeenkomstige tweede kolom van de indelingslijst vermelde activiteiten en processen, alsmede andere daarmee samenhangende activiteiten plaatsvinden, die technisch in verband staan met de op die plaats ten uitvoer gebrachte activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging (zie ook artikel 5, § 8, van titel I van het VLAREM).» wordt opgeheven; b) de zin « Inrichtingen of onderdelen ervan die gebruikt worden voor onderzoek, ontwikkeling en beproeving van nieuwe producten en processen, worden geacht niet ingedeeld te zijn met de vermelding Y.» wordt vervangen door wat volgt : « Installaties die uitsluitend biomassa gebruiken, worden geacht niet ingedeeld te zijn met de vermelding Y. Rubrieken, aangeduid met de letter Y, kunnen overlappen met andere rubrieken.

Als het totale nominaal thermisch ingangsvermogen van een installatie wordt berekend met betrekking tot een rubriek die aangeduid is met de vermelding Y, wordt het nominaal thermisch ingangsvermogen van alle technische eenheden die deel uitmaken van de installatie en waarin brandstoffen worden verbrand, bij elkaar opgeteld. Die eenheden kunnen onder andere alle soorten stookketels, branders, turbines, verwarmingstoestellen, ovens, verbranders, gloeiovens, draaiovens, droogovens, drogers, motoren, brandstofcellen, chemische loopingverbrandingseenheden, fakkels en thermische of katalytische naverbranders omvatten. Eenheden met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 3 MW en eenheden die uitsluitend biomassa gebruiken, worden bij de berekening buiten beschouwing gelaten. Tot eenheden die uitsluitend biomassa gebruiken, behoren ook eenheden waarin alleen bij het opstarten of uitschakelen fossiele brandstoffen worden gebruikt. »; 5° in de verklaring van symbool « R » in « kolom 7 « Jaarverslag » » worden de woorden « Verordening nr.166/2005 » vervangen door de woorden « Verordening nr. 166/2006 »; 6° in « kolom 8 « VLAREBO » worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) tussen de woorden « kolom 8 « VLAREBO » en de letter « O » wordt de zin « Onderstaande symbolen zijn gekozen ter uitvoering van het decreet van 27 oktober 2006Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten5 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (Bodemdecreet) en het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten7 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (VLAREBO).» ingevoegd; b) in de verklaring van het symbool « O » worden de woorden « decreet van 27 oktober 2006Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten5 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (Bodemdecreet) en het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten7 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (VLAREBO) » vervangen door de woorden « Bodemdecreet en VLAREBO »;c) na de verklaring van het symbool « B » wordt een verklaring van het symbool « S » toegevoegd, die luidt als volgt :

"S =

Inrichting waarvoor conform artikel 33bis van het Bodemdecreet en artikel 17 van het decreet van 25 mei 2012Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten8 tot wijziging van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en het decreet van 27 oktober 2006Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten5 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming met het oog op de omzetting van de Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging), de exploitant onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige een oriënterend bodemonderzoek uitvoert en het verslag ervan aan de OVAM bezorgt op het volgende tijdstip :

1° als het gaat om een inrichting waarvoor de milieuvergunningsaanvraag bij de vergunningverlenende overheid wordt ingediend en de inrichting in gebruik genomen wordt op of na de datum van inwerkingtreding van artikel 30 van het besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse besluiten inzake leefmilieu houdende omzetting van Europese richtlijnen en andere diverse wijzigingen : vóór de milieuvergunningsaanvraag bij de vergunningverlenende overheid wordt ingediend; 2° als het gaat om een inrichting waarvoor de milieuvergunningsaanvraag bij de vergunningverlenende overheid werd ingediend en de inrichting in gebruik genomen werd vóór de datum van inwerkingtreding van artikel 30 van het besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse besluiten inzake leefmilieu houdende omzetting van Europese richtlijnen en andere diverse wijzigingen, of als het gaat om een inrichting waarvoor de milieuvergunningsaanvraag bij de vergunningverlenende overheid werd ingediend na 6 januari 2013 en vóór de datum van inwerkingtreding van artikel 30 van het besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse besluiten inzake leefmilieu houdende omzetting van Europese richtlijnen en andere diverse wijzigingen en de inrichting in gebruik genomen wordt op of na de datum van inwerkingtreding van artikel 30 van het besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse besluiten inzake leefmilieu houdende omzetting van Europese richtlijnen en andere diverse wijzigingen : vóór 7 januari 2014.In afwijking daarvan is het oriënterend bodemonderzoek verplicht vóór 7 juli 2015 als het gaat om een inrichting die ingedeeld is onder een van de volgende rubrieken :

a) 2.4.1. en 2.4.2 voor activiteiten die niet vielen onder de rubrieken 2.2.4.g), 2.2.7, 2.3.4.4, 2.3.8, 2.3.9.b) en c) en 2.3.10 zoals geldig vóór de datum van inwerkingtreding van artikel 30 van het besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse besluiten inzake leefmilieu houdende omzetting van Europese richtlijnen en andere diverse wijzigingen;

b) 2.4.3.a), iii) tot en met v); c) 2.4.3.b); d) 2.4.5; e) 2.4.6; f) 3.6.7; g) 19.4.4° ; h) 20.1.3.b); i) 5.5. voor activiteiten betreffende productie door biologische omzetting; j) 7.11. voor activiteiten betreffende productie door biologische omzetting; k) 43.3. voor activiteiten met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW »;


3° als het gaat om een inrichting waarvoor de milieuvergunningsaanvraag vóór 7 januari 2013 bij de vergunningverlenende overheid werd ingediend en de inrichting nog niet in gebruik genomen werd op de datum van inwerkingtreding van artikel 30 van het besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse besluiten inzake leefmilieu houdende omzetting van Europese richtlijnen en andere diverse wijzigingen : vóór de inrichting in gebruik genomen wordt.». 7° rubriek 1.1 wordt vervangen door wat volgt :

1.1.

Niet in rubriek 20.1.2. begrepen inrichtingen voor de raffinage, voor de distillatie, het kraken, het vergassen of enige andere wijze van verwerking van aardolie of aardolieproducten (Voor het raffineren van ruwe aardolie : zie rubriek 20.1.2.)

1

M,X,Yk

A

P

J,R

B,S


8° in rubriek 2.2.4 worden punt g) en de zin « Er kan overlapping zijn met deelrubriek 2.2.4, c), d) of e). » opgeheven; 9° rubriek 2.2.7 wordt opgeheven; 10° in rubriek 2.3.2 wordt punt f) vervangen door wat volgt :

f)

restvloeistoffen, afkomstig van het vullen en het schoonmaken van apparatuur voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, met uitzondering van hand- en rugspuitapparatuur

2

O,T


11° aan rubriek 2.3.2 wordt een punt g) toegevoegd, dat luidt als volgt :

g)

andere gevaarlijke afvalstoffen

1

M, O, T

A

P

J

B


12° in rubriek 2.3.3 worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) punt b) wordt vervangen door wat volgt :

b)

restvloeistoffen, afkomstig van het vullen en het schoonmaken van apparatuur voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, met uitzondering van hand- en rugspuitapparatuur

2

O,T


b) er wordt een punt c) toegevoegd, dat luidt als volgt :

c)

andere gevaarlijke afvalstoffen

1

O, T

A

B


13° in rubriek 2.3.4.1, a), 1°, en rubriek 2.3.4.2, a), 1°, worden de woorden « vezelachtig afval » vervangen door de woorden « vezelachtig plantaardig afval »; 14° rubriek 2.3.4.4 wordt opgeheven; 15° rubriek 2.3.8 wordt opgeheven; 16° rubriek 2.3.9 wordt vervangen door wat volgt :

2.3.9.

Installaties voor de verwijdering van niet-gevaarlijke afvalstoffen, met een capaciteit van meer dan 50 ton per dag, met uitzondering van de installaties, vermeld in 2.4.3, a), i en ii. (Er kan een overlapping zijn met andere deelrubrieken van rubriek 2.3.)

1

G,O

B

E

J,R

A


17° rubriek 2.3.10 wordt opgeheven; 18° er wordt een rubriek 2.4 ingevoegd, die luidt als volgt :

2.4.

Afvalbeheer in het kader van industriële emissies.

Voor de rubrieken 2.4.1. en 2.4.3 a) en b) wordt de capaciteit bepaald op dit rubrieksniveau en niet op het niveau van de onderliggende opsplitsing van die rubrieken. (Er kan een overlapping zijn met andere subrubrieken van rubriek 2.)


2.4.1.

De verwijdering of nuttige toepassing van gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 10 ton per dag door middel van een of meer van de volgende activiteiten :

1

G,M,O,T,X

A

P

J,R

B,S

a) biologische behandeling;

b) fysisch-chemische behandeling;

c) mengen of vermengen voorafgaand aan een van de onder rubriek 2.4.1 en 2.4.2 vermelde behandelingen;


d) herverpakking voorafgaand aan een van de onder rubriek 2.4.1 en 2.4.2 vermelde behandelingen;


e) terugwinning/regeneratie van oplosmiddelen;

f) recycling/terugwinning van andere anorganische materialen dan metalen of metaalverbindingen;

g) regeneratie van zuren of basen;

h) terugwinning van bestanddelen die worden gebruikt om vervuiling tegen te gaan;

i) terugwinning van bestanddelen uit katalysatoren;

j) herraffinage van olie en ander hergebruik van olie;

k) opslag in waterbekkens.

2.4.2.

De verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen in afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallaties voor :


a) niet-gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 3 ton per uur; 1

E,G,O, M,T,X

A

P

J,R

A,S

b) gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 10 ton per dag. 1

E,G,O, M,T,X

A

P

J,R

B,S

2.4.3.

a) de verwijdering van niet-gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 50 ton per dag door middel van een of meer van de volgende activiteiten, met uitzondering van de activiteiten, vermeld in rubriek 3.6.4 :


1° biologische behandeling; 1

G,M,O,T,X

A

P

J,R

A,S

2° fysisch-chemische behandeling; 1

G,M,O,T,X

A

P

J,R

A,S

3° voorbehandeling van afval voor verbranding of meeverbranding; 1

G,M,O,T,X

A

P

J,R

A,S

4° behandeling van slakken en as; 1

G,M,O,T,X

A

P

J,R

B,S

5° behandeling in shredders van metaalafval, met inbegrip van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur en autowrakken en de onderdelen daarvan. 1

G,M,O,T,X

A

P

J,R

B,S

b) nuttige toepassing, of een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering, van niet-gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 75 ton per dag, door middel van een of meer van de volgende activiteiten, met uitzondering van de activiteiten, vermeld in rubriek 3.6.4 : (Als de behandeling van het afval beperkt blijft tot anaërobe vergisting, bedraagt de capaciteitsdrempelwaarde voor die activiteit 100 ton per dag.)


1° biologische behandeling; 1

G,M,O,T,X

A

P

J,R

A,S

2° voorbehandeling van afval voor verbranding of meeverbranding; 1

G,M,O,T,X

A

P

J,R

A,S

3° behandeling van slakken en as; 1

G,M,O,T,X

A

P

J,R

B,S

4° behandeling in shredders van metaalafval, met inbegrip van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur en autowrakken en de onderdelen daarvan. 1

G,M,O,T,X

A

P

J,R

B,S

2.4.4.

Stortplaatsen die meer dan 10 ton per dag ontvangen of een totale capaciteit van meer dan 25.000 ton hebben, met uitzondering van stortplaatsen voor inerte afvalstoffen.

1

G,O,T,X

A

P

J,R

B,S

2.4.5.

Tijdelijke opslag van gevaarlijke afvalstoffen die niet onder rubriek 2.4.4. vallen, in afwachting van de behandelingen, vermeld onder rubriek 2.4.1, 2.4.2, 2.4.4 en 2.4.6, met een totale capaciteit van meer dan 50 ton, met uitsluiting van tijdelijke opslag op de plaats van productie die aan inzameling voorafgaat.

1

G,O,T,X

A

P

J,R

B,S

2.4.6.

Ondergrondse opslag van gevaarlijke afvalstoffen met een totale capaciteit van meer dan 50 ton.

1

N,O,W,T,X

A

P

J

B,S

2.4.7.

De destructie of verwerking van kadavers of dierlijk afval met een verwerkingscapaciteit van meer dan 10 ton per dag.

1

G,M,O,T,X

A

P

J,R

A,S


19° in rubriek 3.6 wordt een rubriek 3.6.7 toegevoegd, die luidt als volgt :

3.6.

Afvalwaterzuiveringsinstallaties, met inbegrip van het lozen van het effluentwater en het ontwateren van de bijbehorende slibproductie :


7. Een zelfstandige geëxploiteerde behandeling, met uitzondering van de behandelingen inzake stedelijk afvalwater, van afvalwater ten dienste van een of meer activiteiten, aangeduid met een « X » in de vierde kolom van deze lijst

1

M,X

A

P

J

A,S


20° rubriek 4.6 wordt vervangen door wat volgt :

4.6.

De oppervlaktebehandeling van stoffen, voorwerpen of producten met behulp van organische oplosmiddelen, in het bijzonder voor het appreteren, bedrukken, het aanbrengen van een laag, het ontvetten, het vochtdicht maken, lijmen, verven, reinigen of impregneren, met een verbruikscapaciteit van meer dan 150 kg organisch oplosmiddel per uur, of meer dan 200 ton per jaar (Er kan overlapping zijn met deelrubrieken van de rubrieken 29 en 41.)

1

G,M,T,X

A

P

J,R

B,S


21° rubriek 5 wordt vervangen door wat volgt :

5. Pesticiden (biociden en gewasbeschermingsmiddelen)


5.1.

Inrichtingen voor het bereiden of het formuleren van pesticiden, andere dan die, vermeld in rubriek 5.4

1

G,M

A

P

J

B

5.2.

Inrichtingen voor het verpakken van pesticiden

2

G

B

5.3.

Opslagplaatsen, met uitzondering van die, vermeld in rubrieken 17 en 48, voor pesticiden van :


1° a) meer dan 0,5 ton tot en met 1 ton

3


b) meer dan 1 ton tot en met 2 ton

3

A

2° meer dan 2 ton

2

G,T

A

5.4.

Productie van pesticiden met een jaarcapaciteit :


1° tot en met 30.000 ton

2

A,G

B

2° meer dan 30.000 ton

1

G,M

A

P

J

B

5.5.

Fabricage van pesticiden (Onder fabricage in de zin van deze rubriek wordt verstaan de fabricage van de in deze rubriek genoemde stoffen of groepen stoffen op industriële schaal door chemische of biologische omzetting)

1

G,M,X

A

P

J,R

B,S

5.6.

Inrichtingen voor het schoonmaken van apparatuur, met uitzondering van hand- en rugspuitapparatuur, voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, die horen bij een inrichting voor de opslag en het behandelen van restvloeistoffen

2

A,G,T


22° rubriek 7.11 wordt vervangen door wat volgt : 7.11. De fabricage van producten door chemische of biologische omzetting

7.11.

De fabricage van : (Er kan een overlapping zijn met de deelrubrieken van rubrieken 7, 13 en 38.

Onder fabricage in de zin van deze rubriek wordt verstaan de fabricage van de in deze rubriek genoemde stoffen of groepen van stoffen op industriële schaal door chemische of biologische omzetting.)


1° organisch-chemische producten, zoals :


a) eenvoudige koolwaterstoffen (lineaire of cyclische, verzadigde of onverzadigde, alifatische of aromatische)

1

G,M,X

A

P

J,R

B,S

b) zuurstofhoudende koolwaterstoffen, zoals alcoholen, aldehyden, ketonen, carbonzuren, esters en mengsels van esters, acetaten, ethers, peroxiden, epoxyharsen

1

G,M,X

A

P

J,R

B,S

c) zwavelhoudende koolwaterstoffen

1

G,M,X

A

P

J,R

B,S

d) stikstofhoudende koolwaterstoffen, zoals aminen, amiden, nitroso-, nitro- en nitraatverbindingen, nitrillen, cyanaten, isocyanaten

1

G,M,X

A

P

J,R

B,S

e) fosforhoudende koolwaterstoffen

1

G,M,X

A

P

J,R

B,S

f) halogeenhoudende koolwaterstoffen

1

G,M,X

A

P

J,R

B,S

g) organometaalverbindingen

1

G,M,X

A

P

J,R

B,S

h) kunststofmaterialen (polymeren, kunstvezels, cellulosevezels)

1

G,M,X

A

P

J,R

B,S

i) synthetische rubber

1

G,M,X

A

P

J,R

B,S

j) kleurstoffen en pigmenten

1

G,M,X

A

P

J,R

B,S

k) tensioactieve stoffen en tensiden

1

G,M,X

A

P

J,R

B,S

2° anorganisch-chemische producten, zoals :


a) van gassen, zoals ammoniak, chloor of chloorwaterstof, fluor of fluorwaterstof, kooloxiden, zwavelverbindingen, stikstofoxiden, waterstof, zwaveldioxide, carbonylchloride

1

G,M,X

A

P

J,R

B,S

b) van zuren, zoals chroomzuur, fluorwaterstofzuur, fosforzuur, salpeterzuur, zoutzuur, zwavelzuur, oleum, zwaveligzuur

1

G,M,X

A

P

J,R

B,S

c) van basen, zoals ammoniumhydroxide, kaliumhydroxide, natriumhydroxide

1

G,M,X

A

P

J,R

B,S

d) van zouten, zoals ammoniumchloride, kaliumchloraat, kaliumcarbonaat, natriumcarbonaat, perboraat, zilvernitraat

1

G,M,X

A

P

J,R

B,S

e) van niet-metalen, metaaloxiden of andere anorganische verbindingen, zoals calciumcarbide, silicium, siliciumcarbide, titaandioxide

1

G,M,X

A

P

J,R

B,S

3° fosfaat-, stikstof- of kaliumhoudende meststoffen (enkelvoudige of samengestelde meststoffen)

1

G,M,X

A

P

J,R

B,S

4° farmaceutische producten met inbegrip van tussenproducten

1

G,M,X

A

P

J,R

B,S

5° explosieven

1

G,M,X

A

P

J,R

B,S


23° er worden een rubriek 7.13 en 7.14 ingevoegd, die luiden als volgt :

7.13.

De productie van :


1° salpeterzuur, adipinezuur, glyoxal of glyoxylzuur

1

Yk,Yd

A

J

B

2° ammoniak, natriumcarbonaat of natriumbicarbonaat

1

Yk

A

J

B

3° organische bulkchemicaliën door kraken, reforming, gedeeltelijke of volledige oxidatieve of vergelijkbare processen, met een productiecapaciteit van meer dan 100 ton per dag

1

Yk

A

J

B

4° waterstof en synthesegas door reforming of gedeeltelijke oxidatie met een productiecapaciteit van meer dan 25 ton per dag

1

Yk

A

J

B

7.14.

De productie van roet waarbij organische stoffen zoals olie, teer en kraak- en destillatieresiduen worden verkoold, waarbij verbrandingseenheden met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW worden gebruikt

1

Yk

A

J

B


24° in rubriek 9.3.1, d), worden de woorden « van rubriek 9.3.1. » vervangen door de woorden « van rubriek 9.3.1 en rubriek 9.5 »; 25° in rubriek 9.4.1, d), worden de woorden « van rubriek 9.4.1 » vervangen door de woorden « van rubriek 9.4.1 en rubriek 9.5 »; 26° in rubriek 16.1 worden de woorden « Installaties voor de productie » vervangen door de woorden « De productie »; 27° rubriek 16.3.3 wordt vervangen door wat volgt :

16.3.

3. Pompstations die behoren bij pijpleidingen voor het vervoer van koolstofdioxidestromen voor geologische opslag

1

N, Yk


28° in de vierde kolom « bemerkingen » van rubriek 16.11 wordt het symbool « Yk » ingevoegd; 29° aan rubriek 16.12 wordt een punt 3° toegevoegd, dat luidt als volgt :

3° het afvangen van broeikasgassen, afkomstig van installaties die met een Y zijn aangeduid in de vierde kolom van de indelingslijst, met het oog op de geologische opslag overeenkomstig het decreet van 8 mei 2009Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/03/2009 pub. 06/04/2009 numac 2009011129 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 6 februari 2007 tot uitvoering van artikel 3, § 2, van de wet van 13 juli 2005 betreffende de invoering van een jaarlijkse bijdrage ten laste van bepaalde instellingen type koninklijk besluit prom. 19/03/2009 pub. 01/04/2009 numac 2009003135 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 september 1998 betreffende de nationale zijde van de eerste serie euromuntstukken type koninklijk besluit prom. 19/03/2009 pub. 08/04/2009 numac 2009022162 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot wijziging van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen sluiten2 betreffende de diepe ondergrond

1

N,Yk


30° in rubriek 18 worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) het opschrift « Groeven en graverijen » wordt vervangen door het opschrift « Ontginningen »; b) er wordt een subrubriek 18.7 toegevoegd, die luidt als volgt :

18.7.

Afgraving van steenkoolterrils

2

N, O, W


31° aan rubriek 19.4 wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt :

4° de conservering van hout en houtproducten met behulp van chemische stoffen met een productiecapaciteit van meer dan 75 m3 per dag, met uitzondering van de behandeling die uitsluitend gericht is op het voorkomen van sapvlekken (Er kan overlapping zijn met een of meer rubrieken van rubriek 19.)

1

M,X

A

P

J,R

B,S


32° er wordt een rubriek 19.9 ingevoegd, die luidt als volgt :

19.9.

De industriële fabricage van een of meer van de volgende platen en panelen van hout : oriented strand board (OSB), spaanplaat, vezelplaat met een productie-capaciteit van meer dan 600 m3 per dag (Er kan overlapping zijn met een of meer subrubrieken van rubriek 19.)

1

M,X

A

P

J


33° in rubriek 20 worden de woorden « Industriële inrichtingen die behoren tot de volgende categorieën, vallend onder de toepassing van de EG-Richtlijn 84/360/EEG van 28 juni 1984 betreffende de bestrijding van door industriële inrichtingen veroorzaakte luchtverontreiniging (de in deze rubriek genoemde drempels hebben betrekking op de productiecapaciteit) » vervangen door de woorden « Industriële inrichtingen die behoren tot bijzondere categorieën »; 34° rubriek 20.1.1 tot en met 20.1.3 worden vervangen door wat volgt :

20.1.1.

De productie van cokes

1

E,G,M,X,Yk

A

P

J,R

B,S

20.1.2.

Het raffineren van ruwe aardolie (Zie ook rubriek 1.1.)

1

E,M,X,Yk

A

P

J,R

B,S

20.1.3.

Het vergassen of vloeibaar maken van :


a) steenkool

1

E,M,X

A

P

J,R

B,S

b) andere brandstoffen in installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 20 MW of meer

1

E,M,X

A

P

J,R

B,S


35° rubriek 20.2.1 tot en met 20.2.5 worden vervangen door wat volgt :

20.2.1.

Het roosten, pelletiseren of sinteren van ertsen, met inbegrip van zwavelhoudend erts

1

G,M,X,Yk

A

P

J,R


20.2.2.

De productie van ruw ijzer of staal (primaire of secundaire smelting) met inbegrip van continugieten met een capaciteit van :


1° 500 kg tot 2,5 ton per uur

1

G,M

A

P

J

O

2° meer dan 2,5 ton per uur

1

G,M,X,Yk

A

P

J,R

A,S

20.2.3.

Het smelten van ferrometalen met een productiecapaciteit per dag van :


1° 1 ton tot en met 5 ton

2

A

O

2° meer dan 5 ton tot en met 20 ton

1

M

A

P

J

O

3° meer dan 20 ton

1

M,X

A

P

J,R

A,S

20.2.4.

Het smelten, met inbegrip van het legeren, van non-ferrometalen, inclusief terugwinningsproducten en het gieten van non-ferrometalen met een smeltcapaciteit per dag van :


a) voor lood en cadmium :


1° 20 kg tot en met 1 ton

2

A,G,M

A

2° meer dan 1 ton tot en met 4 ton

1

G,M

A

P

J

B

3° meer dan 4 ton

1

G,M,X

A

P

J,R

B,S

b) voor andere metalen :


1° 20 kg tot en met 0,5 ton

2

A,G,M

O

2° meer dan 0,5 ton tot en met 20 ton

1

G,M

A

P

J

A

3° meer dan 20 ton

1

G,M,X

A

P

J,R

A,S

20.2.5.

De productie van ruwe non-ferrometalen uit erts, concentraat of secundaire grondstoffen met metallurgische, chemische of elektrolytische procedés

1

G,M,X

A

P

J,R

B,S


36° er wordt een rubriek 20.2.8 tot en met 20.2.10 ingevoegd, die luiden als volgt :

20.2.8.

Productie van aluminium


1° productie van primair aluminium

1

Yk,Yp

A

J

B

2° productie van secundair aluminium waarbij verbrandingseenheden met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW worden gebruikt

1

Yk

A

J

B

20.2.9.

Productie of bewerking van ferrometalen, inclusief ferrolegeringen, waarbij verbrandingseenheden met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW worden gebruikt. De bewerking bevat onder meer walserijen, herverhitters, gloeiovens, smederijen, gieterijen, coating en beitsen.

1

Yk

A

J

B

20.2.10.

Productie of bewerking van non-ferrometalen, met inbegrip van de productie van legeringen, raffinage, gieterijen enzovoort, waarbij verbrandingseenheden met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen (met inbegrip van brandstoffen die als reductoren worden ingezet) van meer dan 20 MW worden gebruikt

1

Yk

A

J

B


37° in rubriek 20.3.2, d), worden de woorden « Installaties voor de winning van asbest en de fabricage van asbestproducten » vervangen door de woorden « De winning van asbest of de fabricage van asbestproducten »; 38° aan rubriek 20.3.3 wordt een punt 3° toegevoegd, dat luidt als volgt :

3° Fabricage van isolatiemateriaal uit minerale wol met gebruikmaking van glas, steen of slakken met een smeltcapaciteit van meer dan 20 ton per dag

1

Yk

J


39° rubriek 20.3.4 en 20.3.5 worden vervangen door wat volgt :

20.3.4.

De fabricage van glas :


1° de fabricage van glas, met inbegrip van installaties voor de fabricage van glasvezels,


met een smeltcapaciteit per dag van :


a) 4 ton tot en met 20 ton

2

O

b) meer dan 20 ton

1

M,X,Yk

A

P

J,R

A,S

2° installaties voor het vervaardigen en behandelen van glas (met inbegrip van glasvezels) met een productie-capaciteit van 30.000 ton per jaar of meer. (Er is overlapping mogelijk met punt 1°. )

1

M

A

P

J

A

20.3.5.

Het fabriceren van keramische producten door middel van verhitting, met name dakpannen, bakstenen, vuurvaste stenen, tegels, aardewerk of porselein met : De in deze rubriek vermelde gebieden betreffen de gebieden zoals bepaald door de stedenbouwkundige voorschriften van een goedgekeurd plan van aanleg, een ruimtelijk uitvoeringsplan of een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkavelingsvergunning.

Als de bestemming is vastgelegd in een ruimtelijk uitvoeringsplan, wordt onder « industriegebied » de categorie van gebiedsaanduiding « bedrijvigheid » verstaan, met uitzondering van de volgende gebiedsaanduidingen die onder deze categorie vallen : 1° specifiek regionaal bedrijventerrein voor kantoren 2° specifiek regionaal bedrijventerrein voor kleinhandel 3° buffer voor bedrijventerreinen


a) een totaal geïnstalleerde drijfkracht van :


1° a) 5 kW tot en met 200 kW als de inrichting volledig in een industriegebied ligt

3

O

b) 5 kW tot en met 100 kW als de inrichting volledig of gedeeltelijk in een ander gebied dan een industriegebied ligt

3

O

2° a) meer dan 200 kW tot en met 1.000 kW als de inrichting volledig in een industriegebied ligt

2

A

A

b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW als de inrichting volledig of gedeeltelijk in een ander gebied dan een industriegebied ligt

2

A

A

3° a) meer dan 1.000 kW als de inrichting volledig in een industriegebied ligt

1

N, M

A

P

J

A

b) meer dan 500 kW als de inrichting volledig of gedeeltelijk in een ander gebied dan een industriegebied ligt

1

N, M

A

P

J

A

b) een productiecapaciteit in gewicht van meer dan 75 ton per dag

1

M,X,Yk

A

P

J,R

A,S

c) een ovencapaciteit van meer dan 4 m3 en met een plaatsingsdichtheid per oven van meer dan 300 kg/m3

1

M,X

A

P

J,R

A,S


40° in rubriek 20.3.6 worden de woorden « Installaties voor het smelten van minerale stoffen » vervangen door de woorden « Het smelten van minerale stoffen »; 41° in rubriek 20.3.7 worden de woorden « Installaties voor de fabricage van koolstof » vervangen door de woorden « De fabricage van koolstof »; 42° er wordt een rubriek 20.3.8 ingevoegd, die luidt als volgt :

20.3.8.

Het drogen of calcineren van gips of het produceren van gipsplaten en andere gipsproducten waarbij verbrandingseenheden met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW worden gebruikt

1

Yk

A

J

A


43° in rubriek 23.4 worden de woorden « Installaties voor oppervlaktebehandeling » vervangen door het woord « oppervlaktebehandeling » en worden tussen het woord « behandelingsbaden » en de woorden « meer dan » de woorden « (exclusief spoelbaden) » ingevoegd; 44° rubriek 25.1.1 wordt vervangen door wat volgt :

25.1.1.

Het looien van huiden met een verwerkingscapaciteit van meer dan 12 ton eindproducten per dag

1

X

B

J,R

B,S


45° in rubriek 29 wordt tussen de woorden « Metalen (zie ook rubriek 20.2) » en de woorden « De in deze rubriek vermelde gebieden betreffen » een lid ingevoegd, dat luidt als volgt : « Uitzondering : Het mechanisch, thermisch of fysisch bewerken van metaal, alsook het stralen met zand of andere producten gekoppeld aan de uitvoering van eigenlijke bouw- of sloopwerken, is niet in deze rubriek ingedeeld. »; 46° rubriek 29.1.2 wordt vervangen door wat volgt :

29.1.2.

Inrichtingen voor de opslag of overslag van ertsen, met uitzondering van die, vermeld in rubriek 48, met een oppervlakte van :


1° 1 tot en met 10 ha

2

T

A

2° meer dan 10 ha

1

B

A


47° in rubriek 29.2 worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) de woorden « Installaties voor de verwerking » worden vervangen door de woorden « De verwerking » en de woorden « inrichtingen voor de productie » worden vervangen door de woorden « De productie »; b) in rubriek 29.2.1 wordt punt 1° vervangen door wat volgt :

warmwalsen met een capaciteit van meer dan 20 ton ruwstaal per uur

1

M,X

A

P

J,R

B,S


48° in rubriek 29.5 worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) in rubriek 29.5.1 worden de woorden « Installaties voor het smeden » vervangen door het woord « Smeden »; b) in rubriek 29.5.5 worden de woorden « Installaties voor oppervlaktebehandeling » vervangen door het woord « Oppervlaktebehandeling »; c) in kolom 8 van rubriek 29.5.5, 4°, en 29.5.6, a), wordt het symbool « S » ingevoegd; d) rubriek 29.5.10.2° wordt vervangen door wat volgt :

2° Overige


a) tot en met 0,2 MW, waarbij wel een of meer van de hierboven vermelde verwijderingsactiviteiten plaatsvinden; 2

A

O

b) meer dan 0,2 MW. 1

M

B

P

J

A


49° in rubriek 30.2 worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) de woorden « Installaties voor de productie » worden vervangen door de woorden « De productie »;b) in punt 2° wordt in kolom 8 het symbool « S » ingevoegd;c) in punt 3° worden de woorden « ongebluste kalk » vervangen door de woorden « kalk of het calcineren van dolomiet of magnesiet » en wordt in kolom 8 het symbool « S » ingevoegd;d) er wordt een punt 4° toegevoegd, dat luidt als volgt :

magnesiumoxide in ovens met een productiecapaciteit van meer dan 50 ton per dag

1

X

B

J

O,S


50° in rubriek 31 worden de woorden « motoren (machines) » vervangen door de woorden « Motoren » en wordt het woord « verbranding » vervangen door de woorden « verbranding (stationaire motoren en gasturbines) »; 51° rubriek 31.1 wordt vervangen door wat volgt :

31.1.

Stationaire motoren en gasturbines met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van : (Uitzondering : Motoren met inwendige verbranding opgesteld op een bouwplaats voor de uitvoering van eigenlijke bouw, sloop- of wegenwerken zijn niet (in deze rubriek) ingedeeld.

Opmerkingen : De motoren, die vallen onder de toepassing van rubriek 15.5 en rubriek 19.8, zijn niet ingedeeld in deze rubriek.

De in deze rubriek vermelde gebieden betreffen de gebieden zoals bepaald door de stedenbouwkundige voorschriften van een goedgekeurd plan van aanleg, een ruimtelijk uitvoeringsplan of een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkavelingsvergunning.

Als de bestemming is vastgelegd in een ruimtelijk uitvoeringsplan, wordt onder « industriegebied » de categorie van gebiedsaanduiding « bedrijvigheid » verstaan, met uitzondering van de volgende gebiedsaanduidingen die onder deze categorie vallen : - specifiek regionaal bedrijventerrein voor kantoren; - specifiek regionaal bedrijventerrein voor kleinhandel; - buffer voor bedrijventerreinen.

Voor de vast opgestelde motoren met minder dan 500 bedrijfsuren per kalenderjaar die noodgeneratoren of bluswaterpompen aandrijven, moet het nominaal thermisch ingangsvermogen maar voor 50 % in rekening worden gebracht voor het bepalen van het totaal nominaal thermisch ingangsvermogen.

Er kan overlapping zijn met rubriek 43.3.)


1° a) 10 kW tot 300 kW als de inrichting volledig in een industriegebied ligt

3


b) 10 kW tot en met 100 kW als de inrichting volledig of gedeeltelijk in een ander gebied dan een industriegebied ligt

3


2° a) 300 kW tot en met 500 kW als de inrichting volledig in een industriegebied ligt

2

T

N


b) meer dan 100 kW tot en met 500 kW als de inrichting volledig of gedeeltelijk in een ander gebied dan een industriegebied ligt

2

T

N


3° meer dan 500 kW

1

T

N


52° in rubriek 31.2 wordt het woord « vermogen » vervangen door de woorden « thermisch ingangsvermogen »; 53° rubriek 32.1 en rubriek 32.2 worden vervangen door wat volgt :

32.1.

Inrichtingen met muziekactiviteiten :


(Uitzondering : De volgende inrichtingen vallen niet onder deze indelingsrubriek : inrichtingen met muziekactiviteiten die beschikken over een toelating als vermeld in artikel 5.32.2.2.bis, § 1, 4°, 5.32.3.10, § 4 en artikel 6.7.3, § 3, van titel II van het VLAREM.)


1° feestzalen en lokalen waar muziek geproduceerd wordt en het geluidsniveau van muziek in de inrichting > 85 dB(A) LAeq,15min en ? 95 dB(A) LAeq,15min

3


2° feestzalen, lokalen en schouwspelzalen waar muziek geproduceerd wordt en het geluidsniveau van muziek in de inrichting > 95 dB(A) LAeq,15min en ? 100 dB(A) LAeq,60min

2

T


32.2.

Andere schouwspelzalen dan die, vermeld in rubriek 32.1.2° :


1° bioscopen

3


2° schouwburgen, variététheaters, andere zalen voor sportmanifestaties dan die, vermeld in punt 3°, polyvalente zalen en feestzalen met een speelruimte

3


3° zalen voor gemotoriseerde sportmanifestaties met gebruik van verbrandingsmotoren, bijvoorbeeld indoor-karting en dergelijke

2

A, T


54° in rubriek 32.7.1° worden de woorden « paintball shooting » vervangen door de woorden « voor paintball shooting en voor kruisbogen »; 55° rubriek 33.1 wordt vervangen door wat volgt :

33.1.

De fabricage, in industriële installaties, van papierpulp uit hout of uit andere vezelstoffen

1

M,X,Yk

A

P

J,R

O,S


56° in rubriek 33.2 wordt punt e) vervangen door wat volgt :

e)

de fabricage, in industriële installaties, van papier of karton met een productiecapaciteit van meer dan 20 ton per dag (Er kan overlapping zijn met de rubrieken a) tot en met d).)

1

M,X, Yk

A

P

J,R

O,S


57° in rubriek 38.3 worden tussen de woorden « de inhoud : » en de woorden « 1° beperkt is tot » de zinnen « Uitzondering : vallen niet onder deze indelingsrubriek : producten die eenieder zonder vergunning onder zich kan houden overeenkomstig het koninklijk besluit van 23 september 1958Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten1 houdende algemeen reglement betreffende het fabriceren, opslaan, onder zich houden, verkopen, vervoeren en gebruik van springstoffen, inzonderheid artikel 265. » ingevoegd; 58° rubriek 41.10 wordt vervangen door wat volgt :

41.10.

De voorbehandeling (zoals wassen, bleken, merceriseren) of het verven van textielvezels of textiel met een verwerkingscapaciteit van meer dan 10 ton per dag (Er kan overlapping zijn met andere rubrieken van hoofdrubriek 41.)

1

M,X

A

P

J,R

B,S


59° in rubriek 43 wordt het woord « Verbrandingsinrichtingen » vervangen door het woord « Stookinstallaties » en wordt de zin « Verbrandingsinrichtingen waarin afvalstoffen worden verwerkt of worden verbrand zijn uitsluitend ingedeeld in rubriek 2.3.4. Indien afvalstoffen worden gebruikt als hulp- of toevoegbrandstof zijn zowel de rubrieken 2.3.4 als 43 van toepassing » vervangen door de zin « Stookinstallaties waarin afvalstoffen worden verwerkt of worden verbrand zijn zowel ingedeeld in rubriek 2.3.4 als in 43 »; 60° in rubriek 43.1 worden de woorden « Verbrandingsinrichtingen zonder elektriciteitsproductie (stookinstallaties e.d.), met een totaal warmtevermogen van : » vervangen door de woorden « Het stoken in installaties, met uitzondering van stationaire motoren en gasturbines, met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van : »; 61° rubriek 43.2 wordt opgeheven; 62° rubriek 43.3 wordt vervangen door wat volgt :

43.3.

Het stoken in installaties, inclusief stationaire motoren en gasturbines, met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW of meer (Er kan overlapping zijn met rubriek 2.3.4, 31.1, 43.1 en 43.4.)

1

M,X

B

P

J,R

A,S


63° rubriek 43.4 wordt vervangen door wat volgt :

43.4.

Installaties voor het verbranden van brandstof met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW, met uitzondering van installaties voor het verbranden van gevaarlijke afvalstoffen of huishoudelijk afval. (Er kan overlapping zijn met rubriek 2.3.4, 31.1, 43.1, 43.2 en 43.3.)

1

M,Yk

J

A


64° in rubriek 45.1 worden de woorden « Slachthuizen en private slachterijen » vervangen door de woorden « De exploitatie van slachthuizen »; 65° in rubriek 45.6 worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) de woorden « Installaties voor het bewerken en verwerken van » worden vervangen door de woorden « De bewerking en verwerking van »; b) punt b) wordt vervangen door wat volgt :

b)

uitsluitend melk met een hoeveelheid ontvangen melk van meer dan 200 ton per dag (gemiddelde waarde op jaarbasis) (Er kan overlapping zijn met a).)

1

X

B

P

R


66° rubriek 45.16 wordt vervangen door wat volgt :

45.16.

De bewerking en verwerking behalve het uitsluitend verpakken, van de volgende grondstoffen, voor de fabricage van levensmiddelen of voeder van :


1° uitsluitend dierlijke grondstoffen (andere dan uitsluitend melk) met een productiecapaciteit van meer dan 75 ton per dag eindproducten

1

X

B

J,R


2° uitsluitend plantaardige grondstoffen met een productiecapaciteit van meer dan 300 ton per dag eindproducten of 600 ton per dag eindproducten als de installatie gedurende een periode van niet meer dan 90 opeenvolgende dagen in om het even welk jaar in bedrijf is

1

X

B

J,R


3° dierlijke en plantaardige grondstoffen, zowel in gecombineerde als in afzonderlijke producten, met een productiecapaciteit in ton per dag van meer dan :

1

X

A

J


a) 75 als A gelijk is aan of hoger dan 10


b) 300- (22,5 x A) in alle andere gevallen.

Daarbij staat « A » voor het aandeel dierlijk materiaal (in gewichtspercentage) van de productiecapaciteit in eindproducten.

De verpakking is niet inbegrepen in het eindgewicht van het product.

Deze onderafdeling is niet van toepassing als de grondstof uitsluitend melk is.


(voetnoot C zie achteraan bijlage 1)


67° in rubriek 59.3, 3°, worden de woorden « zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 16 november 1984 » opgeheven; 68° in rubriek 59.5.1, 1°, worden de woorden « zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 16 november 1984 » opgeheven; 69° rubriek 59.7 wordt vervangen door wat volgt :

59.7.

Coating van houten oppervlakken.

Daaronder valt niet de coating van substraten met metalen met behulp van elektroforese en chemische spuittechnieken. Als de coatingactiviteit ook een stap omvat waarbij hetzelfde artikel wordt bedrukt, ongeacht de daarbij gebruikte techniek, wordt die stap als onderdeel van de coatingactiviteit beschouwd.

Drukactiviteiten die als afzonderlijke activiteiten plaatsvinden, vallen daar niet onder.


1° met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van 15 ton tot en met 25 ton

2

B

2° met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van meer dan 25 ton

1

B


70° rubriek 59.10 wordt vervangen door wat volgt :

59.10.

Coating van leder.

Daaronder valt niet de coating van substraten met metalen met behulp van elektroforese en chemische spuittechnieken. Als de coatingactiviteit ook een stap omvat waarbij hetzelfde artikel wordt bedrukt, ongeacht de daarbij gebruikte techniek, wordt die stap als onderdeel van de coatingactiviteit beschouwd.

Drukactiviteiten die als afzonderlijke activiteiten plaatsvinden, vallen daar niet onder.


1° met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van 10 ton tot en met 25 ton

2

B

2° met een jaarlijks oplosmiddelverbruik van meer dan 25 ton

1

B


71° er wordt een noot C toegevoegd, die luidt als volgt : NOOT C :

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld ».

Art. 31.In bijlage 3A van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten6 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten2, wordt punt F4 vervangen door wat volgt :

Rubriek waarbij in de vierde kolom van de VLAREM-indelingslijst een letter 'Y' is vermeld


F4

Als de mededeling betrekking heeft op een aanvraag van een Y-rubriek voegt u als bijlage F4 een door het verificatiebureau geverifieerd en door de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, goedgekeurd monitoringplan toe.

 F4

Als de mededeling betrekking heeft op een aanvraag tot schrapping van een Y-rubriek voegt u als bijlage F4 documenten toe die aantonen dat de installatie niet langer onder het toepassingsgebied van emissiehandel valt.


».

Art. 32.In bijlage 4A van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten6 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 januari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten1, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° punt D6 wordt vervangen door wat volgt :

Gaat het om een GPBV-installatie?

D6

De inrichting is een GPBV-installatie als een rubriek van toepassing is op de inrichting waarvoor een 'X' vermeld staat in de vierde kolom van de indelingslijst.Het gaat om inrichtingen die vallen onder het toepassingsgebied van hoofdstuk II van de Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging).

 ja. Als de aanvraag betrekking heeft op een GPBV-installatie, voeg dan bij dit formulier als bijlage D6 de gegevens die vermeld worden in de toelichtingsbijlage bij dit formulier in punt D6.

 D6

 Nee


2° punt D8 wordt vervangen door wat volgt :

Gaat het om een BKG-installatie?

D8

De inrichting is een BKG-installatie als een rubriek van toepassing is op de inrichting waarvoor een 'Y' vermeld staat in de vierde kolom van de indelingslijst.Het gaat om inrichtingen die vallen onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2003/87/EG van 14 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad.

 ja. Als de aanvraag betrekking heeft op een onderdeel waarop een « Y » rubriek van toepassing is, voeg dan bij dit formulier als bijlage D8 de gegevens en documenten die vermeld worden in de toelichtingsbijlage bij dit formulier in punt D8.

 D8

 Nee


3° in punt E13 worden de woorden « en van hoofdstuk V van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) » toegevoegd; 4° punt E14 wordt vervangen door wat volgt :

Gaat het om een stookinstallatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW of meer, met uitzondering van de installaties, vermeld in titel II, artikel 5.43.1.2, van het Vlarem?

E14

Voor de bepaling van het totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van de stookinstallatie wordt rekening gehouden met de in titel II, artikel 5.43.3.1, van het Vlarem vastgestelde samentelling regels.

Deze inrichtingen vallen mogelijk onder het toepassingsgebied van Richtlijnen 2001/80/EG en 2001/81/EG van 23 oktober 2001 en van hoofdstuk III van Richtlijn 2010/78/EU van 24 november 2010.

 ja. Voeg bij dit formulier als bijlage E14 de gegevens die vermeld worden in de toelichtingsbijlage bij dit formulier in punt E14.

 E14

 Nee


5° er wordt een punt E15 ingevoegd, dat luidt als volgt :

E15

Als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op het verbranden of meeverbranden van afvalstoffen voegt u bij dit formulier als bijlage E15 een beschrijving van de volgende aspecten :


- de maatregelen die zijn gepland om te waarborgen dat de installatie zo ontworpen, uitgerust, onderhouden en geëxploiteerd wordt dat aan de exploitatievoorwaarden en verplichtingen van de exploitant wordt voldaan zoals is vastgesteld in hoofdstuk XI van VLAREM I, rekening houdend met de afvalcategorieën die er zullen worden verbrand of meeverbrand; - de maatregelen die zijn gepland om te waarborgen dat de bij het proces opgewekte warmte voor zover mogelijk wordt teruggewonnen door de productie van warmte, stoom of elektriciteit;

 E15

- de maatregelen die zijn gepland om te waarborgen dat het ontstaan van residuen en de schadelijkheid ervan tot een minimum beperkt worden, en dat de residuen in voorkomend geval gerecycleerd worden.

In de mate dat er overlappingen zijn, kunt u verwijzen naar de bijlagen die u op basis van de vragen in rubriek F bij dit formulier moet voegen.


6° punt F9 wordt vervangen door wat volgt : « F9 Kruis hieronder aan waarop uw aanvraag betrekking heeft.  een tussentijdse opslagplaats voor uitgegraven bodem als vermeld in rubriek 61.2 van de indelingslijst, op voorwaarde dat er een capaciteit is van meer dan 10.000 m3 Als u in vraag F9 een hokje hebt aangekruist, voeg dan bij dit formulier als bijlage F9 de gegevens en documenten die vermeld worden in de toelichtingsbijlage bij dit formulier in punt F9. (van toepassing bij rubriek 61.2.2° ) »; 7° Aan het deel F wordt een punt F16 toegevoegd, dat luidt als volgt :

F16

Als deze aanvraag betrekking heeft op het gebruik van een stof die valt onder het toepassingsgebied van titel VII (Autorisaties) of op de vervaardiging of het gebruik van een stof die valt onder het toepassingsgebied van titel VIII (Beperkingen op de vervaardiging, het in de handel brengen en het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en mengsels) van de Verordening (EG) nr.1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), voegt u bij dit formulier als bijlage F16 de bijkomende gegevens die vermeld worden in punt F16 van de toelichtingsbijlage. Gebruik wordt gedefinieerd als elke vorm van verwerking, formulering, verbruik, opslag, bewaring, behandeling, overbrenging in recipiënten, overbrenging van de ene recipiënt naar de andere, vermenging, vervaardiging van een voorwerp of elke andere gebruikmaking.

Vervaardiging wordt gedefinieerd als productie of extractie van stoffen in natuurlijke toestand.

Meer informatie vindt u op www.lne.be

 F16


8° in punt H6 wordt onder « E12 » het volgende toegevoegd : « - E14 - E15 »;9° in punt H6 wordt onder « F15 » het volgende toegevoegd : « - F16 »;10° in punt K1, derde lid, 3°, worden de woorden « drie maanden » vervangen door de woorden « 105 dagen ».

Art. 33.In bijlage 4B van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten6 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 januari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten1, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° punt D6 wordt vervangen door wat volgt : « D6 GPBV Als de aanvraag betrekking heeft op een GPBV-installatie : 1.een beschrijving van de volgende gegevens, zo nodig aangevuld door bijlagen : a) de installatie en de activiteiten die daar plaatsvinden;b) de grondstoffen en hulpmaterialen, andere stoffen, en energie die in de installatie worden gebruikt of door de installatie worden gegenereerd;c) de emissiebronnen van de installatie;d) de toestand van het terrein van de installatie;e) de aard en de omvang van de te verwachten emissies van de installatie in elk milieucompartiment met een overzicht van de significante milieueffecten van de emissies;f) de beoogde technologie en de andere technieken ter voorkoming of, als dat niet mogelijk is, ter vermindering van de emissies van de installatie;g) de maatregelen voor de preventie, de voorbereiding voor hergebruik, de recycling en de terugwinning van de door de installatie voortgebrachte afvalstoffen;h) de andere maatregelen die worden getroffen om te voldoen aan de algemene beginselen van de fundamentele verplichtingen van de exploitant, vermeld in artikel 43ter;i) de maatregelen die worden getroffen voor de controle van de emissies in het milieu;j) een schets van de voornaamste door de aanvrager bestudeerde alternatieven voor de voorgestelde technologie, technieken en maatregelen;k) voor installaties met een rubriek die in de achtste kolom van de indelingslijst met de kenletter S worden aangeduid : een verslag van oriënterend bodemonderzoek en een bodemattest van de OVAM waaruit blijkt dat met dat oriënterend bodemonderzoek voldaan is aan de bodemonderzoeksplicht, vastgesteld door en krachtens artikel 33bis van het decreet van 27 oktober 2006Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten5 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming;2. een niet-technische samenvatting van de hierboven vermelde gegevens. Als aan een of meer van die gegevens kan worden voldaan met gegevens uit het milieueffectrapport of uit het veiligheidsrapport, of met andere informatie, verstrekt overeenkomstig andere wetgeving, kunnen die gegevens in de vergunningsaanvraag worden opgenomen of erbij worden gevoegd.

Als van die mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, wordt een duidelijke verwijzing naar de betreffende gegevens opgenomen. »; 2° punt D8 wordt vervangen door wat volgt : « D8 BROEIKASGASSEN Als de aanvraag betrekking heeft op een aanvraag van een « Y » rubriek : een door het verificatiebureau geverifieerd en door de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, goedgekeurd monitoringplan. Als de aanvraag betrekking heeft op een aanvraag tot schrapping van een « Y » rubriek : documenten die aantonen dat de installatie niet langer onder het toepassingsgebied van emissiehandel valt. »; 3° tussen « E12 » en « F1 » wordt een punt « E14 » ingevoegd, die luidt als volgt : « E14 GROTE STOOKINSTALLATIES 1° Beschrijf de maatregelen die ervoor zorgen dat de opstart- en stilleggingsperioden zoveel mogelijk worden beperkt.2° Beschrijf de maatregelen die ervoor zorgen dat alle emissiebeperkende apparatuur zodra dat technisch uitvoerbaar is, in werking wordt gesteld na het opstarten van de installatie.3° Geef een beschrijving van de punten vermeld in punt a) of b) : a) Geef het eindpunt van de opstartperiode en het beginpunt van de stilleggingsperiode, uitgedrukt als belastingdrempelwaarden, in aanmerking nemend dat de minimale stilleggingsbelasting voor de stabiele vermogensopwekking lager kan zijn dan de minimale opstartbelasting voor de stabiele vermogensopwekking.1) In geval van stookinstallaties die elektriciteit opwekken, worden de belastingdrempelwaarden voor de vaststelling van het einde van de opstartperiode en het begin van de stillegginsperiode uitgedrukt als een vast percentage van het nominaal elektrisch vermogen van de stookinstallatie.2) In geval van stookinstallaties voor mechanische aandrijving worden de belastingdrempelwaarden voor de vaststelling van het einde van de opstartperiode en het begin van de stilleggingsperiode uitgedrukt als een vast percentage van het mechanisch vermogen van de stookinstallatie.3) In geval van stookinstallaties die warmte opwekken, worden de belastingdrempelwaarden voor de vaststelling van het einde van de opstartperiode en het begin van de stilleggingsperiode uitgedrukt als een vast percentage van het nominaal thermisch uitgangsvermogen van de stookinstallatie.b) Beschrijf minimaal drie criteria die geassocieerd worden met het einde van de opstartperiode en met het begin van de stillegingsperiode, en die duidelijk en gemakkelijk te controleren en op de gebruikte technologie toepasbaar zijn.Die criteria worden gekozen uit de onderstaande processen en parameters : 1) afzonderlijke processen : i.voor installaties op vaste brandstoffen : de volledige overgang van het gebruik van de stabiliserende reserve- of steunbranders naar het werken op uitsluitend normale brandstof; ii. voor installaties op vloeibare brandstoffen : de start van de hoofdpomp voor de brandstoftoevoer als de oliedruk van de brander gestabiliseerd is. De brandstofstroom kan daarvoor als indicator gebruikt worden; iii. voor gasturbines : het punt waarop de verbrandingsmethode overschakelt op de volledig voorgemengde stationaire verbrandingsmethode of het « stationair toerental »; iv. gelijkwaardige processen die passen bij de technische kenmerken van de installatie; 2) operationele parameters : i.het zuurstofgehalte van de verbrandingsgassen; ii. de temperatuur van het verbrandingsgas; iii. stoomdruk; iv. voor installaties die warmte opwekken : enthalpie en de snelheid van de vloeistof die warmte overdraagt; v. voor op vloeibare brandstof en met gas gestookte installaties : het brandstofdebiet, uitgedrukt als een percentage van het nominale potentiële brandstofdebiet; vi. voor stoomketelinstallaties : de temperatuur van de stoom bij het verlaten van de ketel; vii. gelijkwaardige parameters die passen bij de technische kenmerken van de installatie. 4° in punt F14, 3, laatste lid, wordt de zinsnede « Indien het specifiek geluid van de windturbine hoger ligt dan de richtwaarde vermeld in bijlage 5.20.6.1 » vervangen door de zinsnede « Als men gebruik wil maken van het achtergrondgeluid om een hogere norm te bekomen »; 5° aan punt F15, eerste zin, worden de volgende woorden toegevoegd « voor een aanvraag voor het bekomen van een milieuvergunning vanaf 1 juli 2014 »;6° er wordt een punt F16 toegevoegd, dat luidt als volgt : « F16 REACH Geef voor het gebruik van elke stof die valt onder het toepassingsgebied van titel VII (Autorisaties) of voor de vervaardiging of het gebruik van elke stof die valt onder het toepassingsgebied van titel VIII (Beperkingen op de vervaardiging, het in de handel brengen en het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en mengsels) van de REACH-verordening :

STOFNAAM

STOFNUMMER (EC en/of CAS)

AUTORISATIE

GELDT EEN BEPERKING (volgens titel VIII van REACH) VOOR :

AUTORISATIE- NUMMER

VERBODSDATUM

DE STOF [J/N]

HET GEBRUIK [J/N]


».

Art. 34.In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 januari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten1, wordt een bijlage 8quater ingevoegd, die als bijlage 1 bij dit besluit is gevoegd.

Art. 35.In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 januari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten1, wordt een bijlage 10quater ingevoegd, die als bijlage 2 bij dit besluit is gevoegd.

Art. 36.Aan hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 januari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten1, wordt een bijlage 18 toegevoegd, die als bijlage 3 bij dit besluit is gevoegd. HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van titel II van het VLAREM

Art. 37.In het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten3, worden de woorden « toezichthoudende ambtenaar » telkens vervangen door het woord « toezichthouder » en worden de woorden « toezichthoudende ambtenaren » telkens vervangen door het woord « toezichthouders ».

Art. 38.In artikel 1.1.2 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 januari 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten1, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in « Definities algemeen » worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) de definities van « toezichthoudende overheid » en « verontreinigen » worden opgeheven;b) in de definitie « nieuwe inrichting » wordt paragraaf 3 opgeheven; 2° tussen de subtitel « Definities bedrijfsinterne milieuzorg (artikelen 4.1.9.1. tot en met 4.1.9.3.1. van hoofdstuk 4.1.) » en de subtitel « Definities afvalstoffenverwerking (hoofdstuk 5.2) » wordt een nieuwe subtitel ingevoegd, die luidt als volgt : « Definities risicobeheersing (afdeling 4.1.12) - « voorval » : gebeurtenis zoals brand, explosie of accidentele emissie, die wordt veroorzaakt door ongecontroleerde ontwikkelingen tijdens de exploitatie van een inrichting, die hetzij onmiddellijk, hetzij na verloop van tijd gevolgen kan hebben voor de mens of voor het leefmilieu; - « gevolg » : verontreiniging of aantasting van de gezondheid van de mens. »; 3° in « Verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties voor afvalstoffen » van « Definities afvalstoffenverwerking (hoofdstuk 5.2.) » worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) in de definitie « verbrandingsinstallatie » wordt de zin « Deze definitie omvat het terrein en de gehele verbrandingsinstallatie met inbegrip van alle verbrandingslijnen en de voorzieningen voor ontvangst, opslag en voorbehandeling ter plaatse van het afval, de systemen voor de toevoer van afval, brandstof en lucht, de stoomketel, de voorzieningen voor het behandelen van rookgassen, de voorzieningen voor de behandeling of opslag ter plaatse van residuen en afvalwater, de schoorsteen, alsook de apparatuur en de systemen voor de regeling van het verbrandingsproces en voor de registratie en bewaking van de verbrandingsomstandigheden;» opgeheven; b) in de definitie « meeverbrandingsinstallatie » worden in de eerste zin achter het woord « verwijdering » de woorden « door de verbranding door oxidatie van afval alsmede andere thermische behandelingsprocessen zoals pyrolyse, vergassing en plasmaproces voor zover de producten van de behandeling vervolgens worden verbrand » toegevoegd en worden de zinnen « Deze definitie omvat het terrein en de gehele installatie met inbegrip van alle meeverbrandingslijnen en de voorzieningen voor ontvangst, opslag en voorbehandeling ter plaatse van het afval, de systemen voor de toevoer van afval, brandstof en lucht, de stoomketel, de voorzieningen voor het behandelen van rookgassen, de voorzieningen voor de behandeling of opslag ter plaatse van residuen en afvalwater, de schoorsteen, alsmede de apparatuur en de systemen voor de regeling van het verbrandingsproces en voor de registratie en bewaking van de verbrandingsomstandigheden.Indien meeverbranding zodanig plaatsvindt dat de installatie niet in hoofdzaak voor de opwekking van energie of de fabricage van materiële producten maar wel voor thermische behandeling van afval bestemd is, wordt de installatie beschouwd als een verbrandingsinstallatie; » opgeheven; c) de definities van « emissie » en « emissiegrenswaarde » worden opgeheven; 4° in « Verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties voor biomassa-afval » van « Definities afvalstoffenverwerking (hoofdstuk 5.2.) » worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) de definitie « biomassa » wordt vervangen door wat volgt : « « biomassa » : producten die bestaan uit plantaardig landbouw- of bosbouwmateriaal dat gebruikt kan worden als brandstof om de energetische inhoud ervan te benutten alsook biomassa-afval;»; b) de definitie « biomassa-afval » wordt vervangen door wat volgt : « « biomassa-afval » : de volgende afvalstoffen : a) plantaardig afval van land- en bosbouw;b) plantaardig afval van de levensmiddelenindustrie, als de opgewekte warmte wordt teruggewonnen;c) vezelachtig plantaardig afval afkomstig van de productie van ruwe pulp en van de productie van papier uit pulp, als het op de plaats van productie wordt meeverbrand en de opgewekte warmte wordt teruggewonnen;d) kurkafval;e) onbehandeld of louter mechanisch behandeld houtafval;f) niet-verontreinigd behandeld houtafval, dus uitgezonderd houtmateriaal dat ten gevolge van een behandeling met houtbeschermingsmiddelen of door het aanbrengen van een beschermingslaag, gehalogeneerde organische verbindingen of zware metalen kan bevatten.Dat is in het bijzonder het geval voor houtafval, afkomstig van bouw- en sloopafval; »; 5° de subtitel « Definities bestrijdingsmiddelen » wordt vervangen door wat volgt : « Definities pesticiden (hoofdstuk 5.5.) 1° « pesticide » : a) een gewasbeschermingsmiddel : een gewasbeschermingsmiddel als vermeld in artikel 2 van Verordening (EG) nr.1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad; b) een biocide : een biocide als vermeld in artikel 1, § 1, 1°, van het koninklijk besluit van 22 mei 2003Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden;2° « restvloeistoffen » : met gewasbeschermingsmiddelen gecontamineerde vloeistoffen, namelijk : a) de sterk verdunde tankmengsels die overblijven, na doeltreffende reiniging op het veld, van de apparatuur, voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen;b) vloeistoffen van het morsen tijdens het vullen van de apparatuur voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen;c) vloeistoffen, afkomstig van een inrichting voor het schoonmaken van apparatuur, met uitzondering van hand- en rugspuitapparatuur, voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, horende bij een inrichting voor de opslag en het behandelen van restvloeistoffen;d) vloeistoffen afkomstig van de reiniging van een inrichting voor het schoonmaken van apparatuur, met uitzondering van hand- en rugspuitapparatuur, voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, die horen bij een inrichting voor de opslag en het behandelen van restvloeistoffen.»; 6° aan « Definities dieren/opslag mest (hoofdstukken 5.9. en 5.28.) » wordt de volgende definitie toegevoegd : « « pluimvee » : kippen, kalkoenen, parelhoenders, eenden, ganzen, kwartels, duiven, fazanten en patrijzen, die in gevangenschap worden opgefokt of gehouden voor de fokkerij, voor de productie van vlees of van consumptie-eieren of om in het wild te worden uitgezet; »; 7° in « Definities emissiejaarverslag » worden de woorden « en bijlage 4.1.8 » opgeheven; 8° « Definities geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (delen 3, 4 en 5), die bestaat uit de definitie « stof » tot en met de definitie « milieukwaliteitsnorm », wordt opgeheven; 9° In « Definities gevaarlijke producten (productie en opslag) (hoofdstukken 4.1., 5.17. en 6.5.), « Gevaarlijke producten » » worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) de definitie van « hoofdeigenschap » wordt vervangen door wat volgt : « « hoofdeigenschap » : de catalogisering volgens de EG-Richtlijn 67/548 EEG van 27 juni 1967 betreffende de indeling, verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen en de EG-Richtlijn 1999/45/EG van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten;indien een product wordt gekenmerkt met twee of meer gevaarsymbolen, moet het meest relevante risico in aanmerking worden genomen; indien dit niet wordt gepreciseerd in de EG-richtlijn hiervoor vermeld, moet de indeling worden gevolgd van de ADR-reglementering, vastgesteld door het koninklijk besluit van 28 juni 2009Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 28/06/2009 pub. 30/06/2009 numac 2009014168 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit betreffende het vervoer via de weg of per spoor van gevaarlijke stoffen, met uitzondering van ontplofbare en radioactieve stoffen sluiten betreffende het vervoer via de weg of per spoor van gevaarlijke stoffen, met uitzondering van ontplofbare en radioactieve stoffen zoals bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 juni 2009; »; b) de definitie van « schip » wordt vervangen door wat volgt : « « schip » : een binnenschip als gedefinieerd in artikel 1.01 van bijlage II van het koninklijk besluit van 19 maart 2009Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/03/2009 pub. 06/04/2009 numac 2009011129 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 6 februari 2007 tot uitvoering van artikel 3, § 2, van de wet van 13 juli 2005 betreffende de invoering van een jaarlijkse bijdrage ten laste van bepaalde instellingen type koninklijk besluit prom. 19/03/2009 pub. 01/04/2009 numac 2009003135 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 september 1998 betreffende de nationale zijde van de eerste serie euromuntstukken type koninklijk besluit prom. 19/03/2009 pub. 08/04/2009 numac 2009022162 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot wijziging van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen sluiten betreffende de technische voorschriften voor binnenschepen; »; 10° In « Definities luchtverontreiniging (hoofdstukken 2.5, 4.4, 5.20, 5.43. en 6.6.) » worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) in « Algemeen » worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1) de definities van « emissiegrenswaarde » en « publiek » worden opgeheven;2) in de definitie van « PM2,5 wordt het woord « efficiencygrens » vervangen door het woord « efficiëntiegrens »;3) er wordt een definitie van « schoorsteen » toegevoegd, die luidt als volgt : « « schoorsteen » : een structuur met een of meer afgaskanalen voor de afvoer van afgassen met het oog op de uitstoot ervan in de lucht;»; b) in « Stookinstallaties » worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1) de definities van « « rookgassen » » en « « ontzwavelingsprecentage » » worden opgeheven;2) in de definitie « brandstof » wordt de zinsnede « waarmee de stookinstallatie wordt gevoed, met uitzondering van de afvalstoffen die vallen onder het decreet van 23 december 2011Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/03/2009 pub. 06/04/2009 numac 2009011129 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 6 februari 2007 tot uitvoering van artikel 3, § 2, van de wet van 13 juli 2005 betreffende de invoering van een jaarlijkse bijdrage ten laste van bepaalde instellingen type koninklijk besluit prom. 19/03/2009 pub. 01/04/2009 numac 2009003135 bron federale overheidsdienst financien Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 september 1998 betreffende de nationale zijde van de eerste serie euromuntstukken type koninklijk besluit prom. 19/03/2009 pub. 08/04/2009 numac 2009022162 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Koninklijk besluit tot wijziging van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen sluiten1 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen en met uitzondering van de meststoffen die vallen onder het decreet van 23 januari 1993 tot bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen » opgeheven;3) in de definitie « stookinstallatie » wordt de zinsnede « , met uitzondering van gasmotoren en dieselmotoren » opgeheven;4) in de definities « grote stookinstallatie », « middelgrote stookinstallatie » en « kleine stookinstallatie » worden telkens de woorden « nominaal thermisch vermogen » vervangen door de woorden « totaal nominaal thermisch ingangsvermogen »;5) in de definitie « nominaal thermisch vermogen » worden de woorden « nominaal thermisch vermogen » vervangen door de woorden « totaal nominaal thermisch ingangsvermogen » en worden de woorden « en die is vermeld in de milieuvergunning voor de betrokken installatie » opgeheven;6) de definitie « biomassa » wordt vervangen door wat volgt : « « biomassa » : producten die bestaan uit plantaardig landbouw- of bosbouwmateriaal dat gebruikt kan worden als brandstof om de energetische inhoud ervan te benutten, alsook biomassa-afval;»; 7) de definitie « biomassa-afval » wordt vervangen door wat volgt : « « biomassa-afval » : de volgende afvalstoffen : a) plantaardig afval van land- en bosbouw;b) plantaardig afval van de levensmiddelenindustrie, als de opgewekte warmte wordt teruggewonnen;c) vezelachtig plantaardig afval, afkomstig van de productie van ruwe pulp en van de productie van papier uit pulp;als het op de plaats van productie wordt meeverbrand en de opgewekte warmte wordt teruggewonnen; d) kurkafval;e) onbehandeld of louter mechanisch behandeld houtafval;f) niet-verontreinigd behandeld houtafval, dus uitgezonderd houtmateriaal dat ten gevolge van een behandeling met houtbeschermingsmiddelen of door het aanbrengen van een beschermingslaag, gehalogeneerde organische verbindingen of zware metalen kan bevatten.Dat is in het bijzonder het geval voor houtafval, afkomstig van bouw- en sloopafval; »; 8) tussen de definitie « exploitant » en de definitie « gasturbine » worden de volgende definities ingevoegd : « - « bedrijfsuren » : de tijd, uitgedrukt in uren, gedurende welke een stookinstallatie geheel of gedeeltelijk in werking is en emissies in de lucht uitstoot, met uitzondering van de voor de inwerkingstelling en stillegging benodigde tijd, zoals die is vastgesteld in de milieuvergunning; - « bepalende brandstof » : van alle brandstoffen in gemengde stookinstallaties die distillatie- en omzettingsresiduen, afkomstig van het raffineren van ruwe aardolie, alleen of in combinatie met andere brandstoffen zelf verbruiken, de brandstof met de hoogste emissiegrenswaarde, vermeld in afdeling 5.20.2 of, in geval van meerdere brandstoffen met dezelfde emissiegrenswaarde, de brandstof met het hoogste thermisch ingangsvermogen; »; 9) de definities van « « emissiegrenswaarde » », « « exploitant » », « « gasturbine in warmtekrachttoepassing » » en « « stoom- en gasturbine-installatie (STEG) in warmtekrachttoepassing' » worden opgeheven;10) de volgende definities worden toegevoegd : « - « gasmotor » : een verbrandingsmotor die werkt volgens de Ottocyclus en die gebruik maakt van vonkontsteking of, in het geval van dual-fuelmotoren, compressieontsteking om brandstof te verbranden; - « dieselmotor » : een verbrandingsmotor die werkt volgens de dieselcyclus en die gebruik maakt van compressieontsteking om brandstof te verbranden; - « dual-fuelmotor » : een verbrandingsmotor die werkt volgens de dieselcyclus bij gebruik van vloeibare brandstoffen en volgens de Ottocyclus bij gebruik van gasvormige brandstoffen; - « gasturbine/STEG/motor in warmtekrachttoepassing » : een gasturbine, STEG of motor opgesteld in een installatie voor de opwekking in één proces van thermische energie en elektrische en/of mechanische energie; - « nominaal motorrendement » : het door de constructeur opgegeven procentuele aandeel van warmte-inhoud van de toegevoerde brandstoffen dat, bij de hoogste belasting waarbij de zuigermotor continu kan worden bedreven, bij ISO-luchtcondities in arbeid wordt omgezet. - « aardgas » : in de natuur voorkomend methaan met maximaal 20 % (v/v) inerte en andere bestanddelen; »; c) de definities in « machines met inwendige verbranding », bestaande uit « rookgassen » tot en met « dieselmotor in warmtekrachttoepassing » en de definities in « Productie titaandioxide », bestaande uit « in het geval het sulfaatproces wordt toegepast » tot en met « iedere opzettelijke lozing in oppervlaktewateren in het binnenland, in de interne kustwateren, in de territoriale wateren of in volle zee van stoffen en materialen door of vanuit schepen of luchtvaartuigen » en, worden opgeheven; 11° in « Inrichtingen voor de fabricage van keramische producten (afdeling 5.30.1.) » van « Definities minerale producten (hoofdstuk 5.30.) » worden de definities van « rookgassen » en « emissiegrenswaarde » opgeheven; 12° tussen de subtitel « Definities minerale producten (Hoofstuk 5.30.) » en de subtitel « Definities ontspanningsinrichtingen (Hoofdstuk 5.32.) » wordt een subtitel « Definities ontginningen (Hoofdstuk 5.18.) » ingevoegd, die luidt als volgt : « Definities ontginningen (Hoofdstuk 5.18.) 1° « droge ontginning onder het grondwaterpeil » : een droge ontginning waarbij er zich boven de te ontginnen laag een watervoerende laag bevindt, of waarbij er zich onder de te ontginnen laag een watervoerende laag bevindt waarvan de stijghoogte boven de bodem van de te ontginnen laag uitkomt, ongeacht of er sprake is van wateruittreding uit de hellingen;2° « bresprofiel » : een profiel met de volgende hellingsgraden : a) van 0 tot 5 meter diepte : hellingsgraad 1:2 b) van 5 tot 10 meter diepte : hellingsgraad 1:3 c) van 10 tot 20 meter diepte : hellingsgraad 1:4 d) van 20 tot 30 meter diepte : hellingsgraad 1:8 e) van 30 tot 40 meter diepte : hellingsgraad 1:15 f) van 40 tot 50 meter diepte : hellingsgraad 1:25.»; 13° in de definitie « het collectief te optimaliseren buitengebied » van « Algemeen » van « Definities oppervlaktewater- en grondwaterbescherming (integraal waterbeleid) (hoofdstukken 2.3, 4.2, 5.3 en 6.2 (oppervlaktewater) en 2.4, 4.3, 5.52, 5.53, 5.54 en 5.55 (grondwater)) » worden de woorden « buitengebied, waar » vervangen door de woorden « buitengebied waar, »; 14° in « Definities activiteiten die gebruikmaken van organische oplosmiddelen (hoofdstuk 5.59) » worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) punt 1° wordt vervangen door wat volgt : « 1° « installatie » : een vaste technische eenheid waarin een of meer van de activiteiten, vermeld in artikel 5.59.1.1, plaatsvinden, en alle andere op dezelfde locatie ten uitvoer gebrachte en daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten die technisch verband houden met de voormelde activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging; »; b) in punt 2° worden de woorden « een installatie waarvoor » vervangen door de zinsnede « een installatie die op 29 maart 1999 in bedrijf was of een installatie waarvoor », worden de woorden « in gebruik wordt genomen » vervangen door de woorden « in gebruik werd genomen » en wordt de zin « Installaties die op 1 april 2001 niet ingedeeld waren, worden als bestaande installatie beschouwd als ze voor die datum in bedrijf waren;» opgeheven; c) punt 4° wordt vervangen door wat volgt : « 4° belangrijke wijziging : een wijziging van de aard of de werking, of de uitbreiding van een installatie die naar de mening van de bevoegde overheid significant negatieve effecten kan hebben op de gezondheid van de mens of op het milieu. De volgende veranderingen worden als belangrijke wijziging gedefinieerd : a) voor een kleine installatie : een verandering van de nominale capaciteit die leidt tot een toename van de emissies van vluchtige organische stoffen met meer dan 25 %;b) voor alle andere installaties : een verandering van de nominale capaciteit die leidt tot een toename van de emissies van vluchtige organische stoffen met meer dan 10 %.»; c) de punten 5°, 9° en 10° worden opgeheven;d) in punt 27° worden de woorden « bij normale exploitatie » vervangen door de woorden « bij normaal bedrijf »;e) punt 29° wordt vervangen door wat volgt : « 29° « voertuig » : de volgende categorieën van voertuigen zoals gedefinieerd in het koninklijk besluit van 15 maart 1968Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 15/03/1968 pub. 16/03/2005 numac 2005000019 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de motorvoertuigen en hun aanhangwagens moeten voldoen. - Duitse vertaling type koninklijk besluit prom. 15/03/1968 pub. 03/06/2014 numac 2014014295 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen : auto's gedefinieerd als categorie M1, bestelwagens en vrachtwagens gedefinieerd als categorieën N1, N2 en N3, vrachtwagencabines gedefinieerd als de behuizing voor de chauffeur en de daarmee geïntegreerde behuizing voor de technische eenheden die voor vrachtwagens gedefinieerd als categorieën N1, N2 en N3 zijn bestemd, bussen gedefinieerd als categorieën M2 en M3, en aanhangwagens, met inbegrip van opleggers, gedefinieerd als categorieën O1, O2, O3 en O4; »; f) de punten 30° tot en met punt 33° worden opgeheven; 15° in « Definities emissies van broeikasgassen (hoofdstuk 4.10) » worden de definitie van « ton koolstofdioxide-equivalent » en de definitie van « monitoringplan » opgeheven; 16° in « Definities elektromagnetische golven (hoofdstuk 2.14 en 6.10) » wordt in de definitie van « vast opgestelde zendantenne » het woord « Multibandzendantennes » vervangen door de woorden « Monoband- en multibandzendantennes ».

Art. 39.In afdeling 1.2.2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, 7 maart 2008 en 18 september 2009 wordt een artikel 1.2.2.1bis ingevoegd dat luidt als volgt : « Art. 1.2.2.1bis. De afwijking, vermeld in artikel 1.2.2.1, kan alleen worden toegestaan als aan volgende voorwaarden wordt voldaan : 1° er zijn technische redenen die de afwijking motiveren;2° de exploitant stelt maatregelen voor die gelijkwaardige waarborgen bieden voor de bescherming van de mens en van het leefmilieu als de voorwaarden waarvan de afwijking wordt toegestaan;3° de maatregelen, vermeld in punt 2°, beantwoorden aan de beste beschikbare technieken.».

Art. 40.In artikel 1.2.2.2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten8, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede « De aanvraag moet volgende elementen omvatten : » vervangen door de zinsnede « De aanvraag die bij aangetekende brief bij de afdeling bevoegd voor milieuvergunningen wordt ingediend, omvat de volgende elementen : »;2° paragraaf 2 wordt opgeheven.

Art. 41.In hoofdstuk 1.2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, 7 maart 2008 en 18 september 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° er wordt een afdeling 1.2.2bis, die bestaat uit artikel 1.2.2bis.1 tot en met 1.2.2bis.4, ingevoegd, die luidt als volgt : « Afdeling 1.2.2bis. - Individuele afwijkingen op de BBT-GEN voor GPBV-installaties Art. 1.2.2bis.1. In afwijking van artikel 1.2.2.1, § 3, kan de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, voor de exploitatie van GPBV-installaties, in afwijking van artikel 30bis, § 10, van titel I van het VLAREM, en met behoud van de toepassing van artikel 30bis, § 4, van titel I van het VLAREM, in specifieke gevallen bij gemotiveerd besluit een individuele afwijking toestaan op de BBT-GEN bepaald in de door de Europese Commissie aangenomen BBT-conclusies.

Voor zover de emissiegrenswaarden waarop de afwijking betrekking heeft, ook in de milieuvergunning zijn opgelegd, geldt de afwijking ook voor die milieuvergunningsvoorwaarden.

Art. 1.2.2bis.2. De afwijking, vermeld in artikel 1.2.2bis.1, wordt toegestaan tot een van de volgende gevallen zich voordoet : 1° de termijn van de milieuvergunning waarop ze betrekking heeft, verstrijkt;2° de termijn, vermeld in het besluit tot afwijking, verstrijkt;3° na de toetsing, vermeld in artikel 41bis van titel I van het VLAREM, een beslissing tot wijziging of aanvulling van de bijzondere voorwaarden wordt genomen met toepassing van de procedure vermeld in artikel 45 van titel I van het VLAREM die strijdig is met de emissiegrenswaarden die in het besluit tot afwijking zijn toegestaan. Art. 1.2.2bis.3. De afwijking, vermeld in artikel 1.2.2bis.1, kan alleen worden toegestaan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan : 1° uit een beoordeling blijkt dat het behalen van de BBT-GEN zou leiden tot buitensporig hogere kosten in verhouding tot de milieuvoordelen, als gevolg van minstens een van de volgende oorzaken : a) de geografische ligging of de plaatselijke milieuomstandigheden van de installatie in kwestie;b) de technische kenmerken van de installatie in kwestie; 2° de emissiegrenswaarden zijn niet hoger dan de eventueel toepasselijke grenswaarden, vermeld in bijlage 1.2.2bis; 3° er wordt gewaarborgd dat er geen aanzienlijke verontreiniging wordt veroorzaakt en dat een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel wordt bereikt. Art. 1.2.2bis.4. De individuele afwijking, vermeld in artikel 1.2.2bis.1, wordt in drie exemplaren schriftelijk aangevraagd door de exploitant van de GPBV-installatie. De aanvraag, die met een aangetekende brief bij de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, wordt ingediend, omvat de volgende elementen : 1° de vermelding van het toepasselijke BREF, de toepasselijke BBT uit de BBT-conclusies en, voor zover dat van toepassing is, de overeenkomstige voorwaarden met betrekking tot emissiegrenswaarden en de artikelen uit titel II van het VLAREM waarvoor de afwijking wordt aangevraagd;2° een beoordeling waaruit blijkt dat het behalen van emissieniveaus die samenhangen met de BBT zoals beschreven in de BBT-conclusies, zou leiden tot buitensporig hogere kosten in verhouding tot de milieuvoordelen, als gevolg van een van de volgende oorzaken : a) de geografische ligging of de plaatselijke milieuomstandigheden van de installatie in kwestie;b) de technische kenmerken van de installatie in kwestie; 3° een voorstel van emissiegrenswaarden waarbij wordt aangetoond dat ze niet hoger zijn dan de eventueel toepasselijke grenswaarden, vermeld in bijlage 1.2.2bis; 4° een voorstel van maatregelen die waarborgen dat er geen aanzienlijke verontreiniging wordt veroorzaakt en dat een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel wordt bereikt;5° een nota waarin wordt aangetoond dat de voorgestelde maatregelen beantwoorden aan de BBT, met bijzondere aandacht voor de criteria, vermeld in bijlage 18 van titel I van het VLAREM.»; 2° er wordt een afdeling 1.2.2ter, die bestaat uit artikel 1.2.2ter.1 tot en met 1.2.2ter.7, ingevoegd, die luidt als volgt : « Afdeling 1.2.2ter. - Procedure voor de individuele afwijkingen die door de minister worden toegestaan Artikel 1.2.2ter.1. § 1. De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, of de gemachtigde ambtenaar van de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, gaat na of de aanvraag tot afwijking, vermeld in artikel 1.2.2.2 of 1.2.2bis.4, ontvankelijk en volledig is overeenkomstig de bepalingen van dit besluit. § 2. De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, of de gemachtigde ambtenaar van de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, stuurt het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek met een aangetekende brief aan de aanvrager, binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat de dag nadat de aanvraag werd ingediend.

Als de aanvraag onontvankelijk wordt bevonden, worden de redenen van de onontvankelijkheid vermeld.

Als de aanvraag onvolledig wordt bevonden, worden de gegevens en inlichtingen die ontbreken of die nadere toelichting vereisen, vermeld. § 3. Bij gebrek aan schriftelijke kennisgeving van het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek aan de aanvrager binnen de termijn, vermeld in paragraaf 2, wordt de afwijkingsaanvraag geacht ontvankelijk en volledig te zijn.

De termijn van dertig kalenderdagen, vermeld in paragraaf 2, vat aan uiterlijk op de elfde dag na de dag waarop het aanvraagdossier, vermeld in de artikelen 1.2.2.2 en 1.2.2bis.4, ontvankelijk en volledig wordt verklaard overeenkomstig artikel 1.2.2ter.1, § 2, of dit wordt geacht te zijn overeenkomstig artikel 1.2.2ter.1, § 3.

Artikel 1.2.2ter.2. § 1. Voor afwijkingsaanvragen, vermeld in artikel 1.2.2.2 die inplantingsregels betreffen en voor afwijkingsaanvragen, vermeld in artikel 1.2.2bis.4, zendt de gewestelijke milieuvergunningscommissie, op de dag van de verzending van de brief waarin wordt meegedeeld dat de afwijkingsaanvraag ontvankelijk en volledig is bevonden, één exemplaar van de afwijkingsaanvraag samen met de bijlagen aan de bevoegde burgemeester, met de opdracht om een openbaar onderzoek in te stellen. § 2. Het openbaar onderzoek over een afwijkingsaanvraag, vermeld in paragraaf 1, omvat : 1° het op bevel van de bevoegde burgemeester aanplakken van afwijkingsaanvraag gedurende een periode van dertig dagen volgens de modaliteiten, vermeld in artikel 17 van titel I van het VLAREM.In afwijking van voormelde bepaling wordt het bericht van bekendmaking evenwel opgesteld naar het model dat als bijlage 8quater bij dit besluit is gevoegd.

De periode van dertig dagen vermeld in het eerste lid, vangt aan op de dag volgend op de dag dat tot het aanplakken van de beslissing werd overgegaan. 2° het op bevel van de bevoegde burgemeester ter inzage leggen van de afwijkingsaanvraag gedurende dezelfde periode van dertig dagen bij de diensten van het gemeentebestuur.3° het door de bevoegde burgemeester schriftelijk ter kennis brengen van de afwijkingsaanvraag aan : a) de eigenaars van de lijst, vermeld in artikel 5, § 4, van titel I van het VLAREM, en aan de gebruikers van de gebouwen gelegen in een straal van 100 m rond de perceelsgrenzen van de inrichting voor zover deze gelegen zijn in dezelfde gemeente als de inrichting;indien één of meer van de kadastrale percelen of gebouwen binnen deze straal gelegen zijn op het grondgebied van een naburige gemeente, wordt de afwijkingsaanvraag schriftelijk ter kennis gebracht aan het college van burgemeester en schepenen van deze gemeente dat op zijn beurt de voormelde gebruikers van de gebouwen en eigenaars binnen de vermelde straal in kennis stelt; b) het comité voor preventie en bescherming op het werk, vermeld in het koninklijk besluit van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten0 betreffende de opdrachten en de werking van de Comités voor Preventie en Bescherming op het Werk, van elke onderneming gelegen in een straal van 100 m rond de inrichting;c) de Algemene Directie Toezicht op het Welzijn op het Werk van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg de Technische Inspectie van de Administratie voor Arbeidsveiligheid;d) openbare besturen die belast zijn met het beheer van een verkeersweg, een waterloop of een instelling binnen een straal van 100 m;4° de bekendmaking van het openbaar onderzoek in opdracht van de bevoegde burgemeester, in minimum twee dag- en/of weekbladen waarvan één met regionaal karakter of in minstens een dag- of weekblad met regionaal karakter en op een voor bekendmakingen geëigende en opvallende plaats op de website van de gemeente. § 3. De termijn van dertig kalenderdagen, vermeld in paragraaf 2, vat uiterlijk aan op de elfde dag na de verklaring tot ontvankelijkheid en volledigheid van het aanvraagdossier van de afwijking, vermeld in artikel 1.2.2.2 en 1.2.2bis.4.

Artikel 1.2.2ter.3. Voor afwijkingsaanvragen waarvoor overeenkomstig artikel 1.2.2ter.2, § 1, een openbaar onderzoek vereist is, verzendt de burgemeester het dossier, vermeld in artikel 19 van titel I van het VLAREM, binnen een termijn van tien kalenderdagen na het verstrijken van de termijn van dertig kalenderdagen van het openbaar onderzoek, aan de gewestelijke milieuvergunningscommissie, vermeld in artikel 26 van titel I van het VLAREM. Artikel 1.2.2ter.4. Op de dag van de verzending van de brief waarin wordt meegedeeld dat de afwijkingsaanvraag, vermeld in artikel 1.2.2.2 of 1.2.2bis.4, ontvankelijk en volledig is bevonden, zendt de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, of de gemachtigde ambtenaar van de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, drie afschriften van de afwijkingsaanvraag aan de gewestelijke milieuvergunningscommissie, vermeld in artikel 26 van titel I van het VLAREM, met het verzoek om advies over de aanvraag te verstrekken.

De voorzitter van de gewestelijke milieuvergunningscommissie of de secretaris van de commissie, vermeld in artikel 26 van titel I van het VLAREM, verzoekt de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, om advies te verstrekken.

De afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen kan als ze dat noodzakelijk acht, het advies inwinnen van de overheidsorganen, vermeld in artikel 20 van titel I van het VLAREM. In het geval van een afwijkingsaanvraag, vermeld in artikel 1.2.2bis.4, wint ze het advies in van de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor het lozen van afvalwater en de emissie van afvalgassen in de atmosfeer.

Die overheidsorganen verlenen hun advies binnen een termijn van dertig kalenderdagen. Als het gevraagde subadvies niet binnen de bovengenoemde termijn van dertig kalenderdagen is uitgebracht, wordt het advies geacht gunstig te zijn.

Art. 1.2.2ter.5. De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, doet uitspraak over de afwijkingsaanvraag, vermeld in artikel 1.2.2.2 of 1.2.2bis.4, binnen een termijn van zes maanden na de dag van de verzending van de brief waarin wordt meegedeeld dat de afwijkingsaanvraag, vermeld in artikel 1.2.2.2 en 1.2.2bis.4, ontvankelijk en volledig is bevonden.

De uitspraak van de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, omvat een beslissing waarbij rekening wordt gehouden met de bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek werden geuit. Als de afwijking wordt toegestaan, maakt het besluit melding van de na te leven voorwaarden die gelijkwaardige waarborgen bieden voor de bescherming van de mens en het leefmilieu als de voorwaarden waarvoor de afwijking wordt toegestaan. ».

Art. 1.2.2ter.6. § 1. De beslissing over een afwijkingsaanvraag, vermeld in artikel 1.2.2.2 of 1.2.2bis.4, of een afschrift ervan, wordt door de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, of de gemachtigde ambtenaar van de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, binnen een termijn van 10 dagen na de datum van de beslissing met een aangetekende brief verzonden naar de bevoegde burgemeester met de opdracht tot bekendmaking ervan. § 2. De bevoegde burgemeester maakt de beslissing, vermeld in paragraaf 1, bekend gedurende een periode van dertig dagen die aanvangt op de dag volgend op de dag dat tot het aanplakken van de beslissing werd overgegaan.

De bekendmaking, vermeld in het eerste lid, omvat : 1° het op bevel van de bevoegde burgemeester aanplakken van de beslissing volgens de modaliteiten, vermeld in artikel 32, § 2, 1° en 2°, van titel I van het VLAREM.In afwijking van voormelde bepalingen wordt het bericht van bekendmaking evenwel opgesteld naar het model dat als bijlage 10quater bij dit besluit is gevoegd. 2° het op bevel van de bevoegde burgemeester ter inzage leggen van de beslissing, bij de diensten van het gemeentebestuur; § 3. Met behoud van de toepassing van paragraaf 2, wordt de beslissing over een afwijkingsaanvraag, waarvoor overeenkomstig artikel 1.2.2ter.2, § 1, een openbaar onderzoek vereist is door de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, via het internet ter beschikking gesteld van het publiek.

Art. 1.2.2ter.7. Een voor eensluidend verklaard afschrift van de beslissing over een afwijkingsaanvraag, vermeld in artikel 1.2.2.2 of 1.2.2bis.4, wordt door de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, of de gemachtigde ambtenaar van de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, op dezelfde dag dat tot de verzending van de beslissing aan de burgemeester, vermeld in artikel 1.2.2ter.6, § 1, wordt overgegaan, met een aangetekende brief of bij afgifte tegen ontvangstbewijs, aan : 1° de exploitant;2° de gewestelijke milieuvergunningscommissie, vermeld in artikel 26 van titel I van het VLAREM; 3° de overheidsorganen die overeenkomstig artikel 1.2.2ter.4 om advies zijn verzocht; 4° de afdeling bevoegd voor milieuhandhaving;5° de deputatie van de provincieraad van de provincie waartoe de percelen van de inrichting behoren;6° de Algemene Directie Toezicht op het Welzijn op het Werk van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg de Technische Inspectie van de Administratie voor Arbeidsveiligheid;7° het comité voor preventie en bescherming op het werk, vermeld in het koninklijk besluit van 3 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten0 betreffende de opdrachten en de werking van de Comités voor Preventie en Bescherming op het Werk;8° indien het gaat om een inrichting waarvoor een veiligheidsrapport is vereist, de dienst van de Civiele Bescherming gelast met de opstelling van het rampenplan bedoeld in artikel 7, § 2, van de wet van 21 januari 1987 inzake de risico's van zware ongevallen bij bepaalde industriële activiteiten.».

Art. 42.In artikel 2.5.2.3.2, § 1, van hetzelfde besluit, hersteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 januari 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten4, worden de woorden « De de nodige maatregelen » vervangen door de woorden « De nodige maatregelen ».

Art. 43.In artikel 2.5.2.5.1, § 1, tweede lid, 1°, van hetzelfde besluit, hersteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 januari 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten4, wordt de zinsnede « 2.5.2.3. » vervangen door de zinsnede « 2.5.2.3.11 ».

Art. 44.In artikel 2.5.7.1, derde lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 december 2006Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten6, wordt de zinsnede « industriële installaties die onder bijlage 2.8 van titel II van het VLAREM vallen, » vervangen door het woord « GPBV-installaties ».

Art. 45.In artikel 2.7.1.1 van hetzelfde besluit, hersteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2006Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten0, wordt paragraaf 2 vervangen door wat volgt : « § 2. Het verslag wordt aan de Europese Commissie toegezonden, telkens binnen negen maanden na afloop van de periode van drie jaar waarop het betrekking heeft. ».

Art. 46.In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten3, wordt een artikel 2.7.1.3 ingevoegd, dat luidt als volgt : « Art. 2.7.1.3. Overeenkomstig artikel 72 van de Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) zendt de OVAM om de drie jaar via de geëigende kanalen aan de Europese Commissie een verslag over de uitvoering van hoofdstuk IV van die EG-richtlijn.

Het verslag wordt elektronisch aan de Europese Commissie toegezonden.

Het verslag wordt door de OVAM gepubliceerd. ».

Art. 47.Aan hoofdstuk 2.7 van hetzelfde besluit, hersteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2006Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten0, wordt een afdeling 2.7.2 toegevoegd, die luidt als volgt : « Afdeling 2.7.2. - Verslaggeving ter inzage Art. 2.7.2.1. De OVAM publiceert een lijst van afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallaties met een capaciteit van minder dan 2 ton/uur zoals vermeld in artikel 33bis van titel I van het VLAREM. ».

Art. 48.In hoofdstuk 2.8 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 maart 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten9 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 september 2003, 7 maart 2008 en 24 april 2009, wordt vóór artikel 2.8.0.1 het opschrift « Afdeling 2.8.0. Beleidstaken ter uitvoering van de EU-Richtlijn 2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging » ingevoegd.

Art. 49.In artikel 2.8.0.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 maart 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten9 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten6, worden de woorden « de minister » vervangen door de woorden « de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, ».

Art. 50.In artikel 2.8.0.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 maart 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten9 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008 en 24 april 2009, worden de woorden « De afdeling, bevoegd voor het internationaal milieubeleid » vervangen door de woorden « De afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, » en wordt de zinsnede « per activiteiten categorie van bijlage 2.8 » vervangen door de woorden « voor de GPBV-installaties ».

Art. 51.Artikel 2.8.0.4, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten2, wordt opgeheven.

Art. 52.Aan hoofdstuk 2.8 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 maart 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten9 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 september 2003, 7 maart 2008 en 24 april 2009, wordt een afdeling 2.8.1, die bestaat uit artikel 2.8.1.1 tot en met 2.8.1.3, toegevoegd, die luidt als volgt : « Afdeling 2.8.1. - Beleidstaken ter uitvoering van hoofdstuk II van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) Art. 2.8.1.1. Overeenkomstig Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) draagt de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, er zorg voor dat de adviesverlenende overheidsorganen, vermeld in artikel 20 van titel I van het VLAREM, die onder zijn bevoegdheid ressorteren, ieder voor wat hun adviesbevoegdheid betreft, de ontwikkelingen op het gebied van de BBT en de bekendmaking van nieuwe of bijgewerkte BBT-conclusies volgt of daarvan op de hoogte wordt gehouden en informeert de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, het publiek daarover. ».

Art. 53.In artikel 2.9.0.3, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2001Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten0 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten8, wordt tussen de zinsnede « Richtlijn 1999/13/EG » en de woorden « De minister » de zinsnede « en in artikel 64 van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) » ingevoegd.

Art. 54.In deel 2 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten2, wordt het opschrift van hoofdstuk 2.11 vervangen door wat volgt : « HOOFDSTUK 2.11. - Beleidstaken inzake beperking van emissies van NOx, SO2 en stof ten gevolge van de uitstoot van grote stookinstallaties ».

Art. 55.Artikel 2.11.1.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 april 2004Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten3, wordt opgeheven.

Art. 56.Artikel 2.11.1.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 april 2004Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten3, wordt vervangen door wat volgt : « Art. 2.11.1.2. De Vlaamse Milieumaatschappij stelt voor elk kalenderjaar een inventaris op van de emissies van NOX, SO2 en stof en van de energie-input met betrekking tot alle stookinstallaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW of meer, met uitzondering van de installaties, vermeld in artikel 5.43.1.2.

Rekening houdend met de samentelling regels, vermeld in artikel 5.43.3.1, wordt de jaarlijkse emissie-inventaris per installatie opgesteld en bestaat die ten minste uit de volgende gegevens : 1° het totaal nominaal thermisch ingangsvermogen (MW) van de stookinstallatie;2° het soort stookinstallatie : stoomketel, gasturbine, gas- of dieselmotor, andere (met vermelding van de soort);3° de datum waarop de stookinstallatie in bedrijf is gesteld;4° de totale jaarlijkse emissies, uitgedrukt in ton per jaar, van SO2, NOX en stof (als totaal zwevende deeltjes);5° het aantal bedrijfsuren van de stookinstallatie;6° de totale hoeveelheid energie die per jaar is gebruikt, uitgedrukt in de calorische onderwaarde (TJ per jaar) en gespecificeerd voor de volgende categorieën brandstof : kolen, bruinkool, biomassa, turf, andere vaste brandstoffen (met vermelding van de soort), vloeibare brandstoffen, aardgas of andere gassen (met vermelding van de soort). Op verzoek van de Europese Commissie stelt de Vlaamse Milieumaatschappij via de geëigende kanalen de informatie, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2, ter beschikking van de Europese Commissie. ».

Art. 57.In artikel 2.11.1.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 april 2004Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten3, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede « bedoeld in artikel 2.11.1 » vervangen door de zinsnede « vermeld in artikel 2.11.1.2 »; 2° in paragraaf 2 wordt de zinsnede « § 1 » vervangen door de zinsnede « paragraaf 1 ».

Art. 58.Artikel 2.11.2.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 april 2004Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten3 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten8, wordt vervangen door wat volgt : « Art. 2.11.2.1. De Europese Commissie wordt overeenkomstig Richtlijn 2010/75/EU van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) door de afdeling, bevoegd voor het internationaal milieubeleid, via de geëigende kanalen onmiddellijk op de hoogte gebracht van de beslissingen, genomen overeenkomstig artikel 5.43.3.22 en 5.43.3.23. ».

Art. 59.Artikel 2.11.2.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 april 2004Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten3, wordt vervangen door wat volgt : « Art. 2.11.2.2. De Vlaamse Milieumaatschappij verzamelt jaarlijks de gegevens over de stookinstallaties die op basis van artikel 5.43.3.15 voor een afwijking van de emissiegrenswaarden in aanmerking worden genomen en stelt vanaf 1 januari 2016 jaarlijks een overzicht op van de gebruikte en ongebruikte tijd voor de resterende bedrijfsduur van dergelijke installaties.

Met ingang van 1 januari 2016 brengt de Vlaamse Milieumaatschappij jaarlijks via de geëigende kanalen verslag uit aan de Europese Commissie. ».

Art. 60.In artikel 2.12.0.3, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten3, wordt tussen de woorden « betrokken publiek » en de woorden « De informatie » de zin « (publiek dat gevolgen ondervindt of waarschijnlijk ondervindt van de besluitvorming over de afgifte van een vergunning of de wijziging of aanvulling van vergunningsvoorwaarden of er belanghebbende bij is. Voor de toepassing van die definitie worden niet-gouvernementele organisaties die zich voor milieubescherming inzetten en aan de eisen van het nationale recht voldoen, geacht belanghebbende te zijn.) » ingevoegd.

Art. 61.In deel 2 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten2, wordt hoofdstuk 2.13, dat bestaat uit artikel 2.13.1.1, opgeheven.

Art. 62.Aan deel 2 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten2, wordt een hoofdstuk 2.15, dat bestaat uit artikel 2.15.0.1, toegevoegd, dat luidt als volgt : « HOOFDSTUK 2.15. - Beleidstaken inzake industriële emissies Artikel 2.15.0.1. Overeenkomstig Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) wordt de Europese Commissie door de bevoegde overheidsorganen, ieder voor wat hun bevoegdheid betreft, via de geëigende kanalen op de hoogte gebracht over de gevraagde informatie conform artikel 72 van deze richtlijn, met behoud van de toepassing van hoofdstuk 2.11. ».

Art. 63.In artikel 3.2.1.2, § 3, c), van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten5, wordt het woord « emissienormen » vervangen door het woord « emissiegrenswaarden ».

Art. 64.In artikel 4.1.2.1, § 1, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° tussen het woord « grondstoffenbeheersing » en de woorden « en dergelijke meer » wordt de zinsnede « , energie » ingevoegd;2° tussen de zinsnede « en dergelijke meer).» en de woorden « Deze verplichting » wordt de zin « Bij de bepaling van de BBT moeten de criteria van bijlage 18 van titel I van het VLAREM in aanmerking worden genomen. » ingevoegd.

Art. 65.Het opschrift van afdeling 4.1.3 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt : « Afdeling 4.1.3. - Hygiëne en hinderbeheersing ».

Art. 66.Artikel 4.1.3.1 tot en met 4.1.3.3 van hetzelfde besluit worden vervangen door wat volgt : « Art. 4.1.3.1. De inrichting moet zindelijk worden gehouden en in goede staat van onderhoud verkeren. Telkens als de omstandigheden daartoe aanleiding geven moeten doeltreffende maatregelen worden genomen tegen ongedierte.

Art. 4.1.3.2. Met behoud van de toepassing van artikel 4.1.2.1. treft de exploitant als normaal zorgvuldig persoon alle nodige maatregelen om de buurt niet te hinderen door geur, rook, stof, geluid, trillingen, niet-ioniserende stralingen, licht en dergelijke meer.

Art. 4.1.3.3. Bij hinder moet de exploitant onmiddellijk de nodige maatregelen treffen om die toestand te verhelpen. ».

Art. 67.Artikel 4.1.3.4 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten8, wordt opgeheven.

Art. 68.Het opschrift van afdeling 4.1.5 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt : « Afdeling 4.1.5. - Algemene informatieplicht ».

Art. 69.In artikel 4.1.5.2 van hetzelfde besluit, worden de woorden « in het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen » vervangen door de woorden « van het comité voor preventie en bescherming op het werk ».

Art. 70.Artikel 4.1.5.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996, wordt vervangen door wat volgt : « Art. 4.1.5.3. Als de zuiveringstechnische voorzieningen van een inrichting wegens storing of enige andere oorzaak uitvallen, of als om enige andere reden de emissie- of immissienormen worden overschreden, brengt de exploitant de toezichthouder daarvan onverwijld op de hoogte. ».

Art. 71.In afdeling 4.1.7 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en 12 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in artikel 4.1.7.3 worden de woorden « Onverminderd de bepalingen van art. 4.1.3.3. en 4.1.3.4. moeten » vervangen door de woorden « Met behoud van de toepassing van afdeling 4.1.12 worden »; 2° artikel 4.1.7.4 wordt opgeheven.

Art. 72.In artikel 4.1.8.1, § 1, 2°, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 januari 2006Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten1, wordt in de eerste zin de bepaling « . Indien » vervangen door de bepaling « , waarvan ».

Art. 73.In artikel 4.1.9.2.6, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en 7 maart 2008, wordt de bepaling « § 2 » telkens vervangen door de bepaling « artikel 4.1.9.2.5, § 2 ».

Art. 74.Aan deel 4, hoofdstuk 4.1, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten2, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° er wordt een afdeling 4.1.12, die bestaat uit artikel 4.1.12 tot en met 4.1.12.5, toegevoegd, die luidt als volgt : « Afdeling 4.1.12. - Risicobeheersing Art. 4.1.12.1. § 1. De exploitant voorziet in de nodige maatregelen om voorvallen en de gevolgen daarvan voor de mens en het leefmilieu te voorkomen of tot een minimum te beperken.

Dat houdt onder meer in dat de exploitant het volgende doet : 1° hij voorziet in de nodige maatregelen om te voorkomen dat accidenteel verspreide stoffen of verontreinigd bluswater rechtstreeks naar het grondwater, een openbare riolering, waterloop of om het even welke verzamelplaats van oppervlaktewateren worden afgevoerd;2° hij voorziet in de nodige brandpreventiemaatregelen;3° hij voorziet in de nodige detectie-, nood- en interventiemaatregelen. De exploitant bepaalt de organisatie van de brandbestrijding, de brandbestrijdingsmiddelen en de capaciteit voor de opvang van verontreinigd bluswater volgens een code van goede praktijk en raadpleegt daarbij de bevoegde brandweer.

De brandbestrijdingsmiddelen moeten in een goede staat verkeren, beschermd zijn tegen vorst, doelmatig gesignaleerd, gemakkelijk bereikbaar en oordeelkundig verdeeld worden en ze moeten onmiddellijk kunnen functioneren. § 2. De exploitant kan te allen tijde aan de toezichthouders aantonen dat hij de nodige maatregelen heeft voorzien.

Art. 4.1.12.2. § 1. Bij een voorval of bij onmiddellijke dreiging daarvan neemt de exploitant onmiddellijk de nodige maatregelen om het voorval te bedwingen en te beheersen, om zo de gevolgen voor de mens en het milieu tot een minimum te beperken, en om verdere mogelijke voorvallen te voorkomen. § 2. De exploitant doet onmiddellijk telefonisch melding van het voorval en van de genomen en geplande maatregelen bij de burgemeester en de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving. § 3. In geval van een voorval, waarschuwt de exploitant onverwijld derden die gevolgen kunnen ondervinden van de emissie, met opgave van de maatregelen die ze kunnen treffen om het gevaar af te wenden of te beperken.

Het eerste lid is niet van toepassing als de voorschriften, vastgesteld door de federale overheid in het kader van de civiele bescherming, van toepassing zijn.

Als door het voorval de werking van een afvalwaterzuiveringsinstallatie nadelig kan worden beïnvloed, waarschuwt de exploitant bovendien onmiddellijk de beheerder van de installatie in kwestie.

Art. 4.1.12.3. Met behoud van de toepassing van artikel 4.1.12.2, § 2, verstrekt de exploitant bij een voorval zo spoedig mogelijk de volgende informatie aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving : 1° algemene gegevens over de exploitant;2° tijdstip, aard, omstandigheden en oorzaken van het voorval;3° betrokken producten;4° beschikbare gegevens aan de hand waarvan de gevolgen van het voorval voor mens en milieu kunnen worden beoordeeld;5° de getroffen maatregelen om het voorval te bedwingen en te beheersen. De exploitant gebruikt daarvoor het formulier, vermeld in bijlage 4.1.12, of een andere informatiedrager die dezelfde informatie bevat.

Als uit nader onderzoek nieuwe gegevens naar voren komen die de verstrekte informatie of de daaruit getrokken conclusies wijzigen, werkt de exploitant die informatie bij en bezorgt hij ze aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving.

Art. 4.1.12.4. Na een voorval treft de exploitant, afhankelijk van de gevolgen die hetzij onmiddellijk hetzij na verloop van tijd kunnen optreden en overeenkomstig de toepasselijke reglementering, de nodige maatregelen voor de schoonmaak en voor het herstel van het leefmilieu.

De exploitant informeert de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving over de geplande maatregelen en brengt de afdeling op de hoogte van de uitvoering daarvan.

Art. 4.1.12.5. Na een voorval treft de exploitant de nodige maatregelen om herhaling van het voorval te voorkomen.

De exploitant informeert de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving over de geplande maatregelen en brengt de afdeling op de hoogte van de uitvoering daarvan. »; 2° er wordt een afdeling 4.1.13, die bestaat uit artikel 4.1.13.1 tot en met 4.1.13.5, toegevoegd, die luidt als volgt : « Afdeling 4.1.13. - GPBV-installaties Art. 4.1.13.1. Met behoud van toepassing van de andere afdelingen van dit hoofdstuk is deze afdeling van toepassing op GPBV-installaties.

Artikel 4.1.13.2 en 4.1.13.3 worden vastgesteld ter uitvoering van het decreet van 27 oktober 2006Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten5 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (Bodemdecreet) en het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten7 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (VLAREBO).

Art. 4.1.13.2. Voor installaties die in de achtste kolom van de indelingslijst met de kenletter S worden aangeduid, geldt de periodieke bodemonderzoeksplicht, vastgesteld door en krachtens artikel 33 van het decreet van 27 oktober 2006Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten5 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming.

Art. 4.1.13.3. Als de activiteiten definitief worden stopgezet, gelden : 1° voor installaties die in de achtste kolom van de indelingslijst met de kenletter S worden aangeduid, de verplichtingen, vastgesteld door en krachtens artikel 32 en 122 van het Bodemdecreet;2° voor installaties die niet vallen onder punt 1°, de verplichtingen, vastgesteld door en krachtens artikel 9 tot en met 11 en artikel 19 tot en met 22 van het Bodemdecreet. Art. 4.1.13.4. Als artikel 30bis, § 10, 2°, van titel I van het VLAREM wordt toegepast, bezorgt de exploitant aan de vergunningverlenende overheid die in eerste aanleg bevoegd is ten minste jaarlijks en uiterlijk voor 15 maart van elk kalenderjaar een overzicht van de resultaten van de monitoring van emissies met dezelfde periode en onder dezelfde referentieomstandigheden zoals bepaald is voor de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus zodat een vergelijking mogelijk is met die BBT-GEN. Art. 4.1.13.5. Met behoud van de toepassing van artikel 4.1.4.2 brengt de exploitant de toezichthouder regelmatig en ten minste jaarlijks op de hoogte van de informatie die wordt verkregen op basis van de resultaten van de monitoring van de emissies, die door dit reglement of de milieuvergunning werd opgelegd, en van andere vereiste gegevens aan de hand waarvan de toezichthouder de naleving van de vergunningsvoorwaarden kan toetsen. ».

Art. 75.In artikel 4.2.2.3.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten9 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten2, wordt het woord « geenstoffen » vervangen door de woorden « geen stoffen ».

Art. 76.In artikel 4.2.5.3.1, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 maart 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten9, wordt de tabel vervangen door wat volgt :

aard van de bedrijvigheid bedoeld in bijlage 5.3.2

kenmerkende parameter

sub 4°

organische chloor en hexachloorbenzeen (HCB)

sub 5°

chloroform, hexachlorobenzeen (HCB), T.O.X. en tetrachloorkoolstof

sub 6°

chloroform

sub 7°

T.O.X. en de som van aldrin, dieldrin, endrin en isodrin

sub 8°

chloroform

sub 9°

ammoniakale stikstof, benz(a)pyreen, chlooroxydeerbare cyaniden, fenolen, sulfaten en sulfiden

sub 10°

DDT

sub 11°

1,2-dichloorethaan (EDC)

sub 12°

chloride en de som van de organische fosforverbindingen en organische halogeenverbindingen

sub 15°

ammoniakale stikstof en fluoride

sub 16°

chroom VI en T.O.X.

sub 18°

hexachloorbenzeen (HCB), hexachloorbutadieën (HCBD) en hexachloorcyclohexaan (HCH)

sub 20°

chloor-oxydeerbare cyanide en fluoride

sub 21°

vlampunt en T.O.X.

sub 22°

PCB en PCT, chloor-oxydeerbarecyanide en chroom VI

sub 23°

chroom VI, fenolen sulfaten en sulfiden

sub 24°

totaal fluor

sub 26°

chloride

sub 27°

chloor-oxideerbare cyaniden, chroom VI, fluoride en sulfaten

sub 28°, e)

voor chemische pulp : AOX

sub 29°

pentachloorfenol

sub 30°

hexachloorbenzeen (HCB), hexachloorbutadieën (HCBD) en hexachloorcyclohexaan (HCH)

sub 32°

T.O.C.

sub 33°

T.O.C. en ammoniakale stikstof

sub 35°

PCB en PCT

sub 36°

T.O.C.

sub 41°

geleidingsvermogen

sub 42°

ammoniakale stikstof

sub 44°, a

gemakkelijk ontbindbare cyaniden, chloriden, chroom VI, PCB en PCT, organochloorpesticiden, sulfaten, sulfiden en chloroform

sub 44°, b

koolstofdisulfide, sulfaten en sulfiden

sub 44°, c

totaal fosfor

sub 44°, d

sulfaten

sub 45°

totaal ijzer

sub 46°

trichloorbenzeen (TCB)

sub 47°

trichloorethyleen (TRI) en perchloorethyleen (PER)

sub 53°

ontbindbare cyaniden en TOX

sub 55°

fluoriden en sulfaten


».

Art. 77.Aan artikel 4.4.4.5 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten5, wordt een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt : « 5° Bij de berekening van de gemiddelde emissiewaarden worden de waarden die zijn gemeten in de periodes van opstarten en stilleggen buiten beschouwing gelaten. ».

Art. 78.In artikel 4.4.5.3, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten5, wordt punt 2° vervangen door wat volgt : « 2° ofwel gedurende drie opeenvolgende uren het gemeten uurgemiddelde van stikstofdioxide in de omgevingslucht hoger is dan 150 µg/m3. ».

Art. 79.Artikel 4.9.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten4 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2005, wordt vervangen door wat volgt : « Art. 4.9.1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op alle ingedeelde inrichtingen met een totaal energiegebruik van tenminste 0,5 PetaJoule per jaar.

In afwijking van het eerste lid zijn de energie-intensieve inrichtingen van ondernemingen die zijn toegetreden tot de energiebeleidsovereenkomsten voor de verankering van en voor blijvende energie-efficiëntie in de Vlaamse energie-intensieve industrie (niet VER-bedrijven en VER-bedrijven) vrijgesteld van de bepalingen van dit hoofdstuk. ».

Art. 80.Artikel 4.9.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten4 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2005, wordt vervangen door wat volgt : « Art. 4.9.2. § 1. Binnen de drie maanden nadat uit het Integraal Milieujaarverslag blijkt dat de ingedeelde inrichting een totaal energiegebruik van 0,5 PJ per jaar heeft, bezit de exploitant voor deze inrichting een energieplan dat conform is verklaard overeenkomstig de bepalingen van artikel 6.5.4, 6.5.5, 6.5.6 en 6.5.7 van het Energiebesluit van 19 november 2010. Dit plan wordt op de inrichting ter inzage gehouden van de toezichthouders. § 2. De exploitant voert binnen een termijn van drie jaar, na het indienen van een energieplan, alle maatregelen uit dit energieplan met een interne rentevoet zoals vermeld in artikel 6.5.4, § 1, 7°, van het Energiebesluit van 19 november 2010, uit. ».

Art. 81.In hoofdstuk 4.10 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 4 februari 2005, 12 mei 2006 en 7 december 2007, wordt afdeling 4.10.1, dat bestaat uit artikel 4.10.1.1 tot en met 4.10.1.5, vervangen door een hoofdstuk dat bestaat uit artikel 4.10.1.1 tot en met 4.10.1.6 : « Afdeling 4.10.1. - BKG-emissies Art. 4.10.1.1. Deze afdeling geldt voor de volgende inrichtingen : 1° inrichtingen die als BKG-installaties zijn ingedeeld voor wat betreft hun BKG-emissies; 2° inrichtingen die in 2012 een activiteit als vermeld in bijlage 4.10.1 hebben beoefend; 3° inrichtingen die ontstaan na opsplitsing van de milieuvergunning van een BKG-installatie, als binnen de grenzen van de oorspronkelijke BKG-installatie een activiteit wordt uitgevoerd die in de indelingslijst is aangeduid met de letter Y in de vierde kolom. Art. 4.10.1.2. § 1. Met ingang van 1 januari 2014 is de exploitant van een BKG-installatie verplicht om ieder kalenderjaar uiterlijk op 30 april emissierechten in te leveren via afboeking in het nationaal register van de broeikasgassen. § 2. Het aantal ingeleverde emissierechten komt overeen met de hoeveelheid BKG-emissies die de BKG-installatie in het voorgaande kalenderjaar heeft veroorzaakt, vermeerderd met de hoeveelheid BKG-emissies die de BKG-installatie heeft veroorzaakt in voorgaande jaren en waarvoor de exploitant nog geen emissierechten heeft ingeleverd. Voor BKG-emissies die worden afgevangen en vervoerd voor permanente opslag in een inrichting waarvoor rubriek 16.11 van toepassing is, bestaat geen verplichting om emissierechten in te leveren. § 3. Als de milieuvergunning van een BKG-installatie wordt opgesplitst, is elke exploitant verantwoordelijk voor de inlevering van emissierechten voor wat betreft zijn eigen BKG-emissies. § 4. In voorkomend geval vervalt de verplichting tot inlevering van emissierechten, vermeld in paragraaf 1, pas vijf maanden na het kalenderjaar waarin de BKG-installatie haar activiteiten volledig heeft stopgezet overeenkomstig artikel 43, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering 20 april 2012 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties en de inzet van flexibele mechanismen. § 5. Inrichtingen die in 2012 een activiteit uit bijlage 4.10.1 hebben beoefend, zijn verplicht om uiterlijk op 30 april 2013 via afboeking in het nationaal register van de broeikasgassen emissierechten in te leveren. Het aantal ingeleverde emissierechten moet overeenkomen met de hoeveelheid BKG-emissies in 2012, vermeerderd met de hoeveelheid BKG-emissies uit voorgaande jaren waarvoor de exploitant nog geen emissierechten heeft ingeleverd. De hoeveelheid veroorzaakte BKG-emissies, is gelijk aan de BKG-emissies in het voor de inrichting in kwestie geverifieerde en gevalideerde emissiejaarrapport van de BKG-installatie, vermeld in art 4.10.1.5, § 6.

Art. 4.10.1.3. De hoeveelheid BKG-emissies, vermeld in artikel 4.10.1.2, is gelijk aan de BKG-emissies in het voor de inrichting in kwestie geverifieerde en gevalideerde emissiejaarrapport, vermeld in artikel 4.10.1.5.

Art. 4.10.1.4. § 1. De exploitant van een BKG-installatie zorgt voor de bewaking van de BKG-emissies van de BKG-installatie in kwestie. De bewaking van BKG-emissies wordt uitgevoerd volgens een monitoringplan dat het verificatiebureau heeft geverifieerd en de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, heeft goedgekeurd. De exploitant van een BKG-installatie is in het bezit van dat geverifieerde en goedgekeurde monitoringplan. § 2. Het monitoringplan wordt in 2013 aan de milieuvergunning toegevoegd. BKG-installaties die in 2013 hun milieuvergunning actualiseren om een Y-rubriek te verkrijgen, voegen overeenkomstig artikel 5, § 9, en artikel 6quater, § 3, van titel I van het VLAREM, zelf een goedgekeurd monitoringplan bij de vergunning. Voor BKG-installaties die in 2013 hun milieuvergunning niet actualiseren, voegt de afdeling bevoegd voor luchtverontreiniging overeenkomstig artikel 45 van titel I van het VLAREM het monitoringplan bij de milieuvergunning.

Uiterlijk vijf jaar na de eerste toevoeging van het monitoringplan aan de milieuvergunning, voegt de afdeling bevoegd voor luchtverontreiniging overeenkomstig artikel 45 van titel I van het VLAREM het actuele monitoringplan bij de milieuvergunning. § 3. Als de milieuvergunning van een BKG-installatie wordt opgesplitst, stelt de exploitant van elke afgesplitste milieuvergunning een monitoringplan op voor het deel van de BKG-installatie dat binnen de grenzen van de afgesplitste vergunning gelegen is. § 4. In voorkomend geval loopt de bewaking, vermeld in paragraaf 1, door voor het volledige kalenderjaar waarin de BKG-installatie haar activiteiten volledig heeft stopgezet overeenkomstig artikel 43 van het besluit van de Vlaamse Regering 20 april 2012 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties en de inzet van flexibele mechanismen. In voorkomend geval vervalt de verplichting om de BKG-emissies te bewaken voor het kalenderjaar dat volgt op de volledige stopzetting van de activiteiten van de BKG-installatie.

Art. 4.10.1.5. § 1. Met ingang van 1 januari 2014 stelt de exploitant van een BKG-installatie jaarlijks een emissiejaarrapport op over de BKG-emissies die de BKG-installatie tijdens het voorgaande kalenderjaar heeft uitgestoten. Het emissiejaarrapport bevat een verslag van het totaal aan BKG-emissies, uitgestoten door de BKG-installatie. § 2. De exploitant van de BKG-installatie dient ieder kalenderjaar uiterlijk op 14 maart bij de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, een geverifieerd emissiejaarrapport in overeenkomstig Verordening (EU) nr. 600/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de verificatie van broeikasgasemissie- en tonkilometerverslagen en de accreditatie van verificateurs krachtens Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad. § 3. Het geverifieerde emissiejaarrapport, vermeld in paragraaf 1 en 2, wordt voor 31 maart van het lopende kalenderjaar goedgekeurd door de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging. De goedgekeurde emissiejaarrapporten liggen ter inzage bij de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging. De emissiegegevens uit de goedgekeurde emissiejaarrapporten worden door de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, op het internet gepubliceerd. § 4. Als de milieuvergunning van een BKG-installatie wordt opgesplitst, vermeldt het emissiejaarrapport afzonderlijk de BKG-emissies voor elk deel van de BKG-installatie dat binnen de grenzen van een afgesplitste vergunning ligt. § 5. In voorkomend geval vervalt de verplichting tot het opstellen van een emissiejaarrapport als vermeld in paragraaf 1, pas drie maanden na het kalenderjaar waarin de BKG-installatie haar activiteiten volledig heeft stopgezet overeenkomstig artikel 43, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering 20 april 2012 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties en de inzet van flexibele mechanismen, voor zover de juistheid hiervan is vastgesteld door de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging. § 6. Inrichtingen die in 2012 een activiteit als vermeld in bijlage 4.10.1, beoefenen, stellen een emissiejaarrapport op over de BKG-emissies in 2012. Het emissiejaarrapport bevat een verslag van de totale BKG-emissies.

De exploitant bezorgt het emissiejaarrapport, aangetekend of bij wijze van een levering met ontvangstbewijs uiterlijk op 1 februari 2013 aan het verificatiebureau.

Het verificatiebureau verifieert dit emissiejaarrapport voor 20 maart 2013.

Het verificatiebureau betekent de geverifieerde emissiejaarrapporten aan de afdeling bevoegd voor luchtverontreiniging.

Art. 4.10.1.6. Als een hinderlijke inrichting zijn hoedanigheid van BKG-installatie verliest, of als de activiteiten van de BKG-installatie worden stopgezet, dient de exploitant van de BKG-installatie binnen een termijn van veertien dagen een aanvraag tot schrapping van de toepasselijke Y rubrieken in. ».

Art. 82.In artikel 5.2.1.1, § 6, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2011Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten2, wordt de zinsnede « rubriek 2.2.2, h) » vervangen door de zinsnede « de rubrieken 2.2.2, h), 2.3.2, f) en 2.3.3, b) ».

Art. 83.In artikel 5.2.1.9 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° paragraaf 3 wordt opgeheven;2° in paragraaf 4 worden punt 1° en punt 5° opgeheven.

Art. 84.In artikel 5.2.2.1.3, § 4, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 november 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten3, wordt de bepaling « , rechtopstaand » opgeheven.

Art. 85.In subafdeling 5.2.3bis.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten7 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 12 mei 2006 en 19 september 2008, worden de de tussentitels « Aanvaarding en inontvangstneming van de afvalstoffen », « Uitbating », « Schoorsteenhoogte en rookgasemissies », « Emissies in de lucht : voorwaarden voor verbrandingsinstallaties », « Emissies in de lucht : voorwaarden voor meeverbrandingsinstallaties », « Emissies : water », « Metingen : lucht », « Metingen : afvalwater van rookgasreiniging », « Verwerking van verbrandingsresten », « Normoverschrijding en storingen », « Abnormale werkomstandigheden », « Rapportage, inzage van informatie en inspraak » en « Overgangs-en opheffingsbepalingen » opgeheven.

Art. 86.In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten3, wordt een artikel 5.2.3bis.1.1bis ingevoegd, dat luidt als volgt : « Art. 5.2.3bis.1.1bis. § 1. Voor de toepassing van deze subafdeling omvatten afvalverbrandingsinstallaties en afvalmeeverbrandingsinstallaties tevens alle verbrandingsstraten of meeverbrandingsstraten en de voorzieningen voor ontvangst, opslag en voorbehandeling ter plaatse van het afval, de systemen voor de toevoer van afval, brandstof en lucht, stoomketels, de voorzieningen voor het behandelen van afgassen, de voorzieningen voor de behandeling of opslag ter plaatse van residuen en afvalwater, de schoorstenen, alsook de apparatuur en de systemen voor de regeling van het verbrandings- of meeverbrandingsproces en voor de registratie en monitoring van de verbrandings- of meeverbrandingsomstandigheden.

Als voor de thermische behandeling van afval gebruik wordt gemaakt van andere processen dan oxidatie, zoals pyrolyse, vergassing en plasmaproces, omvat de afvalverbrandingsinstallatie of de afvalmeeverbrandingsinstallatie zowel het proces voor thermische behandeling als het daaropvolgende verbrandingsproces. § 2. Deze subafdeling is niet van toepassing op vergassings- en pyrolyse-installaties, voor zover de gassen die het resultaat zijn van de thermische behandeling van afvalstoffen dermate worden gezuiverd dat ze vóór de verbranding ervan qua aard en samenstelling steeds vergelijkbaar zijn met aardgas. § 3. Als meeverbranding van afval op een zodanige manier plaatsvindt dat de installatie niet in hoofdzaak voor de opwekking van energie of de fabricage van materiële producten bestemd is, maar voor de thermische behandeling van afval, wordt de installatie beschouwd als een afvalverbrandingsinstallatie. ».

Art. 87.In artikel 5.2.3bis.1.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten7, worden de woorden « alsmede stankoverlast » vervangen door de zinsnede « alsook andere negatieve milieueffecten, geuroverlast ».

Art. 88.In artikel 5.2.3bis.1.3, § 3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten7, worden tussen het woord « een » en het woord « meeverbrandingsinstallatie » de woorden « verbrandingsinstallatie of een » ingevoegd.

Art. 89.In artikel 5.2.3bis.1.5 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten7, wordt tussen de zinsnede « afvalstoffenlijst, » en het woord « voordat » de zinsnede « vermeld in bijlage 2.1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/08/1980 pub. 11/12/2007 numac 2007000980 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet tot hervorming der instellingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten3 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen » ingevoegd.

Art. 90.In artikel 5.2.3bis.1.6 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten7, wordt de zinsnede « artikel 5.2.3bis.1.4 en 1.5 » vervangen door de zinsnede « artikel 5.2.3bis.1.4 en artikel 5.2.3bis.1.5 ».

Art. 91.In artikel 5.2.3bis.1.8 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten7, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1 wordt het woord « mogen » vervangen door het woord « worden », worden de woorden « worden opgeslagen » vervangen door het woord « opgeslagen » en wordt het woord « wordt » vervangen door het woord « is »; 2° in paragraaf 4 wordt de zinsnede « de voorwaarden van subafdeling 5.2.2.5 » vervangen door de zinsnede « subafdeling 5.2.2.5 ».

Art. 92.In artikel 5.2.3bis.1.9, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten7, wordt het woord « rookgassen » vervangen door het woord « afgassen ».

Art. 93.In artikel 5.2.3bis.1.10 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten7, wordt het woord « moet » vervangen door het woord « wordt » en worden de woorden « worden gebracht » vervangen door het woord « gebracht ».

Art. 94.In artikel 5.2.3bis.1.11 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten7, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 3 wordt de zinsnede « § 2 » telkens vervangen door de zinsnede « paragraaf 2 » en wordt de zinsnede « 7 maart 2001 betreffende de benaming, de kenmerken en het zwavelgehalte van de gasolie voor verwarming » vervangen door de zinsnede « 3 oktober 2002 tot vervanging van het koninklijk besluit van 7 maart 2001Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 07/03/2001 pub. 23/03/2001 numac 2001011114 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit betreffende de benaming, de kenmerken en het zwavelgehalte van de gasolie voor verwarming type koninklijk besluit prom. 07/03/2001 pub. 23/03/2001 numac 2001011115 bron ministerie van economische zaken Koninklijk besluit betreffende de benaming, de kenmerken en het zwavelgehalte van de gasolie voor de zeescheepvaart sluiten betreffende de benaming, de kenmerken en het zwavelgehalte van de gasolie voor verwarming »;2° in paragraaf 6 worden de zinsnede « § 2 » en de zinsnede « § 5 » respectievelijk vervangen door de zinsnede « paragraaf 2 » en de zinsnede « paragraaf 5 » en worden de zinsnede « § 1 » en de zinsnede « § 4 » telkens respectievelijk vervangen door de zinsnede « paragraaf 1 » en de zinsnede « paragraaf 4 ».

Art. 95.In artikel 5.2.3bis.1.13 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten7, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 2 en 5 wordt het woord « rookgassen » telkens vervangen door het woord « afgassen »;2° in paragraaf 3 wordt het woord « milieu » vervangen door het woord « leefmilieu ».

Art. 96.In artikel 5.2.3bis.1.14 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten7, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt : « § 1.In afwijking van de algemene emissiegrenswaarden, vermeld in hoofdstuk 4.4, zijn voor verbrandingsinstallaties voor afvalstoffen de emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 5.2.3bis.1.15, van toepassing op de geloosde afgassen.

De emissiegrenswaarden worden uitgedrukt in mg/Nm3 en hebben betrekking op de volgende omstandigheden : temperatuur 273,15 K, druk 101,3 kPa, een referentiezuurstofgehalte van 11 %, droog gas.

Voor de verbranding van afgewerkte olie geldt : temperatuur 273,15 K, druk 101,3 kPa, een referentiezuurstofgehalte van 3 %, droog gas.

Alle meetresultaten worden steeds herrekend tot de omstandigheden, vermeld in het tweede en derde lid. »; 2° in paragraaf 2 wordt het woord « zuurstofgehalte » vervangen door het woord « referentiezuurstofgehalte »;3° in paragraaf 3 wordt de zinsnede « § 1 » vervangen door de zinsnede « paragraaf 1 », wordt de zinsnede « § 2 » vervangen door de zinsnede « paragraaf 2 », worden de woorden « zuurstofgehaltes geschiedt » vervangen door de woorden « referentiezuurstofgehaltes gebeurt », worden de woorden « relevante standaardzuurstofgehalte » vervangen door het woord « referentiezuurstofgehalte ».

Art. 97.In artikel 5.2.3bis.1.15 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten7, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in punt 1°, eerste zin, wordt de zinsnede « (behalve tijdens het opstarten en stilleggen van de installatie) » opgeheven;2° punt 2°, wordt vervangen door wat volgt : « 2° de volgende emissiegrenswaarden gelden :

Emissiegrenswaarden in mg/Nm3

Halfuurgemiddelden

Dag- gemiddelden

Verontreinigende stof

A (100 %)

B (97 %)

100 %

1.totaal stof

30

10

10

2. gasvormige en vluchtige organische stoffen, uitgedrukt als totaal organische koolstof

20

10

10

3.gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt als HCl

60

10

10

4. gasvormige anorganische fluoriden, uitgedrukt als HF

4

2

1

5.zwaveldioxide

200

50

50

6. stikstofoxiden (NOx), uitgedrukt als NO2


a) voor bestaande verbrandingsinstallaties met een nominale capaciteit van 6 ton/uur of minder

-

-

400

b) voor bestaande verbrandingsinstallaties met een nominale capaciteit van meer dan 6 ton/uur en voor nieuwe verbrandingsinstallaties van 6 ton/uur of minder

400

200

200

c) voor nieuwe verbrandingsinstallaties met een nominale capaciteit van meer dan 6 ton/uur (*)

400

200

150


(*) Voor nieuwe verbrandingsinstallaties met een nominale capaciteit van meer dan 6 ton/uur geldt tevens een emissiegrenswaarde voor NOx van 125 mg/Nm3 als jaargemiddelde.Als voor een nieuwe verbrandingsinstallatie een milieuvergunning vóór 28 december 2002 is verleend, gelden de emissiegrenswaarden voor NOx die bepaald werden in de milieuvergunning, waarbij het daggemiddelde niet meer dan 200 mg/Nm3 mag bedragen. ».

Art. 98.In artikel 5.2.3bis.1.16 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten7, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt : « § 1.In afwijking van de algemene emissiegrenswaarden, vermeld in hoofdstuk 4.4, zijn voor meeverbrandingsinstallaties voor afvalstoffen de emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 5.2.3bis.1.17 tot en met 5.2.3bis1.22, van toepassing op de geloosde afgassen.

De emissiegrenswaarden worden uitgedrukt in mg/Nm3 en hebben betrekking op de volgende omstandigheden : temperatuur 273,15 K, druk 101,3 kPa, referentiezuurstofgehalte zoals vermeld in artikel 5.2.3bis.1.19 tot en met artikel 5.2.3bis.1.22, droog gas.

Alle meetresultaten worden herrekend tot de omstandigheden, vermeld in het tweede lid. »; 2° in paragraaf 2 wordt het woord « zuurstofgehalte » vervangen door het woord « referentiezuurstofgehalte »; 3° in paragraaf 3 wordt de zinsnede « § 1 » vervangen door de zinsnede « paragraaf 1 », wordt de zinsnede « § 2 » vervangen door de zinsnede « paragraaf 2 », worden de woorden « zuurstofgehaltes geschiedt » vervangen door de woorden « referentiezuurstofgehaltes gebeurt », worden de woorden « relevante standaardzuurstofgehalte » vervangen door de zinsnede « referentiezuurstofgehalte droog gas, vermeld in artikel 5.2.3bis.1.19 tot en met 5.2.3bis.1.22 ».

Art. 99.In artikel 5.2.3bis.1.17, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten7, worden de woorden « ongesorteerd huishoudelijk » vervangen door de woorden « gemengd stedelijk ».

Art. 100.In artikel 5.2.3bis.1.18, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten7, wordt het woord « moet » vervangen door het woord « voldoet », wordt het woord « voldoen » opgeheven en wordt de zinsnede « 5.2.3bis 1.19 tot en met 1.22 » vervangen door de zinsnede « 5.2.3bis.1.19 tot en met 5.2.3bis.1.22 ».

Art. 101.In artikel 5.2.3bis.1.19 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten7, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt vervangen door wat volgt : « Als een specifieke totale emissiegrenswaarde « Ctotaal » niet in een tabel van artikel 5.2.3bis.1.20, artikel 5.2.3bis.1.21 of artikel 5.2.3bis.1.22 is opgenomen, wordt de onderstaande formule (mengregel) toegepast. »; 2° in het tweede lid wordt de zin « De emissiegrenswaarde voor elke verontreinigende stof, opgesomd in artikel 5.2.3bis 1.15, en voor koolstofmonoxide in het rookgas dat ontstaat bij de meeverbranding van afvalstoffen, wordt als volgt berekend : » vervangen door de zin « De emissiegrenswaarde voor elke verontreinigende stof, vermeld in artikel 5.2.3bis.1.15, en voor koolstofmonoxide in het afgas dat ontstaat bij de meeverbranding van afvalstoffen, wordt als volgt berekend : »; 3° in het tweede lid wordt het woord « rookgas » telkens vervangen door het woord « afgas », worden de woorden « op basis van het zuurstofgehalte » vervangen door de woorden « op basis van het referentiezuurstofgehalte », wordt de zinsnede « artikel 5.2.3bis.1.20 tot en met 1.22 » telkens vervangen door de zinsnede « artikel 5.2.3bis.1.20 tot en met 5.2.3bis.1.22 », wordt het woord « grenswaarden » vervangen door het woord « emissiegrenswaarden » en worden de woorden « emissiegrenswaarde en het zuurstofgehalte » vervangen door de woorden « emissiegrenswaarde en het referentiezuurstofgehalte ».

Art. 102.Artikel 5.2.3bis.1.20 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten7, wordt vervangen door wat volgt : « Art. 5.2.3bis.1.20. § 1. Bijzondere voorschriften gelden voor cementovens waarin afvalstoffen worden meeverbrand.

De emissiegrenswaarden hebben betrekking op de volgende omstandigheden : temperatuur 273,15 K, druk 101,3 kPa, referentiezuurstofgehalte 10 %, droog gas.

De volgende emissiegrenswaarden gelden als daggemiddelden :

Verontreinigende stof

Ctotaal (mg/Nm3)

1. totaal stof

30

2.zwaveldioxide

50

3. gasvormige en vluchtige organische stoffen, uitgedrukt als totaal organische koolstof

10

4.gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt als HCl

10

5. gasvormige en anorganische fluoriden, uitgedrukt als HF

1

6.stikstofoxide(NOX), uitgedrukt als NO2(*)

500


7. de som van : a) cadmium en cadmiumverbindingen, uitgedrukt als Cd en b) thallium en thalliumverbindingen, uitgedrukt als Tl

0,05

8.kwik en kwikverbindingen, uitgedrukt als Hg

0,05

9. de som van : a) antimoon en antimoonverbindingen, uitgedrukt als Sb b) arseen en arseenverbindingen, uitgedrukt als As c) lood en loodverbindingen, uitgedrukt als Pb d) chroom en chroomverbindingen, uitgedrukt als Cr e) kobalt en kobaltverbindingen, uitgedrukt als Co f) koper en koperverbindingen, uitgedrukt als Cu g) mangaan en mangaanverbindingen, uitgedrukt als Mn h) nikkel en nikkelverbindingen, uitgedrukt als Ni i) vanadium en vanadiumverbindingen, uitgedrukt als V en j) tin en tinverbindingen, uitgedrukt als Sn

0,5

Verontreinigende stof

Ctotaal (ng TEQ/Nm3)

10.dioxinen en furanen (**)

0,1


(*) Tot 1 januari 2016 kan in de milieuvergunning een afwijking verleend worden op de NOx-emissiegrenswaarde voor Lepol-ovens en lange draai-ovens, op voorwaarde dat in de vergunning een totale emissiegrenswaarde voor NOx van ten hoogste 800 mg/Nm3 bepaald is. (**) De gemiddelden worden bepaald over een bemonsteringsperiode van minimaal zes uur en maximaal acht uur. De emissiegrenswaarde heeft betrekking op de totale concentratie van dioxinen en furanen, berekend aan de hand van het begrip 'toxische equivalentie'.

Voor de continue bemonstering van dioxinen en furanen geldt 0,1 ng TEQ/Nm3 als drempelwaarde.

Halfuurgemiddelden zijn alleen nodig voor de berekening van de daggemiddelden. § 2. De emissiegrenswaarde voor CO wordt in de milieuvergunning vastgesteld. ».

Art. 103.Artikel 5.2.3bis.1.21 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten7, wordt vervangen door wat volgt : « Art. 5.2.3bis.1.21. De volgende bijzondere voorschriften gelden voor stookinstallaties waarin afvalstoffen worden meeverbrand : 1° voor stookinstallaties waarin afvalstoffen worden meeverbrand, met uitzondering van gasturbines en stationaire motoren, gelden de volgende proces-emissiegrenswaarden (Cproces) als daggemiddelden, waarbij het totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van een stookinstallatie bepaald wordt aan de hand van de samentellingsregels, vastgesteld in artikel 5.43.2.1 en 5.43.3.1 en halfuurgemiddelden alleen nodig zijn voor de berekening van de daggemiddelden : a) installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 7 januari 2013 of waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd vóór 7 januari 2013, op voorwaarde dat ze uiterlijk op 7 januari 2014 in gebruik zijn genomen : 1) tot en met 31 december 2015 : 1.1) Cproces voor vaste fossiele brandstoffen, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 6 %) :

Verontreinigende stof (mg/Nm3)

< 50 MWth

50 tot 100 MWth

100 tot 300 MWth

> 300 MWth

SO2

300

300

200

200

NOX, uitgedrukt als NO2

400

400

200

200

stof

50

30

30

30

HCl

30

30

30

30


1.2) Cproces voor vaste biomassa, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 6 %) :

Verontreinigende stof (mg/Nm3)

< 50MWth

50 tot 100 MWth

100 tot 300 MWth

> 300MWth

SO2

450

75

75

75

NOX, uitgedrukt als NO2

600/300*

300

300

200

stof

50

15

15

15

HCl

50

15

15

15


(*) Voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen tot en met 30 MW geldt voor stikstofoxiden (NOx), uitgedrukt als NO2, een emissiegrenswaarde van 600 mg/Nm3. Voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen groter dan 30 MW geldt een emissiegrensvoorwaarde van 300 mg/Nm3. 1.3) Cproces voor vloeibare brandstoffen, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 3 %) :

Verontreinigende stof (mg/Nm3)

< 50MWth

50 tot 100 MWth

100 tot 300 MWth

> 300MWth

SO2

150

150

150

150

NOX, uitgedrukt als NO2

300

300

200

200

stof

50

30

30

30

HCl

30

30

30

30


2) vanaf 1 januari 2016 : 2.1) Cproces voor vaste fossiele brandstoffen, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 6 %) :

Verontreinigende stof (mg/Nm3)

< 50 MWth

50 tot 100 MWth

100 tot 300 MWth

> 300 MWth

SO2

300

300

200

100

NOX, uitgedrukt als NO2

400

300

200

150

stof

50

30

20

10

HCl

30

30

30

30


2.2) Cproces voor vaste biomassa, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 6 %) :

Verontreinigende stof (mg/Nm3)

< 50 MWth

50 tot 100 MWth

100 tot 300 MWth

> 300 MWth

SO2

450

75

75

75

NOX, uitgedrukt als NO2

600/300*

300

250

150

stof

50

15

15

10

HCl

50

15

15

15


(*) Voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen tot en met 30 MW geldt voor stikstofoxiden (NOx), uitgedrukt als NO2, een emissiegrenswaarde van 600 mg/Nm3. Voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen groter dan 30 MW geldt een emissiegrensvoorwaarde van 300 mg/Nm3. 2.3) Cproces voor vloeibare brandstoffen, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 3 %) :

Verontreinigende stof (mg/Nm3)

< 50 MWth

50 tot 100 MWth

100 tot 300 MWth

> 300 MWth

SO2

150

150

150

100

NOX, uitgedrukt als NO2

300

300

200

150

stof

50

30

20

10

HCl

30

30

30

30


b) installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd op of na 7 januari 2013 of die na 7 januari 2014 in gebruik worden genomen : 1) Cproces voor vaste fossiele brandstoffen, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 6 %) :

Verontreinigende stof (mg/Nm3)

< 50 MWth

50 tot 100 MWth

100 tot 300 MWth

> 300 MWth

SO2

300

200

100

60

NOX, uitgedrukt als NO2

300

150

100

60

stof

50

10

10

6

HCl

30

30

30

30


2) Cproces voor vaste biomassa, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 6 %) :

Verontreinigende stof (mg/Nm3)

< 50 MWth

50 tot 100 MWth

100 tot 300 MWth

> 300 MWth

SO2

450

75

75

60

NOX, uitgedrukt als NO2

450/300*

150

150

60

stof

50

10

10

6

HCl

50

15

15

15


(*) Voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen tot en met 30 MW geldt voor stikstofoxiden (NOx), uitgedrukt als NO2, een emissiegrenswaarde van 450 mg/Nm3.Voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen groter dan 30 MW geldt een emissiegrensvoorwaarde van 300 mg/Nm3. 3) Cproces voor vloeibare brandstoffen, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 3 %) :

Verontreinigende stof (mg/Nm3)

< 50 MWth

50 tot 100 MWth

100 tot 300 MWth

> 300 MWth

SO2

150

150

100

60

NOX, uitgedrukt als NO2

300

150

100

60

stof

50

10

10

6

HCl

30

30

30

30


i.2° Voor stookinstallaties, met uitzondering van gasturbines en stationaire motoren, waarin afvalstoffen worden meeverbrand, gelden de volgende totale emissiegrenswaarden (Ctotaal) Ctotaal voor zware metalen (mg/Nm3), uitgedrukt in gemiddelden die worden berekend over een bemonsteringsperiode van minimaal dertig minuten en maximaal acht uur bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 6 % voor vaste brandstoffen en 3 % voor vloeibare brandstoffen :

Verontreinigende stof

Ctotaal (mg/Nm3)

Cd + Tl

0,05

Hg

0,05

Sb + As + Pb + Cr +Co + Cu + Mn + Ni + V + Sn

0,5


ii. Ctotaal voor dioxinen en furanen (ng TEQ/Nm3), uitgedrukt in gemiddelden die worden berekend over een bemonsteringsperiode van minimaal zes uur en maximaal acht uur bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 6 % voor vaste brandstoffen en 3 % voor vloeibare brandstoffen :

Verontreinigende stof

Ctotaal (ng TEQ/Nm3)

Dioxinen en furanen

0,1


Voor de continue bemonstering van dioxinen en furanen geldt 0,1 ng TEQ/Nm3 als drempelwaarde. ».

Art. 104.In artikel 5.2.3bis.1.23 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten7, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het woord « rookgassen » wordt telkens vervangen door het woord « afgassen » en het woord « rookgasreiniging » wordt vervangen door het woord « afgasreiniging »;2° in paragraaf 2 wordt de tabel vervangen door wat volgt :

Verontreinigende stof

Emissiegrenswaarden, uitgedrukt in massaconcentratie, voor ongefilterde monsters

1.Totale hoeveelheid zwevende stoffen

95 %

100 %

30 mg/l

45 mg/l

2. Kwik en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als kwik (Hg)

0,03 mg/l

3.Cadmium en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als cadmium (Cd)

0,05 mg/l

4. Thallium en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als thallium (Tl)

0,05 mg/l

5.Arseen en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als arseen (As)

0,15 mg/l

6. Lood en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als lood (Pb)

0,2 mg/l

7.Chroom en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als chroom (Cr)

0,5 mg/l

8. Koper en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als koper (Cu)

0,5 mg/l

9.Nikkel en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als nikkel (Ni)

0,5 mg/l

10. Zink en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als zink (Zn)

1,5 mg/l

11.Dioxinen en furanen

0,3 ng TEQ/l


».

Art. 105.In artikel 5.2.3bis.1.24 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten7 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2006Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten0, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 2 wordt het woord « moeten » vervangen door het woord « worden » en de woorden « bezorgd worden » worden vervangen door het woord « bezorgd »;2° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt : « De kwaliteitsborging van de geautomatiseerde meetsystemen wordt uitgevoerd volgens de CEN-normen.De geautomatiseerde meetsystemen worden ten minste jaarlijks met behulp van parallelmetingen met de referentiemeetmethoden gecontroleerd en worden ten minste om de drie jaar gekalibreerd door een erkend laboratorium in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL. De procedures, methodes en vast opgestelde apparatuur voor monsterneming en metingen worden goedgekeurd door een erkend laboratorium in de discipline lucht, vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL. Die keuring gebeurt conform een code van goede praktijk en omvat ten minste een jaarlijkse beperkte keuring en een driejaarlijkse uitgebreide keuring met onder meer vergelijkende emissiemetingen overeenkomstig de referentiemethoden.

De keuring van de vast opgestelde meetapparatuurtoestellen voor de continue dioxinebemonstering van dioxinen en furanen gebeurt worden ten minste om de drie jaar gekeurd volgens een code van goede praktijk. Een kopie van de desbetreffende keuringsrapporten wordt bezorgd aan de toezichthoudende overheid.

De exploitant brengt de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, op de hoogte van de resultaten van de controle van de geautomatiseerde meetsystemen. ».

Art. 106.In artikel 5.2.3bis.1.25 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten7, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt : « § 2.De bemonstering en analyse van de verontreinigende stoffen in kwestie, met inbegrip van dioxinen en furanen, alsook de referentiemeetmethoden om de geautomatiseerde meetsystemen te ijken, worden uitgevoerd volgens de meetmethoden, vermeld in bijlage 4.4.2, of als er geen meetmethoden zijn vermeld, volgens de CEN-normen.

Als er geen CEN-normen bestaan, worden de ISO-normen, nationale of andere internationale normen toegepast, die waarborgen dat gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit worden verstrekt. »; 2° de tabel in paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt :

CO

10 %

totaal stof

30 %

totaal organische koolstof

30 %

HCl

40 %

HF

40 %

SO2

20 %

NOx

20 %


».

Art. 107.In artikel 5.2.3bis.1.26 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten7 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2006Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 22/05/2003 pub. 11/07/2003 numac 2003022681 bron federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Koninklijk besluit betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden sluiten0, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het woord « rookgassen » wordt telkens vervangen door het woord « afgassen »;2° in paragraaf 1, 1°, wordt het woord « totaal » opgeheven;3° in paragraaf 1, 2°, worden de woorden « vergunningverlenende overheid » vervangen door het woord « toezichthouder » en het woord « rookgas » wordt vervangen door het woord « afgas »; 4° in paragraaf 8 wordt de zinsnede « artikel 5.2.3bis.1.20 tot en met 1.22 » telkens vervangen door de zinsnede « artikel 5.2.3bis.1.20 tot en met 5.2.3bis.1.22 »; 5° er wordt een paragraaf 9 toegevoegd, die luidt als volgt : « § 9.In de milieuvergunning kan worden toegestaan dat in bestaande verbrandings- of meeverbrandingsinstallaties met een nominale capaciteit van minder dan 6 ton per uur in plaats van continumetingen van NOX periodieke metingen worden verricht met een frequentie van ten minste twee metingen per jaar en gedurende de eerste werkingsperiode van twaalf maanden ten minste om de drie maanden. Dat is alleen toegestaan indien de exploitant in de milieuvergunningsaanvraag of in de vraag tot wijziging van de vergunningsvoorwaarden aan de hand van informatie betreffende de kwaliteit van het betrokken afval, de gebruikte technologieën en de resultaten van de emissiemonitoring kan aantonen dat de uitstoot van NOX in geen geval de vastgestelde emissiegrenswaarden kan overschrijden. ».

Art. 108.In artikel 5.2.3bis.1.27 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten7, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt : « § 2.De emissiegrenswaarden bij de continue metingen worden geacht te worden nageleefd als van de gevalideerde meetresultaten : 1° voor stof, TOC, HCl, HF, SO2, NOx : a) geen van de daggemiddelden hoger is dan de vastgestelde emissiegrenswaarden in artikel 5.2.3bis.1.15, 2° (verbrandingsinstallaties) of in artikel 5.2.3bis.1.19, artikel 5.2.3bis.1.20, 1°, en artikel 5.2.3bis.1.21, 1°, (meeverbrandingsinstallaties); b) ofwel geen van de halfuurgemiddelden hoger is dan de vastgestelde emissiegrenswaarden voor verbrandingsinstallaties in kolom A van artikel 5.2.3bis.1.15, 2°, ofwel, in voorkomend geval, 97 % van de halfuurgemiddelden over het jaar niet hoger is dan de vastgestelde emissiegrenswaarden voor dezelfde parameters in kolom B van artikel 5.2.3bis.1.15, 2° ; 2° voor CO bij verbrandingsinstallaties : a) 97 % van de daggemiddelden over het jaar niet hoger zijn dan de emissiegrenswaarde in artikel 5.2.3bis.1.15, 1° ; b) ofwel ten minste 95 % van alle bepalingen van de 10-minutengemiddelden, ofwel alle bepalingen van halfuurgemiddelden gedurende een willekeurige periode van 24 uur voldoen aan de respectieve emissiegrenswaarden, bepaald in artikel 5.2.3bis.1.15, 1° ; 3° voor CO bij meeverbrandingsinstallaties, geen van de halfuurgemiddelden hoger is dan de volgens artikel 5.2.3bis.1.19 afgeleide of volgens artikel 5.2.3bis.1.20, 2° vastgestelde emissiegrenswaarden. »; 2° in paragraaf 3, inleidende zin, wordt het woord « rookgassen » vervangen door het woord « afgassen »;3° in paragraaf 3, 1°, wordt de zinsnede « stof, TOC, HCl, HF, SO2, NOx » vervangen door de zinsnede « HCl, HF, SO2 »;4° paragraaf 3, 2°, wordt opgeheven;5° in paragraaf 3 wordt punt 4° opgeheven.

Art. 109.In artikel 5.2.3bis.1.28 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten7, worden paragraaf 2 en 3 vervangen door wat volgt : « § 2. De praktische uitvoering van de monsterneming en metingen wordt vooraf goedgekeurd door een erkend laboratorium in de discipline water, vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL, tenzij de monsterneming en de metingen door een erkend laboratorium in de discipline water, vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL, zelf worden uitgevoerd.

Hetzelfde geldt voor de plaats van monsterneming of het meetpunt. § 3. Een erkend laboratorium in de discipline water, vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL, controleert of de automatische apparatuur voor de bewaking van de emissies in het water naar behoren is geïnstalleerd en functioneert.

Jaarlijks wordt een verificatietest uitgevoerd.

Ten minste om de drie jaar wordt er gecontroleerd door middel van parallelmetingen overeenkomstig de referentiemethoden.

De exploitant bezorgt jaarlijks een kopie van de keuringsrapporten aan de toezichthouder. ».

Art. 110.In artikel 5.2.3bis.1.29, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten7, wordt tussen de zinsnede « furanen, » en het woord « alsmede » de zinsnede « de kwaliteitsborging van geautomatiseerde meetsystemen, » ingevoegd.

Art. 111.In artikel 5.2.3bis.1.30 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten7, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1 wordt het woord « rookgasreiniging » vervangen door het woord « afgasreiniging », wordt de zinsnede « stoffen 2.tot en met 10. Vermeld » vervangen door de zinsnede « stoffen 2 tot en met 10 vermeld »; 2° in paragraaf 1 en 2 wordt het woord « rookgassen » vervangen door het woord « afgassen ».

Art. 112.In artikel 5.2.3bis.1.31 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten7, wordt het woord « rookgasreiniging » vervangen door het woord « afgasreiniging ».

Art. 113.In artikel 5.2.3bis.1.32, § 4, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten7, wordt het woord « rookgasbehandeling » vervangen door het woord « afgasbehandeling ».

Art. 114.In artikel 5.2.3bis.1.33, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten7, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 2 wordt de zinsnede « (zonder verrekening van het betrouwbaarheidsinterval) » opgeheven;2° in paragraaf 2, 3 en 4, wordt de zinsnede « NBN-EN 1948 (delen 1, 2, 3) » telkens vervangen door de woorden « NBN EN 1948 »;3° in paragraaf 3 en 4 wordt het woord « rookgassen » vervangen door het woord « afgassen ».

Art. 115.In artikel 5.2.3bis.1.34, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964 pub. 18/06/2010 numac 2010000336 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging sluiten7, wordt het woord « rookgasreinigingsinstallaties » vervangen door het woord « afgasreinigingsinstallaties » en wordt het woord « rookgasreiniging » vervangen door het woord « afgasreinigingsinstallatie ».

Art. 116.In artikel 5.2.3bis.1.35 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1964