Erratum van 04 juli 2013
gepubliceerd op 24 september 2013
Informatisering van Justitie. Ja, maar hoe ?

Besluit van de Waalse Regering houdende codificatie van de wetgeving inzake gezondheid en sociale actie in het reglementair deel van het Waals Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid. - Erratum

bron
waalse overheidsdienst
numac
2013027188
pub.
24/09/2013
prom.
04/07/2013
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

4 JULI 2013. - Besluit van de Waalse Regering houdende codificatie van de wetgeving inzake gezondheid en sociale actie in het reglementair deel van het Waals Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid. - Erratum


Het Waals Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid - gecodificeerde besluiten, als bijlage gevoegd bij bovenvermeld besluit bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 augustus 2013, blz. 57116, dient vervangen te worden door volgende tekst : Waals Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid - gecodificeerde besluiten EERSTE DEEL - Waalse Raad van Sociale Actie en Gezondheid Boek I. - Begripsomschrijvingen

Artikel 1.§ 1. Dit Wetboek regelt, overeenkomstig artikel 138 van de Grondwet, een materie bedoeld in artikel 128 van de Grondwet. § 2. In de zin van het eerste deel van dit Wetboek wordt verstaan onder : 1° Raad : de " Conseil wallon de l'Action sociale et de la Santé " (Waalse Raad van Sociale Actie en Gezondheid), bedoeld in artikel 4 van het decreetgevend deel van het Wetboek;2° Minister : de Minister bevoegd voor Gezondheid en Sociale Actie;3° het bestuur : het operationele Directoraat-generaal 5 Plaatselijke Besturen, Sociale Actie en Gezondheid van de Waalse Overheidsdienst;4° "AWIPH" : het "Agence wallonne pour l'Intégration des Personnes handicapées " (Waals Agentschap voor de Integratie van gehandicapte Personen);5° wetgevend deel van het Wetboek : het Waals Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid, aangenomen bij besluit van 29 september 2011, bevestigd bij decreet van 1 december 2011 en zoals later gewijzigd. Boek II. - Samenstelling van de vaste commissies TITEL I. - "Commission wallonne de la Santé" (Waalse Gezondheidscommissie )

Art. 2.De vijfentwintig leden van de " Commission wallonne de la Santé " zijn verdeeld als volgt : 1° drie vertegenwoordigers uit de geestelijke gezondheidszorg aals vertegenwoordigers van de inrichtende machten en de geneesheren-psychiaters van de geestelijke gezondheidsdiensten, billijk verdeeld onder de verschillende sectoren, overeenkomstig artikel 13, § 1, van het decreetgevend deel van het Wetboek;2° twee vertegenwoordigers betrokken bij de opvang van, de hulpverlening aan of de poliklinische en/of residentiële opvolging van personen die aan verslavingen lijden, onder wie één voorgedragen door een federatie;3° één vertegenwoordiger van een Contactpunt inzake gezondheid dat actief is op het grondgebied van het Waalse Gewest;4° één vertegenwoordiger van de teleonthaalcentra voor personen die in een psychologische crisistoestand verkeren;5° twee vertegenwoordigers van de geïntegreerde gezondheidsverenigingen;6° drie vertegenwoordigers van de centra voor coördinatie van thuisverzorging en -diensten, billijk verdeeld onder de verschillende sectoren overeenkomstig artikel 13, § 1, 2°, van het decreetgevend deel van het Wetboek;7° tien personen ter vertegenwoordiging van de verzorgingsinrichtingen bedoeld in de wet op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, gecoördineerd op 10 juli 2008, die met name moeten zorgen voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de sectoren bedoeld in de artikelen 2, 3, 6, 10 en 170, met uitzondering van de rust- en verzorgingshuizen en van de dagverzorgingscentra, van genoemde wet (ziekenhuizen, psychiatrische ziekenhuizen, beschermde woningen, psychiatrische platforms en platforms voor palliatieve zorgverlening, geïntegreerde diensten voor thuiszorgverlening, psychiatrische verzorgingstehuizen);8° twee personen ter vertegenwoordiging van de begunstigden van de diensten die het voorwerp van deze commissie zijn, voorgedragen door de organisaties van de ziekenfondsen;9° één vertegenwoordiger van de representatieve werknemersorganisaties. TITEL II. - " Commission wallonne de la Famille " (Waalse Gezinscommissie )

Art. 3.De vijftien leden van de " Commission wallonne de la famille " zijn als volgt verdeeld : 1° drie vertegenwoordigers uit de sector "Espaces-Rencontres";2° vier vertegenwoordigers uit de sector inzake levens- en gezinsvragen, voorgedragen door de federaties van de centra bedoeld in artikel 218 van het decreetgevend deel van het Wetboek;3° vijf vertegenwoordigers actief inzake hulpverlening aan de gezinnen en bejaarde personen, verdeeld als volgt : a) drie vertegenwoordigers van de privé-sector;b) twee vertegenwoordigers van de openbare sector;4° twee vertegenwoordigers van de representatieve werknemersorganisaties;5° één vertegenwoordiger van de begunstigden van de diensten en instellingen bedoeld in 1° tot 3°, voorgedragen door een representatieve federatie of vereniging van de begunstigden. TITEL III. - "Commission wallonne de l'action sociale" (Waalse commissie voor sociale actie)

Art. 4.De vijftien leden van de " Commission wallonne de l'Action sociale " zijn verdeeld als volgt : 1° twee vertegenwoordigers van de opvangtehuizen, gekozen op voorstel van de representatieve federaties van die sector;2° twee personen gekozen wegens hun bijzondere bevoegdheid inzake sociale insluiting, met name : a) één maatschappelijke werker van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn : b) één maatschappelijk werker van de verenigingssector; 3° twee personen voorgedragen door de " Conseil supérieur des Villes, Communes et Provinces de la Région wallonne ", op voorstel van de " Union des Villes et Communes de Wallonie " (Unie van de Steden en Gemeenten van Wallonië) en van de " Association des provinces wallonnes " (Vereniging van de Waalse provincies), onder wie één vertegenwoordiger van de " Fédération des CPAS " (federatie van de O.C.M.W.'s); 4° twee vertegenwoordigers van de centra voor maatschappelijke dienstverlening, van wie één onder een nationale vereniging of een ziekenfondsfederatie ressorteert; 5° twee coördinatoren van de " relais sociaux ", met name : a) één coordinator van een " relais social " gelegen in een stad die meer dan 150.000 inwoners telt; b) één coordinator van een " relais social " gelegen in een stad die minder dan 150.000 inwoners telt; 6° één vertegenwoordiger van de verenigingen die de minst begunstigden vertegenwoordigen, voorgedragen door het " Réseau wallon de Lutte contre la Pauvreté " (Waals netwerk voor armoedebestrijding);7° twee vertegenwoordigers van de erkende diensten voor sociale hulpverlening aan de rechtsonderhorigen;8° één vertegenwoordiger van een erkend referentiecentrum of een erkende schuldbemiddelingsdienst of van het " Observatoire du Crédit et de l'Endettement " (Waarnemingsdienst Inzake Krediet en Schuld);9° één vertegenwoordiger van de representatieve werknemersorganisaties. TITEL IV. - "Commission wallonne de l'intégration des personnes étrangères ou d'origine étrangère3 (Waalse commissie voor de integratie van vreemdelingen of van personen van buitenlandse herkomst)

Art. 5.De vijftien leden van de " Commission wallonne de l'intégration des personnes étrangères ou d'origine étrangère " zijn verdeeld als volgt : 1° zes leden van verenigingen die op de datum van aanwijzing van hun vertegenwoordiger sinds minstens drie jaar door het Waalse Gewest gesubsidieerd worden, met name : a) drie vertegenwoordigers voorgedragen door de " Comités d'accompagnement des plans locaux d'intégration " (Comités voor de begeleiding van de plaatselijke integratieplannen);b) drie vertegenwoordigers uit plaatselijke initiatieven;2° vier vertegenwoordigers van de Waalse sociale onderhandelingspartners, aangewezen door de " Conseil économique et social de la Région wallonne ", onder wie twee vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties van de sector;3° twee personen voorgedragen door de " Conseil supérieur des villes, communes et provinces de la Région wallonne ", op voorstel van de " Union des villes et communes de Wallonie " (Unie van de steden en gemeenten van Wallonië) en van de " Association des provinces wallonnes " (Vereniging van de Waalse provincies), onder wie één vertegenwoordiger van de " Fédération des CPAS " (federatie van de Ocmw's) 4° twee vertegenwoordigers van de gewestelijke integratiecentra;5° een lid gekozen op voordracht van de Minister bevoegd vor de integratie van de vreemdelingen of de personen van buitenlandse herkomst, wegens zijn inzonderheid wetenschappelijke competenties op dat gebied. Wat betreft de aanwijzing van de leden bedoeld in het eerste lid, 1°, zorgt de Regering voor een verscheidenheid in de vertegenwoordiging van de betrokken bevolkingsgroepen, met inachtneming van de volgende parameters : 1° het administratief statuut van de bevolkingsgroepen;2° de aanwezigheid van nieuwe migranten;3° de tot stand gebrachte integratieacties;4° de territoriale bediening van het Waalse Gewest. TITEL V. - "Commission wallonne des personnes handicapées" (Waalse Commissie voor Gehandicapte Personen)

Art. 6.De vijftien leden van de "Commission wallonne des personnes handicapées" zijn verdeeld als volgt : 1° acht leden aangewezen uit de verenigingen die erkend zijn als zijnde representatief voor de gehandicapte personen en hun gezin;2° drie leden lid gekozen op voordracht van de Minister bevoegd voor de integratie van de gehandicapte personen, wegens zijn inzonderheid wetenschappelijke competenties op het gebied van de integratie van de gehandicapte personen;3° twee vertegenwoordigers van de beheerders van diensten voor personen die met een handicap leven;4° twee vertegenwoordigers van de representatieve werknemersorganisaties. TITEL VI. - "Commission wallonne des aînés" (Waalse Commissie voor ouderen)

Art. 7.De vijftien leden van de "Commission wallonne des aînés" zijn verdeeld als volgt : 1° zes leden, evenwichtig gekozen uit de verschillende sectoren overeenkomstig artikel 13, § 1, 2°, van het decreetgevend deel van het Wetboek, voor hun kennis van het beleid van de derde leeftijd of voor hun sociale, medische of culturele inzet ten gunste van de bejaarden, met uitsluiting van elke beheerder of directeur van een van een rustoord, serviceflat of dagcentrum : a) één vertegenwoordigt een organisatie ter behartiging van de belangen van de bewoners;b) twee vertegenwoordigen de representatieve organisaties van de werknemers uit de sector;c) één vertegenwoordigt de centra voor de coördinatie van thuiszorg en thuisdienstverlening;2° drie leden gekozen uit dubbeltallen die voorgedragen worden door de representatieve bejaardenorganisaties;3° twee leden gekozen uit dubbeltallen die voorgedragen worden door de ziekenfondsorganisaties;4° vier vertegenwoordigers van de beheerders van rustoorden, serviceflats en dagcentra en van de directeuren ervan, gekozen uit dubbeltallen die voorgedragen worden door de representatieve beheerdersorganisaties, of van de directeuren van de rustoorden, evenwichtig verdeeld over de verschillende sectoren. Boek III. - Overkoepelende bepalingen TITEL I. - Aanwezigheidsgeld

Art. 8.Het bijwonen van de vergaderingen van de Raad, van de vergaderingen van de vaste commissies bedoeld in artikel 4 van het decreetgevend deel van het Wetboek of van de vergaderingen van de adviesverlenende commissies in verband met de beroepen bedoeld in artikel 32 van het decreetgevend deel van het Wetboek, geeft recht op een aanwezigheidsgeld waarvan het bedrag als volgt vastgelegd wordt : 1° voorzitter van de raad en de voorzitters van de commissies, indien laatstgenoemden hun voorzittersmandaat uitoefenen en niet, in voorkomend geval, dat van lid van de raad : 50 euro;2° ondervoorzitter van de raad en van de commissies, indien laatstgenoemden hun ondervoorzittersmandaat uitoefenen en niet, in voorkomend geval, dat van lid van de raad : 30 euro;3° andere leden met uitzondering van de leden die met raadgevende stem zetelen, evenals de voorzitters en ondervoorzitters in hun kader van hun mandaat van lid van de raad : 25 euro. TITEL II. - Secretariaat

Art. 9.Het secretariaat van de "Conseil wallon de l'action sociale et de la santé", de Vaste commissies en de Adviescommissie voor de beroepen wordt door het bestuur waargenomen.

TITEL III. - Opvolging van de klachten

Art. 10.Het bestuur en "AWIPH" maken tegen uiterlijk 30 april de verslagen inzake de klachten van het vorige kalenderjaar over aan het secretariaat van de "Conseil wallon de l'Action sociale et de la Santé", de Vaste Commissies en de Adviescommissie voor de beroepen.

Elke vaste commissie dient een advies in wat betreft de klachten die onder haar bevoegdheid vallen.

De "Conseil wallon de l'Action sociale et de la Santé" bestudeert de gezamenlijke adviezen van de vaste commissies en dient een globaal advies in over de klachten die behandeld werden tijdens het vorige kalenderjaar.

EERSTE DEEL - Sectorale bepalingen Boek I. - Inleidende bepalingen TITEL I. - Algemene begripsomschrijvingen

Art. 11.Voor de toepassing van het tweede deel van dit Wetboek wordt verstaan onder : 1° bestuur : Directoraat-generaal 5 : Plaatselijke Besturen, Sociale actie en Gezondheid;2° " Conseil wallon de l'Action sociale et de la Santé " : Raad bedoeld in artikel 4 van het decreetgevend deel van het Wetboek;3° " Commission wallonne de l'Action sociale " : de Commissie bedoeld in artikelen 23 en 24 van het decreetgevend deel van het Wetboek;4° " Commission wallonne de l'Intégration des Personnes étrangères ou d'origine étrangère " : de Commissie bedoeld in artikelen 25 en 26 van het decreetgevend deel van het Wetboek;5° " Commission wallonne de la Famille " : de Commissie bedoeld in artikelen 21 en 22 van het decreetgevend deel van het Wetboek;6° jaar van de subsidie of subsidiejaar : het kalenderjaar waarvoor de subsidie wordt toegekend;7° referentiejaar : jaar vóór het jaar van de subsidie;8° wetgevend deel van het Wetboek : het Waals Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid, aangenomen bij besluit van 29 september 2011, bevestigd bij decreet van 1 december 2011 en zoals later gewijzigd. TITEL II. - Uitvoering

Art. 12.Behoudens andersluidende bepaling is de minister belast met de uitvoering van de bepalingen van het tweede deel van dit Wetboek, de minister bevoegd voor Sociale actie.

Boek II. - Sociale actie TITEL I. - Sociale inschakelingsdiensten HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Art. 13.Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder : 1° dienst : de sociale inschakelingsdienst;2° sociaal werknemer : de maatschappelijk werker bedoeld in artikel 52, § 1, 2°, van het decreetgevend deel van het Wetboek. HOOFDSTUK II. - Erkenning Afdeling 1 - Toekenningsvoorwaarden

Onderafdeling 1 - Voorwaarden met betrekking tot het publiek

Art. 14.In elke groep die door een dienst voor sociale insluiting ten laste genomen wordt, mag het aantal personen die niet gerechtigd zijn in de zin van artikel 49 van het decreetgevend deel van het Wetboek niet hoger zijn dan twintig percent.

Onderafdeling 2 - Voorwaarden met betrekking tot de maatschappelijk werker

Art. 15.De maatschappelijk werker is houder van een diploma van maatschappelijk assistent, maatschappelijk helper, assistent psychologie of opvoeder. Hij is houder van een eindgetuigschrift van het niveau van het hoger pedagogisch en sociaal onderwijs, minstens van het korte type, voltijds of sociale promotie.

Als de door de dienst gevoerde acties het rechtvaardigen, kan de maatschappelijk werker ook licentiaat in de menselijke of sociale wetenschappen zijn, zoals bedoeld in artikel 3, § 1,1°, van het decreet van de Franse gemeenschap van 5 september 1994 tot regeling van de universitaire studies en de academische graden.

Art. 16.De maatschappelijk werker wiens bezoldiging overeenkomstig artikel 29 gesubsidieerd wordt volgt minstens vijftien uren opleiding per jaar i.v.m. de sociale inschakelingssacties bedoeld bij de artikelen 48 tot en met 56 van het decreetgevend deel van het Wetboek.

Art. 17.De maatschappelijk werker belegt minstens één keer per maand een teamvergadering met alle personeelsleden die de in de artikelen 48 tot en met 56 van het decreetgevend deel van het Wetboek bedoelde acties uitoefenen.

Die vergadering dient o.a. voor : 1° het onderzoek en de oriëntering van de aanvragen die ten laste genomen kunnen worden door verschillende personeelsleden of door een vereniging of een instelling die beter inspeelt op de behoeften van de gerechtigden;2° de coördinatie van de actie van de personeelsleden;3° de opvolging van de evolutie van de ten laste genomen personen.

Art. 18.De maatschappelijk werker verricht minstens één keer om de drie maanden een formatieve collectieve evaluatie met de gerechtigden om : 1° naar de tevredenheidsgraad van de gerechtigden te peilen;2° een balans van de gevoerde acties op te maken en de desbetreffende evolutiemogelijkheden uit te tekenen;3° de tegengekomen moeilijkheden te identificeren en oplossingen voor te stellen.

Art. 19.De maatschappelijk werker legt in samenspraak met elke gerechtigde een individueel opvolgingsdossier aan.

De individuele opvolging dient : 1° om na te gaan of de door de dienst gevoerde acties aan de verwachtingen van de gerechtigde beantwoorden;2° om de gerechtigde desnoods naar een geschiktere dienst te begeleiden en door te sturen met het oog op de oplossing van zijn sociale problemen;3° om in overleg met de gerechtigde een begeleiding voor te stellen bij het uitwerken van een persoonlijk sociaal, cultureel of professioneel project.De dienst geeft de gerechtigde kennis van de bestaande stelsels inzake sociale integratie en inschakeling in het arbeidsproces. De stappen die bij laatstgenoemden ondernomen worden, worden in het individueel dossier vermeld.

De dienst waarborgt de vertrouwelijkheid van de gegevens vervat in het individuele dossier door ervoor te zorgen dat ze slechts met de instemming van de gerechtigde en uitsluitend voor beroepsdoeleinden gebruikt en bewaard worden.

Onderafdeling 3 - Voorwaarden met betrekking tot het vrijwilligerswerk

Art. 20.De verantwoordelijke van de dienst of diens afgevaardigde : 1° organiseert vóór elke indienstneming van een vrijwillige medewerker een onderhoud om informatie in te winnen over zijn individueel en professioneel parcours;2° stelt voor elke vrijwillige medewerker een contract op waarin gewezen wordt op de rechten en plichten van de ondertekenende partijen. Het contract bevat bepalingen betreffende o.a. de verzekeringsmodaliteiten, het doelpubliek, de openingstijden en het huishoudelijk reglement; 3° maakt jaarlijks een evaluatie van de vrijwillige medewerker. Afdeling 2 - Toekenningsprocedure

Art. 21.De aanvraag tot erkenning wordt bij ter post aangetekend schrijven aan de administratie gericht. Een afschrift wordt aan de Minister overgemaakt.

Behalve de informatie vereist bij artikel 53 van het decreetgevend deel van het Wetboek bevat het aanvraagdossier de volgende gegevens : 1° de identiteit en de personalia van de persoon die de dienst vertegenwoordigt;2° het adres van de dienst;3° de naam, titels, diploma's en kwalificaties en functies van de personeelsleden belast met de acties inzake sociale inschakeling bedoeld bij de artikelen 48 tot en met 65 van het decreetgevend deel van het Wetboek;4° de andere eventuele openbare subsidiëringsbronnen, ongeacht het niveau, betreffende de acties inzake sociale inschakeling van de dienst en van de vereniging of de instelling waarvan hij deel uitmaakt;5° een synthesenota waarin melding wordt gemaakt van de vastgestelde behoeften en gerezen problemen op het grondgebied van de gemeente(n) waar de dienst de in de artikelen 48 tot en met 65 van het decreetgevend deel van het Wetboek bedoelde opdrachten wenst te vervullen, alsook van de bestaande samenwerkingsverbanden;6° een activiteitenverslag betreffende de twee jaren voorafgaande aan de aanvraag.

Art. 22.Het model van project bedoeld in artikel 53, tweede lid, 4°, van het decreetgevend deel van het Wetboek is opgenomen als bijlage 1.

Art. 23.Binnen tien dagen na ontvangst van de aanvraag stuurt de administratie een bericht van ontvangst naar de dienst.

De administratie gaat na of de aanvraag volledig is en verzoekt de dienst in voorkomend geval binnen dertig na ontvangst van de aanvraag om de toezending van de ontbrekende stukken of gegevens.

De administratie stuurt de dienst binnen dertig dagen na ontvangst van de aanvraag of binnen tien dagen als ze hem om de toezending van de ontbrekende stukken of gegevens heeft verzocht, een schrijven om mee te delen dat de aanvraag volledig is.

Art. 24.De Minister beslist over de aanvraag binnen twee maanden te rekenen van de ontvangst van het voorstel van het bestuur.

Het besluit wordt bij ter post aangetekend schrijven aan de dienst meegedeeld.

Art. 25.Om de vijf jaar, en voor het eerst in 2012, richt de dienst voor de maand april een nota aan het bestuur : 1° tot vaststelling van de evolutie en van de voornaamste veranderingen in de loop van de laatste erkenningsperiode op het grondgebied van de gemeente(n) waar hij zijn activiteiten uitoefent;2° bevattende een evaluatieverslag betreffende de afgelopen erkenningsperiode en een overzicht van de jaarevaluaties van de gevoerde acties en van de individuele opvolgingen;3° tot omschrijving van werkpistes voor de vijf eerstvolgende jaren. Die nota wordt in voorkomend geval samen met het advies van het bestuur overgemaakt aan de "Conseil wallon de l'Action sociale et de la Santé". Afdeling 3 - Opschorting, intrekking

Art. 26.Wanneer de Minister het voornemen heeft de erkenning op te schorten of in te trekken, licht hij de betrokken dienst bij ter post aangetekend schrijven daarover in. Het voorstel tot opschorting of tot intrekking vermeldt de motieven op grond waarvan ze gerechtvaardigd is.

De dienst beschikt met ingang van de datum van ontvangst van het voorstel tot opschorting of tot intrekking over een termijn van dertig dagen om zijn schriftelijke bemerkingen aan de Minister over te maken.

Art. 27.De Minister legt zijn voorstel tot opschorting of tot intrekking en de opmerkingen van de dienst ter advies voor aan de "Commission wallonne de l'Action sociale" binnen de maand na ontvangst ervan of na afloop van de termijn bedoeld in artikel 26, tweede lid.

Art. 28.De Minister beslist binnen de maand na ontvangst van het advies van de "Commission wallonne de l'Action sociale". Het besluit tot opschorting of intrekking wordt bij ter post aangetekend schrijven aan de dienst meegedeeld. HOOFDSTUK III. - Subsidiëring Afdeling 1 - Soorten subsidies

Onderafdeling 1 - Subsidies voor personeelskosten

Art. 29.De Regering verleent binnen de perken van de begrotingskredieten : 1° aan elke erkende dienst een subsidie ter dekking van het brutoloon van een maatschappelijk werker naar rato van 0,5 voltijds equivalent, alsook van de werkgeversbijdragen en andere voordelen tot maximum 54 % van bedoeld loon;2° aan elke erkende dienst die het bewijs levert van 38 uren activiteit per week waarvan minstens 19 uren groepswerk een subsidie ter dekking van het brutoloon van een voltijds equivalent maatschappelijk werker, alsook van de werkgeversbijdragen en andere voordelen tot maximum 54 % van bedoeld loon. De personeelsuitgaven bedoeld in het eerste lid worden slechts in aanmerking genomen als ze niet hoger zijn : 1° wat betreft de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of de verenigingen bedoeld in hoofdstuk XII van de wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten8 tot organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, dan de weddeschalen van de plaatselijke besturen die overeenstemmen, enerzijds, met de titel of het diploma van de maatschappelijk werker en, anderzijds, met hoogstens de graad van gegradueerde;2° wat de verenigingen zonder winstoogmerk betreft, dan de weddeschalen die voor de titel of het diploma van de maatschappelijk werker vastgelegd worden door de paritaire commissie waaronder de vereniging ressorteert, tot hoogstens de weddeschalen die met het diploma van maatschappelijk assistent overeenstemmen.

Art. 30.Alleen de uitgaven voor statutair personeel of voor personeel in dienst genomen middels een arbeidscontract worden als personeelskosten in aanmerking genomen.

Art. 31.De jaren beroepservaring die in aanmerking genomen worden voor de vastlegging van de geldelijke anciënniteit van het personeel van de dienst voor sociale inschakeling worden berekend overeenkomstig de algemene beginselen van de plaatselijke overheidsdiensten die van toepassing zijn op het personeel van de vereniging die onder hoofdstuk XII van de wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten8 tot organisatie van de O.C.M.W.'s valt of, als het gaat om een dienst voor sociale inschakeling opgericht in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk, overeenkomstig de regels bepaald door de paritaire commissie waaronder het personeel van de vereniging ressorteert.

Art. 32.De subsidie bedoeld in artikel 29 valt onder de toepassing van de wet van 1 maart 1977Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten4 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld.

Onderafdeling 2 - Subsidies voor werkingskosten

Art. 33.De Regering verleent binnen de perken van de begrotingskredieten aan elke dienst voor sociale inschakeling een subsidie ter dekking van de werkingskosten.

De subsidie bedraagt maximum : 1° 5.000 euro als de dienst eveneens de in artikel 29 bedoelde subsidie geniet; 2° 12.000 euro in de andere gevallen.

Art. 34.De subsidie bedoeld in artikel 33 valt onder de toepassing van de wet van 2 augustus 1971Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten3 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, subsidies en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld. Afdeling 2 - Orde van voorrang voor de toekenning van de subsidies

Art. 35.De subsidies bedoeld in de artikelen 29 en 33 worden bij voorrang toegekend aan de erkende diensten die het jaar vóór de aanvraag voor hetzelfde doel door het Waalse Gewest gesubsidieerd worden en die : 1° een programma en een tijdschema inzake activiteiten uitwerken; 2° pedagogische beginselen vastleggen i.v.m. sociale inschakeling, alsmede een methodologie om ze uit te voeren.

Onverminderd het eerste lid kan de Regering na advies of op voorstel van de "Commission wallonne de l'Action sociale" een jaarlijks of meerjaarlijks actieplan uitwerken waarin op prioritaire problematieken wordt gewezen. Afdeling 3 - Toekenningsvoorwaarden en -modaliteiten

Art. 36.De subsidies worden per kalenderjaar door de Regering verleend aan elke erkende dienst die de volgende verplichtingen nakomt : 1° geen subsidies voor de tewerkgestelde professionele werknemers of voor de werkingskosten genieten als ze elkaar overlappen; 2° zich houden aan het boekhoudplan dat toepasselijk is op de O.C.M.W.'s, de verenigingen vallende onder hoofdstuk XII van de wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten8 tot organisatie van de O.C.M.W.'s of op de verenigingen zonder winstoogmerk; 3° de administratie laten nagaan of de activiteiten en de boekhouding voldoen aan de voorwaarden voor de toekenning van de subsidies. De subsidies worden toegekend op grond van een door de dienst opgestelde voorbegroting die de verschillende lasten vermeldt voor de periode waarvoor de subsidies worden aangevraagd.

De aanvraag om subsidies wordt samen met de voorbegroting uiterlijk 31 december van het jaar vóór het jaar waarvoor de subsidies worden aangevraagd naar het bestuur gestuurd.

De Minister beslist uiterlijk 1 maart van het subsidiëringsjaar over de aanvragen om subsidiëring.

Art. 37.§ 1. De erkende dienst ontvangt in de loop van het eerste kwartaal van het jaar een jaarlijks voorschot gelijk aan 85 % van het bedrag van de subsidies die het vorige jaar zijn toegekend.

De dienst verzoekt de administratie om de betaling van dat voorschot aan de hand van een formulier waarvan het model door de administratie wordt bepaald.

Het saldo wordt vóór 1 juni van het volgende jaar vereffend voor zover de bewijsstukken van de uitgaven vóór 1 april van hetzelfde jaar worden overgelegd. § 2. In afwijking van § 1 wordt tijdens het eerste subsidiëringsjaar een jaarlijks voorschot toegekend dat gelijk is aan 85 % van het bedrag van de subsidies berekend op basis van de voorbegroting bedoeld in artikel 36, tweede lid. HOOFDSTUK IV. - Activiteitenverslag

Art. 38.Het activiteitenverslag bedoeld in artikel 64 van het decreetgevend deel van het Wetboek is conform het model opgenomen als bijlage 2.

TITEL II. - Sociale contactpunten HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Art. 39.Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder : 1° partners : de ondertekenaars van het handvest bedoeld in de artikelen 58, § 1, 6°, en 59, § 1, 6°, van het decreetgevend deel van het Wetboek;2° coördinator : de coördinator bedoeld in de artikelen 58, § 1, 5°, en 59, § 1, 5°, van het decreetgevend deel van het Wetboek; 3° voorziening voor dringende maatschappelijke dienstverlening : het dag- en nachtinterventiesysteem dat : a) voor de stedelijke sociale contactpunten gelegen in een administratief arrondissement met een stad van meer dan 150.000 inwoners geactiveerd wordt door het O.C.M.W. van bedoelde stad; b) voor de andere stedelijke sociale contactpunten geactiveerd wordt door het O.C.M.W. van de stad of de gemeente van meer dan 50.000 inwoners of door de afgevaardigde ervan.

Art. 40.Elk sociaal contactpunt en de partners ervan verbinden zich ertoe binnen de perken van hun opdrachten, bevoegdheden en middelen de volgende basisprincipes van het handvest toe te passen : 1° respect tonen voor de waardigheid van de personen die in een toestand van grote sociale onzekerheid verkeren en hen materiële, fysieke en psychosociale hulp waarborgen;2° oor hebben voor de personen bedoeld in 1° en ze zonder discriminatie opvangen, oriënteren en begeleiden;3° de in 1° bedoelde personen informatie verstrekken over de diensten die hen hulp kunnen verlenen;4° de in 1° bedoelde personen aanzetten tot het uitwerking en uitvoeren van de acties die in het kader van het sociaal contactpunt ontwikkeld worden;5° beschikken over de competenties om op passende wijze in te spelen op de behoeften en wensen van de personen bedoeld in 1° ;6° het vertrouwelijke karakter van de gegevens betreffende de in 1° bedoelde personen in acht nemen in het kader van het beroepsgeheim door ervoor te zorgen dat bedoelde gegevens enkel met hun toestemming en voor beroepsdoeleinden gebruikt en bewaard worden;7° regelmatig overleg plegen tussen partners van het sociaal contactpunt;8° meewerken aan de bestendige evaluatie van het systeem. HOOFDSTUK II. - Erkenning Afdeling 1 - Algemene voorwaarden voor de erkenning

Art. 41.Onverminderd de bepalingen van de wet van 18 juli 1976 tot organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn worden elk stedelijk sociaal contactpunt en elk intercommunaal sociaal contactpunt die opgericht worden in de vorm van een vereniging zoals bedoeld in hoofdstuk XII van bovenbedoelde wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten8 pas erkend als ze voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° wat de algemene vergadering betreft : a) ze komt minstens één keer per jaar bijeen en op elk verzoek van minstens één vijfde van de geassocieerde leden;b) de voorzitter plaatst minstens 20 dagen vóór de datum van de algemene vergadering elk punt op de agenda waarvan de behandeling door een geassocieerd lid wordt gevraagd;c) elk geassocieerd lid beschikt over één stem.Om te voldoen aan artikel 125 van de wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten8 tot organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn worden evenwel op billijke wijze bijkomende stemmen toegekend aan elke vertegenwoordiger van de openbare actoren en, bij voorrang, aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn die met de sociale contactpunten samenwerken.

In dit laatste geval worden de statuten bij elke wijziging aangepast; d) een tweederde meerderheid wordt vereist voor elke wijziging van de statuten of voor de toetreding van nieuwe leden die niet bedoeld zijn in artikel 58, § 1, 2°, of in artikel 59, § 1, 2°, van het decreetgevend deel van het Wetboek;2° wat de raad van bestuur betreft, hij vergadert minstens twee keer per jaar en op elk verzoek van minstens één derde van de bestuurders;3° wat het sturingscomité betreft : a) het is naast het Waalse Gewest paritair samengesteld uit actoren van de openbare en de privé sector.Deze pariteit is uitsluitend van toepassing op het sturingscomité. Het Waalse Gewest waarborgt de meerderheidsparticipatie van de openbare sector overeenkomstig artikel 125 van de wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten8 tot organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn; b) elke beslissing wordt genomen bij meerderheid van stemmen zowel van de vertegenwoordigers van de openbare actoren als van die van de privé-actoren;c) de leden ervan worden door de raad van bestuur aangewezen;d) het wordt om het andere jaar beurtelings voorgezeten door een vertegenwoordiger van de openbare actoren en door een vertegenwoordiger van de privé-actoren;e) het huishoudelijk reglement ervan behoeft de goedkeuring van de raad van bestuur;f) het vergadert minstens zes keer per jaar;4° minstens twee keer per jaar een vergadering van het overlegcomité organiseren.Dat comité wordt door de coördinator voorgezeten.

Bovenstaand punt 4° is van toepassing op de intercommunale sociale contactpunten die in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk zijn opgericht.

Onderafdeling 1 - Voorwaarden met betrekking tot de coördinator

Art. 42.§ 1. Behoudens § 2 is de coördinator van het sociaal contactpunt licentiaat in de menselijke of sociale wetenschappen zoals bedoeld in artikel 3, § 1, 1°, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 5 september 1994 tot regeling van de universitaire studies en de academische graden.

Hij heeft bovendien minstens 5 jaar nuttige ervaring op de datum van zijn indienstneming. § 2. De Minister kan een afwijking van de in § 1, eerste lid, bedoelde verplichting toestaan aan elke persoon die minimum 10 jaar nuttige ervaring heeft inzake sociale actie, teammanagement en projectcoördinatie.

Art. 43.Wanneer het sociaal contactpunt het contactpunt voor gezondheidsaangelegenheden zelf organiseert, is de coördinator van het sociaal contactpunt verantwoordelijk voor de werking en de ontwikkeling van het contactpunt voor gezondheidsaangelegenheden bedoeld in artikel 62. Daartoe wordt hij bijgestaan door een adjunct-coördinator die houder is van minstens een diploma van het paramedische niet universitair hoger onderwijs.

Wanneer het sociaal contactpunt het contactpunt voor gezondheidsaangelegenheden niet zelf organiseert en overeenkomstig een samenwerkingsverband handelt, werkt het samen met een partner die over medisch en paramedisch personeel beschikt.

In dat geval wordt artikel 60 toegepast voor de toekenning van de subsidies.

De overeenkomsten gesloten tussen de partners vermelden de uitvoering van een werk tot begeleiding en ondersteuning van de doelbevolking in of via de nachtasielen, een aanwezigheid op het terrein, de wijze waarop de opdrachten worden vervuld en geëvalueerd, de rechten en plichten inzake subsidiëring.

Art. 44.De coördinator volgt minimum 30 uren opleiding per jaar voor de functies die hij in het sociaal contactpunt uitoefent.

Onderafdeling 2 - Voorwaarden met betrekking tot het evaluatieproces

Art. 45.De activiteiten en de werking van het sociaal contactpunt worden geëvalueerd door de coördinator en/of door elke door het sturingscomité gemachtigde persoon die daartoe : 1° nagaan of er overeenstemming is tussen de aan het sociaal contactpunt opgelegde doelstellingen, de behoeften van de gerechtigden en de door de partners van het sociaal contactpunt voorgestelde diensten;2° de aanvragen om opleiding van het personeel van de partners van het sociaal contactpunt inzamelen en de opleidingsprogramma's organiseren;3° een systeem uitwerken voor de analyse van de wijze waarop vormen van uitsluiting aangepakt worden door de leden van het sociaal contactpunt en het "Forum wallon de l'insertion sociale" kennis geven van de verrichte vaststellingen;4° een praatgroep oprichten om de gerechtigden aan het evaluatieproces te laten deelnemen; 5° het overlegcomité informeren over de stand van vordering van de voorziening en adviezen en voorstellen i.v.m. de desbetreffende evaluatie inzamelen.

Art. 46.De activiteiten en de werking van het sociaal contactpunt worden minstens om de vijf jaar geëvalueerd door een buitenstaander ten opzichte van het sociaal contactpunt die op voorstel van het sturingscomité wordt aangewezen door de raad van bestuur.

Die evaluatie dient om na te gaan of er overeenstemming is tussen de aan het sociaal contactpunt opgelegde doelstellingen, de behoeften van de gerechtigden en de door de partners van het sociaal contactpunt voorgestelde diensten.

Onderafdeling 3 - Voorwaarden met betrekking tot het vrijwilligerswerk

Art. 47.De coördinator : 1° organiseert vóór elke indienstneming van een vrijwillige medewerker een onderhoud om kennis te nemen van het individueel en professioneel parcours van betrokkene;2° stelt met elke vrijwillige medewerker een contract op waarin de rechten en plichten van de ondertekenende partijen nader bepaald worden. Het contract bevat bepalingen betreffende o.a. de verzekeringsmodaliteiten, het doelpubliek, de openingstijden en het huishoudelijk reglement; 3° maakt jaarlijks een evaluatie van de vrijwillige medewerker. Afdeling 2 - Intrekking van erkenning

Art. 48.Als de Minister het voornemen heeft de erkenning van een sociaal contactpunt in te trekken, geeft hij de voorzitter kennis daarvan bij per post aangetekend schrijven.

Het voorstel tot intrekking vermeldt de motieven op grond waarvan ze gerechtvaardigd wordt.

Een afschrift daarvan wordt aan de coördinator gericht.

Het sociaal contactpunt beschikt na ontvangst van het voorstel over dertig dagen om zijn schriftelijke bemerkingen aan de Minister te richten.

De voorzitter, de ondervoorzitters en de coördinator worden gehoord binnen de maand na ontvangst van de bemerkingen bedoeld in het vierde lid of na de datum waarop de in hetzelfde lid bedoelde termijn verstrijkt. HOOFDSTUK III. - Subsidiëring Afdeling 1 - Soorten subsidies

Onderafdeling 1 - Subsidies voor personeelskosten

Art. 49.De Regering verleent binnen de perken van de begrotingskredieten aan het erkende sociaal contactpunt een subsidie ter dekking van het brutoloon alsook van de werkgeversbijdragen en andere voordelen tot maximum 54 % van het loon van de coördinator.

De personeelsuitgaven bedoeld in het eerste lid worden slechts in aanmerking genomen als ze niet hoger zijn dan de weddeschalen van de plaatselijke besturen in de graad van eerste attaché.

Art. 50.De Regering verleent binnen de perken van de begrotingskredieten een subsidie aan het erkende sociaal contactpunt ter dekking van het brutoloon alsook van de werkgeversbijdragen en andere voordelen tot maximum 54 % van het loon van een halftijds bestuurspersoneelslid.

Na advies van het sturingscomité en op gemotiveerd verzoek van de raad van bestuur kan de subsidie het brutoloon dekken alsook de werkgeversbijdragen en andere voordelen tot maximum 54 % van het loon van een voltijds bestuurspersoneelslid. Het gedeelte van de subsidie boven het halftijdse loon wordt in mindering gebracht van de subsidie bedoeld in de artikelen 58 tot en met 62.

De personeelsuitgaven bedoeld in het eerste lid worden slechts in aanmerking genomen als ze niet hoger zijn dan de weddeschalen van de plaatselijke besturen overeenstemmend, enerzijds, met de titel of het diploma waarvan het bestuurspersoneelslid houder is, en, anderzijds, hoogstens met de graad van gegradueerde.

Art. 51.De Regering kan binnen de perken van de begrotingskredieten, na advies van het sturingscomité en op gemotiveerd verzoek van de raad van bestuur een subsidie aan het erkende sociaal contactpunt verlenen ter dekking van het brutoloon alsook van de werkgeversbijdragen en andere voordelen tot maximum 54 % van het loon van één of meer personen belast met de coördinatie van de projecten bedoeld in de artikelen 58 tot en met 62 en met de koppeling ervan met de terreinpartners en met de verschillende organen van het sociaal contactpunt. Die subsidie wordt in mindering gebracht van de subsidie bedoeld in de artikelen 58 tot en met 62.

De personen bedoeld in het eerste lid hebben minimum vijf jaar nuttige ervaring inzake sociale inschakeling.

De personeelsuitgaven bedoeld in het eerste lid worden slechts in aanmerking genomen als ze niet hoger zijn dan de weddeschalen van de plaatselijke besturen in de graad van attaché.

Art. 52.§ 1. De uitgaven voor statutair personeel of voor personeel in dienst genomen middels een arbeidscontract worden als personeelskosten in aanmerking genomen. § 2. Bij de betaling van de personeelssubsidies worden de kosten voor de terbeschikkingstelling van personeel ten gunste van een sociaal contactpunt in het kader van een overeenkomst die in een terugbetaling voorziet, met personeelskosten gelijkgesteld.

Art. 53.De jaren beroepservaring die in aanmerking genomen worden voor de vastlegging van de geldelijke anciënniteit van het personeel van het sociaal contactpunt worden berekend overeenkomstig de algemene beginselen van de plaatselijke overheidsdiensten die van toepassing zijn op het personeel van de vereniging vallende onder hoofdstuk XII van de wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten8 tot organisatie van de O.C.M.W.'s of, als het gaat om een sociaal contactpunt in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk, overeenkomstig de regels bepaald door de paritaire commissie waaronder het personeel van de vereniging ressorteert.

Art. 54.De subsidies die bezoldigingen of daarmee gelijkgestelde kosten vormen vallen onder de wet van 1 maart 1977Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten4 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld.

Onderafdeling 2 - Subsidies voor werkingskosten

Art. 55.De Regering verleent binnen de perken van de begrotingskredieten aan elk erkend sociaal contactpunt een subsidie ter dekking van de werkingskosten tot maximum : 1° 60.000 euro voor de sociale contactpunten gevestigd in een administratief arrondissement met een stad van meer dan 150 000 inwoners; 2° 40.000 euro voor de andere stedelijke sociale contactpunten; 3° 25.000 euro voor de intercommunale sociale contactpunten.

Art. 56.De kosten voor de evaluatie bedoeld in de artikelen 45 en 46 en voor de opleidingen bedoeld in artikel 61, § 1, 3°, en § 2, 3°, van het decreetgevend deel van het Wetboek worden bij de werkingskosten geboekt.

Art. 57.De subsidies ter dekking van de werkingskosten vallen onder de wet van 2 augustus 1971Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten3 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, subsidies en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.

Onderafdeling 3 - Subsidies voor de ontwikkeling van projecten

Art. 58.De Regering verleent binnen de perken van de begrotingskredieten aan elk erkend sociaal contactpunt een subsidie ter dekking van de kosten betreffende de ontwikkeling van projecten uitgewerkt door de algemene coördinatie of leden van het sociaal contactpunt, tot maximum : 1° 1.225.000 euro voor de sociale contactpunten gevestigd in een administratief arrondissement met een stad van meer dan 150 000 inwoners; 2° 250.000 euro voor de andere stedelijke sociale contactpunten; 3° 100.000 euro voor de intercommunale sociale contactpunten.

Binnen de perken van de begrotingskredieten en op basis van een omstandige nota ter bevestiging van sociale behoeften in bedoeld arrondissement kan de Regering het bedrag waarvan sprake in het eerste lid, 2°, verhogen tot maximum : 1° 375.000 euro voor het jaar na het jaar van de erkenning van het stedelijk sociaal contactpunt; 2° 500.000 euro voor het tweede jaar na het jaar van de erkenning van het stedelijk sociaal contactpunt; 3° 600.000 euro voor het tweede jaar na het jaar van de erkenning van het stedelijk sociaal contactpunt.

Binnen de perken van de begrotingskredieten kent de Minister een subsidie toe aan elk erkend stedelijk sociaal contactpunt dat een plan tegen strenge vrieskou inricht dat overeenstemt met het actieplan van de Regering, vastgesteld op volgende maximumbedragen : 1° 90.000 euro voor de stedelijke sociale contactpunten gelegen in een administratief arrondissement met een stad van minstens 150 000 inwoners; 2° 67.000 euro voor de stedelijke sociale contactpunten gelegen in een administratief arrondissement met een stad met tussen de 100.001 en 149.999 inwoners; 3° 45.000 euro voor de stedelijke sociale contactpunten gelegen in een administratief arrondissement met een stad van minstens 100.001 inwoners.

Art. 59.§ 1. Voor de stedelijke contactpunten hebben de projecten betrekking op : 1° de activiteiten die de partners van het sociaal contactpunt de gerechtigden overdag bieden;2° de activiteiten die de partners van het sociaal contactpunt de gerechtigden 's avonds en 's nachts bieden;3° door gespecialiseerde werkers voorgestelde activiteiten, meer bepaald contact leggen met dakloze personen, naar hen luisteren, ze oriënteren, begeleiden en volgen;4° acties voor een vlottere overgang van crisistoestanden naar een sociaal inschakelingsproces;5° de organisatie van een voorziening inzake dringende maatschappelijke hulpverlening. Voor de intercommunale sociale contactpunten beogen de projecten het in netwerk brengen van de bestaande sociale actoren en van collectieve projecten betreffende de specificiteiten van de plaatselijke sociale realiteiten; 6° de organisatie van specifieke regeling voor de verzorging van daklozen tijdens de winterperiode, genaamd plan tegen strenge vrieskou. Voor de intercommunale sociale contactpunten hebben de projecten betrekking op inrichten van een netwerk voor de bestaande sociale actoren en van de collectieve projecten met aandacht voor de plaatselijke specifieke sociale kenmerken. § 2. De Regering bepaalt jaarlijks en uiterlijk 30 juni het actieplan van de stedelijke sociale contactpunten in het kader van het plan tegen de strenge vrieskou. Dat actieplan omvat minstens volgende beleidspunten : 1° de coördinatie van het plan tegen de strenge vrieskou vanuit de sociale contactpunten;2° de duur van het plan dat minstens van 1 november tot en met 31 maart moet duren;3° de organisatie van een continue opvang, vierentwintig uur op vierentwintig, voor de daklozen;4° de onvoorwaardelijkheid van de opvang tijdens de duur van het plan;5° de terbeschikkingstelling van basisvoorzieningen voor de daklozen;6° de evaluatiewijze.

Art. 60.De projecten worden collectief en consensueel uitgewerkt binnen het sturingscomité om een meerwaarde in te voeren in het beheer van de moeilijkheden inzake sociale uitsluiting. Ze worden na advies van het sturingscomité door de raad van bestuur goedgekeurd.

Elke partner van het sociaal contactpunt kan uiterlijk dertig november van het jaar voorafgaand aan het subsidiëringsjaar een project voorleggen aan het sturingscomité.

De gesubsidieerde projecten zijn het voorwerp van een overeenkomst tussen de partner en de vereniging die het sociaal contactpunt vormt.

Art. 61.De Regering verleent binnen de perken van de begrotingskredieten een forfaitaire subsidie van maximum 100.000 euro ter dekking van de coördinatiekosten aan elk erkend stedelijk sociaal contactpunt dat beschikt over een specifieke coördinatie van de verenigingen voor hulpverlening aan personen die zich prostitueren en dat gevestigd is in een arrondissement met een stad van meer dan 150 000 inwoners.

Art. 62.Binnen de perken van de begrotingskredieten verleent de Regering aan elk erkend stedelijk sociaal contactpunt dat zelf of waarvan een lid een contactpunt voor gezondheidsaangelegenheden organiseert een subsidie van 70.000 euro om de gezondheidszorgverlening toegankelijker te maken voor personen in staat van uitsluiting.

De subsidie dient om de desbetreffende personeels- en werkingskosten te dekken.

De contactpunten voor gezondheidsaangelegenheden hebben volgende opdrachten : 1° het onthaal van en informatieverstrekking aan de personen in staat van uitsluiting;2° preventie, individueel en inzake volksgezondheid;3° het toedienen van de eerste zorgen;4° de begeleiding en de ondersteuning met het oog op een tenlasteneming door de eerste of de tweede zorglijn;5° de ontwikkeling van een plaastelijk verzorgingsnetwerk of, indien het al bestaat, de samenwerking ermee, waarin de aangrenzende gemeenten opgenomen worden wanneer het niveau van maatschappelijke cohesie bepaald overeenkomstig artikel 3 van het decreet van 6 november 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/06/1969 pub. 24/01/2011 numac 2010000730 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten4 betreffende het plan voor maatschappelijke cohesie in de steden en gemeenten van Wallonië, wat betreft de materies waarvan de uitoefening van de Franse Gemeenschap is overgedragen, hetzelfde of bijna hetzelfde is als dat van de gemeente waar de zetel van het sociaal contactpunt gevestigd is. De eerste verzorgingslijn dekt het geheel van de zorgverleners die thuisverzorging kunnen verlenen.

De tweede verzorgingslijn dekt het geheel van de instellingen en verzorgingsinrichtingen.

Art. 63.Wat betreft de subsidies die bezoldigingen of daarmee gelijkgestelde kosten vormen in het kader van de ontwikkelingen van projecten bepaald in de artikel 58 tot en met 62, wordt toepassing gemaakt van de wet van 1 maart 1977Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten4 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Afdeling 2 - Toekenningsvoorwaarden en -modaliteiten

Art. 64.De subsidies worden per kalenderjaar door de Regering verleend aan elk erkend sociaal contactpunt dat de volgende verplichtingen nakomt : 1° geen subsidies voor de tewerkgestelde professionele werknemers of voor de werkingskosten genieten als ze elkaar overlappen; 2° zich houden aan het boekhoudplan dat al naar gelang de rechtsvorm van het sociaal contactpunt toepasselijk is op de verenigingen vallende onder hoofdstuk XII van de wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten8 houdende organisatie van de O.C.M.W.'s of op de verenigingen zonder winstoogmerk; 3° de administratie laten nagaan of de activiteiten en de boekhouding voldoen aan de voorwaarden voor de toekenning van de subsidies.

Art. 65.De subsidies worden toegekend op grond van een door de dienst opgestelde voorbegroting die de verschillende lasten vermeldt voor de periode waarvoor de subsidies worden aangevraagd. De aanvraag om subsidies wordt samen met de voorbegroting uiterlijk 31 december van het jaar vóór het jaar waarvoor de subsidies worden aangevraagd naar de administratie gestuurd.

Onvermidnerd het eerste lid maken de stedelijke sociale contactpunten uiterlijk tegen 1 oktober hun plan tegen de strenge vrieskou aan de Minister over.

Art. 66.§ 1. De erkende dienst ontvangt in de loop van het eerste kwartaal van het jaar een jaarlijks voorschot gelijk aan 85 % van het bedrag van de subsidies die het vorige jaar zijn toegekend.

Het sociaal contactpunt verzoekt om de betaling van dat voorschot aan de hand van een formulier dat ze aan de administratie richt. Dat formulier wordt door de administratie opgesteld.

Het saldo wordt vóór 1 juni van het volgende jaar vereffend voor zover de bewijsstukken van de uitgaven vóór 1 april van hetzelfde jaar worden overgelegd. § 2. Tijdens de eerste subsidiëringsperiode wordt een jaarlijks voorschot toegekend dat gelijk is aan 85% van het bedrag van de subsidies berekend overeenkomstig de artikelen 49 tot en met 65. De voorbegroting wordt binnen dertig dagen na de erkenning van het sociaal contactpunt naar de administratie gestuurd. § 3. De subsidie waarvan sprake in artikel 58, lid 3, wordt toegekend door de Minister bevoegd voor Sociale Actie door de storting van één enkel bedrag dat overeenstemt met het totaalbedrag van de subsidie, voor 30 november van het lopende jaar. Afdeling 3 - Activiteitenverslag

Art. 67.De activiteitenverslagen bedoeld in artikel 64, 1° en 2°, van het decreetgevend deel van het Wetboek zijn conform de modellen opgenomen als bijlage 3.

Art. 68.Het contactpunt voor gezondheidsaangelegenheden draagt bij in de verzameling van sociaal-epidemiologische gegevens die voor elke persoon in staat van uitsluiting de volgende gegevens bevat : 1° de leeftijd;2° het geslacht;3° de burgerlijke stand;4° de nationaliteit;5° de moedertaal;6° de levensstijl;7° het schoolbezoek;8° de beroepscategorie;9° de hoofdzakelijke inkomensbron;10° de bestaansmiddelen van de gebruiker;11° de hoofdzakelijk ontdekte pathologie;12° de tenlasteneming. De Minister wijzigt bovenstaande lijst van de sociaal-epidemiologische gegevens in overleg met de contactpunten voor gezondheidsaangelegenheden.

Bij de organisatie van de verzameling van gegevens waarborgt hij de anonimiteit, de duurzaamheid en het gebruik door de contactpunten voor gezondheidsaangelegenheden zelf, zodat ze, o.a., hun eigen bevolking naar het geheel kunnen verwijzen.

TITEL III. - Opvang van, verschaffen van een onderkomen aan en begeleiding van in sociale moeilijkheden verkerende personen HOOFDSTUK I. - Begripsomschrijvingen

Art. 69.Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder : 1° inrichtingen : opvangtehuizen, gemeenschapshuizen, nachtasielen en opvangtehuizen van het gezinstype;2° huizen : opvangtehuizen, gemeenschapshuizen en opvangtehuizen van het gezinstype;3° gerechtelijk arrondissementsplatform : plaats van overleg tussen de instanties die zich bekommeren om personen betrokken bij partnergeweld.Die platforms worden door de provincies georganiseerd. HOOFDSTUK II. - Erkenning, beginselakkoord en voorlopige vergunning Afdeling 1 - Toekennings- en wijzigingsprocedures

Onderafdeling 1 - Erkenning

Art. 70.De aanvraag tot erkenning wordt bij ter post aangetekend schrijven aan het bestuur gericht. Een afschrift wordt aan de Minister overgemaakt.

Art. 71.Naast de gegevens vereist krachtens artikel 81 van het decreetgevend deel van het Wetboek, bevat het aanvraagdossier voor de opvanghuizen en de gemeenschapshuizen : 1° een afschrift van de benoemingsakten of van de arbeidsovereenkomsten van de personeelsleden en van de overeenkomsten gesloten met vrijwilligers;2° een afschrift van de verzekeringspolissen inzake brand en burgerlijke aansprakelijkheid aangegaan door het opvangtehuis of het gemeenschapshuis.

Art. 72.Naast de gegevens vereist krachtens artikel 82 en krachtens artikel 83 van het decreetgevend deel van het Wetboek, bevat het aanvraagdossier voor de nachtasielen en de opvangtehuizen van het gezinstype : 1° de vermelding van het type publiek dat ondergebracht dient te worden door het nachtasiel of het opvangtehuis van het gezinstype;2° een afschrift van de benoemingsakten of van de arbeidsovereenkomsten van de personeelsleden en van de overeenkomsten gesloten met vrijwilligers;3° een afschrift van de verzekeringspolissen inzake brand en burgerlijke aansprakelijkheid aangegaan door het nachtasiel of het opvangtehuis van het gezinstype.

Art. 73.De administratie stuurt een bericht van ontvangst naar de aanvrager binnen tien dagen na ontvangst van de aanvraag.

Het bestuur gaat na of de aanvraag volledig is en verzoekt de aanvrager desgevallend om de ontbrekende stukken of gegevens binnen de maand na ontvangst van de aanvraag.

Als het dossier volledig is, stuurt het bestuur onmiddellijk een schrijven naar de inrichting om haar daarop te wijzen.

Art. 74.Binnen de maand na ontvangst van de volledige aanvraag, stelt het bestuur een verslag op over het dossier.

De Minister deelt het dossier en haar verslag samen met een voorstel tot beslissing aan de Minister mee, die over de erkenningsaanvraag beslist binnen twee maanden, te rekenen vanaf de datum van het voorstel tot beslissing.

Van de beslissing wordt kennis gegeven aan de aanvrager bij ter post aangetekend schrijven.

Art. 75.Het opvangtehuis, het gemeenschapshuis en het nachtasiel richten om de vijf jaar, en voor het eerst in 2012, vóór de maand april een omstandig activiteitenrapport aan het bestuur, met een overzicht van de activiteiten gevoerd in de loop van de laatste vijf jaren en de vooruitzichten voor de komende vijf jaren.

Die activiteitenrapporten worden, in voorkomend geval samen met het advies van het bestuur, overgelegd aan de "Conseil wallon de l'action sociale et de la santé".

Art. 76.De artikelen 70 tot en met 75 zijn toepasselijk op de aanvraag om hernieuwing.

Elke aanvraag tot wijziging van subsidiëring wordt ingediend voor 30 juni van een jaar om eventueel toepasselijk te zijn op 1 januari van het volgende jaar.

Bij de aanvraag tot wijziging van subsidiëring worden de bewijsstukken betreffende de vereisten bepaald in de artikelen 93 tot en met 124.

Onderafdeling 2 - Voorlopige vergunning en beginselakkoord

Art. 77.De aanvragen om beginselakkoord worden per fax of schrijven aan de Minister gericht of tegen ontvangstbewijs afgegeven.

De Minister beslist over de aanvraag uiterlijk de werkdag na de dag van ontvangst ervan.

De beslissing wordt per fax aan de aanvrager meegedeeld of tegen ontvangstbewijs afgegeven.

Art. 78.De artikelen 70, 73, en 74 zijn toepasselijk op de aanvraag om tijdelijke werkingsvergunning ingediend overeenkomstig artikel 88 van het decreetgevend deel van het Wetboek.

Elke aanvraag om verlenging van de tijdelijke werkingsvergunning wordt minstens twee maanden vóór de vervaldatum van de lopende vergunning verstuurd. Als de aanvraag om hernieuwing ingediend wordt binnen die termijn, blijft de lopende erkenning geldig tot de kennisgeving van de beslissing van de Minister. Afdeling 2 - Procedures voor de schorsing, de beperking en de

intrekking

Art. 79.Als de administratie voorstelt om de erkenning, de tijdelijke werkingsvergunning of het beginselakkoord op te schorten, te beperken of in te trekken, verwittigt ze betrokken inrichting bij per post aangetekend schrijven.

Het voorstel tot opschorting, inkorting en intrekking vermeldt de motieven die zulks rechtvaardigen.

De inrichting beschikt over een termijn van vijftien dagen te rekenen van de datum van ontvangst van het voorstel, om haar schriftelijke opmerkingen aan het bestuur te richten.

Die termijn wordt tot tien dagen ingekort als het voorstel een beginselakkoord betreft.

De afgevaardigd ambtenaar vult het dossier aan met de schriftelijke opmerkingen van de huisvestingsstructuur, met elk nuttig gegeven en stuk dat hij inzamelt en met het proces-verbaal van verhoor van de vertegenwoordiger van de inrichting.

Daartoe roept hij de vertegenwoordiger van de inrichting op bij ter post aangetekend schrijven of per brief afgegeven tegen ontvangstbewijs, met opgave van de plaats en het uur van het verhoor.

De oproeping vermeldt de mogelijkheid om zich door een raadsman te laten bijstaan.

De weigering te verschijnen of zijn verweermiddelen aan te voeren wordt in het proces-verbaal van verhoor geacteerd.

Art. 80.De afgevaardigd ambtenaar stelt een rapport op en, als het voorstel tot opschorting, inkorting en intrekking betrekking heeft op een erkenning of een tijdelijke werkingsvergunning, maakt hij zijn rapport samen met het dossier binnen vijftien dagen na de verhoordatum voor advies aan de "Commission wallonne de l'Action sociale" over.

Art. 81.Als het voorstel tot opschorting, inkorting en intrekking betrekking heeft op een erkenning of een tijdelijke werkingsvergunning, beslist de Minister binnen de maand na ontvangst van het advies van de "Commission wallonne de l'Action sociale".

Als het voorstel tot opschorting, inkorting en intrekking betrekking heeft op een beginselakkoord, beslist de Minister binnen tien dagen na ontvangst van het rapport van de afgevaardigd ambtenaar.

Art. 82.De beslissing tot opschorting, inkorting en intrekking wordt bij ter post aangetekend schrijven aan de huisvestingsstructuur meegedeeld.

De intrekking van de tijdelijke werkingsvergunning of van het beginselakkoord heeft de weigering van de erkenning tot gevolg. Afdeling 3 - Voorwaarden

Onderafdeling 1 - Algemene voorwaarden

Art. 83.Naast de erkenningsvoorwaarden bedoeld in de artikelen 72 en 77 van het decreetgevend deel van het Wetboek voldoen de inrichtingen aan de erkenningsvoorwaarden opgenomen in bijlage 4.

Onderafdeling 2 - Voorwaarden met betrekking tot het collectieve begeleidingsproject en collectieve huisvestingsproject

Art. 84.§ 1. Het collectieve begeleidingsproject wordt in overleg met het sociale en educatieve ploteameg uitgewerkt en geëvalueerd door de directeur van het opvangtehuis of van het gemeenschapshuis.

Het houdt rekening met de sociaal-economische omgeving van het opvangtehuis of gemeenschapshuis. De met de externe partners gesloten overeenkomsten worden bij het project gevoegd.

Het wordt hoe dan ook na afloop van het tweede erkenningsjaar geëvalueerd, alsook bij de hernieuwing van de erkenning. De raad van de ondergebrachte personen neemt deel aan de evaluatie.

Elke wijziging in het collectieve begeleidingsproject wordt aan het bestuur meegedeeld. § 2. Het model van het collectieve begeleidingsproject ligt vast in bijlage 5.

Art. 85.§ 1. Het collectieve huisvestingsproject wordt in overleg met de educatieve ploeg en de vrijwilligers uitgewerkt en geëvalueerd door de directeur van het nachtasiel.

Het houdt rekening met de sociale omgeving van het nachtasiel en, meer bepaald, met de diensten die instaan voor het beheer van de sociale urgentie. De met de opvangtehuizen en de externe partners gesloten overeenkomsten worden bij het project gevoegd.

Het wordt geëvalueerd na afloop van de openingsperiode bedoeld in artikel 75, 2°, a), van het decreetgevend deel van het Wetboek.

Elke wijziging in het collectieve begeleidingsproject wordt aan het bestuur meegedeeld. § 2. Het model van het collectieve begeleidingsproject ligt vast in bijlage 6.

Onderafdeling 3 - Voorwaarden met betrekking tot het huishoudelijk reglement

Art. 86.§ 1. Het huishoudelijk reglement wordt uitgewerkt met inachtneming van : 1° de religieuze, ideologische, filosofische en culturele overtuigingen van de ondergebrachte personen;2° het privé-leven van de ondergebrachte personen;3° de vrije keuze van de geneesheer voor de ondergebrachte personen. De raad van de ondergebrachte personen neemt deel aan de uitwerking van het huishoudelijk reglement van de opvangtehuizen en van de gemeenschapshuizen en aan de wijzigingen die erin aangebracht worden. § 2. Het model van huishoudelijk reglement ligt vast in bijlage 7.

Onderafdeling 4 - Voorwaarden met betrekking tot het brandattest

Art. 87.Het model van brandattest ligt vast in bijlage 8.

Onderafdeling 5 - Voorwaarden met betrekking tot het geïndividualiseerd begeleidingsproject en het aanwezigheidsboek

Art. 88.Het model van geïndividualiseerd begeleidingsproject en aanwezigheidsboek ligt vast in de bijlagen 9 en 10.

Onderafdeling 6 - Voorwaarden met betrekking tot het personeel en de begeleidingsnormen

Art. 89.Elk opvangtehuis beschikt over : 1° minstens één opvoeder (drievierde tijd) met minimum een kwalificatie klasse 2A als het over 10 tot 20 erkende plaatsen beschikt;2° minstens één maatschappelijk assistent (halftijds) en een opvoeder (voltijds) met minimum een kwalificatie klasse 2A als het over 21 tot 40 erkende plaatsen beschikt;3° minstens één maatschappelijk assistent (drievierde tijd) en twee opvoeders (voltijds) met minimum een kwalificatie klasse 2A als het over 41 tot 60 erkende plaatsen beschikt;4° minstens een maatschappelijk assistent (voltijds) en drie opvoeders (voltijds) met minimum een kwalificatie klasse 2A als het over meer dan 60 erkende plaatsen beschikt. Eén van de personen bedoeld in het eerste lid vervult de functies van directeur.

Art. 90.Elk gemeenschapshuis beschikt over : 1° minstens één opvoeder (halftijds) met minimum een kwalificatie klasse 2A als het over 10 tot 20 erkende plaatsen beschikt;2° minstens één opvoeder (voltijds) met minimum een kwalificatie klasse 2A als het over 21 tot 40 erkende plaatsen beschikt;3° minstens één maatschappelijk assistent (halftijds) en een opvoeder (voltijds plus een half) met minimum een kwalificatie klasse 2A als het over 21 tot 40 erkende plaatsen beschikt;4° minstens één maatschappelijk assistent (drievierde tijd) en twee opvoeders (voltijds) met minimum een kwalificatie klasse 2A als het over meer dan 60 erkende plaatsen beschikt. Eén van de personen bedoeld in het eerste lid vervult de functies van directeur.

Art. 91.Elk nachtasiel beschikt over minstens één halftijdse directeur en één voltijdse opvoeder met minimum een kwalificatie klasse 2A.

Art. 92.De kwalificaties van de personeelsleden liggen vast in bijlage 12.

Eén of meer leden van de educatieve ploeg van het opvangtehuis, het gemeenschapshuis of het nachtasiel volgen jaarlijks minstens dertig opleidingsuren, toezicht inbegrepen, in verband met de opdrachten van de inrichting, met inachtneming van de volgende modaliteiten : 1° minimum tien uren besteed aan de analyse van de evolutie van het sociaal recht;minimum tien uren besteed aan de evolutie van de praktijken inzake de opvang en de begeleiding van personen met sociale problemen; 2° minimum tien uren toezicht of opleiding besteed aan andere thema's in verband met huisvesting. Afdeling 4 - Programmering

Art. 93.Het programma bedoeld in artikel 114, tweede lid, van het decreetgevend deel van het Wetboek wordt vastgelegd als volgt : 1° voor de provincie Waals-Brabant : a) 50 plaatsen voor mannen of vrouwen die niet vergezeld zijn van kinderen;b) 200 plaatsen voor mannen of vrouwen die vergezeld zijn van kinderen;2° voor de provincie Henegouwen : a) 165 plaatsen voor mannen of vrouwen die niet vergezeld zijn van kinderen;b) 490 plaatsen voor mannen of vrouwen die vergezeld zijn van kinderen;3° voor de provincie Luik : a) 165 plaatsen voor mannen of vrouwen die niet vergezeld zijn van kinderen;b) 490 plaatsen voor mannen of vrouwen die vergezeld zijn van kinderen;4° voor de provincie Luxemburg : a) 45 plaatsen voor mannen of vrouwen die niet vergezeld zijn van kinderen;b) 180 plaatsen voor mannen of vrouwen die vergezeld zijn van kinderen;5° voor de provincie Namen : a) 45 plaatsen voor mannen of vrouwen die niet vergezeld zijn van kinderen;b) 180 plaatsen voor mannen of vrouwen die vergezeld zijn van kinderen. Afdeling 5 - Subsidiëring

Onderafdeling 1 - Soorten subsidies A. Subsidies voor personeelskosten

Art. 94.Binnen de perken van de begrotingskredieten ontvangen de opvangtehuizen subsidies om de volgende personeelskosten te dekken : 1° 10 plaatsen : 1 maatschappelijk assistent (voltijds) en 0,5 opvoeder klasse 1 (voltijds);2° van 11 tot 15 plaatsen : 1 directeur (voltijds), 1 maatschappelijk assistent (voltijds) en 1,5 opvoeders klasse 1 (voltijds);3° van 16 tot 20 plaatsen : 1 directeur (voltijds), 1 maatschappelijk assistent (voltijds) en 2 opvoeders klasse 1 (voltijds);4° van 21 tot 30 plaatsen : 1 directeur (voltijds), 1 maatschappelijk assistent (voltijds) en 3 opvoeders klasse 1 (voltijds);5° van 30 tot 40 plaatsen : 1 directeur (voltijds), 1 maatschappelijk assistent (voltijds) en 4 opvoeders klasse 1 (voltijds);6° van 41 tot 50 plaatsen : 1 directeur (voltijds), 1 maatschappelijk assistent (voltijds) en 4,5 opvoeders klasse 1 (voltijds);7° van 51 tot 60 plaatsen : 1 directeur (voltijds), 1 maatschappelijk assistent (1+1/2 voltijds) en 5 opvoeders klasse 1 (voltijds);8° meer dan 60 plaatsen : 1 directeur (voltijds), 2 maatschappelijk assistenten (voltijds) en 5 opvoeders klasse 1 (voltijds). De subsidies worden bij voorrang toegekend aan de opvangtehuizen die op de dag van de aanvraag een subsidie krijgen van het Waalse Gewest.

Art. 95.Binnen de perken van de begrotingskredieten ontvangen de opvangtehuizen met een overeenkomstig artikel 94 gesubsidieerde capaciteit van minimum 20 plaatsen subsidies ter dekking van de volgende kosten van het personeel belast met de pedagogische begeleiding van de kinderen : 1° 20 plaatsen : 0,5 opvoeder klasse 2, 2A, 2B, 3 of kinderverzorger;2° van 21 tot 30 plaatsen : 0,75 opvoeder klasse 2, 2A, 2B, 3 of kinderverzorger;3° van 30 tot 40 plaatsen : 1 opvoeder klasse 2, 2A, 2B, 3 of kinderverzorger;4° van 41 tot 50 plaatsen : 1,25 opvoeder klasse 2, 2A, 2B, 3 of kinderverzorger;5° van 51 tot 60 plaatsen : 1,5 opvoeder klasse 2, 2A, 2B, 3 of kinderverzorger;6° meer dan 60 plaatsen : 1,75 opvoeder klasse 2, 2A, 2B, 3 of kinderverzorger. De subsidies worden toegekend voorzover het opvangtehuis voor de twee kalenderjaren voorafgaand aan de aanvraag kan bewijzen dat 25 % of meer van het totaalaantal overnachtingen kinderovernachtingen zijn.

Art. 96.Binnen de perken van de begrotingskredieten ontvangen de opvangtehuizen met een overeenkomstig artikel 94 gesubsidieerde capaciteit van minimum 20 plaatsen en met een collectief begeleidingsproject waarvan de uitvoering het tot stand brengen van een sociale of psychosociale begeleiding van kinderen onder drie jaar vereist, subsidies ter dekking van de volgende personeelskosten : 1° 20 plaatsen : 0,5 maatschappelijk assistent of licentiaat in de menswetenschappen;2° van 21 tot 30 plaatsen : 0,75 maatschappelijk assistent of licentiaat in de menswetenschappen;3° van 30 tot 40 plaatsen : 1 maatschappelijk assistent of licentiaat in de menswetenschappen;4° van 41 tot 50 plaatsen : 1,25 maatschappelijk assistent of licentiaat in de menswetenschappen;5° van 51 tot 60 plaatsen : 1,5 maatschappelijk assistent of licentiaat in de menswetenschappen;6° meer dan 60 plaatsen : 1,75 maatschappelijk assistent of licentiaat in de menswetenschappen. De subsidies worden toegekend voorzover het opvangtehuis voor de twee kalenderjaren voorafgaand aan de aanvraag kan bewijzen dat 25 % of meer van het totaalaantal overnachtingen kinderovernachtingen zijn.

Art. 97.Binnen de perken van de begrotingskredieten wordt een subsidie aan de opvangtehuizen toegekend met het oog op de opvang van vrouwen die het slachtoffer van partnergeweld zijn en, desgevallend, van hun kinderen.

Per gerechtelijk arrondissement kunnen hoogstens twee opvangtehuizen die subsidie genieten; voorrang wordt gegeven aan de opvangtehuizen met de hoogste gemiddelden overnachtingen van vrouwen die het slachtoffer van partnergeweld zijn in de loop van de drie jaren voorafgaand aan de toekenning van de subsidie.

Het bedrag van de subsidie komt overeen met de kosten van een personeelslid volgens de loonschaal die op een maatschappelijk assistent toepasselijk is en met de loonschaalanciënniteit van dat personeelslid.

De betrekking die voor die subsidie in aanmerking komt, is bestemd voor een maatschappelijk assistent of voor de houder van een academische graad van de tweede cyclus in het vak menswetenschappen.

De subsidie wordt toegekend en gehandhaafd onder de volgende voorwaarden : 1° vrouwen onderbrengen die het slachtoffer van partnergeweld zijn;2° beschikken over een gemeenschappelijk begeleidingsproject dat voorziet in hulpverlening aan vrouwen die het slachtoffer van partnergeweld zijn;3° ervoor zorgen dat de opvangdienst 24 uur op 24 werkt;4° telefonisch bereikbaar zijn buiten de werkuren;5° voortdurend een kamer (met minstens twee bedden) vrijhouden voor de noodopvang van vrouwen die het slachtoffer van partnergeweld zijn;6° deelnemen aan de werkzaamheden van de arrondissementsplatforms;7° vrouwen die het slachtoffer van gezinsgeweld zijn ondergebracht hebben in de loop van de drie jaren voorafgaand aan de toekenning van de subsidie.Er moeten jaarlijks gemiddeld 1 000 vrouwen overnachten.

Art. 98.Binnen de perken van de begrotingskredieten ontvangen de opvangtehuizen met een erkende capaciteit van minstens 50 plaatsen en een collectief begeleidingsproject waarvan de uitvoering een noodopvangst van in sociale moeilijkheden verkerende personen vereist, subsidies ter dekking van de personeelskosten van een opvoeder klasse 2A (voltijds).

De subsidies worden toegekend als het opvangtehuis gelegen is in een bestuursarrondissement dat minstens één stad of gemeente van meer dan 30 000 inwoners telt.

Per bestuursarrondissement kan slechts één opvangtehuis de subsidie genieten. Voorrang wordt gegeven aan het opvangtehuis met de hoogste erkende huisvestingscapaciteit.

Wat betreft de administratieve arrondissementen met meer dan 400 000 inwoners, kunnen twee opvangtehuizen de subsidie genieten. Voorrang wordt gegeven aan de opvangtehuizen waarvan de erkende en gesubsidieerde opvangcapaciteit de grootste is.

Art. 99.Binnen de perken van de begrotingskredieten ontvangen de opvangtehuizen met een overeenkomstig artikel 94 gesubsidieerde capaciteit een forfaitaire subsidie van 20 000 euro per jaar ter dekking van de personeelskosten van een opvoeder 2A (voltijds) belast met de opvolging na het onderbrengen en/of van de werkingskosten voor het vervullen van zijn opdracht.

De subsidies worden toegekend voor zover de volgende voorwaarden vervuld zijn : 1° de opvolging na de opvang is bestemd voor elke persoon die in een opvangtehuis ondergebracht werd;2° het opvangtehuis begeleidt minstens 20 gezinnen tegelijkertijd;3° het opvangtehuis maakt deel uit van een sociaal contactpunt zoals bedoeld in de artikelen 48 tot en met 65 van het decreetgevend deel van het Wetboek of, bij gebreke daarvan, van een sociale noodvoorziening, een sociale coördinatie of een plan voor buurtpreventie zoals bedoeld in het decreet van 15 mei 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/06/1969 pub. 24/01/2011 numac 2010000730 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten6 betreffende de buurtpreventie in de Waalse steden en gemeenten;4° het opvangtehuis toont aan dat de bestaande opvangtehuizen in bedoeld arrondissement op de hoogte gebracht zijn van zijn aanvraag. Per bestuursarrondissement kan slechts één opvangtehuis gesubsidieerd worden voor de naopvang.

Als het arrondissement een stad van meer dan 30 000 inwoners telt, moet het gesubsidieerde opvangtehuis in deze stad gevestigd zijn.

In elk geval wordt voorrang gegeven aan het opvangtehuis met de hoogste erkende huisvestingscapaciteit.

Niettegenstaande het vijfde lid, wordt de subsidie prioritair toegekend aan de opvangtehuizen die op de dag van de aanvraag door het Waalse Gewest gesubsidieerd worden voor de naopvang.

Art. 100.Binnen de perken van de begrotingskredieten ontvangen de gemeenschapshuizen subsidies om de volgende personeelskosten te dekken : 1° van 10 tot 30 plaatsen : 0,5 maatschappelijk assistent (voltijds) en 1 opvoeder klasse 1 (voltijds);2° van 31 tot 60 plaatsen : 0,75 maatschappelijk assistent (voltijds) en 1,5 opvoeder klasse 1 (voltijds);3° meer dan 60 plaatsen : 1 maatschappelijk assistent (voltijds) en 2 opvoeders klasse 1 (voltijds). De subsidies worden bij voorrang toegekend aan de gemeenschapshuizen die op de dag van de aanvraag een subsidie krijgen van het Waalse Gewest.

Art. 101.§ 1. Behalve de subsidies bedoeld in artikel 99 dekken de subsidies voor personeelsuitgaven voor 100 % : 1° de brutowedde van het personeel; 2° de werkgeversbijdragen, de bijdragen betreffende het vakantiegeld, de eindejaarspremie, de andere diverse kosten in verband met de verplichtingen uit collectieve arbeidsovereenkomsten ondertekend in het kader van de paritaire commissie 319.12 en andere wettelijke verplichtingen betreffende het personeel, beperkt tot 50 % van de uitgaven bedoeld in 1°. § 2. In geval van toepassing van de bepalingen bedoeld in punt 2.3. van de raamovereenkomst voor de non-profit sector gesloten op 16 mei 2000 dient de personeelsformatie bedoeld in de artikelen 103 tot 106, en 110 van het decreetgevend deel van het Wetboek bestendig ingevuld te zijn voor elk van de voorziene functies.

Het deel van de subsidies ter dekking van de halftijdse prestatie die niet meer wordt verricht door begunstigde van de maatregel wordt beperkt als volgt :

Functie

Basisschaal /2M

Maximum (150 %)

Directeur

D23/2 = 17 161,065 euro;

25 741,60 euro

Maatschappelijk assistent of opvoeder

A27/2 = E27/2 = 14 502,06 euro

21 753,09 euro

Opvoeder klasse 2 of 2A

E29/2 = 12 525,91 euro

18 788,865 euro

Opvoeder klasse 2B of 3

E29/2 = 10 113,45 euro

15 170,175 euro

Kinderverzorger(ster)

E29/2 = 9 672,16 euro

14 508,24 euro


Deze bedragen dienen gerechtvaardigd te worden door de stortingen in het fonds voor bestaanszekerheid, door de brutowedde van de werknemer die de halftijdse vervangingsprestatie in de functie verricht en door de bijhorende lasten tot maximum 50 % van de brutowedde.

Art. 102.Het brutoloon en de anciënniteit van het personeel bedoeld in artikel 101 worden slechts in aanmerking genomen binnen de perken voorzien in de weddeschalen die vastgelegd werden bij de collectieve arbeids overeenkomst van 10 mei 2001Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/06/1969 pub. 24/01/2011 numac 2010000730 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten8 van paritaire commissie 319.02.

De weddeschalen zijn gekoppeld aan de schommelingen van de prijzenindex overeenkomstig de regels voorgeschreven bij de wet van 1 maart 1977Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten4 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld.

Ze worden gekoppeld aan het indexcijfer 138.01 van 1 januari 1990.

Art. 103.§ 1. Tussentijdse verhogingen worden toegekend voor effectieve diensten die beschouwd kunnen worden als nuttige ervaring en die het personeel eerder gepresteerd heeft bij instellingen erkend of gesubsidieerd door een overheid onder Belgisch, buitenlands of internationaal recht.

De Minister beoordeelt of de diensten bedoeld in het eerste lid ten aanzien van betrokkene als nuttige ervaring beschouwd kunnen worden. § 2. Het deeltijds aangeworven personeelslid krijgt op dezelfde manier de tussentijdse verhogingen als een voltijds aangeworven personeelslid.

Art. 104.§ 1. De in aanmerking komende diensten die volle maanden bestrijken, komen rechtstreeks in aanmerking voor de geldelijke anciënniteit.

De in aanmerking komende diensten die delen van maanden bestrijken, komen in aanmerking vanaf de 15e werkdag. De maand waarop die prestaties betrekking hebben wordt volledig ingecalculeerd. § 2. De anciënniteiten worden in aanmerking genomen in de maand van de overlegging van voor echt verklaarde documenten waarin melding wordt gemaakt van o.a. de naam en de geboortedatum van het personeelslid, de naam van de werkgevers, het doel van de dienst en de aard van de betrekking, het statuut, het aantal gepresteerde uren, alsook het bewijs dat deze diensten erkend of gesubsidieerd waren door de overheden of instellingen bedoeld in artikel 103, § 1. § 3. Op grond van een behoorlijk gemotiveerde aanvraag kan de Minister een nuttige ervaring erkennen in de diensten die niet erkend of gesubsidieerd worden door de overheden of instellingen bedoeld in artikel 103, § 1.

Art. 105.Om te voldoen aan de verplichtingen inzake de aan de werknemers te verlenen vakbondspremie en overeenkomstig de sectorale bepalingen, wordt aan de opvangtehuizen, de gemeenschapshuizen of aan het daartoe voorziene fonds voor bestaanszekerheid een subsidie toegekend.

Art. 106.Elke personeelswijziging wordt uiterlijk 15 dagen na de wijziging door de opvangtehuizen en de gemeenschapshuizen aan het bestuur meegedeeld.

Art. 107.De kwalificaties van de voor de subsidies in aanmerking komende personeelsleden liggen vast in bijlage 12.

Art. 108.Voor de toepassing van de artikelen 95 tot en met 98 wordt het bedrag van de subsidies onder voorbehoud van afdeling 3 vastgelegd op grond van het aantal plaatsen dat in overweging genomen wordt in het kader van de artikelen 94 en 100.

B. Subsidies voor werkingskosten

Art. 109.§ 1. Binnen de perken van de begrotingskredieten ontvangen de opvangtehuizen die overeenkomstig artikel 94 gesubsidieerd worden een jaarlijkse subsidie van : 1° 400 euro per gesubsidieerde plaats voor opvangtehuizen die mannen of vrouwen onderbrengen die niet vergezeld zijn van kinderen;2° 600 euro per gesubsidieerde plaats voor opvangtehuizen die mannen of vrouwen onderbrengen die niet vergezeld zijn van kinderen; Er wordt van uitgegaan dat een opvangtehuis van kinderen vergezelde mannen of vrouwen onderbrengt als 25 % of meer van het totaalaantal overnachtingen kinderovernachtingen zijn. § 2. Binnen de perken van de begrotingskredieten ontvangen de gemeenschapshuizen een jaarlijkse subsidie van : 1° van 10 tot 30 plaatsen : 2.500 euro; 2° van 31 tot 60 plaatsen : 6.250 euro; 3° meer dan 60 plaatsen : 8.750 euro.

Art. 110.Voor de toepassing van de artikelen 95, 96, 97, 98 en 109 wordt het bedrag van de subsidies onder voorbehoud van onderafdeling 3 vastgelegd op grond van het aantal plaatsen dat in overweging genomen wordt in het kader van de artikelen 94 en 100.

Art. 111.De als in bijlage 14 bepaalde lasten komen alleen in aanmerking voor de toekenning van de in artikel 109 bedoelde werkingskosten.

Art. 112.De subsidies ter dekking van de werkings- en/of personeelskosten bedoeld in artikel 99 en de werkingskosten vallen onder de toepassing van de wet van 2 augustus 1971Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten3 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.

De subsidies worden gekoppeld aan indexcijfer 111,64 van de consumptieprijzen van toepassing op 1 juni 2004 (basis 1996 = 100).

Onderafdeling 2 - Toekenningsmodaliteiten

Art. 113.§ 1. Onder voorbehoud van het tweede lid wordt de aanvraag om subsidiëring bedoeld in de artikelen 94, 100 en 109 samen met de aanvraag om erkenning ingediend. Zij bevat : 1° het aantal aangevraagde plaatsen voor : a) mannen of vrouwen die niet vergezeld zijn van kinderen;b) mannen of vrouwen die vergezeld zijn van kinderen;2° de vermelding van de andere eventuele subsidiëringsbronnen van het opvangtehuis of gemeenschapshuis door de overheid, ongeacht het niveau ervan. In geval van eerste erkenning wordt de aanvraag om subsidiëring ingediend in de loop van het eerste kwartaal na het tweede erkenningsjaar. § 2. De aanvraag om subsidiëring bedoeld in de artikelen 95 tot en met 99 wordt ingediend, hetzij samen met de aanvraag om erkenning, hetzij tijdens de erkenningsperiode.

Art. 114.De toekenning van de subsidies maakt het voorwerp uit van vier driemaandelijkse voorschotten die gelijk zijn aan 22,5 % van de subsidie berekend overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.

De driemaandelijkse voorschotten worden uiterlijk 15 februari voor het eerste kwartaal, 15 mei voor het tweede kwartaal, 15 augustus voor het derde kwartaal en 15 november voor het vierde kwartaal vereffend.

Het saldo van het afgelopen jaar wordt uitbetaald na onderzoek van de bewijsstukken, die uiterlijk 30 april aan het bestuur overgemaakt worden.

Onderafdeling 3 - Beperking en schrapping

Art. 115.De bezettingsgraad van een opvangtehuis of een gemeenschapshuis wordt berekend op grond van het aantal plaatsen die dienen voor de bepaling van de begeleiding bedoeld in de artikelen 94 of 100.

Art. 116.De subsidies bedoeld in artikel 115, § 1 en § 2, eerste lid, van het decreetgevend Wetboek kunnen om de twee jaar verminderd worden.

Om het bedrag van de subsidies te behouden die het opvangtehuis toegekend worden overeenkomstig artikel 115, § 1 en § 2, eerste lid, van het decreetgevend deel van Wetboek, levert laatstgenoemde over een periode van twee jaar het bewijs van : 1° een bezettingsgraad van minstens 80 % van de gesubsidieerde huisvestingscapaciteit als ze bestemd is voor mannen en/of vrouwen die niet vergezeld zijn van kinderen;2° een bezettingsgraad van minstens 70 % van de gesubsidieerde huisvestingscapaciteit als ze bestemd is voor mannen en/of vrouwen die niet vergezeld zijn van kinderen. Om het bedrag van de subsidies te behouden bedoeld in artikel 115, § 1 en § 2, eerste lid, van het decreetgevend Wetboek, levert het gemeenschapstehuis over een periode van twee jaar het bewijs van : 1° een bezettingsgraad van minstens 70 % van de gesubsidieerde huisvestingscapaciteit als ze bestemd is voor mannen en/of vrouwen die niet vergezeld zijn van kinderen.2° een bezettingsgraad van minstens 60 % van de gesubsidieerde huisvestingscapaciteit als ze bestemd is voor mannen en/of vrouwen die niet vergezeld zijn van kinderen. Er wordt van uitgegaan dat een opvangtehuis of een gemeenschapshuis van kinderen vergezelde mannen of vrouwen onderbrengt als 25 % van het totaalaantal overnachtingen of meer kinderovernachtingen zijn.

De documenten ter rechtvaardiging van de bezettingsgraden bedoeld in het tweede en het derde lid worden uiterlijk 31 januari van het derde erkenningsjaar aan het bestuur overgemaakt.

Als de bezettingsgraad van een opvangtehuis of een gemeenschapshuis lager is dan de bezettingsgraden bedoeld in het tweede en het derde lid, stemt het aantal plaatsen dat in overweging genomen worden voor de bepaling van de subsidies bedoeld in de artikelen 94 en 100 overeen met het effectief aantal bezette plaatsen tijdens de berekeningsperiode.

Art. 117.Elke schending van de werkingsvoorwaarden bedoeld in de artikelen 92, 93, 94, 98 en 101 van het decreetgevend deel van het Wetboek heeft als gevolg dat de overtreder niet meer in aanmerking genomen wordt bij de berekening van de bezettingsgraad.

Art. 118.Elke schending van de voorwaarden bedoeld in de artikelen 97, 99 en 102 van het decreetgevend deel van het Wetboek houdt in dat de subsidies ter dekking van de werkingskosten met 25 % verminderd worden.

Art. 119.Elke schending van de voorwaarden bedoeld in artikel 100 van het decreetgevend deel van het Wetboek heeft als gevolg dat de subsidies bedoeld in artikel 115, § 1 en § 2, eerste lid, van het decreetgevend deel van het Wetboek met 25 % verminderd worden.

Art. 120.Het verlies van de erkenning heeft als gevolg het verlies van de subsidies bedoeld in artikel 115, § 1 en § 2, van het decreetgevend deel van het Wetboek.

Art. 121.De vermindering of de afschaffing van de subsidies treedt pas in werking vanaf het jaar na de beslissing tot vermindering of afschaffing.

Art. 122.De voorstellen tot vermindering of intrekking van de subsidies bedoeld in artikel 115, § 1 en § 2, eerste lid, van het decreetgevend deel van het Wetboek worden onderzocht volgens de procedure bedoeld in de artikelen 77 en 78.

Art. 123.Onder voorbehoud van het tweede lid is elke beslissing tot vermindering of intrekking van de subsidies van toepassing vanaf 1 januari van het jaar na de beslissing.

In geval van intrekking van de erkenning heeft de beslissing tot intrekking van de subsidies onmiddellijk gevolg.

Onderafdeling 4 - Afwijkingen

Art. 124.Op straffe van niet-ontvankelijkheid worden de aanvragen tot afwijking bedoeld in artikel 117, § 2, van het decreetgevend deel van het Wetboek ingediend middels het formulier opgenomen in bijlage 13. Afdeling 6 - Financiële bijdrage van de rechthebbenden

Art. 125.De financiële bijdrage van de ondergebrachte persoon dekt het onderkomen. Ze dekt ook de maaltijden als ze deel uitmaken van de aangeboden diensten.

Ze dekt geen andere diensten dan die bedoeld in het eerste lid.

Art. 126.De financiële bijdrage houdt rekening met de reële kost van de diensten.

De financiële bijdrage voor het onderkomen mag dagelijks niet lager zijn dan 6 per persoon en mag niet hoger zijn dan 4/10e van de bestaansmiddelen van de ondergebrachte persoon.

De financiële bijdrage voor het onderkomen en de maaltijd mag dagelijks niet lager zijn dan 10 per persoon.

Voor het onderbrengen van kinderen kan het opvangtehuis of het gemeenschapshuis al naar gelang het collectieve begeleidingsproject ervan evenwel verzoeken om een financiële bijdrage die lager is dan de bedragen bedoeld in het eerste en het tweede lid.

De bedragen bedoeld in dit artikel worden gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen 111,64 die toepasselijk is op 1 juni 2004 (basis 1996 = 100).

Art. 127.De werkelijke kostprijs van het onderkomen en de maaltijden wordt jaarlijks vastgelegd.

De methode voor de berekening van de werkelijke kostprijs en de lijst van de toelaatbare uitgaven worden vastgelegd overeenkomstig bijlage 11. Het tehuis waarvan de reële kost hoger is dan de minima bedoeld in artikel 126, verwittigt het bestuur.

Art. 128.De overeenkomstig artikel 77, 4°, van het decreetgevend deel van het Wetboek in aanmerking te nemen bestaansmiddelen zijn de volgende op voorwaarde dat ze daadwerkelijk ontvangen worden door de ondergebrachte persoon : 1° het inkomen uit werk;2° de vervangingsinkomens, met inbegrip van die welke toegekend worden krachtens de wetgeving betreffende de uitkeringen aan gehandicapte personen;3° het leefloon of de daarmee gelijkgestelde sociale tegemoetkoming;4° het gewaarborgd inkomen voor ouderen;5° de overlevings- en rustpensioensuitkeringen;6° de gezinstoelagen en het alimentatiegeld, met inbegrip van die ontvangen door de kinderen van de ondergebrachte personen.Die bedragen mogen evenwel enkel tot op twee derde in aanmerking genomen worden. Afdeling 7 - Sluiting

Art. 129.Als het bestuur voor de gevallen bedoeld in artikel 108, § 1, van het decreetgevend deel van het Wetboek een voorstel tot sluiting van een inrichting aan de Minister richt, wordt hem een verslag ter rechtvaardiging van de dringende sluiting gestuurd, samen met een recent inspectieverslag alsmede, in voorkomend geval, elk nuttig gegeven en document.

De Minister geeft de beheerder en de burgemeester onmiddellijk kennis van de beslissing tot sluiting.

Art. 130.Als het bestuur voor de gevallen bedoeld in artikel 108, § 2, van het decreetgevend deel van het Wetboek een voorstel tot sluiting van een inrichting aan de Minister richt, wordt de beheerder kennis van dat voorstel in kennis gesteld.

Laatstgenoemde wordt eveneens ingelicht over het feit dat hij over een termijn van 15 dagen beschikt om zijn schriftelijke opmerkingen aan het bestuur te richten.

Het dossier wordt door de afgevaardigde ambtenaar aangevuld met de schriftelijke opmerkingen van de beheerder.

Daartoe roept hij de vertegenwoordiger van de inrichting op bij ter post aangetekend schrijven of per brief afgegeven tegen ontvangstbewijs, met opgave van de plaats en het uur van het verhoor.

De oproeping vermeldt de mogelijkheid om zich door een raadsman te laten bijstaan.

De weigering te verschijnen of zijn verweermiddelen aan te voeren wordt in het proces-verbaal van verhoor geacteerd.

Het dossier wordt naar de beheerder gestuurd, eventueel aangevuld met elk bijkomend nuttig gegeven en stuk, samen met het proces-verbaal van verhoor.

De beheerder beschikt over een termijn van vijftien dagen om zijn schriftelijke opmerkingen te doen gelden vooraleer het dossier de Minister ter beslissing voorgelegd wordt.

Art. 131.Als de beheerder van een inrichting voornemens is de inrichting vrijwillig te sluiten, licht hij de Minister uiterlijk drie maanden vóór de sluiting daarover in. Afdeling 8 - Overgangsbepalingen

Art. 132.In afwijking van de artikelen 89 tot 91, 94 en 100 kan het personeel tewerkgesteld in een opvangtehuis of gemeenschapshuis dat niet over de vereiste titels beschikt, zijn activiteiten voortzetten na beslissing van de Minister. Als een subsidie wordt toegekend in het kader van de artikelen 94 en 100, wordt de subsidie die overeenkomt met de titel van de werknemer gehandhaafd tot het einde van zijn contract.

TITEL IV. - Schuldbemiddeling HOOFDSTUK I. - Instellingen voor schuldbemiddeling Afdeling 1 - Programmering

Art. 133.Behalve de instellingen bedoeld in artikel 127, § 2, van het decreetgevend deel van het Wetboek mag in elke gemeente één enkele instelling voor schuldbemiddeling erkend worden tenzij de gemeente al bediend wordt door een vereniging hoofdstuk XII geregeld bij de organieke wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten8 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of door een andere erkende instelling voor schuldbemiddeling, ingevolge een samenwerkingsverband op grond waarvan schuldbemiddeling gegarandeerd wordt aan de inwoners van bedoelde gemeente.

In afwijking van het eerste lid kunnen in de gemeenten met meer dan 30 000 inwoners bijkomende instellingen erkend worden naar rato van één instelling per aangesneden schijf van 30 000 inwoners boven de eerste schijf van 30 000 inwoners. Afdeling 2 - Erkenning

Onderafdeling 1 - Erkenningsprocedure A. Algemene beginselen

Art. 134.De aanvragen tot erkenning van de instellingen bedoeld in artikel 118 van het decreetgevend deel van het Wetboek worden bij aangetekend schrijven of middels een elektronisch formulier aan het bestuur gericht.

Art. 135.Het voorontwerp wordt ingediend in de vorm van een verklaring op erewoord waarvan het model door het bestuur opgemaakt wordt en aan de hand waarin de instelling volgende gegevens vermeldt : 1° haar benaming, zetel, duur, maatschappelijk doel;2° het bewijs van de beslissing waarbij het bevoegde orgaan van de instelling een schuldbemiddelingsactiviteit zal uitoefenen; 3° het bewijs van de verbintenis waarbij het bevoegde orgaan van de instelling zich zal houden aan de wettelijke en reglementaire bepalingen die van toepassing zijn op de instellingen voor schuldbemiddeling, o.a. inzake gespecialiseerd personeel en, in voorkomend geval, het sluiten van een overeenkomst op het leveren van juridische dienstverlening met een minimuminhoud zoals vastgelegd in bijlage 17; 4° het bewijs dat de functies bedoeld in artikel 7, 2°, van het decreet niet toegewezen worden aan personen die niet gemachtigd zijn krachtens deze bepaling en dat de leden van het leidend orgaan van de instelling en de personeelsleden die op grond van hun bevoegdheden rechtstreeks deelnemen in de uitoefening van de schuldbemiddelingsactiviteit niet ingedeeld zijn in één van de categorieën bedoeld in artikel 78 van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet;5° het bewijs van de gespecialiseerde opleiding van de personen bedoeld in artikel 121 van het decreetgevend deel van het Wetboek. Elke wijziging van de gegevens vervat in de verklaring op erewoord moet binnen vijftien dagen aan het bestuur meegedeeld worden.

Bij de erkenningsaanvraag worden ook de volgende stukken gevoegd : 1° een overzicht van de vastgestelde behoeften, van de middelen waarvan de aanwending overwogen wordt om daarop in te spelen en het activiteitsgebied dat normaal onder de instelling valt;2° de laatste goedgekeurde rekeningen van de instelling en een vermelding van de beschikbaarheid van de financiële middelen die nodig zijn voor de bezoldiging van de personen en diensten bedoeld in artikel 121 van het decreetgevend deel van het Wetboek.

Art. 136.Binnen dertig dagen na ontvangst van de erkenningsaanvraag bezorgt het bestuur de aanvrager hetzij een bericht van ontvangst als de aanvraag volledig is, hetzij een bericht waarbij hij erom verzocht wordt zijn aanvraag binnen 15 werkdagen aan te vullen. Hij wordt daarbij gewezen op de ontbrekende stukken en/of gegevens.

Bij gebrek aan bericht van ontvangst binnen de voorgeschreven termijnen wordt de aanvraag geacht volledig en regelmatig te zijn.

Art. 137.Het bestuur behandelt de aanvraag en maakt bedoelde aanvraag samen met zijn opmerkingen over aan de Minister binnen een termijn van 3 maanden na de indiening van de aanvraag zodra die volledig is.

De Minister beslist over de aanvraag binnen twee maanden na ontvangst van het dossier.

Art. 138.Indien beslist wordt de erkenning te weigeren of in te trekken, wordt daarvan aan de aanvrager bij aangetekend schrijven kennis gegeven.

Art. 139.De instellingen bedoeld in artikel 118 van het decreetgevend deel van het Wetboek richten om de vijf jaar, en voor het eerst in 2012, voor de maand april een omstandig activiteitenrapport aan het bestuur, met een overzicht van de activiteiten gevoerd in de loop van de laatste vijf jaar en de vooruitzichten voor de komende vijf jaar.

Dat activiteitenrapport wordt, in voorkomend geval samen met het advies van het bestuur, overgelegd aan de "Conseil wallon de l'Action sociale et de la Santé".

Art. 140.§ 1. Het bewijs van de gespecialiseerde opleiding bedoeld in artikel 121, eerste lid, 1°, van het decreetgevend deel van het Wetboek wordt geleverd middels een getuigschrift afgegeven na deelname aan een programma van minstens dertig uren theorielessen met betrekking tot volgende materies : 1° verbintenissenrecht;2° hypothecair krediet;3° verbruikskrediet; 4° geschil i.v.m. het niet betalen van schulden en middelen van tenuitvoerlegging; 5° methodologische aspecten van de schuldbemiddeling;6° collectieve schuldenregeling. Om het opleidingsprogramma af te sluiten, wordt minstens twee weken na de theorielessen minimum één dag aan het bestuderen van praktijkgevallen besteed. § 2. Het bewijs van de gespecialiseerde opleiding bedoeld in artikel 121, eerste lid, 2°, van het decreetgevend deel van het Wetboek wordt geleverd middels een getuigschrift afgegeven na deelname aan een programma van minstens 24 uren theorielessen met betrekking tot volgende materies : 1° de schuldbemiddeling : organisatorische, sociale, economische en relationele aspecten;2° collectieve schuldenregeling en bemiddeling van niet-gerechtelijke schulden : afbetalingsplannen en randproblemen;3° collectieve schuldenregeling : evolutie van de regelgeving en de rechtspraak;4° verbruikerskrediet : wettelijk kader en onderzoek van de afrekeningen;5° hypothecair krediet;wettelijk kader en onderzoek van de afrekeningen.

Art. 141.De maatschappelijk werkers waarvan sprake in artikel 121, eerste lid, 1°, van het decreetgevend deel van het Wetboek zijn houder van één van de volgende academische graden : 1° in het hoger niet-universitaire onderwijs met volledig leerplan, categorie maatschappelijke opleidingen : Maatschappelijk assistent, bachelor - Maatschappelijk assistent, maatschappelijk adviseur, bachelor - Maatschappelijk adviseur, gediplomeerde in studies met specialisatie in sociaal beheer, Master sociale engineering en welzijn;2° in het hoger niet-universitaire onderwijs met volledig leerplan, categorie economische opleidingen : Gegradueerde in de rechten, Bachelor in de rechten;3° in het universitair onderwijs, vakgebied maatschappelijke wetenschappen : Licentiaat in de sociologie, Licentiaat in de sociologie en de antropologie, richting sociologie, Licenciaat in het maatschappelijk werk, Master in Sociologie, Licenciaat Politieke en Economische Wetenschappen, Master in Economische en Sociale Wetenschappen;4° een buitenlands diploma hogere studies, evenwaardig aan één van voornoemde graden. De houders van één van bovenvermelde academische graden, vallend onder de categorie economie/hogescholen, hoger onderwijs economie/sociale promotie, onder het vakgebied rechten/universiteit, dienen het bewijs voor te leggen van een aanvullende vorming in verband met deontologie van het maatschappelijk werk en budgetbegeleiding.

Het gebruik van mannelijke namen voor de verschillende academische graden is gemeenslachtig voor een betere tekstleesbaarheid, niettegenstaande de bepalingen van het decreet van de Franse Gemeenschap van 21 juni 1993 betreffende de vervrouwelijking van de namen van beroep, ambt, graad of titel.

B. Specifieke modaliteiten voor privé-instellingen

Art. 142.Naast de gegevens bedoeld in artikel 135 toont de privé-instelling haar onafhankelijkheid t.o.v. personen of instellingen die een activiteit van kredietgever of -bemiddelaar uitoefenen krachtens de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet, en geeft de bedrijvigheidszetel op waarvoor de erkenning is aangevraagd.

C. Specifieke modaliteiten voor openbare centra voor maatschappelijk welzijn en voor verenigingen van openbare centra voor maatschappelijk welzijn

Art. 143.De openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de verenigingen van openbare centra voor maatschappelijk welzijn zijn vrijgesteld van de overlegging van de stukken bedoeld in artikel 135, derde lid, 2°. De openbare centra voor maatschappelijk welzijn moeten wel de notulen voorleggen van de vergadering van het overlegcomité bedoeld in artikel 26, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten8 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn m.b.t. de oprichting van de dienst voor schuldbemiddeling. Afdeling 3 - Subsidiëring

Onderafdeling 1 - Algemene beginselen

Art. 144.Voor de toepassing van deze afdeling moet worden verstaan onder : 1° behandeld dossier : elke aanvraag gericht aan de erkende instelling in de loop van het referentiejaar die het voorwerp heeft uitgemaakt van minstens één begrotingsanalyse (telling van de inkomens en lasten van de personen) en van een omstandig overzicht van de bestaande schulden, of elk dossier dat een aanzuiveringsplan bevat voor de schulden die in de loop van een jaar dat volgt op het jaar van de opening ervan het voorwerp heeft uitgemaakt van hetzij een herziening van het opgemaakte aanzuiveringsplan daar er rekening gehouden moest worden met een nieuw gegeven, hetzij geïndividualiseerde geschriften gericht aan de schuldeisers of aan derden en betreffende de uitvoering van het plan, hetzij regelmatige ontmoetingen met de schuldenaar in het kader van de begeleiding van de uitvoering van het plan; 2° voortgezette opleiding : elke andere opleiding dan de verplichte basisopleiding i.v.m. schuldbemiddeling; 3° gedecentraliseerde site : elke aangepaste plaats, met uitzondering van de hoofdzetel van de activiteit, waar de personen die om schuldbemiddeling verzoeken, zich kunnen melden voor een eerste gesprek of voor verdere gesprekken met het oog op de behandeling van hun dossier.

Art. 145.De instellingen bedoeld in artikel 128, § 1, eerste lid, van het decreetgevend deel van het Wetboek die op 1 januari van het referentiejaar erkend zijn, genieten op eigen verzoek een subsidie als tegemoetkoming in de personeels- en werkingskosten.

Een gemeente en haar openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn mogen in geen geval tegelijkertijd gesubsidieerd worden. Een gemeente of een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn hebben geen recht op subsidies indien ze lid zijn van een vereniging van gemeenten of van een vereniging van openbare centra voor maatschappelijk welzijn die op grond van dit hoofdstuk worden gesubsidieerd.

De personeels- en werkingskosten komen slechts in aanmerking voor een subsidie als ze niet worden gedekt door een andere financieringsbron.

Een instelling mag pas aanspraak maken op een subsidie als ze gedurende het referentiejaar minstens één dossier voor 1 000 inwoners heeft behandeld in het geval van een openbare instelling en minstens 30 dossiers in het geval van een privé-instelling.

Art. 146.De bedragen bedoeld in de artikelen 147 tot en met 153 zijn gekoppeld aan de gezondheidsindex, overeenkomstig de regels voorgeschreven bij de wet van 1 maart 153 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld.

Voor het eerst op één januari volgend op de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk en vervolgens jaarlijks op één januari wordt dat bedrag berekend door het aan te passen aan de rang van de laatste spilindex met als grondslag de koppelindex van de maand januari 2012.

Onderafdeling 2 - Forfaitair deel van de subsidiëring

Art. 147.Voor openbare instellingen is het forfaitaire deel van de subsidie afhankelijk van het bevolkingscijfer van het bediende grondgebied. Deze instellingen ontvangen een subsidie van 0,30 euro per inwoner.

Het bevolkingscijfer van de gemeenten is het in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakte officiële bevolkingscijfer op 1 januari van het referentiejaar.

Art. 148.Voor privé-instellingen bedraagt het forfaitaire deel van de subsidie 10.000 euro.

Onderafdeling 3 - Wisselend deel van de subsidiëring

Art. 149.Het wisselende deel van de subsidie bestaat uit de bedragen die voor het referentiejaar worden vastgesteld, met name : 1° een bedrag gekoppeld aan het aantal dossiers;2° een bedrag voor de voortgezette personeelsopleiding. 3° een bedrag gekoppeld aan de decentralisatie als het gaat om een vereniging hoofdstuk XII, om een intercommunale vereniging of om een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in een samenwerkingsverband met andere O.C.M.W.'s voor schuldbemiddeling en die aan schuldbemiddeling doet in één of meer gedecentraliseerde sites gelegen in een andere gemeente dan die waar de zetel van de vereniging of van het O.C.M.W. met de voortrekkersrol gevestigd is.

Het wisselend gedeelte wordt aangevuld met een bedrag dat afhankelijk is van de inrichting tijdens het subsidiejaar, door de instelling of op haar initiatief, van één of meerdere steungroepen ter voorkoming van een overmatige schuldenlast.

Art. 150.Het bedrag bedoeld in artikel 149, eerste lid, 1°, wordt vastgelegd op euro 70 per behandeld dossier.

Het op grond van het eerste lid bepaalde bedrag mag evenwel niet hoger zijn dan : 1° 21.000 euro voor de openbare instellingen die een grondgebied met minder dan 50 000 inwoners bedienen; 2° 35.000 euro voor de openbare instellingen die een grondgebied met minder 50 000 tot 150 000 inwoners bedienen en voor de privé-instellingen; 3° 70.000 euro voor de openbare instellingen die een grondgebied met meer dan 150 000 inwoners bedienen.

Art. 151.Het in artikel 149, eerste lid, 2°, bedoelde bedrag is gelijk aan 250 euro.

Als de erkende instelling meer dan twee voltijds equivalent personeelsleden aanstelt voor schuldbemiddeling, wordt dat bedrag tot 370 euro verhoogd.

Art. 152.Het bedrag bedoeld in artikel 149, eerste lid, 3°, is gelijk aan euro 1.000 per gedecentraliseerde actieve site, met een maximum van 3 sites.

Art. 153.Het bedrag bedoeld in artikel 149, tweede lid, wordt vastgelegd op 1.500 euro per steungroep voor de preventie van een overmatige schuldenlast die jaarlijks minstens vijf activiteiten organiseert. Elke instelling mage en steengroep oprichten met instemming van het bevoegde referentiecentrum. Als de bediende gemeente of groep van gemeenten meer dan 30 000 inwoners telt, kan een erkende instelling verschillende steungroepen oprichten naar rato van één groep per volledige schijf van 30 000 inwoners.

Onderafdeling 4 - Toekenningsmodaliteiten en -procedure

Art. 154.De subsidieaanvraag wordt uiterlijk 1 maart van het subsidiejaar ingediend per e-mail of middels een elektronisch formulier. Ze bevat de gegevens op grond waarvan het variabele gedeelte van de subsidie bepaald kan worden.

Art. 155.De subsidie is het voorwerp van een voorschot gelijk aan 70 % ervan, die geraamd wordt op grond van de gegevens verstrekt bij de aanvraag. Dat voorschot wordt betaald in de loop van het eerste semester van het subsidiejaar.

Art. 156.Het saldo van de subsidie wordt gedurende het jaar na het subsidiejaar uitbetaald, rekening houdende met het gestorte voorschot en na overlegging van de stukken die de personeels- en werkingsuitgaven voor het subsidiejaar bevestigen. De bewijsstukken moeten uiterlijk 30 april van het jaar na het subsidiejaar aan het bestuur worden overgemaakt HOOFDSTUK II. - Referentiecentra Afdeling 1 - Erkenning

Onderafdeling 1 - Toekenningsprocedure en -voorwaarden

Art. 157.De aanvragen tot erkenning van de referentiecentra worden bij aangetekend schrijven of middels een elektronisch formulier aan het bestuur gericht.

Art. 158.De erkenningsaanvraag wordt ingediend in de vorm van een verklaring op erewoord waarvan het model door het bestuur wordt opgemaakt en aan de hand waarvan de vereniging : 1° het bewijs levert dat het doel van de vereniging voorziet in acties inzake de bestrijding van overmatige schuldenlast;2° het getuigschrift waarmee bewezen wordt dat de maatschappelijk assistent een gespecialiseerde, in artikel 140, § 1, bedoelde opleiding heeft gevolgd en een ten minste vijfjarige beroepservaring in het maatschappelijk werk voorlegt;3° het bewijs levert van de indienstneming van een houder van een academische graad van licentiaat of master in de rechten die de opleiding bedoeld in artikel 140, § 2, gevolgd heeft;4° het bewijs levert dat de personeelsleden die op grond van hun bevoegdheden rechtstreeks deelnemen in de uitoefening van de schuldbemiddelingsactiviteit niet ingedeeld zijn in één van de categorieën vermeld in artikel 78 van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet; Elke wijziging van de gegevens vervat in de verklaring op erewoord moet binnen vijftien dagen aan het bestuur meegedeeld worden.

De beslissing van het bevoegde orgaan van de vereniging om de erkenning als referentiecentrum aan te vragen wordt eveneens bij de erkenningsaanvraag gevoegd.

Art. 159.Binnen dertig dagen na ontvangst van de erkenningsaanvraag bezorgt het bestuur de aanvrager hetzij een bericht van ontvangst als de aanvraag volledig is, hetzij een bericht waarbij hij erom verzocht wordt zijn aanvraag binnen de twee maanden aan te vullen.

Bij gebrek aan bericht van ontvangst binnen de voorgeschreven termijnen wordt de aanvraag geacht volledig en regelmatig te zijn.

Art. 160.Het bestuur behandelt de aanvraag en maakt bedoelde aanvraag samen met zijn opmerkingen over aan de Minister binnen een termijn van 3 maanden na de indiening van de aanvraag zodra die volledig is.

De Minister beslist over de aanvraag binnen twee maanden na ontvangst van het dossier.

Onderafdeling 2 - Procedure en voorwaarden voor de weigering of de intrekking

Art. 161.Indien beslist wordt de erkenning te weigeren of in te trekken, wordt daarvan bij aangetekend schrijven kennis gegeven aan de aanvrager.

Art. 162.De erkenning kan worden ingetrokken omdat de artikelen 118 tot en met 130 en 694 van het decreetgevend deel van het Wetboek niet worden nageleefd. Afdeling 2 - Subsidiëring

Onderafdeling 1 - Soorten subsidies A. Subsidies voor personeelskosten

Art. 163.De personeelsuitgaven van een referentiecentrum worden in aanmerking genomen om de prestaties van de leden van het team bedoeld in artikel 128, § 2, vierde lid, 2° en 3°, van het decreetgevend deel van het Wetboek en van een administratief beambte ten laste te nemen.

De subsidie die betrekking heeft op een academische graad van licentiaat of master in de rechten geldt voor een voltijdse betrekking.

De personeelsuitgaven bedoeld in het eerste lid worden enkel in aanmerking genomen met inachtneming van de weddeschalen opgegeven in de bijlagen 15.

De personeelsuitgaven bedoeld in het eerste lid worden vermeerderd met de sociale werkgeversbijdragen berekend op grond van de weddeschalen bedoeld in het vorige lid.

De personeelsleden kunnen een dienstanciënniteit toegekend krijgen voor de nuttige ervaring die ze in hun betrekking verworven hebben.

De geldelijke anciënniteit van het personeel van de referentiecentra wordt berekend overeenkomstig de algemene principes van het overheidspersoneel van de plaatselijke en provinciale openbare besturen.

B. Subsidies voor werkingskosten

Art. 164.De werkingskosten van de referentiecentra worden in aanmerking genomen voor een bedrag van 10.000 euro, verhoogd met 0,04 euro/inwoner van het/de provinciegedeelte(n) bediend door een centrum, waarbij het totaalbedrag niet hoger mag zijn dan 35.000 euro.

In het kader van het beleid voor de preventie van overmatige schuldenlast en van de begeleiding van de steungroepen voor de preventie van overmatige schuldenlast worden de personeels- en werkingsuitgaven van de referentiecentra in aanmerking genomen ten belope van euro 40.000/jaar.

De referentiecentra mogen voor het overige de verplaatsingskosten van hun personeelsleden voor de diensten verstrekt ten gunste van de erkende instellingen voor schuldbemiddeling aan deze instellingen factureren.

Art. 165.De bedragen bedoeld in artikel 164 zijn gekoppeld aan de gezondheidsindex, overeenkomstig de regels voorgeschreven bij de wet van 1 maart 1977Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten4 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Voor het eerst op één januari volgend op de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk en vervolgens jaarlijks op één januari wordt dat bedrag berekend door het aan te passen aan de rang van de laatste spilindex met als grondslag de koppelindex van de maand januari 2012.

Onderafdeling 2 - Toekenningsmodaliteiten

Art. 166.De personeels- en werkingskosten betreffende het subsidiejaar zijn het voorwerp van twee halfjaarlijkse voorschotten gelijk aan 40 % van de subsidie geschat op grond van de uitgaven betreffende het vorige jaar.

Voor het eerste jaar waarin de subsidie wordt toegekend aan de referentiecentra, wordt elk halfjaarlijks voorschot evenwel vastgelegd op telkens 80.000 euro.

Art. 167.De subsidie wordt jaarlijks uitbetaald op grond van een definitieve berekening waarin ook rekening wordt gehouden met de reeds gestorte halfjaarlijkse subsidies.

Art. 168.Het erkende referentiecentrum dat de boekhoudkundige gegevens van het voorafgaande boekjaar uiterlijk 30 april niet aan de Regering heeft overgemaakt, krijgt voor het lopende jaar geen voorschotten meer zolang de gegevens niet zijn toegestuurd. HOOFDSTUK III. - "Observatoire du crédit et de l'endettement " (Waarnemingscentrum Krediet en Schuldenlast) Afdeling 1 - Erkenning

Art. 169.Het in Charleroi gevestigde " Observatoire du Crédit et de l'Endettement " wordt op eigen aanvraag erkend door de Minister indien de hierna vermelde vereisten worden nageleefd : 1° de vorm aannemen van een vereniging zonder winstoogmerk en zijn maatschappelijke zetel in Charleroi gevestigd hebben;2° over een raad van bestuur beschikken met minstens : a) twee vertegenwoordigers aangewezen door de Waalse Regering;b) één vertegenwoordiger van de Federatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;c) 2 vertegenwoordigers van het bankwezen of de bedrijfswereld;d) twee vertegenwoordigers uit verbruikersverenigingen;e) drie vertegenwoordigers uit instellingen die aan schuldbemiddeling doen of uit de referentiecentra;3° over een team beschikken bestaande uit minstens : a) één universitair gediplomeerde directeur;b) één doctor of licentiaat in de rechten;c) één licentiaat in de economische wetenschappen;d) één gegradueerde die afgestudeerd is in een juridische, economische of bestuurskundige studierichting;4° het protocol verstrekken van de deliberatie die in het bevoegde orgaan van de vereniging heeft plaatsgehad en waarin de verbintenis opgenomen is om de opdrachten toegewezen krachtens artikel 130 van het decreetgevend deel van het Wetboek na te leven;5° de Minister kennis geven van elke wijziging aangebracht in de statuten en in de samenstelling van de Raad van bestuur.

Art. 170.De erkenningsaanvraag wordt bij aangetekend schrijven gericht aan de Minister, die zich uitspreekt binnen twee maanden. De erkenning wordt verleend voor een onbepaalde periode.

Indien de opdrachten toegewezen bij Titel 3 van Boek 1 van het tweede deel van het decreetgevend deel van het Wetboek of de voorwaarden bedoeld in artikel 169 niet worden vervuld, kan de erkenning worden ingetrokken. Afdeling 2 - Subsidiëring

Onderafdeling 1 - Soorten subsidies A. Subsidies voor personeelskosten

Art. 171.De personeelsuitgaven van het " Observatoire du Crédit et de l'Endettement " worden in aanmerking genomen om de prestaties van het team bedoeld in artikel 169, 3°, ten laste te nemen.

De personeelsuitgaven bedoeld in vorig lid worden enkel in overweging genomen op grond van de weddenschalen bedoeld in artikel 15 en rekening gehouden met de regels betreffende de evaluatie van het personeel van het "Observatoire du Crédit et de l'Endettement" omstandig aangegeven in bijlage 16.

De personeelsuitgaven bedoeld in het eerste lid worden vermeerderd met de sociale werkgeversbijdragen berekend op grond van de weddeschalen bedoeld in het vorige lid.

De personeelsleden kunnen een dienstanciënniteit toegekend krijgen voor de nuttige ervaring die ze in hun betrekking verworven hebben.

Daarnaast kan aan het personeel van het "Observatoire" een geldelijke anciënniteit toegekend worden overeenkomstig het besluit van de Waalse Regering van 18 december 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/04/1965 pub. 02/08/2010 numac 2010000404 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten9 houdende de Waalse Ambtenarencode.

B. Subsidies voor werkingskosten

Art. 172.§ 1. De werkingskosten voor de opdrachten van het "Observatoire" worden in aanmerking genomen voor zover ze niet meer dan euro 100.000 per jaar bedragen. Deze kosten dienen o.a. om de organisatie van de basis- en voortgezette opleidingen te dekken volgens een met de Minister overeengekomen programma. Wat betreft de subsidies voor de opleidingen, wordt de toekenning onderworpen aan de overlegging van een voorbegroting en van een door de Minister goedgekeurde activiteitenprogramma. § 2. Er wordt een subsidie van jaarlijks 80.000 euro toegekend als bijdrage in de personeels- en werkingskosten in verband met de bijwerking, het beheer en de moderatie van het deel dat verband houdt met het voorkomen van overmatige schuldenlast en het krediet van het elektronisch portaal ontwikkeld door het Waalse Gewest.

Art. 173.De bedragen bedoeld in artikel 172 zijn gekoppeld aan de gezondheidsindex, overeenkomstig de regels voorgeschreven bij de wet van 1 maart 1977Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten4 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Voor het eerst op één januari volgend op de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk en vervolgens jaarlijks op één januari wordt dat bedrag berekend door het aan te passen aan de rang van de laatste spilindex met als grondslag de koppelindex van de maand januari 2012.

Onderafdeling 2 - Toekenningsmodaliteiten

Art. 174.De personeels- en werkingskosten betreffende het subsidiejaar zijn het voorwerp van twee halfjaarlijkse voorschotten gelijk aan 40 % van de subsidie geschat op grond van de uitgaven betreffende het vorige jaar.

Art. 175.De subsidie wordt jaarlijks uitbetaald op grond van een definitieve berekening waarin ook rekening wordt gehouden met de reeds gestorte halfjaarlijkse subsidies.

Art. 176.Indien het " Observatoire du Crédit et de l'Endettement " of de referentiecentra hun boekhoudgegevens m.b.t. tot het voorgaande boekhoudjaar niet aan de Regering hebben medegedeeld tegen uiterlijk 30 april, wordt er geen enkel voorschot meer gestort voor het lopende jaar zolang de gegevens niet zijn medegedeeld. HOOFDSTUK IV. - Controle en bekendmaking

Art. 177.De administratieve en financiële controle op de erkende instellingen voor schuldbemiddeling, de erkende referentiecentra en het "Observatoire du Crédit et de l'Endettement" wordt door de ambtenaren van het bestuur uitgeoefend.

In het kader van deze controle kan het bestuur de instelling verzoeken om de overlegging van de nodige stukken en bewijzen die niet zijn overlegd in het kader van de erkenningsaanvraag.

Art. 178.Het erkende referentiecentrum stelt jaarlijks een activiteitenverslag op waarmee gecontroleerd kan worden of de bepalingen van de artikelen 118 tot en met 130 en artikel 694 van het decreetgevend deel van het Wetboek en de bepalingen genomen in uitvoering ervan worden nageleefd. Dat verslag wordt uiterlijk tegen 30 april van het daarop volgende jaar overgemaakt.

Art. 179.Van alle beslissingen in verband met de toekenning, de weigering of de intrekking van een erkenning van een instelling voor schuldbemiddeling en een referentiecentrum wordt een afschrift betekend aan de federale Minister bevoegd voor Economische Zaken.

Art. 180.De lijst van de instellingen voor schuldbemiddeling en de referentiecentra wordt door het bestuur bijgehouden. HOOFDSTUK V. - Coördinatiecomité voor acties ter voorkoming en bestrijding van overmatige schuldenlast

Art. 181.Overeenkomstig artikel 130/1 van het decreetgevend deel van het wetboek bestaat het comité voor de coördinatie van de acties ter voorkoming en bestrijding van overmatige schuldenlast uit de volgende leden : 1° een vertegenwoordiger van de Minister van sociale actie, die er het voorzitterschap van waarneemt;2° een vertegenwoordiger van het « Observatoire du Crédit et de l'Endettement (Waarnemingscentrum krediet en schuldenlast) », die er het secretariaat van waarneemt;3° een vertegenwoordiger van elk referentiecentrum;4° een vertegenwoordiger van het Operationeel directoraat-generaal Sociale Actie en Gezondheid. De leden van dat comité kunnen in onderlinge overeenstemming beslissen om elke persoon te aanvaarden die beschikt over specifieke kennissen inzake schuldenoverlast en die debatten kan leiden.

Het coördinatiecomité dient voor de bespreking en de coördinatie van de acties die op het terrein gevoerd worden door de referentiecentra, het « Observatoire du Crédit ou de l'Endettement » of de erkende instellingen ». HOOFDSTUK VI. - Overgangsmaatregel

Art. 182.De sociaal verpleegkundigen, in dienst genomen voor 1 januari 2014 in de hoedanigheid van schuldbemiddelaars in een schuldbemiddelingsdienst overeenkomstig het koninklijk besluit van 9 maart 1977 tot vaststelling van de benoemingsvoorwaarden voor de maatschappelijke werkers in de openbare centra voor maatschappelijk welzijn worden beschouwd als de voorwaarden inzake diploma's te vervullen zoals bepaald in artikel 141, eerste lid.

TITEL V. - Centra voor maatschappelijk werk HOOFDSTUK I. - Begripsomschrijvingen en opdrachten

Art. 183.Voor de toepassing van deze titel dient onder Centrum voor maatschappelijk werk een centrum te worden verstaan dat, volgens de methodes van het beroepsmatig uitgeoefend maatschappelijk werk aan de personen en de gezinnen die erom verzoeken, sociale en psycho-sociale hulp biedt met het doel de kritieke situaties die hun ontwikkeling belemmeren te overwinnen of te verbeteren.

Het Centrum draagt vooral zorg voor : 1° alleenstaande personen;2° gezinnen die in hun normale ontwikkeling belemmerd worden door één of meer van hun leden;3° gezinnen die ontredderd zijn door de afwezigheid of het wegvallen van één van de leden.

Art. 184.Het Centrum voor maatschappelijk werk heeft als opdracht : 1° binnen een plaatselijke gemeenschap de eerste opvang op zich nemen van personen en gezinnen die in een kritieke situatie verkeren;2° samen met de betrokkenen erin slagen om hun sociale moeilijkheden duidelijker te formuleren;3° de sociale instellingen en voorzieningen door informatie in het gezichtsveld te brengen van de betrokkenen en dezen zo nodig te verwijzen naar meer gespecialiseerde instellingen of naar personen die ervoor bevoegd zijn specifieke kritieke situaties weg te werken, waarbij in samenwerking met die instellingen en personen bij beide laatstgenoemden geïntervenieerd wordt;4° personen en gezinnen inzover nodig te begeleiden met het doel hen beter te integreren in hun leefmilieu en meer actief te doen deelnemen aan het leven van dit milieu;5° de bevoegde instanties opmerkzaam te maken op de problemen en gebreken in de samenleving.

Art. 185.De Minister kan de Centra voor maatschappelijk werk erkennen onder de voorwaarden bepaald in deze titel. HOOFDSTUK II. - Erkenning Afdeling 1 - Toekenningsvoorwaarden

Art. 186.Om erkend te worden, moet het Centrum voor maatschappelijk werk aan de volgende voorwaarden voldoen : 1° hetzij de vorm hebben aangenomen van een vereniging zonder winstoogmerk, die de in artikel 1984 bepaalde opdracht als uitsluitende doelstelling heeft, hetzij opgericht zijn door een landsbond of een ziekenfonds zoals bepaald bij de wet van 6 augustus 1990Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten1 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen;2° ten minste drie geschoolde beroepskrachten met voltijdse prestaties in dienst hebben die houder zijn van een diploma van maatschappelijk assistent(e) voorzien bij de wet van 12 juni 1945 of van een diploma van gegradueerde socia(a)l(e) verple(e)g(st)er voorzien bij het koninklijk besluit van 17 augustus 1957, gewijzigd door het koninklijk besluit van 11 juli 1960, of houder van een titel die in toepassing van artikel 25, 3°, van bovenvermeld besluit hiermee gelijkwaardig werd verklaard, of titularis zijn van een hiermee gelijkwaardig verklaard buitenlands diploma. Twee van de drie vereiste voltijdse betrekkingen mogen evenwel uitgeoefend worden door meerdere halftijds tewerkgestelde beroepskrachten. Ten minste de helft van de tewerkgestelde geschoolde beroepskrachten van het Centrum moet houder zijn van een diploma van maatschappelijk assistent(e); 3° over een centraal secretariaat en één of meerdere consultatiebureaus beschikken;4° permanent aanwezig zijn gedurende tien uur per week voor iedere gelijkwaardige voltijdse werknemer in acht genomen voor de toepassing van artikel 193, lid 2. Dit aantal uren mag verdeeld worden over de verschillende consultatiebureaus. Deze onthaaldienst wordt waargenomen door geschoolde beroepskrachten, in de zin van punt 2° van dit artikel, die al dan niet deel uitmaken van het aantal geschoolde beroepskrachten die in aanmerking komen voor de toekenning van de toelagen.

Deze wekelijkse onthaaldienst moet minstens tijdens 44 weken per jaar beschikbaar zijn; 5° op de verschillende plaatsen waar de zittingen en raadplegingen plaatsvinden over een voldoende uitrusting beschikken om zijn opdracht doelmatig en discreet te volbrengen.De wachtkamer en de spreekkamer dienen van elkaar gescheiden te zijn; 6° open staan voor alle personen ongeacht hun ideologische, filosofische of godsdienstige overtuiging, (hun nationaliteit en zonder dat er een lidmaatschap van het Centrum voor maatschappelijk werk kan worden geëist;7° vooraf gedurende ten minste zes maanden de in artikel 2 bepaalde activiteiten uitgeoefend hebben, hetzij met ten minste één voltijds bezoldigde beroepskracht zoals bepaald in 2° van dit artikel, hetzij met twee of meerdere halftijds bezoldigden van deze beroepskrachten. Afdeling 2 - Procedure

Art. 187.Het Centrum voor maatschappelijk werk dient zijn aanvraag om erkenning in bij de Minister door middel van een aangetekende brief, met bijvoeging van : 1° stukken waaruit de rechtspersoonlijkheid van de aanvragende instelling blijkt;2° een verslag over de werkzaamheden van het Centrum tijdens de zes maanden die de aanvraag voorafgaan;3° de afschriften van de diploma's van de beroepskrachten bedoeld in artikel 186, 2° ;4° een afschrift van de samenvattende opgave van de uitbetaalde bezoldigingen.

Art. 188.De erkenning van de Centra voor maatschappelijk werk wordt door de Minister toegekend of geweigerd op basis van een verslag van zijn inspectiediensten.

Deze beslissing wordt aan het betrokken Centrum voor maatschappelijk werk medegedeed bij aangetekend schrijven.

De weigering van de erkenning moet met redenen omkleed zijn. Het Centrum heeft het recht een nieuwe aanvraag in te dienen wanneer de redenen voor de weigering niet meer bestaan. Afdeling 3 - Opschorting, intrekking

Art. 189.De erkenning kan geschorst worden door de Minister indien een van de in artikel 186 bedoelde voorwaarden niet wordt nageleefd, indien een van de in artikel 196 of hoofdstuk 4 bedoelde verplichtingen niet wordt vervuld of indien het Centrum of een van zijn personeelsleden een ernstige onregelmatigheid heeft begaan.

De schorsing heeft tot gevolg dat de betaling van de in artikel 195 bedoelde voorschotten uitgesteld wordt.

Ze neemt een einde zodra de Minister door bemiddeling van een ambtenaar bedoeld in artikel 197 vaststelt dat het Centrum nu zijn verplichtingen wel naleeft of dat het de onregelmatigheid en de gevolgen ervan rechtgezet heeft en dat de nodige maatregelen getroffen werden om de herhaling ervan te voorkomen.

Art. 190.De erkenning kan door de Minister ingetrokken worden indien : 1° de inlichtingen verstrekt overeenkomstig artikel 187 onjuist blijken;2° het Centrum de opdracht bedoeld in artikel 184 niet vervult;3° het Centrum de toestand niet rechtzet binnen een termijn van drie maanden vanaf de schorsing van de erkenning.

Art. 191.Alvorens over te gaan tot de schorsing of de intrekking van de erkenning zal de Minister of diens afgevaardigde een gemotiveerd aangetekend schrijven aan het Centrum richten waarin hij kennis geeft van zijn voornemen tot schorsing of intrekking. Het Centrum beschikt dan over een termijn van één maand om zijn standpunt bekend te maken; zodra die termijn verstreken is, kan de Minister een beslissing nemen.

Art. 192.Het Centrum wordt per aangetekend schrijven in kennis gesteld van de schorsing van de erkenning, de intrekking van de erkenning en de vaststelling van het einde van de schorsing. HOOFDSTUK III. - Subsidiëring

Art. 193.Binnen de perken van de begrotingskredieten kan de Minister aan de erkende Centra voor maatschappelijk werk toelagen toekennen die bestemd zijn om, althans gedeeltelijk, de loonkosten van de geschoolde beroepskrachten bedoeld in artikel 186, 2°, en de werkingskosten van de Centra, althans gedeeltelijk, te dekken.

Daartoe bepaalt hij op het ogenblik van de erkenning en kan hij daarna bepalen, al naar gelang de behoeften, het aantal geschoolde beroepskrachten waarmee rekening wordt gehouden voor het toekennen van de toelagen.

Art. 194.§ 1. De toelagen bedoeld in vorig lid bestaan uit : 1° een jaarlijkse forfaitaire toelage van 21.565,50 euro per geschoolde beroepskracht met volledige dagtaak.

Voor de geschoolde beroepskrachten met driekwart of halftijdse dagtaak staat het bedrag van de toelage in verhouding tot de duur van hun prestaties.

Overeenkomstig het raamakkoord voor de Waalse niet-commerciële sector gesloten op 16 mei 2000 wordt het bedrag van de jaarlijkse forfaitaire subsidie verhoogd met : 2.799 euro vanaf 1 januari 2005;

Een aanvullende jaarlijkse forfaitaire toelage van 5.113 euro wordt aan de Centra verleend die in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk zijn opgericht en die wegens hun organisatie niet geacht kunnen worden tot een landsbond of een verbond van ziekenfondsen te behoren zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen; 2° een jaarlijkse forfaitaire werkingstoelage die vastgesteld wordt als volgt : a) 3.123,27 euro voor elk van de drie voltijds uitgeoefende ambten, overeenkomstig de bepalingen van artikel 186, 2° ; b) 1.561,65 euro voor elk van de andere geschoolde beroepskrachten met volledige dagtaak; c) 1.171,22 euro voor elk van de andere geschoolde beroepskrachten met 3/4 dagtaak; d) 780,49 euro voor elk van de andere geschoolde beroepskrachten met halve dagtaak. De bedragen die dienen voor de berekening van de jaarlijkse forfaitaire werkingstoelage worden verdubbeld voor de Centra die de vorm van een vennootschap zonder winstoogmerk hebben aangenomen en die wegens hun organisatie niet kunnen worden beschouwd als toebehorend tot een landsbond of een ziekenfonds zoals bepaald bij de wet van 6 augustus 1990Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten1 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen. § 2. De bedragen vermeld in § 1 van dit artikel worden berekend op grond van (het spilindexcijfer 124,34 (basis 1988) van het indexcijfer der consumptieprijzen toepasselijk op de bezoldigingen van het Rijkspersoneel waarvan de rangenschaal van de spilindexen voor de eerste keer bepaald werd op 1 januari 1990.

Op de eerste januari van elk jaar, worden deze bedragen opnieuw berekend met een aanpassing ervan op de rang van de laatste bereikte spilindex.

De overdrachten of schorsingen van de indexering die eigen zijn aan de bezoldigingen van het Rijkspersoneel zijn desgelijks van toepassing. § 3. Met verwijzing naar het drieledige raamakkoord van 28 februari 2007 voor de Waalse privé non-profitsector 2007-2009, goedgekeurd door de Waalse Regering op 1 maart 2007, wordt aan de erkende Centra voor maatschappelijk werk per voltijds equivalent een jaarlijkse forfaitaire som van 445,82 euro toegekend als tegemoetkoming in de kost van de bijkomende indienstneming als gevolg van de toekenning van 3 bijkomende verlofdagen. Dat bedrag is gekoppeld aan de spilindex 110,51 (basis 2004) en aan de schommelingen van de prijzenindex (gezondheidsindex), overeenkomstig de regels voorgeschreven bij de wet van 1 maart 1977Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten4 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Dat bedrag wordt jaarlijks op 1 januari herberekend door het aan te passen aan de spilindex die voor het laatst bereikt is.

Art. 195.De Minister kan aan de erkende Centra voorschotten toekennen waarvan het bedrag niet hoger mag zijn dan 80 pct. van het bedrag van de te voorziene toelagen voor het lopende jaar.

Deze voorschotten, berekend op grond van de bepalingen verstrekt bij toepassing van artikel 196 worden vereffend met trimestriële schijven van maximum 20 pct.

Art. 196.De Centra zijn ertoe gehouden : 1° ieder jaar een aanvraag in te dienen overeenkomstig de richtlijnen die hieromtrent door de Minister worden vastgesteld;2° alle wijzigingen van de statuten en van de personeelsbezetting van het Centrum onmiddellijk, per aangetekend schrijven, ter kennis te brengen van de administratie; 3° een specifieke boekhouding te houden wanneer ze niet onder vorm van een V.Z.W. opgericht zijn; 4° zich te onderwerpen aan de controle ter zake van de daartoe bevoegde ministeriële diensten die inzonderheid uitgeoefend wordt op grond van het bijgehouden dagboek met beknopte omschrijving van het werk van het personeel.De Minister mag het gebruik van een modeldagboek opleggen; 5° ieder jaar, vóór 1 april van het jaar dat volgt op het dienstjaar, volgende bescheiden betreffende de werking van het Centrum voor maatschappelijk werk voor te leggen aan de administratie : a) een jaarverslag betreffende de activiteiten;b) een jaarlijkse staat van inkomsten en uitgaven, goedgekeurd door de bevoegde organen alsook een begrotingsontwerp voor het volgende werkingsjaar, welk jaar het burgerlijk jaar is;c) een afschrift van de loonkaarten van de geschoolde beroepskrachten die in aanmerking komen voor de toekenning van een toelage. HOOFDSTUK IV. - Controle

Art. 197.De ambtenaren en de leden van de inspectiedienst die door de Minister zijn aangewezen om toezicht te houden over de krachtens deze titel erkende centra, hebben vrije toegang tot de lokalen en de nodige faciliteiten moeten hen worden toegestaan voor het toezicht op alle administratieve stukken.

De Centra worden ertoe gehouden op hun aanvraag alle inlichtingen waarover ze beschikken en met betrekking tot de toepassing van deze titel, te verstrekken, onverminderd het beroepsgeheim ten opzichte van de personen waaraan de hulp wordt verleend door het Centrum.

Art. 198.De Centra zijn er ook toe gehouden op de straatgevel een bericht aan te plakken waarop het bestaan van het Centrum en de uren van de hulpverlening, alsook de plaats waar de raadpleging plaatsvindt, vermeld staan. HOOFDSTUK V. - Overgangsbepaling

Art. 199.De Centra voor maatschappelijk werk erkend vóór 1 januari 1986 worden geacht erkend te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze titel.

TITEL VI. - Diensten voor hulpverlening aan rechtsonderhorigen HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling

Art. 200.De erkende dienst, " dienst " genoemd, draagt de benaming " Service d'aide sociale aux justiciables" (Dienst voor hulpverlening aan rechtsonderhorigen) van het arrondissement ..., gevolgd door de naam van het arrondissement waarop de betrokken erkenning van toepassing is en, in voorkomend geval, door een Romeins cijfer ter aanduiding van de dienst wanneer meerdere erkenningen zijn afgeleverd voor éénzelfde arrondissement. HOOFDSTUK II. - Erkenning Afdeling 1 - Toekenningsvoorwaarden

Onderafdeling 1 - Voorwaarden betreffende het personeel

Art. 201.Het gesubsidieerde personeel dat in het erkende centrum tewerkgesteld is, voldoet aan de volgende kwalificatievoorwaarden : 1° wat betreft de psycholoog, houder zijn van een licentiaatsdiploma psychologie;2° wat betreft de maatschappelijk werker, houder zijn van een diploma maatschappelijk assistent, maatschappelijk hulpwerker, assistent psychologie of opvoeder, afgeleverd door het pedagogisch of maatschappelijk hoger onderwijs van ten minste het korte type, met volledig leerplan of in het kader van de sociale promotie;3° wat betreft de coördinator, licentiaat zijn op het vlak van de sociale of menswetenschappen zoals bedoeld in artikel 3, § 1, 1°, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 5 september 1994 tot regeling van de universitaire studies en de academische graden, inzonderheid in de rechtsgeleerdheid, de criminologie, de psychologie, de opvoedkunde of de sociale wetenschappen.Die kwalificatie is eveneens vereist voor het personeelslid dat houder is van een licentiaatsdiploma in het domein van de sociale of menswetenschappen bedoeld in artikel 213, 3°.

De coördinatiefunctie kan worden uitgeoefend door het personeelslid dat houder is van een licentie op het gebied van de sociale of menswetenschappen bedoeld in artikel 213, 2° en 3°.

Art. 202.De psycholoog, de persoon die houder is van een licentiaatsdiploma op het vlak van de sociale of de menswetenschappen en de maatschappelijk werker volgen een opleiding die verband houdt met de opdrachten bedoeld bij de artikelen 135 tot en met 137 van het decreetgevend deel van het Wetboek of genieten minstens dertig uur per week een begeleidend toezicht.

Art. 203.De coördinator belegt ten minste één keer om de twee maanden een overlegvergadering met de personeelsleden die de opdrachten bedoeld bij de artikelen 135 tot en met 137 van het decreetgevend deel van het Wetboek uitvoeren.

Die overlegvergaderingvergadering dient met name voor : 1° de behandeling en de doorverwijzing van de aanvragen die door verschillende personeelsleden of door een beter aangepaste externe dienst behandeld kunnen worden;2° de coördinatie van de actie van de personeelsleden;3° de opvolging van de evolutie van de ten laste genomen personen.4° de evaluatie van het project van de dienst. Onderafdeling 2 - Voorwaarden met betrekking tot de inrichting van de lokalen

Art. 204.In de dienst zijn er minstens een wachtkamer en spreekkamers ingericht die beantwoorden aan de opdrachten.

Er is een scheiding voorzien tussen de lokalen die voorzien zijn enerzijds voor de opvang van de slachtoffers en anderzijds voor de inverdenkinggestelden, de veroordeelden en de ex-gedetineerden.

Art. 205.Het vertrouwelijk karakter van de gesprekken moet door de inrichting van de lokalen gewaarborgd worden.

Onderafdeling 3 - Voorwaarden met betrekking tot de inrichting van permanente dienstverlening

Art. 206.Er wordt in een dienstwaarneming voorzien van een halve dag per week voor elk voltijds personeelsequivalent.

Er kunnen afspraken worden gemaakt tijdens de dienstwaarnemingsuren. Afdeling 2 - Toekenningsprocedure

Art. 207.§ 1. De aanvraag tot erkenning wordt bij ter post aangetekend schrijven aan de administratie gericht. Een afschrift wordt aan de Minister overgemaakt.

Naast de gegevens vereist bij artikel 140, tweede lid, van het decreetgevend deel van het Wetboek houdt het aanvraagdossier het volgende in : 1° de identiteit en de personalia van de persoon die de dienst vertegenwoordigt;2° het adres van de dienst;3° naam, titels, diploma's en functies van de personeelsleden;4° een afschrift van de arbeidsovereenkomsten die met de personeelsleden gesloten zijn en van de overeenkomsten die met de vrijwilligers gesloten zijn;5° de vermelding van het gerechtelijk arrondissement dat door het centrum bediend wordt;6° de vermelding van de andere eventuele bronnen van overheidssubsidiëring die het centrum geniet, ongeacht de bestuurslaag;7° de dagen en de uren waarop de dienst open is;8° de plattegrond plan van de lokalen;9° een nota waarin een omstandige omschrijving wordt gemaakt van : a) de behoeften en de problematische toestanden die vastgesteld worden in het arrondissement waarin de dienst zijn in titel V van Boek 1 van het tweede deel van het decreetgevend Wetboek bedoelde opdrachten wenst uit te oefenen, rekening houdend met de bestaande structuren, met het belang van de verschillende bevolkingsgroepen die welzijnswerk nodig hebben, met de bestaande voorzieningen voor samenwerking met de verschillende actoren die bevoegd zijn voor hulpverlening en met de initiatieven die uitgaan van de plaatselijke bestuurlijke en rechterlijke macht;b) de noodzakelijkheid van de dienst, diens doelstellingen en het type hulpverlening dat wordt voorgesteld, de uit te bouwen voorzieningen voor samenwerking met de verschillende actoren die bevoegd zijn voor hulpverlening, evenals de planning van diens functionering met het oog op de verwezenlijking ervan;10° het huishoudelijk reglement; § 2. De dienst richt om de vijf jaar,voor het eerst in 2012, voor de maand april een uitvoerig activiteitenrapport aan de administratie, met een overzicht van de activiteiten gevoerd in de loop van de laatste vijf jaar, waaronder een nota met de evolutie en de veranderingen die zich in het arrondissement voorgedaan hebben, en de vooruitzichten voor de komende vijf jaar.

Dat activiteitenrapport wordt, in voorkomend geval samen met het advies van het bestuur, overgelegd aan de "Conseil wallon de l'action sociale et de la santé".

Art. 208.§ 1. De administratie stuurt een bericht van ontvangst naar de aanvrager binnen tien dagen na ontvangst van de aanvraag. § 2. De administratie controleert of de aanvraag volledig is en vraagt indien nodig de ontbrekende stukken of gegevens bij de aanvrager op.

Als het dossier volledig is, stuurt ze onmiddellijk een schrijven naar de inrichting om haar daarop te wijzen.

Art. 209.De Minister beslist over de aanvraag binnen twee maanden te rekenen van de ontvangst van het voorstel van de administratie.

Van de beslissing wordt kennis gegeven aan de aanvrager bij ter post aangetekend schrijven. Afdeling 3 - Intrekkingsprocedure

Art. 210.Als de Minister het voornemen heeft de erkenning van een dienst in te trekken, geeft hij daarvan kennis bij per post aangetekend schrijven. Het voorstel tot intrekking vermeldt de motieven op grond waarvan ze gerechtvaardigd wordt.

De dienst beschikt met ingang van de datum van ontvangst van het voorstel tot intrekking over een termijn van dertig dagen om zijn schriftelijke opmerkingen aan de Minister te richten.

Art. 211.De Minister legt zijn voorstel tot intrekking en de opmerkingen van de dienst ter advies voor aan de "Commission wallonne de l'Action sociale" binnen de maand na ontvangst ervan of na afloop van de termijn bedoeld in artikel 210, tweede lid.

Art. 212.De Minister beslist binnen de maand na ontvangst van het advies van de Commissie.

Het besluit wordt bij ter post aangetekend schrijven aan de dienst meegedeeld. HOOFDSTUK III. - Subsidiëring Afdeling I. - Categorieën diensten

Art. 213.Voor de subsidiëring worden de diensten erkend volgens categorieën die overeenkomen met het gesubsidieerd personeel.

Het gaat om volgende categorieën : 1° categorie I : 0,5 voltijds equivalent psycholoog en 1 voltijds equivalent maatschappelijk werker;2° categorie II : 0,5 voltijds equivalent psycholoog, 0,5 voltijds equivalent houder van een academische graad van de tweede cyclus in het vak sociale en menswetenschappen, 1,25 voltijds equivalent maatschappelijke werkers en 0,25 voltijds equivalent maatschappelijk werker of administratief beambte;3° categorie III : een voltijds equivalent psycholoog, 0,5 voltijds equivalent houder van een academische graad van de tweede cyclus in het vak sociale en menswetenschappen, 1,50 voltijds equivalent maatschappelijke werkers en 0,5 voltijds equivalent maatschappelijk werker of administratief beambte.

Art. 214.Tijdens hun erkenning zijn de centra opgedeeld in hiernavolgende categorieën volgens het aantal dossiers dat jaarlijks geopend wordt : 1° categorie I : minder dan 100 dossiers;2° categorie II : tussen 100 en 400 dossiers;3° categorie III : meer dan 400 dossiers. Voor de berekening van het aantal dossiers bedoeld in het eerste lid wordt het aantal daadwerkelijk geopende dossiers van een coëfficiënt voorzien van : 1° 1,1 wat betreft de arrondissementen Hoei, Namen, Doornik en Verviers;2° 1,2 wat betreft de arrondissementen Aarlen, Dinant, Marche en Neufchâteau. De diensten met nieuwe erkenning worden in categorie I ondergebracht.

In afwijking van het eerste lid worden de diensten die erkend zijn in toepassing van artikel 139, tweede lid, van het decreetgevend deel van het Wetboek ondergebracht in categorie I ongeacht het aantal dossiers dat jaarlijks geopend wordt. Deze bepaling is niet van toepassing op de diensten die vóór 1 januari 2002 bestonden en die vóór deze datum over een erkenning beschikten, die overeenkomstig het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 15 december 1989 betreffende de erkenning en de toekenning van toelagen aan de diensten voor forensische welzijnszorg, afgeleverd werd.

Art. 215.Tijdens de erkenningsperiode kan een verandering van de subsidiëringscategorie worden aangevraagd Elke desbetreffende veranderingsaanvraag moet aan het bestuur worden gericht vóór 30 april.

Om voor een verandering van categorie in aanmerking te komen, moet de dienst tijdens het jaar voorafgaand aan de aanvraag gewerkt hebben in overeenstemming met het criterium dat geldt voor de hogere categorie waarvoor de verandering van het erkenningsbesluit wordt aangevraagd.

De verandering van categorie treedt in werking op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin de aanvraag werd ingediend.

Art. 216.Indien een centrum gedurende twee opeenvolgende jaren niet kan bewijzen dat het aantal jaarlijks geopende dossiers is bereikt dat overeenstemt met het minimumaantal van de categorie waarin het is ondergebracht, kan de Minister van ambtswege overgaan tot de herziening van het erkenningsbesluit.

De dienst wordt ondergebracht in de categorie die overeenstemt met het gemiddeld aantal activiteiten die effectief uitgevoerd werden in de loop van bedoelde beide jaren.

Na het eerste jaar betekent de Minister aan het centrum een schrijven waarin aan de bepaling waarin deze paragraaf voorziet, herinnerd wordt.

De Minister stelt de dienst in kennis van het voorstel tot herziening, waarbij de dienst over vijftien dagen beschikt om schriftelijk zijn opmerkingen te gelde te maken.

De verandering van categorie treedt in werking op 1 januari van het jaar volgend op de kennisgeving bedoeld in het vierde lid. Afdeling 2 - Soorten subsidies

Onderafdeling 1 - Subsidies voor personeelskosten

Art. 217.§ 1. Er wordt aan elke erkende dienst een subsidie toegekend voor het dekken van de personeelskosten bedoeld in artikel 213.

Met bedoelde subsidiëring moeten worden gedekt : 1° het brutoloon van het personeel;2° de werkgeversbijdragen, met een maximum van 54 % van de personeelsuitgaven bedoeld onder 1°. De personeelsuitgaven bedoeld in het eerste lid worden slechts in aanmerking genomen voor zover de loonschalen in bijlage 18 niet overschreden worden. § 2. Er wordt eveneens een forfaitair bedrag van 3.720 euro toegekend voor elke dienst die onder categorie II ressorteert voor het dekken van de kosten verbonden aan de coördinatieopdrachten. Dat bedrag wordt op 4.960 euro gebracht voor de diensten die onder categorie III ressorteren. § 3. Met verwijzing naar het drieledige raamakkoord van 28 februari 2007 voor de Waalse privé non-profitsector 2007-2009, goedgekeurd door de Waalse Regering op 1 maart 2007, wordt aan de erkende dienst per voltijds equivalent een jaarlijkse forfaitaire som van 445,82 euro toegekend als tegemoetkoming in de kost van de bijkomende indienstneming als gevolg van de toekenning van 3 bijkomende verlofdagen.

Dat bedrag wordt aan de spilindex 110,51 (basis 2004) gekoppeld. Die bijkomende toelage, die als een bezoldiging beschouwd wordt, valt onder de toepassing van de wet van 1 maart 1977Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten4 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld.

Art. 218.Alleen de uitgaven voor statutair personeel of voor personeel in dienst genomen middels een arbeidscontract worden als personeelskosten in aanmerking genomen.

Art. 219.§ 1. Voor het toekennen van tussentijdse loonsverhogingen worden enkel toegelaten, en met een maximum van vijf jaar, de werkelijke dienstprestaties die bovendien als nuttige ervaring inzake hulpverlening worden beschouwd en die het personeel eerder bij een overheid naar Belgisch, buitenlands of internationaal recht of bij een instelling die door laatstgenoemde erkend of gesubsidieerd wordt, heeft verricht.

De Minister bepaalt de dienstprestaties bedoeld in het eerste lid die beschouwd kunnen worden als nuttige ervaring. § 2. Het deeltijds aangeworven personeelslid krijgt op dezelfde manier de tussentijdse verhogingen als een voltijds aangeworven personeelslid.

Indien een personeelslid evenwel deeltijds werd tewerkgesteld door het centrum voor forensisch welzijnswerk en nadien naar een voltijdse betrekking overschakelt, worden de dienstprestaties die het verricht heeft onder deeltijdse regeling berekend in evenredigheid met een voltijdse regeling voor de bepaling van diens geldelijke anciënniteit vanaf het ogenblik dat hij naar een voltijdse betrekking overschakelt.

De werkelijke diensten die een personeelslid eerder en elders in loonverband heeft gepresteerd en die toegelaten worden voor de berekening van de tussentijdse loonsverhogingen, worden eveneens berekend in evenredigheid met een voltijdse regeling voor de bepaling van diens geldelijke anciënniteit voor de periode voorafgaand aan diens indiensttreding bij het centrum voor forensisch welzijnswerk.

Art. 220.§ 1. De in aanmerking komende diensten die volle maanden bestrijken, komen rechtstreeks in aanmerking voor de geldelijke anciënniteit.

De toegelaten dienstprestaties die delen van maanden dekken, worden op het einde van het jaar opgeteld.

Delen van maanden die periodes van dertig dagen uitmaken worden te gelde gemaakt in de geldelijke anciënniteit ten belope van één maand per periode van dertig dagen. § 2. De anciënniteiten worden in aanmerking genomen in de maand van de overlegging van voor echt verklaarde documenten waarin melding wordt gemaakt van o.a. de naam en de geboortedatum van het personeelslid, de naam van de werkgevers, het doel van de dienst en de aard van de betrekking, het statuut, het aantal gepresteerde uren, alsook het bewijs dat deze diensten erkend of gesubsidieerd waren door de overheden of instellingen bedoeld in artikel 219, § 1.

Art. 221.De subsidies die bezoldigingen of daarmee gelijkgestelde kosten vormen vallen onder de wet van 1 maart 1977Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten4 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld.

Art. 222.Het aandeel dat voor rekening van de werkgever blijft in het raam van de programma's voor beroepsinschakeling of werkloosheidsbestrijding kan geboekt worden bij de personeelsuitgaven.

Die boeking geldt slechts als de som die voor het personeel voorzien wordt een ongebruikt saldo vertoont.

Onderafdeling 2 - Subsidies voor werkingskosten

Art. 223.Er wordt aan elke erkende dienst een subsidie toegekend voor het dekken van de werkingskosten.

Die subsidie wordt forfaitair bepaald : 1° 8.680 euro voor de diensten erkend volgens categorie I; 2° 11.160 euro voor de diensten erkend volgens categorie II; 3° 13.630 euro voor de diensten erkend volgens categorie III.

Art. 224.De opleidingskosten bedoeld in artikel 202 worden te boek gesteld als werkingsuitgaven.

Toegelaten worden eveneens de kosten voor opleidingen die verband houden met de opdrachten bedoeld titel 5 van Boek 1 van het tweede deel van het decreetgevend deel van dit Wetboek en die gevolgd worden door de personeelsleden van de dienst die niet gesubsidieerd worden in het kader van deze titel.

Art. 225.In de werkingsuitgaven kunnen worden verrekend : 1° de intresten verbonden aan de kredietopeningen toegekend aan de diensten door een bankinstelling tussen de dag waarop de aanvraag voor het jaarlijks voorschot bedoeld in artikel 228, eerste lid, wordt ingediend en de dag van betaling ervan;2° het aandeel dat voor rekening van de werkgever blijft in het raam van de programma's voor beroepsinschakeling of werkloosheidsbestrijding kan geboekt worden bij de personeelsuitgaven.

Art. 226.De subsidies ter dekking van de werkingskosten vallen onder de wet van 2 augustus 1971Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten3 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, subsidies en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld. Afdeling 3 - Toekenningsvoorwaarden en -modaliteiten

Art. 227.De subsidies worden per kalenderjaar door de Regering verleend aan elke erkende dienst die de volgende verplichtingen nakomt : 1° jaarlijks vóór 1 maart de volgende stukken aan de administratie overmaken, die betrekking hebben op het afgelopen werkingsjaar : a) een omstandig kwalitatief activiteitenverslag, waarin meer bepaald opgenomen worden : een analyse van de behandelde problemen, de al naar gelang van de problemen gevolgde methodes en de vooropgestelde doelstellingen en een evaluatie van die methodes naar doeltreffendheid en impact;b) een kwantitatief activiteitenverslag;c) een staat van de ontvangsten en uitgaven en een begroting van de dienst na goedkeuring door de bevoegde instanties, waarbij de door andere overheden toegekende of toegezegde subsidies vermeld worden;d) een afschrift van de loonstaten van de personen die in aanmerking komen voor de subsidies en de betalingsbewijzen van de werkgeversbijdragen;2° geen subsidies krijgen voor professioneel werkzame personeelsleden, indien ze hetzelfde voorwerp betreffen;3° onverwijld en schriftelijk het bestuur elke wijziging mede te delen in de staten en in de samenstelling van het gesubsidieerde personeel;4° zich richten naar de boekhoudkundige regels die door de administratie zijn vastgesteld en door de Minister zijn goedgekeurd;5° de administratie laten nagaan of de activiteiten en de boekhouding voldoen aan de voorwaarden voor de toekenning van de subsidies. Wat betreft de gegevens bedoeld in het vorige lid, is de Minister bevoegd om het gebruik van elektronische dragers op te leggen, in de vormen die hij bepaalt.

Art. 228.De erkende dienst ontvangt in de loop van het eerste kwartaal van het jaar een jaarlijks voorschot gelijk aan 85 % van het bedrag van de subsidies die het vorige jaar zijn toegekend.

De dienst verzoekt de administratie om de betaling van dat voorschot aan de hand van een formulier waarvan het model door de administratie wordt bepaald.

Het saldo wordt vóór 1 juni van het volgende jaar vereffend op vertoon van de stukken die de uitgaven bevestigen.

TITEL VII. - Socioprofessionele inschakeling HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Art. 229.Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder : 1° " gerechtigde " : elke gerechtigde op maatschappelijke integratie of een begunstigde van maatschappelijke hulp die gelijk staat met maatschappelijke integratie als het gaat om een persoon die in het vreemdelingenregister ingeschreven staat en over een onbeperkte verblijfsvergunning beschikt en gezien zijn staatsburgerschap geen recht heeft op maatschappelijke integratie; 2° " prestatiedagen " : door een gerechtigde verrichte werkdagen die als gepresteerde dagen worden aangegeven bij de R.D.S.Z.P.P.O. of bij de R.S.Z. en waarvoor krachtens de artikelen 60, § 7, of 61 van de organieke wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten8 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn een arbeidsovereenkomst is gesloten hoogstens voor de duur die nodig is om het volledige voordeel van de sociale uitkeringen te verkrijgen; 3° " volledige prestaties " : prestaties die overeenstemmen met een voltijdse arbeid;4° " onvoleldige prestaties " : prestaties die overeenstemmen met een breukdeel van voltijdse arbeid;Deze prestaties moeten in percentage van een voltijdse arbeid uitgedrukt worden; 5° "privé-onderneming" : elke natuurlijke of privaatrechtelijke rechtspersoon die een activiteit met winstoogmerk uitoefent. HOOFDSTUK II. - Subsidiëring Afdeling I. - Voorwaarden

Art. 230.De op de begroting uitgetrokken bedragen die bestemd zijn voor de uitvoering van deze titel, worden jaarlijks door de Minister verdeeld op verzoek van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn naar rato van de prestatiedagen die tijdens de referentieperiode door de gerechtigden verricht zijn.

De gewestelijke subsidie wordt toegekend onder de volgende voorwaarden : 1° voor de tewerkgestelde personen overeenkomstig artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten8 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, bedraagt het bedrag van de subsidie hoogstens 10 euro per werkdag;2° voor de tewerkgestelde personen overeenkomstig artikel 61 van dezelfde wet, bedraagt het bedrag van de subsidie hoogstens 15 euro per werkdag. De toegekende toelagen worden gerechtvaardigd door te verwijzen naar de prestatiedagen van de gerechtigden tijdens het referentiejaar.

Art. 231.Tewerkgestelde personen overeenkomstig artikel 60, § 7, van dezelfde wet of tewerkgestelde personen die van onderstaande maatregelen genieten, komen niet in aanmerking voor de toekenning van subsidies : 1° wachtgeld en, aanvullend, het leefloon of gelijkwaardige maatschappelijke hulp;2° toepassing van het koninklijk besluit van 11 juli 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/04/1965 pub. 02/08/2010 numac 2010000404 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten1 tot toekenning van een verhoogde staatstoelage aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn voor specifieke initiatieven, gericht op sociale inschakeling, binnen de sociale economie;3° toepassing van het koninklijk besluit van 14 november 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/07/1975 pub. 30/06/2010 numac 2010000387 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten8 tot toekenning van een verhoogde staatstoelage aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn voor specifieke initiatieven, gericht op sociale inschakeling, binnen de sociale economie;4° toepassing van afdeling II van hoofdstuk XI van de wet van 12 augustus 2000Relevante gevonden documenten type wet prom. 12/08/2000 pub. 31/08/2000 numac 2000003530 bron diensten van de eerste minister en ministerie van financien Wet houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen type wet prom. 12/08/2000 pub. 17/03/2011 numac 2011000144 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen. - Officieuze coördinatie in het Duits van uittreksels sluiten houdende sociale, budgettaire en diverse bepalingen, met betrekking tot de invoeginterim;5° toepassing van het decreet van 25 april 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/06/1969 pub. 24/01/2011 numac 2010000730 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten7 betreffende de tegemoetkomingen ter bevordering van de indienstneming van niet-werkende werkzoekenden door de plaatselijke, gewestelijke en gemeenschapsoverheden, door bepaalde werkgevers in de non-profit sector, het onderwijs en de commerciële sector.

Art. 232.In geval van onvolledige prestaties worden de verrekende dagen omgerekend in dagen van volledige prestaties naar rato van het aantal prestaties.

Art. 233.Het recht op de subsidie blijft het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn toekomen als de werknemer tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst zijn verblijfplaats heeft in een andere gemeente. Afdeling II. - Toekenningsprocedure

Art. 234.De aanvraag om subsidie wordt één keer per jaar bij de administratie ingediend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn aan de hand van een door de Minister bepaald typeformulier.

Het gebruik van een informaticadrager kan vereist worden.

Op straffe van verval moet de aanvraag uiterlijk op 31 mei van het subsidiejaar ingediend worden.

De Minister is evenwel bevoegd om het Openbaar Centrum voor maatschappelijk welzijn te ontheffen van de uitsluiting indien de overschrijding van die termijn aan buitengewone omstandigheden te wijten is.

Art. 235.De subsidie wordt in één keer gedurende het subsidiejaar uitbetaald.

Boek III. - Integratie van vreemdelingen of van personen van buitenlandse herkomst TITEL I. - Centra voor de integratie van vreemdelingen of van personen van buitenlandse herkomst HOOFDSTUK I. - Ambtsgebieden en prioritaire actiezones

Art. 236.Het ambtsgebied van de centra bedoeld in artikel 155, eerste lid, van het decreetgevend deel van het Wetboek zijn : 1° centrum Charleroi : de gemeenten Aiseau-Presles, Anderlues, Charleroi, Châtelet, Courcelles, Farciennes, Fleurus, Fontaine-l'Evêque, Gerpinnes, Les Bons Villers, Lobbes, Montigny-le-Tilleul, Pont-à-Celles;2° centrum La Louvière : de gemeneten Anderlues, Binche, 's-Gravenbrakel, Chapelle-lez-Herlaimont, Ecaussinnes, Edingen, Estinnes, La Louvière, Lessines, Le Roeulx, Manage, Morlanwelz, Seneffe, Silly, Zinnik;3° centrum Luik : de gemeenten Ans, Awans, Aywaille, Bitsingen, Beyne-Heusay, Blégny, Chaudfontaine, Comblain-au-Pont, Dalhem, Esneux, Flémalle, Fléron, Grâce-Hollogne, Herstal, Juprelle, Luik, Neupré, Oupeye, Saint-Nicolas, Seraing, Soumagne, Sprimont, Trooz, Wezet;4° centrum Bergen : de gemeenten Boussu, Colfontaine, Dour, Frameries, Hensies, Honnelles, Jurbise, Lens, Bergen, Quaregnon, Quévy, Quiévrain, Saint-Ghislain;5° centrum Namen : de gemeenten van de provincie Namen;6° centrum Verviers : de gemeenten Aubel, Baelen, Dison, Herve, Jalhay, Lierneux, Limbourg, Malmédy, Olne, Pepinster, Plombières, Spa, Stavelot, Stoumont, Theux, Thimister-Clermont, Trois-Ponts, Verviers, Waimes, Welkenraedt.7° centrum Tubeke : de gemeenten van het arrondissement Nijvel. De grensgemeenten die onder de werkingssfeer van een ander centrum vallen dan hetgeen waarvan zij afhangen, mogen deelnemen aan activiteiten die door dat andere centrum georganiseerd worden.

Art. 237.De lijst van de prioritaire actiezones wordt opgenomen als bijlage 19. HOOFDSTUK II. - Erkenning Afdeling 1 - Voorwaarden

Art. 238.De persoon belast met de directie en het dagelijks beheer beschikt bij zijn indienstneming over minstens een master- of bachelordiploma of over een gelijkwaardig diploma en heeft op basis van die diploma's minstens vijf jaar nuttige ervaring in de sector van de integratie van de gehandicapte personen van buitenlandse herkomst.

Art. 239.De persoon belast met het administratief en financieel beheer beschikt bij zijn indienstneming over minstens een bachelordiploma in de boekhouding, het directiesecretariaat of over een getuigschrift van het hoger secundair onderwijs of een gelijkwaardig getuigschrift en heeft drie jaar nuttige beroepservaring.

Art. 240.De persoon belast met projectencoördinatie beschikt bij zijn indienstneming over minstens een bachelordiploma of een getuigschrift van het hoger secundair onderwijs of een gelijkwaardig getuigschrift en heeft drie jaar nuttige beroepservaring.

Art. 241.De projectverantwoordelijke beschikt bij zijn indienstneming over minstens een bachelordiploma of over een getuigschrift van het hoger secundair onderwijs of een gelijkwaardig getuigschrift en drie jaar nuttige beroepservaring of over een getuigschrift van het lager secundair onderwijs en zes jaar nuttige beroepservaring.

Art. 242.De centra bezorgen de administratie : 1° in de loop van het eerste kwartaal, het activiteitenprogramma betreffende het lopende kalenderjaar;2° voor 30 juni, het activiteitenrapport betreffende het afgelopen kalenderjaar en hun rekeningen en balans vastgelegd op 31 december, alsook het afschrift van de bewijsstukken van het gebruik van de toegekende toelagen.

Art. 243.De centra moeten alle boekingsstukken waarin hun opbrengsten en uitgaven voorkomen minstens vijf jaar bewaren. Afdeling 2 - Toekennings- en wijzigingsprocedures

Art. 244.Behalve de informatie vereist bij artikel 160 van het decreetgevend deel van het Wetboek bevat het aanvraagdossier de volgende gegevens : 1° het huishoudelijk reglement;2° de begroting, de boekhouding en de balans;3° het besluit van de inrichtende macht tot indiening van het verzoek om erkenning;4° een afschrift van de diploma's, de beroepsbekwaamheid, het curriculum vitae en het statuut van de personeelsleden;5° een besluit van de raad van bestuur tot vaststelling van de regels voor de uitvoering van de opdrachten van het Centrum;6° een besluit van de raad van bestuur tot vaststelling van de regels voor de uitvoering van de opdrachten van het Centrum. Het dossier wordt bij aangetekend schrijven aan de Minister gestuurd.

Art. 245.De Minister beslist over de erkenningsaanvraag binnen drie maanden na ontvangst van het volledige dossier, zoals bepaald bij artikel 160 van het decreetgevend deel van het Wetboek en bij artikel 244. Indien de erkenningsaanvraag niet vergezeld gaat van de stukken bedoeld in artikel 160 van het decreetgevend deel van het Wetboek en in artikel 244, wordt de aanvrager binnen de maand daarop attent gemaakt door de administratie. Het centrum richt om de vijf jaar, en voor het eerst in 2012, voor de maand april een omstandig activiteitenverslag aan de administratie, met een overzicht van de activiteiten gevoerd in de loop van de laatste vijf jaar en de vooruitzichten voor de komende vijf jaar.

Dat activiteitenverslag wordt, in voorkomend geval samen met het advies van het bestuur, overgelegd aan de "Conseil wallon de l'action sociale et de la santé".

Art. 246.Wanneer wordt vastgesteld dat het Centrum de bepalingen van het decreet of de krachtens het decreet genomen bepalingen niet in acht neemt, of wanneer het zijn opdrachten niet naar behoren uitvoert, trekt de Minister de erkenning in, na advies van de "Commissie wallonne de l'intégration des personnes étrangères ou d'origine étrangère".

Vooraleer de erkenning wordt ingetrokken, wordt bij aangetekend schrijven een bericht toegezonden waarin de uiteengezette grieven worden vermeld. Het Centrum beschikt over een termijn van twee weken om een memorie van antwoord in te dienen.

Art. 247.Van de beslissing wordt kennis gegeven aan de aanvrager bij ter post aangetekend schrijven. HOOFDSTUK III. - Subsidiëring

Art. 248.De toelage in verband met de bezoldiging van de persoon belast met de directie en het dagelijks beheer, van de persoon belast met het administratief en fin581 van het decreetgevend deel van het Wetboek, wordt berekend op grond van de geldelijke anciënniteit waarvoor de volgende regels worden toegepast : 1° tussentijdse verhogingen worden verleend voor effectieve dienstverleningen die als nuttige beroepservaring beschouwd kunnen worden en die het personeel eerder heeft gepresteerd bij de openbare diensten of bij de door het Waalse Gewest, de Franse Gemeenschap of de Federale Staat erkende of gesubsidieerde diensten.Effectieve dienstverleningen binnen door andere openbare overheden erkende of gesubsidieerde diensten kunnen eveneens in aanmerking genomen worden door de Minister; 2° de toegelaten dienstprestaties die delen van maanden dekken, worden op het einde van het jaar opgeteld.Delen van maanden die periodes van dertig dagen uitmaken worden te gelde gemaakt in de geldelijke anciënniteit ten belope van één maand per periode van dertig dagen; 3° de anciënniteiten worden in aanmerking genomen in de maand van de overlegging van voor echt verklaarde documenten waarin melding wordt gemaakt van o.a. de naam en de geboortedatum van het personeelslid, de naam van de werkgevers, het doel van de dienst en de aard van de betrekking, het statuut, het aantal gepresteerde uren; 4° de personeelstoelagen bedoeld in artikel 162, 2°, van het decreetgevend deel van het Wetboek worden voor elk centrum verhoogd met een bedrag dat overeenstemt met de cofinanciering die nodig is om te voorzien in de bijkomende middelen voor de posten die in aanmerking komen voor minstens 6 punten APE toegekend of toe te kennen voor de projectverantwoordelijken, enerzijds, en, om te voorzien in de compenserende indienstneming, anderzijds, wanneer zulks bepaald wordt in de overeenkomsten van de non-profitsector gesloten met de Waalse Regering op 28 februari 2007, op voorwaarde dat ze vastligt in een collectieve arbeidsovereenkomst en dat rekening gehouden wordt met de beschikbare begrotingskredieten. Het centrum verschaft de documenten uiterlijk binnen de maand na de indienstneming van de persoon.

De in het eerste lid, 1°, bedoelde effectieve diensten zijn degene die als zodanig worden beschouwd voor de ambtenaren van het Gewest.

Wanneer een overheid het in artikel 162, eerste lid, 1°, van het decreetgevend deel van het Wetboek bedoelde personeel ter beschikking stelt van het Centrum, moet het bewijsstuk ter verantwoording van de toelagen uit de volgende documenten bestaan : de aangifte van schuldvordering die uitgaat van de betrokken overheid, een afschrift van het loonstrookje van het betrokken personeelslid en een afschrift van de tussen de overheid en het Centrum gesloten overeenkomst van terbeschikkingstelling.

Art. 249.Aan elk centrum wordt een jaarlijkse forfaitaire toelage van 25.000 euro toegekend om de werkings- en activiteitenkosten te dekken.

Het bedrag bedoeld in het eerste lid wordt geïndexeerd overeenkomstig de wet van 2 augustus 1971Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten3 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.

Art. 250.Met uitzondering van de toelagen bedoeld in artikel 248, 2°, geniet het erkende centrum in de loop van het eerste kwartaal van het kalenderjaar een jaarlijks voorschot gelijk aan 85 % van het bedrag van de toelagen verleend in de loop van het voorafgaande jaar.

De dienst verzoekt de administratie om de betaling van dat voorschot aan de hand van een formulier waarvan het model door de administratie wordt bepaald.

Het saldo wordt vereffend op vertoon van de stukken die de uitgaven bevestigen.

TITEL II. - Plaatselijk initiatief inzake sociale ontwikkeling HOOFDSTUK I. - Erkenning Afdeling 1 - Voorwaarden

Art. 251.Om door de Minister als plaatselijk initiatief inzake sociale ontwikkeling erkend te worden vervult de rechtspersoon, behalve de voorwaarden die in de artikelen 150 tot 165 en artikel 697 van het decreetgevend deel van het Wetboek vastgelegd worden, de volgende voorwaarden : 1° minstens drie van de bij artikel 163 van het decreetgevend deel van het Wetboek bepaalde opdrachten ontwikkelen;2° in de lijn liggen van het plaatselijk integratieplan of van het sociale cohesieplan van de gemeente, in voorkomend geval;3° al het voorwerp hebben uitgemaakt van een meerjarige overeenkomst en van een positieve evaluatie van de administratie voor de georganiseerde activiteiten en inzake het administratief en boekhoudkundig beheer;4° beschikken over lokalen waarin minstens 20 personen en zijn personeel onthaald kunnen worden. Afdeling 2 - Procedure

Art. 252.De erkenningsaanvraag van het plaatselijk initiatief inzake sociale ontwikkeling wordt bij aangetekend schrijven of middels een elektronisch formulier aan de administratie gericht.

De erkenningsaanvraag wordt ingediend in de vorm van een verklaring op erewoord waarvan het model door het bestuur wordt opgemaakt en aan de hand waarvan de vereniging : 1° bevestigt dat haar doel voorziet in acties inzake de integratie van vreemdelingen of van personen van buitenlandse herkomst die overeenstemmen met minstens 3 opdrachten bepaald bij artikel 163 van het decreetgevend deel van het Wetboek.De vereniging maakt melding van haar projecten voor de vervulling van de opdrachten, alsook van de middelen en van het kalender voor de tenuitvoerlegging ervan; 2° bevestigt over minstens 1 voltijds equivalent te beschikken om die opdrachten te vervullen.In haar aanvraag vermeldt de vereniging de kwalificaties van het personeel dat voor die opdrachten aangesteld is of zal worden; 3° bevestigt krachtens een zakelijk recht of een huurrecht te beschikken over lokalen waarin minstens 20 personen en haar personeel onthaald kunnen worden.Ze vermeldt de openings- en toegangstijden; 4° bevestigt het voorwerp te hebben uitgemaakt van een meerjarige overeenkomst voor de integratie van vreemdelingen of van personen van buitenlandse herkomst. Elke wijziging van de gegevens vervat in de verklaring op erewoord moet binnen vijftien dagen aan de administratie meegedeeld worden.

De beslissing waarbij het bevoegde orgaan van de vereniging verzoekt om de erkenning als plaatselijk initiatief inzake sociale ontwikkeling wordt ook bij de erkenningsaanvraag gevoegd.

De vereniging houdt permanent een erkenningsdossier ter inzage van de administratie zodat deze kan nagaan of de erkenningsvoorwaarden vervuld zijn, alsook een journaal waarin de ontwikkelde activiteiten en het doelpubliek vermeld worden.

De vereniging bezorgt de administratie jaarlijks in de loop van het eerste semester een activiteitenprogramma, alsook het activiteitenrapport, de rekeningen en de balans van het afgelopen jaar.

Art. 253.Binnen dertig dagen na ontvangst van de erkenningsaanvraag bezorgt de administratie de aanvrager hetzij een bericht van ontvangst als de aanvraag volledig is, hetzij een bericht waarbij hij erom verzocht wordt zijn aanvraag binnen de twee maanden aan te vullen.

De administratie behandelt de aanvraag en maakt bedoelde aanvraag samen met haar opmerkingen over aan de Minister binnen een termijn van 3 maanden na de indiening van de aanvraag zodra die volledig is.

Art. 254.De Minister beslist over de aanvraag binnen twee maanden na ontvangst van het dossier.

Indien beslist wordt de erkenning te weigeren of in te trekken, wordt daarvan bij aangetekend schrijven kennis gegeven aan de aanvrager. HOOFDSTUK II. - Subsidiëring

Art. 255.Overeenkomstig artikel 163 van het decreetgevend deel van het Wetboek wordt een jaarlijkse toelage als tegemoetkoming in de personeels-, beheers- en activiteitenkosten naar gelang van de omvang ervan toegekend als volgt : 1° een voorschot van 80 % na ondertekening en inwerkingtreding van het subsidiëringsbesluit;2° het saldo na overlegging en verificatie van het bewijsdossier van de uitgaven en van het activiteitenrapport. De toelage bedoeld in het eerste lid bedraagt minstens 15.000 euro, geïndexeerd, voor de erkende verenigingen, overeenkomstig artikel 163, tweede lid, van het decreetgevend deel van het Wetboek.

Boek IV. - Hulpverlening aan gezinnen TITEL I. - Begripsomschrijvingen

Art. 256.Voor de toepassing van dit boek wordt verstaan onder : 1° diensten : de diensten " Espaces-Rencontres " (Ontmoetingsdiensten);2° dossier beheerd door de dienst : een administratieve of rechterlijke beslissing of een overeenkomst tussen partijen waarvoor de dienst minstens een stap heeft ondernomen bij een persoon die geen deel ervan uitmaakt en waarvan de schriftelijke opstelling in het dossier terug te vinden is;3° centrum : de centra voor levens- en gezinsvragen. TITEL II. - " Espaces-Rencontres " (Ontmoetingsruimten) HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Art. 257.De erkende dienst draagt de benaming " Service " Espaces-Rencontres " de ", gevolgd door de naam van het arrondissement waarop bedoelde erkenning betrekking heeft en, desgevallend, van een Romeins cijfer ter identificatie van de dienst als verschillende erkenningen voor hetzelfde arrondissement verleend worden. HOOFDSTUK II. - Erkenning van de diensten Afdeling 1 - Voorwaarden

Art. 258.§ 1. Naast de erkenningsvoorwaarden bedoeld in artikel 170 van het decreetgevend deel van het Wetboek beschikt de dienst over : 1° een licentiaat in de menswetenschappen;2° een maatschappelijk werker, houder zijn van een diploma maatschappelijk assistent, maatschappelijk hulpwerker, assistent psychologie of opvoeder, afgeleverd door het pedagogisch of maatschappelijk hoger onderwijs van ten minste het korte type, met volledig leerplan of in het kader van de sociale promotie. § 2. De licentiaat in de menswetenschappen en de maatschappelijk werker volgen een opleiding in verband met de opdrachten bedoeld artikel 167 van het decreetgevend deel van het Wetboek of zijn het voorwerp van een supervisie van minstens dertig uur per jaar.

Art. 259.De coördinator bedoeld in artikel 173 van het decreetgevend deel van het Wetboek belegt minstens één keer om de twee maanden een overlegvergadering met de personeelsleden die de in het decreet bedoelde opdrachten vervullen.

Art. 260.De dienst beschikt minstens over een lokaal dat speciaal ingericht is voor ontmoetingen tussen ouders en kinderen.

Art. 261.Het activiteitenregister bedoeld in artikel 175 van het decreetgevend deel van het Wetboek wordt gehouden overeenkomstig het model opgenomen als bijlage 30.

Het register wordt één keer per week door de coördinator ondertekend.

Art. 262.Het maximumbedrag van de financiële bijdrage die van de ouders gevorderd kan worden, wordt jaarlijks vastgelegd op 12 euro per ouder.

Het bedrag bedoeld in het eerste lid wordt geïndexeerd overeenkomstig de wet van 2 augustus 1971Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten3 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.

Na elke betaling wordt een ontvangbewijs afgegeven, waarvan een afschrift in het individuele dossier bewaard wordt. Het ontvangstbewijs vermeldt de datum, de naam van de ouder en het ontvangen bedrag. Afdeling 2 - Toekenningsprocedure

Art. 263.De aanvraag tot erkenning wordt bij ter post aangetekend schrijven aan de administratie gericht. Een afschrift wordt aan de Minister overgemaakt.

Naast de gegevens vereist bij artikel 171, tweede lid, van het decreetgevend deel van het Wetboek houdt het aanvraagdossier het volgende in : 1° de identiteit en de personalia van de persoon die de dienst vertegenwoordigt;2° de adresgegevens van de dienst;3° naam, titels, diploma's en functies van de personeelsleden;4° de vermelding van het gerechtelijk arrondissement dat door de dienst bediend wordt;5° de vermelding van de andere eventuele bronnen van overheidssubsidiëring die de dienst geniet, ongeacht de bestuurslaag;6° de dagen en de uren waarop de dienst open is;7° een door de dienstverantwoordelijke getekend afschrift van de Deontologische code, zoals vervat in bijlage 27.

Art. 264.Binnen tien dagen na ontvangst van de aanvraag stuurt de administratie een bericht van ontvangst naar de dienst.

De administratie gaat na of de aanvraag volledig is en verzoekt de dienst in voorkomend geval binnen dertig na ontvangst van de aanvraag om de toezending van de ontbrekende stukken of gegevens.

De dienst beschikt over een termijn van dertig dagen om de ontbrekende stukken en gegevens toe te sturen. Die termijn gaat in op de datum van ontvangst van het schrijven waarin de administratie op de ontbrekende stukken en gegevens wijst Als het dossier volledig is, stuurt de administratie onmiddellijk een schrijven naar de inrichting om hem daarop te wijzen.

Art. 265.Binnen de maand na ontvangst van de volledige aanvraag, stelt de administratie een verslag op over het dossier.

De administratie deelt het dossier en haar verslag samen met een voorstel tot beslissing aan de Minister mee, die over de erkenningsaanvraag beslist binnen twee maanden, te rekenen vanaf de datum van het voorstel tot beslissing.

Van de beslissing wordt kennis gegeven aan de aanvrager bij ter post aangetekend schrijven. Afdeling 3 - Opschorting, intrekking

Art. 266.Als de Minister het voornemen heeft de erkenning van een dienst op te schorten of in te trekken, geeft hij daarvan kennis bij per post aangetekend schrijven. Het voorstel tot opschorting of intrekking vermeldt de motieven die zulks rechtvaardigen.

De dienst beschikt met ingang van de datum van ontvangst van het voorstel tot opschorting of tot intrekking over een termijn van dertig dagen om zijn schriftelijke opmerkingen aan de Minister te richten.

Art. 267.De Minister legt zijn voorstel tot opschorting of tot intrekking en de opmerkingen van de dienst ter advies voor aan de "Commission wallonne de la Famille" binnen de maand na ontvangst ervan of na afloop van de termijn bedoeld in artikel 266, tweede lid.

Art. 268.De Minister beslist binnen de maand na ontvangst van het advies van de "Commission wallonne de la Famille".

Het besluit tot opschorting of intrekking wordt bij ter post aangetekend schrijven aan de dienst meegedeeld. HOOFDSTUK III. - Subsidiëring van de Diensten Afdeling 1 - Algemene bepalingen

Art. 269.De subsidies worden per kalenderjaar door de Regering verleend aan elke erkende dienst die de volgende verplichtingen nakomt : 1° hij bezorgt de administratie de in artikel 179, eerste lid, 1° en 2°, van het decreetgevend deel van het Wetboek bedoelde activiteitenverslagen, waarvan de modellen opgenomen zijn als bijlagen 28 en 29;2° hij bezorgt de administratie de stukken en gegevens bedoeld in artikel 178, 1° en 2, van het decreetgevend deel van het Wetboek;3° hij ontvangt geen subsidies voor de personeelsleden als ze twee keer verleend worden.

Art. 270.De werkingssubsidies en de subsidies voor personeelskosten worden in vier driemaandelijkse voorschotten van 22,5 % gestort.

Het saldo wordt vóór 1 oktober van het volgende jaar vereffend op vertoon van de stukken die de uitgaven bevestigen. Afdeling 2 - Soorten subsidies

Onderafdeling 1 - Subsidies voor personeelskosten

Art. 271.Er wordt aan elke erkende dienst een subsidie toegekend voor het dekken van de volgende personeelskosten : 1° een voltijds equivalent universitair;2° een voltijds equivalent maatschappelijk werker;3° een 0,2 voltijds equivalent administratief personeelslid.

Art. 272.Naast de subsidie bedoeld in artikel 271 krijgt de beherende dienst per jaar van 101 tot 200 dossiers een subsidietoeslag ter dekking van de volgende personeelskosten : 1° een 0,5 voltijds equivalent universitair;2° een 0,5 voltijds equivalent maatschappelijk werker.

Art. 273.Naast de subsidie bedoeld in artikel 271 krijgt de beherende dienst per jaar van 201 tot 300 dossiers een subsidietoeslag ter dekking van de volgende personeelskosten : Ofwel : 1° 1 voltijds equivalent universitair;2° 1 voltijds equivalent maatschappelijk werker. Ofwel : 1° een 1 voltijds equivalent universitair;2° een 0,8 voltijds equivalent maatschappelijk werker.3° een 0,2 voltijds administratief medewerker.

Art. 274.Naast de subsidie bedoeld in 271 krijgt de beherende dienst per jaar bij meer dan 300 dossiers een subsidietoeslag ter dekking van de volgende personeelskosten : Ofwel : 1° een 1,5 voltijds equivalent universitair;2° een 1,5 voltijds equivalent maatschappelijk werker. Ofwel : 1° een 1,5 voltijds equivalent universitair;2° een 1,3 voltijds equivalent maatschappelijk werker.3° een 0,2 voltijds administratief medewerker.

Art. 275.Het personeel dat voor de toekenning van de subsidies in aanmerking komt voldoet aan de diplomavereisten bedoeld in artikel 258, § 1.

Alleen de uitgaven voor statutair personeel of voor personeel in dienst genomen middels een arbeidscontract worden als personeelskosten in aanmerking genomen.

Art. 276.Met bedoelde subsidiëring moeten worden gedekt : 1° het brutoloon van het personeel;2° de werkgeversbijdragen, met inbegrip van de kosten van sociaal secretariaat tot maximum 54 % van de personeelsuitgaven bedoeld in 1°. De personeelsuitgaven bedoeld in paragraaf 1, 1°, worden slechts in aanmerking genomen voor zover de weddeschalen in bijlage 26 niet overschreden worden.

Art. 277.§ 1. Voor het toekennen van tussentijdse loonsverhogingen worden enkel toegelaten, en met een maximum van zes jaar, de werkelijke dienstprestaties die bovendien als nuttige ervaring worden beschouwd en die het personeel eerder bij een overheid naar Belgisch, buitenlands of internationaal recht of bij een instelling die door laatstgenoemde erkend of gesubsidieerd wordt, heeft verricht.

De Minister bepaalt de dienstprestaties bedoeld in het eerste lid die beschouwd kunnen worden als nuttige ervaring. § 2. Het deeltijds aangeworven personeelslid krijgt op dezelfde manier de tussentijdse verhogingen als een voltijds aangeworven personeelslid.

Art. 278.§ 1. De in aanmerking komende diensten die volle maanden bestrijken, komen rechtstreeks in aanmerking voor de geldelijke anciënniteit a rato van één maand per periode van dertig dagen. § 2. De anciënniteiten worden in aanmerking genomen in de maand van de overlegging van voor echt verklaarde documenten waarin melding wordt gemaakt van o.a. de naam en de geboortedatum van het personeelslid, de naam van de werkgevers, het doel van de dienst en de aard van de betrekking, het statuut, het aantal gepresteerde uren, alsook het bewijs dat deze diensten erkend of gesubsidieerd waren door de overheden of instellingen bedoeld in § 277, § 1.

Art. 279.De subsidies die bezoldigingen of daarmee gelijkgestelde kosten vormen vallen onder de wet van 1 maart 1977Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten4 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld.

Onderafdeling 2 - Subsidies voor werkingskosten

Art. 280.Er wordt aan elke erkende dienst een subsidie toegekend voor het dekken van de werkingskosten.

Die subsidie wordt forfaitair bepaald op 17.637,84 euro.

Naast de subsidie bedoeld in het tweede lid geniet de beherende dienst een werkingssubsidietoeslag van : 1° 3.784,46 euro per jaar van 101 à 200 dossiers; 2° 7.568,92 euro per jaar van 201 tot 300 dossiers; 3° 11.353,38 euro per jaar bij meer dan 300 dossiers.

Een deel van de subsidie voor de werkingskosten kan voor de personeelskosten bestemd worden.

Art. 281.De opleidingskosten bedoeld in artikel 258, § 2, worden te boek gesteld als werkingsuitgaven.

Toegelaten worden eveneens de kosten voor opleidingen die verband houden met de opdrachten bedoeld titel 1 van Boek 3 van het tweede deel van het decreetgevend deel van dit Wetboek en die gevolgd worden door de personeelsleden van de dienst die niet gesubsidieerd worden in het kader van deze titel.

Art. 282.De subsidies ter dekking van de werkingskosten vallen onder de wet van 2 augustus 1971Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten3 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, subsidies en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.

Onderafdeling 3 - Subsidietoeslagen

Art. 283.Om de personeels- en werkingssubsidietoeslagen te krijgen, moet de dienst gedurende één kalenderjaar gewerkt hebben overeenkomstig het criterium inzake toekenning van de aangevraagde toeslagen.

De subsidietoeslag wordt uiterlijk 30 april van het volgend jaar bij de administratie aangevraagd. De administratie gaat na of de aanvraag gegrond is. De administratie gaat na of de aanvraag gegrond is.

Het voordeel van de subsidietoeslagen gaat in op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin de aanvraag is ingediend.

Art. 284.Het besluit tot erkenning van de dienst wordt aangevuld met de vermelding van de subsidietoeslagen die deze dienst krijgt.

Onderafdeling 4 - Beperking, schorsing

Art. 285.Wanneer een dienst gedurende twee achtereenvolgende jaren niet het minimumaantal dossiers beheert dat overeenstemt met de subsidietoeslagen die hij krijgt, worden die subsidietoeslagen het derde jaar ambtshalve verminderd tot het niveau van het gemiddeld aantal dossiers beheerd gedurende de twee vorige jaren.

Art. 286.Als de Minister het voornemen heeft de subsidies te verminderen of af te schaffen, geeft hij daarvan kennis bij per post aangetekend schrijven. Het voorstel tot vermindering of tot afschaffing vermeldt de motieven tot rechtvaardiging daarvan.

De dienst beschikt met ingang van de datum van ontvangst van het voorstel tot vermindering of tot afschaffing over een termijn van dertig dagen om zijn schriftelijke opmerkingen aan de Minister te richten.

Art. 287.De Minister beslist binnen de maand na ontvangst van de opmerkingen van de dienst of na afloop van de termijn bedoeld in artikel 286, tweede lid.

Het besluit tot vermindering of afschaffing wordt bij ter post aangetekend schrijven aan de dienst meegedeeld. HOOFDSTUK IV. - Activiteitenverslag

Art. 288.Het centrum richt om de vijf jaar, en voor het eerst in 2012, voor de maand april een omstandig activiteitenrapport aan de administratie, met een overzicht van de activiteiten gevoerd in de loop van de laatste vijf jaar en de vooruitzichten voor de komende vijf jaar.

Dat activiteitenverslag wordt, in voorkomend geval samen met het advies van het bestuur, overgelegd aan de "Conseil wallon de l'action sociale et de la santé". HOOFDSTUK V. - Overgangsbepalingen

Art. 289.In afwijking van de artikelen 258, § 1, en 271 kan het personeel dat op 1 januari 2005 niet over de vereiste diploma's beschikt, gesubsidieerd worden. De aanvragen tot afwijking worden binnen de zes maanden bij de Minister ingediend.

Art. 290.In afwijking van de artikelen 275 kan het personeel dat op 1 januari 2005 tewerkgesteld is door de dienst en dat niet over de vereiste diploma's beschikt, gesubsidieerd worden. De aanvraag tot erkenning wordt bij de Minister ingediend.

TITEL III. - Centrum voor en federatie van centra voor levens- en gezinsvragen HOOFDSTUK I. - Informatie en gegevens van epidemiologische aard

Art. 291.De in artikel 188 van het decreetgevend deel van het Wetboek bedoelde naamloze informatie en gegevens van epidemiologische aard betreffen : 1° het aantal en het soort aanvragen;2° de frequentie en de aard van de consulten;3° de personalia van de aanvragers : leeftijd, geslacht, burgerlijke stand, nationaliteit;4° de ontstane pathologieën of gerezen moeilijkheden;5° de verrichte medische handelingen. HOOFDSTUK II. - Centra voor levens- en gezinsvragen Afdeling 1 - Erkenning

Onderafdeling 1 - Voorwaarden

Art. 292.§ 1. Het multidisciplinaire overleg bedoeld in artikel 185 van het decreetgevend deel van het Wetboek heeft als doel : 1° de behandeling en de doorverwijzing van de aanvragen die door verschillende personeelsleden of door een beter aangepaste externe dienst behandeld kunnen worden;2° de coördinatie van de actie van het multidisciplinaire team;3° de opvolging van de evolutie van de ten laste genomen personen;4° de evaluatie van het project van het centrum. § 2. Het wordt per centrum en niet per inrichtende macht gehouden met inachtneming van de volgende modaliteiten : 1° alle leden van het team die medische, psychologische, juridische en sociale functies uitoefenen alsook elk ander lid van de ploeg dat krachtens artikel 207 van het decreetgevend Wetboek gesubsidieerd wordt wonen minstens één vergadering om de twee maanden bij;2° alle door het centrum tewerkgestelde personen wonen minstens drie vergaderingen per jaar bij, ongeacht hun statuut;3° er kunnen kernvergaderingen georganiseerd worden.Ze mogen slechts geregistreerd en, bijgevolg, gevaloriseerd worden indien drie van de vier basisfuncties vertegenwoordigd zijn of indien minstens twee van de vier basisfuncties vertegenwoordigd zijn en, in het tweede geval, op voorwaarde dat minimum 50 % van de leden van het basisteam aanwezig zijn.

Onder basisteam wordt verstaan de medische, psychologische, sociale en juridische functie.

Alle vergaderingen zijn het voorwerp van notulen waarin de datum, de deelnemers, de verhinderde en afwezige leden, de agenda, de samenvatting van de debatten en de maatregelen worden vermeld.

Voor alle vergaderingen wordt een oproeping met de agendapunten toegestuurd. Alleen de vergaderingen bedoeld in 3° kunnen het voorwerp uitmaken van een planning op basis van een kalender die om de drie of om de zes maanden wordt opgemaakt en afgegeven of gestuurd aan de betrokken leden van het team.

Art. 293.Het activiteitenregister bedoeld in artikel 200 van het decreetgevend deel van het Wetboek bestaat uit een register van de animaties, een register van de sensibiliseringsactiviteiten en uit een register van de multidisciplinaire vergaderingen, die gehouden worden overeenkomstig de modellen opgenomen in bijlage 31 tot 33.

Vrijwillige zwangerschapsonderbreking en alle desbetreffende consulten worden opgenomen in het register van de consulten door gebruik te maken van de items betreffende de vrijwillige zwangerschapsonderbreking.

De vier registers bedoeld in het eerste lid, die regelmatig en minstens één keer per week door de dienstverleners bijgehouden worden, worden minstens één keer per maand getekend door de verantwoordelijke voor het dagelijks beheer of, bij diens afwezigheid, door een lid van de multidisciplinaire ploeg, na opgave van de consulten, de animaties, de sensibiliseringsactiviteiten en de multidisciplinaire vergaderingen die tijdens de week werden gehouden.

Art. 294.Wat de raadplegingen betreft, wordt de minimumduur van de prestaties van de leden van het basisteam per week vastgelegd naar gelang van de categorie waarin het centrum ingedeeld is.

Gedurende die minimale prestatieuren wordt de aanwezigheid van de dienstverlener in het centrum vereist : 1° wat betreft de medische, sociale en psychologische prestaties, al dan niet op afspraak, van 1 uur per week in categorie 1 tot 7 uren per week in categorie 7, waarbij het aantal uren en de categorie aan hetzelfde ritme vorderen;2° wat betreft de juridische prestaties, al dan niet op afspraak, van 1 uur per week in categorieën 1 en 2, en vervolgens vermeerdering met een halfuur per categorie;3° wat betreft de opvang zonder afspraak, van 12 uren per week in categorie 1, 15 uren per week in categorie 2 en vervolgens vermeerdering met 5 uren per week per categorie.Het centrum mag die uren over de week verdelen op voorwaarde dat het de opvang minstens een dag per week, tussen 17 en 19 uur, of op zaterdag, tussen 10 en 12 uur, georganiseerd wordt. Die minimale opvanguren kunnen niet opgeteld worden en het aantal personen die gelijktijdig de opvang waarnemen wordt niet in aanmerking genomen. De jaarlijkse minimumduur van de animatievergaderingen wordt op 30 valoriseerbare animatie-uren vastgelegd voor de centra van categorie 1 en verhoogt met 10 uren per categorie.

Art. 295.De zelfstandige hulpverleners die in centra werken, sluiten met de inrichtende macht een geschreven overeenkomst waarbij ze o.a. de in artikel 292 bedoelde multidisciplinaire vergaderingen mogen bijwonen.

De overeenkomst vermeldt in voorkomend geval het deel van de honoraria dat als bijdrage in de kosten van de dienst aan het centrum wordt geristorneerd.

De overeenkomst bepaalt ook dat de opgeëiste honoraria in geen geval hoger mogen zijn dan de tarieven die vastgesteld zijn bij de overeenkomsten die de verzekeringsinstellingen aan de door het RIZIV erkende dienstverleners verbinden.

In voorkomend geval bepaalt de overeenkomst of de animatiefunctie één van de opdrachten is die de zelfstandige hulpverlener te vervullen heeft.

Art. 296.Onder toegankelijkheid wordt verstaan : 1° de openingstijden (opvang zonder afspraak) zoals bedoeld in artikel 294, tweede lid, 3°.Ze worden waargenomen door een lid van het multidisciplinaire ploteameg of onder zijn toezicht voor zover een lid van de multidisciplinaire ploeg aanwezig is in het centrum. 2° de consulturen zonder afspraak. Die toegankelijkheid wordt vastgelegd op 12 uren per week voor de centra van categorie 1, op 18 uren per week die van categorie 2, op 23 uren per week voor die van categorie 3 en vervolgens vermeerdering met 5 uren per week per categorie.

De uurrooster van de opvanguren en de consulten zonder afspraak alsook die van de consulten uitsluitend op afspraak worden ter kennis van het publiek gebracht en aan de diensten van de administratie meegedeeld.

Ze worden binnen en buiten de lokalen van het centrum aangeplakt. Ze worden binnen en buiten de lokalen van het centrum aangeplakt.

De centra mogen hoogstens 4 weken per jaar sluiten, namelijk maximum 2 opeenvolgende weken voor de centra van de categorieën 1 tot 3 en 2 weken voor de andere categorieën.

Het publiek wordt daarover ingelicht en gedurende die periode via een externe aanplakking naar de dichtsbijzijnde geopende centra georiënteerd.

Art. 297.Het centrum beschikt ten minste over een wachtkamer en over geschikte consultbureaus.

Het vertrouwelijk karakter van de gesprekken moet door de inrichting van de lokalen gewaarborgd worden.

Het centrum beschikt over een eigen telefoonnummer.

Art. 298.De financiële bijdrage die voor niet-medische consulten gevraagd kan worden bedraagt maximum vijftien euro per consult.

Dat bedrag wordt jaarlijks op 1 januari geïndexeerd en door de Minister aan de centra meegedeeld.

Indien verschillende personen in het kader van hetzelfde consult ontvangen worden, kan dat forfaitair bedrag met maximum 50 % verhoogd worden.

De erelonen betreffende de vrijwillige zwangerschapsonderbreking die gevraagd worden aan een patiënte zonder ziekte- en invaliditeitsverzekering, mogen niet hoger zijn dan het bedrag dat door het RIZIV ten laste genomen wordt, verhoogd met de persoonlijke bijdrage van de rechthebbende, zoals vastgelegd in de overeenkomst die het centrum en het RIZIV in dat kader gesloten hebben.

Voor de andere medische consulten, mag het bedrag van de opeisbare financiële bijdrage niet hoger zijn dan het bedrag van de persoonlijke bijdrage dat voor rekening blijft van de begunstigde van de ziekteverzekering.

Bij elke betaling wordt een ontvangbewijs afgegeven, waarvan een duplicaat in het centrum bewaard wordt.

Het ontvangstbewijs vermeldt de datum, de naam van de patiënt of, bij gebreke daarvan, zijn dossiernummer, het identificatienummer van het consult en het ontvangen bedrag. Het wordt door de dienstverlener ondertekend.

Onderafdeling 2 - Procedure

Art. 299.Het erkenningsaanvraagdossier wordt bij aangetekend schrijven aan de Minister gericht overeenkomstig het model opgenomen als bijlage 41.

Behalve de gegevens bedoeld in artikel 190 van het decreetgevend Wetboek bevat het : 1° de identiteit en de personalia van de persoon die de inrichtende macht vertegenwoordigt;2° de identificatie van het centrum : benaming, adres, telefoonnummer, opvang- en consulturen;3° de identificatie van de overige bronnen van financiering door de overheid of door privépersonen;4° de naam, de titels, de diploma's en de functies van elk lid van de multidisciplinaire ploeg, van de verantwoordelijke voor het dagelijkse beheer, hun werkrooster en de omvang van hun prestaties;5° een afschrift van de arbeidscontracten, van de overeenkomsten bedoeld in artikel 195 van het decreetgevend deel van het Wetboek en van de overeenkomsten gesloten met vrijwilligers;6° het model van individueel dossier;7° een plan met de bestemming van de lokalen en de toegang ertoe vanaf de openbare weg;8° de naam van de gemeenten en de cijfers van de bevolking die door het centrum bediend wordt;9° het huishoudelijk reglement ondertekend door de vertegenwoordiger van de inrichtende macht en door de personeelsleden.

Art. 300.Als bij de aanvraag behandeld door de administratie niet alle documenten en gegevens bedoeld in artikel 299 worden gevoegd, wordt de aanvrager daarover binnen één maand ingelicht. Zonder dat advies binnen die termijn wordt de aanvraag volledig en regelmatig geacht.

Binnen de maand na ontvangst van de volledige aanvraag, stelt de administratie een verslag op over het dossier.

De administratie deelt het dossier en haar verslag samen met een voorstel tot beslissing aan de Minister mee, die over de erkenningsaanvraag beslist binnen twee maanden, te rekenen vanaf de datum van het voorstel tot beslissing.

Art. 301.Het centrum richt om de vijf jaar, en voor het eerst in 2012, voor de maand april een omstandig activiteitenrapport aan de administratie, met een overzicht van de activiteiten gevoerd in de loop van de laatste vijf jaar en de vooruitzichten voor de komende vijf jaar.

Dat activiteitenverslag wordt, in voorkomend geval samen met het advies van het bestuur, overgelegd aan de "Conseil wallon de l'action sociale et de la santé".

Onderafdeling 3 - Categorieën

Art. 302.Het erkenningsbesluit bepaalt de categorie waarvoor het centrum erkend wordt naar gelang van zijn jaarlijkse activiteiten en overeenkomstig de volgende criteria : 1° categorie I : centrum erkend voor minder dan 1 000 activiteiten;2° categorie II : centrum erkend voor 1 000 tot 2 499 activiteiten;3° categorie III : centrum erkend voor 2 500 tot 3 999 activiteiten;4° categorie IV : centrum erkend voor 4 000 tot 5 499 activiteiten;5° categorie V : centrum erkend voor 5 500 tot 6 999 activiteiten;6° categorie VI : centrum erkend voor 7 000 tot 8 499 activiteiten;7° categorie VII : centrum erkend voor meer dan 8 500 activiteiten.

Art. 303.§ 1. De consulten en de multidisciplinaire vergaderingen bedoeld in artikel 292 tellen voor één activiteit De animatievergaderingen tellen voor vier activiteiten per schijf van 60 minuten voor de groep. Het aantal te valoriseren animaties wordt berekend als volgt : jaartotaal van de animatietijden voor de groep/60 afgerond naar onder.

De animaties zijn valoriseerbaar indien : 1° ze minimum 30 minuten duren;2° ze een vooraf bepaald thema hebben;3° ze zich houden aan de thema's die krachtens de geldende regelgeving toegelaten worden;4° ze zich niet richten tot een publiek van vakspecialisten wanneer ze zich tot een volwassen publiek richten;5° ze gratis gegeven worden;6° ze ingeschreven zijn in het register van de animaties opgenomen in bijlage 32, § 2.De vrijwillige zwangerschapsonderbrekingen en de daarmee verbonden consults die die opgenomen zijn in het raam van de overeenkomst tussen het centrum en RIZIV tellent voor twaalf activiteiten.

Enkel vijf percent van het totaalaantal vrijwillige zwangerschapsonderbrekingen uitgevoerd door het centrum kunnen meegerekend worden.

De consults per telefoon, de vrijwillige zwangerschapsonderbrekingen en de daarmee verbonden consults zoals omschreven in de overeenkomst tussen het centrum en RIZIV worden niet meegerekend.

De vrijwillige zwangerschapsonderbrekingen en de daarmee verbonden consults uitgevoerd door een centrum waarvan de overeenkomst met RIZIV niet werd opgezegd worden niet meer meegerekend. § 3. De activiteiten tot sensibilisering voor die problematieken in rechtstreeks verband met de opdrachten van de centra worden gevaloriseerd op basis van de gedekte uurperiode, ongeacht het aantal personen van het centrum die door die activiteit gemobiliseerd zijn, naar rato van één activiteit per schijf van 60 minuten en ze ingeschreven zijn in het register van de sensibiliseringsactiviteiten opgenomen in bijlage 33.

Spreekgroepen, deelname aan festivals of andere evenementen, de uitdeling van voorbehoedsmiddelen, de organisatie van tentoonstellingen en conferenties worden als sensibiliseringsactiviteiten beschouwd.

Art. 304.Het erkenningsbesluit wordt overeenkomstig artikel 209 van het decreetgevend Wetboek na elke verandering van categorie gewijzigd.

Elke desbetreffende veranderingsaanvraag moet aan het bestuur worden gericht vóór 30 april. Om voor een verandering van categorie in aanmerking te komen, moet het centrum tijdens het jaar voorafgaand aan de aanvraag gewerkt hebben in overeenstemming met het criterium dat geldt voor de hogere categorie waarvoor de verandering van het erkenningsbesluit wordt aangevraagd.

De verandering van categorie treedt in werking op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin de aanvraag werd ingediend.

Art. 305.§ 1. Wanneer een centrum gedurende twee opeenvolgende jaren niet kan bewijzen dat het aantal jaarlijks geopende dossiers is bereikt dat overeenstemt met het minimumaantal van de categorie waarin het is ondergebracht, kan de Minister van ambtswege overgaan tot de herziening van het erkenningsbesluit.

De dienst wordt ondergebracht in de categorie die overeenstemt met het gemiddeld aantal activiteiten die effectief uitgevoerd werden in de loop van bedoelde beide jaren.

Na het eerste jaar betekent de Minister aan het centrum een schrijven waarin aan de bepaling waarin deze paragraaf voorziet, herinnerd wordt. § 2. De Minister stelt de dienst in kennis van het voorstel tot herziening, waarbij de dienst over vijftien dagen beschikt om schriftelijk zijn opmerkingen te gelde te maken. § 3. De verandering van categorie treedt in werking op 1 januari van het jaar volgend op de kennisgeving bedoeld in paragraaf 1. Afdeling 2 - Subsidiëring

Onderafdeling 1 - Subsidies voor personeelskosten

Art. 306.§ 1. De subsidies die de uitgaven in verband met het statutaire of contractuele personeel dekken worden aan het centrum toegekend naar gelang van de categorie waarin het ingedeeld is en zijn vastgelegd als volgt : 1° categorie I : 0,50 VTE;2° categorie II : 1 VTE;3° categorie III : 1,30 VTE;4° categorie IV : 1,60 VTE;5° categorie V : 2 VTE;6° categorie VI : 2,50 VTE;7° categorie VII : 3,00 VTE. Voor de centra die vrijwillige zwangerschapsonderbrekingen hebben uitgevoerd gedurende de referentieperiode voor de bepaling van de erkenningscategorie, wordt de in het eerste lid bedoelde bezoldigde betrekking verhoogd als volgt : 1° voor het centrum dat 1 tot 99 vrijwillige zwangerschapsonderbrekingen heeft uitgevoerd : 0,7 bijkomende VTE;2° voor het centrum dat 100 tot 199 vrijwillige zwangerschapsonderbrekingen heeft uitgevoerd : 1,1 bijkomende VTE;3° voor het centrum dat 200 en meer vrijwillige zwangerschapsonderbrekingen heeft uitgevoerd : 1,5 bijkomende VTE. De subsidies mogen niet hoger zijn dan de weddeschalen vermeld in bijlage 24, verhoogd met de werkgeverslasten.

Het centrum verdeelt die subsidieerbare arbeidsduur onder de leden van zijn personeel die houder zijn van één van de diploma's bedoeld in het derde, vierde, vijfde en zesde lid van artikel 192 van het decreetgevend Wetboek.

Er kunnen subsidies verleend worden voor een persoon die houder is van een andere titel voor zover hiervan melding gemaakt wordt in het erkenningsbesluit, alsook van de arbeidsduur die voor hem voorzien wordt. § 2. De weddeschalen opgenomen in bijlage 35 worden geïndexeerd overeenkomstig de regels die van toepassing zijn op de sector. § 3. Binnen de perken van de aan de werkgevers opgelegde verplichtingen worden toelagen verleend ter dekking van volgende uitgaven i.v.m. het personeel bedoeld in dit artikel : 1° de eindejaarstoelage en het vakantiegeld, beperkt volgens de regels die toepasselijk zijn op de personeelsleden van de Regeringsdiensten;2° de vooropzegvergoeding wanneer de vooropzeg gepresteerd wordt;3° de sociale werkgeversbijdragen;4° de reiskosten tussen de woonplaats en de werkplaats voor zover de werknemer het openbaar vervoer gebruikt volgens de regels die toepasselijk zijn op de personeelsleden van de Regeringsdiensten;5° het globale bedrag van de arbeidsongevalverzekeringen, burgerlijke aansprakelijkheid (BA prof + BA exploi - BA ondernemingen); 6° de uitgaven i.v.m. de verplichtingen bedoeld in de wet van 4 augustus 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 04/08/1996 pub. 21/10/1999 numac 1999015088 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met het Protocol tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Franse Republiek betreffende het kraamgeld, ondertekend te Brussel op 26 april 1993 type wet prom. 04/08/1996 pub. 08/06/2005 numac 2005015073 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Gabon tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, onderteken type wet prom. 04/08/1996 pub. 24/07/1997 numac 1996015142 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende goedkeuring van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Arabische Republiek Egypte tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen, ondertekend te Kaïro o sluiten betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, gefactureerd door de interne of externe dienst voor bescherming en preventie op het werk; 7° het geld verschuldigd aan een werknemer in geval van arbeidsduurvermindering, met uitzondering van de vergoedingen in geval van contractbreuk.

Art. 307.§ 1. Tussentijdse verhogingen worden toegekend voor effectieve diensten die beschouwd kunnen worden als nuttige ervaring en die het personeel eerder gepresteerd heeft bij instellingen erkend of gesubsidieerd door een overheid onder Belgisch, buitenlands of internationaal recht.

De Minister beoordeelt of de diensten bedoeld in het eerste lid uit hoofde van betrokkene als nuttige ervaring beschouwd kunnen worden. § 2. Het deeltijds geworven personeelslid krijgt de tussentijdse verhogingen op dezelfde manier als een voltijds geworven personeelslid.

Art. 308.§ 1. De in aanmerking komende diensten die volle maanden bestrijken, komen rechtstreeks in aanmerking voor de geldelijke anciënniteit.

De toegelaten dienstprestaties die delen van maanden dekken, worden op het einde van het jaar opgeteld.

Delen van maanden die periodes van dertig dagen uitmaken worden te gelde gemaakt in de geldelijke anciënniteit ten belope van één maand per periode van dertig dagen. § 2. De anciënniteiten worden in aanmerking genomen in de maand van de overlegging van voor echt verklaarde documenten waarin melding wordt gemaakt van o.a. de naam en de geboortedatum van het personeelslid, de naam van de werkgevers, het doel van de dienst en de aard van de betrekking, het statuut, het aantal gepresteerde uren, alsook het bewijs dat deze diensten erkend of gesubsidieerd waren door de overheden of instellingen bedoeld in § 307, § 1.

Art. 309.De uitgaven in verband met de psychologische, juridische en seksuologische verstrekkingen en met de diensten die de adviseurs voor huwelijksproblemen in het kader van een aannemingscontract verstrekken, komen in aanmerking ten belope van een forfaitair bedrag van 30 euro per subsidiabel gepresteerd uur.

Dat bedrag wordt jaarlijks op 1 januari geïndexeerd en door de Minister aan de centra meegedeeld.

Het aantal subsidieerbare uren wordt aan het centrum toegekend op grond van de categorie waaronder het ingedeeld is, en wordt vastgelegd als volgt : Categorie I : 100 uren Categorie II : 243 uren Categorie III : 358 uren Categorie IV : 460 uren Categorie V : 600 uren Categorie VI : 740 uren Categorie VII : 880 uren De krachtens het eerste lid toegekende toelagen kunnen gebruikt worden voor de betaling van de kosten van het bezoldigde personeel van het centrum als aanvulling van de krachtens de artikelen 306 tot 308 verleende toelagen.

Om in aanmerking te komen voor de uitgaven waarvoor toelagen toegekend kunnen worden, bevat de in lid 1 bedoelde bedrijfsovereenkomst die tussen de inrichtende macht en een zelfstandige dienstverlener gesloten wordt minstens de volgende gegevens : 1° de identificatie van de partijen;2° het doel, de duur en de frequentie van de dienstverlening;3° de plaats waar de dienst verleend wordt;4° de verplichtingen in verband met het gebruik van de algemene diensten en van de lokalen;5° het principe van de naleving van het decreet en van de bepalingen die overeenkomstig laatstgenoemde worden genomen;6° de modaliteiten voor de deelname aan het multidisciplinaire overleg;7° de duur van de overeenkomst;8° de voorwaarden voor de opzegging van de overeenkomst;9° de bevoegde instanties in geval van geschil. Onderafdeling 2 - Subsidies voor werkingskosten

Art. 310.§ 1. De subsidies die de werkingskosten dekken worden aan de centra toegekend naar gelang van de categorie waarin ze ingedeeld zijn en worden overeenkomstig de volgende minima vastgelegd : 1° categorie I : 4.460 euro; 2° categorie II : 16.100 euro; 3° categorie III : 19.830 euro; 4° categorie IV : 24.800 euro; 5° categorie V : 30.990 euro; 6° categorie VI : 37.180 euro; 7° categorie VII : 43.380 euro. § 2. De op basis van dit artikel toegekende toelagen kunnen dienen voor de betaling van : 1° personeelsuitgaven, met uitsluiting van de personeelsuitgaven gesubsidieerd krachtens artikel 207 van het decreetgevend deel van het Wetboek.Om in aanmerking te komen voor de op basis van dit artikel toegekende toelagen voor personeelsuitgaven worden geen kwalificatievereisten aan het personeel opgelegd. Desalniettemin gelden dezelfde weddeschalen en anciënniteitsregels als voor het gesubsidieerde personeel, zoals ze vastliggen in artikel 306; 2° de uitgaven betreffende de diensten verstrekt door zelfstandigen beroepsmensen, met uitsluiting van de uitgaven betreffende de door zelfstandige beroepsmensen verstrekte diensten gesubsidieerd krachtens artikel 208 van het decreetgevend deel van het Wetboek;3° de reis- en parkeerkosten in België, ten belope van de bedragen toegekend aan de personeelsleden van de Regeringsdiensten, voor zover het voorwerp van de verplaatsing duidelijk aangegeven wordt en voor zover een reisblad is opgesteld, met uitsluiting van de verplaatsingen tussen de woonplaats en de werkplaats van het personeel;4° de kosten voor internet- en telefoonaansluitingen en -verkeer; 5° de kantoorkosten, o.a. voor onderhoudsproducten, zegels, documentatie, kantoorbenodigdheden, papier; 6° wasserijkosten, kosten voor de verwijdering van afval, voor sociaal secretariaat, voor boekhoudkundig beheer; 7° de kosten m.b.t. de bijdrage aan een federatie van erkende centra, alsook aan elke andere instelling in verband met de opdrachten van de centra voor levens- en gezinsvragen; 8° de aankoop van materieel voor een maximumbedrag van 500 euro, voor zover het gebruik ervan in verband staat met de uitoefening van de opdrachten; 9° de lasten in verband met : a) het bewonen van een gebouw of een gebouwgedeelte, met inbegrip van de lasten i.v.m. het gebruik van het goed (stroom, verwarming, water, gas), voor zover ze voor de huurcentra voortvloeien uit een huurovereenkomst in goede en behoorlijke vorm; b) de afschrijving of de inrichtingswerken betreffende het onroerende goed aangekocht of gebouwd door een erkend centrum, zoals bedoeld in artikel 206 van het decreetgevend deel van het Wetboek.Als het gebouw voor andere activiteiten dient dan die welke door de toelage gefinancierd worden, moeten de lasten verdeeld worden ofwel naar gelang van de gebruiksduur voor de gefinancierde activiteit, of naar gelang van de voor die activiteit vereiste oppervlakte; 10° de kosten voor de inschrijving op colloquia of vormingen, de reis- en verblijfkosten toegekend op dezelfde grond als die toegekend aan de personeelsleden van de Regeringsdiensten;11° wanneer de inschrijvingskosten voor een colloquium of een vorming hoger zijn dan de som van vijfhonderd euro, jaarlijks geïndexeerd op 1 januari met verwijzing naar de gezondheidsindex van 1 januari 2010, of wanneer het colloquium of de vorming in het buitenland plaatsvindt, moet de voorafgaande toestemming van de Regeringsdiensten aangevraagd worden en vergezeld gaan van het programma en van een specifieke begroting om in aanmerking te worden genomen;12° de diverse taksen en de verzekeringen die niet betrekking hebben op het personeel;13° de kosten in verband met informatie over de activiteiten van het centrum en de verstrekking ervan;14° de vormings- en supervisiekosten;15° de cafetariakosten voor een jaarlijks maximumbedrag van : a) honderdvijfentwintig euro voor de centra van 1e, 2e en 3e categorie;b) tweehonderdvijftig euro voor de overige centra;16° het gewone onderhoud van lokalen en kleine herstellingen. § 3. De afschrijving van goederen van het patrimoniale type met een schatbare gebruiksduur van meer dan één jaar komt als werkingskosten in aanmerking voor het voordeel van de toelagen en wordt berekend als volgt : 1° tien jaar voor het meubilair;2° drie jaar voor het informaticamateriaal;3° vijf jaar voor de overige kantooruitrustingen;4° drie jaar voor software. Het afschrijvingsplan wordt pas in aanmerking genomen als het in de boekhouding opgenomen is. Zoniet komt de aankoop van materiaal niet in aanmerking voor de toelage. § 4. Volgende kosten worden in geen geval als werkingskosten in aanmerking genomen : 1° kosten voor taxiritten;2° restaurant-, traiteur- of overnachtingskosten;3° de uitgaven verricht in de vorm van een forfaitair bedrag zonder detail van de prestaties;4° de aankoop van voertuigen;5° de vertegenwoordigingskosten;6° het medische materiaal, voor consumptie geschikte goederen en elke uitgave ten laste van het RIZIV;7° de eventuele terugbetaling van vrijwilligers;8° bankinteresten. § 5. De bedragen bedoeld in § 1 worden jaarlijks op 1 januari geïndexeerd op grond van de gezondheidsindex van 1 januari 1998 en door de Minister aan de centra meegedeeld.

Onderafdeling 3 - Vereffening

Art. 311.De subsidies worden gestort in vier driemaandelijkse voorschotten van 22,5 % wat betreft de werkingssubsidies en de subsidies voor de prestaties van de zelfstandige vaklui en van 20 % wat betreft de subsidies voor het bezoldigde personeel.

Voor de vereffening van het saldo worden de bewijsstukken i.v.m. de uitgaven uiterlijk 30 april van het jaar dat volgt op het jaar waarvoor de subsidie is toegekend aan de administratie overgelegd.

Het door de administratie meegedeelde saldo wordt uiterlijk 31 oktober vereffend.

Als na onderzoek van de bewijsstukken blijkt dat documenten onvolledig zijn of ontbreken, wordt het centrum door de Regeringsdiensten ingelicht en beschikt het over tien dagen om orde op zaken te stellen.

Na afloop van die termijn wordt het onderzoek van het dossier bij gebrek aan antwoord als dusdanig voortgezet.

Er kan evenwel een gerechtvaardigde aanvraag tot verlenging van de termijn met 10 dagen ingediend worden.

Wanneer de Regeringsdiensten klaar zijn met het onderzoek van de stukken die het gebruik van de toelage rechtvaardigen, delen ze de conclusies mee aan de inrichtende macht van het centrum, die met ingang van de verzenddatum over vijftien dagen beschikt om zijn opmerkingen mee te delen.

Na onderzoek van die opmerkingen betekenen de Regeringsdiensten de beslissing aan de dienst met melding van alle rechtsmiddelen. Afdeling 3 - Weigering, schorsing en intrekking van de erkenning of de

subsidie

Art. 312.Wanneer een erkend centrum de bepalingen van de artikelen 183 tot en met 218 van het decreetgevend deel van het Wetboek of van deze titel niet in acht neemt, kan de Minister beslissen hetzij de erkenning in te trekken, hetzij de toelagen te verminderen of te schorsen, of de erkenning te schorsen.

Art. 313.Het centrum ten opzichte waarvan wordt overwogen één van de in artikel 312 bedoelde beslissingen te nemen, wordt daarvan op de hoogte gebracht. Het wordt verzocht zijn opmerkingen schriftelijk in te dienen binnen een termijn van vijftien dagen na ontvangst van het voorstel van beslissing. Deze opmerkingen worden aan de "Commission wallonne de la Famille" overgemaakt.

Het dossier met het voorstel van beslissing en de schriftelijke opmerkingen van het centrum worden aan de "Commission wallonne de la Famille" gestuurd.

De beslissing wordt genomen binnen twee maanden na ontvangst van het advies van de "Commission wallonne de la famille". De datum van inwerkingtreding, de duur en, als het om een vermindering van de toelagen gaat, het bedrag ervan worden er onder andere in aangegeven.

Art. 314.Indien beslist wordt de erkenning te weigeren of in te trekken, wordt daarvan bij aangetekend schrijven kennis gegeven aan de aanvrager.

Art. 315.Wanneer een centrum niet kan bewijzen dat het over één kalenderjaar het aantal activiteiten verricht heeft dat overeenstemt met de categorie waarvoor het erkend is, wordt de toelage verminderd naar verhouding van de activiteiten die werkelijk gepresteerd werden. Afdeling 4 - Activiteitenverslag

Art. 316.Aan het einde van elk jaar bezorgt het centrum het bestuur een activiteitenverslag dat moet stroken met het model opgenomen als bijlage 34. Afdeling 5 - Boekhoudplan

Art. 317.Het centrum keurt het genormaliseerde boekhoudplan goed dat opgemaakt is op grond van de wetgeving op de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingen. HOOFDSTUK III. - Federaties van centra

Art. 318.De Minister erkent de federaties van centra bedoeld in artikel 218 van het decreetgevend Wetboek.

Om erkend te worden, telt een federatie minstens twaalf erkende centra. HOOFDSTUK IV. - Decentralisatie

Art. 319.Binnen de perken van de beschikbare kredieten kan de Regering een multidisciplinair team toelaten om in verschillende zetels te werken, voor zover ze inspeelt op bijzondere plaatselijke omstandigheden en op de specifieke behoeften van de bevolking. Dat werkingsmechanisme heet " decentralisatie ".

De artikelen 292 tot 298 zijn toepasselijk op de decentralisaties. Wat betreft de minimumduur van de prestaties met verplichte aanwezigheid van de dienstverleners, alsook de animaties bedoeld in artikel 294 en de toegankelijkheid bedoeld in artikel 296, wordt de decentralisatie gedurende de eerste twee werkingsjaren onderworpen aan de vereisten die aan de centra van categorie 1 opgelegd worden.

Indien de gecumuleerde activiteiten van het centrum en van de decentralisatie ervan één of meer categoriesprongen rechtvaardigen, moeten vanaf het derde jaar de aan die vooruitgang gekoppelde vereisten vervuld worden : 1° door de decentralisatie indien de door haar ontwikkelde activiteiten met een hogere categorie stroken, overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 302 en 303;2° door het centrum indien de door hem ontwikkelde activiteiten met een hogere categorie stroken, overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 313 en 314;3° door degene die gedurende het vorige jaar de grootste vooruitgang heeft geboekt in de veronderstelling dat hun respectieve activiteiten voor geen van beide een categoriesprong op basis van de bepalingen van de artikel 313 en 314 tot gevolg heeft. In elk geval mogen de aan het centrum en/of aan de decentralisatie ervan opgelegde vereisten niet strenger of milder zijn dan degene die overeenstemmen met de bijkomende middelen toegekend ingevolge de categoriesprong berekend op basis van de optelling van de activiteiten van het centrum en van de decentralisatie ervan.

TITEL IV. - Hulpdienst voor gezinnen en bejaarde personen HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Art. 320.In de zin van deze titel wordt verstaan onder : 1° gemeenten met een lage bevolkingsdichtheid : de gemeenten met een bevolkingsdichtheid van 120 inwoners per km 2 of minder. De bevolkingsdichtheid wordt bepaald op grond van : a) de oppervlakte van de gemeenten, zoals meegedeeld door de Centrale Administratie van het Kadaster van het Ministerie van Financiën;b) de cijfers van de werkelijke bevolking per gemeente op 1 januari van bedoeld jaar, zoals bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad door het Directoraat-generaal Statistiek en Economische informatie van de Federale Overheidsdienst Economie;2° begeleidingsverantwoordelijke : een maatschappelijk assistent, een gegradueerde sociaal verpleger of een gegradueerde verpleger gespecialiseerd in communautaire of in openbare gezondheid.

Art. 321.Het als bijlage 37 opgenomen statuut van gezinshelp(st)er, alsook beide bijlagen erbij zijn aangenomen.

Art. 322.Het statuut van gezinshelp(st)er is op de bejaardenhelp(st)er toepasselijk binnen de perken van artikel 698 van het decreetgevend deel van het Wetboek.

Art. 323.Het als bijlage 38 opgenomen statuut van thuisoppasser, alsook beide bijlagen erbij zijn aangenomen.

Art. 324.De als bijlage 39 opgenomen lijst van de structuren voor huisvesting en collectief onthaal, bedoeld in artikel 219, 8°, van het decreetgevend deel van het Wetboek, is aangenomen.

Art. 325.De overeenkomstig artikel 235 van het decreetgevend deel van het Wetboek aan te wijzen dienst is de administratie.

Art. 326.De titel van de opleidingen die in het kader van artikel 228 van het decreetgevend deel van het Wetboek erkend worden kan nader bepaald worden door de Minister. HOOFDSTUK II. - Comité voor de begeleiding van de opleidingen

Art. 327.Het comité voor de begeleiding van de opleidingen bedoeld in artikel 230, § 4, van het decreetgevend deel van het Wetboek is samengesteld uit de volgende gewone en plaatsvervangende leden die de Minister aanwijst : 1° twee vertegenwoordigers van de administratie;2° één vertegenwoordiger per werkgeversfederatie;3° één vertegenwoordiger per representatieve organisatie van de werknemers van de privé-sector en de openbare sector : a) voor de privé-sector;F.G.T.B., C.S.C.-C.N.E. en C.G.S.L.B.; b) voor de openbare sector;C.G.S.P.-admi., C.S.C.-Openbare diensten., S.L.F.P.; 4° één vertegenwoordiger van de "Association paritaire pour l'Emploi et la Formation" (Paritaire vereniging Tewerkstelling en Opleiding);5° één vertegenwoordiger van het "Agence wallonne pour l'Intégration des Personnes handicapées" (Waals agentschap voor de Integratie van de Gehandicapte Personen);6° één vertegenwoordiger van de " Commission wallonne de la Famille ".

Art. 328.Het comité voor de begeleiding van de opleidingen legt de inhoud van de voortgezette opleiding van de begeleidingsverantwoordelijken bij ter post aangetekend schrijven ter goedkeuring aan de Minister voor. De Minister deelt zijn beslissing aan het comité mee binnen twee maanden na het voorstel. In geval van afkeuring rechtvaardigt de Minister zijn beslissing en doet het comité binnen drie maanden na de beslissing een nieuw voorstel.

De permanente opleiding bedoeld in artikel 230, § 4, van het decreetgevend deel van het Wetboek kan door de dienst toegankelijk gemaakt worden voor de ervaren gezinshelp(st)ers die onlangs in dienst genomen gezinshelp(st)ers begeleiden. HOOFDSTUK III. - Erkenning Afdeling 1 - Algemeen beginsel

Art. 329.De Minister is verantwoordelijk voor de beslissing tot erkenning, intrekking en opschorting van de erkenning. Afdeling 2 - Voorwaarden

Art. 330.Met de gezinshelp(st)er wordt gelijkgesteld de bejaardenhelp(st)er in het bezit van een bezoekattest afgeleverd door de dienst die een bijscholingscursus van 80 uren heeft georganiseerd, waaronder 40 uren psychologie, 12 uren kinderverzorging, 10 uur sociale wetgeving, 10 uren gezinseconomie, 8 uur beroepsethiek. Deze opleidingscursus is het voorwerp van een gunstig rapport van de administratie.

Art. 331.§ 1. De thuisoppassers tewerkgesteld op 1 januari 2004 in een erkende hulpdienst voor gezinnen en bejaarde personen die niet over de vereiste kwalificaties beschikken en die tegen 1 januari 2004 gedurende minstens één jaar het beroep van thuisoppas onder arbeidscontract hebben uitgeoefend, mogen hun functie blijven uitoefenen voor zover ze een afschrift van hun contract aan de administratie afgeven. § 2. De houders van een kwalificerende thuisoppasopleiding gesubsidieerd door het Europees Sociaal Fonds of in het kader van het project Now (onderwijs sociale promotie) die uiterlijk 31 december 2008 in dienst genomen zijn, mogen het beroep van thuisoppas uitoefenen op voorwaarde dat ze binnen vier jaar na hun insdienstneming slagen voor de opleiding veelzijdige hulp of dat hen een bekwaamheidsattest inzake gezinshulp afgeleverd wordt na een opleidingscyclus gezinshelp(st)er georganiseerd door een opleidingscentrum erkend op grond van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 13 november 1990 betreffende de inrichting van de opleidingscentra voor gezinshelp(st)ers.

Art. 332.§ 1. De dienst zorgt krachtens een arbeidsovereenkomst of op basis van een openbaar statuut voor de volgende minimale tewerkstelling : 1° 0,026 voltijds equivalent begeleidingsverantwoordelijke per aangesneden schijf van 1 000 uren hulpverlening in het dagelijkse leven die voor subsidies in aanmerking komen en die in het voorafgaande jaar door de dienst gepresteerd werden, met een minimum van 0,25 voltijds equivalent;2° 0,017 voltijds equivalent administratief bediende per aangesneden schijf van 1 000 uren hulpverlening in het dagelijkse leven die voor subsidies in aanmerking komen en die in het voorafgaande jaar door de dienst gepresteerd werden, met een minimum van 0,25 voltijds equivalent. § 2. De dienst zorgt krachtens een arbeidsovereenkomst of op basis van een openbaar statuut voor de volgende minimale tewerkstelling : 1° 0,038 voltijds equivalent begeleidingsverantwoordelijke per voltijds equivalent thuisoppas en gemiddeld minder tewerkgesteld over het jaar;2° 0,025 voltijds equivalent administratief bediende per voltijds equivalent thuisoppas en gemiddeld minder tewerkgesteld over het jaar. HOOFDSTUK IV. - Subsidiëring Afdeling 1 - Dienstcontingent

Art. 333.De toelagen worden toegekend met inachtneming van de beschikbare kredieten.

Voor de toekenning van de subsidies bedoeld in de artikelen 338 en 341 en volgende bepaalt de Minister jaarlijks en per dienst het maximumaantal subsidieerbare activiteitenuren inzake hulpverlening in het dagelijkse leven, ook "dienstcontingent" genoemd.

Onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 334, 335 en 336 is het contingent dat aan een dienst toegekend wordt gelijk aan het contingent dat in de loop van het vorige jaar aan de dienst toegekend werd. Het contingent wordt uiterlijk 1 mei van bedoeld jaar aan de diensten meegedeeld.

Art. 334.De dienst wordt in categorie A ingedeeld indien het contingent dat het jaar tevoren gebruikt werd gelijk is aan 100 % of meer van het gemiddelde van de contingenten die hem de twee laatste jaren werden toegekend.

De dienst wordt in categorie B ingedeeld indien het contingent dat het jaar tevoren gebruikt werd gelijk is aan 97 % en kleiner is dan 100% van het gemiddelde van de contingenten die hem de twee laatste jaren werden toegekend.

De dienst wordt in categorie C ingedeeld indien het contingent dat het jaar tevoren gebruikt werd kleiner is dan 97 % van het gemiddelde van de contingenten die hem de twee laatste jaren werden toegekend.

Art. 335.De dienst van categorie A komt in aanmerking voor een bijkomend contingent bovenop het contingent dat hem het jaar tevoren overeenkomstig artikel 336, §§ 1 en 2 toegekend werd.

De dienst van categorie B komt in aanmerking voor het contingent dat hem het jaar tevoren toegekend werd.

De dienst van categorie C komt in aanmerking voor een contingent gelijk aan 103 % van het contingent dat hij het jaar tevoren gebruikt heeft, beperkt tot het contingent dat hem het jaar tevoren toegekend werd.

Voor de diensten die in de loop van het jaar tevoren erkend werden is het contingent gelijk aan het contingent van het jaar tevoren.

Art. 336.§ 1. De overeenkomstig de artikelen 334 en 335 gerecupereerde uren worden in twee delen gesplitst, 65 % voor het deel bedoeld in § 2 en 35 % voor het deel bedoeld in § 3. § 2. Het eerste deel van de overeenkomstig de artikelen 334 en 335 gerecupereerde uren, waaraan het eventuele verschil tussen het tijdens bedoeld jaar toe te kennen aantal uren en de som van de tijdens het jaar tevoren toegekende contingenten toegevoegd wordt, wordt binnen elke sector herverdeeld als volgt : 1° een contingent van maximum 5 000 uren wordt toegekend per tijdens bedoeld jaar erkende dienst, met een maximum van 15 000 uren in totaal voor beide sectoren;2° het saldo van de te herverdelen uren wordt tussen de diensten van categorie A verdeeld als volgt : a) 50 % van het aantal uren wordt tussen de Waalse gemeenten verdeeld naar verhouding van het aantal inwoners van elke gemeente voor zover minstens één dienst van betrokken sector actief is in de gemeente;het aantal uren per gemeente wordt tussen de erkende diensten die in de gemeente actief zijn verdeeld naar verhouding van de aantallen uren gepresteerd door elk van hen in die gemeente twee jaar tevoren.

In de gemeenten waar geen enkele dienst van categorie A twee jaar tevoren actief was, wordt het aantal uren tussen de erkende diensten van categorie B die in de gemeente actief waren verdeeld naar verhouding van de aantallen uren gepresteerd door elk van hen in die gemeente twee jaar tevoren.

Voor de gemeenten waar geen enkele dienst van categorie A of B twee jaar tevoren actief was wordt het aantal uren toegevoegd aan de gerecupereerde uren bedoeld in § 3 van dit artikel; b) 50 % van het aantal uren wordt gelijk verdeeld tussen alle erkende diensten van categorie A en bij voorrang gepresteerd bij personen van 75 jaar en meer, alsook bij personen die in aanmerking komen voor de verhoogde tussenkomst of voor het OMNIO-statuut bedoeld in artikel 37, § 1, tweede en derde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994. § 3. Het tweede deel van de uren die in beide sectoren, de private en de openbare, overeenkomstig de §§ 2 en 3 gerecupereerd werden, wordt tussen de diensten van categorie A herverdeeld naar rato van de overschrijding ervan.

Art. 337.Na kennisgeving van de contingenten kunnen diensten een overeenkomst sluiten om de eventuele uren die in het kader van de perken van hun contingent niet gebruikt worden, aan te wenden ten gunste van de partijen bij de overeenkomst die hun contingent zouden overschrijden. Van die overeenkomst wordt kennis gegeven aan de Minister voor 1 oktober van bedoeld jaar.

Art. 338.Voorzover de beschikbare kredieten het toelaten en onverminderd de artikelen 333 tot en met 336, genieten de activiteiten verricht door diensten boven de grenzen van hun contingent de subsidies bedoeld in de artikelen 341, 343 en 344, eventueel naar evenredigheid verminderd. Afdeling 2 - Soorten specifieke subsidies en toekenningsvoorwaarden

Onderafdeling 1 - Subsidies voor cursussen, vergaderingen en verdeling van maaltijden

Art. 339.§ 1. De subsidies toegekend overeenkomstig artikel 246 van het decreetgevend deel van het Wetboek worden slechts verleend indien minstens zes gezinshelp(st)ers aan de bijscholingscursussen deelnemen.

Die cursussen vinden plaats tijdens de normale werkuren.

De deelname bedoeld in het eerste lid mag minder dan zes gezinshelp(st)ers betreffen indien de cursus multidisciplinair is en indien minstens drie gezinshelp(st)ers en drie andere vakspecialisten inzake sociale actie eraan deelnemen.

De Minister kan een afwijking van deze paragraaf toekennen op basis van het bewijsdossier dat hem door de dienst overgemaakt wordt en waarin het thema van de opleiding waarvoor een afwijking aangevraagd wordt, de doelstellingen en de redenen van de aanvraag tot afwijking vermeld worden. § 2. De vervolmakingscursus moet minstens twee uren duren. § 3. De administratie moet minstens vijftien dagen vóór de aanvang van de cursussen in kennis gesteld worden van de organisatie en het programma van de cursus alsook van de eventuele aanvraag om afwijking. § 4. De diensten besteden minstens 1,47 % en hoogstens 4 % van hun contingent aan de organisatie van bijscholingscursussen, verhoogd met de activiteit van de gezinshelp(st)ers tewerkgesteld in het kader van elke maatregel inzake tewerkstellingshulp. Zoniet zullen ze een strafmaatregel opgelegd krijgen die overeenstemt met het product van de vermenigvuldiging van het aantal ontbrekende uren met de gemiddelde uurtoelage. § 5. De dienst maakt voor minstens een jaar een plan inzake de opleiding van gezinshelp(st)ers en thuisoppassers op. Zoals bepaald bij de regelgeving inzake arbeidsrecht wordt het plan voor advies aan de ondernemingsraad/het overlegcomité of, zoniet, aan de vakbondsafvaardiging onderworpen en voor 31 januari van bedoeld jaar aan de administratie overgelegd.

Art. 340.§ 1. Om in aanmerking te komen voor de subsidie bedoeld in artikel 242 van het decreetgevend deel van het Wetboek besteden de diensten minstens 1 % en hoogstens 5 % van hun contingent aan de organisatie van de vergaderingen bedoeld in artikel 246 van het decreetgevend deel van het Wetboek, verhoogd met de activiteit van de gezinshelp(st)ers tewerkgesteld in het kader van elke maatregel inzake tewerkstellingshulp, waarvan maximum 1 % besteed wordt aan de vergaderingen inzake sociaal overleg en het saldo aan de vergaderingen betreffende de organisatie van de dienst, de verplichtingen van de arbeidsgeneeskunde, de toestand van de rechthebbenden, de verbeteringen die aangebracht moeten worden aan de functie en de begeleiding van de onlangs in dienst genomen gezinshelp(st)ers.

Zoniet zullen ze een strafmaatregel opgelegd krijgen die overeenstemt met het product van de vermenigvuldiging van het aantal ontbrekende uren met de gemiddelde uurtoelage.

In voorkomend geval worden de notulen die opgemaakt worden in het kader van de vergaderingen bedoeld in het eerste lid op de activiteitenzetel bewaard. § 2. Om in aanmerking te komen voor de subsidie, mag de in artikel 247 van het decreetgevend deel van het Wetboek bedoelde activiteit niet zes uren per dag en per gezinshelp(st)er overschrijden en wordt ze voor 2 prestaties per dag en per gezinshelp(st)er geteld, overeenkomstig artikel 343.

Onderafdeling 2 - Subsidie voor hulpverlening in het kader van dagelijkse handelingen

Art. 341.In het kader van het gebruik van het contingent bestaat de subsidie : 1° voor de diensten die onder de private sector ressorteren, uit een forfaitair bedrag van 21,1016 euro per gepresteerd uur, als tegemoetkoming in de loonlasten van de gezinshelp(st)ers;dat bedrag wordt met 0,4819 euro vermeerderd voor de uren gepresteerd door de gezinshelp(st)ers van wie de anciënniteit die voor de berekening van hun wedde in aanmerking genomen wordt minstens 8 jaar en minder dan 14 jaar bedraagt, met 1,4846 euro voor de uren gepresteerd door de gezinshelp(st)ers van wie de anciënniteit die voor de berekening van hun wedde in aanmerking genomen wordt minstens 14 jaar en minder dan 20 jaar bedraagt, met 1,8830 euro voor de uren gepresteerd door de gezinshelpers van wie de anciënniteit die voor de berekening van hun wedde in aanmerking genomen wordt 20 jaar en meer bedraagt; 2° voor de diensten die onder de openbare sector ressorteren, uit een forfaitair bedrag van 20,2197 euro per gepresteerd uur, als tegemoetkoming in de loonlasten van de gezinshelp(st)ers;dat bedrag wordt met 2,3665 euro vermeerderd voor de uren gepresteerd door de gezinshelp(st)ers van wie de anciënniteit die voor de berekening van hun wedde in aanmerking genomen wordt minstens 8 jaar en minder dan 14 jaar bedraagt, met 4,0911 euro voor de uren gepresteerd door de gezinshelp(st)ers van wie de anciënniteit die voor de berekening van hun wedde in aanmerking genomen wordt minstens 14 jaar en minder dan 20 jaar bedraagt, met 4,6378 euro voor de uren gepresteerd door de gezinshelpers van wie de anciënniteit die voor de berekening van hun wedde in aanmerking genomen wordt 20 jaar en meer bedraagt. Voor de diensten georganiseerd door een openbare dienst die de bij het RGB vastgelegde schaal D1.1 noch de schaal D2 toepast op de gezinshelp(st)ers wanneer hij niet onderworpen is aan een beheersplan dat onder het Tonus-plan valt, worden de bedragen 2,3665 euro, 4,0911 euro en 4,6378 euro respectievelijk 0,4969 euro, 1,5570 euro en 1,7651 euro; 3° voor de diensten die onder de openbare sector vallen, wordt een forfaitair bedrag toegekend per uur gepresteerd door gezinshelp(st)ers die een bepaalde leeftijd bereikt hebben op 1 januari van het jaar dat in aanmerking genomen wordt voor de toekenning van de subsidies.Dat bedrag wordt verleend voor de financiering van de toekenning van bijkomende verlofdagen aan de betrokken gezinshelp(st)ers en mits compenserende indienstneming. Het varieert naar gelang van de leeftijd bereikt door de gezinshelp(st)er zoals aangegeven in onderstaande tabel :

Leeftijd

52

53

54

55

56

57

58

Verlofdagen

5

8

10

13

15

18

20

Subsidie/u

€ 0,8432

€ 1,3724

€ 1,7353

€ 2,2958

€ 2,6805

€ 3,2752

€ 3,6838


4° een bijkomend forfaitair bedrag van 4,1021 euro per uur gepresteerd tussen 6 uur en 8 uur en tussen 18 uur en 20 uur, een bijkomend forfaitair bedrag van 7,1787 euro per uur gepresteerd tussen 20 uur en 21 uur 30, een bijkomend forfaitair bedrag van 11,4859 euro per uur gepresteerd op zon- en feestdagen en een bijkomend forfaitair bedrag van 5,3328 euro per uur gepresteerd op zaterdagen. De activiteit van de gezins- en seniorenhelp(st)ers van wie de tewerkstelling gefinancierd wordt in het kader van elke maatregel inzake tewerkstellingshulp wordt in aanmerking genomen voor de toekenning van die subsidie.

Het aantal gesubsidieerde uren bedoeld in het eerste lid mag niet hoger zijn dan 4 % van het contingent van de dienst, verhoogd met de activiteit van de gezinshelp(st)ers tewerkgesteld in het kader van elke maatregel inzake tewerkstellingshulp.

De modaliteiten bedoeld in de artikelen 337 en 338 zijn toepasselijk op de uren bedoeld in het vorige lid.

Onderafdeling 3 - Bijkomende subsidie voor dunbevolkte gemeenten

Art. 342.§ 1. Er wordt een aanvullende subsidie van 0,1327 euro toegekend per uur gepresteerd ten gunste van gebruikers die in dunbevolkte gemeenten wonen. § 2. Deze subsidie kan toegekend worden voor alle activiteiten inzake hulpverlening in het dagelijkse leven die door de gezins- en bejaardenhelp(st)ers verricht worden, met uitzondering van de activiteiten bedoeld in de artikelen 246 en 247 van het decreetgevend deel van het Wetboek. De activiteit van de gezins- en seniorenhelp(st)ers van wie de tewerkstelling gefinancierd wordt in het kader van elke maatregel inzake tewerkstellingshulp wordt in aanmerking genomen voor de toekenning van die subsidie.

Onderafdeling 4 - Forfaitaire subsidie voor administratief personeel

Art. 343.De subsidie bevat een bijkomend forfaitair bedrag van 2,3197 euro per prestatie inzake hulpverlening in het dagelijkse leven, toegekend als tegemoetkoming in de kost van het administratief personeel. Per prestatie wordt verstaan een type taak die zonder onderbreking vervuld wordt.

Onderafdeling 5 - Forfaitaire subsidie voor verantwoordelijke van de begeleiding

Art. 344.De subsidie bevat een bijkomend forfaitair bedrag van 1,0079 euro dat toegekend wordt als tegemoetkoming in de loonkosten van de begeleidingsverantwoordelijken per uur gepresteerd door de gezins- en bejaardenhelp(st)ers.

Onderafdeling 6 - Forfaitaire subsidie voor thuisoppassers

Art. 345.De forfaitaire som bedoeld in artikel 251 van het decreetgevend deel van het Wetboek wordt vastgelegd op 4.448,3399 euro per jaar.

Onderafdeling 7 - Forfaitaire subsidie voor thuisoppassers en gezinshelpsters in dewerkgelegenheidsbevordering

Art. 346.De forfaitaire som bedoeld in artikel 252 van het decreetgevend deel van het Wetboek wordt vastgelegd op 1.082,4322 euro per jaar.

Onderafdeling 8 - Forfaitaire subsidies voor verplaatsingskosten

Art. 347.De dienst ontvangt een forfaitaire subsidie van 0,0899 euro per beroepskilometer afgelegd door : 1° de werknemers van de dienst die vallen onder het toepassingsveld van de collectieve arbeidsovereenkomst van de paritaire subcommissie voor de diensten van de gezinshelp(st)ers en bejaardenhelp(st)ers betreffende de classificatie en de loonschalen, met uitzondering van de werknemers bedoeld in artikel 2 van de wet van 20 juli 2001Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/07/1975 pub. 30/06/2010 numac 2010000387 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten5 tot bevordering van buurtdiensten en -banen;2° door de gezinshelp(st)ers en de thuisoppassers van de openbare diensten. Onderafdeling 9 - Tegemoetkoming voor bijkomende verlofdagen

Art. 348.Als tegemoetkoming in de kost van de toekenning van bijkomende verlofdagen ontvangt de dienst die onder de private sector ressorteert een jaarlijkse forfaitaire subsidie van 501,9514 euro per voltijds equivalent werknemer vallend onder het toepassingsveld van de collectieve arbeidsovereenkomst van de paritaire subcommissie voor de diensten van de gezinshelp(st)ers en bejaardenhelp(st)ers betreffende de classificatie en de loonschalen, met uitzondering van de werknemers bedoeld in de artikelen 11, 16 en 17 en van de werknemers bedoeld in artikel 2 van de wet van 20 juli 2001Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/07/1975 pub. 30/06/2010 numac 2010000387 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten5 tot bevordering van buurtdiensten en -banen.

De diensten die onder de openbare sector ressorteren ontvangen een jaarlijks forfaitair bedrag van 501,9514 euro per voltijds equivalent help(st)er, met uitzondering van de werknemers bedoeld in artikel 338, en per voltijds equivalent thuisoppasser. Dat forfaitair bedrag wordt verhoogd voor de werknemers die een bepaalde leeftijd bereikt hebben op 1 januari van het jaar dat voor de toekenning van de subdidies in aanmerking genomen wordt. Dat bedrag wordt verleend voor de financiering van de toekenning van bijkomende verlofdagen aan de betrokken werknemers en mits compenserende indienstneming. Het bedrag varieert naar gelang van de leeftijd bereikt door de gezinshelp(st)er zoals aangegeven in onderstaande tabel :

Leeftijd

52

53

54

55

56

57

58

Verlofdagen

5

8

10

13

15

18

20

Subsidie/VTE

€ 1.139,23

€ 1.822,76

€ 2.278,45

€ 2.961,99

€ 3.417,68

€ 4.101,21

€ 4.556,90


Onderafdeling 10 - Koopkrachtondersteunende maatregelen voor de begunstigden

Art. 349.De erkende hulpdiensten voor gezinnen en bejaarde personen verlenen een vermindering van 0,40 euro per uur aan de rechthebbenden op hun activiteit inzake hulpverlening in het dagelijkse leven.

Een compenserende subsidie waarvan het bedrag gelijk is aan de toegekende verminderingen wordt aan elke erkende dienst toegekend.

De vermindering van 0,40 euro per uur wordt toegepast op de laatste uurkost vastgelegd overeenkomstig artikel 367 en de artikelen 219 tot en met 260 van het decreetgevend deel van het Wetboek waaraan uitvoering wordt gegeven. De vermindering van 0,40 euro wordt ook toegepast op de uurbijdrage vastgelegd overeenkomstig artikel 367, § 2.

De in aanmerking te nemen activiteit inzake hulpverlening in het dagelijkse leven is die gepresteerd door de gezins- en bejaardenhelp(st)ers van de erkende dienst, ongeacht de modaliteiten voor de financiering van het werk van die help(st)ers. Zodoende wordt, naast de activiteit inzake hulpverlening in het dagelijkse leven die overeenkomstig deze titel voor subsidies in aanmerking komt, rekening gehouden met de activiteit van de gezins- en bejaardenhelpers van wie de tewerkstelling gefinancierd wordt o.a. in het kader van het doorstromingsprogramma of van de verminderingen van de werkgeversbijdragen toegepast krachtens het koninklijk besluit van 18 juli 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/04/1965 pub. 02/08/2010 numac 2010000404 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten2 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector, hetzij in het kader van de maatregelen betreffende de A.P.E., van het plan Activa met geactiveerde werkloosheidsuitkering (arbeidsuitkering genoemd) en van artikel 60 van de wet betreffende de O.C.M.W.'s.

Art. 350.De subsidie wordt aan de erkende dienst betaald na indiening bij het Directoraat-generaal Sociale actie en Gezondheid van de subsidieaanvraag overeenkomstig artikel 357, waarbij worden gevoegd : 1° een verklaring op erewoord waaruit blijkt dat alle rechthebbenden op hulpverlening in het dagelijkse leven tijdens bedoelde periode een vermindering van 0,40 euro per uur hebben genoten;2° een overzicht van de activiteiten van de gezins- of bejaardenhelp(st)ers die niet voorkomen in voornoemde subsidieaanvraag;3° een verklaring van schuldvordering waarvan het bedrag gelijk is aan het product van de vermenigvuldiging van de uren die voor de vermindering in aanmerking gekomen zijn met het forfaitair bedrag van 0,40 euro. Die stukken worden behoorlijk ingevuld, gedagtekend en ondertekend.

De erkende dienst die de vermindering niet toekent aan zijn rechthebbenden verliest het voordeel van de subsidies waarin dit artikel voorziet voor de periode waarvoor ze toegekend had moeten worden. Afdeling 3 - Algemene voorwaarden

Art. 351.Om in aanmerking te komen voor de subsidie bedoeld in de artikelen 341, 343 en 344, mag het aantal uren tijdens dewelke de hulp verleend wordt aan de naaste hulpverlener van een rechthebbende niet hoger zijn dan 10 % van het aantal uren dat elk kwartaal aan de verzoeker toegekend wordt, met een maximum van 10 uur per kwartaal. De in artikel 240 van het decreetgevend deel van het Wetboek bedoelde bijdrage betreffende die uren wordt vastgelegd op hetzelfde bedrag als de bijdrage van de rechthebbende op de hulpverlening.

Art. 352.De bijdrage bedoeld in artikel 248 van het decreetgevend deel van het Wetboek wordt vastgelegd op 10 % van de persoonlijke bijdrage van de rechthebbende op de hulpverlening, zoals bedoeld in artikel 240 van het decreetgevend deel van het Wetboek.

De duur van de reis wordt in de activiteit die in aanmerking wordt genomen voor de toekenning van de toelagen in aanmerking genomen naar verhouding van een kwartier per verstrekking.

Art. 353.De Minister geeft de verschillende gesubsidieerde diensten jaarlijks voor 1 mei kennis van de forfaitaire subsidiebedragen die in de loop van het jaar toegepast worden.

Art. 354.De bedragen bedoeld in de artikelen 341, 342, 343 tot en met 346 en 359 worden jaarlijks aangepast naar gelang van de loonindexeringen die in de loop van het jaar zijn doorgevoerd bij de overheidsdiensten. Ze worden gekoppeld aan basisindex 110,52 (basis 2004), overschreden in augustus 2008.

Het bedrag bedoeld in artikel 347 wordt terzelfdertijd aangepast aan de evolutie van de zendingskosten van de werknemers bij de overheid en de evolutie ervan overeenkomstig artikel 13, vierde lid, van het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten.

Art. 355.Het aantal gepresteerde uren dat in aanmerking genomen moet worden voor de berekening van de subsidies bedoeld in de artikelen 341, eerste lid, 1° tot en met 3° en 344 mag per jaar en per help(st)er niet hoger zijn dan het aantal uren dat met een voltijds equivalent overeenstemt, rekening houdend met de wekelijkse arbeidsduur die vastligt in de collectieve arbeidsovereenkomst gesloten binnen de paritaire subcommissie 318.01/Comité C en de wettelijke of conventionele sectorale bepalingen betreffende de verlof- en feestdagen.

Het aantal prestaties bedoeld in artikel 343 wordt desgevallend verminderd naar rato van het aantal uren bedoeld in het vorige lid.

Art. 356.§ 1. De subsidies bedoeld in de artikelen 341, 343 en 344 worden niet toegekend wanneer de uurbijdrage die van de rechthebbende verlangd wordt klaarblijkelijk niet overeenstemt met de schaal bedoeld in artikel 240 van het decreetgevend deel van het Wetboek. Die schaal wordt door de Minister volgens een evenredigheidscriterium vastgelegd en aangepast aan de onroerende en roerende middelen, rekening houdend met de gezinslasten van de rechthebbende, alsook met andere te bepalen lasten.

De Minister kan, gelijktijdig met de toekenning van een subsidie die de prestaties van de in artikel 331, § 1, bedoelde werknemers dekt, een schaal vastleggen die op die prestaties toepasselijk is. § 2. Van de schaal bedoeld in de eerste paragraaf van dit artikel, alsook van het driemaandelijks aantal uren bedoeld in artikel 241 van het decreetgevend deel van het Wetboek mag slechts afgeweken op basis van een sociaal rapport dat bij de aanvraag gaat en dat uiterlijk de laatste dag van bedoeld eerste kwartaal door de dienst aan de administratie overgemaakt wordt. De Minister kan de minimuminhoud van dat rapport bepalen. § 3. De administratie verleent of weigert de in paragraaf twee bedoelde afwijking bij gemotiveerde beslissing. Die beslissing wordt binnen dertig dagen na de indiening van de aanvraag aan de dienst meegedeeld. Bij gebrek aan antwoord binnen die termijn wordt de afwijking beschouwd als verleend voor het eerste halfjaar waarop de aanvraag betrekking heeft. De administratie deelt haar goedkeuring mee in de vorm van een aantal bijkomende uren voor een semester. Daar het sociaal dossier minstens jaarlijks herzien moet worden, wordt de afwijking voor hoogstens twee semesters toegestaan.

Art. 357.De activiteiten van de gezinshelp(st)ers, de maatschappelijk en administratief werkers tewerkgesteld in het kader van het doorstromingsprogramma, alsook van de gezinshelp(st)ers van wie de tewerkstelling gefinancierd wordt in het kader van de verminderingen van de werkgeversbijdragen toegepast krachtens het koninklijk besluit van 18 juli 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/04/1965 pub. 02/08/2010 numac 2010000404 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten2 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector, alsook in het kader van het decreet van 25 april 2002Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/06/1969 pub. 24/01/2011 numac 2010000730 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten7 betreffende de tegemoetkomingen ter bevordering van de indienstneming van niet-werkende werkzoekenden door de plaatselijke, gewestelijke en gemeenschapsoverheden, door bepaalde werkgevers in de niet-commerciële sector, het onderwijs en de commerciële sector, hetzij in het kader van de maatregelen betreffende het plan Activa met geactiveerde werkloosheidsuitkering (arbeidsuitkering genoemd) en van artikel 60 van de wet betreffende de O.C.M.W.'s komen niet in aanmerking voor de subsidies bedoeld in de artikelen 341, eerste lid, 1° tot 3°, 343 en 344. Afdeling 4 - Procedure

Art. 358.Op straffe van verval moeten de diensten de in de artikelen 341, 340, 351, 343 en 344 bedoelde subsidies aanvragen binnen de maand na afloop van het kwartaal in de loop waarvan de prestaties verricht werden. Per kwartaal kunnen twee provisionele subsidies toegekend worden. Per kwartaal kunnen twee provisionele subsidies toegekend worden.

Het totaal van deze toelagen kan een bedrag bereiken dat berekend is op grond van 80 % van de activiteit van het voorlaatste semester en van de bedragen van de toelagen die voor het lopend jaar bepaald zijn.

De andere subsidies worden per kalenderjaar binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten aan de dienst betaald als volgt : 1° een voorschot van 80 % van de subsidie die het jaar tevoren werd betaald, na indiening van een behoorlijk ingevulde en getekende verklaring van schuldvordering;2° het saldo na overlegging van de bewijsstukken, uiterlijk 1 juni van het volgende jaar. De Minister bepaalt welke bewijsstukken verstrekt moeten worden. Afdeling 5 - Controle en activiteitenverslag

Art. 359.De Minister bepaalt welke lasten voor subsidies in aanmerking komen, legt de modellen van de in artikel 253 van het decreetgevend deel van het Wetboek bedoelde controledocumenten vast en bepaalt de in acht te nemen termijnen en procedure.

De ambtenaren bedoeld in artikel 41 van het decreet zijn de ambtenaren van de administratie.

Art. 360.Het centrum richt om de vijf jaar, en voor het eerst in 2012, voor de maand april een omstandig activiteitenrapport aan de administratie, met een overzicht van de activiteiten gevoerd in de loop van de laatste vijf jaar en de vooruitzichten voor de komende vijf jaar.

Dat activiteitenverslag wordt, in voorkomend geval samen met het advies van het bestuur, overgelegd aan de "Conseil wallon de l'action sociale et de la santé". Afdeling 6 - Bijdrage van de begunstigde van de verleende hulp

Art. 361.De bijdrage die per uur van de begunstigde gevraagd wordt, wordt vastgelegd overeenkomstig de tarieven bedoeld in bijlage 42.

Voor de hogere inkomens dan die bedoeld in dit tarievenoverzicht wordt de bijdrage die per uur van de begunstigde gevraagd wordt, vastgesteld op 7,81 euro onverminderd de verhogingen bedoeld in artikel 364.

Art. 362.Een zwaar gehandicapte persoon ten laste wordt als twee personen ten laste beschouwd.

Art. 363.Wanneer het gezinnen betreft samengesteld uit volwassenen van verschillende generaties, dient, om de bijdrage van de begunstigde in de hulpvelening te berekenen, één derde van het maandelijks inkomen van de samenwonenden aan zijn maandelijks inkomen te worden gevoegd zonder dat laatstgenoemden als personen ten laste mogen worden beschouwd.

Art. 364.De erkende dienst kan van de begunstigde eisen dat hij voor de duur van de bijdrage van de gezins- of bejaardenhelper(-ster) bijdraagt. Die duur wordt vastgelegd op een kwart uur per dienstverrichting.

De erkende dienst kan daarnaast de bijdrage van de begunstigde in de hulpverlening met tien percent verhogen als deelname in de reiskosten van de gezins- of bejaardenhelper(-ster).

Boek V. - Integratie van Gehandicapte personen TITEL I. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK I. - Begripsomschrijvingen

Art. 365.Voor de toepassing van dit boek wordt verstaan onder : wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten7 : de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten7 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel;2° de Minister : de Minister bevoegd voor het Gehandicaptenbeleid;3° "AWIPH" : het " Agence wallonne pour l'Intégration des Personnes handicapées ";4° het gewestelijk bureau : de kantoren opgericht krachtens artikel 367;5° het beheerscomité : het beheerscomité van AWIPH, ingesteld bij artikel 290 van het decreetgevend deel van het Wetboek. HOOFDSTUK II. - Uitvoering

Art. 366.Behoudens andersluidende bepaling is de Minister tot wiens bevoegdheden Sociale Actie behoort belast met de uitvoering van dit boek.

TITEL II. - Beheer en werking van " AWIPH " HOOFDSTUK I. - Bestuursorganen Afdeling 1 - Gewestelijke bureaus

Art. 367.Er worden zeven gewestelijke bureaus opgericht waarvan de zetels gevestigd zijn te Ottignies-Louvain-la-Neuve, Bergen, Charleroi, Luik, Namen, Dinant en Libramont.

De bureaus van Ottignies-Louvain-la-Neuve, Luik en Libramont bedienen respectievelijk de provincies Waals-Brabant, Luik en Luxemburg. De bureaus van Namen, Dinant, Charleroi en Bergen bedienen respectievelijk het arrondissement Namen, de arrondissementen Dinant en Philippeville, de arrondissementen Charleroi en Thuin, de arrondissementen Aat, Bergen, Moeskroen, Zinnik en Doornik. HOOFDSTUK II. - Beheers- en adviesorgaan Afdeling 1 - Beheerscomité

Onderafdeling 1 - Presentiegeld en vergoedingen

Art. 368.De vergoeding van de voorzitter van het beheerscomité van "AWIPH" bedraagt 14.377,83 euro per jaar.

De vergoeding van de vice-voorzitters van het beheerscomité van het Agentschap bedraagt 3.168,08 euro per jaar.

De voorzitter en de vice-voorzitters van het beheerscomité van het Agentschap krijgen bovendien een vergoeding van respectievelijk 2.379,78 euro en 2.112,05 euro voor representatie- en verblijfskosten.

Het presentiegeld van de leden van het beheerscomité, de voorzitter en de vice-voorzitters uitgezonderd, bedraagt 74,37 euro per zitting van het beheerscomité of van zijn bureau.

De commissaris van de Regering en de afgevaardigde van de Minister van Begroting krijgen een vergoeding van 2.231,04 euro per jaar voor hun mandaat.

Art. 369.Op overlegging van bewijsstukken of, bij gebreke ervan, van een staat van de onkosten, worden de reiskosten van de voorzitter, de vice-voorzitters, de leden van het beheerscomité onder de volgende voorwaarden terugbetaald : 1° het gebruik van gemeenschappelijke vervoermiddelen wordt terugbetaald op basis van de officiële tarieven.Als het openbaar vervoer verschillende klassen telt, dan wordt de prijs van een kaartje eerste klas terugbetaald; 2° het gebruik van een persoonlijk voertuig geeft recht op een kilometervergoeding berekend overeenkomstig het tarief vastgelegd bij de regelgeving die van toepassing is op de ambtenaren van het Waalse Gewest;3° als de voorzitter en de leden van het beheerscomité die geen ambtenaren zijn ertoe gebracht worden hogere reiskosten te betalen omwille van buitengewone omstandigheden, kunnen ze de terugbetaling van die kosten verkrijgen op overlegging van bewijsstukken;4° "AWIPH" staat niet in voor de risico's gebonden aan het gebruik van een persoonlijk voertuig. Voor de toepassing van het eerste lid, 2°, worden bovengenoemde personen gelijkgesteld met ambtenaren van rang A2.

Art. 370.De in artikel 368 bedoelde bedragen zijn gebonden aan het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen en stemmen overeen met het spilindexcijfer 117,19 van november 1994.

Ze evolueren op dezelfde wijze als de wedden van de ambtenaren van het Gewest.

Onderafdeling 2 - Huishoudelijk reglement

Art. 371.De Waalse Regering keurt het huishoudelijk reglement van het beheerscomité van " AWIPH ", opgenomen als bijlage 138, goed. Afdeling 2 - Adviesraden

Onderafdeling 1 - Opdrachten

Art. 372.De opdrachten van de drie raden worden verdeeld als volgt : 1° de raad voor individuele hulp bij de integratie is bevoegd : a) voor de individuele dienstverleningen waarvan het principe in artikel 273, tweede lid, streepjes 8, 9, 10 en 14 van het decreetgevend deel van het Wetboek vermeld staat;b) voor de diensten vermeld in artikel 283, 1°, 2°, 3°, 8° en 10° van het decreetgevend deel van het Wetboek;2° de raad voor opvoeding, opvang en huisvesting is bevoegd : a) voor de individuele dienstverleningen waarvan het principe in artikel 273, tweede lid, streepje 11, van het decreetgevend deel van het Wetboek vermeld staat;b) voor de diensten vermeld in artikel 283, 6°, 7°, 9° en 11° van het decreetgevend deel van het Wetboek;3° de raad voor opvoeding, vorming en tewerkstelling is bevoegd : a) voor de individuele dienstverleningen waarvan het principe in artikel 273, streepjes 12 en 13, van het decreetgevend deel van het Wetboek vermeld staat;b) voor de diensten vermeld in artikel 283, 4° en 5°, van het decreetgevend deel van het Wetboek.

Art. 373.Behalve dringende noodzaakelijkheid geeft elke raad binnen de maand een advies aan het beheerscomité over elk ontwerp-besluit of punt dat hem voorgelegd wordt in verband met de aangelegenheden vermeld in artikel 372.

Iedere raad is bevoegd om elk nuttig voorstel bij het beheerscomité in te dienen in verband met de aangelegenheden vermeld in artikel 372.

Art. 374.In het kader van de bevoegdheden die hem op grond van artikel 372 toegekend worden, wordt elke raad ermee belast : 1° advies te verlenen over de toekenning van de erkenning of over de wijziging ervan, alsook over de schorsing of de mogelijke intrekking van een erkenning en de toekenning van subsidies en overeenkomsten;2° te beoordelen in hoever de diensten de in artikel 264 van het decreetgevend del van het Wetboek bedoelde principes in acht nemen, mogelijke aanbevelingen te formuleren en advies te uit te brengen wanneer het beheerscomité klachten over de werking van de diensten overmaakt;3° de conclusies samen te vatten van de subregionale commissies inzake de behoeften van de diensten en voorstellen te doen betreffende het programma waarvan sprake in artikelen 289 van het decreetgevend deel van het Wetboek.

Art. 375.De raden kunnen, op initiatief van het beheerscomité van "AWIPH", overleg plegen over onderwerpen van gemeenschappelijk belang.

Onderafdeling 2 - Werking

Art. 376.De leden worden voor een hernieuwbaar mandaat van vier jaar door de Regering benoemd.

Als een lid van de raad ophoudt zijn mandaat uit te oefenen, moet de Regering binnen drie maanden in zijn vervanging voorzien. In dat geval beëindigt het nieuwe lid het mandaat van het lid dat hij vervangt.

Art. 377.De voorzitter roept de raad bijeen, zit de vergaderingen voor en ondertekent de adviezen die door de raad worden uitgebracht.

Bij verhindering van de voorzitter wordt het voorzitterschap bekleed door een lid van de raad, dat door deze laatste wordt aangewezen.

Art. 378.Elke raad wordt bijgestaan door een secretaris en een adjunct- secretaris die door het beheerscomité onder de personeelsleden van "AWIPH" worden aangewezen.

Onderafdeling 3 - Presentiegeld en vergoedingen

Art. 379.Deelname aan de zittingen van een raad geven recht op presentiegeld, namelijk : 1° voorzitter of, bij diens afwezigheid, zijn plaatsvervanger : 74,37 euro;2° andere leden : 37,18 euro.

Art. 380.De voorzitter, de leden van de raden die geen ambtenaar zijn en de uitgenodigde deskundigen krijgen hun reiskosten terugbetaald onder de voorwaarden bepaald in artikel 369, eerste lid.

Voor de toepassing van artikel 369, eerste lid, 2°, worden bovengenoemde personen gelijkgesteld met ambtenaren van A4.

Art. 381.De in artikel 379 bedoelde bedragen zijn gebonden aan het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen en stemmen overeen met het spilindexcijfer 117,19 van november 1994.

Ze evolueren op dezelfde wijze als de wedden van de ambtenaren van het Gewest.

Onderafdeling 4 - Huishoudelijk reglement

Art. 382.Het beheerscomité stelt haar huishoudelijk reglement op en legt het ter goedkeuring voor aan de Regering.

Art. 383.De Waalse Regering keurt het huishoudelijk reglement van de adviesraden van " AWIPH ", opgenomen als bijlage 43, goed. Afdeling 3 - Controleorganen

Onderafdeling 1 - Financieel comité

Art. 384.. Deelname aan de zittingen van het financieel comité van "AWIPH" geeft de leden van bedoeld comité, behoudens de administrateur-generaal van "AWIPH", recht op presentiegeld, namelijk : 1° voorzitter : 75 euro;2° andere leden : 37 euro. Een bijkomend bedrag van 37 euro wordt betaald aan het lid van het financieel comité belast met de coördinatie van het controlebeheer.

Art. 385.De reiskosten van de leden van het financieel comité van "AWIPH" die geen ambtenaar zijn, worden terugbetaald onder de volgende voorwaarden : 1° het gebruik van gemeenschappelijke vervoermiddelen wordt terugbetaald op basis van de officiële tarieven.Als het openbaar vervoer verschillende klassen telt, dan wordt de prijs van een kaartje eerste klas terugbetaald; 2° het gebruik van een persoonlijk voertuig geeft recht op een kilometervergoeding berekend overeenkomstig het tarief vastgelegd bij de regelgeving die van toepassing is op de ambtenaren van rang A4 van het Waalse Gewest. "AWIPH" staat niet in voor de risico's gebonden aan het gebruik van een persoonlijk voertuig.

Art. 386.De in artikel 384 bedoelde bedragen zijn gekoppeld aan het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen en stemmen overeen met het spilindexcijfer 117,19 van november 1994.

Ze evolueren op dezelfde wijze als de wedden van de ambtenaren van het Gewest.

Onderafdeling 2 - Modaliteiten inzake de controle van de Regeringscommissaris en afgevaardigde van de Minister van Begroting

Art. 387.Telkens als het nodig is, sturen de Regeringscommissaris en de afgevaardigde van de Minister van Begroting aan de Minister onder wie ze ressorteren of op diens verzoek, een rapport met alle nodige inlichtingen, voorstellen of suggesties in het kader van het beheer van "AWIPH".

Art. 388.Op overlegging van bewijsstukken of, bij gebreke ervan, van een staat van de onkosten, worden de reiskosten van de Regeringscommissaris en van de afgevaardigde van de Minister van Begroting onder de volgende voorwaarden terugbetaald : 1° het gebruik van gemeenschappelijke vervoermiddelen wordt terugbetaald op basis van de officiële tarieven.Als het openbaar vervoer verschillende klassen telt, dan wordt de prijs van een kaartje eerste klas terugbetaald; 2° het gebruik van een persoonlik voertuig geeft recht op een kilometervergoeding berekend overeenkomstig het tarief vastgelegd bij de regelgeving die van toepassing is op de ambtenaren van het Waalse Gewest;3° als de voorzitter en de leden van het beheerscomité die geen ambtenaren zijn ertoe gebracht worden hogere reiskosten te betalen omwille van buitengewone omstandigheden, kunnen ze de terugbetaling van die kosten verkrijgen op overlegging van bewijsstukken;4° "AWIPH" staat niet in voor de risico's gebonden aan het gebruik van een persoonlijk voertuig. Voor de toepassing van het eerste lid, 2°, worden bovengenoemde personen gelijkgesteld met ambtenaren van rang A2. HOOFDSTUK III. - Boekhoudkundige en budgettaire bepalingen Afdeling 1 - Algemene beginselen

Art. 389.Het koninklijk besluit van 7 april 1954 houdende algemene regeling betreffende de begroting en de boekhouding der instellingen van openbaar nut bedoeld bij de wet van 16 maart 1954, is van toepassing op "AWIPH".

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt evenwel verstaan onder : 1° wetgevende Kamers : het Waals Parlement;2° Minister van Financiën, de Ministers bevoegd voor het Gehandicaptenbeleid en Begroting;3° Minister onder wie de inrichting ressorteert : de Minister tot wiens bevoegdheden het Gehandicaptenbeleid behoort;4° inrichting : "AWIPH".

Art. 390.Een driemaandelijks rapport wordt in de loop van de tweede maand na elk kwartaal aan het beheerscomité gestuurd. In dat rapport komen minstens één uitvoering van de begrotingen van de ontvangsten en uitgaven alsook een staat van de thesaurie voor.

Na goedkeuring door het beheerscomité stuurt de administrateur-generaal het beheersrapport aan de Minister van Sociale Actie en aan de Minister van Begroting.

Art. 391.De boekhouding van de vastleggingen van "AWIPH" wordt geregeld overeenkomstig : 1° de artikelen 48 tot en met 51 en 54 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991. In artikel 48 van die wetten, zoals gecoördineerd, wordt verstaan onder "Koning en Minister tot wiens bevoegdheid de begroting behoort" het beheerscomité van "AWIPH". Voor de toepassing van de artikelen 49 en 54 van dezelfde wetten wordt verstaan onder "Koning en Minister tot wiens bevoegdheid de begroting behoort" de Ministers bevoegd voor het gehandicaptenbeleid en de begroting; 2° het koninklijk besluit van 31 mei 1966 houdende regeling van de controle op de vastlegging van de uitgaven in de diensten van algemeen bestuur van de Staat, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 april 1980, met uitzondering van artikel 1, 2°, C, artikel 5, § 1, 3°, en § 2, en de artikelen 6 tot 8. Afdeling 2 - Boekhoudplan

Art. 392.Het boekhoudplan, opgenomen als bijlage 44, is goedgekeurd. Afdeling 3 - Uitvoering

Art. 393.De Minister van Begroting, Huisvesting, Uitrusting en Openbare Werken en de Minister van Sociale Aangelegenheden en Gezondheid zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van artikel 392. Afdeling 4 - Regels voor de evaluatie en de bestemming van het

boekhoudkundig resultaat

Art. 394.De schattingsregels worden opgesomd met inachtneming van de orde van voorstelling van de balans, te beginnen met de rubrieken van de activa om te eindigen met die van de passiva.

Art. 395.De schattingsregels zijn identiek voor elk boekjaar en worden niet gewijzigd, behalve wegens omstandigheden die de verdere toepassing ervan niet meer toelaat; in dat geval wordt voorzien in een speciale melding als de wijziging noemenswaardIGe gevolgen heeft.

Art. 396.§ 1. De materiële en immateriële activa worden geregistreerd volgens hun koopprijs, meer bepaald de aankoopprijs en de bijkomende kosten, zoals niet-invorderbare belastingen, vervoers- en installatiekosten.

De volgens hun koopprijs geschatte activa worden tot beloop van dezelfde waarde geboekt, na aftrek van de desbetreffende afschrijvingen en waardeverminderingen.

Alle afschrijvingen worden op lineaire wijze en zonder residuele waarde berekend.

Het eerste afschrijvingsjaar wordt over twaalf maanden berekend.

Zij worden afgeschreven op grond van de coëfficiënten vermeld in onderstaande tabel :

Label

Coëfficiënt

Wijze

Softwarekosten

33,33 percent

Lineair

Aankoopkosten onroerende goederen

100 percent

Lineair

Onroerende goederen

3 percent

Lineair

Inrichting van onroerende goederen

10 percent

Lineair

Installaties, machines en werktuigen

20 percent

Lineair

Meubilair

10 percent

Lineair

Materieel

10 percent

Lineair

Informaticabenodigdheden

33,33 percent

Lineair

Rollend materieel

25 percent

Lineair


De kosten voor de inrichting van onroerende goederen worden afgeschreven op grond van een coëfficiënt van 10 % of van de duur van de huurovereenkomst als die korter is dan tien jaar. § 2. De softwarekosten worden geactiveerd vanaf 4.957,87 euro per eenheid, exclusief btw. § 3. De vaste activa worden op individuele basis geactiveerd vanaf minimum 247,89 euro, exclusief btw.

De activa in leasing worden afgeschreven over dezelfde periode als de overeenstemmende vaste activa in volle eigendom.

De vaste activa kunnen het voorwerp uitmaken van een nieuwe schatting als blijkt dat de marktwaarde constant hoger ligt dan de boekwaarde.

De rechtzetting wordt geboekt op de passiefzijde in de rubriek herwaarderingsmeerwaarden.

De herwaarderingsmeerwaarden worden afgeschreven over de resterende levensduur van het actief bestanddeel, rechtstreeks tegenover de aanvankelijk geboekte meerwaarde.

Bij een latere waardevermindering mag de herwaarderingsmeerwaarde afgeboekt worden tot beloop van het nog niet afgeschreven gedeelte van de meerwaarde.

De herwaarderingsmeerwaarden kunnen niet in het kapitaal opgenomen worden, noch in de reserves.

Art. 397.De onbeschikbare reserves bestaan uit het fonds van de vastgelegde activa, jaarlijks vermeerderd met 10 % van het jaarresultaat in geval van overschot. De onbeschikbare reserves worden beperkt tot een bedrag van 12.500.000 euro.

Art. 398.De overgedragen winsten of verliezen bestaan uit de jaarresultaten die niet bij de reserves gevoegd worden.

Art. 399.De provisies voor risico's en lasten dienen voor de dekking van belangrijke herstellingen van gebouwen en materieel, alsook van juridische geschillen en lasten in verband met pensioenen en gelijkaardige verplichtingen.

Zij worden aangelegd om de verliezen of lasten te dekken waarvan de aard duidelijk vastligt maar die op de afsluitingsdatum van het boekjaar, waarschijnlijk of zeker zijn, maar waarvan het bedrag slechts geschat kan worden.

Indien die provisies aan het einde van het boekjaar hoger zijn dan de geschatte bedragen die gedekt moeten worden, wordt het overschot als krediet op de resultatenrekening geboekt.

De uitgaven inherent aan die provisies worden bij voorrang door opnemingen op bedoelde provisies gedekt. HOOFDSTUK IV. - Bepalingen inzake personeel Afdeling 1 - Personeelsformatie

Art. 400.De personeelsformatie van " AWIPH " wordt vastgelegd als volgt : Administrateur-generaal 1 Adjunct administrateur-generaal 1 Directie Prospective en Strategie Directeur 1 Directie Informatica Directeur 1 Eerste attaché 1 Eerste gegradueerde 1 Directie Algemene coördinatie Directeur 1 Eerste attaché 2 Eerste gegradueerde 1 Directie Statistieken en Methodes Directeur 1 Directie Onderzoek en Levenskwaliteit Directeur 1 Eerste attaché 1 Directie Audit en Controle Directeur 1 Departement Interne hulpmiddelen Inspecteur-generaal 1 Directie Menselijke hulpmiddelen en Logistiek Directeur 1 Eerste attaché 1 Eerste gegradueerde 2 Directie Boekhouding en Begroting Directeur 1 Eerste attaché 1 Eerste gegradueerde 1 Directie Informatie en Communicatie Directeur 1 Eerste attaché 1 Eerste gegradueerde 1 Departement Thuiszorg Inspecteur-generaal 1 Directie Individuele hulpverlening Directeur 1 Directie Thuiszorgdiensten Directeur 1 Directie Coördinatie van de Gewestelijke bureaus Directeur 1 Directie van het Gewestelijk bureau van Charleroi Directeur 1 Eerste attaché 1 Eerste gegradueerde 1 Eerste assistent 1 Directie van het Gewestelijk bureau van Luik Directeur 1 Eerste attaché 1 Eerste gegradueerde 1 Eerste assistent 1 Directie van het Gewestelijk bureau van Namen Directeur 1 Eerste attaché 1 Eerste gegradueerde 1 Eerste assistent 1 Directie van het Gewestelijk bureau van Bergen Directeur 1 Eerste attaché 1 Eerste gegradueerde 1 Eerste assistent 1 Directie van het Gewestelijk bureau van Libramont Directeur 1 Directie van het Gewestelijk bureau van Dinant Directeur 1 Directie van het Gewestelijk bureau van Ottignies Directeur 1 Departement Opvang en Huisvesting Inspecteur-generaal 1 Directie Dienstenfinanciering Directeur 1 Eerste attaché 1 Eerste gegradueerde 1 Eerste assistent 1 Directie " Minderjarigen " Directeur 1 Directie " Meerderjarigen " Directeur 1 Departement Tewerkstelling en Vorming Inspecteur-generaal 1 Directie Vorming Directeur 1 Directie Tewerkstelling Directeur 1 Eerste attaché 1 Eerste assistent 1

Art. 401.Het personeelslid dat op 17 september 2010 een staffunctie bekleedt, blijft in die betrekking aangesteld op zijn minst totdat het voldoet aan de voorwaarden bepaald bij het besluit van de Waalse Regering van 2010 december 18 houdende de Waalse ambtenarencode om naar die betrekking te solliciteren. Afdeling 2 - Basisoverlegcomité

Onderafdeling 1 - Oprichting

Art. 402.Er wordt een basisoverlegcomité opgericht binnen " AWIPH ".

Onderafdeling 2 - Samenstelling van de afvaardiging van de overheid

Art. 403.De afvaardiging van de overheid binnen het Basisoverlegcomité van "AWIPH" dat onder het Waalse Gewest ressorteert, wordt als volgt samengesteld : Voorzitter : 1° de administrateur-generaal; plaatsvervanger : de adjunct administrateur-generaal;

Leden : 2° de ambtenaren van rang A3 en hoger; plaatsvervanger : de ambtenaar van het Directoraat-generaal of van de betrokken afdeling, die de hoogste anciënniteit in de hoogste graad heeft.

Onderafdeling 3 - Uitvoering

Art. 404.De Minister van Ambtenarenzaken is belast met de uitvoering van artikel 403. Afdeling 3 - Pensioenstelsel

Art. 405."AWIPH" wordt gemachtigd tot het aanvragen van zijn deelname aan de pensioenregeling bepaald bij de wet van 28 april 1958Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/1958 pub. 28/02/2011 numac 2011000105 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten inzake het pensioen van personeelsleden van bepaalde organismen van openbaar nut en hun rechthebbenden.

Art. 406.De Minister van Binnenlandse Aangelegenheden en Ambtenarenzaken is belast met de uitvoering van artikel 405. HOOFDSTUK V. - Toezichthoudende taken

Art. 407.De met inspectie belaste ambtenaren en personeelsleden van de Afdeling Inspectie van "AWIPH" moeten toezien op de uitvoering van het decreet van 6 april 1995 betreffende de integratie van gehandicapte personen en van de artikelen 261 tot en met 322 van het decreetgevend Wetboek en van dit boek, onverminderd de bevoegdheden van de officieren van de gerechtelijke politie.

TITEL III. - Overkoepelende dienstverleningen van " AWIPH " HOOFDSTUK I. - Erkenning van de handicap

Art. 408."AWIPH" voorziet in de inschrijving van de personen van Belgische nationaliteit, voor wie de mogelijkheden om een betrekking te bekomen of te behouden werkelijk beperkt zijn wegens een ontoereikendheid of een vermindering van hun lichamelijke geschiktheid met ten minste 30 percent of van hun geestelijke geschiktheid met ten minste 20 percent.

Art. 409.Onverminderd de bepalingen van de artikelen 325 en 326 van het decreetgevend deel van het Wetboek, wordt de ontoereikendheid of de vermindering van de lichamelijke of geestelijke geschiktheid van de aanvragers door het Rijksfonds vastgesteld, ofwel volgens het tarief van de "officiële Belgische schaal tot vaststelling van de graad van invaliditeit" en de "Medische handleiding voor het schatten van de blijvende ongeschiktheden tot werken, voortspruitende uit de infirmiteiten welke recht geven op de tegemoetkomingen bedoeld in de wet van 10 juni 1937 betreffende de gebrekkigen en verminkten", ofwel volgens het percentage bepaald bij een rechterlijke of administratieve beslissing inzake de toekenning van een pensioen, uitkering of vergoeding.

Wanneer de voornoemde officiële Belgische schaal en Medische Handleiding voor eenzelfde invaliditeit een verschillend percentage vaststellen, wordt voor de bepaling van het percentage van ongeschiktheid het hoogste percentage toegepast.

Wanneer echter het percentage van ongeschiktheid, zoals dit blijkt uit de toepassing van bovenstaande bepalingen, niet overeenkomt met de werkelijke mogelijkheden van tewerkstelling en lager is dan het in artikel 1 van de wet van 16 april 1963Relevante gevonden documenten type wet prom. 16/04/1963 pub. 23/11/2009 numac 2009000724 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de sociale reclassering van de mindervaliden. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de sociale reclassering van de minder-validen bepaalde percentage, stelt "AWIPH" dit percentage vast met inachtneming van de vermindering van de werkelijke mogelijkheden van tewerkstelling, die het gevolg is van deze ongeschiktheid. HOOFDSTUK II. - Uitbreiding van de dienstverleningen van " AWIPH" naar bepaalde categorieën vreemdelingen

Art. 410.De categorieën van buitenlandse gehandicapte personen die niet moeten voldoen aan de vereiste van regelmatig en onafgebroken verblijf van vijf jaar bedoeld in artikel 275, § 1, van het decreetgevend deel van het Wetboek, om in aanmerking te komen voor de dienstverleningen van het Agentschap, zijn de volgende : 1° de personen met het statuut van langdurige minderjarigheid en de onbekwaamverklaarden, op voorwaarde dat hun wettelijke vertegenwoordiger het bewijs levert dat de in artikel 275, § 1, van het decreetgevend deel van het Wetboek bedoelde voorwaarden vervuld zijn;2° de begunstigden van de dienstverleningen bepaald bij de wetgeving betreffende de vergoeding van arbeidsongevallen of van ongevallen op de weg van en naar het werk;3° de begunstigden van dienstverleningen bepaald bij de wetgeving betreffende de schadevergoeding voor een erkende beroepsziekte;4° de slachtoffers van een ongeval tijdens hun verblijf in België, voor zover dat ongeval de onbekwaamheid heeft veroorzaakt waarvoor de tegemoetkoming wordt aangevraagd;5° de echtgenoot/echtgenote en de kinderen die ten laste waren van een overleden persoon van vreemde nationaliteit, voor zover deze persoon bij zijn overlijden voldeed aan de vereisten bedoeld in artikel 275, § 1, van het decreetgevend deel van het Wetboek;6° de politieke gevangenen die erkend zijn op grond van de bepalingen van de wet van 5 februari 1947 houdende het statuut van de buitenlandse politieke gevangenen;7° de bloedverwanten in stijgende lijn ten laste van een kind van Belgische nationaliteit of van zijn echtgenoot/echtgenote, dat het bewijs levert dat aan de in artikel 275, § 1, van het decreetgevend deel van het Wetboek bedoelde domicilievereisten is voldaan;8° de niet-Belgen die de voorwaarden vervullen om de Belgische nationaliteit aan te vragen of te herkrijgen;9° de begunstigden van de dienstverleningen bepaald bij de wetgeving op de toelagen aan gehandicapte personen;10° de personen die de krachtens het de artikelen 261 tot en met 322 van het decreetgevend deel van het Wetboek verleende diensten volledig of gedeeltelijk kunnen genieten op grond van een bepaling van het internationale recht. TITEL IV. - Basisdossier HOOFDSTUK I. - Algemene beginselen

Art. 411."AWIPH" legt het in artikel 279 van het decreetgevend deel van het Wetboek bedoelde basisdossier aan voor elke individuele aanvraag om tegemoetkoming.

Art. 412.De individuele aanvragen om tegemoetkoming kunnen betrekking hebben op : 1° a) een gespecialiseerde studie- of beroepsoriëntatie;b) een beroepsopleiding;c) het uitoefenen van een beroepsbezigheid;d) de sociale integratie en de inschakeling in het arbeidsproces;e) individuele integratiehulp;f) een budget voor persoonlijke bijstandsverlening;2° a) een vroegtijdige hulpverlening;b) huisvestings-, dagonthaal-, onderhouds-, behandelings- en opvoedingskosten;c) een plaatsing in gezinnen;d) bijstand om activiteiten van het dagelijkse leven te verrichten;e) begeleiding. HOOFDSTUK II. - Samenstelling van het dossier

Art. 413.Het door de gehandicapte persoon in te vullen formulier voor aanvraag om tegemoetkoming wordt met volgende gegevens ingevuld : 1° zijn identiteit;2° desnoods de identiteit van diens wettelijke vertegenwoordiger;3° diens gezinstoestand;4° het voorwerp van zijn aanvraag;5° de voornaamste gegevens op grond waarvan zijn handicap is vastgesteld;6° zijn woonplaats en, desnoods, het adres waarop de persoon bereikt kan worden. De aanvraag om tegemoetkoming wordt ondertekend door de gehandicapte persoon, diens advocaat of diens wettelijke vertegenwoordiger of door een daartoe door hem gemandateerde of bij wetsvoorschriften speciaal gemachtigde persoon.

De gemachtigde moet meerderjarig en houder van een volmacht zijn.

Bij de aanvraag worden de gegevens in verband met de medische, sociale en psychologische onderzoeken gevoegd die nodig zijn voor de behandeling van de aanvraag en die reeds ingezameld zouden zijn om aanspraak te kunnen maken op andere dienstverleningen of voordelen krachtens andere wettelijke en verordeningsbepalingen.

Art. 414.Al naar gelang de aanvraag om tegemoetkoming kunnen de in het basisdossier vermelde multidisciplinaire gegevens de volgende zijn : 1° een onderzoek van de behoeften van de persoon;2° een balans van de school- of beroepsbekwaamheden, -potentialiteiten en -kennis;3° een psychologische balans;4° een medische balans;5° een maatschappelijke anamnese;6° een evaluatie van de zelfredzaamheid.

Art. 415.De aanvragen om tegemoetkoming worden : 1° met ontvangstbewijs bij ter post aangetekend schrijven gestuurd aan het gewestelijke bureau van de gemeente waar de gehandicapte persoon woonachtig is;2° op een andere wijze ingediend of afgegeven op het secretariaat van het gewestelijke bureau van de gemeente waar de gehandicapte persoon woonachtig is;in dit geval bezorgt "AWIPH" onmiddellijk een ontvangstbewijs van de aanvraag.

Elke dienst van "AWIPH" die een aanvraag moet behandelen waarvoor hij niet bevoegd is, stuurt de aanvraag door naar de bevoegde dienst en stelt de betrokken persoon in kennis hiervan.

Art. 416.De psycho-pedagogische gegevens die aan "AWIPH" worden verstrekt moeten door een psycholoog vastgesteld en ondertekend worden.

De aan "AWIPH" verstrekte sociale gegevens moeten door een maatschappelijk assistent of een maatschappelijk verpleger vastgesteld en ondertekend worden.

Voor de categorieën ingesteld bij artikel 262 van het decreetgevend deel van het Wetboek betreft het : 1° een kinderarts voor gehandicapten van de categorieën 3, 4, 12;2° een psychiater of een neuropsychiater voor gehandicapten van de categorieën 10, 11, 14, en voor volwassen sensorieel mentaal gehandicapten;3° een kinderarts, een psychiater of een neuropsychiater voor gehandicapten van de categorieën 1, 2, 5, 6, 8, 9;4° een keel-, neus- en oorarts voor gehandicapten met gehoorstoornissen;5° een oogarts voor gehandicapten met gezichtsstoornissen;6° een geneesheer met een licentie in de expertise en de evaluatie van de lichamelijke schade of van wie de specialiteit betrekking heeft op de lichamelijke handicap van personen die niet onder de punten 1° tot 5° ingedeeld zijn.

Art. 417.Indien de gehandicapte persoon zich reeds gewend heeft tot een krachtens de artikelen 424 en 428 erkend centrum, wordt dit laatste verzocht de voor de behandeling van de aanvraag vereiste gegevens waarover het beschikt aan "AWIPH" over te maken.

Art. 418."AWIPH" vraagt de bevoegde administraties om de documenten die het nuttig acht voor de behandeling van de aanvraag om tegemoetkoming : 1° een uittreksel uit het geboortenregister van de gehandicapte persoon;2° een uittreksel uit het bevolkingsregister met de samenstelling van het gezin van de gehandicapte persoon;3° een nationaliteitsbewijs van de gehandicapte persoon;4° een bewijs van de inkomsten van de gehandicapte persoon.

Art. 419." AWIPH " ontvangt de gehandicapte persoon, eventueel bijgestaan door een door hem gekozen persoon, op zijn verzoek of op eigen initiatief.

Art. 420.Bij gebrek of tekort aan gegevens met betrekking tot de gevraagde tegemoetkoming vult "AWIPH" het dossier aan, of laat het aanvullen door de in de artikel 424 en 428 bedoelde centra, met medische, psychologische of sociale rapporten die nodig zijn voor de behandeling van de aanvraag om tegemoetkoming.

Art. 421.Binnen de door de Minister vastgestelde perken kan "AWIPH", als het zulks nodig acht, te allen tijde op eigen kosten een aanvullend of controleonderzoek in verband met de aanvraag instellen of laten instellen. Wanneer dat onderzoek niet door "AWIPH" wordt verricht, wordt het op zijn verzoek ingesteld door een overeenkomstig de artikelen 424 en 428 erkend centrum, met uitzondering van het centrum dat de eerste onderzoeken verricht heeft.

Art. 422.De aanvragen om onderzoek worden bij een erkend centrum of een deskundige ingediend door "AWIPH" of door de Commissie van beroep, die beide ingesteld zijn bij de artikelen 261 tot en met 322 van het decreetgevend deel van het Wetboek. De inhoud van de te verrichten expertises wordt in de aanvraag gespecificeerd.

Art. 423.Als de gehandicapte persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger de overeenkomstig de artikelen 413 en 420 gevraagde inlichtingen niet binnen de zestig dagen verstrekt, wordt hem een herinneringsschrijven toegezonden. Als geen gevolg wordt gegeven binnen een termijn van één maand, brengt "AWIPH" de gehandicapte persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger in kennis van zijn weigering tot tegemoetkoming. HOOFDSTUK III. - Erkende centra die informatie aan " AWIPH " kunnen meedelen Afdeling 1 - Algemene beginselen

Art. 424.De volgende centra of diensten worden erkend als centra die "AWIPH" gegevens kunnen verstrekken : 1° de door de Franse Gemeenschap erkende psycho-medisch-sociale centra;2° de door het Waalse Gewest erkende diensten voor geestelijke gezondheidszorg;3° de door "AWIPH" erkende diensten of centra voor evaluatie en beroepsoriëntatie;4° de door "AWIPH" erkende diensten of centra voor functionele revalidatie;5° de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;6° de door het Waalse Gewest erkende centra voor maatschappelijk werk.

Art. 425.Het erkende centrum : 1° verricht kosteloze onderzoeken of past de bij de overeenkomst geneesheren-ziekenfonds vastgestelde tarieven toe, op schriftelijk verzoek van de gehandicapte persoon, zijn raadsman of zijn wettelijke vertegenwoordiger of van een daartoe speciaal gemachtigd persoon;2° verricht de in artikel 421 bedoelde aanvullende of controleonderzoeken op verzoek van "AWIPH", met de schriftelijke instemming van de gehandicapte persoon, zijn raadsman of zijn wettelijke vertegenwoordiger of van een daartoe gemachtigd persoon.

Art. 426.In het kader van hun specifieke activiteiten met betrekking tot het inwinnen en het verstrekken van gegevens betreffende de gehandicapte personen staan de centra onder toezicht van "AWIPH".

De controle op de erkende diensten wordt uitgeoefend door de door "AWIPH" aangewezen ambtenaren. Ze hebben vrije toegang tot de lokalen van de centra en hebben het recht om ter plaatse de stukken en documenten te raadplegen die ze nuttig achten om hun opdracht te vervullen.

Art. 427.Het beheerscomité van "AWIPH" kan de erkenning van een centrum dat de artikelen 261 tot en met 322 van het decreetgevend deel van het Wetboek en en van dit boek niet naleeft, intrekken of opschorten. De beslissing tot intrekking of schorsing van de erkenning wordt bij aangetekende brief bekendgemaakt. Afdeling 2 - Erkenningsvoorwaarden

Art. 428.De erkende centra moeten binnen hun personeel over een maatschappelijk assistent of een maatschappelijk verpleger beschikken.

Bovendien moeten ze binnen hun personeel over een geneesheer en een psycholoog beschikken of bij overeenkomst een beroep doen op hun diensten. Deze drie personen vormen een multidisciplinair team. " AWIPH " bepaalt de minimale voorwaarden waaraan de overeenkomsten moeten voldoen en legt ze ter goedkeuring aan de Waalse Regering voor.

Art. 429.De personeelsleden van het multidisciplinair team van het centrum gaan zelf over tot de vereiste onderzoeken waarvoor ze passend bevoegd zijn en zijn gehouden tot het beroepsgeheim.

Art. 430.De gegevens worden verstrekt middels een formulier bepaald door "AWIPH".

De psycho-pedagogische aspecten moeten in twee verschillende rubrieken behandeld worden : de eerste betreft een psychologische analyse en de tweede een pedagogische evaluatie voor de minderjarigen en een levensproject voor de meerderjarigen.

Beide rubrieken kunnen door verschillende personen opgemaakt worden. HOOFDSTUK IV. - Vergoedingsvoorwaarden voor onderzoeken

Art. 431.De onderzoeken die verricht worden door erkende centra of door deskundigen, of door centra voor gespecialiseerde beroepsoriëntatie, erkend door "AWIPH", geven recht op de hiernavermelde vergoedingen, op voorwaarde dat ze verricht worden door personen die geen overheidssubsidie ontvangen : 1° pedagogische en psychologische balans : 99,16 euro;2° maatschappelijke anamnese;49,58 euro; 3° medisch onderzoek : op basis van de nomenclatuur die opgesteld is overeenkomstig de wetgeving betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.

Art. 432.De balansen en conclusies van het onderzoek worden meegedeeld door middel van een formulier waarvan het model door "AWIPH" wordt bepaald. Ze worden samen met de ereloonnota's rechtstreeks aan "AWIPH" of aan de Commissie van beroep gestuurd, met inachtneming van de wettelijke bepalingen betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Art. 433.De vergoedingen bepaald bij dit hoofdstuk zijn volledig ten laste van "AWIPH".

Van de gehandicapte persoon wordt geen enkele bijdrage in de kosten van de onderzoeken gevraagd.

Art. 434.De in artikel 431 bedoelde bedragen worden aan indexcijfer 119,53 van 1 mei 1996 gekoppeld. Ze worden aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk, overeenkomstig de wet van 1 maart 1977Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten4 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, zoals gewijzigd. De verwijzing naar de "gezondheidsindex" is hier van toepassing.

TITEL V. - Beslissing tot tegemoetkoming HOOFDSTUK I. - Algemeen beginsel

Art. 435."AWIPH" stelt de datum vast waarop het zijn tegemoetkoming begint te verlenen; deze datum mag echter niet aan de datum van de aanvraag voorafgaan. HOOFDSTUK II. - Voolopige beslissing

Art. 436." AWIPH " kan voor maximum drie maanden een voorlopige beslissing nemen wanneer blijkt dat het uitblijven van zijn tegemoetkoming de lichamelijke, psychische of sociale toestand van de gehandicapte persoon in gevaar brengt.

De beslissing waarvan sprake in het eerste lid wordt genomen op grond van een omstandig rapport opgesteld hetzij door "AWIPH", hetzij door de dienst, het centrum of de instelling die voor de dringende opneming zorgen. In de beslissing staat de duur van de verleende tegemoetkoming vermeld. HOOFDSTUK III. - Herziening

Art. 437.De beslissing tot tegemoetkoming kan herzien worden : 1° op initiatief van "AWIPH";2° ten gevolge van een gemotiveerde aanvraag die aan "AWIPH" wordt gestuurd door : a) de gehandicapte persoon;b) diens wettelijke vertegenwoordiger of diens advocaat;c) de persoon die de hoede heeft over de gehandicapte persoon;d) een door de gehandicapte persoon gemachtigde persoon;e) de directeur van het centrum, de dienst of de instelling waarvan de persoon afhangt of de directeur van de instelling waar hij ondergebracht wordt;f) de voorzitter van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn;g) de rechter bij de jeugdrechtbank, de directeur van de dienst voor gerechtelijke bescherming of de raadsheer voor hulpverlening aan de jeugd. De aanvraag om herziening wordt : 1° met ontvangstbewijs bij ter post aangetekend schrijven gestuurd aan het gewestelijke bureau van de gemeente waar de gehandicapte persoon woonachtig is;2° op een andere wijze ingediend of afgegeven op het secretariaat van het gewestelijke bureau van de gemeente waar de gehandicapte persoon woonachtig is;in dit geval bezorgt "AWIPH" onmiddellijk een ontvangstbewijs van de aanvraag.

De aanvrager dient zijn verzoekschrift in binnen drie maanden te rekenen vanaf de datum waarop de toestand van de gehandicapte persoon een wijziging heeft ondergaan.

De aanvraag bevat de gegevens waarvan sprake in artikel 413, eerste lid.

Als de overgelegde documenten ontoereikend zijn, behandelt "AWIPH" de aanvraag om herziening overeenkomstig artikel 421.

Art. 438.De beslissing tot herziening loopt vanaf de eerste dag van de maand na de kennisgeving ervan. HOOFDSTUK IV. - Teruginning

Art. 439.De gehandicapte persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger moet gewag maken van elke wijziging van zijn toestand zoals omschreven in zijn oorspronkelijke aanvraag.

Elke tegemoetkoming van "AWIPH" waartoe besloten wordt of die gehandhaafd wordt op basis van gegevens die bedrieglijk, verkeerd of onvolledig blijken te zijn, geeft aanleiding tot een recht op terugvordering, hetzij ten laste van de gehandicapte persoon, hetzij ten laste van zijn erfgenamen of legatarissen of van zijn onderhoudsplichtigen, behalve als de onjuiste beoordeling aan "AWIPH" toe te schrijven is. HOOFDSTUK V. - Beroepen Afdeling 1 - Algemeen beginsel

Art. 440.De Commissie van beroep neemt kennis van de beroepen ingesteld tegen de krachtens artikel 412, 2°, genomen beslissingen. Afdeling 2 - Commissie van beroep

Onderafdeling 1 - Samenstelling en werking

Art. 441.De Commissie van beroep is gevestigd ten zetel van "AWIPH".

Art. 442.De Commissie van beroep bestaat uit : 1° een voorzitter die de hoedanigheid van magistraat heeft;2° drie leden met minstens drie jaar nuttige ervaring in de hulpverlening aan gehandicapte personen, namelijk : a) één doctor in de geneeskunde;b) één psycholoog;c) één houder van een diploma van het sociaal, pedagogisch of paramedisch hoger onderwijs van het korte of lange type;3° twee leden aangewezen onder de kandidaten voorgedragen op een dubbellijst door de "Commission wallonne des personnes handicapées" (Waalse commissie voor gehandicapte personen). Voor de voorzitter en voor elk van de leden wordt een plaatsvervanger benoemd onder dezelfde voorwaarden als de gewone leden.

Als de voorzitter of een lid ontslag neemt of om de één of andere reden ophoudt deel uit te maken van de Commissie van beroep, beëindigt het plaatsvervangende lid het mandaat van zijn voorganger.

De mandaten worden voor een periode van zes jaar toegekend te rekenen van de benoeming.

Ze zijn hernieuwbaar.

Er bestaat een onverenigbaarheid tussen : 1° de hoedanigheid van voorzitter of lid van de Commissie van beroep en de hoedanigheid van lid van een orgaan of van het personeel van "AWIPH", een instelling, een centrum of een door "AWIPH" erkende of gesubsidieerde dienst;2° de hoedanigheid van deskundige aangewezen door de Commissie van beroep en de hoedanigheid van lid van een orgaan of van het personeel van "AWIPH".

Art. 443.De voorzitter en de leden van de Commissie kunnen van hun ambt ontheven worden in geval van plichtverzuim of van afbreuk aan de waardigheid ervan.

Art. 444.De Commissie van beroep wordt bijgestaan door een secretaris en een adjunct-secretaris aangewezen door de administrateur-generaal van "AWIPH". De secretaris moet licentiaat in de rechten zijn.

Art. 445.De Commissie stelt haar huishoudelijk reglement op en legt het ter goedkeuring aan de Regering voor.

Art. 446.De Commissie van beroep beraadslaagt en beslist slechts op geldige wijze bij aanwezigheid van de voorzitter of zijn plaatsvervanger en van drie andere gewone of plaatsvervangende leden.

Art. 447.De beslissingen van de Commissie van beroep worden genomen bij meerderheid van stemmen van de voorzitter en de aanwezige leden; onthouding is niet toegelaten. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.

Art. 448.De voorzitter en de andere leden van de Commissie van beroep zijn tot geheimhouding verplicht.

Onderafdeling 2 - Presentiegeld en vergoedingen

Art. 449.De voorzitter en de andere leden van de Commissie van beroep hebben recht op presentiegeld waarvan het bedrag vastgesteld is op 74,37 euro per zitting voor de voorzitter en op 37,18 euro voor de andere leden.

De voorzitter en de leden van de raden die geen ambtenaar zijn krijgen hun reiskosten terugbetaald onder de voorwaarden bepaald in artikel 369, eerste lid.

Voor de toepassing van artikel 369, eerste lid, 2°, wordt de voorzitter gelijkgesteld met een ambtenaar van rang A2; de andere leden worden gelijkgesteld met ambtenaren van rang A4.

Art. 450.De Regering bepaalt de wijze waarop de deskundigen worden vergoed.

Art. 451.De presentiegelden, de aan de leden van de Commissie van beroep verleende reiskostenvergoedingen, de in artikel 450 bedoelde kosten en de werkingskosten van de Commissie van beroep zijn ten laste van "AWIPH".

Art. 452.De in artikel 449 bedoelde bedragen zijn gebonden aan het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen en stemmen overeen met het spilindexcijfer 117,19 van november 1994.

Ze evolueren op dezelfde wijze als de wedden van de ambtenaren van het Gewest.

Onderafdeling 3 - Huishoudelijk reglement

Art. 453.Het als bijlage 45 opgenomen huishoudelijk reglement van de Commissie van beroep, ingesteld krachtens artikel 281 van het decreetgevend deel van het Wetboek, is door de Regering goedgekeurd. Afdeling 3 - Beroepsprocedure

Art. 454.De verzoeker dient zijn beroep in binnen een termijn van dertig dagen vanaf de dag volgend op de datum waarop de beslissing van "AWIPH" is verzonden. Het poststempel geldt als bewijs van de verzendingsdatum.

Als de vervaldag een zaterdag, een zondag of een officiële feestdag is, dan wordt hij naar de volgende werkdag verschoven.

Het verzoek wordt ondertekend door de verzoeker, diens advocaat of diens wettelijke vertegenwoordiger of door een daartoe speciaal gemachtigd persoon.

De bepalingen van de artikelen 413, laatste lid, tot en met 420 zijn van toepassing op de beroepsprocedure.

Art. 455.Het beroep wordt tegen ontvangstbewijs ingediend of bij ter post aangetekend schrijven gestuurd aan de zetel van de Commissie van beroep.

Art. 456.Het beroep dat tegen een beslissing tot herziening wordt ingesteld, heeft schorsende kracht.

Art. 457.Zodra de secretaris van de Commissie van beroep het verzoek heeft ontvangen, licht hij "AWIPH" daarover in, dat verzocht wordt hem het dossier van de verzoeker toe te zenden.

Het dossier wordt onmiddellijk toegezonden.

De secretaris van de Commissie van beroep onderzoekt het dossier; daartoe vraagt hij onmiddellijk alle nuttige inlichtingen en documenten.

Na de behandeling van de zaak maakt de secretaris een rapport op voor de Commissie van beroep; het wordt door hem ondertekend en gedagtekend voor het bij het dossier gevoegd wordt.

Art. 458.De Commissie van beroep kan onder haar voorzitter en leden een verslaggever aanwijzen die het dossier voor de zitting samenvat en een aanvullend rapport opmaakt. Het rapport wordt bij het dossier gevoegd.

Art. 459.Als na behandeling van de zaak blijkt dat de gehandicapte persoon een bijkomend onderzoek moet ondergaan, dan wordt hij bij beslissing van de Commissie van beroep verzocht voor een door haar aangewezen deskundige te verschijnen. Als de gehandicapte persoon zich niet kan verplaatsen, begeeft de deskundige zich naar zijn woonplaats.

De gehandicapte persoon kan zich tijdens dat onderzoek laten bijstaan door elke persoon en deskundige van zijn keuze.

De aangewezen deskundige maakt een omstandig rapport op binnen de door de Commissie van beroep vastgestelde termijn.

Art. 460.De verzoeker en de administrateur-generaal van "AWIPH" worden minstens veertien dagen vóór de zitting waarop ze gehoord zullen worden, door de secretaris opgeroepen. De oproeping wordt bij ter post aangetekende brief gestuurd. Ze vermeldt de plaats, de dag en het uur van de verschijning.

Art. 461.In de oproeping staat dat de partijen en de personen die ze bijstaan, op het secretariaat van de Commissie van beroep ter plaatse inzage kunnen nemen van het dossier.

Art. 462.Als de partijen conclusies willen indienen, dan zenden ze deze uiterlijk twee dagen vóór de verschijning aan de secretaris.

Art. 463.De Commissie houdt zitting met gesloten deuren.

Ze hoort de verzoeker en "AWIPH" en kan elke bij de aanvraag betrokken persoon horen.

De verzoeker kan zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door zijn advocaat, zijn wettelijke vertegenwoordiger of door een andere daartoe speciaal gemachtigd persoon.

De administrateur-generaal of een daartoe aangewezen ambtenaar vertegenwoordigt "AWIPH" voor de Commissie van beroep.

Art. 464.De beslissingen vermelden : 1° de identiteit en de woonplaats van de verzoeker;2° in voorkomend geval, de naam, voornaam, woonplaats en hoedanigheid van de personen die hem hebben vertegenwoordigd of bijgestaan;3° de oproeping, de verschijning en het horen van de gehoorde personen;4° in voorkomend geval, de indiening van conclusies;5° de gronden en het beschikkend gedeelte van de beslissing;6° de datum van de beslissing en de plaats waarop ze is uitgesproken, alsook de naam van de personen die beraadslaagd hebben. De beslissingen worden door de voorzitter en de secretaris ondertekend.

Art. 465.De beslissingen worden binnen een termijn van acht kalenderdagen bij ter post aangetekende brief bekendgemaakt.

Art. 466.Wanneer blijkt dat een materiële vergissing werd begaan, kan de Commissie van beroep haar beslissing rechtzetten binnen drie jaar na de bekendmaking ervan, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een partij.

TITEL VI. - Algemene voorwaarden voor de erkenning van de diensten HOOFDSTUK I. - Algemene beginselen

Art. 467.De erkenning wordt slechts verleend aan de diensten en structuren bedoeld in artikel 283, tweede lid, van het decreetgevend deel van het Wetboek, als de volgende principes in acht genomen worden : 1° de zelfstandigheid en de keuzevrijheid van de persoon waarborgen;2° de gehandicapte personen gelijke opnemingskansen bieden en, met name als opnemingsvoorwaarden, geen andere financiële bijdrage eisen dan die vastgesteld door de Regering;3° de gehandicapte persoon een gepersonaliseerd project voorstellen dat beantwoordt aan zijn behoeften, bekwaamheden en verlangens;4° de gehandicapte persoon en zijn omgeving zo veel mogelijk bij de besluitvorming betrekken;5° kwalitatieve evaluaties verrichten waaraan de gehandicapte persoon, zijn omgeving en de diensten mogen deelnemen;6° een geschikte infrastructuur en een bevoegd begeleidingspersoneel dat aan de behandelde handicap aangepast is, ter beschikking stellen van de gehandicapte persoon;7° het personeel de kans bieden om mee te werken aan het educatieve project van de dienst en om voortgezette opleidingen te volgen;8° de samenwerking tussen de diensten bevorderen en door een betere coördinatie streven naar een efficiëntere werking ervan;9° de contacten met de buitenwereld bevoorrechten in het kader van een lokale samenwerking;10° met de diensten van "AWIPH" samenwerken en zich aan zijn controle onderwerpen;11° een boekhouding voeren die aan de richtlijnen van "AWIPH" beantwoordt;12° aan de veiligheids- en hygiënenormen voldoen;13° een huishoudelijk reglement aannemen dat de rechten van de gehandicapte personen waarborgt, hen meer autonomie biedt alsook een aan hun behoeften, bekwaamheden en verlangens aangepaste dienst.Dat reglement wordt meegedeeld aan de gehandicapte personen, hun wettelijke vertegenwoordigers en "AWIPH".

Art. 468.Artikel 467 is niet van toepassing op de diensten voor integratiehulp bedoeld in hoofdstuk 3 van titel 7 van boek 4 en op de diensten voor vroegtijdige hulp en begeleiding voor volwassenen van hoofdstuk 2 van titel 7 van boek 4.

Art. 469.Onverminderd de artikelen 467, 468 en 471 is de erkenning van de diensten, centra of instellingen die over een telebewakingssysteem of een gelijksoortig systeem beschikken, onderworpen aan de volgende voorwaarden : 1° het systeem moet het meest geschikte middel zijn om de betrokken gehandicapte personen de veiligheid en de verzorgingskwaliteit te waarborgen die hun pathologie vereist;2° beeldopname is verboden behalve voor therapeutische doeleinden;3° het systeem mag slechts gebruikt worden met de instemming van de gehandicapte persoon of van diens wettelijke vertegenwoordiger.Zijn weigering is geen reden om hem uit de dienst, het centrum of de instelling te verwijderen.

Het beheerscomité wint het advies van de bevoegde Adviesraad in.

Een multidisciplinair comité, samengesteld uit drie door het beheerscomité aangewezen deskundigen onder wie één op de voordracht van de "Commission wallonne des Personnes handicapées", zorgt voor de ethische begeleiding en kan door elke betrokken persoon of inrichting aangezocht worden. HOOFDSTUK II. - Toekenningsprocedure

Art. 470.De aanvragen om erkenning van de diensten, centra of instellingen worden bij ter post aangetekende brief aan "AWIPH" gestuurd.

Art. 471."AWIPH" richt binnen dertig dagen na de verzending van de erkenningsaanvraag een bericht van ontvangst van het dossier aan de aanvrager indien het volledig is. Als het dossier onvolledig is, brengt "AWIPH" de aanvrager volgens dezelfde procedure op de hoogte en wijst het hem tegelijkertijd op de ontbrekende stukken.

Art. 472."AWIPH" behandelt het dossier en het beheerscomité beslist binnen een termijn van zes maanden, te rekenen van de datum van ontvangst van het volledige dossier betreffende de erkenningsaanvraag.

Art. 473.De erkenning wordt voor een onbepaalde duur verleend.

Als het gaat om een aanvraag voor de erkenning van een nieuwe dienst, wordt de erkenning verleend voor een periode van drie maanden tot hoogstens drie jaar. Na afloop van die periode wordt de erkenning voor onbepaalde duur verleend, behalve andersluidende beslissing van het Beheerscomité. HOOFDSTUK III. - Evaluatie

Art. 474.Om de vijf jaar verstrekken de diensten aan "AWIPH" de informatie, zoals bepaald in de specifieke voorschriften, die nodig is voor hun evaluatie. HOOFDSTUK IV. - Sancties

Art. 475.Het Beheerscomité van het Agentschap kan de onbepaalde duur van de erkenning tijdelijk intrekken, opschorten of beperken zodra het vaststelt dat niet meer voldaan wordt aan één van voorwaarden die voor het verkrijgen van de erkenning gesteld worden.

Wanneer de onbepaalde duur van de erkenning tijdelijk beperkt wordt, verleent het Beheerscomité van "AWIPH" een tijdelijke erkenning van één tot drie jaar.

Na afloop van die periode wordt de erkenning voor onbepaalde duur verleend, behalve andersluidende beslissing van het Beheerscomité.

De beslissing tot intrekking, schorsing of inperking van de erkenning wordt bij aangetekende brief bekendgemaakt.

TITEL VII. - Thuiszorgvoorzieningen HOOFDSTUK I. - Voor gehandicapte personen bestemde begeleidingdiensten bij opvang in een gezin Afdeling 1 - Algemene bepalingen

Art. 476.Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder : 1° persoon : elke gehandicapte persoon zoals omschreven in artikel 261 van het tweede deel van het decreetgevend deel van het Wetboek voor wie besloten wordt tot de noodzakelijke begeleiding door een begeleidingdienst voor opvang in een gezin;2° dienst : begeleidingdienst bij opvang in een gezin;3° interveniënt : de werknemer van de dienst die tussenkomt in het proces tot begeleiding van de persoon;4° onthaalpersoon : een persoon die thuis één of meer (maximum 4) personen opvangt volgens huisvestingsformules die hen een familiale levenswijze bezorgen;5° administratieve entiteit : entiteit bestaande uit verschillende door "WIPH" erkende diensten die afhankelijk zijn van dezelfde inrichtende macht en beheerd worden door een gemeenschappelijke algemene directie die instaat voor het dagelijkse beheer van al die diensten, zowel administratief, financieel als inzake personeelsaangelegenheden;6° tewerkstellingskadaster : personeelslijst opgemaakt door de dienst aan het einde van elk jaar volgens een model opgesteld door het Agentschap;7° algemene diensten : de diensten die voor de gezamenlijke bevolking bestemd zijn en in het kader van hun dienstverstrekkingen aan de behoeften van de begeleide personen kunnen voldoen;8° netwerk : afgezien van het gezin van de gehandicapte persoon, omvat het netwerk de naasten en vrienden, alsook de algemene of gespecialiseerde diensten waarop de persoon een beroep doet (met name gezinshulp, huisarts, bedrijf voor aangepast werk). Afdeling 2 - Opdrachten

Onderafdeling 1 - Opdrachten van de diensten

Art. 477.De diensten vervullen de volgende opdrachten : 1° ze zoeken naar onthaalpersonen,en staan in voor hun evaluatie en accreditatie;2° aan de gehandicapte personen stellen ze de onthaalpersoon voor die het best aan hun verwachtingen en behoeften beantwoordt, en aan de onthaalpersonen de persoon die het best in hun opvangproject kadert; ze zorgen ervoor dat de behoeften van de persoon stroken met het opvangproject; 3° ze werken een opvangproject uit in samenwerking met de betrokken onthaalpersonen de persoon en het netwerk;4° ze begeleiden, informeren en steunen de onthaalpersonen in hun opdracht;5° ze verlenen de persoon een geïndividualiseerde begeleiding vanaf de uitwerking van het opvangproject;6° ze evalueren in hoever het inspelen op de behoeften van de personen afgestemd zijn op de opvangvoorwaarden;7° ze bevorderen en steunen de dynamiek van de kwaliteit van de diensten die door de onthaalpersonen aangeboden worden;8° ze vergemakkelijken het behoud en de ondersteuning van de banden tussen de persoon en zijn oorspronkelijk gezin;9° ze vergewissen zich ervan dat de gepaste stelsels tot stand gebracht worden met het oog op de bescherming van de goederen van de persoon;10° ze coördineren de partnerdiensten van het levensproject van de persoon.

Art. 478.De dienst : 1° verstrekt de onthaalpersoon informatie betreffende de verwachtingen en doelstellingen van de dienst;2° verstrekt de onthaalpersoon informatie over de beginselen en waarden vervat in boek 4 van het tweede deel van het decreetgevend deel van het Wetboek, de overeenkomst van de VN over de Rechten van gehandicapte Personen en de Europese richtlijnen inzake de integratie en ondersteuning van de gehandicapte personen;3° verzoekt om administratieve en psycho-sociale gegevens om de selectie van de onthaalpersoon te rechtvaardigen;4° beoordeelt de veiligheids-, hygiëne- en confortvoorwaarden van de gezinswoningen;5° identificeert de voornaamste krachten en behoeften van de opvangpersonen;6° maakt een evaluatie op grond waarvan besloten wordt de accreditatie toe te kennen of te weigeren.Die beslissing, genomen door de dienst en gegrond op de voorwaarden vermeld in de artikelen 479 en 480, wordt meegedeeld binnen de maand die op de laatste evaluatie volgt. De accreditatie wordt voor onbepaalde duur toegekend. Ze wordt evenwel ingetrokken als de opvangpersoon niet meer voldoet aan één van de voorwaarden die in de artikelen 479 en 480 vastliggen.

Onderafdeling 2 - Opdrachten van de onthaalpersonen

Art. 479.De onthaalpersonen moeten : 1° de persoon begeleiden, in zijn dagelijkse leven helpen, een woning bezorgen, waarbij met de steun van de dienst de doelstellingen van het opvangproject nagestreefd moeten worden;2° de persoon diensten verstrekken in overeenkomst met de gezinscultuur van de onthaalpersoon;3° bereikbaar zijn voor de dienst.

Art. 480.De onthaalpersonen voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° minstens 21 jaar oud zijn;2° niet samenwonen met de persoon, noch bloed- of aanverwant in de eerste graad van hem zijn;3° een uittreksel uit het strafregister bezitten dat vrij is van veroordelingen tot correctionele straffen voor wanbedrijven die onverenigbaar zijn met de functie, of tot criminele straffen;4° de nodige voorwaarden inzake tijd en lokalen bieden bij de begeleiding van de personen;5° actief en openlijk deelnemen aan de gesprekken met de dienst;6° samenwerken met de algemene diensten en instellingen om het begeleidingsproject optimaal uit te voeren;7° elke verzekering aangaan die nodig is om de opvangactiviteit te dekken;8° de in artikel 494 bedoelde opvangovereenkomst ondertekenen;9° positief beoordeeld worden door de dienst op basis van de criteria bedoeld in bijlage 55. Afdeling 3 - Programmering

Art. 481.Op voorstel van het beheerscomité bepaalt de Waalse Regering het aantal begeleidingdiensten bij onthaal in een gezin voor gehandicapten personen naar gelang van de begrotingsmiddelen en na kwalitatieve evaluatie van de projecten naar gelang van de behoeften. Afdeling 4 - Erkenning

Onderafdeling 1 - Procedure

Art. 482.De erkennningsaanvraag wordt per post aan "AWIPH" gericht.

Ze gaat vergezeld van de volgende documenten en gegevens : 1° het project van de dienst, alsmede de wijze waarop de individuele projecten uitgewerkt en opgevolgd worden;2° de identiteit van de directeur van de dienst, zijn uittreksel uit het strafregister van minder dan drie maanden geleden (model 1), opgemaakt overeenkomstig de ministeriële rondzendbrief nr.905 van 2 februari 2007 betreffende de afgifte van een uittreksel uit het strafregister, vrij van veroordelingen tot correctionnele straffen die onverenigbaar zijn met het ambt of tot criminele straffen, alsook de geschreven delegatie van bevoegdheden van de inrichtende macht bedoeld in artikel 505; 3° de identiteit van de bestuurders, alsook hun uittreksel uit het strafregister van minder dan drie maanden geleden, vrij van veroordelingen tot correctionele straffen die onverenigbaar zijn met het ambt of tot criminele straffen;4° de identiteit van de leden van de algemene vergadering;5° een afschrift van de diploma's en getuigschriften van de directeur, alsmede het bewijs van nuttige ervaring bedoeld in bijlage 47;6° als de dienst in de vorm van een VZW of stichting is opgericht, een afschrift van de gecoördineerde statuten;7° het inschrijvingsnummer van de dienst bij de RSZ of bij de RDSZPPO en, voor de VZW's, het ondernemingsnummer;8° bij omvorming, het advies, voor de particuliere sector, van de ondernemingsraad of van de bevoegde vakbondsafvaardiging of, voor de overheidssector, van het onderhandelings- of overlegcomité opgericht krachtens de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten7 of van de representatieve werknemersorganisaties.

Art. 483.§ 1. "AWIPH" richt binnen dertig dagen na de verzending van de erkenningsaanvraag een bericht van ontvangst van het dossier aan de aanvrager indien het volledig is. Als het dossier onvolledig is, brengt "AWIPH" de aanvrager volgens dezelfde procedure op de hoogte en wijst het hem tegelijkertijd op de ontbrekende stukken. § 2. "AWIPH" behandelt het dossier en het beheerscomité beslist binnen een termijn van zes maanden, te rekenen van de datum van ontvangst van het volledige dossier betreffende de erkenningsaanvraag.

Art. 484.De beslissing van "AWIPH" vermeldt : 1° de begindatum van de erkenning;2° het minimumaantal individuele dossiers dat beheerd moet worden over een periode van één jaar, met name tussen 1 januari en 31 december. De beslissing wordt per post aan de aanvrager medegedeeld.

Onderafdeling 2 - Theoretisch aantal begeleidingsuren en aantal individuele dossiers

Art. 485.Het minimum aantal te begeleiden dossiers door de dienst wordt bepaald door het aantal voltijdse equivalenten die voor begeleidingstaken aangesteld zijn (ETPa) te vermenigvuldigen met 10.

Het aldus verkregen aantal dossiers wordt afgerond naar de hogere eenheid.

Art. 486.§ 1. Het theoretische aantal voltijdsequivalenten dat voor begeleidingstaken aangesteld is (ETPa) wordt verkregen door het quotum voltijdse equivalenten personeelsleden buiten interventie (ETPhi) bedoeld in bijlage 48 van het totaalaantal theoretische voltijdsequivalenten (ETPt) af te trekken. § 2. Het theoretische totaalaantal voltijdsequivalenten (ETPt) wordt verkregen na opdeling van 85 % van de verleende toelage door de referentieschaal bij de gemiddelde anciënniteit van het personeel dat voor de dienst is aangesteld. Die schaal, bedoeld in bijlage 49, wordt vermeerderd met een coëfficiënt werkgeverslasten van 51,89 % voor de diensten georganiseerd door een private inrichtende macht en van 43,62 % voor de diensten georganiseerd door een openbare dienst. § 3. Voor de bestaande diensten wordt de gemiddelde anciënniteit berekend op basis van het laatste tewerkstellingskadaster waarover het Agentschap beschikt en voor de nieuwe diensten op basis van een naamlijst van het voorziene personeel. De gemiddelde anciënniteit wordt door "AWIPH" bepaald op basis van bewijsstukken.

Art. 487."AWIPH" bepaalt het minimumaantal dossiers dat jaarlijks ten laste genomen moet worden door een dienst die na 1 januari 2011 erkend zou worden.

Art. 488.§ 1. Als het gemiddeld aantal individuele dossiers, afgerond naar de hogere eenheid, na afloop van een eerste waarnemingsperiode van twee volle kalenderjaren volgend op het jaar van bekendmaking van dit hoofdstuk of van de erkenning van een nieuwe dienst, lager is dan het aantal bedoeld in artikel 484, worden het theoretisch aantal voltijdse equivalenten en het minimumaantal dossiers verhoudingsgewijs verminderd. § 2. De volgende waarnemingsperiodes duren drie jaar. § 3. De vermindering vindt plaats één jaar na de waarnemingsperiode.

Art. 489.Het gemiddeld aantal dossiers wordt verkregen na optelling van het aantal dossiers in behandeling tijdens elk jaar van de waarnemingsperiode, gedeeld door het aantal jaren van diezelfde waarnemingsperiode.

Onderafdeling 3 - Voorwaarden A. : Algemene bepalingen

Art. 490.Tijdens de duur van het project begeleiden de diensten de personen, de onthaalpersonen en het netwerk met inachtneming van de beginselen vermeld in artikel 264 van het decreetgevend deel van het Wetboek en in artikel 478.

Art. 491.De begeleiding inzake gezinsopvang houdt rekening met de volgende beginselen : 1° bij particuliere toestanden en/of aanvragen van de persoon en/of zijn omgeving, met hem en de opvangpersonen een project uitwerken betreffende de sociaal-culturele omgeving van de betrokkenen, met inachtneming van zijn ideologische, filosofische of godsdienstige inzichten;2° levenskwaliteit wordt nagestreefd naar gelang van het ritme van elke persoon;3° het uitoefenen van rechten en plichten in verband met het burgerschap.Ze stelt de persoon in staat om keuzemogelijkheden uit te bouwen of te herstellen betreffende zijn welzijn en zijn relaties met anderman in het woningcomplex; 4° er wordt in netwerk en partnerschap gewerkt en de interne en externe coördinatievormen worden verstevigd via een overkoepelende benadering van de door de persoon ondervonden problemen;5° binnen de gemeenschap wordt anders over de handicap nagedacht met het oog op de inschakeling van haar hulpbronnen en een begin van reflectie over nieuwe samenlevingsvormen;6° er wordt telkens nagegaan of de algemene diensten kunnen bijdragen tot het tot stand komen van het project;7° ze moet zich ervan vergewissen dat het begrip " thuis " een concrete vorm aanneemt binnen de woningen voor gezinsopvang;8° het genereren, formuleren en uitwerken van collectieve oplossingen voor individuele behoeften. B. : Voorwaarden betreffende het dienstproject

Art. 492.Het project van de dienst wordt uitgewerkt op basis van het patroon bedoeld in bijlage 46. Daarbij wordt het interventieteam tot samenwerking aangezet. Het project wordt voorgelegd : 1° voor de diensten beheerd door een privé inrichtende macht : aan de ondernemingsraad of, bij gebreke daarvan, aan de vakbondsafvaardiging;2° voor de diensten beheerd door een openbare inrichtende macht : aan het onderhandelings- of overlegcomité of, bij gebreke daarvan, aan de representatieve werknemersorganisaties. Dat project wordt minstens om de vijf jaar bijgewerkt.

De dienst evalueert zijn activiteit minstens één keer per jaar.

Alle interveniënten worden in kennis gesteld van het project, de bijwerkingen ervan en het jaarlijkse evaluatierapport over de activiteit van de dienst en kunnen daar steeds inzage van nemen.

Art. 493.De dienst wendt de middelen aan die bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het project van de dienst.

C : Erkenningsvoorwaarden met betrekking tot de pedagogie

Art. 494.Er wordt een schriftelijke opvangovereenkomst gesloten tussen de dienst, de persoon of diens wettelijke vertegenwoordiger en de opvangpersoon.

Art. 495.De opvangovereenkomst bevat hoe dan ook de volgende gegevens : 1° de identiteit van de partijen;2° de algemene doelstellingen van het opvangproject;3° de bevestiging dat het begeleidingsproject inzake gezinsopvang uitgewerkt wordt in een samenwerkingsverband met de verschillende actoren (de persoon, desgevallend zijn wettelijke vertegenwoordiger, de dienst, de opvangpersoon) en dat de persoon en, desgevallend, zijn wettelijke vertegenwoordiger uitgenodigd zal worden om deel te nemen aan het evaluatieproces;4° de begindatum van de overeenkomst;5° het bedrag van de financiële tegemoetkoming van de persoon;6° de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die instaat voor de betaling en voor de manier waarop de betaling wordt geregeld;7° de modaliteiten voor de opzegging van de overeenkomst;8° het adres van "AWIPH" waar klachten en bezwaren naartoe gestuurd kunnen worden.

Art. 496.De persoon, zijn gezin, de opvangpersoon en, desgevallend, de wettelijke vertegenwoordiger van de persoon heeft te gelegener tijd recht op informatie over elk vraagstuk betreffende het opvangproject.

D. : Voorwaarden betreffende het begeleidingsproject inzake gezinsopvang

Art. 497.Het begeleidingsproject inzake gezinsopvang wordt uitgewerkt binnen drie maanden, te rekenen van de datum van opvang van de persoon en omvat minstens de volgende elementen : 1° een informatief luik betreffende de persoon en zijn vragen;2° een evaluatief luik met : a) de wijze waarop het begeleidingsproces inzake gezinsopvang zal verlopen rekening houdend met de vraag en de geïdentificeerde behoeften;b) desgevallend, de algemene diensten die om samenwerking zullen worden verzocht;3° een evaluatief luik betreffende de vragen en de actualisering van het begeleidingsproces inzake gezinsopvang.

Art. 498.Het begeleidingsproces inzake gezinsopvang wordt ondertekend door de dienst en de persoon of diens wettelijke vertegenwoordiger.

Het maakt dan noodzakelijk deel uit van de opvangovereenkomst en gaat bij het dossier dat voor elke persoon door de dienst wordt bijhouden.

E. : Voorwaarden betreffende de agenda van de dienst

Art. 499.De dienst houdt een gecentraliseerde agenda van de dagelijkse activiteiten van de teamleden van de dienst die instaan voor de opvolging van de persoon bij de opvangpersoon.

F. : Voorwaarden betreffende de kwalificaties en de opleiding van het personeel

Art. 500.§ 1. Het personeel van de dienst moet voldoen aan de kwalificatienormen bedoeld in bijlage 47. § 2. De dienst stelt de afschriften van de diploma's, getuigschriften en attesten ter beschikking van "AWIPH". § 3. De personeelsleden leggen voor hun indienstneming een uittreksel uit het strafregister van model 1 over dat is opgemaakt overeenkomstig de ministeriële rondzendbrief nr. 905 van 2 februari 2007 betreffende de afgifte van een uittreksel uit het strafregister, vrij van veroordelingen tot correctionnele straffen die onverenigbaar met het ambt zijn of tot criminele straffen.

Art. 501.§ 1. Op grond van het project bedoeld in artikel 492 stelt de dienst een vormingsprogramma voor het personeel op voor minimum twee jaar.

Dat plan, opgemaakt na een bespreking met de betrokken actoren : 1° bepaalt de nagestreefde doelstellingen;2° beschrijft de banden tussen de globale omgeving van de dienst, de dynamiek van het project van de dienst en de ontwikkeling van de vaardigheden van het personeel;3° definieert de evaluatiecriteria, -modaliteiten en -periodiciteit voor die drie aspecten;4° identificeert de permanente vormingsactiviteiten van minstens twee dagen per jaar waaraan de directeurs moeten deelnemen. § 2. Wat betreft het personeel van de diensten die onder de plaatselijke besturen en de provincies ressorteren, ligt het in het eerste lid bedoelde vormingsprogramma in de lijn van het vormingsprogramma dat werd uitgewerkt op initiatief van de gewestelijke vormingsraad, ingesteld bij het decreet van 6 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/06/1969 pub. 24/01/2011 numac 2010000730 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten3 tot oprichting van de gewestelijke vormingsraad voor de personeelsleden van de plaatselijke en provinciale besturen van Wallonië.

Art. 502.De werknemers die tewerkgesteld waren in een dienst voor plaatsing in een gezin en die overeenkomstig dit hoofdstuk tewerkgesteld worden in een begeleidingsdienst bij opvangl in een gezin voldoen aan de minimale kwalificatie vereist voor de uitoefening van de begeleidingsfunctie of van de functie van administratief personeel bedoeld in bijlage 47.

Art. 503.De werknemers die tewerkgesteld waren in een dienst voor plaatsing in een gezin en die overeenkomstig dit hoofdstuk aangeworven worden door een begeleidingsdienst bij onthaal in een gezin, behouden de bezoldiging gekoppeld aan de loonschaal en de andere geldelijke voordelen die op hen van toepassing waren voor hun aanwerving in de begeleidingsdienst voor woningen van het gezinstype. Hun bezoldiging is een last die in aanmerking genomen kan worden binnen de perken bedoeld in de bijlagen 50 en 51.

G. : Voorwaarden betreffende de rechtspersoonlijkheid van de dienst

Art. 504.De dienst wordt beheerd door een overheid of een instelling van openbaar nut, of door een vereniging zonder winstoogmerk of een stichting.

Art. 505.Wanneer de rechtspersoon in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk of stichting opgericht is, 1° mag deze voor meer dan 1/5 van zijn leden niet samengesteld zijn uit personeelsleden of opvangpersonen, noch uit personen die met hen aanverwant zijn tot de derde graad;2° mag de Raad van bestuur, om elk belangenconflict en elke bron van machtsconflict te voorkomen, niet bestaan uit personen van hetzelfde gezin, echtgenoten, wettelijke samenwonenden en bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad, waarvan het aantal voor elk gezin hoger is dan een derde van het totaalaantal leden van de Raad van bestuur, noch uit personen die deel uitmaken van het personeel van de dienst. H. : Voorwaarden betreffende het beheer van de dienst

Art. 506.§ 1. De dienst vervult volgende voorwaarden : 1° hij is autonoom op technisch, budgettair en boekhoudkundig vlak en beschikt over een administratief beheer van dien aard dat hij zijn opdracht kan uitvoeren en dat "AWIPH" daarop controle kan uitoefenen. De technische, budgettaire en boekhoudkundige autonomie kan eventueel via de organisatie van een administratieve entiteit verkregen worden.

Die entiteit staat in voor het dagelijkse beheer van al die diensten, zowel op administratief en financieel vlak als inzake personeelsaangelegenheden; 2° onder de leiding staan van een directeur, natuurlijke persoon bezoldigd voor die functie en bevoegd om, overeenkomstig een geschreven overdracht van bevoegdheid door de inrichtende macht en onder haar verantwoordelijkheid of die van de directeur-generaal van de administratieve entiteit, het dagelijkse beheer van de dienst waar te nemen hoe dan ook wat betreft : a) de tenuitvoerlegging en opvolging van het dienstproject;b) het personeelsbeheer;c) het financieel beheer;d) de toepassing van de geldende regelgevingen;e) de vertegenwoordiging van de dienst in zijn relaties met "AWIPH". § 2. De directeur moet bovendien in staat zijn om de effectieve leiding van de dienst constant waar te nemen. Als hij afwezig is, moet een daartoe afgevaardigd personeelslid in staat zijn om de nodige maatregelen te treffen in geval van dringende noodzakelijkheid en om op zowel interne als externe aanvragen in te spelen. § 3. In geval van verzuim of onregelmatigheid in de uitvoering van de aan de directeur toegewezen opdracht, verzoekt "AWIPH" de inrichtende macht in een schrijven om de nodige maatregelen te treffen binnen de termijn die het bepaalt.

Als de maatregelen niet zijn genomen na afloop van die termijn, wendt "AWIPH" zich tot het Beheerscomité, dat zich overeenkomstig artikel 475 uitspreekt. § 4. Het dagelijkse beheer omvat : a) de effectieve bevoegdheid om dagelijks bevelen en richtlijnen te geven aan het personeel, met inbegrip van de administratieve pool die gemeenschappelijk is aan die diensten;b) kunnen beschikken over de nodige middelen om de financiële lasten betreffende de dagelijkse werking van de betrokken diensten te kunnen dragen;c) desgevallend, de verschillende directies binnen de entiteit coördineren. De leiding over dat geheel van door "AWIPH" erkende en gesubsidieerde diensten moet voltijds waargenomen worden en als dusdanig vastgelegd worden in de arbeidsovereenkomst of in het benoemingsbesluit.

De bij de hergroepering betrokken diensten moeten gevestigd zijn op een redelijke afstand van de plaats waar de hoofdzetel van de directie gevestigd is en waar de administratieve gegevens die voor het dagelijkse beheer nodig zijn geconcentreerd worden.

I. : Voorwaarden betreffende het administratief en boekhoudkundig beheer

Art. 507.De dienst legt op verzoek van "AWIPH" alle bewijsstukken over die vereist worden voor de uitoefening van zijn controle, met name de sociale balans zoals bepaald bij het koninklijk besluit van 4 augustus 1996 betreffende de sociale balans, de jaarrekeningen, de nodige stukken voor de berekening van de verschillende toelagen, het tewerkstellingskadaster en het vormingsprogramma bedoeld in artikel 501.

Art. 508.De dienst vermeldt de referentie van de door "AWIPH" verleende erkenning op alle akten en overige stukken, publiciteitsfolders en aanplakkingen die van de dienst uitgaan.

Art. 509.Onverminderd de wetgeving op de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingen, worden de opschriften en nummers van voor de activiteit van de diensten geschikte rekeningen door "AWIPH" aan de diensten overgemaakt.

Art. 510.De toelagen die door de overheden of door die overheden gesubsidieerde instellingen aan de diensten gestort worden, worden afgetrokken van de overeenstemmende lasten die op geldige wijze in het boekjaar geboekt worden. Er wordt slechts rekening gehouden met genoemde toelagen voor zover ze verleend worden ter dekking van de uitgaven die in aanmerking genomen worden voor de berekening van de toelage.

Art. 511.De beginbalans van elke dienst wordt aan "AWIPH" voorgelegd binnen zes maanden na de bekendmaking van het uittreksel van hun erkenningsbesluit in het Belgisch Staatsblad.

Art. 512.§ 1. De jaarrekeningen van elke dienst worden aan "AWIPH" overgemaakt uiterlijk 31 mei van het jaar na het boekjaar, samen met het rapport van een bedrijfsrevisor, wiens opdracht erin bestaat de rekeningen te certificeren en, in voorkomend geval, recht te zetten. § 2. Die rekeningen gaan ook vergezeld van de geconsolideerde jaarrekeningen van de juridische entiteit waarvan de dienst deel uitmaakt of waarmee hij via één enkele directie verbonden is. De diensten worden verondersteld op onweerlegbare wijze onder één enkele directie te staan : 1° wanneer hun bestuursorgaan voor de meerderheid uit dezelfde personen samengesteld is;2° wanneer de enige directie van die diensten resulteert uit overeenkomsten gesloten tussen die VZW's of uit statutaire clausules;3° wanneer hun beslissingsorgaan voor de meerderheid uit dezelfde personen samengesteld is. § 3. Behoudens tegenbewijs, worden de entiteiten waarvan de maatschappelijke of bedrijfszetel op hetzelfde adres gevestigd is, alsmede de entiteiten die op duurzame en significante wijze rechtstreeks of onrechtstreeks verbonden zijn inzake administratieve of financiële bijstand, logistiek, personeel of infrastructuur ook verondersteld gebonden entiteiten te vormen. § 4. Het boekjaar stemt overeen met het kalenderjaar.

Art. 513.Als diensten worden verstrekt door een juridisch onderscheiden vereniging die evenwel met de dienst verbonden is via een unieke directie in de zin van artikel 512, § 2, vermelden de dienstverstrekkers hun aanwezigheid in het personeelsregister.

Art. 514.De dienst moet kunnen bewijzen dat hij aan alle fiscale en sociale verplichtingen voldaan heeft.

J. : Voorwaarden betreffende verzekeringen

Art. 515.Voor elke begeleiding sluit de onthaalpersoon een polisverzekering ter dekking van zijn burgerlijke aansprakelijkheid of ter dekking van de burgerlijke aansprakelijkheid van de personen jegens wie hij instaat voor alle schade die aan een persoon toegebracht wordt of door deze laatste veroorzaakt wordt.

K. : Verplichtingen betreffende gebouwen en installaties

Art. 516.De gebouwen en installaties, zowel die van de dienst als die welke door de onthaalpersonen ter beschikking van de personen gesteld worden, vertonen toegankelijkheidsvoorwaarden in verhouding tot de handicap van de personen. Afdeling 5 - Subsidiëring

Onderafdeling 1 - Algemene bepalingen

Art. 517.Binnen de perken van de budgettaire kredieten ontvangen de diensten : 1° een jaarlijkse toelage;2° een toeslag wegens geldelijke anciënniteit;3° een bijzondere toelage om de bepalingen van het drieledige raamakkoord voor de Waalse privé non-profit sector te vereffenen;4° een bijzondere toelage om te voldoen aan de bepalingen van het raamakkoord 2011-2012 betreffende de openbare non-profit sector. Het totaalbedrag van de toelagen dat voortvloeit uit de bepalingen van dit hoofdstuk wordt verminderd met de tegenwaarde van het bedrag dat eventueel gestort wordt door het Tewerkstellingsfonds aan het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering als compensatie voor de subsidiëring van de vergoeding bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 22 september 1989 tot bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector.

Onderafdeling 2 - Jaarlijkse toelage

Art. 518.De jaarlijkse toelage dient ter dekking van : 1° de werkingslasten;2° de lasten van het niet-educatieve en educatieve personeel waarvan de kwalificaties beantwoorden aan de vereiste titels bedoeld in bijlage 47. Minstens 85 % van de jaarlijkse toelage dient om personeelslasten te dekken.

Art. 519.Op grond van de programmering bepaald door de Waalse Regering in artikel 481 bepaalt het beheerscomité het bedrag van de toelage van de nieuwe diensten die het erkent.

Art. 520.De jaarlijkse toelage wordt tijdens het bestemmingsjaar voortijdig vereffend bij maandelijkse afbetalingen.

De maandelijkse afbetalingen worden automatisch aangepast tijdens de tweede maand na de overschrijding van de basisindex die als referentie dient voor de indexering van de lonen van de overheidsdiensten.

Onderafdeling 3 - Toeslag wegens geldelijke anciënniteit

Art. 521.§ 1. Een toelagetoeslag wordt verleend aan de diensten waarvan het gezamenlijke personeel aan het einde van het bestemmingsjaar een gemiddelde geldelijke anciënniteit heeft die hoger is dan die bedoeld in artikel 486, § 3. § 2. De dienst bezorgt "AWIPH" aan het einde van elk bestemmingsjaar uiterlijk 31 maart een lijst van het personeel dat het gedurende dat jaar in dienst genomen en bezoldigd heeft. Die lijst wordt opgesteld overeenkomstig een model dat door "AWIPH" bepaald wordt.

De voor elk personeelslid in aanmerking te nemen geldelijke anciënniteit is die waarop het recht heeft op 31 december van het boekjaar dat het voorwerp is van de toelage, gewogen met het volume van de bezoldigde dienstverstrekkingen. Voor de personeelsleden die de dienst vóór die datum verlaten hebben, is de in aanmerking te nemen geldelijke anciënniteit die waarop zij recht hebben op de uittredingsdatum, gewogen met het volume van de bezoldigde dienstverstrekkingen.

Om de gemiddelde geldelijke anciënniteit te bepalen, wordt het totaal van de gewogen anciënniteiten gedeeld door het totaal van de volumes van de bezoldigde dienstverstrekkingen. Het resultaat van de deling wordt vervolgens verminderd met een half jaar anciënniteit. § 3. De toeslag wordt toegekend naar rata van het theoretische aantal voltijdse equivalenten (ETPt), vermenigvuldigd met het verschil tussen de referentieloonschaal bedoeld in artikel 49 bij de vastgestelde anciënniteit en diezelfde loonschaal bij de gemiddelde anciënniteit van het personeel aangesteld bij de dienst na de eerste erkenning op grond van deze bepalingen.

Art. 522.Als de toeslag voor de eerste keer wordt toegekend, wordt hij automatisch voor het volgende jaar betaald.

Na afloop ervan verifieert "AWIPH" de gemiddelde anciënniteit van het personeel.

Als de anciënniteit kleiner of hoger is dan degene die als basis heeft gediend voor de toekenning van de toeslag, wordt hij aangepast.

Onderafdeling 4 - Bijzondere toelage om de bepalingen van het drieledige raamakkoord voor de Waalse privé non-profit sector te vereffenen

Art. 523.Een toelagetoeslag wordt verleend aan de diensten voor de financiering van de compenserende betrekkingen betreffende de toekenning van drie bijkomende jaarlijkse verlofdagen voor hun personeel. Overeenkomstig de bepalingen van het besluit van de Waalse Regering van 23 april 2009 betreffende de subsidiëring van de maatregelen van de driedelige overeenkomst voor de Waalse privé non-profit sector wordt een bijkomende toelage ook verleend aan de diensten voor de financiering van de loonsverhogingen die resulteren uit de valorisatie van de lastige uren gepresteerd door hun personeel.

Onderafdeling 5 - Bijzondere toelage om de vakbondspremies te financieren

Art. 524.Binnen de perken de daartoe bestemde begroting stort het Agentschap namens de diensten op het fonds dat instaat voor de betaling van de vakbondspremies, een bedrag dat overeenstemt met het aantal werknemers die er in aanmerking voor kunnen komen, vermenigvuldigd met het bedrag van de vakbondspremie per werknemer.

Onderafdeling 6 - Bijzondere toelage om de bepalingen van het drieledige raamakkoord voor de Waalse privé non-profit sector te vereffenen

Art. 525.§ 1. "AWIPH" stort een specifieke toelage aan de diensten beheerd door een openbare inrichtende macht voor de financiering van de compenserende betrekkingen betreffende de toekenning van bijkomende jaarlijkse verlofdagen voor werknemers die minstens 52 jaar oud zijn. § 2. Die bijkomende toelage die door "AWIPH" aan de diensten verleend wordt, bedraagt voor het geheel van de diensten jaarlijks globaal 1.611,64 euro. § 3. Het bedrag bedoeld in § 2 wordt aan spilindex 154,63 van 1 oktober 2010 gekoppeld.

Art. 526.De diensten rechtvaardigen en verklaren op erewoord een aanwending van de bedragen bedoeld in artikel 536, § 2, voor bijkomende indienstnemingen.

Onderafdeling 7 - Controle op de jaarlijkse toelage

Art. 527.§ 1. Als het totaal van de begeleide dossiers lager is dan het aantal dossiers waarvoor de dienst erkend is, geeft "AWIPH" hem kennis van het bedrag dat ingevorderd moet worden overeenkomstig artikel 57 van de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit.

Het bedrag wordt afgetrokken vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de datum van kennisgeving. § 2. Als het totaalbedrag van de personeelslasten van de dienst kleiner is dan 85 % van de jaarlijkse toelage, wordt het verschil ingevorderd bij de controle op het gebruik van de toelagen door "AWIPH", waarbij de invorderingen bedoeld in § 1 in mindering worden gebracht.

Art. 528.De lasten die in aanmerking mogen worden genomen, worden in de bijlagen 50 en 51 nader bepaald.

Art. 529.Na kennisgeving gaat "AWIPH" over tot de rechtzetting en de ambtshalve invordering van de toelagen verleend op grond van onjuiste aangiften of waarvan het gebruik ongerechtvaardigd blijkt te zijn.

Ze worden rechtgezet en ingevorderd tijdens de tweede maand na die van de kennisgeving en kunnen het voorwerp uitmaken van een aanzuiveringsplan.

De diensten beschikken over een termijn van dertig kalenderdagen, waarbij de postdatum bewijskracht heeft, om elke rechtzetting of invordering te betwisten waarvan kennis wordt gegeven overeenkomstig dit boek.

De diensten kunnen een aanvraag tot herziening van de toelage indienen binnen dertig kalenderdagen, te rekenen van de kennisneming van een gegeven dat het bedrag van de toelage betwist en waarvan zij geen weet hadden bij de kennisgeving ervan.

De dienst moet dan het bewijs leveren van de datum waarop hij kennis genomen heeft van bedoeld gegeven. Afdeling 6 - Dagelijkse forfaitaire vergoeding

Art. 530.Een dagelijkse forfaitaire toelage wordt toegekend aan de onthaalpersonen voor de aanwezigheidsdagen van de personen in hun woning.

Met de in het vorige lid bedoelde aanwezigheidsdagen worden gelijkgesteld, de verpleegdagen alsmede de verlofdagen gefinancierd door de onthaalpersoon en onder zijn verantwoordelijkheid.

Art. 531.De aan de opvangpersoon toegekende dagelijkse forfaitaire toelage bestaat uit : 1° een tegemoetkoming van de persoon ter dekking van de algemene huisvestings-, onderhouds- en voedingskosten;2° een tegemoetkoming van "AWIPH" ter dekking van de opvoedings-, begeleidings- en steunkosten.

Art. 532.De tegemoetkoming van de persoon die gewoonlijke of verhoogde kinderbijslag ontvangt, met uitzondering van de gehandicapte persoon die 21 jaar oud was op 1 juli 1987 en die op die datum reeds kinderbijslag ontving, stemt overeen met het bedrag van de kinderbijslag die tot een dagelijkse basis teruggebracht wordt.

De tegemoetkoming van "AWIPH" bestemd om de opvoedings-, begeleidings- en steunkosten te dekken voor de in artikel 60, § 1, bedoelde personen bedraagt 20 euro per aanwezigheidsdag.

Art. 533.De persoon die op 1 januari 2011 een tegemoetkoming van "AWIPH" genoot voor zijn opvang door een dienst voor plaatsing in een gezin, wordt geacht in aanmerking te komen voor een beslissing van "AWIPH" waarbij geconcludeerd wordt tot de noodzaak van een begeleiding door een begeleidingsdienst voor woningen van het gezinstype.

Art. 534.§ 1. De tegemoetkoming van de persoon die gewoonlijke of verhoogde kinderbijslag niet meer ontvangt, alsmede die van de gehandicapte persoon die 21 jaar oud was op 1 juli 1987 en die op die datum reeds kinderbijslag ontving, bedraagt 20 euro per aanwezigheidsdag. § 2. Als de persoon niet beroepsactief is en als het geheel van zijn inkomens, na aftrek van het gedeelte van 181,88 euro waarover hij mag beschikken, niet volstaat om zijn tegemoetkoming te betalen, wordt ze naar rato van de vastgestelde inkomens verminderd. Het verschil tussen de bedragen van de verminderde tegemoetkoming en van het in § 1 bedoeld bedrag wordt door het AWIPH gecompenseerd. § 3. Als de persoon beroepsactief is en als het geheel van zijn inkomens, na aftrek van de helft van zijn loon, zonder dat deze lager mag zijn dan het gedeelte van 181,88 euro per maand, niet volstaat om zijn tegemoetkoming te betalen, wordt ze naar rato van de vastgestelde inkomens verminderd. Het verschil tussen de bedragen van de verminderde tegemoetkoming en van het in § 1 bedoeld bedrag wordt door "AWIPH" gecompenseerd. § 4. De tegemoetkoming van "AWIPH" bestemd om de opvoedings-, begeleidings- en steunkosten te dekken voor de in § 1, bedoelde personen bedraagt 10 euro per aanwezigheidsdag voor de personen van categorie A, 15 euro voor de personen van categorie B of 20 euro voor de personen van categorie C; deze categorieën worden bepaald in bijlage 54. § 5. De in artikel 532 bedoelde tegemoetkomingen worden gekoppeld aan spilindex 151,60 op de datum van 1 oktober 2008.

Art. 535.De tegemoetkoming van "AWIPH" wordt aan de dienst gestort, die ze aan de onthaalpersonen overschrijft.

Art. 536.Met uitzondering van de bepalingen bedoeld in § 2 van dit artikel mag geen toeslag bovenop de tegemoetkoming van de personen vereist worden om de personeels- en werkingskosten van de dienst of de kosten voor het verblijf bij de onthaalpersoon te dekken.

De volgende kosten mogen boven de tegemoetkoming van de personen vereist worden, voor zover ze geen voorwerp uitmaken van een wettelijke of aanvullende tegemoetkoming : 1° de medische en farmaceutische kosten, na aftrek van de tegemoetkoming van de verzekeringsinstelling, met inbegrip van de specifieke kosten gebonden aan incontinentie;2° de kosten voor technische hulpmiddelen, zoals orthesen, prothesen, rolstoelen en andere mechanische of elektrische hulpmiddelen.

Art. 537.§ 1. De vergoedingen voor de onthaalpersonen en de tegemoetkomingen van de personen worden berekend op grond van het aantal dagen bedoeld in artikel 530 en medegedeeld door de dienst aan de hand van het driemaandelijkse overzicht goedgekeurd door "AWIPH". § 2. De diensten dienen het behoorlijk aangevulde driemaandelijkse overzicht aan "AWIPH" te sturen binnen 50 dagen na afloop van het afgelopen kwartaal.

Behoudens overmacht wordt de niet-naleving van die termijn gestraft als volgt : a) een boete gelijk aan 1/1000 van de jaarlijks te bekomen toelage per dag vertraging wordt toegepast;b) onverminderd deze boete wordt een aanmaning bij ter post aangetekende brief opgestuurd, uiterlijk 21 dagen na de vertraging;c) als het driemaandelijkse overzicht binnen 10 dagen na het verzenden van de aangetekende aanmaning niet binnen is, wordt de jaarlijkse toelage van de dienst bepaald op 90 % van het bedrag waarop hij tijdens het jaar voor het boekjaar aanspraak kon maken.

Art. 538.De dienst stort de vergoedingen aan de onthaalpersonen uiterlijk op de 15de dag volgend op de maand waarvoor ze verschuldigd zijn. "AWIPH" wordt ertoe gemachtigd om voorschotten te storten opdat de diensten de in het eerste lid bedoelde verplichtingen zouden kunnen vervullen.

Deze voorschotten worden aangepast op grond van het in artikel 537 bedoelde driemaandelijkse overzicht dat door de dienst bepaald worden en door "AWIPH" goedgekeurd wordt. Afdeling 7 - Opvangbeleid

Art. 539.§ 1. Om in aanmerking te komen voor een gezinsopvang en voor een dienstbegeleiding moet de persoon in het bezit zijn van : 1° of de beslissing tot tussenkomst van "AWIPH" bedoeld in artikel 280 van het tweede deel van het decreetgevend deel van het Wetboek waarbij tot de noodzaak van een gezinsopvang besloten wordt;2° of de voorlopige beslissing bedoeld in artikel 436;3° of de beslissing van een bevoegde instelling van een ander deelgebied dat krachtens een samenwerkingsakkoord uitwerking mag hebben op het grondgebied van het Franstalige taalgebied. § 2. Als de dienst zich niet kan beroepen op één van de beslissingen bedoeld in § 1 en in afwachting van één van die beslissingen, mag hij tijdelijk een persoon toelaten die al een individuele aanvraag tot tussenkomst bij "AWIPH" heeft ingediend met het oog op een opname in een begeleidingsdienst inzake gezinsopvang, in een dagopvangdienst of in een residentiële dienst overeenkomstig de artikelen 413 en 420.

Bij die aanvraag wordt minstens één van de volgende stukken gevoegd : a) een door een andere administratie afgegeven document op grond waarvan het bestaan van een handicap wordt bevestigd;b) een beslissing die eerder door een provinciegouverneur is genomen op voorwaarde dat de dienst erkend is om het type handicap van de persoon ten laste te nemen;c) een attest ingevuld door een pluridisciplinair team van een erkend centrum bedoeld in de artikelen 424 en 428. De persoon beschikt over een termijn van drie maanden om de nodige multidisciplinaire gegevens te verstrekken.

De overlegging van één van de drie documenten bedoeld in § 2 loopt niet vooruit op de beslissing van "AWIPH".

Art. 540.Het dossier van een persoon is het voorwerp van de boekhouding bedoeld in artikel 485 op de datum van opneming van die persoon in het opvanggezin.

Op dezelfde datum komt de opvangpersoon in aanmerking voor de opvangvergoedingen bedoeld in afdeling 6 van dit hoofdstuk.

Om in aanmerking te komen voor die boekhouding en opvangvergoedingen richt de dienst binnen drie dagen na de opneming van de persoon in het opvanggezin een opvangbericht aan het bevoegde gewestelijk bureau van "AWIPH".

De diensten beschikken over dezelfde termijn om de berichten betreffende de beëindiging van de opvang mede te delen.

Art. 541.Voor elke opgenomen persoon beperkt de tussenkomst van "AWIPH" zich tot de financiering van de dienst en van de onthaalpersoon.

De persoon mag evenwel vragen dat de financieringen bedoeld in het eerste lid gecumuleerd worden met degene die voortvloeien uit : 1° de opname in een dagopvangdienst of door een bedrijf voor aangepast werk of een centrum voor beroepsopleiding;2° zijn opname in kort verblijf;3° een tegemoetkoming betreffende de inrichting van de woonplaats of uit een individuele hulpverlening. "AWIPH" staat cumul toe met een opname in een residentiële dienst voor jongeren opdat de persoon tijdens weekends, feestdagen en verlofperiodes in een gezin opgevangen kan worden. Het bedrag van de tegemoetkoming van "AWIPH", bedoeld in artikel 532, § 2, wordt voor de helft door de residentiële dienst voor jongeren betaald. "AWIPH" kan ook de cumulatie toelaten met een opname of een begeleiding door een andere structuur op grond van een bijzonder individueel project. Afdeling 8 - Controle

Art. 542.Onverminderd artikel 315 van het tweede deel van het decreetgevend deel van het Wetboek moeten de diensten, om "AWIPH" in staat te stellen na te gaan of de erkenningsvoorwaarden in acht genomen worden, hem om de vijf jaar de volgende stukken overleggen : 1° het project van de dienst, alsmede de wijze waarop de individuele projecten uitgewerkt en opgevolgd worden;2° het uittreksel uit het strafregister (model 1) van de directeur, van minder dan drie maanden geleden, opgemaakt overeenkomstig de ministeriële rondzendbrief nr.905 van 2 februari 2007 betreffende de afgifte van een uittreksel uit het strafregister, vrij van veroordelingen tot correctionnele straffen die onverenigbaar met het ambt zijn of tot criminele straffen; 3° in geval van wijziging van directie, een afschrift van de diploma's en getuigschriften van de directeur, alsmede het bewijs van nuttige ervaring bedoeld in bijlage 47;4° de lijst van de leden van de algemene vergadering;5° de lijst van de leden van de Bestuursraad.

Art. 543.De opdracht van de inspectiediensten bestaat erin na te gaan of de erkenningsvoorwaarden en -normen nageleefd worden. Ze evalueren regelmatig de uitvoering van de dienstenprojecten. Daartoe evalueren ze in samenwerking met de diensten de werkmethodes, de kwaliteit van de diensten, de dienstverstrekkingen en het tot stand brengen van de begeleidingsprojecten. Ze gaan na of die begeleidingsprojecten bestaan en bijgewerkt worden.

De inspectiediensten zien toe op de inachtneming van de voorschriften inzake toekenning en aanwending van toelagen en inzake boekhoudkundige verplichtingen.

Art. 544.De inspectiediensten vervullen bovendien een adviesfunctie ten opzichte van de diensten en de interveniëntenteams.

De positieve of negatieve opmerkingen en conclusies van de verschillende inspecties worden overgemaakt aan de inrichtende machten en aan de directies. Vandaar worden ze doorgestuurd naar de ondernemingsraad en/of de vakbondsafvaardiging of het onderhandelings- en overlegcomité. HOOFDSTUK II. - Diensten voor vroegtijdige hulpverlening en begeleidingsdiensten voor volwassenen Afdeling 1 - Algemene bepalingen

Art. 545.Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder : 1° de begunstigde : a) elke gehandicapte persoon zoals omschreven in artikel 261 van het tweede deel van het decreetgevend Wetboek en voor wie tot de noodzaak tot begeleiding door een dienst voor volwassen begeleiding besloten wordt bij beslissing tot tegemoetkoming van "AWIPH";b) elk gehandicapt kind zoals omschreven in artikel 261 van het tweede deel van het decreetgevend deel van het Wetboek, zijn ouders, zijn gezin en/of zijn levenssfeer en dit van zodra de handicap diagnose vastgesteld is, voor wie tot de noodzaak tot opvolging door een dienst voor vroegtijdige hulpverlening besloten wordt bij beslissing tot tegemoetkoming van "AWIPH";2° de begeleider : de werknemer van de dienst die tussenbeide komt in het begeleidingsproces van de begunstigde;3° de algemene diensten : de diensten die voor de gezamenlijke bevolking bestemd zijn en aan de specifieke behoeften van de jongeren kunnen voldoen;4° de omvorming : de omvorming van de dienst bedoeld in de artikelen 1203, 1205 en 1206;5° de begeleiding : de begeleiding, de hulp, de steun en de opvolging door de diensten voor vroegtijdige hulp en de begeleidingsdiensten voor volwassenen;6° de netwerking : het werk dat volgens beide hierna omschreven logica's verricht wordt : a) de logica die steunt op de kennissenkring van de jongere.Die praktijk zet de jongere ertoe aan om blijvend te werken aan de betrekkingen met zijn omgeving, om een zo open en gevarieerd mogelijke kennissenkring te verwerven; b) de logica die betrekking heeft op het netwerk van vakspecialisten, samengesteld uit diensten en maatschappelijk werkers.Bedoeld netwerk wordt gezien als een instrument dat in dienst staat van de begeleiding. Eén van de kenmerken van bedoelde praktijk bestaat erin te voorzien in coördinatievormen en in samenwerkingsverbanden tussen de verschillende diensten; 7° de dienst voor vroegtijdige hulpverlening : de dienst erkend door "AWIPH" krachtens deze afdeling die met inachtneming van de beginselen bedoeld in artikel 264 van het tweede deel van het decreetgevend deel van het Wetboek en in de artikelen 557, 558, 559, 560 en 561, de begunstigden begeleidt zodra de handicap diagnose wordt vastgesteld en dit tot acht jaar alsook hun familie en/of levenssfeer;8° de begeleidingsdienst voor volwassenen : de dienst erkend door "AWIPH" krachtens deze afdeling die met inachtneming van de beginselen bedoeld in artikel 264 van het tweede deel van het decreetgevend deel van het Wetboek en in de artikelen 557, 558, 559, 560 en 561, de begunstigden begeleidt vanaf de leeftijd van achttien jaar;9° de dienst : de diensten voor vroegtijdige hulpverlening en de begeleidingsdiensten voor volwassenen;10° de begeleidingsdiensten : de benaming van de begeleidingsdiensten voor volwassen voor de inwerkingtreding van dit hoofdstuk;11° administratieve entiteit : de administratieve entiteit zoals bedoeld in artikel 1192;12° het tewerkstellingskadaster : de personeelslijst opgemaakt door de dienst aan het einde van elk jaar volgens een model opgesteld door "AWIPH".

Art. 546.De begeleiding bestaat in het bevorderen van de actieve en geïndividualiseerde deelname van de begunstigden in de verwezenlijking van hun projecten en in de ontwikkeling van hun burgerschap in hun levenssfeer, met inachtneming van de beginselen bedoeld in artikel 264 van het tweede deel van het decreetgevend deel van het Wetboek en in de artikelen 547, 548, 549 en 550. Deze actieve deelname berust op de mobilisatie, de erkenning en de waardering van de bevoegdheden of de ontplooiing van de begunstigde.

Die doelstelling bedoeld in het eerste lid wordt meer bepaald op de volgende vlakken nagestreefd : gezins-, school-, maatschappelijk leven, vrijetijdsbesteding en cultuurbeleving, vorming, gezondheid of professionele behandeling.

Art. 547.Bij de begeleiding worden de volgende beginselen in acht genomen : 1° levenskwaliteit wordt nagestreefd in functie van het ritme van elke persoon;2° het uitoefenen van rechten en plichten in verband met het burgerschap;3° er wordt gehandeld op verschillende plaatsen in associatie met verschillende actoren;4° er wordt in netwerk gewerkt en de interne en externe coördinatievormen worden verstevigd via een overkoepelende benadering van de door de jongere ondervonden problemen;5° binnen de gemeenschap wordt anders over de handicap nagedacht met het oog op de inschakeling van al haar hulpbronnen en een begin van reflectie over nieuwe samenlevingsvormen.

Art. 548.Bij de begeleiding voor volwassenen worden de volgende beginselen in acht genomen : 1° Bij de individuele aanvragen van de persoon of, als hij die niet zelf kan formuleren, van zijn wettelijke vertegenwoordiger, van de persoon aan wie hij wordt toevertrouwd of van zijn omgeving : met de betrokkene en, desgevallend, met de personen die hem daarbij geholpen hebben, een individueel project opstellen dat overeenstemt met zijn behoeften, rekening houdt met zijn socio-culturele en familiale omgeving en zijn ideologische, filosofische of godsdienstige inzichten eerbiedigt;2° er wordt telkens nagegaan of de algemene diensten kunnen bijdragen tot het tot stand komen van dit project.

Art. 549.Bij de vroegtijdige hulpverlening worden de volgende beginselen in acht genomen : 1° bij de individuele aanvragen van de ouders of van de vertegenwoordigers van het kind, bijdragen tot de uitwerking van een project voor het kind in samenhang met zijn leefwereld en dat rekening houdt met zijn socio-culturele en familiale omgeving en zijn ideologische, filosofische of godsdienstige inzichten eerbiedigt;2° er wordt telkens nagegaan of de algemene diensten kunnen bijdragen tot het tot stand komen van dit project.

Art. 550.De dienst waarborgt het respect voor de persoonlijke levenssfeer, de onafhankelijkheid en de vrijheid van keuze van de begunstigde en/of zijn wettelijke vertegenwoordiger.

De dienst waarborgt dezelfde dienstverlening aan alle gehandicapte personen en mag de begunstigde of zijn wettelijke vertegenwoordiger geen andere financiële bijdrage opleggen dan die bedoeld in artikel 623 als opvang- en begeleidingsvoorwaarde. Afdeling 2 - Opdrachten

Art. 551.De diensten verstrekken de begunstigde informatie en verleent hem geïndividualiseerde steun in coördinatie met zijn netwerk zoals bedoeld in artikel 545, 6°, zodat de verschillende ondernomen begeleidingsactiviteiten zinvol en samenhangend worden gemaakt.

Art. 552.§ 1. De diensten voor vroegtijdige hulpverlening vervullen volgende algemene opdrachten : 1° door hoofdzakelijke individuele tegemoetkomingen die voornamelijk plaatsvinden in het levenssfeer, educatieve hulp verlenen aan kinderen met een mentale, fysieke of sensoriele handicap en dit, vanaf het ogenblik dat de handicap diagnose wordt vastgesteld tot de leeftijd van acht jaar;2° aan de familie en aan de levenssfeer van de gehandicapte kinderen, een educatieve, sociale en psychologische hulp verlenen om ze in staat te stellen om de moeilijkheden in verband met de handicap op te lossen en zo de optimale ontwikkeling van het kind in zijn leefklimaat te bevorderen;3° de preventie en het opsporen van elke handicap bevorderen voor, tijdens en na de zwangerschap, en zich aansluiten bij en meewerken aan elk initiatief op dat vlak. De diensten voor vroegtijdige hulpverlening kunnen ook collectieve acties of een gemeenschappelijk werk ontplooien met het oog op, met name, de vorming en de informatie van ouders en de verschillende levenssfeers van het kind : kribbe, school, ... § 2. De begeleidingsdiensten voor volwassenen vervullen de drie volgende opdrachten : 1° een individuele begeleiding;2° het ontwikkelen van een werk in gemeenschap;3° het genereren, formuleren en uitwerken van collectieve oplossingen voor individuele behoeften. Zij vervullen deze opdrachten door : 1° te luisteren, te informeren en de aanvraag te verduidelijken;2° een begeleiding voor te stellen met respect voor de socio-culturele en familiale achtergrond van de begunstigde;3° oriënteringsacties te ontwikkelen naar meer aangepaste antwoorden in samenspraak met de begunstigden;4° de gehandicapte persoon te oriënteren naar diensten die voor hem nuttig zijn zonder hun plaats in te nemen;5° door preventieve acties te ontwikkelen inzake handicaps overeenkomstig boek 4 van het tweede deel van het decreetgevend deel van het Wetboek;6° andere diensten of groeperingen te informeren en te sensibiliseren.

Art. 553.Het werk in gemeenschap bedoeld in artikel 552, § 2, 2°, bestaat in het ontwikkelen van een dynamiek gekenmerkt door netwerking en deelname van de verschillende actoren in het leven van de begunstigde. Die dynamiek beoogt het opzetten van plaatselijke samenwerkingsverbanden, alsmede de beïnvloeding van de rol van overheid en diensten en het genereren op lange termijn van vaardigheden en capaciteiten die de integratie van de begunstigden bevorderen.

De dienst ontwikkelt onder andere de volgende werkwijzen : 1° het inzetten van groepen en personen die bereid zijn mee te werken aan het integratieproces van de sociale begunstigden; 2° het deelnemen aan een handicap sensibilisering en aan de begeleidingsgebruiken bij de vakmensen voor de personen in betrekking met de gehandicapte persoon en met de Gemeenschap;. 3° het bevorderen van de coördinatie en de samenwerking tussen de diensten en met de overheid en het verenigingsleven. Afdeling 3 - Programmering

Art. 554.§ 1. Een polyvalente dienst voor vroegtijdige hulpverlening dekt een zone dat minstens acht duizend kinderen van minder dan acht jaar telt.

Een polyvalente begeleidingsdienst voor volwassenen dekt een zone van minstens 50.000 inwoners. § 2. "AWIPH" verstrekt de subregionale coördinatiecommissies alle informatie die nodig is voor een diepgaand onderzoek naar de behoeften van de gehandicapte personen inzake dienstverlening.

De commissies spreken zich over de behoeften uit binnen drie maanden na ontvangst van de informatie en maken hun advies over aan het Beheerscomité.

Bij gebrek aan advies binnen die termijn wordt de formaliteit geacht vervuld te zijn en wordt de procedure voortgezet. § 3. Het Beheerscomité van "AWIPH" legt om de zes maanden een voorstel van subregionale programmering over aan de Waalse Regering. § 4. De subregionale programmering voor de oprichting of omvorming van diensten wordt om de zes maanden door de Waalse Regering vastgelegd en wordt officieel bekendgemaakt. Afdeling 4 - Erkenning

Onderafdeling 1 - Algemene beginselen

Art. 555.De erkenning wordt voor een onbepaalde duur verleend. Als het gaat om een aanvraag voor de erkenning van een nieuwe dienst, wordt de erkenning verleend voor een periode van drie maanden tot hoogstens drie jaar. Na afloop van die periode wordt de erkenning voor onbepaalde duur verleend, behalve andersluidende beslissing van het Beheerscomité.

Art. 556.De beslissing van "AWIPH" vermeldt : 1° de begin- en einddatum van de erkenning;2° het soort erkenning;3° het theoretische volume van de begeleidingsuren toegekend voor één kalenderjaar en bepaald overeenkomstig de artikelen 563 tot en met 565;4° het minimumaantal individuele dossiers dat over één kalenderjaar beheerd moet worden. Onderafdeling 2 - Soorten erkenning

Art. 557.Volgens de begeleide begunstigden en de opdrachten die ze vervullen, worden de diensten erkend als polyvalente of specifieke dienst.

Art. 558.De polyvalente dienst begeleidt de begunstigden met elk soort handicap en staat hen bij in al hun vragen en behoeften.

Art. 559.De specifieke dienst begeleidt de begunstigden die één of meerdere bepaalde handicaps vertonen en staat hen bij in al hun vragen en behoeften.

Hij zorgt ook voor steun, vorming en geldt als model wat betreft het geheel van het grondgebied van het Franse taalgebied van het Waalse Gewest.

De specifieke dienst kan ook bijdragen tot het onderzoek inzake vroegtijdige hulpverlening of volwassen begeleiding voor wat zijn handicap(en) betreft.

Onderafdeling 3 - Toekenningsprocedure

Art. 560.De erkennningsaanvraag wordt per post aan "AWIPH" gericht.

Ze gaat vergezeld van de volgende documenten en gegevens : 1° de aangevraagde soort erkenning;2° het project van de dienst, alsmede de wijze waarop de individuele begeleidingsprojecten uitgewerkt en opgevolgd worden;3° de identiteit van de directeur van de dienst, zijn uittreksel uit het strafregister van minder dan drie maanden geleden (model 1), opgemaakt overeenkomstig de ministeriële rondzendbrief nr.905 van 2 februari 2007 betreffende de afgifte van een uittreksel uit het strafregister, vrij van veroordelingen tot correctionele straffen die onverenigbaar zijn met het ambt of tot criminele straffen, alsook de geschreven delegatie van bevoegdheden van de inrichtende macht bedoeld in artikel 584; 4° de identiteit van de bestuurders, alsook hun uittreksel uit het strafregister van minder dan drie maanden geleden, vrij van veroordelingen tot correctionele straffen die onverenigbaar zijn met het ambt of tot criminele straffen;5° de identiteit van de leden van de algemene vergadering;6° een afschrift van de diploma's en getuigschriften van de directeur, alsmede het bewijs van nuttige ervaring vereist in bijlage 57;7° als de dienst is opgericht in de juridische vorm van een VZW of van een stichting, een afschrift van de gecoördineerde statuten zoals ze zijn neergelegd bij de bevoegde instanties; 8° het inschrijvingsnummer van de dienst bij de R.S.Z. of bij de R.D.S.Z.P.P.O. en, voor de VZW's, het inschrijvingsnummer van de Kruispuntbank der ondernemingen; 9° bij omvorming, het advies, voor de particuliere sector, van de ondernemingsraad of van de bevoegde vakbondsafvaardiging of, voor de overheidssector, van het onderhandelings- of overlegcomité opgericht krachtens de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten7.

Art. 561."AWIPH" richt binnen dertig dagen na de verzending van de erkenningsaanvraag bij aangetekend schrijven een bericht van ontvangst van het dossier aan de aanvrager indien het volledig is. Als het dossier onvolledig is, brengt "AWIPH" de aanvrager volgens dezelfde procedure op de hoogte en wijst het hem tegelijkertijd op de ontbrekende stukken. "AWIPH" behandelt het dossier en het beheerscomité van "AWIPH" beslist binnen twee maanden, te rekenen van de datum van ontvangst van het volledige dossier betreffende de aanvraag voor een eerste erkenning.

Art. 562.Het beheerscomité beoordeelt de elementen van het dossier betreffende de aanvraag voor een eerste erkenning.

Onderafdeling 4 - Vaststelling van het theoretisch aantal begeleidingsuren en van het aantal individuele dossiers

Art. 563.De dienst erkend vóór 1 januari 2004 is het voorwerp van een eerste erkenning op basis van de artikelen 557 tot en met 565, in het kader waarvan zowel een theoretisch aantal begeleidingsuren als een minimumaantal individuele dossiers worden vastgelegd.

Hetzelfde kader geldt voor de diensten die later erkend zouden worden.

Art. 564.Het theoretisch aantal begeleidingsuren wordt verkregen door het theoretisch aantal voltijdse equivalenten die voor begeleidingstaken aangesteld zijn (ETPa) met 1.600 uren te vermenigvuldigen.

Dat theoretisch aantal voltijdse equivalenten die voor begeleidingstaken aangesteld zijn (ETPa) wordt verkregen door het quotum voltijdse equivalenten personeelsleden buiten interventie (ETPhi) bedoeld in bijlage 59 van het aantal theoretische voltijdse equivalenten (ETPt) af te trekken.

Het totaalaantal ETPt wordt verkregen door de in artikel 614 bedoelde jaarlijkse toelage te delen door de referentieschaal op grond van de gemiddelde anciënniteit van het personeel in dienst bij de eerste erkenning. Die schaal, bedoeld in bijlage 58, wordt vermeerderd met een coëfficiënt werkgeverslasten van 54,15 %.

De gemiddelde anciënniteit wordt berekend op basis van een naamlijst van het personeel aangesteld bij de bestaande dienst of van het personeel voorzien voor de op te richten dienst.

De anciënniteit die in aanmerking wordt genomen, is die van de personen vermeld op de laatste personeelslijst waarover "AWIPH" beschikt.

De anciënniteit van de personeelsleden die niet op de lijst voorkomen, wordt door "AWIPH" berekend op grond van bewijsstukken verstrekt door de dienst. Bij gebreke daarvan wordt de beginanciënniteit forfaitair vastgelegd op tien jaar.

Het aantal prestaties opgenomen in de berekening van de geldelijke anciënniteit van de werknemer die van een indeling van beroepsloopbaan geniet zoals bedoeld in punt V van bijlage 61 is gelijk aan diegene waarover hij beschikte vóór hij zijn halftijdse prestaties verminderde.

Het aantal bezoldigde prestaties van een werknemer die aangeworven is om een werknemer te vervangen die zijn prestaties van voltijds naar halftijds vermindert op grond van deze bepaling, worden niet in aanmerking genomen.

Art. 565.Het minimumaantal individuele dossiers waarvoor de dienst erkend is, wordt verkregen door het theoretisch aantal ETPa te vermenigvuldigen met 20.

Onderafdeling 5 - Wijziging van het theoretisch aantal begeleidingsuren en van het aantal individuele dossiers

Art. 566.Het theoretisch aantal begeleidingsuren en het aantal individuele dossiers kunnen gewijzigd worden, hetzij door het beheerscomité van "AWIPH" overeenkomstig de artikelen 563, 564 en 565, hetzij op basis van het aantal individuele dossiers beheerd door de dienst.

Art. 567.In geval van beslissing van het beheerscomité van "AWIPH" krachtens de bepalingen bedoeld in artikel 610 worden de jaarlijkse toelage, het theoretisch aantal ETPth en het aantal door de dienst te beheren individuele dossiers verminderd op grond van het theoretisch aantal interventie-uren bepaald door het beheerscomité.

Art. 568.§ 1. Als het gemiddeld aantal individuele dossiers, afgerond naar de hogere eenheid, na afloop van een eerste waarnemingsperiode van twee volle kalenderjaren na het jaar van de eerste erkenning, lager is dan het aantal bedoeld in artikel 576, worden de jaarlijkse toelagen en het theoretisch aantal voltijdse equivalenten, het theoretisch aantal interventieuren en het minimumaantal dossiers verhoudingsgewijs verminderd. § 2. De volgende waarnemingsperiodes duren drie jaar. § 3. De vermindering vindt plaats één jaar na de waarnemingsperiode.

Art. 569.Het gemiddeld aantal dossiers wordt verkregen door optelling van het aantal dossiers in behandeling tijdens elk jaar van de waarnemingsperiode, gedeeld door het aantal jaren van diezelfde waarnemingsperiode.

Onderafdeling 6 - Voorwaarden A. : Algemene bepaling

Art. 570.Het begeleidingswerk van de begunstigden wordt verricht overeenkomstig de beginselen omschreven in de artikelen 557 tot en met 561.

B. : Voorwaarden betreffende het dienstproject

Art. 571.Het project van de dienst wordt uitgewerkt op basis van het patroon bedoeld in bijlage 56. Daarbij wordt het interventieteam tot samenwerking aangezet. Het project wordt voorgelegd : 1° voor de diensten beheerd door een privé inrichtende macht : aan de ondernemingsraad of, bij gebreke daarvan, aan de vakbondsafvaardiging;2° voor de diensten beheerd door een openbare inrichtende macht : aan het onderhandelings- of overlegcomité ingesteld krachtens de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten7 of, bij gebrek, aan de representatieve werknemersorganisaties. Dat project wordt minstens om de vijf jaar bijgewerkt.

De dienst evalueert zijn activiteit minstens één keer per jaar. De dienst maakt jaarlijks uiterlijk 30 juni het activiteitenverslag aan "AWIPH" over.

De personeelsleden van de dienst worden in kennis gesteld van het project, de bijwerkingen ervan en het jaarlijkse evaluatierapport over de activiteit van de dienst en kunnen daarvan steeds inzage nemen.

Art. 572.De dienst wendt de middelen aan die bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het project van de dienst.

C. : Voorwaarden met betrekking tot het begeleidingscontract

Art. 573.Er wordt een schriftelijke opvangovereenkomst gesloten tussen de dienst en de persoon of diens wettelijke vertegenwoordiger.

Als de begunstigde minstens veertien jaar oud is, wordt zijn schriftelijk akkoord vereist.

Art. 574.De begeleidingsovereenkomst bevat hoe dan ook de volgende gegevens : 1° de identiteit van de partijen;2° de algemene doelstellingen van het begeleidingswerk;3° de melding dat een begeleidingsproject door de dienst zal worden uitgewerkt in samenwerking met de begunstigde, diens gezin tijdens de begeleiding door een dienst voor vroegtijdige hulpverlening of, desgevallend, met de andere partijen die de overeenkomst hebben ondertekend;4° de begin- en einddatum van de begeleidingsovereenkomst;5° de uitdrukkelijke melding dat de begunstigde en/of diens gezin verzocht worden deel te nemen aan het evaluatieproces van de begeleiding;6° het bedrag van de bijdrage;7° de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die instaat voor de betaling en voor de manier waarop de betaling wordt geregeld;8° de modaliteiten voor de opzegging van de overeenkomst;9° het adres van "AWIPH" waar de begunstigde en/of diens gezin opmerkingen, klachten of bezwaren kan indienen.

Art. 575.De begunstigde of diens wettelijke vertegenwoordiger heeft te gelegener tijd recht op informatie over elk vraagstuk betreffende het begeleidingswerk.

D. : Voorwaarden met betrekking tot het begeleidingsproject

Art. 576.Het begeleidingsproject bedoeld in artikel 574, 3° wordt uitgewerkt binnen drie maanden na de opvang van de begunstigde en bevat de volgende gegevens : 1° een informatief luik over de begunstigde en zijn vragen;2° een projectief luik met hoe dan ook : de wijze waarop het begeleidingsproces zal verlopen rekening houdende met de vragen en de geïdentificeerde behoeften; de algemene diensten die om samenwerking zullen worden verzocht; 3° een evaluatief luik over de vragen en de actualisering van het begeleidingsproces.

Art. 577.Er wordt een schriftelijke opvangovereenkomst gesloten tussen de dienst en de persoon of diens wettelijke vertegenwoordiger.

Als de begunstigde minstens veertien jaar oud is, wordt zijn schriftelijk akkoord vereist.

Het maakt noodzakelijk deel uit van de begeleidingsovereenkomst en gaat bij het dossier van de begunstigde, dat door de dienst wordt bijhouden.

Individuele prestaties worden opgenomen in dit dossier. Zij vermelden de datum en een korte beschrijving van de prestatie.

E. : Voorwaarden betreffende de agenda van de dienst

Art. 578.De dienst houdt een agenda van de dagelijkse activiteiten van de teamleden.

F. : Voorwaarden betreffende de kwalificaties en de opleiding van het personeel

Art. 579.Het personeel van de diensten moet voldoen aan de kwalificatienormen bedoeld in bijlage 57.

De dienst stelt de afschriften van de diploma's, getuigschriften en attesten ter beschikking van "AWIPH".

De personeelsleden leggen bij hun indienstneming een uittreksel uit het strafregister (model 1) over dat is opgemaakt overeenkomstig de ministeriële rondzendbrief nr. 905 van 2 februari 2007 betreffende de afgifte van een uittreksel uit het strafregister, vrij van veroordelingen tot correctionele straffen die onverenigbaar met het ambt zijn of tot criminele straffen.

Art. 580.De houders van een einddiploma of -getuigschrift van het hoger universitair of niet-universitair onderwijs met pedagogische, psychologische, sociale of paramedische oriëntering, met uitzondering van het diploma van Bachelor - bibliothecaris-documentalist, van het getuigschrift en van het diploma van pedagogische bekwaamheid.

Wat de begeleidingsdiensten voor volwassenen betreft, moet het team samengesteld zijn uit bezoldigd personeel waaronder hoe dan ook werknemers uit minstens twee van de drie volgende personeelscategorieën : opvoedend personeel, sociaal personeel of paramedisch personeel.

Wat de diensten voor vroegtijdige hulpverlening betreft, moet de ploeg samengesteld zijn uit bezoldigd personeel waaronder hoe dan ook een psycholoog of een psycho-pedagoog en minstens een werknemer uit een van de volgende personeelscategorieën : opvoedend personeel, sociaal personeel of paramedisch personeel.

De werknemers bedoeld in het tweede en in het derde lid worden daartoe bezoldigd.

G. : Voorwaarden betreffende de opleiding van het personeel

Art. 581.Op grond van het project bedoeld in artikel 571 stelt de dienst een vormingsprogramma voor het personeel op voor minimum twee jaar.

Dat plan, opgemaakt na een bespreking met de betrokken actoren, omschrijft de nagestreefde doelstellingen. Het omschrijft de banden tussen de globale omgeving van de dienst, de dynamiek van het project van de dienst en de ontwikkeling van de vaardigheden van het personeel. Het definieert de evaluatiecriteria, -modaliteiten en -periodiciteit voor die drie aspecten. Het identificeert de permanente vormingsactiviteiten van minstens twee dagen per jaar waaraan het begeleidingspersoneel moet deelnemen.

Wat betreft het personeel van de diensten die onder de plaatselijke besturen en de provincies ressorteren, ligt het in het eerste lid bedoelde vormingsprogramma in de lijn van het vormingsprogramma dat werd uitgewerkt op initiatief van de gewestelijke vormingsraad, ingesteld bij het decreet van 6 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/06/1969 pub. 24/01/2011 numac 2010000730 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten3 tot oprichting van de gewestelijke vormingsraad voor de personeelsleden van de plaatselijke en provinciale besturen van Wallonië.

H. : Voorwaarden betreffende de rechtspersoonlijkheid van de dienst

Art. 582.De dienst wordt beheerd door een overheid, een vereniging zonder winstoogmerk of een stichting opgericht overeenkomstig de wet van 27 juni 1921Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/07/1975 pub. 30/06/2010 numac 2010000387 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten3 op de verenigingen zonder winstgevend doel, de internationale verenigingen en de stichtingen.

Art. 583.Als hij door een vereniging zonder winstoogmerk ingericht wordt : 1° mag deze voor meer dan 1/5 van zijn leden niet samengesteld zijn uit personeelsleden of opvangpersonen, noch uit personen die met hen aanverwant zijn tot de derde graad;2° mag de Raad van bestuur, om elk belangenconflict en elke bron van machtsconflict te voorkomen, niet bestaan uit personen van hetzelfde gezin, echtgenoten, wettelijke samenwonenden en bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad, waarvan het aantal voor elk gezin hoger is dan een derde van het totaalaantal leden van de Raad van bestuur, noch uit personen die deel uitmaken van het personeel van de dienst. I. : Voorwaarden betreffende het beheer van de dienst

Art. 584.§ 1. De dienst vervult volgende voorwaarden : 1° hij is zelfstandig op technisch, budgettair en boekhoudkundig vlak en beschikt over een administratief beheer van dien aard dat hij zijn opdracht kan uitvoeren en dat "AWIPH" daarop controle kan uitoefenen. De technische, budgettaire en boekhoudkundige autonomie kan eventueel via de organisatie van een administratieve entiteit verkregen worden; 2° onder de leiding staan van een directeur, natuurlijke persoon bezoldigd voor die functie en bevoegd om, overeenkomstig een geschreven overdracht van bevoegdheid door de inrichtende macht en onder haar verantwoordelijkheid of die van de directeur-generaal van de administratieve entiteit bedoeld in punt 1°, het dagelijks beheer van de dienst waar te nemen hoe dan ook wat betreft : a) de tenuitvoerlegging en opvolging van het pedagogisch project;b) het personeelsbeheer;c) het financieel beheer;d) de toepassing van de geldende reglementeringen;e) de vertegenwoordiging van de dienst in zijn relaties met "AWIPH".f) de sluiting van overeenkomsten met de schoolinrichtingen en de algemene diensten. § 2. De directeur moet bovendien in staat zijn om de effectieve leiding van de dienst constant waar te nemen. Als hij afwezig is tijdens de activiteiten voorzien in het kader van de begeleidingsprojecten, moet een daartoe afgevaardigd personeelslid in noodgevallen de nodige maatregelen kunnen treffen en in staat zijn om zowel interne als externe vragen te beantwoorden. § 3. In geval van verzuim of onregelmatigheud in de uitvoering van het mandaat van de directeur, verzoekt "AWIPH" de inrichtende macht bij aangetekend schrijven en binnen de termijn die "AWIPH" bepaalt om de nodige maatregelen te treffen.

Bij gebrek, zal "AWIPH" zich wenden tot het Beheerscomité dat moet beslissen overeenkomstig de bepalingen bedoeld in artikel 600.

J. : Voorwaarden betreffende het administratief en boekhoudkundig beheer

Art. 585.Onverminderd de bepalingen van artikel 286 van het tweede deel van het decreetgevend deel van het Wetboek maakt de dienst op verzoek van "AWIPH" alle bewijsstukken over die vereist worden voor de uitoefening van de controle, meer bepaald de jaarrekeningen, de nodige stukken voor de berekening van de verschillende toelagen, alsmede het vormingsprogramma bedoeld in artikel 581.

Art. 586.De dienst maakt de sociale balans over zoals bepaald bij het koninklijk besluit van 4 augustus 1996 betreffende de sociale balans, alsook de jaarrekeningen, de balans van de activiteiten en het vormingsprogramma bedoeld in artikel 581 : 1° voor de diensten beheerd door een privé inrichtende macht : aan de ondernemingsraad of, bij gebreke daarvan, aan de vakbondsafvaardiging;2° voor de diensten beheerd door een openbare inrichtende macht : aan het onderhandelings- of overlegcomité ingesteld krachtens de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten7 of, bij gebrek, aan de representatieve werknemersorganisaties.

Art. 587.De dienst voert een boekhouding overeenkomstig de wetgeving met betrekking tot de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingen en overeenkomstig de uitvoeringsbesluiten ervan.

Art. 588.De inhoud en de presentatie van het genormaliseerde minimale boekhoudplan beantwoorden aan het volledige schema van de jaarrekeningen met balans, resultatenrekeningen en bijlagen overeenkomstig de wetgeving met betrekking tot de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingen en overeenkomstig de uitvoeringsbesluiten ervan.

De opschriften en rekeningennummers die met de activiteiten van de diensten overeenstemmen, worden door "AWIPH" aan de diensten meegedeeld.

Art. 589.De financiële bijdragen die krachtens artikel 623 van de begunstigden of hun wettelijke vertegenwoordigers verlangd worden, worden dwingend geboekt als invorderingen van onkosten betreffende de rekeningen 6010, 6011, 6012, 613, 616 en 644 bedoeld in het boekhoudplan waarvan de diensten middels een omzendbrief in kennis worden gesteld.

In het kader van de controle op het gebruik van de toelagen, worden die bijdragen in mindering gebracht van het bedrag van de overeenstemmende lasten.

De toelagen die door de overheden of door die overheden gesubsidieerde instellingen aan de diensten gestort worden, worden afgetrokken van de overeenstemmende lasten die op geldige wijze in het boekjaar geboekt worden. Er wordt slechts rekening gehouden met genoemde toelagen voor zover ze verleend worden ter dekking van de uitgaven die in aanmerking genomen worden voor de berekening van de toelage.

Art. 590.De beginbalans van elke dienst wordt aan "AWIPH" voorgelegd binnen zes maanden na de bekendmaking van het uittreksel van hun erkenningsbesluit in het Belgisch Staatsblad.

Art. 591.De jaarrekeningen van elke dienst worden aan "AWIPH" overgemaakt uiterlijk 31 mei van het jaar na het boekjaar.

Ze gaan eveneens vergezeld van de geconsolideerde jaarrekeningen van de juridische entiteit waaronder de dienst ressorteert of waarmee hij verbonden is via een controle of een unieke directie in de zin van de artikelen 5 en 10 van het Wetboek van vennootschappen ingevoerd door de wet van 7 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten9.

Het boekjaar stemt overeen met het kalenderjaar.

Art. 592.Als diensten worden verstrekt door een juridisch onderscheiden vereniging die evenwel met de dienst verbonden is via een controle of een unieke directie in de zin van artikelen 5 en 10 van het Wetboek van vennootschappen ingevoerd door de wet van 7 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten9, vermelden de dienstverstrekkers hun aanwezigheid in het adequaat register.

K. : Voorwaarden betreffende de verzekeringen

Art. 593.Vóór elke begeleiding van een jongere gaat de dienst een verzekeringspolis aan : 1° ter dekking van de civiele aansprakelijkheid van de dienst of van de personen voor wie hij moet instaan voor elke schade opgelopen of veroorzaakt door de begunstigde.De polis moet vermelden dat de jongere de hoedanigheid van derde behoudt en, per schadegeval, alle schade dekken tot minimum 2.479.000 euro voor lichamelijke schade en 247.900 euro voor materiële schade. De verzekeringspolis moet desgevallend de dekking voorzien van collectieve activiteiten die plaatsvinden in de dienstlokalen; 2° ter dekking van alle schade veroorzaakt door een gerechtigde die zijn civiele aansprakelijkheid niet in opspraak zou brengen of van alle schade die hem tijdens de begeleiding zou zijn toegebracht.In dat geval dekt de verzekering het overlijden voor een bedrag van minstens 2.479 euro, de blijvende ongeschiktheid voor een bedrag van minstens 12.394 euro en de behandelingskosten voor een bedrag van minstens 2.479 euro.

L. : Verplichtingen betreffende gebouwen en installaties

Art. 594.De gebouwen en installaties bieden de begunstigden toegangsmogelijkheden in verhouding tot hun handicap. Afdeling 5 - Controle en sancties

Onderafdeling 1 - Evaluatie van de diensten

Art. 595.Onverminderd artikel 315 van boek 4 van het decreetgevend deel van het Wetboek moeten de diensten, om "AWIPH" in staat te stellen na te gaan of de erkenningsvoorwaarden in acht genomen worden, hem om de vijf jaar de volgende stukken overleggen : 1° het geactualiseerde project van de dienst, alsmede de wijze waarop de individuele projecten uitgewerkt en opgevolgd worden;2° het uittreksel uit het strafregister (model 1) van de directeur, van minder dan drie maanden geleden, opgemaakt overeenkomstig de ministeriële rondzendbrief nr.905 van 2 februari 2007 betreffende de afgifte van een uittreksel uit het strafregister, vrij van veroordelingen tot correctionele straffen die onverenigbaar met het ambt zijn of tot criminele straffen; 3° in geval van wijziging van directie, een afschrift van de diploma's en getuigschriften van de directeur, de geschreven overdracht van bevoegdheid door de inrichtende macht bedoeld in artikel 584, alsmede het bewijs van nuttige ervaring bedoeld in bijlage 57;4° de lijst van de leden van de algemene vergadering;5° de lijst van de leden van de Bestuursraad.6° de wijzigingen in de statuten die de laatste vijf jaren zijn gepubliceerd of ter griffie zijn neergelegd. Onderafdeling 2 - Controle

Art. 596.De opdracht van de inspectiediensten bestaat erin na te gaan of de erkenningsvoorwaarden en -normen nageleefd worden. Ze evalueren regelmatig de uitvoering van de dienstenprojecten. Daartoe evalueren ze in samenwerking met de diensten de werkmethodes, de kwaliteit van de diensten, de dienstverstrekkingen en het tot stand brengen van de begeleidingsprojecten. Ze gaan na of die begeleidingsprojecten voorhanden zijn en bijgewerkt worden.

De inspectiediensten zien toe op de inachtneming van de voorschriften inzake toekenning en aanwending van toelagen en inzake boekhoudkundige verplichtingen.

Art. 597.De inspectiediensten vervullen bovendien een adviesfunctie ten opzichte van de diensten en de begeleidingsteams.

De positieve of negatieve opmerkingen en conclusies van de verschillende inspecties worden overgemaakt aan de inrichtende machten en aan de directies. Vandaar worden ze doorgestuurd naar de ondernemingsraad en(of) de vakbondsafvaardiging of het onderhandelings- en overlegcomité opgericht krachtens de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten7.

Art. 598.De inspectiediensten van "AWIPH" gaan na of de dienst voldoet aan de verschillende erkenningsvoorwaarden en -normen bedoeld in onderafdeling 6 van afdeling 4. De beoordelingen van de inspectiediensten worden aan de leden van het beheerscomité gericht om hem van advies te dienen bij zijn besluitvorming.

Art. 599.De dienst vermeldt de referentie van de door "AWIPH" verleende erkenning op alle akten en overige stukken, publiciteitsfolders en aanplakkingen die van de dienst uitgaan.

Onderafdeling 3 - Sancties

Art. 600.Indien het beheerscomité vaststelt dat één of verschillende erkenningsvoorwaarden en -normen bedoeld in onderafdeling 6 van afdeling 4 niet of niet meer worden vervuld, kan het beheerscomité, na de dienstverantwoordelijken te hebben gehoord, de erkenning opschorten of intrekken dan wel het aantal erkende uren en dossiers verminderen.

Bij voorwaardelijk behoud van de dienst wordt de beslissing gekoppeld aan verplichtingen die de dienst moet nakomen binnen een bepaalde termijn na afloop waarvan het beheerscomité kan beslissen tot de opschorting of de intrekking van de erkenning of tot de vermindering van het aantal erkende uren en dossiers.

Art. 601.Het beheerscomité kan eveneens, gedurende hoogstens twee jaar, het behoud of de hernieuwing van de erkenning afhankelijk maken van de oprichting van een " begeleidingscomité ", dat de dienst moet bijstaan bij de inachtneming van de erkenningsvoorwaarden.

Het begeleidingscomité bestaat uit minstens één vertegenwoordiger van "AWIPH", één deskundige aangewezen door het beheerscomité op grond van zijn bevoegdheid voor het bestaande probleem, één vertegenwoordiger van de inrichtende machten en één vertegenwoordiger van de representatieve werknemersorganisaties. Als de dienst na afloop van de opgelegde termijn nog steeds niet voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, treft "AWIPH" één van de maatregelen bedoeld in artikel 600.

Art. 602.Bij de sluiting van een dienst ten gevolge van de intrekking van de erkenning verzoekt "AWIPH" elke dienst om samenwerking zodat dringend voor de begeleiding van de gehandicapte personen kan worden gezorgd. Afdeling 6 - Subsidiëring

Onderafdeling 1 - Algemene bepalingen

Art. 603.§ 1. Binnen de perken van de budgettaire kredieten ontvangen de diensten : 1° een jaarlijkse personeelstoelage;2° een jaarlijkse werkingstoelage;3° een toeslag wegens geldelijke anciënniteit;4° een specifieke subsidie om de mobiliteit van het begeleidingspersoneel te versterken;5° een bijzondere toelage om de bepalingen van het drieledige raamakkoord voor de Waalse privé non-profit sector te vereffenen;6° een specifieke subsidie om de loonsverhogingen te financieren die resulteren uit de valorisatie van de lastige uren;7° een specifieke subsidie als compensatie voor de maatregelen inzake de loonschaalverhoging van de hoofdopvoeders en opvoeders groepsleiders; 8° een specifieke subsidie voor de financiering van de compensatiebanen i.v.m. de toekenning van bijkomende jaarlijkse verlofdagen aan de personeelsleden van 52 jaar en meer. Deze subsidie wordt uitsluitend toegekend aan de diensten die door een openbare inrichtende macht worden beheerd. § 2. Het totaalbedrag van de toelagen dat voortvloeit uit de bepalingen van dit hoofdstuk wordt verminderd met de tegenwaarde van het bedrag dat eventueel gestort wordt door het Tewerkstellingsfonds aan het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering als compensatie voor de subsidiëring van de vergoeding bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 22 september 1989 tot bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector.

Onderafdeling 2 - Een jaarlijkse toelage

Art. 604.§ 1. De bedragen van de jaarlijkse werkings- en personeelstoelage voor het lopende boekjaar worden gehandhaafd voor de diensten voor vroegtijdige hulpverlening en begeleiding die erkend zijn op 1 januari 2004.

Hun personeelstoelage wordt verhoogd om 2,5 theoretische voltijdse equivalenten (ETPt) te financieren tegen de referentieschaal bedoeld in bijlage 58.

De referentieschaal bedoeld in het vorig lid houdt rekening met : a) de gemiddelde anciënniteit van het personeel van de dienst bepaald krachtens de bepalingen van artikel 575;b) een coëfficiënt werkgeverslasten van 51,89 %. § 2. Als de erkenning verlengd wordt na een omvorming bedoeld in artikel 1216, 5°, d), worden die toelagen aangevuld met het saldo berekend krachtens de bepalingen van artikel 1254, § 3. 85 % van dit saldo wordt toegekend aan de personeelstoelage, het resterend bedrag gaat naar de werkingstoelage. § 3. Voor de diensten voor vroegtijdige hulpverlening en volwassenen begeleiding opgericht na de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk ingevolge een omvorming bedoeld in artikel 1216, 5°, d), is het bedrag van de toelagen bedoeld in § 1 gelijk aan het saldo berekend krachtens de bepalingen van artikel 1254.

Hoe dan ook wordt de omvorming zodanig uitgevoerd dat de werkingstoelage 18.407,93 bedraagt, gekoppeld aan het indexcijfer 126,83 van 1 juli 2000 en dat het saldo voor de personeelstoelage minstens de financiering van 2,5 theoretische voltijdse equivalenten (ETPt) toelaat tegen de referentieschaal bedoeld in bijlage 58.

De referentieschaal bedoeld in het vorig lid houdt rekening met : a) de gemiddelde anciënniteit van het personeel van de dienst bepaald krachtens de bepalingen van artikel 564;b) een coëfficiënt werkgeverslasten van 51,89 %.

Art. 605.De Regering bepaalt de bedragen van de toelage voor de diensten die worden opgericht of die mogen uitbreiden krachtens de bepalingen van afdeling 3 van dit hoofdstuk.

Art. 606.Onverminderd de bepalingen van artikel 611, worden de jaarlijkse toelagen berekend over periodes van drie jaar aan het einde waarvan de bepalingen van artikel 568 in voorkomend geval worden toegepast.

Art. 607.De jaarlijkse toelage wordt tijdens het bestemmingsjaar voortijdig vereffend bij maandelijkse afbetalingen.

De maandelijkse afbetalingen worden automatisch aangepast tijdens de tweede maand na de overschrijding van de basisindex die als referentie dient voor de indexering van de lonen bij de overheidsdiensten.

Art. 608.Wat betreft de diensten voor vroegtijdige hulpverlening en de begeleidingsdiensten voor volwassenen waarvan het gemiddeld aantal individuele dossiers, afgerond op de hogere eenheid, hoger dan of gelijk is aan het aantal berekend volgens de bepalingen van artikel 565, wordt voor het toekenningsjaar het bedrag gehandhaafd dat verkregen wordt na optelling van de jaarlijkse toelage en van het gedeelte van de in het vorige jaar uitgekeerde toeslag wegens loonschaalherwaardering betreffende dezelfde toelage, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt.

De aanpassingscoëfficiënt bedoeld in § 1 zet de indexering die het vorige jaar is doorgevoerd in een vol jaar om.

Onderafdeling 3 - Toeslag wegens geldelijke anciënniteit

Art. 609.§ 1. Een toelagetoeslag voor het personeel wordt verleend aan de diensten waarvan het gezamenlijke personeel aan het einde van het bestemmingsjaar een gemiddelde geldelijke anciënniteit heeft die hoger is dan die bedoeld in artikel 664. § 2. De dienst bezorgt "AWIPH" per aangetekende brief aan het einde van elk bestemmingsjaar uiterlijk 31 maart een kadaster van de tewerkstelling.

Behalve geval van overmacht, wordt het niet naleven van deze termijn, met poststempel geldendt als bewijs, als volgt bestraft : 1° een boete gelijk aan 1/1000 van de jaarlijks te bekomen toelage per dag vertraging;2° onverminderd deze boete, wordt een aanmaning bij ter post aangetekende brief opgestuurd, uiterlijk 21 dagen na de vertraging;3° als het onderzoeksformulier binnen 10 dagen na het verzenden van de aangetekende aanmaning niet toegekomen is, wordt de jaarlijkse toelage teruggebracht tot 90 % van het bedrag dat tijdens het vorig boekjaar verleend werd en dit, naar rato van het aantal erkende dossiers. De voor elk personeelslid in aanmerking te nemen geldelijke anciënniteit is die waarop het recht heeft op 31 december van het boekjaar dat het voorwerp is van de toelage, gewogen met het volume van de bezoldigde dienstverstrekkingen. Voor de personeelsleden die de dienst vóór die datum verlaten hebben, is de in aanmerking te nemen geldelijke anciënniteit die waarop zij recht hebben op de uittredingsdatum, gewogen met het volume van de bezoldigde dienstverstrekkingen.

Het resultaat van de deling wordt vervolgens verminderd met een half jaar anciënniteit. § 3. De toeslag wordt toegekend naar rata van het theoretische aantal voltijdse equivalenten (ETPt), vermenigvuldigd met het verschil tussen de referentieloonschaal bedoeld in bijlage 58 bij de vastgestelde anciënniteit en diezelfde loonschaal bij de gemiddelde anciënniteit van het personeel aangesteld bij de dienst na de eerste erkenning op grond van deze bepalingen.

Art. 610.Als de toeslag voor het eerst wordt toegekend, wordt hij automatisch in de vorm van voorschotten voor het volgende jaar betaald.

Als de anciënniteit kleiner is dan degene die als basis heeft gediend voor de toekenning van de voorschotten, wordt de toegekende toeslag aangepast.

Onderafdeling 4 - Specifieke subsidie om de betaling van de vakbondpremies te kunnen verzekeren

Art. 611."AWIPH" stort namens de diensten op het fonds dat instaat voor de betaling van de vakbondspremies, een bedrag dat overeenstemt met het aantal werknemers die er in aanmerking voor kunnen komen, vermenigvuldigd met het bedrag van de vakbondspremie per werknemer, dat bepaald is overeenkomstig de wet van 1 september 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/07/1975 pub. 30/06/2010 numac 2010000387 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten1 betreffende de toekenning en de uitbetaling van een vakbondspremie aan sommige personeelsleden van de overheidssector, zoals uitgevoerd door de koninklijke besluiten van 26 en 30 september 1980.

Onderafdeling 5 - Specifieke subsidie om de mobiliteit van het begeleidingspersoneel te versterken

Art. 612.Er wordt een specifieke subsidie aan de diensten toegekend voor de gedeeltelijke financiering van de professionele verplaatsingskosten van het begeleidingspersoneel dat kan aantonen dat het beschikt over de kwalificaties bedoeld in artikel 580.

Elke dienst krijgt jaarlijks een kilometercontingent dat vastgelegd wordt door zijn aantal voltijds equivalent begeleiders te delen door het globaal aantal voltijds equivalent begeleiders, vermenigvuldigd met 1 000 000.

De specifieke subsidie bedoeld in het eerste lid wordt berekend door het contingent van elke dienst te vermenigvuldigen met het bedrag dat aan het personeel van de Ministeries toegekend wordt krachtens het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten, zoals gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 7 maart 2001Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/04/1965 pub. 02/08/2010 numac 2010000404 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten7.

Art. 613.Het wordt in aanmerking genomen voor de berekening van het aantal voltijds equivalent begeleiders bedoeld in artikel 612, de som van de bezoldigde uren van het begeleidingspersoneel geïdentificeerd in het tewerkstellingskadaster van het jaar dat aan het toekenningsjaar voorafgaat.

Bij de berekening bedoeld in artikel 612 wordt wat betreft het aantal voltijds equivalent begeleiders van de specifieke diensten rekening gehouden met een vermenigvuldigingscoëfficiënt van 1,2.

Art. 614.Er wordt een specifieke subsidie aan de diensten toegekend met het oog op de financiering van de compenserende betrekkingen ingevolge de toekenning van drie bijkomende jaarlijkse verlofdagen aan hun personeel. Deze subsidie wordt berekend volgens de modaliteiten die vastliggen in het besluit van de Waalse Regering van 11 september 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/04/1965 pub. 02/08/2010 numac 2010000404 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten8 betreffende de subsidiëring van de maatregelen van de driedelige raamovereenkomst voor de Waalse privé non-profit sector.

Onderafdeling 6 - Specifieke subsidie voor de financiering van de loonsverhogingen voortvloeiende uit de valorisatie van de lastige uren

Art. 615.§ 1. Er wordt een specifieke subsidie aan de diensten toegekend om de loonsverhogingen te financieren die resulteren uit de valorisatie van de lastige uren. § 2. Deze subsidie wordt berekend volgens de modaliteiten die vastliggen in het besluit van de Waalse Regering van 27 mei 2010Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/04/1965 pub. 02/08/2010 numac 2010000404 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten5 betreffende de subsidiëring van de maatregelen van de driedelige raamovereenkomst voor de Waalse privé non-profit sector.

Onderafdeling 7 - Specifieke subsidie als compensatie voor de maatregelen inzake de loonschaalverhoging van de hoofdopvoeders en opvoeders groepsleiders

Art. 616.§ 1. "AWIPH" stort aan de diensten die door een privé inrichtende macht worden beheerd en die, op 31 december 2009, opvoeders groepsleiders en/of hoofdopvoeders betaalden, een subsidietoeslag om de bijkomende kosten van de loonschaalverhoging van deze beide categorieën werknemers te financieren. § 2. Die subdidietoeslag wordt berekend door voor elke dienst in elke van die personeelscategorieën het aantal valoriseerbare voltijds equivalenten te vermenigvuldigen met het verschil tussen de loonschaal bedoeld in bijlage 64 en de loonschaal gebruikt voor de bepaling van de tarieven per tenlasteneming bedoeld in bijlage 104. § 3. Het aantal valoriseerbare voltijds equivalenten bedoeld in § 2 komt overeen met de som van de bezoldigde prestaties van de werknemers voor de periode van 1 januari 2009 tot 31 december 2009, na aftrek van de tegemoetkomingen van andere overheden, gedeeld door het totaal van de bezoldigde uren die gepresteerd moeten worden om een voltijds equivalent tijdens het jaar 2009 te rechtvaardigen. § 4. De theoretische ancienniteit van de werknemers die in aanmerking komen voor deze nieuwe schalen wordt berekend op 31 december van het jaar van toekenning van de subsidie. § 5. Het aldus verkregen totaal van de toeslagen wordt eventueel beperkt om het bedrag van 3.460,53 euro gekoppeld aan indexcijfer 154,63 van 1 oktober 2010 niet te overschrijden. § 6. Deze beperking wordt over het geheel van de diensten verdeeld aan de hand van een bijsturingscoëfficiënt. Die coëfficiënt wordt bepaald als volgt : Krediet bedoeld in § 5/Totaal van de toeslagen die aanvankelijk werden berekend Onderafdeling 8 - Specifieke toelage om te voldoen aan de bepalingen van de kaderovereenkomst 2011 betreffende de openbare non-profit sector

Art. 617.§ 1. "AWIPH" stort een specifieke toelage aan de diensten beheerd door een openbare inrichtende macht voor de financiering van de compenserende betrekking met betrekking tot de toekenning van bijkomende jaarlijkse verlofdagen voor werknemers die minstens 52 jaar oud zijn. § 2. Die bijkomende toelage die door "AWIPH" aan de diensten verleend wordt bedraagt voor het geheel van de diensten jaarlijks globaal 20.576,55 euro. § 3. Het bedrag bedoeld in § 2 wordt aan spilindex 154,63 van 1 oktober 2010 gekoppeld.

Art. 618.§ 1. Elke dienst krijgt een bedrag dat resulteert uit de opdeling van het bedrag bedoeld in artikel 617, § 2, door 51, 1553, vermenigvuldigd door het op 31 december 2009 vastgelegde aantal voltijds equivalenten ervan. § 2. De diensten rechtvaardigen en verklaren op erewoord een aanwending van de bedragen bedoeld in § 1, voor bijkomende aanwervingen.

Onderafdeling 9 - Bijkomende subsidie voor de specifieke diensten voor personen met een gezichts- of gehoorhandicap

Art. 619.Een bijkomende toelage om aanvullend personeel aan 0,5 voltijdse equivalent aan te werven wordt verleend aan de diensten erkend als specifieke diensten bestemd voor personen met een gezichts- of gehoorhandicap.

De toelage bestemd voor deze personeelskosten wordt berekend volgens de modaliteiten bedoeld in artikel 564.

Deze 0,5 voltijdse equivalent wordt niet in aanmerking genomen voor de berekening van het minimumaantal individuele dossiers bedoeld in artikel 565.

Onderafdeling 10 - Controle van de jaarlijkse subsidie

Art. 620.§ 1. Als het totaalaantal uren gepresteerd door het begeleidingspersoneel lager is dan het aantal uren waarvoor de dienst erkend is, geeft "AWIPH" hem kennis van het bedrag dat ingevorderd moet worden.

Het bedrag wordt afgetrokken vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de datum van kennisgeving. § 2. Als het totaalbedrag van de toelaatbare lasten kleiner is dan de overeenkomstige toelage, wordt het verschil ingevorderd bij de controle op het gebruik van de toelagen door "AWIPH", waarbij de invorderingen bedoeld in § 1 in mindering worden gebracht.

Art. 621.De lasten die in aanmerking mogen worden genomen, worden in de bijlagen 60 en 61 nader bepaald.

Art. 622.Na kennisgeving gaat "AWIPH" over tot de rechtzetting en de ambtshalve invordering van de toelagen verleend op grond van onjuiste aangiften of waarvan het gebruik ongerechtvaardigd blijkt te zijn.

Ze worden rechtgezet en ingevorderd tijdens de tweede maand na die van de kennisgeving en kunnen het voorwerp uitmaken van een aanzuiveringsplan.

De diensten beschikken over een termijn van dertig kalenderdagen, waarbij de postdatum bewijskracht heeft, om elke rechtzetting of invordering te betwisten waarvan kennis wordt gegeven overeenkomstig dit hoofdstuk.

De diensten kunnen een aanvraag tot herziening van de toelage indienen binnen dertig kalenderdagen, te rekenen van de kennisneming van een gegeven dat het bedrag van de toelage betwist en waarvan zij geen weet hadden bij de kennisgeving ervan.

De dienst moet dan het bewijs leveren van de datum waarop hij kennis genomen heeft van bedoeld gegeven. Afdeling 7 - Bijdragen

Art. 623.De diensten mogen de begunstigden verzoeken om een bijdrage van hoogstens 25 euro per maand, gekoppeld aan indexcijfer 119,53 van 1 mei 1996.

De diensten mogen bovenop de bijdrage een toeslag eisen voor de kosten inherent aan een specifieke recreatieactiviteit of aan specifieke behoeften van de begunstigde met het oog op zijn welzijn en op zijn persoonlijke ontplooiing.

Als de toeslag door de dienst wordt geëist, moet de gerechtigde of diens wettelijke vertegenwoordiger daarmee instemmen. Afdeling 8 - Opvangbeleid

Art. 624.§ 1. De diensten mogen de begunstigden begeleidingen voor zover laatstgenoemden in het bezit zijn van ofwel : 1° de beslissing tot tussenkomst van "AWIPH", bedoeld in artikel 280 van het tweede deel van het decreetgevend deel, waarbij de begeleiding noodzakelijk wordt geacht;2° de voorlopige beslissing bedoeld in artikel 436;3° de beslissing van een bevoegde instelling van een ander deelgebied dat krachtens een samenwerkingsakkoord uitwerking mag hebben op het grondgebied van het Franse taalgebied. § 2. In afwachting van één van de beslissingen bedoeld in § 1 kan "AWIPH" ermee instemmen dat de dienst tijdelijk een begunstigde begeleidt als hij of zijn wettelijke vertegenwoordiger reeds een individuele aanvraag om tussenkomst heeft ingediend met het oog op een begeleiding en voorzover binnen drie maanden één van de volgende stukken wordt overgelegd : 1° een door een andere administratie afgegeven bewijsstuk waarbij het bestaan van een handicap wordt bevestigd;2° een attest ingevuld door een multidisciplinair team van een erkend centrum bedoeld in de artikelen 424 en 428;3° een attest ingevuld door een multidisciplinair team dat niet onder de dienst ressorteert en dat minstens een geneesheer, een psycholoog en een maatschappelijk of paramedisch werker telt;4° een beslissing tot tussenkomst van "AWIPH" in de opvang of in de opvang en huisvesting;5° uitsluitend voor de diensten voor vroegtijdige hulpverlening : de overlegging van een stuk afgegeven naargelang het geval door : a) een erkende ziekenhuisdienst, b) een dienst erkend door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, een consultatiebureau van de "Office de la Naissance et de l'Enfance" (Kind en Gezin). De overlegging van één van deze stukken loopt niet vooruit op de beslissing die uit de analyse van het basisdossier zal voortvloeien. § 3. De beslissing van "AWIPH" waarbij de begeleiding wordt toegestaan, mag niet genomen worden vóór de datum waarop de aanvraag bij aangetekend schrijven naar het bevoegde regionaal bureau van "AWIPH" wordt verzonden, noch op de datum van opvang door de dienst. § 4. Als de begunstigde reeds in aanmerking komt voor een andere tussenkomst bepaald bij titel 11 van boek 5, worden geen bijkomende multidisciplinaire gegevens voor de tussenkomst bepaald bij dit artikel vereist.

Art. 625.De diensten geven het bevoegde regionaal bureau van "AWIPH" binnen drie dagen kennis van de berichten van opening en sluiting van de dossiers van de begunstigden die ze begeleiden.

Art. 626.Het dossier van de begunstigde mag niet meegerekend worden in het minimumaantal dossiers bedoeld in artikel 565 als "AWIPH" niet concludeert tot de noodzaak van een begeleiding.

Art. 627.Een afwijking in verband met de leeftijd van de begunstigden kan door "AWIPH" toegekend worden op grond van een individueel dossier.

Art. 628."AWIPH" komt tussenbeide voor de begeleiding van een begunstigde door één dienst.

De cumulatie is evenwel toegelaten voor een begunstigde die beroep doet op : 1° een dienst voor vroegtijdige hulpverlening of begeleiding voor volwassenen en een revalidatiecentrum;2° een begeleidingsdienst voor volwassenen en een centrum voor beroepsvorming;3° een begeleidingsdienst voor volwassenen en een aangepaste werkplaats. "AWIPH" kan ook de cumulatie toelaten met een opvang of een begeleiding door een andere structuur op grond van een individueel project. HOOFDSTUK III. - Hulpdiensten voor de integratie van gehandicapte jongeren Afdeling 1 - Begripsomschrijvingen

Art. 629.Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder : 1° de steuncommissie voor schoolintegratie : de commissie ingesteld in het kader van het Samenwerkingsakkoord tussen de Franse Gemeenschap en het Waalse Gewest inzake de steun voor schoolintegratie ten gunste van jongeren met een handicap;2° de jongere : elke gehandicapte persoon zoals omschreven in artikel 261 van het tweede deel van het decreetgevend deel van het Wetboek, van zes tot twintig jaar oud, en voor wie "AWIPH" besluit dat een begeleiding door een door "AWIPH" erkende dienst voor integratiehulp noodzakelijk is;3° de fysiek of sensorieel gehandicapte persoon : de jongere die lijdt aan één van de volgende handicaps : a) blindheid, amblyopie of zware gezichtsstoornissen;b) doofheid, gedeeltelijke doofheid of zware gehoorstoornissen;c) stoornissen in de motoriek, dysmelie, poliomyelitis, skelet- en ledenmisvormingen;d) hersenverweking, multiple sclerose, spina bifida, myopathie, neuropathie;e) een niet-besmettelijke chronische aandoening die geen zorgverlening in een kinderafdeling meer vereist;4° de begeleider : de werknemer van de dienst die tussenbeide komt in het begeleidingsproces van de jongere;5° de dienst : de dienst voor integratiehulp erkend door "AWIPH" krachtens dit hoofdstuk;6° de algemene diensten : de diensten die voor de gezamenlijke bevolking bestemd zijn en aan de specifieke behoeften van de jongeren kunnen voldoen;7° de omvorming : de omvorming van de dienst bedoeld in de artikelen 1203, 1205 en 1206;8° de schooluren : het tijdsbestek waarin de school de jongeren opvangt, middagpauze inbegrepen;9° de netwerking : het werk dat volgens beide hierna omschreven logica's verricht wordt : a) de logica die steunt op de kennissenkring van de jongere.Die praktijk zet de jongere ertoe aan om blijvend te werken aan de betrekkingen met zijn omgeving, om een zo open en gevarieerd mogelijke kennissenkring te verwerven, en b) de logica die betrekking heeft op het netwerk van professionelen, samengesteld uit diensten en maatschappelijk werkers.Bedoeld netwerk wordt gezien als een instrument dat in dienst staat van de begeleiding. Eén van de kenmerken van bedoelde praktijk bestaat erin te voorzien in coördinatievormen en in samenwerkingsverbanden tussen de verschillende diensten; Afdeling 2 - Hulpdiensten voor de integratie

Onderafdeling 1 - Opdrachten A. : Algemene beginselen

Art. 630.De integratiehulp bestaat in het begeleiden van de jongere, met inachtneming van de beginselen bedoeld in artikel 264 van het tweede deel van het decreetgevend deel van het Wetboek en in de artikelen 631 en 632, met als doel zijn deelneming en socialisatie in de gewone levenssfeer te bevorderen. Die doelstelling wordt meer bepaald op de volgende vlakken nagestreefd : gezins-, school- (gewoon of bijzonder onderwijs), maatschappelijk leven, sport- en cultuurbeleving, therapeutische of, in voorkomend geval, professionele behandeling.

Art. 631.Bij de begeleiding worden de volgende beginselen in acht genomen : 1° het gaat om een individuele aanvraag van de jongere of, als hij die niet zelf kan formuleren, van zijn wettelijke vertegenwoordiger of van de persoon aan wie hij wordt toevertrouwd;2° er wordt regelmatig nagegaan of de algemene diensten al dan niet aan de aanvraag kunnen voldoen;3° er wordt een onderzoek gedaan naar de behoeften van de jongere en van zijn gezin;4° de potentialiteiten van de jongere en van zijn gezin worden benut en de jongere, zijn gezin en naasten worden zo veel mogelijk bij de begeleiding betrokken;5° de autonomiecapaciteiten van de jongere en van zijn gezin worden gestimuleerd;6° er wordt gehandeld op verschillende actieplaatsen;7° er wordt gewerkt met andere psycho-medische-maatschappelijke actoren;8° er wordt in netwerk gewerkt en de interne en externe coördinatievormen worden verstevigd via een overkoepelende benadering van de door de jongere ondervonden problemen;9° binnen de gemeenschap wordt anders over de handicap nagedacht met het oog op de inschakeling van al haar hulpbronnen en een begin van reflectie over nieuwe samenlevingsvormen.

Art. 632.De dienst waarborgt de onafhankelijkheid en de vrijheid van keuze van de jongere en eerbiedigt zijn ideologische, filosofische of godsdienstige inzichten en die van zijn gezin.

De opname en de begeleiding van een jongere kunnen niet afhankelijk worden gemaakt van het feit dat hij in een welbepaalde school ingeschreven staat of dat hij of zijn wettelijke vertegenwoordiger tot één of andere groepering toetreedt.

De dienst waarborgt dezelfde dienstverlening aan alle gehandicapte personen en mag de jongere of zijn gezin met name geen andere financiële bijdrage opleggen dan die bedoeld in artikel 709 als opvang- en begeleidingsvoorwaarde.

Art. 633.De dienst verstrekt de jongere informatie en verleent hem geïndividualiseerde steun in coördinatie met de andere interveniënten zodat de verschillende ondernomen begeleidingsactiviteiten zinvol en samenhangend worden gemaakt. "AWIPH" kan een op de leeftijd gestoelde afwijking toestaan op grond van een specifiek project.

Art. 634.In samenwerking met het gezin vervult de dienst de vier volgende opdrachten : 1° een individuele begeleiding buiten de schooluren;2° het genereren, formuleren en uitwerken, buiten de schooluren, van collectieve oplossingen voor individuele behoeften;3° het ontwikkelen van een werk in gemeenschap;4° het begeleiden van de jongere binnen de schooluren via individuele en groepsactiviteiten.

Art. 635.De opdrachten bedoeld in artikel 634 kunnen slaan op educatieve, maatschappelijke, psychologische, reeducatieve en (of) therapeutische aspecten, waarbij het begeleidingswerk steeds in het verlengde dient te liggen van de doelstelling bestaande uit de deelname van de jongere aan het gezins- en maatschappelijk leven.

De maatschappelijke, psychologische, reeducatieve of therapeutische begeleiding van een jongere die bijzonder onderwijs volgt kan echter pas worden doorgevoerd indien hij opgenomen wordt in de berekening tot bepaling van het aantal periodes overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 67 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het paramedisch personeel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs, met uitzondering van de internaten of semi-internaten.

Art. 636.De diensten begeleiden de jongere ongeacht zijn handicap, behalve de diensten die resulteren uit een omvorming doorgevoerd krachtens artikel 81, § 4, van het besluit van 9 oktober 1997 die fysiek of sensorieel gehandicapte jongeren blijven begeleiden.

Art. 637.De dienst vermeldt de referentie van de door "AWIPH" verleende erkenning op alle akten en overige stukken, publiciteitsfolders en aanplakkingen die van hem uitgaan.

Het is de dienst verboden tegelijkertijd met een schoolinrichting publiciteit te voeren, ongeacht de aangewende methode.

B. : Individuele begeleiding

Art. 638.De individuele begeleiding buiten de schooluren, meer bepaald 's avonds, op zaterdag en tijdens de schoolvakanties, bevordert de deelname van de jongere in zijn gewone levenssfeer en zijn vaardigheden, autonomie en zelfontplooiing.

Art. 639.De dienst zet de jongere ertoe aan zijn relatiekring en zijn geheel aan maatschappelijke ervaringen uit te bouwen. Hij kan voorzien in een paramedische reeducatie of een psychologische opvolging, met inachtneming van artikel 635, tweede lid.

C. : Collectieve activiteiten

Art. 640.De dienst voorziet in een begeleiding via collectieve activiteiten buiten de schooluren, meer bepaald 's avonds, op zaterdag en tijdens de schoolvakanties. Zijn tussenkomst is erop gericht de potentialiteiten van de jongere kracht bij te zetten en zijn bekwaamheden te benutten in interactie met zijn maatschappelijke omgeving. Deze begeleidingsvorm sluit aan bij het project dat de begeleiding van de jongere beoogt. Streefdoel is steeds de optimale deelname van de jongere.

D. : Gemeenschappelijke acties

Art. 641.De dienst ontwikkelt een dynamiek gekenmerkt door netwerking en deelname van de plaatselijke gemeenschap. Die dynamiek beoogt het opzetten van plaatselijke samenwerkingsverbanden, alsmede de beïnvloeding van de rol van overheid en diensten en het genereren op lange termijn van vaardigheden en capaciteiten die de integratie van gehandicapte jongeren bevorderen.

De dienst ontwikkelt met name de volgende werkwijzen : 1° het inzetten van groepen en personen die bereid zijn mee te werken aan het integratieproces van gehandicapte personen;2° het uitwerken van plannen op lange termijn waardoor de groepen en netwerken die zich weinig aangesproken voelen door het probleem van gehandicapte personen nieuw leven wordt ingeblazen;3° het bevorderen van een betere coördinatie tussen de participanten;4° het samenwerken met de overheid en het verenigingsleven. E. : Begeleiding tijdens de schooluren

Art. 642.De dienst kan instaan voor de begeleiding van de jongere via individuele en groepsactiviteiten tijdens de schooluren.

Overeenkomstig onder meer artikel 635, tweede lid, mag hij niet de plaats van de school innemen door als enige de opdrachten en (of) taken die haar toekomen, op zich te nemen. Als de dienst voorziet in begeleiding tijdens de schooluren, vervult hij zijn opdracht in samenwerking met verschillende scholen.

Art. 643.De diversiteit aan vormen van steunverlening bij het volgen van onderwijs hangt af van de handicapsituatie, van de behoeften van elke jongere, van de keuze van de ouders en van de beschikbare middelen.

De integratie kan ofwel individueel ofwel collectief zijn. Als doel van de integratieactiviteit staat steeds de geleidelijke deelname aan een voltijds schoolbezoek voorop.

De steunverleningsactiviteiten kaderen in een globale actie zodat elke interveniënt, gebruik makend van zijn specifieke vaardigheden, bijdraagt tot een specifieke kennis van de jongere, waarbij de coördinatie van de verschillende bijdragen een samenhangende en collegiale multidisciplinaire opvolging mogelijk moet maken.

Art. 644.De steun wordt bij voorkeur in schoolverband verleend.

Gezien de aard van de omstandigheden kan evenwel op andere plaatsen geageerd worden. Ongeacht de keuze behoudt elke partner zijn originaliteit en oefent hij zijn verantwoordelijkheden in alle onafhankelijkheid uit, waarbij de samenwerking evenwel zo nauw mogelijk wordt behouden.

Onderafdeling 2 - Programmering

Art. 645."AWIPH" verstrekt de subregionale coördinatiecommissies alle informatie die nodig is voor een diepgaand onderzoek naar de behoeften van de gehandicapte personen inzake dienstverlening.

De commissies spreken zich over de behoeften uit binnen drie maanden na ontvangst van de informatie en maken hun advies over aan het Beheerscomité.

Bij gebrek aan advies binnen die termijn wordt de formaliteit geacht vervuld te zijn en wordt de procedure voortgezet. § 2. Het Beheerscomité van "AWIPH" legt om de zes maanden een voorstel van subregionale programmering over aan de Waalse Regering § 3. De subregionale programmering voor de oprichting of omvorming van diensten wordt om de zes maanden door de Waalse Regering vastgelegd en wordt officieel bekendgemaakt.

Onderafdeling 3 - Erkenning A. : Algemene beginselen

Art. 646.De erkenning wordt voor een onbepaalde duur verleend. Als het gaat om een aanvraag voor de erkenning van een nieuwe dienst, wordt de erkenning verleend voor een periode van drie maanden tot hoogstens drie jaar. Na afloop van die periode wordt de erkenning voor onbepaalde duur verleend, behalve andersluidende beslissing van het Beheerscomité.

Art. 647.De beslissing van "AWIPH" vermeldt : 1° de begin- en einddatum van de erkenning;2° het theoretische volume van de begeleidingsuren toegekend voor één kalenderjaar en bepaald overeenkomstig littera C;3° het minimumaantal individuele dossiers dat over één kalenderjaar beheerd moet worden. B. : Toekenningsprocedure

Art. 648.De aanvraag om eerste erkenning wordt bij ter post aangetekend schrijven aan "AWIPH" gericht. Ze gaat vergezeld van de volgende documenten en gegevens : 1° het project van de dienst, alsmede de wijze waarop de individuele begeleidingsprojecten uitgewerkt en opgevolgd worden;2° de identiteit van de directeur van de dienst, zijn uittreksel uit het strafregister van minder dan drie maanden geleden (model 1), opgemaakt overeenkomstig de ministeriële omzendbrief nr.905 van 2 februari 2007 betreffende de afgifte van een uittreksel uit het strafregister, vrij van veroordelingen tot correctionele straffen die onverenigbaar zijn met het ambt of tot criminele straffen, alsook de geschreven delegatie van bevoegdheden van de inrichtende macht bedoeld in artikel 673; 3° de identiteit van de bestuurders, alsook hun uittreksel uit het strafregister van minder dan drie maanden geleden, vrij van veroordelingen tot correctionele straffen die onverenigbaar zijn met het ambt of tot criminele straffen;4° de identiteit van de leden van de algemene vergadering;5° een afschrift van de diploma's en getuigschriften van de directeur, alsmede het bewijs van nuttige ervaring vereist in bijlage 67;6° een attest, sinds minder dan één jaar afgeleverd door de gewestelijke brandweerdienst, met betrekking tot de conformiteit van de plaats(en) waar de dienst de jongeren gewoonlijk en gezamenlijk in zijn lokalen opvangt, waarin tevens de maximale opvangcapaciteit aangegeven wordt;7° als de dienst is opgericht in de juridische vorm van een VZW of van een stichting, een afschrift van de gecoördineerde statuten zoals ze zijn neergelegd bij de griffie van de rechtbank van eerste aanleg; 8° het inschrijvingsnummer van de dienst bij de R.S.Z. of bij de R.D.S.Z.P.P.O. en, voor de VZW's, het ondernemingsnummer toegekend door de Kruispuntbank van de Ondernemingen; 9° bij omvorming, het advies, voor de particuliere sector, van de ondernemingsraad of van de bevoegde vakbondsafvaardiging of, voor de overheidssector, van het onderhandelings- of overlegcomité opgericht krachtens de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten7. C : Bepaling van het theoretisch aantal begeleidingsuren en van het minimumaantal individuele dossiers

Art. 649.De dienst erkend vóór de 1 januari 2003 is het voorwerp van een eerste erkenning op basis van deze onderafdeling in het kader waarvan zowel een theoretisch aantal begeleidingsuren als een minimumaantal individuele dossiers worden vastgelegd.

Hetzelfde kader geldt voor de diensten die later erkend zouden worden.

Art. 650.Het theoretisch aantal begeleidingsuren wordt verkregen door het theoretisch aantal voltijdse equivalenten die voor begeleidingstaken aangesteld zijn (ETPa) met 1600 uren te vermenigvuldigen.

Dat theoretisch aantal voltijdse equivalenten die voor begeleidingstaken aangesteld zijn (ETPa) wordt verkregen door het quotum voltijdse equivalenten personeelsleden buiten interventie (ETPhi) bedoeld in bijlage 69 van het aantal theoretische voltijdse equivalenten (ETPt) af te trekken.

Het totaalaantal ETPt wordt verkregen door 85 % van de in artikel 692 bedoelde jaarlijkse toelage te delen door de referentieschaal op grond van de gemiddelde anciënniteit van het personeel in dienst bij de eerste erkenning. Die schaal, bedoeld in bijlage 68, wordt vermeerderd met een coëfficiënt werkgeverslasten van 51,89 %.

De gemiddelde anciënniteit wordt berekend op basis van een naamlijst van het personeel aangesteld bij de bestaande dienst of van het personeel voorzien voor de op te richten dienst.

De anciënniteit die in aanmerking wordt genomen, is die van de personen vermeld op de laatste personeelslijst waarover "AWIPH" beschikt en die bedoeld wordt in artikel 1260, § 2.

De anciënniteit van de personeelsleden die niet op de lijst voorkomen, wordt door "AWIPH" berekend op grond van bewijsstukken verstrekt door de dienst. Bij gebreke daarvan wordt de beginanciënniteit forfaitair vastgelegd op tien jaar.

Art. 651.Het minimumaantal individuele dossiers waarvoor de dienst erkend is, wordt verkregen door het theoretisch aantal ETPa te vermenigvuldigen met 6. Het aldus verkregen aantal dossiers wordt afgerond op de hogere eenheid.

D. : Wijziging van het theoretisch aantal begeleidingsuren en van het minimumaantal individuele dossiers

Art. 652.Het theoretisch aantal begeleidingsuren en het aantal individuele dossiers kunnen gewijzigd worden, hetzij door het beheerscomité van "AWIPH" overeenkomstig de artikelen 688, 650 en 651, hetzij op basis van het aantal individuele dossiers beheerd door de dienst.

Art. 653.In geval van beslissing van het beheerscomité van "AWIPH" krachtens de bepalingen bedoeld in artikel 688 worden de jaarlijkse toelage, het theoretisch aantal ETPth en het aantal door de dienst te beheren individuele dossiers verminderd op grond van het theoretisch aantal interventie-uren bepaald door het beheerscomité.

Art. 654.§ 1. Als het gemiddeld aantal individuele dossiers, afgerond naar de hogere eenheid, na afloop van een eerste waarnemingsperiode van twee volle kalenderjaren na het jaar van de eerste erkenning, lager is dan het aantal bedoeld in artikel 651, worden de jaarlijkse toelage en het theoretisch aantal voltijdse equivalenten, het theoretisch aantal interventieuren en het minimumaantal dossiers verhoudingsgewijs verminderd. § 2. De volgende waarnemingsperiodes duren drie jaar. § 3. De vermindering wordt uitgevoerd één jaar na de waarnemingsperiode.

Art. 655.Het gemiddeld aantal dossiers wordt verkregen door optelling van het aantal dossiers in behandeling tijdens elk jaar van de waarnemingsperiode, gedeeld door het aantal jaren van diezelfde waarnemingsperiode.

E. : Voorwaarden E.1. : Algemene bepaling

Art. 656.Het begeleidingswerk wordt verricht overeenkomstig de beginselen omschreven in de artikelen 631 en 632.

E.2. : Voorwaarden betreffende het dienstproject

Art. 657.Het project van de dienst wordt uitgewerkt op basis van het patroon bedoeld in bijlage 65. Daarbij wordt het interventieteam tot samenwerking aangezet. Het project wordt voor advies voorgelegd aan aan de bevoegde vakbondsafvaardiging onderhandeling of aan het overlegcomité ingesteld krachtens de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten7.

De dienst evalueert zijn activiteit minstens één keer per jaar. De dienst maakt jaarlijks uiterlijk 30 juni het activiteitenverslag aan "AWIPH" over.

De personeelsleden van de dienst worden in kennis gesteld van het project, de bijwerkingen ervan en het jaarlijkse evaluatierapport over de activiteit van de dienst en kunnen daarvan steeds inzage nemen. Het jaarrapport wordt bovendien voorgelegd op een jaarlijkse vergadering van gezinnen zodat rekening kan worden gehouden met hun voorstellen bij de bijwerking van het project. Een schriftelijke synthese van die voorstellen wordt bij de bijgewerkte teksten gevoegd.

Art. 658.De dienst wendt de middelen aan die bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het project van de dienst.

E.3. : Voorwaarden betreffende het begeleidingscontract

Art. 659.Er wordt schriftelijk een opvangovereenkomst gesloten tussen de dienst, de jongere of diens wettelijke vertegenwoordiger. Als de jongere minstens veertien jaar oud is, wordt zijn schriftelijk akkoord vereist.

Art. 660.De begeleidingsovereenkomst bevat hoe dan ook de volgende gegevens : 1° de identiteit van de partijen;2° de algemene doelstellingen van het begeleidingswerk;3° de melding dat een begeleidingsproject door de dienst zal worden uitgewerkt in samenwerking met de jongere, diens gezin of de andere partijen die de overeenkomst hebben ondertekend;4° de begin- en einddatum van de begeleidingsovereenkomst;5° de uitdrukkelijke melding dat de jongere of diens gezin verzocht worden deel te nemen aan het evaluatieproces van de begeleiding;6° het bedrag van de bijdrage;7° de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die instaat voor de betaling en voor de manier waarop de betaling wordt geregeld;8° de modaliteiten voor de opzegging van de overeenkomst;9° het adres van "AWIPH" waar de jongere of diens gezin opmerkingen, klachten of bezwaren kan indienen.

Art. 661.De jongere of diens wettelijke vertegenwoordiger heeft te gelegener tijd recht op informatie over elk vraagstuk betreffende het begeleidingswerk.

E.4. : Voorwaarden betreffende het begeleidingscontract

Art. 662.De dienst werkt een geïndividualiseerd begeleidingsproject uit waarbij rekening wordt gehouden met de beginselen omschreven in de artikelen 631 en 632.

Art. 663.Het project bestaat hoe dan ook uit drie luiken waarin de volgende gegevens vermeld worden (de lijst is niet volledig) : 1° een informatief luik met : a) het traject van de jongere en een overzicht van zijn bevoegdheden;b) de identificatie van de behoeften van de jongere;c) de identificatie van de behoeften van zijn gezin en van de gezamenlijke partners;2° een projectief luik met hoe dan ook : a) de aanvragen geformuleerd door de jongere en diens omgeving;b) de wijze waarop het begeleidingsproces zal verlopen rekening houdende met de geïdentificeerde behoeften, waarop het zal bijdragen tot de stimulering van het vermogen van de jongere om zelfstandig te zijn en waarop het gezin en het maatschappelijk netwerk van de jongere en zijn gezin bij bedoeld proces betrokken zullen worden;c) de algemene diensten die om samenwerking zullen worden verzocht;3° een evaluatief luik met : a) de wijze waarop het project geëvalueerd en geactualiseerd wordt, zodat het begeleidingsproces permanent opgevolgd kan worden.Daarbij mag de dienst gebruik maken van het evaluatieschema bedoeld in bijlage 66; b) de instrumenten voor de analyses en de actualisering van het project om te kunnen nagaan of het inspeelt op de behoeften en beantwoordt aan de doelstellingen, bedoeld in de luiken 1 en 2;c) de frequentie van de evaluaties.

Art. 664.Het begeleidingsproject wordt uitgewerkt binnen drie maanden na de opvang van de jongere, rekening houdende met het project van de dienst, en vermeldt de duur en de evaluatiewijze ervan, alsmede de middelen waarin voorzien wordt om het actualiseren.

Art. 665.Het begeleidingsproject wordt ondertekend door de dienst, de begunstigde of diens wettelijke vertegenwoordiger. De ondertekening van de begunstigde wordt vereist als hij ouder is dan veertien jaar.

Het maakt noodzakelijk deel uit van de begeleidingsovereenkomst en wordt gevoegd bij het dossier van de begunstigde, dat door de dienst wordt bijhouden.

E.5 : Voorwaarden betreffende de agenda van de dienst

Art. 666.De dienst houdt een agenda van zijn activiteiten waarin hoe dan ook de dagelijkse uurregeling voor de volgende activiteiten wordt vermeld : 1° de collectieve activiteiten;2° de gemeenschappelijke acties;3° de vergaderingen. E.6. : Kwalificatie- en vormingsvereisten voor het personeel

Art. 667.Het personeel van de diensten moet voldoen aan de kwalificatienormen bedoeld in bijlage 67.

De dienst stelt de voor eensluidend verklaarde afschriften van de diploma's, getuigschriften en attesten ter beschikking van "AWIPH".

De personeelsleden leggen bij hun indienstneming een uittreksel uit het strafregister (model 1) over dat is opgemaakt overeenkomstig de ministeriële rondzendbrief nr. 905 van 2 februari 2007 betreffende de afgifte van een uittreksel uit het strafregister, vrij van veroordelingen tot correctionele straffen die onverenigbaar met het ambt zijn of tot criminele straffen.

Art. 668.Het begeleidingspersonnel bestaat uit houders van een einddiploma of -getuigschrift van het hoger universitair of niet-universitair onderwijs met pedagogische, psychologische, sociale of paramedische oriëntering, met uitzondering van het diploma van Bachelor - bibliothecaris-documentalist.

Het team van de voor meer dan 29 dossiers erkende diensten voor integratiehulpverlening aan jonge gehandicapten bestaat uit minstens één psycholoog of psycho-pedagoog en uit werknemers van minstens twee van de drie volgende personeelscategorieën : opvoedend personeel, sociaal personeel of paramedisch personeel.

De werknemers bedoeld in het tweede lid worden daartoe bezoldigd.

Art. 669.Op grond van het project bedoeld in artikel 657 stelt de dienst een vormingsprogramma voor het personeel op voor minimum twee jaar.

Dat plan, opgemaakt na een debat tussen de betrokken actoren, bepaalt de nagestreefde doelstellingen. Het omschrijft de banden tussen de globale omgeving van de dienst, de dynamiek van het project van de dienst en de ontwikkeling van de vaardigheden van het personeel. Het definieert de evaluatiecriteria, -modaliteiten en -periodiciteit voor die drie aspecten. Het identificeert de permanente vormingsactiviteiten van minstens twee dagen per jaar waaraan de leden van het begeleidingspersoneel moeten deelnemen.

Wat betreft het personeel van de diensten die onder de plaatselijke besturen en de provincies ressorteren, ligt het in het eerste lid bedoelde vormingsprogramma in de lijn van het vormingsprogramma dat is uitgewerkt op initiatief van de gewestelijke vormingsraad, ingesteld bij het decreet van 6 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/06/1969 pub. 24/01/2011 numac 2010000730 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten3 tot oprichting van de gewestelijke vormingsraad voor de personeelsleden van de plaatselijke en provinciale besturen van Wallonië.

E.7 : Voorwaarden betreffende de rechtspersoonlijkheid van de dienst

Art. 670.De dienst wordt beheerd door een overheid, een vereniging zonder winstoogmerk of een stichting opgericht overeenkomstig de wet van 27 juni 1921Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/07/1975 pub. 30/06/2010 numac 2010000387 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten3 op de verenigingen zonder winstgevend doel, de internationale verenigingen en de stichtingen.

Art. 671.Om elke belangenvermenging te voorkomen mag de rechtspersoon die in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk opgericht is, onder zijn leden niet meer tellen dan één vijfde van de personeelsleden en niet meer dan één vijfde van personen die met hen aanverwant zijn tot en met de derde graad of die wettelijk met hen samenwonen.

Art. 672.Als de rechtspersoon opgericht is in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk of van een stichting, mag de raad van bestuur, om elke belangenvermenging te voorkomen, niet samengesteld zijn : 1° voor meer dan één vijfde van het totaalaantal bestuurders uit bloed- of aanverwanten tweede tot en met de derde graad met de door de dienst begeleide jongeren;2° voor meer dan één derde van het totaal aantal bestuurders uit personen die deel uitmaken van hetzelfde gezin als bloed- of aanverwant tot en met de tweede graad, of uit wettelijke samenwonenden;3° uit personen die deel uitmaken van het personeel.De directeur van de dienst woont elke vergadering van de raad van bestuur betreffende de organisatie van de dienst evenwel met raadgevende stem bij, behalve voor de agendapunten waarvoor een belangenconflict bestaat.

E.8 : Voorwaarden betreffende de organisatie van de dienst

Art. 673.§ 1. De dienst vervult de volgende voorwaarden : 1° hij is autonoom op technisch, budgettair en boekhoudkundig vlak en beschikt over een administratief beheer van dien aard dat hij zijn opdracht kan uitvoeren en dat "AWIPH" daarop controle kan uitoefenen;2° onder de leiding staan van een directeur, natuurlijke persoon bezoldigd voor die functie en bevoegd om, overeenkomstig een geschreven overdracht van bevoegdheid door de inrichtende macht en onder haar verantwoordelijkheid, het dagelijks beheer van de dienst waar te nemen hoe dan ook wat betreft : a) de tenuitvoerlegging en opvolging van het pedagogisch project;b) het personeelsbeheer;c) het financieel beheer;d) de toepassing van de geldende regelgevingen;e) de vertegenwoordiging van de dienst in zijn relaties met "AWIPH";f) de sluiting van overeenkomsten met de schoolinrichtingen en de algemene diensten. § 2. De directeur moet bovendien in staat zijn om : 1° voortdurend de effectieve leiding van de dienst waar te nemen.Als hij afwezig is tijdens de activiteiten voorzien in het kader van de begeleidingsprojecten, moet een daartoe afgevaardigd personeelslid in noodgevallen de nodige maatregelen kunnen treffen en in staat zijn om zowel interne als externe vragen te beantwoorden; 2° steeds kennis hebben van de werkrooster van zijn personeel. § 3. In geval van verzuim of onregelmaat in de uitvoering van het mandaat van de directeur, verzoekt "AWIPH" de inrichtende macht bij aangetekend schrijven om de nodige maatregelen te treffen.

E.9. : Voorwaarden betreffende het administratief en boekhoudkundig beheer

Art. 674.Onverminderd de bepalingen van artikel 286 van het tweede deel van het decreetgevend deel van het Wetboek maakt de dienst op verzoek van "AWIPH" alle bewijsstukken over die vereist worden voor de uitoefening van de controle, meer bepaald de jaarrekeningen, de nodige stukken voor de berekening van de verschillende toelagen, alsmede het vormingsprogramma bedoeld in artikel 669.

Art. 675.De dienst maakt de sociale balans over zoals bepaald bij het koninklijk besluit van 4 augustus 1996 betreffende de sociale balans, alsook de jaarrekeningen, de balans van de activiteiten en het vormingsprogramma bedoeld in artikel 669 : 1° voor de diensten beheerd door een privé inrichtende macht : aan de ondernemingsraad of, bij gebreke daarvan, aan de vakbondsafvaardiging;2° voor de diensten beheerd door een openbare inrichtende macht : aan het onderhandelings- of overlegcomité ingesteld krachtens de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten7 of, bij gebrek, aan de representatieve werknemersorganisaties.

Art. 676.De dienst voert een boekhouding overeenkomstig de wetgeving met betrekking tot de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingen en overeenkomstig de uitvoeringsbesluiten ervan.

Art. 677.De inhoud en de presentatie van het genormaliseerde minimale boekhoudplan beantwoorden aan het volledige schema van de jaarrekeningen met balans, resultatenrekeningen en bijlagen overeenkomstig de wetgeving met betrekking tot de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingen en overeenkomstig de uitvoeringsbesluiten ervan.

De opschriften en rekeningennummers die met de activiteiten van de diensten overeenstemmen, worden door "AWIPH" aan de diensten meegedeeld.

Art. 678.De financiële bijdragen die krachtens artikel 709 van de begunstigden of hun wettelijke vertegenwoordigers verlangd worden, worden dwingend geboekt als invorderingen van onkosten betreffende de rekeningen 6010, 6011, 6012, 613, 61601 en 644 bedoeld in het boekhoudplan waarvan de diensten middels een omzendbrief in kennis worden gesteld.

In het kader van de controle op het gebruik van de toelagen, worden die bijdragen in mindering gebracht van het bedrag van de overeenstemmende lasten.

De toelagen die door de overheden of door die overheden gesubsidieerde instellingen aan de diensten gestort worden, worden afgetrokken van de overeenstemmende lasten die op geldige wijze in het boekjaar geboekt worden. Er wordt slechts rekening gehouden met genoemde toelagen voor zover ze verleend worden ter dekking van de uitgaven die in aanmerking genomen worden voor de berekening van de toelage.

Art. 679.De beginbalans van elke dienst wordt aan "AWIPH" voorgelegd binnen zes maanden na de bekendmaking van het uittreksel van hun erkenningsbesluit in het Belgisch Staatsblad.

Art. 680.De jaarrekeningen van elke dienst worden aan "AWIPH" overgemaakt uiterlijk 31 mei van het jaar na het boekjaar, samen met het rapport van de bedrijfsrevisor, wiens opdracht erin bestaat de rekeningen te certificeren en, in voorkomend geval, recht te zetten.

Ze gaan eveneens vergezeld van de geconsolideerde jaarrekeningen van de juridische entiteit waaronder de dienst ressorteert of waarmee hij verbonden via een unieke directie in de zin van hoofdstuk III, afdeling 1re, punt IV, A, § 6, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 betreffende de jaarrekeningen.

Het boekjaar stemt overeen met het kalenderjaar.

Art. 681.Als diensten worden verstrekt door een juridisch onderscheiden vereniging die evenwel met de dienst verbonden is via een unieke directie in de zin van hoofdstuk III, afdeling 1, punt IV, A, §§ 6, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 betreffende de jaarrekeningen, vermelden de dienstverstrekkers hun aanwezigheid in het personeelsregister.

E.10 : Voorwaarden betreffende de verzekeringen

Art. 682.Vóór elke begeleiding van een jongere gaat de dienst een verzekeringspolis aan : 1° ter dekking van de civiele aansprakelijkheid van de dienst of van de personen voor wie hij moet instaan voor elke schade opgelopen of veroorzaakt door de jongere.De polis moet vermelden dat de jongere de hoedanigheid van derde behoudt en, per schadegeval, alle schade dekken tot minimum 2 479 000 euro voor lichamelijke schade en 247 900 euro voor materiële schade; 2° ter dekking van alle schade veroorzaakt door een gerechtigde die zijn civiele aansprakelijkheid niet in opspraak zou brengen of van alle schade die hem tijdens de begeleiding zou zijn toegebracht. In dat geval dekt de verzekering het overlijden voor een bedrag van 12 394 euro en de behandelingskosten tot minimum 2 479 euro.

E.11 : Verplichtingen betreffende de gebouwen en installaties

Art. 683.De gebouwen en installaties bieden de jongeren toegangsmogelijkheden in verband met hun handicap.

Onderafdeling 4 - Evaluatie van de diensten

Art. 684.Onverminderd artikel 315 van boek IV van het decreetgevend deel van het Wetboek, moeten de diensten, om "AWIPH" de mogelijkheid te bieden na te gaan of de erkenningsvoorwaarden in acht genomen worden, hem om de vijf jaar de volgende stukken overleggen : 1° het geactualiseerde project van de dienst, alsmede de wijze waarop de individuele projecten uitgewerkt en opgevolgd worden;2° het uittreksel uit het strafregister (model 1) van de directeur, van minder dan drie maanden geleden, opgemaakt overeenkomstig de ministeriële rondzendbrief nr.905 van 2 februari 2007 betreffende de afgifte van een uittreksel uit het strafregister, vrij van veroordelingen tot correctionele straffen die onverenigbaar met het ambt zijn of tot criminele straffen; 3° in geval van wijziging van directie, een afschrift van de diploma's en getuigschriften van de directeur, de schriftelijke overdracht van bevoegdheid door de inrichtende macht bedoeld in artikel 678, alsmede het bewijs van nuttige ervaring bedoeld in bijlage 67;4° een attest, sinds minder dan één jaar afgeleverd door de gewestelijke brandweerdienst, met betrekking tot de conformiteit van de plaats(en) waar de dienst de jongeren gewoonlijk en gezamenlijk in zijn lokalen opvangt, waarin tevens de maximale opvangcapaciteit aangegeven wordt;5° de lijst van de leden van de algemene vergadering;6° de lijst van de leden van de Bestuursraad;7° de wijzigingen in de statuten die de laatste vijf jaren zijn gepubliceerd of ter griffie zijn neergelegd. Onderafdeling 5 - Controle en sancties A. : Controle

Art. 685.De inspectiediensten hebben als opdracht na te gaan of aan de erkenningsnormen en -voorwaarden wordt voldaan. Ze evalueren periodiek de tenuitvoerlegging van de projecten van de dienst. Daartoe evalueren ze in samenwerking met de diensten en de educatieve teams de werkmethodes, de kwaliteit van de dienstverleningen en -verstrekkingen, alsmede de vastlegging van de begeleidingsprojecten.

Ze gaan na of de projecten daadwerkelijk bestaan en of ze bijgewerkt worden.

De inspectiediensten zien toe op de inachtneming van de voorschriften inzake toekenning en aanwending van toelagen en inzake boekhoudkundige verplichtingen.

Art. 686.De inspectiediensten vervullen bovendien een adviesfunctie ten opzichte van de diensten en de educatieve teams.

De positieve of negatieve opmerkingen en conclusies van de verschillende inspecties worden overgemaakt aan de inrichtende machten en aan de directies. Vandaar worden ze doorgestuurd naar de ondernemingsraad en(of) de vakbondsafvaardiging of het onderhandelings- en overlegcomité opgericht krachtens de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten7.

Art. 687.De inspectiediensten van "AWIPH" gaan na of de dienst voldoet aan de verschillende erkenningsvoorwaarden en -normen bedoeld onder littera E van onderafdeling 3 van deze afdeling. Een verslag waarin de beoordeling door de inspectiediensten per categorie verplichtingen wordt opgenomen, wordt aan de leden van het beheerscomité gericht. Als " categorie verplichtingen " wordt beschouwd elke subcategorie van E van onderafdeling 3 van deze afdeling.

B. : Sancties

Art. 688.Indien het beheerscomité vaststelt dat één of verschillende van de erkenningsvoorwaarden en -normen bedoeld in E van onderafdeling 3 van deze afdeling niet of niet meer worden vervuld, kan het beheerscomité bij de hernieuwing of op elk ander tijdstip de erkenning voorwaardelijk behouden, opschorten of intrekken dan wel het aantal erkende uren en dossiers verminderen.

Het beheerscomité van "AWIPH" moet zijn eindbeslissing hoe dan ook motiveren.

Bij voorwaardelijk behoud van de dienst wordt de beslissing gekoppeld aan verplichtingen die de dienst moet nakomen binnen een bepaalde termijn na afloop waarvan het beheerscomité kan beslissen tot de opschorting of de intrekking van de erkenning of tot de vermindering van het aantal erkende uren en dossiers.

Art. 689.Het beheerscomité kan eveneens, gedurende hoogstens twee jaar, het behoud of de hernieuwing van de erkenning afhankelijk maken van de oprichting van een " begeleidingscomité ", dat de dienst moet bijstaan bij de inachtneming van de erkenningsvoorwaarden.

Het begeleidingscomité bestaat uit minstens één vertegenwoordiger van "AWIPH", één deskundige aangewezen door het beheerscomité op grond van zijn bevoegdheid voor het bestaande probleem, één vertegenwoordiger van de inrichtende machten en één vertegenwoordiger van de representatieve werknemersorganisaties. Als de dienst na afloop van de opgelegde termijn nog steeds niet voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, treft "AWIPH" één van de maatregelen bedoeld in artikel 688, derde lid.

Art. 690.Bij de sluiting van een dienst ten gevolge van de intrekking van de erkenning verzoekt "AWIPH" elke dienst om samenwerking zodat dringend voor de begeleiding van de gehandicapte personen kan worden gezorgd.

Onderafdeling 6 - Subsidiëring A. : Algemene bepalingen

Art. 691.§ 1. Binnen de perken van de budgettaire kredieten ontvangen de diensten : 1° een jaarlijkse toelage;2° een toeslag wegens geldelijke anciënniteit;3° een bijzondere toelage om de bepalingen van het drieledige raamakkoord voor de Waalse privé non-profit sector te vereffenen;4° een specifieke subsidie om de loonsverhogingen te financieren die resulteren uit de valorisatie van de lastige uren;5° een specifieke subsidie als compensatie voor de maatregelen inzake de loonschaalverhoging van de hoofdopvoeders en opvoeders groepsleiders;6° een specifieke subsidie voor de financiering van de compenserende betrekkingen in verband met de toekenning van bijkomende jaarlijkse verlofdagen aan de personeelsleden van 52 jaar en ouder.Deze subsidie wordt uitsluitend toegekend aan de diensten die door een openbare inrichtende macht worden beheerd. § 2. Het totaalbedrag van de toelagen dat voortvloeit uit de bepalingen van dit hoofdstuk wordt verminderd met de tegenwaarde van het bedrag dat eventueel gestort wordt door het Tewerkstellingsfonds aan het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering als compensatie voor de subsidiëring van de vergoeding bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 22 september 1989 tot bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector.

B. : Jaarlijkse subsidie

Art. 692.§ 1. Het bedrag van de jaarlijkse toelage voor het lopende boekjaar wordt gehandhaafd voor de dienst die bestaat op 1 januari 2003.

Als de erkenning verlengd wordt na een omvorming bedoeld in artikel 81ter van het besluit van 9 oktober 1997, wordt die toelage aangevuld met het saldo berekend krachtens de bepalingen van artikel 1254, § 3. § 2. Voor de diensten opgericht na 1 januari 2003 ingevolge een omvorming bedoeld in voormalig artikel 81ter van het besluit van 9 oktober 1997, is het bedrag van de toelage gelijk aan het saldo berekend krachtens de bepalingen van artikel 1254, § 3. § 3. De Regering bepaalt de bedragen van de toelage voor de diensten die ze erkent of opricht krachtens de bepalingen van onderafdeling 2 van deze afdeling.

Art. 693.Onverminderd de bepalingen van artikel 688, wordt de jaarlijkse toelage berekend over periodes van drie jaar aan het einde waarvan de bepalingen van artikel 654 in voorkomend geval worden toegepast.

Art. 694.De jaarlijkse toelage dient ter dekking van : 1° de werkingslasten;2° de lasten van het personeel waarvan de kwalificaties beantwoorden aan de vereiste titels bedoeld in bijlage 67. Minstens 85 % van de jaarlijkse toelage dient om personeelslasten te dekken.

Art. 695.De jaarlijkse toelage wordt tijdens het bestemmingsjaar voortijdig vereffend bij maandelijkse afbetalingen.

De maandelijkse afbetalingen worden automatisch aangepast tijdens de tweede maand na de overschrijding van de basisindex die als referentie dient voor de indexering van de lonen bij de overheidsdiensten.

Art. 696.§ 1. Wat betreft de diensten voor vroegtijdige hulpverlening en de begeleidingsdiensten voor volwassenen waarvan het gemiddeld aantal individuele dossiers, afgerond op de hogere eenheid, hoger dan of gelijk is aan het aantal berekend volgens de bepalingen van artikel 651, wordt voor het toekenningsjaar het bedrag gehandhaafd dat verkregen wordt na optelling van de jaarlijkse toelage en van het gedeelte van de in het vorige jaar uitgekeerde toeslag wegens loonschaalherwaardering betreffende dezelfde toelage, vermenigvuldigd met de aanpassingscoëfficiënt. § 2. De aanpassingscoëfficiënt bedoeld in § 1 zet de indexering die het vorige jaar is doorgevoerd in een vol jaar om.

C. : Toeslag wegens geldelijke anciënniteit

Art. 697.§ 1. Een toelagetoeslag wordt verleend aan de diensten waarvan het gezamenlijke personeel aan het einde van het bestemmingsjaar een gemiddelde geldelijke anciënniteit heeft die hoger is dan die bedoeld in artikel 661. § 2. De dienst bezorgt "AWIPH" aan het einde van elk bestemmingsjaar uiterlijk 31 maart een lijst van het personeel dat het gedurende dat jaar in dienst genomen en bezoldigd heeft. Die lijst wordt opgesteld overeenkomstig een model dat door "AWIPH" bepaald wordt.

De voor elk personeelslid in aanmerking te nemen geldelijke anciënniteit is die waarop het recht heeft op 31 december van het boekjaar dat het voorwerp is van de toelage, gewogen met het volume van de bezoldigde dienstverstrekkingen. Voor de personeelsleden die de dienst vóór die datum verlaten hebben, is de in aanmerking te nemen geldelijke anciënniteit die waarop zij recht hebben op de uittredingsdatum, gewogen met het volume van de bezoldigde dienstverstrekkingen.

Het resultaat van de deling wordt vervolgens verminderd met een half jaar anciënniteit. § 3. De toeslag wordt toegekend naar rata van het theoretische aantal voltijdse equivalenten (ETPt), vermenigvuldigd met het verschil tussen de referentieloonschaal bedoeld in bijlage 68 bij de vastgestelde anciënniteit en diezelfde loonschaal bij de gemiddelde anciënniteit van het personeel aangesteld bij de dienst na de eerste erkenning op grond van deze bepalingen.

Art. 698.Als de toeslag voor het eerst wordt toegekend, wordt hij automatisch in de vorm van voorschotten voor het volgende jaar betaald.

Als de anciënniteit kleiner is dan degene die als basis heeft gediend voor de toekenning van de voorschotten, wordt de toegekende toeslag aangepast.

D. Bijzondere toelage om de vakbondpremies te financieren

Art. 699."AWIPH" stort namens de diensten op het fonds dat instaat voor de betaling van de vakbondspremies, een bedrag dat overeenstemt met het aantal werknemers die er in aanmerking voor kunnen komen, vermenigvuldigd met het bedrag van de vakbondspremie per werknemer, dat bepaald is overeenkomstig de wet van 1 september 1980Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/07/1975 pub. 30/06/2010 numac 2010000387 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten1 betreffende de toekenning en de uitbetaling van een vakbondspremie aan sommige personeelsleden van de overheidssector, zoals uitgevoerd door de koninklijke besluiten van 26 en 30 september 1980.

E. : Bijzondere toelage om de bepalingen van het drieledige raamakkoord voor de Waalse privé non-profit sector te vereffenen

Art. 700.Er wordt een specifieke subsidie aan de diensten toegekend met het oog op de financiering van de compenserende betrekkingen ingevolge de toekenning van drie bijkomende jaarlijkse verlofdagen aan hun personeel. Deze subsidie wordt berekend volgens de modaliteiten die vastliggen in het besluit van de Waalse Regering van 11 september 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/04/1965 pub. 02/08/2010 numac 2010000404 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten8 betreffende de subsidiëring van de maatregelen van de driedelige raamovereenkomst voor de Waalse privé non-profit sector.

F. : Bijzondere toelage om de loonsverhogingen te financieren die resulteren uit de valorisatie van de lastige uren

Art. 701.§ 1. Er wordt een specifieke toelage aan de diensten verleend voor de financiering van de loonsverhogingen die resulteren uit de valorisatie van de lastige uren. § 2. Deze subsidie wordt berekend volgens de modaliteiten die vastliggen in het besluit van de Waalse Regering van 27 mei 2010Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/04/1965 pub. 02/08/2010 numac 2010000404 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten5 betreffende de subsidiëring van de maatregelen van de driedelige raamovereenkomst voor de Waalse privé non-profit sector.

G. : Bijzondere toelage als compensatie voor de maatregelen inzake de loonschaalverhoging van de hoofdopvoeders en opvoeders groepsleiders

Art. 702.§ 1. "AWIPH" stort aan de diensten die door een private inrichtende macht worden beheerd en die, op 31 december 2009, opvoeders groepsleiders en/of hoofdopvoeders betaalden, een subsidietoeslag om de bijkomende kosten van de loonschaalverhoging van deze beide categorieën werknemers te financieren. § 2. Die toeslag van toelage wordt berekend door voor elke dienst in elke van die personeelscategorieën het aantal valoriseerbare voltijds equivalenten te vermenigvuldigen door het verschil tussen de loonschaal bedoeld in bijlage 73 en de loonschaal gebruikt voor de bepaling van de tarieven per tenlasteneming van de diensten die in de opvang of in de opvang en huisvesting voorzien bedoeld in bijlage 104 met de theoretische anciënniteit van de werknemers. § 3. Het aantal valoriseerbare voltijds equivalenten bedoeld in § 2 komt overeen met de som van de bezoldigde prestaties van de werknemers voor de periode van 1 januari 2009 tot 31 december 2009, na aftrek van de tegemoetkomingen van andere overheden, gedeeld door het totaal van de bezoldigde uren die gepresteerd moeten worden om een voltijds equivalent tijdens het jaar 2009 te rechtvaardigen. § 4. De theoretische ancienniteit van de werknemers die in aanmerking komen voor deze nieuwe schalen wordt berekend op 31 december van het jaar van toekenning van de subsidie. § 5. Het aldus verkregen totaal van de toeslagen wordt eventueel beperkt om het bedrag van 6.321,35 euro gekoppeld aan indexcijfer 154,63 van 1 oktober 2010 niet te overschrijden. § 6. Deze beperking wordt over het geheel van de diensten verdeeld aan de hand van een bijsturingscoëfficiënt. Die coëfficiënt wordt bepaald als volgt : Krediet bedoeld in § 5/Totaal van de toeslagen die aanvankelijk werden berekend H. Bijzondere toelage om te voldoen aan de bepalingen van de kaderovereenkomst 2012 betreffende de openbare non-profit sector

Art. 703.§ 1. "AWIPH" stort een specifieke toelage aan de diensten beheerd door een openbare inrichtende macht voor de financiering van de compenserende betrekking met betrekking tot de toekenning van bijkomende jaarlijkse verlofdagen voor werknemers die minstens 52 jaar oud zijn. § 2. Die bijkomende toelage die door het "AWIPH" aan de diensten verleend wordt bedraagt voor het geheel van de diensten jaarlijks globaal 41.084,60 euro. § 3. Het bedrag bedoeld in § 2 wordt aan spilindex 154,63 van 1 oktober 2010 gekoppeld.

Art. 704.§ 1. Elke dienst krijgt een bedrag dat resulteert uit de opdeling van het bedrag bedoeld in artikel 703, § 2, door 102,1403 vermenigvuldigd door het op 31 december 2009 vastgelegde aantal voltijds equivalenten ervan. § 2. De diensten rechtvaardigen en verklaren op erewoord een aanwending van de bedragen bedoeld in § 1, voor bijkomende aanwervingen.

I. : Controle op de jaarlijkse subsidie

Art. 705."AWIPH" zorgt ervoor dat de gerechtigde door één enkele dienst opgevangen wordt.

Een combinatie is evenwel toegelaten als de jongere ten laste genomen wordt door een dienst voor integratiehulp, en : 1° een centrum voor beroepsopleiding;2° een centrum voor functionele reëducatie. "AWIPH" kan toelaten dat de jongere ook opgevangen wordt door een andere structuur op basis van een specifiek individueel project.

Art. 706.§ 1. Als het totaalaantal uren gepresteerd door het begeleidingspersoneel lager is dan het aantal uren waarvoor de dienst erkend is, geeft "AWIPH" hem kennis van het bedrag dat ingevorderd moet worden overeenkomstig artikel 57 van de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit.

Het bedrag wordt afgetrokken vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de datum van kennisgeving. § 2. Als het totaalbedrag van de personeelslasten van de dienst kleiner is dan 85 % van de jaarlijkse toelage, wordt het verschil ingevorderd bij de controle op het gebruik van de toelagen door "AWIPH", waarbij de invorderingen bedoeld in § 1 in mindering worden gebracht.

Art. 707.De lasten die in aanmerking mogen worden genomen, worden in bijlage 70 vermeld.

Art. 708.Na kennisgeving gaat "AWIPH" over tot de rechtzetting en de ambtshalve invordering van de toelagen verleend op grond van onjuiste aangiften of waarvan het gebruik ongerechtvaardigd blijkt te zijn.

Ze worden rechtgezet en ingevorderd tijdens de tweede maand na die van de kennisgeving en kunnen het voorwerp uitmaken van een aanzuiveringsplan.

De diensten beschikken over een termijn van dertig kalenderdagen, waarbij de postdatum bewijskracht heeft, om elke rechtzetting of invordering te betwisten waarvan kennis wordt gegeven overeenkomstig dit hoofdstuk.

De diensten kunnen een aanvraag tot herziening van de toelage indienen binnen dertig kalenderdagen, te rekenen van de kennisneming van een gegeven dat het bedrag van de toelage betwist en waarvan zij geen weet hadden bij de kennisgeving ervan.

De dienst moet dan het bewijs leveren van de datum waarop hij kennis genomen heeft van bedoeld gegeven.

J. : Bijdragen

Art. 709.De dienst mag de ouders verzoeken om een bijdrage van hoogstens 25 euro per maand, gekoppeld aan indexcijfer 119,53 van 1 mei 1996.

De dienst mag bovenop de bijdrage een toeslag eisen voor de kosten inherent aan een specifieke recreatieactiviteit of aan specifieke behoeften van de jongere met het oog op zijn welzijn en op zijn persoonlijke ontplooiing.

Als de toeslag door de dienst wordt geëist, moet de gerechtigde of diens wettelijke vertegenwoordiger daarmee instemmen.

K. : Opvangbeleid

Art. 710.De bedoelde diensten mogen de jongere begeleiden voorzover hij beschikt over : 1° de beslissing tot tussenkomst van "AWIPH", bedoeld in artikel 280 van het tweede deel van het decreetgevend deel, waarbij de begeleiding noodzakelijk wordt geacht;2° de voorlopige beslissing bedoeld in artikel 436;3° de beslissing van een bevoegde instelling van een ander deelgebied dat krachtens een samenwerkingsakkoord uitwerking mag hebben op het grondgebied van het Franse taalgebied.

Art. 711.In afwachting van één van de beslissingen bedoeld in 710, kan "AWIPH" ermee instemmen dat de dienst tijdelijk een jongere begeleidt als hij of zijn wettelijke vertegenwoordiger reeds een individuele aanvraag om tussenkomst heeft ingediend met het oog op een begeleiding door een dienst en voorzover binnen drie maanden één van de volgende stukken wordt overgelegd : 1° een door een andere administratie afgegeven bewijsstuk waarbij het bestaan van een handicap wordt bevestigd;2° een attest ingevuld door een multidisciplinair team van een erkend centrum bedoeld in de artikelen 424 en 428;3° een attest ingevuld door een multidisciplinair team dat niet onder de dienst ressorteert en dat minstens een geneesheer, een psycholoog en een maatschappelijk of paramedisch werker telt. De overlegging van één van de stukken bedoeld in het tweede lid loopt niet vooruit op de beslissing die uit de analyse van het basisdossier zal resulteren.

Art. 712.De beslissing van "AWIPH" waarbij de begeleiding wordt toegestaan, mag niet genomen worden vóór de datum waarop de aanvraag bij aangetekend schrijven naar het bevoegde regionaal bureau van "AWIPH" wordt verzonden, noch op de datum van opvang door de dienst.

Art. 713.Als de jongere in aanmerking komt voor een tussenkomst bepaald bij titel 11 van boek 5 van het tweede deel van dit Wetboek, worden geen bijkomende multidisciplinaire gegevens vereist.

Art. 714.De diensten geven het bevoegde regionaal bureau van "AWIPH" binnen drie dagen kennis van de berichten van opening en sluiting van de dossiers van de jongeren die ze begeleiden.

Art. 715.Het dossier van de jongere mag niet meegerekend worden in het minimumaantal dossiers bedoeld in artikel 651 als "AWIPH" niet concludeert tot de noodzaak van een begeleiding.

Art. 716.De begeleiding door een dienst mag in geen geval onderworpen worden aan een andere tegenwaarde in geld of in natura vanwege de gegadigden, hun wettelijke vertegenwoordigers of hun gezin dan de bijdrage bedoeld in artikel 709. Afdeling 3 - Steun voor schoolintegratie

Onderafdeling 1 - Overeenkomst inzake hulpverlening

Art. 717.De hulp die het personeel van de dienst voor integratiehulp gedurende de schooltijd aan de jongere verleent, wordt bepaald in het kader van een geïndividualiseerde overeenkomst, met name de "overeenkomst inzake steunverlening bij het volgen van onderwijs". De voorwaarden waaronder de dienst tussenkomsten verleent, liggen vast in die overeenkomst.

De clausules van die overeenkomst worden aangepast aan de steunverleningsmodaliteiten waarvoor gekozen wordt.

Onderafdeling 2 - Partijen bij de overeenkomst

Art. 718.De overeenkomst houdende steunverlening bij het volgen van onderwijs wordt gesloten tussen de schoolinrichting, de dienst, de jongere en zijn gezin. Ze wordt binnen één maand nadat ze ondertekend is, ter informatie overgemaakt aan de commissie voor steunverlening aan jongeren met een handicap bij het volgen van onderwijs en aan het betrokken psycho-medisch-sociaal centrum.

De verenigingen, administraties of personen die aan het project zouden meewerken, kunnen eveneens verenigde ondertekenaars van het project zijn.

Onderafdeling 3 - Inhoud van de overeenkomst

Art. 719.De voorwaarden waaronder de tussenkomst wordt verleend alsmede de respectieve middelen voor de uitvoering van de samenwerking tussen de school en de dienst liggen vast in de overeenkomst. Daarbij wordt rekening gehouden met de onderwijs-, educatieve en therapeutische dimensie. In dat kader wordt hoe dan ook in het volgende voorzien : 1° de nagestreefde doelstellingen;2° het soort tussenkomsten;3° de geschatte duur en de frequentie van de tussenkomsten;4° de plaatsen waar het personeel van de respectieve diensten samenwerkt en de modaliteiten van de samenwerking;5° het evaluatieritme betreffende de tenuitvoerlegging van de overeenkomst;6° de identificatie en de rol van de referenten van de school en van de dienst.

Art. 720.De overeenkomst inzake steunverlening bij het volgen van onderwijs wordt voor maximum één jaar gesloten en kan verlengd worden.

Art. 721.Als de overeenkomst niet tot het einde van de geplande doelstellingen geleid kan worden, moet alles in het werk gesteld worden door de dienst en de schoolinrichting in overleg met de Commissie voor steunverlening aan jongeren met een handicap bij het volgen van onderwijs om zo veel mogelijk de schooltijd van de jongeren te vrijwaren totdat een alternatieve oplossing gevonden wordt. Die oplossing wordt aan de commissie medegedeeld.

Art. 722.De overeenkomst verbindt enkel de ondertekenende partijen.

De voogdijoverheid van de diensten en inrichtingen oefenen hun bevoegdheden uit met inachtneming van de geldende regelgeving.

Onderafdeling 4 - Jaarlijks verslag over de overeenkomst inzake hulpverlening

Art. 723.De dienst maakt jaarlijks uiterlijk 30 juni een kwalitatief en kwantitatief verslag aan "AWIPH" over met vermelding van : 1° het aantal begeleide jongeren;2° de leeftijdscategorieën (van zes tot twaalf jaar, van twaalf tot achttien jaar, ouder dan achttien jaar);3° het type gevolgd onderwijs al naar gelang van het net : gewoon en/of gespecialiseerd lager onderwijs, gewoon en/of secundair onderwijs, alternerend onderwijs (CEFA);4° de deficiëntiecategorieën;5° het aantal jongeren voor wie een begeleiding is geweigerd en de redenen van de weigering. Die kwantitatieve gegevens worden opgedeeld volgens drie activiteitengebieden : de schoolintegratie (rechtstreekse actie binnen de schoolinrichting), de schoolsteun of -begeleiding en de steunverlening aan niet-schoolgaande jongeren of aan jongeren in schooluitval.

Art. 724.De commissie voor steunverlening aan jongeren met een handicap bij het volgen van onderwijs maakt jaarlijks op basis van de verslagen bedoeld in artikel 723 een kwalitatief en kwantitatief verslag op waarin het beleid inzake de steunverlening bij het volgen van onderwijs beoordeeld wordt en verbeteringsvoorstellen geformuleerd worden. Dat verslag wordt jaarlijks uiterlijk 31 oktober aan de bevoegde ministers overgemaakt. HOOFDSTUK IV. - Hulpdiensten betreffende de activiteiten van het dagelijks leven Afdeling 1 - Algemene bepalingen

Art. 725.Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder : 1° begunstigde : elke gehandicapte persoon in de zin van artikel 261 van het tweede deel van het decreetgevend deel van het Wetboek, die minstens 18 jaar oud is op het ogenblik van de sluiting van de dienstenovereenkomst, bedoeld onder punt 7° van dit artikel, en die op grond van een beslissing van "AWIPH" bedoeld in artikel 280 van het tweede deel van het decreetgevend deel van het Wetboek in aanmerking komt voor hulpverlening in het kader van de activiteiten van het dagelijks leven wegens een lichamelijke handicap die vóór de leeftijd van 65 jaar is vastgesteld;2° hulp bij de activiteiten van het dagelijks leven : de gedeeltelijke of totale hulpverlening die bij de activiteiten van het dagelijks leven door een zorgploeg worden verleend zodat de rechthebbende een zelfstandig leven kan leiden. Deze hulpverlening mag niet minder dan 7 uur of meer dan 30 uur per week bedragen.

Wat haar frequentie, duur en intensiteit betreft, komt deze hulpverlening voort uit een evaluatieschaal die samen door de rechthebbende en de coördinator van de dienst voor hulpverlening voor de activiteiten van het dagelijks leven wordt opgesteld.

De hulpverlening wordt niet gelijkgesteld met een psychosociale, medische of therapeutische tussenkomst; 3° zorgdienst : de dienst die 24 uren op 24 en 7 dagen op 7 werkt en de begunstigde, uitsluitend op zijn verzoek, vanaf een zorgcentrum thuis komt bijstaan in het kader van de activiteiten van het dagelijks leven;4° zorgcentrum : het hoofdlokaal van de zorgdienst waar de hulpverlening moet worden aangevraagd en dat als vertrekpunt en coördinatieplaats dient voor hulpverlening in het kader van de activiteiten van het dagelijks leven;5° zorgwoning : de woning die in een woonwijk geïntegreerd is en die op maximum 500 meter van het zorgcentrum gelegen is;6° zorgassistent : het personeel dat voldoet aan de kwalificaties bedoeld in bijlage 76;7° dienstenovereenkomst : partnerschapsdocument dat de in artikel 742 bedoelde gegevens bevat en tussen de rechthebbende en de dienst gesloten wordt;het is opgemaakt naar het model in bijlage 74; 8° tewerkstellingskadaster : de personeelslijst opgemaakt door de dienst aan het einde van elk jaar volgens een model opgesteld door "AWIPH".

Art. 726.De hulpverlening in het dagelijkse leven bestaat uit een hulpverlening voor personen met een lichamelijke handicap die gekozen hebben om volledig zelfstandig te leven. Deze personen kunnen 24 uur op 24 een beroep doen op deze dienst om hen te helpen in de activiteiten van het dagelijks leven die ze niet zelf kunnen vervullen wegens hun lichamelijke handicap. De hulp wordt uitsluitend op verzoek van de personen verleend die beslissen wanneer en hoe zij wensen geholpen te worden met een maximale inachtneming van hun privé-leven.

Art. 727.De hulpverlening in het dagelijks leven : 1° eerbiedigt de ideologische, filosofische en religieuze opvattingen van de gehandicapte personen en mag op grond hiervan niet geweigerd worden;2° eerbiedigt het privé-leven van de rechthebbende en het privé-karakter van zijn woning;3° impliceert een strenge naleving van het beroepsgeheim door de personeelsleden;4° is het gevolg van een volledige, juiste en te gelegener tijd informatieverstrekking aan de rechthebbende en/of zijn wettelijke vertegenwoordiger over alle vragen betreffende zijn hulpverlening;5° waarborgt het respect voor het privé-leven, de onafhankelijkheid en de vrijheid van keuze van de rechthebbende en van zijn gezin;6° waarborgt de gelijkheid tussen de personen.In dat opzicht mag zij de rechthebbende of zijn gezin geen andere financiële bijdrage opleggen dan die bedoeld in de dienstenovereenkomst. Afdeling 2 - Opdrachten

Art. 728.De diensten verstrekken de rechthebbende : 1° de mogelijkheid zich in een woonwijk te integreren en zijn levenskwaliteit te verbeteren door hem dezelfde kansen te geven als de andere burgers om aan het maatschappelijke, familiale, culturele en beroepsleven deel te nemen;2° hulp in het dagelijkse leven zoals bepaald in de dienstenovereenkomst die bij zijn opname in de dienst ondertekend wordt;3° informatie over de verschillende beschikbare diensten waarin uiteengezet wordt aan welke behoeften niet wordt tegemoet gekomen. Afdeling 3 - Programmering

Art. 729.De globale programmering van het aantal zorgwoningen wordt voor het geheel van het Franse taalgebied van het Waalse Gewest vastgelegd op één plaats zorgwoning per schijf van 15 000 inwoners. Afdeling 4 - Principeakkoord

Art. 730.§ 1. De aanvraag om principieel akkoord tot oprichting van een zorgdienst wordt schriftelijk aan "AWIPH" gericht.

Ze gaat vergezeld van de documenten en inlichtingen die bewijzen dat de in § 2 van dit artikel bedoelde voorwaarden vervuld zijn.

Bovendien verstrekt de aanvrager de nadere gegevens die nuttig zijn in verband met de doelstellingen van de dienst en de aard van de door hem verrichte dienstverleningen met een globale beschrijving van de mogelijke begunstigden. § 2. De dienst moet : 1° de in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakte statuten een artikel bevatten waarin staat vermeld dat de vereniging buiten elke raciale, politieke, filosofische of godsdienstige overweging handelt;2° een maatschappelijk doel hebben dat voldoet aan artikel 725, 2° ;3° het bewijs leveren dat de dienst aan een werkelijke behoefte beantwoordt aan de hand van een lijst met de kandidaturen van gehandicapte personen met vermelding van hun geslacht en leeftijd;4° reële toekomstmogelijkheden hebben om over zorgwoningen voor minimum twaalf gehandicapte personen te beschikken.

Art. 731."AWIPH" geeft kennis van de beslissing betreffende het principieel akkoord tot oprichting.

Art. 732.Het principieel akkoord voor de oprichting mag in geen geval op een tenlasteneming van de begunstigden uitlopen.

Het kan geen aanleiding geven tot een subsidiëring door "AWIPH".

Art. 733."AWIPH" kan het principieel akkoord voor de oprichting schorsen of intrekken wanneer één van de in artikel 730, § 2, bedoelde voorwaarden niet meer vervuld is. "AWIPH" geeft kennis van de beslissing betreffende het principieel akkoord tot oprichting.

De beslissing heeft uitwerking met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die van de kennisgeving ervan.

Art. 734.De diensten waarvoor het principieel akkoord wordt opgeschort of ingetrokken kunnen het in de artikelen 261 van het tweede deel van het decreetgevend deel van het Wetboek bedoelde beroep indienen. Afdeling 5 - Erkenning

Onderafdeling 1 - Algemene beginselen

Art. 735.De erkenning wordt voor een onbepaalde duur verleend. Als het gaat om een aanvraag voor de erkenning van een nieuwe dienst, wordt de erkenning verleend voor een periode van drie maanden tot hoogstens drie jaar. Na afloop van die periode wordt de erkenning voor onbepaalde duur verleend, behalve andersluidende beslissing van het Beheerscomité.

Art. 736.De beslissing van "AWIPH" vermeldt : 1° de begin- en einddatum van de erkenning;2° het aantal rechthebbenden op de hulpverlening in het dagelijkse leven;3° het aantal betrokken zorgwoningen. Onderafdeling 2 - Toekenningsprocedure

Art. 737.De erkennningsaanvraag wordt per post aan "AWIPH" gericht.

Ze gaat vergezeld van de volgende documenten en gegevens : 1° een nota waarin gewag wordt gemaakt van het aantal rechthebbenden die men zich voorneemt te helpen;2° de lokalisatie van de zorgwoningen binnen de omtrek van de actie van de dienst, waarbij het aantal woningen niet lager mag zijn dan 12;3° het project van de dienst;4° de identiteit van de coördinator van de dienst, zijn uittreksel uit het strafregister van minder dan drie maanden geleden (model 1), opgemaakt overeenkomstig de ministeriële rondzendbrief nr.905 van 2 februari 2007 betreffende de afgifte van een uittreksel uit het strafregister, vrij van veroordelingen tot correctionele straffen die onverenigbaar zijn met het ambt of tot criminele straffen, alsook de geschreven delegatie van bevoegdheden van de inrichtende macht bedoeld in artikel 749; 5° de identiteit van de bestuurders, alsook hun uittreksel uit het strafregister van minder dan drie maanden geleden, vrij van veroordelingen tot correctionele straffen die onverenigbaar zijn met het ambt of tot criminele straffen;6° de identiteit van de leden van de algemene vergadering;7° een afschrift van de diploma's en getuigschriften van de directeur, alsmede het bewijs van nuttige ervaring vereist in bijlage 76;8° een lijst van het in dienst genomen of voorziene personeel met vermelding, met name, van de identiteit van de leden, hun kwalificatie en de arbeidsduur;9° als de dienst is opgericht in de juridische vorm van een VZW of van een stichting, een afschrift van de gecoördineerde statuten zoals ze zijn neergelegd bij de bevoegde; 10° het inschrijvingsnummer van de dienst bij de R.S.Z. of bij de R.D.S.Z.P.P.O. en, voor de VZW's, het ondernemingsnummer zoals toegekend door de Kruispuntbank der Ondernemingen.

Als het beheerscomité acht dat de nodige gegevens rechtstreeks verkregen kunnen worden via rechtsgeldige bronnen van andere administraties of instellingen, kan hij de aanvrager vrijstellen van het verstrekken van deze gegevens aan "AWIPH".

Onderafdeling 3 - Voorwaarden A. : Algemeen beginsel

Art. 738.De hulp bij het dagelijks leven wordt verricht overeenkomstig de beginselen omschreven in de artikelen 726 en 727.

B. : Voorwaarden betreffende het dienstproject

Art. 739.Het project van de dienst wordt uitgewerkt op basis van het patroon bedoeld in bijlage 75. Daarbij wordt het zorgassistententeam tot samenwerking aangezet.

Dat project wordt voorgelegd aan de ondernemingsraad of, bij gebreke daarvan, aan de vakbondsafvaardiging.

Dat project wordt minstens om de vijf jaar bijgewerkt.

De dienst evalueert zijn activiteit minstens één keer per jaar. De dienst maakt jaarlijks uiterlijk 30 juni het activiteitenverslag aan "AWIPH" over. De dienst evalueert zijn activiteit minstens één keer per jaar.

De personeelsleden van de dienst worden in kennis gesteld van het project, de bijwerkingen ervan en het jaarlijkse evaluatierapport over de activiteit van de dienst en kunnen daarvan steeds inzage nemen.

Art. 740.De dienst wendt de middelen aan die bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het project van de dienst.

C. : Voorwaarden betreffende de dienstovereenkomst

Art. 741.De dienst en de rechthebbende sluiten een schriftelijke dienstenovereenkomst. De overeenkomst kan herzien worden als de partijen tot een akkoord komen.

Art. 742.De dienstenovereenkomst naar het model opgenomen in bijlage 74 bevat hoe dan ook de volgende gegevens : 1° het doel van de dienst;2° de duur;3° de betaling van de financiële bijdrage;4° de modaliteiten tot uitvoering van de prestaties;5° de verplichtingen van de VZW;6° de verplichtingen van de rechthebbende;7° de verplichting tot naleving van het huishoudelijk reglement;8° de verbrekingsmodaliteiten;9° in bijlage, een evaluatierooster met de behoeften van de rechthebbende die door hem en de coördinator wordt opgesteld en die eigen aan de dienst is. D. : Voorwaarden betreffende de agenda van de dienst

Art. 743.De dienst houdt een lijst van de omvang van de dienstverstrekkingen van de teamleden.

E. : Voorwaarden betreffende de omvang, de kwalificatie en de opleiding van het personeel van de dienst

Art. 744.Het personeel van de diensten voldoet aan de kwalificatienormen bedoeld in bijlage 76 en bestaat uit minstens 0,8 zorgassistent per rechthebbende en uit een coördinator.

De dienst legt de afschriften van de diploma's, getuigschriften en attesten ter inzage van "AWIPH".

De personeelsleden leggen bij hun indienstneming een uittreksel uit het strafregister (model 1) over dat is opgemaakt overeenkomstig de ministeriële rondzendbrief nr. 905 van 2 februari 2007 betreffende de afgifte van een uittreksel uit het strafregister, vrij van veroordelingen tot correctionele straffen die onverenigbaar met het ambt zijn of tot criminele straffen.

Art. 745.Op grond van het project bedoeld in artikel 739 stelt de dienst een vormingsprogramma voor het personeel op voor minimum twee jaar.

Dat plan, opgemaakt na een debat tussen de betrokken actoren, bepaalt de nagestreefde doelstellingen. Het omschrijft de banden tussen de globale omgeving van de dienst, de dynamiek van het project van de dienst en de ontwikkeling van de vaardigheden van het personeel; Het definieert de evaluatiecriteria, -modaliteiten en de periodiciteit ervan voor die drie aspecten. Het identificeert de permanente vormingsactiviteiten van minstens twee dagen per jaar waaraan de zorgcoördinatoren moeten deelnemen.

F. : Voorwaarden betreffende de rechtspersoonlijkheid van de dienst

Art. 746.De dienst wordt beheerd door een vereniging zonder winstoogmerk of een stichting opgericht overeenkomstig de wet van 27 juni 1921Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/07/1975 pub. 30/06/2010 numac 2010000387 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten3 op de verenigingen zonder winstgevend doel, de internationale verenigingen en de stichtingen.

Art. 747.De vereniging zonder winstoogmerk mag niet samengesteld zijn uit meer dan één vijfde van de personeelsleden of één vijfde van de personen die met hen aanverwant zijn tot de derde graad.

Art. 748.De raad van bestuur wordt voor minstens de helft samengesteld uit gehandicapte personen en uit hoogstens 30 % rechthebbenden en mag niet voor meer dan één derde van het totaal aantal bestuurders of van de personen die deel uitmaken van het personeel van de dienst samengesteld zijn uit personen die deel uitmaken van hetzelfde gezin als echtgenoot, wettelijke samenwoners, bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad.

G. : Voorwaarden betreffende het beheer van de dienst

Art. 749.§ 1. De dienst vervult de volgende voorwaarden : 1° hij is autonoom op technisch, budgettair en boekhoudkundig vlak en beschikt over een administratief beheer van dien aard dat hij zijn opdracht kan uitvoeren en dat "AWIPH" daarop controle kan uitoefenen. De technische, budgettaire en boekhoudkundige autonomie kan eventueel via de organisatie van een administratieve entiteit verkregen worden; 2° onder de leiding staan van een directeur, natuurlijke persoon bezoldigd voor die functie en bevoegd om, overeenkomstig een geschreven overdracht van bevoegdheid door de inrichtende macht en onder haar verantwoordelijkheid, het dagelijks beheer van de dienst waar te nemen hoe dan ook wat betreft : a) de uitvoering van het programma voor hulpverlening in het dagelijks leven;b) het personeelsbeheer;c) het financieel beheer;d) de toepassing van de geldende regelgevingen;e) de vertegenwoordiging van de dienst in zijn relaties met "AWIPH". § 2. De coördinator moet bovendien in staat zijn om de effectieve directie van de dienst constant waar te nemen. Als hij afwezig is, moet een daartoe afgevaardigd personeelslid in staat zijn om de nodige maatregelen te treffen in geval van dringende noodzakelijkheid en om op zowel interne als externe aanvragen in te spelen. § 3. In geval van verzuim of onregelmaat in de uitvoering van het mandaat van de directeur, verzoekt "AWIPH" de inrichtende macht bij aangetekend schrijven en binnen de termijn die het Agentschap bepaalt om de nodige maatregelen te treffen.

Bij gebrek, zal "AWIPH" zich wenden tot het Beheerscomité dat moet beslissen overeenkomstig de bepalingen bedoeld in artikel 764.

H. : Voorwaarden betreffende het administratief en boekhoudkundig beheer

Art. 750.Onverminderd de bepalingen van artikel 286 van het tweede deel van het decreetgevend deel van het Wetboek maakt de dienst op verzoek van "AWIPH" alle bewijsstukken over die vereist worden voor de uitoefening van de controle, meer bepaald de jaarrekeningen, de nodige stukken voor de berekening van de verschillende toelagen, alsmede het vormingsprogramma bedoeld in artikel 745.

Art. 751.De dienst maakt de ondernemingsraad of, bij gebrek, de vakbondsafvaardiging de sociale balans over zoals bepaald bij het koninklijk besluit van 4 augustus 191996 betreffende de sociale balans, alsook de jaarrekeningen, de balans van de activiteiten en het vormingsprogramma bedoeld in artikel 745.

Art. 752.De dienst vermeldt de referentie van de door "AWIPH" verleende erkenning op alle akten en overige stukken, publiciteitsfolders en aanplakkingen die van hem uitgaan.

Art. 753.De dienst voert een boekhouding overeenkomstig de wetgeving met betrekking tot de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingen en overeenkomstig de uitvoeringsbesluiten ervan.

Art. 754.De inhoud en de presentatie van het genormaliseerde minimale boekhoudplan beantwoorden aan het volledige schema van de jaarrekeningen met balans, resultatenrekeningen en bijlagen overeenkomstig de wetgeving met betrekking tot de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingen en overeenkomstig de uitvoeringsbesluiten ervan.

De opschriften en rekeningennummers die met de activiteiten van de diensten overeenstemmen, worden door "AWIPH" aan de diensten meegedeeld.

Art. 755.De financiële bijdragen die krachtens artikel 779 van de rechthebbenden verlangd worden, worden dwingend geboekt als invorderingen van onkosten.

In het kader van de controle op het gebruik van de toelagen, worden die bijdragen in mindering gebracht van het bedrag van de overeenstemmende lasten.

De toelagen die door de overheden of door die overheden gesubsidieerde instellingen aan de diensten gestort worden, worden afgetrokken van de overeenstemmende lasten die op geldige wijze in het boekjaar geboekt worden. Er wordt slechts rekening gehouden met genoemde toelagen voor zover ze verleend worden ter dekking van de uitgaven die in aanmerking genomen worden voor de berekening van de toelage.

Art. 756.De beginbalans van elke dienst wordt aan "AWIPH" voorgelegd binnen zes maanden na de bekendmaking van het uittreksel van hun erkenningsbesluit in het Belgisch Staatsblad.

Art. 757.De jaarrekeningen van elke dienst worden aan "AWIPH" overgemaakt uiterlijk 31 mei van het jaar na het boekjaar.

Het boekjaar stemt overeen met het kalenderjaar.

Art. 758.Als diensten worden verstrekt door een juridisch onderscheiden vereniging die evenwel met de dienst verbonden is via een controle of een unieke directie in de zin van artikelen 5 en 10 van het Wetboek van vennootschappen ingevoerd bij de wet van 7 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten9, vermelden de dienstverstrekkers hun aanwezigheid in het adequaat register.

I. : Voorwaarden betreffende de verzekeringen

Art. 759.Vóór elke activiteit gaat de dienst een verzekeringspolis aan ter dekking van de civiele aansprakelijkheid van de dienst of van de personen voor wie hij moet instaan voor elke schade opgelopen door de rechthebbende. De polis vermeldt dat de jongere de hoedanigheid van derde behoudt en, per schadegeval, alle schade dekt tot minimum 2.479.000 euro voor lichamelijke schade en 247 900 euro voor materiële schade. De verzekeringspolis voorziet desgevallend in de dekking van collectieve activiteiten die plaatsvinden in de dienstlokalen. Afdeling 6 - Controle en sancties

Onderafdeling 1 - Evaluatie van de diensten

Art. 760.Onverminderd artikel 315 van boek IV van het decreetgevend deel van het Wetboek, moeten de diensten, om "AWIPH" de mogelijkheid te bieden na te gaan of de erkenningsvoorwaarden in acht genomen worden, om de vijf jaar volgende stukken overleggen : 1° het geactualiseerde project van de dienst, alsmede de wijze waarop de individuele projecten uitgewerkt en opgevolgd worden;2° het uittreksel uit het strafregister (model 1) van de directeur, van minder dan drie maanden geleden, opgemaakt overeenkomstig de ministeriële rondzendbrief nr.905 van 2 februari 2007 betreffende de afgifte van een uittreksel uit het strafregister, vrij van veroordelingen tot correctionele straffen die onverenigbaar met het ambt zijn of tot criminele straffen; 3° in geval van verandering van directie, een afschrift van de diploma's en getuigschriften van de coördinator, de door de inrichtende macht geschreven overdracht van bevoegdheden bedoeld in artikel 749, alsmede het bewijs van nuttige ervaring bedoeld in bijlage 76;4° de lijst van de leden van de algemene vergadering;5° de lijst van de leden van de raad van bestuur;6° de wijzigingen in de statuten die de laatste vijf jaren zijn bekendgemaakt of ter griffie zijn neergelegd. Onderafdeling 2 - Controle

Art. 761.De opdracht van de inspectiediensten bestaat erin na te gaan of de erkenningsvoorwaarden en -normen nageleefd worden. Ze evalueren regelmatig de actie van de dienst. Daartoe, en op grond van het jaarlijks verslag over de activiteiten van de dienst, evalueren ze in samenwerking met hen, de kwaliteit van hun prestaties en de overeenstemming tussen de bepalingen van de dienstenovereenkomst en de uitgevoerde activiteiten voor hulpverlening in het dagelijkse leven.

De inspectiediensten zien toe op de inachtneming van de voorschriften inzake toekenning en aanwending van toelagen en inzake boekhoudkundige verplichtingen.

Art. 762.De inspectiediensten vervullen bovendien een adviesfunctie ten opzichte van de diensten.

De positieve of negatieve opmerkingen en conclusies van de verschillende inspecties worden overgemaakt aan de inrichtende machten en aan de directies. Vandaar worden ze doorgestuurd naar de ondernemingsraad en/of de vakbondsafvaardiging.

Art. 763.De inspectiediensten van "AWIPH" gaan na of de dienst voldoet aan de verschillende erkenningsvoorwaarden en -normen bedoeld in onderafdeling 3 van afdeling 5 van dit hoofdstuk. De beoordelingen van de inspectiediensten worden aan de leden van het beheerscomité gericht.

Onderafdeling 3 - Sancties

Art. 764.Indien het beheerscomité vaststelt dat één of verschillende erkenningsvoorwaarden en -normen bedoeld in onderafdeling 3 van afdeling 5 van dit hoofdstuk niet of niet meer worden vervuld, kan het beheerscomité, na de dienstverantwoordelijken te hebben gehoord, te allen tijde de erkenning opschorten of intrekken dan wel het aantal erkende uren en dossiers verminderen.

Bij voorwaardelijk behoud van de dienst wordt de beslissing gekoppeld aan verplichtingen die de dienst moet nakomen binnen een bepaalde termijn na afloop waarvan het beheerscomité kan beslissen tot de opschorting of de intrekking van de erkenning of tot de vermindering van het aantal gerechtigden waarvoor de dienst erkend is.

Art. 765.Het beheerscomité kan eveneens, gedurende hoogstens twee jaar, het behoud of de hernieuwing van de erkenning afhankelijk maken van de oprichting van een " begeleidingscomité ", dat de dienst moet bijstaan bij de inachtneming van de erkenningsvoorwaarden.

Het begeleidingscomité bestaat uit minstens één vertegenwoordiger van "AWIPH", één deskundige aangewezen door het beheerscomité op grond van zijn bevoegdheid voor het bestaande probleem, één vertegenwoordiger van de inrichtende machten en één vertegenwoordiger van de representatieve werknemersorganisaties. Als de dienst na afloop van de opgelegde termijn nog steeds niet voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, treft "AWIPH" één van de maatregelen bedoeld in artikel 764.

Art. 766.Bij de sluiting van een dienst ten gevolge van de intrekking van de erkenning zorgt "AWIPH" voor de erkenning van een nieuwe VZW die de continuïteit van de hulpverlening in het dagelijkse leven van de betrokken rechthebbenden op zich neemt. Afdeling 7 - Subsidiëring

Onderafdeling 1 - Algemene bepalingen

Art. 767.Binnen de perken van de budgettaire kredieten ontvangen de diensten : 1° een jaarlijkse personeelstoelage;2° een jaarlijkse werkingstoelage;3° een toeslag wegens geldelijke anciënniteit;4° een specifieke subsidie ter financiering van de compenserende betrekkingen ingevolge de toekenning van drie bijkomende verlofdagen per jaar;5° een bijzondere toelage om de bepalingen van het drieledige raamakkoord voor de Waalse privé non-profit sector te vereffenen;6° een specifieke subsidie om de loonsverhogingen te financieren die resulteren uit de valorisatie van de lastige uren. Onderafdeling 2 - Jaarlijkse toelagen

Art. 768.§ 1. De jaarlijkse personeelstoelage wordt bepaald door optelling van de volgende bedragen : 1° bedrag 1 (betreffende de financiering van de kost van de coördinator) : 34 510,96 euro, rekening houdend met een percentage van wettelijke werkgeversbijdragen van 55,66 %; 2° bedrag 2 (betreffende de financiering van de kost van de zorgassistenten) : 19.395,75 euro, rekening houdend met een percentage van wettelijke werkgeversbijdragen van 59,36 %, vermenigvuldigd met het aantal rechthebbenden. § 2. De bedragen bedoeld in paragraaf 1 worden gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01 van 1 januari 1990.

Art. 769.Het bedrag van de werkingstoelage, met inbegrip van de kosten in verband met het onderhoud en de hernieuwing van de interfonie wordt op 2.500,00 euro per werkelijk ten laste genomen rechthebbende vastgelegd en beperkt tot het maximumaantal rechthebbenden dat in de erkenningbeslissing vastligt.

Het in het vorige lid bepaalde bedrag is gekoppeld aan het spilindexcijfer dat als referentie dient voor de loonindexering bij de overheidsdiensten 119,53 op 1 mei 1996.

Onderafdeling 3 - Toeslag wegens geldelijke anciënniteit

Art. 770.§ 1. Een toelagetoeslag voor het personeel wordt verleend aan de diensten waarvan het gezamenlijke personeel aan het einde van het bestemmingsjaar een gemiddelde geldelijke anciënniteit heeft die hoger is dan 0. § 2. De dienst bezorgt "AWIPH" aan het einde van elk bestemmingsjaar uiterlijk 31 maart het tewerkstellingskadaster.

Behalve geval van overmacht, wordt het niet naleven van deze termijn, met poststempel geldendt als bewijs, als volgt bestraft : 1° een boete gelijk aan 1/1 000 van de jaarlijks te bekomen toelage per dag vertraging;2° onverminderd deze boete, wordt een aanmaning bij ter post aangetekende brief opgestuurd, uiterlijk 21 dagen na de vertraging;3° als het onderzoeksformulier binnen 10 dagen na het verzenden van de aangetekende aanmaning niet toegekomen is, wordt de jaarlijkse toelage teruggebracht tot 90 % van het bedrag dat tijdens het vorig boekjaar verleend werd en dit, naar rato van het aantal erkende dossiers. De voor elk personeelslid in aanmerking te nemen geldelijke anciënniteit is die waarop het recht heeft op 31 december van het boekjaar dat het voorwerp is van de toelage, gewogen met het volume van de bezoldigde dienstverstrekkingen. Voor de personeelsleden die de dienst vóór die datum verlaten hebben, is de in aanmerking te nemen geldelijke anciënniteit die waarop zij recht hebben op de uittredingsdatum, gewogen met het volume van de bezoldigde dienstverstrekkingen.

Het resultaat van de deling wordt vervolgens verminderd met een half jaar anciënniteit. § 3. De toeslag wegens geldelijke anciënniteit wordt bepaald door optelling van het bedrag bedoeld in bijlage 77, § 1, en het bedrag bedoeld in bijlage 77, § 2, vermenigvuldigd met het aantal rechthebbenden, met inachtneming van de anciënniteit voortvloeiend uit de bepalingen bedoeld in § 2. § 4. De bedragen bedoeld in bijlage 77 worden gekoppeld aan het spilindexcijfer 140,02 van 1 januari 2007.

Art. 771.Als de toeslag voor het eerst wordt toegekend, wordt hij automatisch in de vorm van voorschotten voor het volgende jaar betaald.

Als de anciënniteit kleiner is dan degene die als basis heeft gediend voor de toekenning van de voorschotten, wordt de toegekende toeslag aangepast.

Onderafdeling 4 - Bedrag van de jaarlijkse subsidie

Art. 772.De Regering bepaalt de bedragen van de toelage voor de diensten die worden opgericht of die mogen uitbreiden krachtens de bepalingen van afdeling 3 van dit hoofdstuk.

Art. 773.De jaarlijkse toelage wordt tijdens het bestemmingsjaar voortijdig vereffend bij maandelijkse afbetalingen.

De maandelijkse afbetalingen worden automatisch aangepast tijdens de tweede maand na de overschrijding van de basisindex die als referentie dient voor de indexering van de lonen bij de overheidsdiensten.

Onderafdeling 5 - Bijzondere toelage om de bepalingen van het drieledige raamakkoord voor de Waalse privé non-profit sector te vereffenen

Art. 774.Er wordt een specifieke subsidie aan de diensten toegekend met het oog op de financiering van de compenserende betrekkingen ingevolge de toekenning van drie bijkomende jaarlijkse verlofdagen aan hun personeel. Deze subsidie wordt berekend volgens de modaliteiten die vastliggen in het besluit van de Waalse Regering van 11 september 2008Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/04/1965 pub. 02/08/2010 numac 2010000404 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten8 betreffende de subsidiëring van de maatregelen van de driedelige raamovereenkomst voor de Waalse privé non-profit sector.

Onderafdeling 6 - Controle van de jaarlijkse subsidie

Art. 775.Als het aantal personeelsleden lager is dan het aantal bedoeld in artikel 744, zal "AWIPH" overgaan tot een invordering die overeenstemt met de aard en het aantal ontbrekende eenheden, vermenigvuldigd met de bedragen bedoeld in artikel 768, § 1, bij de vastgestelde anciënniteit van de dienst.

Als het totaalbedrag van de toelaatbare lasten kleiner is dan de overeenkomstige toelage, wordt het verschil ingevorderd bij de controle op het gebruik van de toelagen door "AWIPH", waarbij de invorderingen bedoeld in § 1 in mindering worden gebracht.

Art. 776.De lasten die in aanmerking mogen worden genomen, worden in de bijlagen 78 en 79 nader bepaald.

Art. 777.Na kennisgeving gaat "AWIPH" over tot de rechtzetting en de ambtshalve invordering van de toelagen verleend op grond van onjuiste aangiften of waarvan het gebruik ongerechtvaardigd blijkt te zijn.

Ze worden rechtgezet en ingevorderd tijdens de tweede maand na die van de kennisgeving en kunnen het voorwerp uitmaken van een aanzuiveringsplan.

Art. 778.De diensten beschikken over een termijn van dertig kalenderdagen, waarbij de postdatum bewijskracht heeft, om elke rechtzetting of invordering te betwisten waarvan kennis wordt gegeven overeenkomstig dit hoofdstuk.

De diensten kunnen een aanvraag tot herziening van de toelage indienen binnen dertig kalenderdagen, te rekenen van de kennisneming van een gegeven dat het bedrag van de toelage betwist en waarvan zij geen weet hadden bij de kennisgeving ervan.

De dienst moet dan het bewijs leveren van de datum waarop hij kennis genomen heeft van bedoeld gegeven. Afdeling 8 - Financiële bijdrage van de rechthebbenden

Art. 779.De diensten mogen de begunstigden verzoeken om een bijdrage van hoogstens 25 euro per maand, gekoppeld aan indexcijfer 119,53 van 1 mei 1996.

De diensten mogen bovenop de bijdrage een toeslag eisen voor de kosten inherent aan een specifieke recreatieactiviteit of aan specifieke behoeften van de begunstigde met het oog op zijn welzijn en op zijn persoonlijke ontplooiing.

Als de toeslag door de dienst wordt geëist, moet de gerechtigde of diens wettelijke vertegenwoordiger daarmee instemmen. Afdeling 9 - Opvangbeleid

Art. 780.De rechthebbende moet in het bezit zijn van de beslissing tot tussenkomst van "AWIPH" bedoeld in artikel 280 van het tweede deel van het decreetgevend deel van het Wetboek, waarbij de hulpverlening in het dagelijkse leven noodzakelijk wordt geacht.

Art. 781.De diensten geven het bevoegde regionaal bureau van "AWIPH" binnen drie dagen kennis van de berichten van in- en uitgaan van de rechthebbenden.

Art. 782.Een afwijking in verband met de minimale opvangleeftijd van de rechthebbenden in een dienst voor hulpverlening voor de activiteiten van het dagelijks leven kan door "AWIPH" toegestaan worden op grond van een individueel project.

Art. 783."AWIPH" zorgt ervoor dat de gerechtigde door één enkele dienst opgevangen wordt.

Cumulatie is evenwel toegelaten voor een rechthebbende die een beroep doet op de hulp van een begeleidingsdienst of een tussenkomst in de inrichting van de woning of een individuele steun voorzover deze hulpaanvraag niks te maken heeft met technische aanpassingen of uitrustingen die voor rekening zijn van de maatschappij erkend door de de " Société wallonne du Logement " (Waalse Huisvestingsmaatschappij) in het kader van het ministerieel besluit ter uitvoering van artikel 6 van het besluit van de Waalse Regering van 1 april 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/04/1965 pub. 02/08/2010 numac 2010000404 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten6 tot bevordering van de projecten van zorgcellen ten gunste van gehandicapte personen die op een zelfstandige manier in sociale woonwijken wensen te leven. " AWIPH " kan ook op grond van een individueel project : 1° cumulatie met een opvang of een begeleiding door een andere structuur toelaten;2° de opvang door de zorg-dienst toelaten van rechthebbenden die niet voldoen aan de bepalingen bedoeld in artikel 725, 2° en 5°. HOOFDSTUK V. - Individuele integratiehulp Afdeling 1 - Algemene bepalingen

Art. 784.Voor de toepassing van de afdelingen 1 tot en met 3 van dit hoofdstuk wordt verstaan onder individuele integratiehulp : de technische hulpmiddelen, de dienstverleningen en de inrichtingen bestemd om de handicap te compenseren of de verergering ervan te voorkomen. Afdeling 2 - Voorwaarden betreffende de tenlasteneming

Art. 785.innen de perken van de begrotingskredieten kan er een overname van een deel van, of van alle kosten in verband de individuele integratiehulp toegekend worden ten gunste van gehandicapte personen overeenkomstig de bepalingen van de afdelingen 1 tot en met 3 van dit hoofdstuk en bijlage 82.

Art. 786.De overname van de individuele integratiehulp wordt toegekend aan de gehandicapte persoon voor de kosten die wegens zijn handicap noodzakelijk zijn voor zijn activiteiten en/of zijn deelname aan het leven in de maatschappij.

De kosten bedoeld in het vorige lid zijn bijkomende kosten bovenop die welke een valide persoon betaalt in identieke omstandigheden.

Art. 787.De functionele beperkingen van de gehandicapte persoon moeten op het ogenblik van de indiening van de aanvraag ofwel defnitief van aard zijn ofwel een vermoedelijke duur van één jaar hebben met een evoluerend karakter.

Het bedrag van de uitgaven in verband met de individuele integratiehulp wordt door "AWIPH" vastgesteld op basis van een vergelijkende studie rekening houdend met de kenmerken en de kwaliteiten van de verschillende individuele integratiesteunbedragen.

Wanneer een keuze mogelijk is uit meerdere gelijkwaardige oplossingen in termen van functionaliteit, is het bedrag van de bijdrage van "AWIPH" gelijk aan de kostprijs van de minst dure oplossing.

Art. 788.De tegemoetkoming wordt slechts verleend aan een gehandicapte persoon die bij de indiening van de aanvraag de leeftijd van 65 jaar bereikt heeft, als de kosten rechtstreeks gebonden zijn aan de handicap die "AWIPH" vastgesteld heeft vóór de leeftijd van 65 jaar.

Art. 789.Bijlage 82 bepaalt volgens de prestatie van de individuele integratiehulp het belang en de aard van de beperking van de capaciteiten zoals bedoeld in artikel 261 van het tweede deel van het decreetgevend deel van het Wetboek.

Daarvoor verwijst "AWIPH" naar de begripsomschrijvingen van de internationale classificatie van de functionering, de handicap en de gezondheid vastgesteld door de Wereldgezondheidsorganisatie.

In afwijking van artikel 416 kan "AWIPH" volgens de prestatie van de individuele integratiehulp om een functionele balans verzoeken en in voorkomend geval het soort vereiste pluridisciplinaire gegevens.

Art. 790."AWIPH" komt niet tegemoet in de kosten die de gehandicapte persoon voor materiële hulpverlening betaalt : 1° als de gehandicapte persoon in het kader van een wetgeving inzake vergoedingen of burgerlijk recht : a) nalaat in rechte de schadevergoeding op te eisen waarvoor hij een aanvraag bij "AWIPH" heeft ingediend, b) van de procedure of van het recht zelf afziet;2° als de gehandicapte persoon op basis van dezelfde handicap en dezelfde behoefte als die bedoeld in dit artikel, voor een sociale prestatie in aanmerking komt krachtens andere wettelijke of reglementaire bepalingen, behalve de uitzonderingen bedoeld in bijlage 82;3° als de kosten vergoed worden middels een tegemoetkoming verleend krachtens andere bepalingen van boek 4 van het tweede deel van het decreetgevend deel van het Wetboek of boek 5 van het tweede deel van dit Wetboek.

Art. 791.De overname heeft geenszins betrekking op volgende prestaties noch in voorkomend geval op hun vergoedingen : 1° apparatuur voor medische of paramedische behandeling of voor het onderhoud van de fysieke conditie, behalve die bedoeld in bijlage 82;2° diensten die door natuurlijke of rechtspersonen verstrekt worden, behalve die bedoeld in bijlage 82, alsmede de studiekosten, erkenningskosten en architectenhonoraria bedoeld in artikel 792;3° het geleende, gehuurde of geleasde materiaal;4° het tweedehands materiaal behalve de uitzonderingen vermeld in bijlage 82;5° de bouwwerken en aanpassingen in de schoolgebouwen;6° de bouwwerken van de sociale woningen;7° de motorisering van hoofdtoegangen;8° de rolstoelen, elektronische scooters, stasystemen, orthopedische driewielers, loophulpmiddelen, zitkussens voor het voorkomen van doorligwonden, modulaire aanpasbare systemen voor de ondersteuning van de zithouding, onderstellen voor zitschelpen, met in begrip van hun respectievelijke aanpassingen die niet opgenomen zijn op de terugbetalinglijst van de verplichte gezondheidszorgverzekering;9° de ortheses en de protheses;10° de voedingsmiddelen;11° het tweedehands materiaal behalve de uitzonderingen vermeld in bijlage 82.

Art. 792.De gemaakte kosten zijn kosten voor de verstrekking van individuele integratiehulp, de recupel-taks indien nodig, alsmede studiekosten, de kosten in verband met de levering en de erkenningskosten en architectenhonoraria die er eventueel aan gebonden zijn, verhoogd met de btw.

Art. 793.§ 1. De gemaakte kosten worden slechts aangerekend ten belope van : 1° de kosten bedoeld in de artikelen 786 en 787;2° hoedanook, voor de prestaties van de individuele integratiehulp opgenomen in bijlage 82, het bedrag vastgesteld in deze bijlage. § 2. Het bedrag van de schadevergoeding verkregen krachtens een gerechtelijke beslissing wordt afgetrokken van het bedrag van de kosten bedoeld in § 1. § 3. Onverminderd de bepalingen van § 2, verleent "AWIPH" de gehandicapte persoon op diens verzoek en in afwachting van de schadevergoeding bedoeld in artikel 790,1°, 1, een voorschot waarvan het bedrag wordt vastgelegd overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk en de bijlagen ervan.

Om dat voorschot te kunnen genieten, doet de gehandicapte persoon "AWIPH" bij overeenkomst in zijn rechten en beroepen treden jegens de derde die moet instaan voor de schadevergoeding bedoeld in artikel 790, 1°.

Art. 794.§ 1. De verstrekkingen inzake materiële hulp komen slechts in aanmerking voor een tegemoetkoming als ze plaatsvinden op ten vroegste op de dag van de aanvraag om tegemoetkoming.

De verstrekkingen betreffende het herstel van een individuele integratiehulp kunnen zelfs overgenomen worden als de datum van de factuur voor die verstrekkingen dateert van zes maanden voor de datum van de aanvraag tot hersteltegemoetkoming. § 2. De tegemoetkomingen van "AWIPH" worden betaald op grond van de facturen betreffende de verstrekkingen, die ingediend moeten worden binnen een termijn van één jaar, te rekenen van de kennisgeving van de beslissing tot tegemoetkoming. Die termijn wordt op twee jaar gebracht voor globale huisinrichtingen en -verbouwingen.

Voor de bijstandsproducten ter absorptie van urine en fecaliën worden de verstrekkingen van diensten opgenomen in de bijlage, alsmede de geleidehonden wordt de uitbetaling van de tegemoetkomingen van "AWIPH" verbinden aan de voorwaarde van overhandiging van de facturen voor die verstrekkingen binnen een termijn van één jaar te rekenen van de datum van de factuur. Afdeling 3 - Toekenningsprocedure

Art. 795.De aanvraag tot tegemoetkoming wordt samen ingediend met de documenten vereist bij artikel 6 van het besluit. "AWIPH" kan, als het dat nodig acht, bestekken of prijsoffertes eisen.

Art. 796.Onverminderd de toepassing van artikel 791 en de uitsluitingen uitdrukkelijk vermeld in bijlage 82 geldt dat als "AWIPH" vaststelt dat een aanvraag om tegemoetkoming inzake individuele integratiehulp voldoet aan de voorwaarden van de afdelingen 1 tot en met 3 maar dat hetzij er geen sprake is van die hulp in bijlage 82, hetzij dat er wel sprake van is maar dat bepaalde voorwaarden niet vervuld zijn om de tegemoetkoming te verlenen, dan de aanvraag voor advies wordt voorgelegd aan de Raad voor individuele integratiehulp en vervolgens aan het beheerscomité, dat moet beslissen. Afdeling 4 - Budget inzake persoonlijke bijstandsverlening

Onderafdeling 1 - Algemene bepalingen

Art. 797.Voor de toepassing van deze afdeling moet worden verstaan onder : 1° rechthebbende : gehandicapte persoon aan wie "AWIPH" een budget inzake persoonlijke bijstandsverlening toekent;2° persoonlijke assistent : dienstverstrekker die de prestaties inzake persoonlijke bijstandsverlening verricht;3° prestatie inzake persoonlijke bijstandsverlening : prestatie zoals omschreven in artikel 800;4° geïndividualiseerd project van tegemoetkoming : het ontwerp zoals bedoeld in artikel 279, vijfde lid, van het tweede deel van het decreetgevend deel van het Wetboek;5° prestatie inzake persoonlijke bijstandsverlening : betreft met name de evaluatie met de rechthebbende van zijn behoeften aan persoonlijke bijstandsverlening, de opmaking van het dienstplan, de planning en de coördinatie van de diensten en prestaties inzake persoonlijke bijstandsverlening, de bemiddeling tussen het Agentschap, de persoonlijke assistenten, hun werkgevers en de rechthebbende of diens wettelijke vertegenwoordigers, de opvolging van het geïndividualiseerd ontwerp van tegemoetkoming en de formulering van voorstellen tot aanpassing van het geïndividualiseerd ontwerp van tegemoetkoming;6° GGMMI : het bedrag dat voor werknemers die minstens 21 jaar oud zijn, wordt berekend overeenkomstig artikel 3 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr.43, op 2 mei 1988, gesloten binnen de Nationale Arbeidsraad.

Art. 798.De persoonlijke bijstandsverlening dient om de onbekwaamheden van de rechthebbende die aan zijn deficiënties te wijten zijn te compenseren door hem de gevraagde hulp en bijstand te verlenen in de vorm van financiering van de diensten verstrekt door één of meer persoonlijke assistenten, met het oog op zijn handhaving in zijn gebruikelijk levensmilieu, de organisatie van zijn dagelijks leven en het vergemakkelijken van zijn familiale, sociale of beroepsintegratie.

Art. 799.Het budget inzake persoonlijke bijstandsverlening bestaat in een trekkingsrecht dat op jaarlijkse basis berekend wordt en aan een gehandicapte persoon toegekend wordt ter dekking van de financiële tenlasteneming van het geheel of van een gedeelte van zijn kosten inzake persoonlijke bijstandsverlening en de coördinatie hiervan.

Het gedeelte van het jaarlijkse trekkingsrecht dat niet gebruikt wordt, mag niet naar het volgende jaar overgedragen worden.

Art. 800.Voor zover ze niet deel uitmaken van de tegemoetkomingen die "AWIPH" krachtens een andere regelgeving kan verlenen, kunnen de prestaties inzake persoonlijke bijstandsverlening de volgende zijn : 1° hulpverlening i.v.m. de activiteiten van het dagelijks leven : 2° hulpverlening in het huishouden; 3° hulpverlening i.v.m. de sociale en vrijetijdsactiviteiten; 4° hulpverlening i.v.m. de beroepsactiviteiten, behalve productieactiviteiten; 5° hulpverlening i.v.m. de verplaatsingen in het raam van de activiteiten van het dagelijks leven; 6° de coördinatie van het geïndividualiseerd project van tegemoetkoming. De volgende prestaties worden niet gedekt door het budget inzake persoonlijke bijstandsverlening, alsook de eventuele financiële tegemoetkoming betreffende die prestaties die voor rekening van de rechthebbende gelaten wordt : 1° de individuele integratiehulp zoals bepaald bij de afdelingen 2 en 3 van dit hoofdstuk;2° de behandelingen, medische of paramedische examens of therapieën, al dan niet terugbetaald, al dan niet genomenclatureerd door het RIZIV, of niet erkend;3° de pedagogische en didactische bijstand tijdens de studies;4° de prestaties inzake persoonlijke bijstandsverlening aan minderjarigen, niet in verband met deficiënties maar met leeftijd.

Art. 801.De prestaties inzake persoonlijke bijstandsverlening die aanmerking komen voor het budget inzake persoonlijke bijstandsverlening worden verricht door : 1° diensten erkend door een overheid;2° plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen zoals bedoeld in de besluitwet van 28 december 1944Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/04/1958 pub. 28/02/2011 numac 2011000105 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten0 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;3° ondernemingen die specifiek erkend zijn in het kader van de dienstencheques krachtens de wet van 20 juli 2001Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/07/1975 pub. 30/06/2010 numac 2010000387 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten5 tot bevordering van buurtdiensten en -banen;4° een interimdienst erkend krachtens het decreet van 13 maart 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/06/1969 pub. 24/01/2011 numac 2010000730 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten5 betreffende de erkenning van arbeidsbemiddelingsbureaus;5° een zelfstandige werknemer wiens hoofdactiviteit bestaat in het verstrekken van de prestaties bedoeld in artikel 5, eerste lid;6° bij wijze van uitzondering door een vrijwilliger, overeenkomstig de wet van 3 juli 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten0 betreffende de rechten van wrijwilligers. Onderafdeling 2 - Toekenningsvoorwaarden

Art. 802.Het budget inzake persoonlijke bijstandsverlening is bestemd voor gehandicapte personen met een aanzienlijk beperkte zelfstandigheid.

De mate van zelfstandigheid wordt bepaald na evaluatie van de beperkingen van de personen in de volgende activiteiten : 1° activiteiten van het dagelijks leven : a) zich voeden;b) zich wassen;c) zich kleden;d) zijn persoon onderhouden;e) de blaasfunctie;f) de darmfunctie;g) wc-gebruik;2° mobiliteit : a) verplaatsingen;b) binnenshuis lopen;c) het plaatsen van een prothese of een orthese;d) zich binnenshuis in een rolstoel verplaatsen;e) de trappen gebruiken;f) buiten rondlopen;3° problematisch gedrag : a) gestereotypeerd gedrag;b) afwijkend sexueel gedrag;c) storend sociaal gedrag;d) agressief gedrag van fysieke aard jegens anderen;e) beledigend sociaal gedrag;f) het zich terugplooien;g) vernielingsgedrag tegenover voorwerpen;h) zelfverminkingsgedrag;i) niet-samenwerkings- en provocatiegedrag;4° communiceren : a) zien;b) horen;c) spreken;5° mentale functies : a) geheugen;b) oriëntatie;c) begripsvermogen;d) verstand;6° activiteiten in het huishouden : a) het huis onderhouden;b) de maaltijden bereiden;c) de boodschappen doen;d) de was doen;e) de telefoon gebruiken;f) de vervoermiddelen gebruiken;g) zijn medicijnen nemen;h) zijn budget beheren; 7° activiteiten i.v.m. de sociale en vrijetijdsactiviteiten : a) zijn rol en verantwoordelijkheid van ouder uitoefenen;b) zijn vrije tijd benutten;c) zich naar sociale of vrijetijdsactiviteiten begeven;d) deelnemen aan sociale of vrijetijdsactiviteiten. " AWIPH " bepaalt de modaliteiten en schalen voor de evaluatie van die beperkingen.

Art. 803.De voorwaarde inzake de autonomie- en handicapbeperking zoals bedoeld in artikel 261 van het tweede deel van het decreetgevend deel van het Wetboek wordt verondersteld vervuld te zijn indien de persoon een document overlegt waaruit blijkt dat hij in aanmerking komt voor : 1° hetzij, krachtens de wet van 27 februari 1987Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten5 betreffende de tegemoetkomingen aan de gehandicapten, een integratietegemoetkoming van categorie 4 (15 of 16 punten) of 5 (17 of 18 punten) of indien hij aan de medische criteria voldoet om in aanmerking te komen voor de tegemoetkoming van die categorieën;2° hetzij, krachtens de artikelen 47 en 56septies van de gecoördineerde wetten betreffende de gezinsuitkeringen voor loonarbeiders, van uitkeringen verhoogd wegens een handicap of dat hij in aanmerking komt voor een toeslag voor kinderen met een aandoening waarvan de ernstgraad gelijk is aan : a) minstens vier punten in de eerste kolom en 6 punten in de overige kolommen;b) minstens vier punten in de eerste kolom en 9 punten in de overige kolommen;c) meer dan 11 punten in de drie kolommen. Onderafdeling 3 - Prioriteiten

Art. 804.Binnen de perken van de beschikbare kredieten bepaalt de Minister jaarlijks, op voorstel van "AWIPH", de prioriteiten voor de toekenning van een budget inzake persoonlijke bijstandsverlening.

Onderafdeling 4 - Procedure A. : Aanvraag

Art. 805.De kandidaat-rechthebbende, of diens wettelijke vertegenwoordigers, richt(en) bij aangetekend schrijven een gemotiveerde aanvraag tot toekenning van het budget inzake persoonlijke bijstandsverlening aan een gewestelijk bureau. In de gemotiveerde aanvraag moet aangetoond worden dat de persoon in zijn gewone omgeving verder kan blijven leven als hij een persoonlijke bijstand toegewezen krijgt. De persoon verstrekt ook een raming van het aantal uren dat nodig is voor elke prestatie inzake persoonlijke bijstandsverlening, alsook de organisatiewijze die voor de coördinatie overwogen wordt. "AWIPH" bepaalt het model van de tussenkomstaanvraag.

B. : Beslissing

Art. 806.De beslissing van "AWIPH" vermeldt de duur van de tussenkomst en het jaarlijkse maximumbedrag van het budget inzake persoonlijke bijstandsverlening.

De niet cumuleerbare jaarlijkse maximumbedragen zijn de volgende : 1° voor dag- en nachthulp : 35.000 euro; 2° voor dag- en weekendhulp : 20.000 euro; 3° voor daghulp : 15.000 euro; 4° voor een hulpverlening bij verplaatsingen : 5.000 euro.

Die bedragen worden jaarlijks op 1 januari (jaar n) d.m.v. van onderstaande formule aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen bedoeld in hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van de concurrentie van het land, hierna gezondheidsindex genoemd : Bedrag van kracht op 31 december van het jaar n - 1 x gezondheidsindex van de maand december van het jaar n - 1 gezondheidsindex van de maand december van het jaar n - 2.

Art. 807.Voor elke rechthebbende op het budget inzake persoonlijke bijstandsverlening wordt een geïndividualiseerd ontwerp van tegemoetkoming door "AWIPH" opgemaakt in overleg met de rechthebbende, of met diens wettelijke vertegenwoordigers, alsook, desgevallend, met een coördinator van het project.

Art. 808.Het geïndividualiseerd ontwerp van tegemoetkoming betreffende het budget inzake persoonlijke bijstandsverlening bevat : 1° het aantal uren dat nodig is voor elke prestatie inzake persoonlijke bijstandsverlening;2° de plaats van de prestaties;3° de frequentie ervan;4° de nauwkeurige identificatie van elke dienstverstrekker;5° de kost van elke prestatie. Het geïndividualiseerd ontwerp van tegemoetkoming wordt op verzoek van de rechthebbende of van diens wettelijke vertegenwoordigers geactualiseerd in overleg met "AWIPH" en, desgevallend, met de coördinator van het ontwerp.

Art. 809.De rechthebbende, of diens wettelijke vertegenwoordigers, staat zelf in voor de coördinatie van zijn geïndividualiseerd ontwerp van tegemoetkoming of doet een beroep op een coördinator van het ontwerp van tegemoetkomingen die hij kiest onder de door "AWIPH" erkende diensten, alsook de sociale dienstcentra van de ziekenfondsen, de O.C.M.W.'s, de centrales voor de coördinatie van thuisverzorging, de verenigingen met een expertise inzake de coördinatie van persoonlijke bijstandsverlening of van thuiszorg- en -hulpverlening en de representatieve verenigingen van de gehandicapte personen die door de Minister erkend zijn.

De coördinator stelt desnoods aanpassingen van het geïndividualiseerd ontwerp van tegemoetkoming voor en ziet toe op de uitvoering ervan.

De coördinator treedt ook als bemiddelaar op tussen "AWIPH", de persoonlijke assistenten, hun werkgevers en de rechthebbende of diens wettelijke vertegenwoordigers.

Hij mag niet in dienst zijn van een werkgever die een persoonlijke assistent verschaft.

C. : Financiële modaliteiten en bijdrage C.1. : Modaliteiten

Art. 810."AWIPH" zorgt voor de betaling van de prestaties van de dienstverstrekkers op basis van de bewijsstukken van de uitvoering van de prestaties of van de betalingen, die maandelijks of om de drie maanden overgelegd worden door de dienstverstrekker(s) of de rechthebbenden zelf.

Art. 811.Voor de prestaties verstrekt middels dienstencheques, PWA-cheques, gezinshelpsters, kan "AWIPH" op verzoek van de rechthebbenden een voorschot toekennen. Dat voorschot is gelijk aan 75 % van het jaarbedrag waarin het geïndividualiseerd ontwerp van tegemoetkoming voor die prestaties voorziet.

Dat voorschot kan ook toegekend worden aan de rechthebbenden aan wie het Agentschap het recht heeft verleend om hun persoonlijke assistenten rechtstreeks zonder bemiddeling van "AWIPH" in dienst te nemen, na te zijn nagegaan of ze in staat zijn hun budget zelf te beheren.

Na afloop van een jaar betaalt "AWIPH" het verschuldigde saldo of gaat het over tot de regularisatie van het niet uitgegeven voorschot.

De in artikel 801, 6°, bedoelde activiteiten van de vrijwilliger worden niet bezoldigd; alleen zijn reële kosten worden terugbetaald.

Art. 812.Wanneer de rechthebbende een beroep doet op een coördinator van het ontwerp van tegemoetkoming, wordt de kost van de coördinatie, beperkt tot 5 % van het door "AWIPH" bepaalde maximumjaarbedrag van het budget inzake persoonlijke bijstandsverlening, aan dat maximumjaarbedrag toegevoegd.

Art. 813.In het kader van het budget inzake persoonlijke bijstandsverlening kan maximum 5 % onrechtstreekse kosten in aanmerking genomen worden. Die kosten worden in het maximumjaarbedrag meegerekend.

Onder onrechtstreekse kosten wordt verstaan de kosten die de dienstverstrekker voor zijn externe activiteiten maakt. "AWIPH" bepaalt de lijst van de toelaatbare onrechtstreekse kosten. De persoonlijke uitgaven van de gehandicapte persoon mogen niet meegerekend worden in het budget inzake persoonlijke bijstandsverlening.

C.2. : Bijdrage

Art. 814.De rechthebbende draagt naar gelang van zijn inkomens financieel bij in de kost van de prestaties inzake persoonlijke bijstandsverlening zoals bedoeld in artikel 800.

Art. 815.Onder inkomens wordt verstaan het geheel van de belastbare inkomens van de rechthebbende en van diens wettelijke vertegenwoordigers die in aanmerking genomen worden inzake de personenbelasting en zoals ze voorkomen op het aanslagbiljet van de natuurlijke personen betreffende het laatste aanslagjaar voor het jaar van de aanvraag tot toekenning van een budget inzake persoonlijke bijstandsverlening.

Art. 816.De financiële bijdrage van de rechthebbende wordt berekend naar rato van het gedeelte van het jaarlijkse trekkingsrecht dat hij gebruikt.

De coördinatiekosten bedoeld in artikel 812 en de onrechtstreekse kosten bedoeld in artikel 813 worden niet in aanmerking genomen bij de berekening van de financiële bijdrage van de rechthebbende.

Art. 817.§ 1. Voor de berekening van zijn financiële bijdrage laat de rechthebbende zijn aanvraag vergezeld gaan van een afschrift van het laatste aanslagbiljet van de personenbelasting en, indien hij geen aanslagbiljet ontvangen heeft, van een attest dat het gebrek aan aanslagbiljet bevestigt.

De rechthebbende bezorgt "AWIPH" jaarlijks een afschrift van het laatste aanslagbiljet van de personenbelasting en, indien hij geen aanslagbiljet ontvangen heeft, een attest dat het gebrek aan aanslagbiljet bevestigt. Het bedrag van de financiële bijdrage van de rechthebbende wordt aangepast op de verjaardag van de toekenning van het budget inzake persoonlijke bijstandsverlening. § 2. Indien de rechthebbende meerderjarig is, worden de inkomens van zijn eventuele samenwonende, die woonachtig is op zijn adres, in aanmerking genomen. § 3. Indien de rechthebbende minderjarig is of onder verlengd minderjarigheidsstatuut staat, gaat het om zijn eigen inkomens, alsook om de inkomens van zijn wettelijke vertegenwoordigers indien ze woonachtig zijn op zijn adres. § 4. In afwijking van artikel 814 wordt de rechthebbende wiens maandinkomens lager zijn dan het GGMMI van financiële bijdrage vrijgesteld.

Art. 818.De bijdrage van de rechthebbende bedraagt : 1° 1 % van het budget inzake persoonlijke bijstandsverlening voor maandinkomens tussen 1 en 1,33 maal het GGMMI;2° 2 % van het budget inzake persoonlijke bijstandsverlening voor maandinkomens tussen 1,33 en 1,66 maal het GGMMI;3° 3 % van het budget inzake persoonlijke bijstandsverlening voor maandinkomens tussen 1,66 en 2 maal het GGMMI;4° 4 % van het budget inzake persoonlijke bijstandsverlening voor maandinkomens tussen 2 en 2,5 maal het GGMMI;5° 5 % van het budget inzake persoonlijke bijstandsverlening voor maandinkomens die 2,5 maal hoger zijn dan het GGMMI. D. : Onderbreking

Art. 819.De toekenning van het budget inzake persoonlijke bijstandsverlening wordt opgeschort vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de voltijdse opneming in een ziekenhuis, een rusthuis of een rust- en verzorgingstehuis, een functionele heraanpassingscentrum, een residentiële dienst erkend door "AWIPH" een dienst die de toestemming van "AWIPH" heeft om te werken. Hetzelfde geldt voor soortgelijke diensten gevestigd op het grondgebied van een andere Gemeenschap of van een ander Gewest of in het buitenland.

De rechthebbende op een budget inzake persoonlijke bijstandsverlening bezorgt "AWIPH" een document ter bevestiging van zijn opneming in een ziekenhuis, een rusthuis of een rust- en verzorgingstehuis, een functionele heraanpassingscentrum, een residentiële dienst erkend door het Agentschap, een dienst die de toestemming van "AWIPH" heeft om te werken. Hij maakt dat document over voor het einde van de eerste maand verblijf in één van die diensten. De niet-inachtneming van die bepaling heeft de stopzetting van de toekenning van het budget inzake persoonlijke bijstandsverlening tot gevolg.

Meer dan zes maanden ononderbroken opneming in een instelling of een dienst bedoeld in de vorige paragraaf heeft de opschorting van de toekenning van het budget inzake persoonlijke bijstandsverlening tot gevolg, tenzij binnen de maand een vertrekattest overgelegd wordt.

E. : Stopzetting

Art. 820.De rechthebbende kan het budget inzake persoonlijke bijstandsverlening per post opzeggen, mits opzegging van drie maanden.

Binnen dezelfde termijn kan "AWIPH" ook een eind maken aan de toekenning van het budget inzake persoonlijke bijstandsverlening indien de algemene tegemoetkomingsvoorwaarden bedoeld in artikel 275, § 1, van het tweede deel van het decreetgevend deel van het Wetboek of de specifieke tegemoetkomingsvoorwaarden bedoeld in onderafdeling 2 van deze afdeling niet meer vervuld zijn. HOOFDSTUK VI. -Toegankelijkheid van de voor het publiek bestemde inrichtingen en installaties voor gehandicapte personen met een assistentiehond Afdeling 1 - Bewegwijzering

Art. 821.Indien de toegang met assistentiehond en tot de voor het publiek bestemde inrichtingen en installaties geweigerd wordt, moeten de beheerders van deze inrichtingen en installaties aan de ingang de als bijlage 83 gevoegde aanplakbiljet zichtbaar aanbrengen. Afdeling 2 - Erkenning van verenigingen of africhters voor de

africhting van assistentiehonden Onderafdeling 1 - Voorwaarden

Art. 822.Om erkend te worden voor de africhting van assistentiehond en moet de africhter of de vereniging aan de volgende voorwaarden voldoen : 1° als het gaat om een vereniging, de africhting van assistentiehonden in de zin van hoofdstuk 3 van titel 2 van boek 4 van het tweede deel van het decreetgevend deel van het Wetboek en van dit hoofdstuk als maatschappelijk doel hebben;2° zich houden aan de wettelijke en reglementaire bepalingen die van toepassing zijn op de toegankelijkheid van de voor het publiek bestemde inrichtingen en installaties voor gehandicapte personen met een assistentiehond;3° een actieve ervaring hebben in de opleiding van assistentiehonden, deze ervaring wordt bevestigd door het aantal opleidingen de voorbije drie jaren;4° vóór de opleiding, een multidisciplinaire beoordeling uitvoeren (medisch, sociaal en technisch verslag) van de kandidaat-koper om zijn integratie en zijn deelname in het opleidingsproces van een assistentiehond te beoordelen;5° de toekomstige assistentiehond minimaal zes maanden opleiden;6° minstens één keer per jaar een evaluatie van de uitgevoerde opleiding organiseren met de persoon aan wie de assistentiehond wordt toevertrouwd en laatstgenoemde, en, in voorkomend geval, oplossingen voorstellen voor de aangekaarte problemen. Onderafdeling 2 - Toekenningsprocedure

Art. 823.De erkenningsaanvragen worden bij "AWIPH" ingediend door middel van een formulier waarvan het model door de Minister is opgemaakt.

Elke wijziging van de gegevens vervat in de verklaring op erewoord moet binnen vijftien dagen aan "AWIPH" meegedeeld worden.

Art. 824.Binnen dertig dagen na ontvangst van de erkenningsaanvraag bezorgt "AWIPH" de aanvrager hetzij een bericht van ontvangst als de aanvraag volledig is, hetzij een bericht waarbij hij erom verzocht wordt zijn aanvraag binnen 15 werkdagen aan te vullen. Hij wordt daarbij gewezen op de ontbrekende stukken en/of gegevens.

Art. 825."AWIPH" behandelt de aanvraag en maakt bedoelde aanvraag samen met zijn opmerkingen over aan de Minister binnen een termijn van één maand na de indiening van de aanvraag zodra die volledig is.

Het beheerscomité beslist over de aanvraag binnen twee maanden na ontvangst van het dossier.

De erkenning wordt toegekend voor een periode van maximum zes jaar.

Als het Beheerscomité binnen de voorgeschreven termijn over de erkenningsaanvraag geen beslissing heeft genomen, wordt het verzoek geacht geweigerd te zijn.

Onderafdeling 3 - Verlengingsprocedure

Art. 826.De aanvraag tot hernieuwing van de erkenning wordt maximum zes maanden en minimum drie maanden vóór het verstrijken van de lopende erkenning ingediend aan de hand van dezelfde formulieren en volgens dezelfde procedure als die voorzien voor de erkenningsaanvraag. "AWIPH" behandelt de aanvraag en maakt bedoelde aanvraag samen met zijn opmerkingen over aan de Minister binnen een termijn van één maand na de indiening van de aanvraag zodra die volledig is.

Het beheerscomité beslist over de aanvraag binnen twee maanden na ontvangst van het dossier.

In afwachting van een definitieve beslissing van het Beheerscomité wordt de africhter of de vereniging geacht te zijn erkend voor een termijn van zes maanden, die ingaat op de vervaldatum van de erkenning.

Als het Beheerscomité binnen de voorgeschreven termijn over de erkenningsaanvraag geen beslissing heeft genomen, wordt het verzoek geacht geweigerd te zijn.

Onderafdeling 4 - Beslissing

Art. 827.Indien beslist wordt de erkenning te weigeren of in te trekken, wordt daarvan aan de aanvrager bij aangetekend schrijven kennis gegeven. Afdeling 3 - Hoedanigheid van assistentie- en begeleidingshond

Art. 828.De begeleider van een assistentiehond krijgt op het einde van de africhting, van de erkende vereniging of africhter die de hond heeft afgericht, een boek waarvan het model bepaald wordt door de Minister, ten bewijze van of waarmee het bewijs kan geleverd worden van : 1° de hoedanigheid van geleidehond van het dier, van zijn opleiding en van de uitgevoerde jaarlijkse opvolging;2° de identiteit van de begeleider. De begeleider van een geleidehond mag zich niet van het boek ontdoen zolang de geleidehond in leven is.

Art. 829.Een geleidehond wordt niet meer als dusdanig erkend : 1° als hij duidelijk en definitief niet meer in staat is een gehandicapte persoon te vergezellen in diens verplaatsingen en handelingen van het dagelijks leven;2° als hij niet meer bestemd is voor de gehandicapte persoon die hij bijstond. Het boek bedoeld in artikel 828 dient dan te worden teruggegeven aan de erkende vereniging of africhter die de geleidehond heeft afgericht.

Art. 830.Eén keer per jaar moeten de begeleider en zijn assistentiehond zich aanbieden voor de evaluatie van de opleiding die overeenkomstig artikelen 822 en 823 door de erkende africhter of vereniging wordt georganiseerd. Afdeling 4 - Evaluatie

Art. 831.Uiterlijk op 30 juni van elk jaar maakt "AWIPH" een verslag op over de uitvoering van hoofdstuk 3 van titel 2 van boek 4 van het tweede deel van het decreetgevend deel van het Wetboek.

Dit verslag wordt door "AWIPH" voor advies overgemaakt aan het overlegorgaan dat bevoegd is voor het gehandicaptenbeleid.

Het verslag, aangevuld met het advies bedoeld in het vorig lid, wordt overgemaakt aan de Minister, die het aan de Regering voorlegt.

Vervolgens maakt de Regering het verslag over aan het Waalse Parlement.

TITEL VIII. - Voorzieningen voor de functionele revalidatie van gehandicapte personen HOOFDSTUK I. - Soorten centra voor functionele revalidatie en erkenningsvoorwaarden Afdeling 1 - Algemene centra voor functionele revalidatie

Art. 832.§ 1. Om erkend te worden, moeten de centra of diensten voor functionele heraanpassing : 1° erkend zijn door de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid in toepassing van de wetgeving betreffende de ziekte- en invaliditeitsverzekering;2° een geneeskundige eenheid vormen speciaal aangepast aan de nagestreefde doeleinden en onder de effectieve geneeskundige leiding staan van een geneesheer erkend als specialist in de revalidatie, bij wie de verantwoordelijkheid berust om de volledige uitvoering van een doorlopend en individueel aangepast revalidatieproces te coördineren of zelf te verzekeren;3° het lichamelijk en of psychisch herstel van de gehandicapte personen nastreven met het oog op een bevredigende herintegratie in het beroepsleven;4° een technische, administratieve en budgettaire autonomie genieten, die hen in staat stelt hun opdracht te vervullen;wanneer de inrichtende macht van het centrum of van de dienst opgericht is onder de vorm van een rechtspersoon van privaat recht, mag het beheersorgaan geen aantal personen bevatten behorend tot dezelfde familie, echtgenoten en bloed- of aanverwanten tot de tweede graad inbegrepen, dat hoger is voor elke familie, dan éé derde van het totale aantal leden waaruit dit beheersorgaan is samengesteld; 5° voorzien in : a) de hospitalisatie van de gehandicapte personen;b) de psychotherapie, alsmede in alle psychologische onderzoekingen om het psychisch leven van de gehandicapte personen te verbeteren en aldus te zorgen voor zijn psychologisch herstel;c) de gespecialiseerde voorlichting bij beroepskeuze en te dien einde beschikken over een centrum of dienst voor gespecialiseerde voorlichting bij beroepskeuze bedoeld bij in artikel 283, lid 2, 3°, van het decreetgevend deel van het Wetboek, of bij overeenkomst beschikken over de medewerking van een dergelijk centrum of dergelijke dienst;d) de uitvoering van de passende prestaties op het gebied van de revalidatie waarvoor zij in het bijzonder werden opgericht;6° beschikken over : a) een dienst ergotherapie;b) een dienst voor sociale bijstand die niet alleen voorziet in de eigenlijke sociale bijstand, maar ook in het contact tussen de gehandicapte persoon en de diensten voor arbeidsbemiddeling of eventueel de personen of instellingen die gemachtigd zijn om hetzij het proces van schoolopleiding, hetzij het beroepsopleidings-, herscholings- of omscholingsproces van de gehandicapte persoon te realiseren;7° beschikken over : a) een algemene klinische dienst om toezicht uit te oefenen over de algemene gezondheidstoestand van de gehandicapte persoon en om de eventuele aangegeven therapie toe te passen;b) erkende geneesheren-specialisten en hooggeschoolde medische hulpkrachten gelet op de categorie gehandicapte personen die zij in behandeling nemen;c) het nodige aantal geneesheren en hulpkrachten om de individuele behandeling van de gehandicapte personen mogelijk te maken;8° ingericht zijn om een revalidatieproces mogelijk te maken dat progressief is en dagelijks aldus wordt ingedeeld dat de vermogens van de gehandicapte persoon volledig worden aangewend ten einde zo spoedig mogelijk de duur van een arbeidsdag te bereiken;9° zich ertoe verbinden voor de gehandicapte persoon een dynamische sfeer in stand te houden ten einde hem ertoe te brengen effectief met het team van revalidatietechnici mede te werken aan het opmaken en aan de uitvoering van het voor hem bestemde proces;10° de opleiding van hun personeel aanvullen door opleidingscursussen en regelmatige vergaderingen;11° buiten de bovengenoemde vereisten, de passende revalidatietechnieken aanwenden voor elk gebrek dat zij behandelen.Zo moet, wanneer de revalidatie van de gehandicapte personen het gebruik van een prothese of van een orthopedisch apparaat vergt, het centrum of de dienst ofwel zelf zorgen voor de studie en de vervaardiging ervan, ofwel zich daartoe de nauwe samenwerking verzekeren van een orthopedist of van een ander geschoold verstrekker van prothesen, erkend in het kader van de ziekte- en invaliditeitsverzekering. § 2. De centra of diensten die de voorwaarden van paragraaf 1, 4°, 5°, c en 10° niet vervullen, worden erkend op voorwaarde dat ze eraan voldoen binnen een termijn vastgelegd door het beheerscomité overeenkomstig artikel 866, eerste lid. Afdeling 2 - Centra voor functionele revalidatie voor kinderen en

adolescenten die lijden aan een motorisch cerebrale gebrekkigheid en, in bijkomende orde, aan neurologische aandoeningen van lange duur of aan myopathie

Art. 833.Als centra of diensten voor revalidatie kunnen eveneens voorlopig erkend worden, de inrichtingen die zich wijden aan de behandeling en de geneeskundige revalidatie van kinderen en adolescenten die lijden aan een motorisch cerebrale gebrekkigheid en in bijkomstige orde aan deze kinderen en adolescenten die lijden aan neurologische aandoeningen van lange duur of aan myopathie en die voldoen aan de hierna opgesomde voorwaarden : 1° niet een medisch-pedagogische inrichting, een observatie- en klasseringscentrum voor onaangepaste kinderen of een inrichting voor behandeling van cerebraalverlamden zijn, erkend door het Ministerie van Volksgezondheid en van het Gezin;2° voldoen aan de bij artikel 832, 2°, voorziene voorwaarde;voor de toepassing van het tweede lid van deze bepaling worden in aanmerking genomen, de geneesheren die erkend zijn als specialist voor kindergeneeskunde, neuropsychiatrie, neurologie, orthopedie en fysiotherapie of die van een bijzondere bekwaamheid, welke door het beheerscomité van "AWIPH" wordt erkend, doen blijken; 3° aan de in artikel 832, 3° en 4°, bedoelde erkenningsvoorwaarden voldoen;4° een overeenkomst hebben met één of meerdere krachtens artikel 832 erkende centra of diensten voor revalidatie, ten einde er de door de toestand van de gehandicapte persoon genoodzaakte hospitalisatie en gespecialiseerde geneeskundige tussenkomsten en heelkundige ingrepen te kunnen verzekeren;wat het sluiten van deze overeenkomst met een erkend centrum of een erkende dienst voor revalidatie betreft, kan het beheerscomité een afwijking toestaan wanneer het oordeelt dat het sluiten van een dergelijke overeenkomst werkelijke moeilijkheden of bezwaren met zich brengt; in dat geval beoordeelt het beheerscomité de bevoegdheid van de gewone verplegingsdiensten waarmede de overeenkomst wordt gesloten; 5° voldoen aan de bij artikel 832, 5°, b) en c) voorziene voorwaarden;6° zelf voorzien in : a) het verblijf van de gehandicapte personen in half-pension, alsmede in hun dagelijks vervoer, heen en terug, tussen het centrum of de dienst en hun verblijfplaats;onder halfpension dient te worden verstaan, een dagelijks tussen 8 uur en 18 uur begrepen verblijf van ten minste 6 uren dat inzonderheid het middagmaal en de periodes van noodzakelijke rust omvat; b) de uitvoering van de passende verstrekkingen op het gebied van de revalidatie van de gehandicapte personen tot dewelke het centrum of de dienst zich richt, inzonderheid de kinesitherapie, de psychomotorische revalidatie en de logopedie; het aantal activiteitsdagen voor het centrum of de dienst moet ten minste gelijk zijn aan het voor het Staats- en gesubsidieerd onderwijs vastgesteld aantal onderwijsdagen; 7° voldoen aan de bij artikel 832, 6° en 7°, voorziene voorwaarden; voor de toepassing van de bij artikel 832, 7°, b) en c) bedoelde voorwaarden, is de inrichting inzonderheid gehouden : a) zich de medewerking te verzekeren van geneesheren erkend als specialist voor de volgende takken : kindergeneeskunde, neurologie of neuro-psychiatrie, fysiotherapie, otorhinolaryngologie, ophtalmologie en stomatologie;b) te beschikken over kinesisten, ergotherapeuten, logopedisten, opvoeders en kinderverzorgsters die hun activiteit full-time uitoefenen ten belope van ten minste : 1 kinesist voor 12 gehandicapte personen, 1 ergotherapeut voor 15 gehandicapte personen, 1 logopedist voor 30 gehandicapte personen, 1 opvoeder voor 20 gehandicapte personen en 1 kinderverzorgster voor 10 gehandicapte personen;8° aan de in artikel 832, 8°, 9° en 10°, bedoelde erkenningsvoorwaarden voldoen;9° aan de in artikel 832, 11°, bedoelde erkenningsvoorwaarden voldoen wat betreft : a) de levering, de aanpassing en het onderhoud van prothesen en orthopedische apparaten;b) de inrichting van een bijzonder onderwijs dat beantwoordt aan de door de Minister van Nationale Opvoeding en Cultuur vastgestelde normen;10° beantwoorden aan de normen voor de algemene hygiëne der gebouwen, van toepassing op al de verplegingsinrichtingen die voorkomen in de bijlage van het koninklijk besluit van 23 oktober 1964Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/07/1975 pub. 30/06/2010 numac 2010000387 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten7 tot bepaling van de normen die door de ziekenhuizen en hun diensten moeten worden nageleeft, met uitzondering evenwel van de voorschriften betreffende de afronding der verbindingen tussen wand en vloer en deze betreffende de noodverlichting;11° zich onthouden van alle publiciteit, klantenjagerij of opzichtige reclame, met in 't algemeen door de code van de geneeskundige plichtenleer afgekeurde middelen;12° slechts op gemotiveerd advies van de geneesheer-directeur van het centrum of de dienst de kinderen en de adolescenten die lijden aan neurologische aandoeningen van lange duur en aan myopathie tot de behandeling toelaten. Afdeling 3 - Centra voor functionele revalidatie voor gehandicapte

personen met gehoor- en spraakstoornissen

Art. 834.Kunnen voorlopig erkend worden als centrum of dienst voor polyvalente revalidatie van spraak- en gehoorgestoorden, de centra of diensten die voldoen aan de hierna opgesomde voorwaarden : 1° zich wijden aan de behandeling en aan de geneeskundige revalidatie van de volgende vier groepen van spraak- en gehoorgestoorden : a) groep van gehandicapte personen getroffen door articulatiestoornissen en van gehandicapte personen getroffen door stoornissen in het spreekritme;b) groep van gehandicapte personen getroffen door stemstoornissen;c) groep van gehandicapte personen getroffen door neuropsychiatrische spraakstoornissen;d) groep van gehandicapte personen getroffen door gehoorstoornissen (hypoacousie en doofheid);2° voldoen aan de bij artikel 832, 1°, voorziene voorwaarde;3° voldoen aan de bij artikel 832, 2° voorziene voorwaarde;voor de toepassing van het tweede lid van deze bepaling wordt in aanmerking genomen, de geneesheer die erkend is als geneesheer-specialist voor otorhinolaryngologie en die inzake audiofonologie van een bijzondere bekwaamheid, welke door het beheerscomité van "AWIPH" wordt erkend, doet blijken; 4° voldoen aan de bij artikel 832, 4° en 5°, voorziene voorwaarden; voor de toepassing van de bij artikel 832, 5°, d), voorziene bepaling moet het centrum of de dienst inzonderheid voorzien in : a) de diagnose en de gewone en grondige onderzoekingen die noodzakelijk zijn voor het toezicht op de evolutie van de gevallen en voor de controle op de gepastheid van de vastgestelde revalidatiebehandelingen;b) de fonatoire behandeling, opvoeding en wederopvoeding;c) de acoupedie;d) de zintuiglijke opvoeding en wederopvoeding;e) de psychomotorische opvoeding en wederopvoeding;f) de controle op de gebruikte technische apparatuur;5° ergotherapeutische activiteiten inrichten die inzonderheid oefeningen van aanpassing aan de gewone noodwendigheden van het dagelijks leven omvatten;6° voldoen aan de bij artikel 832, 6°, b, en 7° tot 11°, voorziene voorwaarden;voor de toepassing van de bij artikel 832, 7°, b) en c) voorziene bepalingen, moet het centrum of de dienst inzonderheid : a) zich de medewerking verzekeren van geneesheren erkend als geneesheer-specialist voor neuropsychiatrie en voor kindergeneeskunde;b) beschikken over : logopedisten, full-time, half-time of part-time tewerkgesteld, in een dusdanig aantal dat zij, rekening gehouden met het aantal gehandicapte personen dat dagelijks in het centrum of de dienst in revalidatie is, dagelijkse prestaties verzekeren in de verhouding van ten minste één full-time tewerkgesteld logopedist voor acht gehandicapte personen; bijkomende paramedische hulpkrachten, logopedisten of andere, full-time, half-time of part-time tewerkgesteld, in een dusdanig aantal dat zij, rekening gehouden met het aantal gehandicapte personen dat dagelijks in het centrum of de dienst in revalidatie is, dagelijkse prestaties verzekeren in de verhouding van ten minste één full-time tewerkgestelde bijkomende paramedische hulpkracht voor zestien gehandicapte personen.

Art. 835.Kunnen erkend worden als centrum of dienst voor revalidatie voor één of meerdere groepen van spraak- en gehoorgestoorden, de centra of diensten die voldoen aan de hierna opgesomde voorwaarden : 1° zich wijden aan de behandeling en aan de geneeskundige revalidatie van één of meerdere van de vier onder artikel 834, 1°, opgesomde groepen van spraak- en gehoorgestoorden;2° niet een medisch-pedagogische inrichting, een observatie- en klasseringscentrum voor onaangepaste kinderen of een inrichting voor behandeling van cerebraalverlamden zijn, erkend door de minister bevoegd voor Volksgezondheid;3° voldoen aan de bij artikel 832, 2°, voorziene voorwaarde;wordt voor de toepassing van het tweede lid van deze bepaling in aanmerking genomen de geneesheer die erkend is als geneesheer-specialist voor neuropsychiatrie, voor otorhinolaryngologie of voor kindergeneeskunde en die inzake audiofonologie van een bijzondere bekwaamheid, welke door het beheerscomité van "AWIPH" wordt erkend, doet blijken; 4° voldoen aan de bij artikel 832, 3°, 4° en 5°, b), c) en d) voorziene voorwaarden;voor de toepassing van de bij artikel 832, 5°, d) voorziene bepaling moet, rekening gehouden met de groep van spraak- en gehoorsgestoorden tot dewelke zij zich richten, het centrum of de dienst : a) zelf voorzien in : de gewone onderzoekingen die noodzakelijk zijn voor het toezicht op de evolutie van de gevallen en voor de controle op de adequaatheid van de vastgestelde revalidatiebehandelingen; de fonatoire behandeling, opvoeding en wederopvoeding; de acoupedie; de zintuiglijke opvoeding en wederopvoeding; de psychomotorische opvoeding en wederopvoeding; de controle op de gebruikte technische apparatuur; b) hetzij zelf, hetzij krachtens een overeenkomst met een centrum of een dienst voor polyvalente revalidatie van spraak- en gehoorgestoorden, erkend op basis van de voorwaarden opgesomd onder § 834, voorzien in de diagnose en de grondige onderzoekingen die noodzakelijk zijn voor het toezicht op de evolutie van de gevallen en voor de controle op de adequaatheid van de vastgestelde revalidatiebehandelingen;5° ergotherapeutische activiteiten inrichten die inzonderheid oefeningen van aanpassing aan de gewone noodwendigheden van het dagelijks leven omvatten;6° voldoen aan de bij artikel 832, 6°, 7° en 11°, b), c) en d) voorziene voorwaarden;voor de toepassing van de bij artikel 832, 7°, d) voorziene bepaling moet, rekening gehouden met de groep van spraak- en gehoorsgestoorden tot dewelke zij zich richten, het centrum of de dienst : a) zich de medewerking verzekeren van geneesheren erkend als geneesheer-specialist voor neuropsychiatrie en voor kindergeneeskunde;b) beschikken over paramedische hulpkrachten, waarvan de helft logopedisten, die voltijds of deeltijds tewerkgesteld zijn in een dusdanig aantal dat zij, rekening houdend met het aantal personen met een handicap dat dagelijks in het centrum of in de dienst in revalidatie is, dagelijks prestaties leveren in de verhouding van ten minste één voltijds tewerkgestelde paramedicus voor zes personen met een handicap;7° beantwoorden aan de normen voor de algemene hygiëne der gebouwen, van toepassing op al de verplegingsinrichtingen die voorkomen in de bijlage van het koninklijk besluit van 23 oktober 1964Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/07/1975 pub. 30/06/2010 numac 2010000387 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten7 tot bepaling van de normen die door de ziekenhuizen en hun diensten moeten worden nageleeft, met uitzondering evenwel van de voorschriften betreffende de afronding der verbindingen tussen wand en vloer en deze betreffende de noodverlichting;8° zich onthouden van alle publiciteit, klantenjagerij of opzichtige reclame, met in 't algemeen door de code van de geneeskundige plichtenleer afgekeurde middelen. Afdeling 4 - Centra voor functionele heraanpassing voor gehandicapte

personen met een psychische stoornis Onderafdeling 1 - Algemene bepalingen

Art. 836.De centra of diensten die voldoen aan de voorwaarden van deze afdeling kunnen eveneens voorlopig erkend worden als centrum of dienst voor revalidatie van gehandicapte personen met een psychische stoornis.

Art. 837.Met het oog op hun voorlopige erkenning, worden de centra of diensten voor revalidatie van van gehandicapte personen met een psychische stoornis ingedeeld in zeven categorieën : 1° Categorie I : Centra of diensten ingericht volgens de ziekenhuisnormen die van toepassing zijn op de diensten voor neuro-psychiatrie voor observatie en behandeling of op de diensten neuro-psychiatrie voor behandeling;2° Categorie II : Centra of diensten ingericht volgens de ziekenhuisnormen die van toepassing zijn op de diensten neuro-psychiatrie voor kinderen;3° Categorie III : Centra of diensten ingericht volgens de ziekenhuisnormen die van toepassing zijn op de gestichten bedoeld bij de wetten op de regeling voor de krankzinnigen;4° Categorie IV : Centra of diensten die noch in de ziekenhuisverpleging noch in de huisvesting voorzien en die zich wijden aan de functionele revalidatie en aan de professionele integratie van adolescenten en volwassenen met een psychische stoornis;5° Categorie V : Centra of diensten die noch in de ziekenhuisverpleging noch in de huisvesting voorzien en die zich wijden aan de functionele revalidatie en aan de professionele integratie van adolescenten en volwassenen met een psychische stoornis;6° Categorie VI : Centra of diensten die noch in de ziekenhuisverpleging noch in de huisvesting voorzien en die zich wijden aan de functionele revalidatie : a) hetzij van gehandicapte personen met een psychische stoornis, getroffen door ernstige mentale achterlijkheid;b) hetzij van gehandicapte personen met een psychische stoornis getroffen door mentale achterlijkheid die gepaard gaat met andere gebrekkigheden, waarvan de toestand elk schoolbezoek voorlopig uitsluit;7° Categorie VII : Centra of diensten die noch in de ziekenhuisverpleging noch in de huisvesting voorzien en die zich wijden aan de functionele revalidatie en aan de professionele integratie van adolescenten en volwassenen met een psychische stoornis. Onderafdeling 2 - Algemene toekenningsvoorwaarden

Art. 838.Om erkend te worden, moeten de centra of diensten voor functionele heraanpassing : 1° een geneeskundige eenheid vormen speciaal aangepast aan de nagestreefde doeleinden en onder de effectieve geneeskundige leiding staan van een geneesheer erkend als specialist in de revalidatie, bij wie de verantwoordelijkheid berust om de volledige uitvoering van een doorlopend en individueel aangepast revalidatieproces te coördineren of zelf te verzekeren. Tot op het ogenblik dat de Minister van Volksgezondheid zal overgegaan zijn tot de erkenning van de geneesheren-specialisten in de revalidatie, overeenkomstig de bepalingen van artikel 53, tweede lid, van het koninklijk besluit van 5 juli 1963 betreffende de sociale reclassering van de minder-validen, moet de effectieve geneeskundige leiding van het centrum of de dienst toevertrouwd worden aan een geneesheer erkend als specialist in de geneeskundige tak waartoe het centrum of de dienst behoort; 2° een technische, administratieve en budgettaire autonomie genieten, die hen in staat stelt hun opdracht te vervullen;wanneer de inrichtende macht van het centrum of van de dienst opgericht is onder de vorm van een rechtspersoon van privaat recht, mag het beheersorgaan geen aantal personen bevatten behorend tot dezelfde familie, echtgenoten en bloed- of aanverwanten tot de tweede graad inbegrepen, dat hoger is voor elke familie, dan éé derde van het totale aantal leden waaruit dit beheersorgaan is samengesteld; 3° het lichamelijk en of psychisch herstel van de gehandicapte personen nastreven met het oog op een bevredigende herintegratie in het beroepsleven;a) ingericht zijn om een revalidatieproces mogelijk te maken dat progressief is en dagelijks aldus wordt ingedeeld dat de vermogens van de gehandicapte persoon volledig worden aangewend ten einde zo spoedig mogelijk de duur van een arbeidsdag te bereiken;b) zich ertoe verbinden voor de gehandicapte persoon een dynamische sfeer in stand te houden ten einde hem ertoe te brengen effectief met het team van revalidatietechnici mede te werken aan het opmaken en aan de uitvoering van het voor hem bestemde proces;c) de opleiding van hun personeel aanvullen door opleidingscursussen en regelmatige vergaderingen;4° voorzien in de uitvoering van de aangegeven prestaties alsmede in het op punt stellen van de aangepaste technieken, gelet op de aandoeningen waarvan het centrum of de dienst de revalidatiebehandeling verzekert;5° de psychotherapie, alsmede in alle psychologische onderzoekingen om het psychisch leven van de gehandicapte personen te verbeteren en aldus te zorgen voor zijn psychologisch herstel;6° de gespecialiseerde voorlichting bij beroepskeuze en te dien einde beschikken over een centrum of dienst voor gespecialiseerde voorlichting bij beroepskeuze bedoeld bij in artikel 283, tweede lid, 3°, van het decreetgevend deel van het Wetboek, of bij overeenkomst beschikken over de medewerking van een dergelijk centrum of dergelijke dienst;7° een dienst ergotherapie bevatten;8° een dienst voor sociale bijstand bevatten die niet alleen voorziet in de eigenlijke sociale bijstand, maar ook in het contact tussen de gehandicapte persoon en de diensten voor arbeidsbemiddeling of eventueel de personen of instellingen die gemachtigd zijn om hetzij het proces van schoolopleiding, hetzij het beroepsopleidings-, herscholings- of omscholingsproces van de gehandicapte persoon te realiseren;9° beschikken over een algemene klinische dienst om toezicht uit te oefenen over de algemene gezondheidstoestand van de gehandicapte persoon en om de eventuele aangegeven therapie toe te passen;10° over de diensten beschikken van erkende geneesheren-specialisten en van paramedische hulpkrachten die, gelet op de categorie of categorieën gehandicapte personen waartoe het centrum of de dienst zich richt, flink geschoold zijn op het gebied van de revalidatie en die in voldoende aantal zijn om in de individuele behandeling van de gehandicapte personen te voorzien.

Art. 839.De centra of diensten die de voorwaarden van artikel 838, 2°, 3°, c) en 6° niet vervullen, worden erkend op voorwaarde dat ze eraan voldoen binnen een termijn vastgelegd door het beheerscomité.

Onderafdeling 3 - Specifieke toekenningsvoorwaarden

Art. 840.Voor de toepassing van artikel 838, 1°, tweede lid, worden in aanmerking genomen : 1° wat de centra of diensten van de categorieën I, III en IV betreft : de geneesheren erkend als specialist in neuro-psychiatrie;2° wat de centra of diensten van de categorieën II, V, VI en VII betreft : de geneesheren erkend als specialist in kindergeneeskunde of als specialist in neuro-psychiatrie, voor zover deze geneesheren een bijzondere door het beheerscomité van "AWIPH" erkende bekwaamheid bewijzen inzake revalidatie van de mentale achterlijkheid voor de categorieën II, V en VI, en inzake kinderpsychiatrische revalidatie voor de centra of diensten van de categorie VII.

Art. 841.Voor de toepassing van artikel 838, 2°, zijn de centra of diensten er inzonderheid toe gehouden om "AWIPH" jaarlijks een verslag te laten geworden dat de controle van hun activiteit toelaat.

Art. 842.Voor de toepassing van artikel 838, 3°, a), moeten de centra of diensten van de categorie IV in de uitvoering van het doorlopend en individueel aangepast revalidatieproces voorzien, naar rata van daggedeelten van ten minste drie uren, gelegen in de morgen, de namiddag of de avond.

Deze centra of diensten moeten daarenboven : 1° gedurende gans het jaar, de werkdagen althans, zonder onderbreking geopend zijn, naar rata van ten minste vier uren per dag;2° een lid van het team aanduiden dat ermee belast wordt om, in geval van nood, bij dag en nacht, voor de verbinding in te staan tussen het centrum of de dienst en de gehandicapte persoon, de leden van zijn familie of elke andere persoon of instelling.

Art. 843.Voor de toepassing van artikel 838, 4°, moeten de hiernabedoelde centra of diensten inzonderheid : 1° wat de centra of diensten van de categorieën I en III betreft : voorzien in de kinesitherapie (heilgymnastiek en ontspanning), de hydrotherapie, de algemene pedagogische vorming, de sport, de rust, de spelen en de logopedie;wat de centra of diensten van de categorie I betreft die ingericht zijn volgens de ziekenhuisnormen die van toepassing zijn op de psychiatrische diensten voor nachtverpleging _ index Q, zijn de hydrotherapie, de algemene pedagogische vorming en de poelietherapie evenwel facultatief; 2° Wat de centra of diensten van de categorieën II, V, VI en VII betreft : a) de diagnose alsmede de prognose stellen of de juistheid ervan nagaan, de aangegeven geneeskundige behandeling vaststellen en de minder-valide of zijn ouders alle nuttige raadgevingen, richtlijnen en inlichtingen verschaffen;b) de medisch-psychologische voogdij uitoefenen, in voorkomend geval toezicht houden op de tewerkstelling en alle voor de sociale integratie van de gehandicapte persoon noodzakelijke maatregelen nemen of doen nemen;c) voorzien in de logopedie, de psycho-motorische wederopvoeding en, zo nodig, in andere wederopvoedingstechnieken, zoals de orthopedagogie en de orthoptie;d) zelf beschikken over consultatiematerieel, alsmede over materieel voor psychologische tests;e) hetzij zelf, hetzij bij overeenkomst, voorzien in de electroëncefalografie, de biochemie en inzonderheid deze der metabolische stoornissen, de caryotype, de radiologie alsmede in alle andere noodzakelijke onderzoekingsmiddelen;3° Wat de centra of diensten van de categorie IV betreft : a) de diagnose alsmede de prognose stellen of de juistheid ervan nagaan;b) de grenzen van de fysische geschiktheid bepalen op basis van de klinische gegevens, de prognose en de resultaten van de psychologische tests;c) de mogelijkheden van de patiënt confronteren met de behoeften van de arbeid, inzonderheid gelet op : - de psychologische geschiktheid; - de sociaal-economische problemen; - de problemen inzake arbeidsveiligheid en -hygiëne; d) de reclassering van de gehandicapte persoon verzekeren hetzij in zijn vroegere, hetzij in een nieuwe arbeidspost, eventueel na een functionele en psychologische behandeling of na een oriëntering naar een beroepsopleiding, -omscholing of -herscholing;e) met het oog op een bevredigende professionele inschakeling of wederinschakeling, de gehandicapte persoon alle nuttig geachte aanduidingen en raadgevingen geven en met de behandelende geneesheer van de gehandicapte persoon, de arbeidsgeneeskundige diensten en alle andere personen of instellingen die daadwerkelijk de revalidatie beoefenen, alle nuttige betrekkingen en alle wenselijke contacten onderhouden;f) het medisch toezicht op het geval verzekeren, eventueel met de medewerking van de arbeidsgeneeskundige diensten.

Art. 844.Voor de toepassing van artikel 838, 5°, moeten de hiernabedoelde centra of diensten inzonderheid : 1° Wat de centra of diensten van de categorieën II, V, VI en VII betreft : overgaan tot alle psychologische onderzoekingen en schattingen die noodzakelijk zijn om de pedagogische opvolging van de gehandicapte personen te verzekeren;2° Wat de centra of diensten van de categorie IV betreft : voorzien in de sociotherapie en in de psychotherapeutische groepsactiviteiten.

Art. 845.Voor de toepassing van artikel 838, 7°, moeten de centra of diensten van de categorieën I en III terzelfder tijd voorzien in een preprofessionele en in een creatieve ergotherapie.

Art. 846.Voor de toepassing van artikel 838, 10°, moeten de hiernabedoelde centra of diensten inzonderheid : 1° Wat de centra of diensten van de categorieën I, III en IV betreft : a) de diensten van geneesheren erkend als specialist, inzonderheid in de neuro-psychiatrie;b) de diensten van psychologen die houder zijn van een diploma van universitair niveau of van assistent-psychologen die houder zijn van een diploma A1;c) de diensten van maatschappelijke assistenten of van gegradueerde sociale verple(e)g(st)ers;d) de diensten van paramedische hulpkrachten : kinesisten, logopedisten, opvoeders die houder zijn van een diploma A1, ergotherapeuten of preprofessionele monitors, naargelang van het geval, artisten of animators, full-time, half-time of part-time tewerkgesteld in een dusdanig aantal dat zij, rekening gehouden met het aantal gehandicapte personen dat dagelijks in het centrum of in de dienst in revalidatie is, dagelijks prestaties verzekeren in verhouding van ten minste één full-time tewerkgestelde paramedische hulpkracht voor ten hoogste 5 gehandicapte personen;2° Wat de centra of diensten van de categorieën II, V, VI en VII betreft : a) de diensten van ten minste een geneesheer erkend als specialist in kindergeneeskunde en een geneesheer erkend als specialist in neuro-psychiatrie, die zowel de ene als de andere bijzondere bekwaamheden bewijzen inzake mentale achterlijkheid voor de centra of diensten van de categorieën II, V en VI en inzake kinderpsychiatrie voor de centra of diensten van de categorie VII;b) de medewerking van geneesheren erkend als specialist in klinische biologie, in ophtalmologie, in otorhinolaryngologie en in orthopedie alsmede van geneesheren erkend als specialist in neuro-psychiatrie en in inwendige geneeskunde, die een bijzondere ervaring hebben respectief op het gebied van de neurologie en de endocrinologie;deze geneesheren moeten, wat de centra of diensten van de categorieën II en V betreft, deelnemen aan de werkzaamheden van het revalidatieteam; c) de diensten van psychologen die houder zijn van een diploma van universitair niveau of van assistent-psychologen die houder zijn van een diploma A1;d) de diensten van maatschappelijke assistenten of van gegradueerde sociale verple(e)g(st)ers;e) de diensten van paramedische hulpkrachten : kinesisten, ergotherapeuten, logopedisten en opvoeders die houder zijn van een diploma A1, full-time, half-time of part-time tewerkgesteld in een dusdanig aantal dat zij, rekening gehouden met het aantal gehandicapte personen dat dagelijks in het centrum of de dienst in revalidatie is, dagelijks prestaties verzekeren in de verhouding van ten minste een full-time tewerkgestelde paramedische hulpkracht voor ten hoogste 5 gehandicapte personen;f) eventueel, de diensten van orthopedagogen.

Art. 847.De centra of diensten van de categorieën I, II en III moeten : 1° erkend zijn door de minister tot wiens bevoegdheid de volksgezondheid behoort : a) als dienst neuro-psychiatrie voor observatie en behandeling - index A of als dienst neuro-psychiatrie voor behandeling - index T, wat de centra of diensten van categorie I betreft;b) als dienst neuro-psychiatrie voor kinderen - index K, wat de centra of diensten van de categorie II betreft;c) als gesticht bedoeld bij de wetten op de regeling voor de krankzinnigen, wat de centra of diensten van de categorie III betreft, of deel uitmaken van een dergelijke dienst of een dergelijke inrichting;2° voorzien in de ziekenhuisverpleging van de gehandicapte personen.

Art. 848.De centra of diensten van de categorieën IV, V, VI en VII moeten : 1° niet een instituut of instelling zijn welke door de minister tot wiens bevoegdheid de volksgezondheid behoort is erkend in het raam van de reglementeringen betreffende het Speciaal Onderstandsfonds of het Fonds voor medische, sociale en pedagogische zorg voor gehandicapten, noch deel uitmaken van een dergelijk instituut of een dergelijke instelling;2° met een of meerdere ziekenhuisdiensten, een overeenkomst hebben gesloten krachtens dewelke het centrum of de dienst er kan doen voorzien in de ziekenhuisverpleging en in de gespecialiseerde geneeskundige en heelkundige ingrepen die noodzakelijk zouden zijn door de toestand van de gehandicapte personen die het centrum of de dienst bezoeken;3° voldoen : a) aan de normen van de algemene hygiëne der gebouwen, van toepassing op al de verplegingsinrichtingen, met uitzondering evenwel van de voorschriften betreffende de gewone- of ziekenliften, de afronding der verbindingen tussen wand en vloer alsmede van deze betreffende de noodverlichting, wat de centra of diensten van de categorieën V, VI en VII betreft : b) aan de algemene voorwaarden in verband met de architectonische normen van toepassing op de psychiatrische diensten voor nachtverpleging _ index Q, met uitzondering evenwel van de voorschriften betreffende de maximale capaciteit alsmede van deze betreffende de gewone- en ziekenliften, wat de centra of diensten van de categorie IV betreft;4° zich onthouden van alle publiciteit, klantenjagerij of opzichtige reclame, met in 't algemeen door de code van de geneeskundige plichtenleer afgekeurde middelen;5° slechts de psychische gehandicapte personen in revalidatie toelaten en ze er slechts behouden mits gemotiveerde beslissing van de geneesheer-directeur van het centrum of de dienst.

Art. 849.De centra of diensten van de categorie III mogen slechts dat gedeelte van de bevolking van de instelling toelaten dat in het maatschappelijk leven wederingeschakeld kan worden.

Art. 850.De centra of diensten van de categorieën VI en VII moeten zelf voorzien in het verblijf van de gehandicapte personen in half-pension, alsmede in hun dagelijks vervoer heen en terug, tussen het centrum of de dienst en hun verblijfplaats; onder half-pension moet men verstaan een dagelijks tussen 8 uur en 18 uur begrepen verblijf van ten minste zes uren, dat inzonderheid het middagmaal en de periodes van noodzakelijke rust omvat.

Art. 851.De centra of diensten van de categorie VII moeten een bijzonder onderwijs inrichten dat beantwoordt aan de normen vastgesteld door de Minister van Nationale Opvoeding. Afdeling 5 - Centra voor functionele heraanpassing voor gehandicapte

personen met een gezichtsstoornis Onderafdeling 1 - Algemene bepalingen

Art. 852.Als centra of diensten voor revalidatie van visueel gehandicapten kunnen voorlopig erkend worden, de centra of diensten die zich wijden aan de behandeling en de medische revalidatie van personen getroffen door of bedreigd met blindheid of gezichtszwakte in dergelijke mate dat de gezichtsscherpte, na correctie, niet hoger ligt dan 3/10 voor het beste oog, voor zover ze voldoen aan de voorwaarden bepaald bij deze afdeling.

Art. 853.Met het oog op hun voorlopige erkenning, worden de centra of diensten voor revalidatie van gehandicapte personen met een gezichtsstoornis ingedeeld volgens deze dubbele classificatie : 1° in functie van hun organisatie : a) Categorie I : Centra of diensten welke hospitalisatie verlenen;b) Categorie II : Centra of diensten welke geen hospitalisatie verlenen;2° in functie van hun bevolking : a) Categorie A : Centra of diensten voor volwassenen en adolescenten (vanaf min of meer 16 jaar);b) Categorie B : Centra of diensten voor kinderen en jonge adolescenten (tot min of meer 16 jaar) die niet getroffen zijn door bijkomende stoornissen naast hun visuele handicap;c) Categorie C : Centra of diensten voor kinderen en jonge adolescenten (tot min of meer 16 jaar) die getroffen zijn door bijkomende stoornissen naast hun visuele handicap. Onderafdeling 2 - Algemene toekenningsvoorwaarden

Art. 854.Om voorlopig erkend te worden, moeten de centra of diensten voor revalidatie voor visueel gehandicapten : 1° een geneeskundige eenheid vormen speciaal aangepast aan de nagestreefde doeleinden en onder de effectieve geneeskundige leiding staan van een geneesheer erkend als specialist in de revalidatie, bij wie de verantwoordelijkheid berust om de volledige uitvoering van een doorlopend en individueel aangepast revalidatieproces te coördineren of zelf te verzekeren. Tot op het ogenblik dat de Minister van Volksgezondheid zal overgegaan zijn tot de erkenning van geneesheren-specialisten in de revalidatie overeenkomstig de bepalingen van artikel 53, tweede lid, van het koninklijk besluit van 5 juli 1963 betreffende de sociale reclassering van de minder-validen, moet de effectieve geneeskundige leiding van het centrum of de dienst toevertrouwd worden aan een geneesheer erkend als specialist in de ophtalmologie; 2° een technische, administratieve en budgettaire autonomie genieten, die hen in staat stelt hun opdracht te vervullen;voor het toepassen van deze bepaling zijn de centra of diensten er namelijk toe gehouden aan "AWIPH" een jaarverslag over te maken, dat toelaat hun activiteit te controleren; wanneer de inrichtende macht van het centrum of van de dienst opgericht is onder de vorm van een rechtspersoon van privaat recht, mag het beheersorgaan geen aantal personen bevatten behorend tot dezelfde familie, echtgenoten en bloed- of aanverwanten tot de tweede graad inbegrepen, dat hoger is voor elke familie, dan éé derde van het totale aantal leden waaruit dit beheersorgaan is samengesteld; 3° het lichamelijk en of psychisch herstel van de gehandicapte personen nastreven met het oog op een bevredigende herintegratie in het beroepsleven en met dit doel : a) de grenzen van de fysische geschiktheid bepalen op basis van de klinische gegevens, de prognose en de resultaten van de geschiktheidstests;b) voor zover dit mogelijk is, de verloren vermogens kunnen herstellen door de ontwikkeling van andere sensorische waarnemingsmiddelen;c) de vermogens die niet kunnen hersteld worden, kunnen vervangen door andere technieken;d) ingericht zijn om een revalidatieproces mogelijk te maken dat progressief is en dagelijks aldus wordt ingedeeld dat de vermogens van de gehandicapte persoon volledig worden aangewend ten einde zo spoedig mogelijk de duur van een arbeidsdag te bereiken;e) voor de gehandicapte persoon een dynamische sfeer in stand te houden ten einde hem ertoe te brengen effectief met het team van revalidatietechnici mede te werken aan het opmaken en aan de uitvoering van het voor hem bestemde proces;f) de opleiding van hun personeel aanvullen door opleidingscursussen en regelmatige vergaderingen; 4° voorzien in de uitvoering van de aangegeven prestaties alsmede in het op punt stellen van de aangepaste technieken, en namelijk beschikken over de uitrusting voor : a) functionele schatting : gezichtsscherpte, mobiliteit van de ogen, kleurzin, nachtzin, mono- en binoculair zicht, gezichtsveld, enz.; b) voorschrift, aanpassing en toezicht van de behandelingen inzake revalidatie;c) de motorische en sensoriële wederopvoeding van het monoculair en binoculair zicht;d) de sociale wederaanpassing aan de omgang en het dagelijks leven;e) levering, aanpassing en onderhoud van de prothesen : hulpmiddelen voor de revalidatie, visuele hulpmiddelen, hulpmiddelen bij het lezen door transpositie;5° de psychotherapie, alsmede in alle psychologische onderzoekingen om het psychisch leven van de gehandicapte personen te verbeteren en aldus te zorgen voor zijn psychologisch herstel;6° de gespecialiseerde voorlichting bij beroepskeuze en te dien einde beschikken over een centrum of dienst voor gespecialiseerde voorlichting bij beroepskeuze bedoeld bij in artikel 283, tweede lid, 3°, van het decreetgevend deel van het Wetboek, of bij overeenkomst beschikken over de medewerking van een dergelijk centrum of dergelijke dienst;7° een gespecialiseerde dienst ergotherapie bevatten;8° een dienst voor sociale bijstand bevatten die niet alleen voorziet in de eigenlijke sociale bijstand, maar ook in het contact tussen de gehandicapte persoon en de diensten voor arbeidsbemiddeling of eventueel de personen of instellingen die gemachtigd zijn om hetzij het proces van schoolopleiding, hetzij het beroepsopleidings-, herscholings- of omscholingsproces van de gehandicapte persoon te realiseren;9° beschikken over een algemene klinische dienst om toezicht uit te oefenen over de algemene gezondheidstoestand van de gehandicapte persoon en om de eventuele aangegeven therapie toe te passen;10° beschikken over : a) de medewerking van geneesheren erkend als geneesheer-specialist voor neurologie en neuropsychiatrie;b) over de diensten van een psycholoog en van een sociaal assistent;c) de diensten van paramedische hulpkrachten : kinesisten, ergotherapeuten, monitors, orthoptisten, full-time, half-time of part-time tewerkgesteld, in een dusdanig aantal dat zij, rekening gehouden met het aantal gehandicapte personen dat dagelijks in het centrum of de dienst in revalidatie is, dagelijkse prestaties verzekeren in de verhouding van ten minste één full-time tewerkgestelde parameidsche hulpkracht voor hoogstens vijf gehandicapte personen;11° aan de gehandicapte persoon alle nuttig geachte aanwijzingen en raadgevingen verstrekken met het oog op een bevredigende professionele inschakeling of wederinschakeling en met de behandelende geneesheer van de minder-valide, de arbeidsgeneeskundige diensten en alle andere personen of instellingen die daadwerkelijk de revalidatie beoefenen, alle nuttige betrekkingen en alle wenselijke contacten onderhouden.

Art. 855.De centra of diensten die de voorwaarden van artikel 854, 2°, 3°, f) en 6° niet vervullen, worden erkend op voorwaarde dat ze eraan voldoen binnen een termijn vastgelegd door het beheerscomité.

Onderafdeling 3 - Specifieke toekenningsvoorwaarden A. : In functie van de bevolking van het centrum

Art. 856.De centra of diensten voor revalidatie van categorie A moeten : 1° de mogelijkheden van de gehandicapte persoon confronteren met de behoeften van de arbeid, inzonderheid gelet op zijn lichamelijke en psychologische geschiktheid, op de sociaal-economische problemen, op de problemen inzake arbeidsveiligheid en -hygiëne, op de vereisten van de arbeidsposten;2° de reclassering van de gehandicapte persoon verzekeren hetzij in zijn vroegere, hetzij in een nieuwe arbeidspost, eventueel na een functionele en psychologische behandeling of na een oriëntering naar een beroepsopleiding, -omscholing of -herscholing;3° beschikken over de nodige uitrusting om de preprofessionele ergotherapie op aangepaste arbeidsposten te verzekeren, met het oog op de wederaanpassing aan de arbeid en aan het rendement;4° de revalidatie organiseren onder vorm van full-time stages met een minimumduur van 3 maanden;5° het medisch toezicht op de gehandicapte persoon verzekeren, eventueel met de medewerking van de arbeidsgeneeskundige diensten.

Art. 857.De centra of diensten voor revalidatie van de categorieën B en C moeten een doeltreffende verbinding verzekeren met het gewoon of buitengewoon onderwijs dat beantwoordt aan de normen vastgesteld door het Ministerie van Nationale Opvoeding.

De centra of diensten van de categorie C moeten daarenboven beschikken over de medewerking van geneesheren erkend als specialist in de kindergeneeskunde, orthopedie, oto-rhinolaryngologie en stomatologie.

B. : In functie van de organisatie van het centrum of van de dienst

Art. 858.De centra of diensten van categorie I moeten : 1° erkend zijn door de minister tot wiens bevoegdheid de volksgezondheid behoort in toepassing van de wet op de ziekenhuizen;2° de symptomatologische of etiologische diagnose stellen van de functionele afwijkingen en letsels, of de juistheid ervan nagaan, en hiervoor over de nodige uitrusting beschikken;3° de prognose vaststellen of de juistheid ervan nagaan.

Art. 859.De centra of diensten van categorie II moeten : 1° niet een instituut of instelling zijn welke door de minister tot wiens bevoegdheid de volksgezondheid behoort is erkend in het raam van de reglementeringen betreffende het Speciaal Onderstandsfonds of het Fonds voor medische, sociale en pedagogische zorg voor gehandicapten, noch deel uitmaken van een dergelijk instituut of een dergelijke instelling;2° een overeenkomst hebben met één of meerdere centra of diensten voor revalidatie van visueel gehandicapten van categorie I, ten einde er de door de toestand van de gehandicapte persoon genoodzaakte hospitalisatie en gespecialiseerde geneeskundige en heelkundige ingrepen te kunnen verzekeren en in het bijzonder de prestaties, bedoeld bij artikel 858, 2° en 3° ;wat het sluiten van deze overeenkomst met een erkend centrum of een erkende dienst voor revalidatie betreft kan de raad van beheer een afwijking toestaan wanneer hij oordeelt dat het sluiten van een dergelijke overeenkomst werkelijke moeilijkheden of bezwaren met zich brengt; in dat geval beoordeelt het beheerscomité de bevoegdheid van de gewone verplegingsdiensten waarmede de overeenkomst wordt gesloten; 3° beantwoorden aan de normen van de algemene hygiëne der gebouwen, van toepassing op al de verplegingsinrichtingen, met uitzondering evenwel van de voorschriften betreffende de gewone of ziekenliften, de afronding der verbindingen tussen wand en vloer alsmede van deze betreffende de noodverlichting;4° zich onthouden van alle publiciteit, klantenjagerij of opzichtige reclame, met in 't algemeen door de code van de geneeskundige plichtenleer afgekeurde middelen;5° slechts op advies van de geneesheer-directeur van het centrum of de dienst de visueel gehandicapten in revalidatie toelaten en er hun behouden. Afdeling 6 - Centra voor functionele revalidatie van hartlijders

Onderafdeling 1 - Algemene bepalingen

Art. 860.De centra of diensten die voldoen aan de voorwaarden van deze afdeling kunnen eveneens voorlopig erkend worden als centrum of dienst voor de functionele revalidatie van hartlijders.

Art. 861.Met het oog op hun erkenning, worden de centra of diensten voor de functionele revalidatie van hartlijders ingedeeld in twee categorieën : 1° Categorie I : Ziekenhuiseenheden of -diensten die zich wijden aan de behandeling en aan de revalidatie van hartlijders tijdens de acute ziekenhuisfaze;2° Categorie II : Specifieke centra voor revalidatie van hartlijders, die zich wijden aan de behandeling en aan de revalidatie van hartlijders tijdens de faze van de nazorg of de herstelperiode. Onderafdeling 2 - Algemene erkenningsvoorwaarden

Art. 862.Om voorlopig erkend te worden, moeten de centra of diensten voor revalidatie van hartlijders : 1° een geneeskundige eenheid vormen speciaal aangepast aan het nagestreefde doel en onder de effectieve geneeskundige leiding geplaatst van een geneesheer, erkend als specialist in de cardiologie en de revalidatie, bij wie de verantwoordelijkheid berust om de volledige uitvoering van een doorlopend en individueel aangepast revalidatieproces te coördineren of zelf te verzekeren;2° een technische, administratieve en budgettaire autonomie genieten, die hen in staat stelt hun opdracht te vervullen. De toepassing van deze bepaling moet "AWIPH" inzonderheid in staat stellen de activiteit te controleren, op basis van het jaarlijks activiteitsverslag dat de geneesheer die de daadwerkelijke geneeskundige leiding op zich neemt aan "AWIPH" toezendt, en de aanwending van de door "AWIPH" toegekende toelagen te onderzoeken; 3° het lichamelijk en of psychisch herstel van de gehandicapte personen nastreven met het oog op een bevredigende herintegratie in het beroepsleven met als doel : a) zich ervan vergewissen dat de geneeskundige diagnose duidelijk werd gesteld en, indien nodig, ze door een cardiologische dienst laten bevestigen;b) de lichamelijke geschiktheid bepalen evenals haar beperkingen op grond van de klinische gegevens en vooral uitgaande van de test voor functionele schatting;aan de hand van deze gegevens het revalidatieprogramma opstellen evenals de prognose der maximale recuperatie; c) de verbintenis aangaan om nauw contact te leggen met het overeenstemmende centrum van de andere categorie, met de behandelende geneesheer en de cardioloog van de patiënt, met het Centrum voor Arbeidsgeneeskunde en de geneesheren van de verzekeringsorganismen waar de patiënt bij aangesloten is, met "AWIPH" voor sociale reclassering van de gehandicapte personen;d) een regelmatige en progressieve lichamelijke hertraining verzekeren door een kinesitherapeut en eventueel, een ergotherapeut, die een bijzondere opleiding kreeg in de hartrevalidatie;de kinesitherapie dient te geschieden in aanwezigheid van een cardioloog behorend tot het centrum of de eenheid, en met materieel voor hoogdringende revalidatie te zijner beschikking; e) op het gepaste ogenblik de lichamelijke en psychologische geschiktheid van de patiënt met de arbeidsbehoeften confronteren, inzonderheid gelet op : - de energetische vereisten van de arbeidspost; - de psychologische vereisten van de arbeidspost; - de sociaal-economische problemen; - veiligheidsproblemen.

Deze confrontatie zal echter worden verwezenlijkt langs een overeenkomst met de diensten voor Arbeidsgeneeskunde, samengesteld uit arbeidsgeneesheren en cardiologen die in het bedrijf zijn geïntegreerd en in staat zijn beter de factoren te onderkennen die een arbeidspost kunnen bepalen; f) de reclassering van de patiënt verzekeren, hetzij in zijn vroegere, hetzij in een nieuwe arbeidspost, na een functionele en psychologische voorbereiding of na een oriëntering naar een beroepsopleiding, omscholing of herscholing;g) aan de minder-valide alle aanwijzingen en raadgevingen verstrekken die nuttig worden geacht met het oog op een voldoende socio-professionele inschakeling of wederinschakeling en, met dit doel, alle nuttige relaties en wenselijke contacten te onderhouden met : - behandelende arts en de cardioloog van de patiënt; - "AWIPH" : - het verzekeringsorganisme - het centrum van de andere categorie; - de arbeidsgeneeskundige diensten; 4° zelf voorzien in : a) de kinesitherapie en eventueel de ergotherapie;met dit doel, over voldoende ruime lokalen beschikken; b) de psychotherapie, alsmede in alle psychologische onderzoekingen om het psychisch leven van de gehandicapte personen te verbeteren en aldus te zorgen voor zijn psychologisch herstel;5° beschikken over een sociale dienst die voorziet in de eigenlijke bijstand;6° de gespecialiseerde voorlichting bij beroepskeuze en te dien einde beschikken over een centrum of dienst voor gespecialiseerde voorlichting bij beroepskeuze bedoeld bij in artikel 283, tweede lid, 3°, van het decreetgevend deel van het Wetboek, of bij overeenkomst beschikken over de medewerking van een dergelijk centrum of dergelijke dienst;7° beschikken over een secretariaat dat in staat is de protocollen van de onderzoekingen te klasseren en de onmisbare briefwisseling te voeren tussen het centrum of de eenheid en de behandelende geneesheer, de cardioloog, de arbeidsgeneesheer of elke andere betrokken instelling of persoon;8° ervoor zorgen dat de gehandicapte persoon onder streng medisch toezicht blijft en dat alle curatieve en preventieve maatregelen worden toegepast;9° beschikken over geneesheren die erkend zijn als geneesheer-specialist in de cardiologie;10° beschikken over hooggeschoolde medische hulpkrachten (kinesitherapeut, verple(e)g(st)er, sociale assistent(e), psycholo(o)g(e), eventueel ergotherapeut(e), gelet op de categorie gehandicapte personen die zij in behandeling nemen;11° de opleiding van hun personeel aanvullen door regelmatige vergaderingen die binnen of buiten het centrum worden gehouden;de contacten tussen de verschillende centra in de hand werken.

Onderafdeling 3 - Specifieke toekenningsvoorwaarden

Art. 863.De centra of diensten van categorie I moeten : 1° deel uitmaken van een ziekenhuisdienst door de Minister tot wiens bevoegdheid de volksgezondheid behoort, erkend voor de diagnose en de geneeskundige behandeling (index D);2° zo spoedig mogelijk de revalidatietechnieken inschakelen;3° in het ravalidatieprogramma en therapie omvatten, zo efficiënt als mogelijk in ziekenhuismilieu, voor de risico-factoren (obesitas - hypertensie - hypercholesterinemie - rookverslaving - diabetes), waarbij ook het psychologisch profiel van de zieke in aanmerking zal worden genomen;4° regelmatig het materieel van de cardiologische ziekenhuisdienst waarmee de eenheid is verbonden, kunnen gebruiken, en inzonderheid : a) het gebruikelijk materieel : electrocardiograaf met meerdere kanalen en voorzien van onderdelen voor het opnemen van de fonomechanogrammen, een toestel voor radioscopie of radiografie, materieel voor de studie van de pulmonaire functie (in rust gebruikelijke spirografie, met bepaling van het residueel volume); b) het materieel voor de functionele cardiopulmonaire onderzoekingen voor het grondig onderzoek van de pulmonaire en de hartfunctie in rust en bij inspanning (ergometrische fiets of roltapijt, E.C.G. of oscilloscoop, toestellen voor het meten van de ventilatie en van het zuurstofverbruik en eventueel van de bloedgassen, defibrillator en materieel voor hoogdringende reanimatie); 5° zelf over kinesitherapie-materieel beschikken (ergometrische fiets, roltapijt, roeitoestel, grondtapijt, sportramen) naar rata van één element per patiënt voor de hertraining;gebeurt de hertraining in groep, dan moet de hertrainingsapparatuur worden vermeerderd, rekening houdend met het aantal zieken, de duur van de zittingen en de gebruiksduur van elk toestel voor een bepaalde zieke; deze apparatuur moet samen gaan met een electrocardiograaf, met een oscilliscoop, met een defibrillator en met het materieel voor hoogdringende reanimatie; 6° regelmatig over de lokalen van de cardiologische ziekenhuisdienst waarmee de eenheid is verbonden, mogen beschikken, hetgeen enerzijds de basisonderzoekingen en anderzijds de functionele onderzoekingen toelaat;7° zelf over de volgende lokalen beschikken : a) lokaal voor het secretariaat en voor het klasseren van archieven;b) lokaal voor de psychologische onderzoekingen met bureau voor de psycholoog;c) lokaal voor de sociale assistent(e);d) turnzaal waarvan de inhoud in kubiekmeter in verhouding moet staan tot het aantal patiënten en tot de aangewende technieken, met bureau voor de kinesist;e) eventueel, een lokaal voor ergotherapie. Het aantal van deze lokalen evenals hun oppervlakte zullen worden aangepast in functie van het aantal zieken in behandeling; 8° door bemiddeling van de ziekenhuisdiensten waaraan de eenheid verbonden is, de gewone biologische analyses en alle andere instrumentale of niet-instrumentale geneeskundige onderzoekingen kunnen uitvoeren.

Art. 864.De centra of diensten van categorie II moeten : 1° deel uitmaken van een ziekenhuisdienst door de Minister tot wiens bevoegdheid de volksgezondheid behoort (index S cardiologie);2° in een kalme, gezonde en voor hun bestemming geschikte plaats gebouwd worden;3° over een perk beschikken waarvan de oppervlakte in verhouding moet staan tot het aantal opgenomen gehandicapte personen, en dat het beoefenenen van openluchtspelen en -sporten, evenals gevarieerde wandelingen toelaat;4° de vroegtijdige nazorgfaze verzekeren die de opneming en de revalidatie toelaat van de hartlijders die hiervan tijdens de acute faze de wens hebben uitgedrukt;5° zelf, op verzoek van de behandelende geneesheer of van de cardioloog van de patiënt, de latere revalidatiefazen verzekeren en, later, korte stages van periodieke revalidatie inrichten; 6° de bestendige controle verzekeren van alle factoren die de revalidatie kunnen beïnvloeden (rookverslaving, gewicht, levenswijze, aanverwante ziekten, hyperlipemie, hyperuricemie, enz.); 7° een psychologische revalidatie verzekeren door : a) het psychologisch evenwicht van de patiënt te herstellen; b) de relaties van de patiënt met zijn gezin en zijn arbeidsmilieu harmonizeren;8° de regels van de diëtetiek die bij de acute faze werden voorgeschreven, een vaste vorm geven; 8° de levenswijze en levenshouding van de patiënt grondig wijzigen om de vroegere omstandigheden die het acute ongeval hebben in de hand gewerkt of veroorzaakt, definitief uit te schakelen;9° het bestendig toezicht en de verbetering verzekeren van alle faktoren die de voorwaarde uitmaken van een volledige revalidatie, namelijk : a) het psychologisch evenwicht van de patiënt herstellen;b) de patiënt een nieuwe levensvisie bezorgen wat betreft het regelen van zijn arbeid en zijn ontspanning;c) de tijdens de acute faze voorgeschreven diëtische regels een vaste vorm geven;d) voor dagelijkse psychologische bijstand een kalme en ontspannen atmosfeer bekomen _ het afschaffen van het roken;e) door relaxatietechnieken, van de patiënt een onmiddellijke een volledige relaxatie bekomen als antwoord op de stress van het latere leven;f) de hypertensie controleren, de diabetes, de stoornissen van de schildklier, de stoornissen van de lipiden en eventuele daarmee verbonden ziekten;11° voorzien in ergotherapie en preprofessionele ergotherapie, en te dien einde over ten minste één ergotherapeut beschikken;12° de gebruikelijke biologische analyses kunnen uitvoeren;13° in de schoot van de dienst een gunstig psychologisch klimaat en familiale sfeer scheppen, waarin de patiënt zich veilig voelt door hem het vertrouwen terug te schenken in zijn lichamelijke en intellectuele mogelijkheden;14° beschikken over geneesheren die erkend zijn als geneesheer-specialist in de arbeidsgeneeskunde;15° geplaatst zijn onder de effectieve geneeskundige leiding bedoeld bij artikel 862, 1°, van deze beslissing, en die daarenboven, blijk geeft een erkende bevoegdheid in inwendige geneeskunde te bezitten;16° over afzonderlijke lokalen beschikken voor de medische vleugel en de verblijfsvleugel;het aantal en de oppervlakte ervan dienen aangepast te zijn aan het aantal behandelde gehandicapte personen; 17° wat de medische vleugel betreft : a) volgende lokalen omvatten : _ lokaal voor het secretariaat en voor het klasseren van archieven; - lokaal voor de psychologische onderzoekingen met bureau voor de psycholoog; - lokaal voor de sociale assistent(e); - lokaal voor de cardiologische basisonderzoeken en de functionele onderzoekingen; b) de volgende speciale uitrusting omvatten : - het gebruikelijk materieel : electrocardiograaf met meerdere kanalen en voorzien van onderdelen voor het opnemen van de fonomechanogrammen, een toestel voor radioscopie of radiografie, materieel voor de studie van de pulmonaire functie (in rust gebruikelijke spirografie, met bepaling van het residueel volume); - het materieel voor de functionele cardiopulmonaire onderzoekingen voor het grondig onderzoek van de pulmonaire en de hartfunctie in rust en bij inspanning (ergometrische fiets of roltapijt, E.C.G. of oscilloscoop, toestellen voor het meten van de ventilatie en van het zuurstofverbruik en eventueel van de bloedgassen, defibrillator en materieel voor hoogdringende reanimatie); 18° wat de verblijfsvleugel betreft : a) gemeenschappelijke kamers, bijzonder comfortabel en met een gezellige sfeer;b) eetzaal;c) turnzaal waarvan het volume in verhouding moet staan tot het aantal patiënten in training, bevattende : - volledig materieel voor kinesitherapie (fietsen, Adams-trainer, katrollen); - een terrein voor gemeenschapsspelen (basketball, volley-ball); - een medisch bureau voor rechtstreeks toezicht (eventueel gekoppeld aan de telemetrie) van de hartlijders in training en dat over hetzelfde reanimatiemateriaal beschikt als de medische vleugel; - lokaal voor traditionele en preprofessionele ergotherapie; - een vergaderzaal die diverse mogelijkheden van vrijetijdsbesteding biedt (lezen, televisie, gezelschapsspelen zoals kaarten, schaken, enz.); - bureau voor de kinesist; - een kleine zaal voor conferenties, periodieke informatievergaderingen, filmvertoningen. HOOFDSTUK II. - Erkenningsprocedure

Art. 865.De aanvragen tot voorlopige erkenning moeten ingediend worden, bij een ter post aangetekend schrijven, bij "AWIPH" en vermelden : 1° de benaming, de juridische vorm en het adres van de organiserende macht;2° de samenstelling van het beheersorgaan, van de organiserende macht en van het centrum of de dienst;3° de naam en het adres van de personen die verantwoordelijk zijn voor het dagelijks beheer van het centrum of van de dienst voor revalidatie;4° het adres van het centrum of de dienst;5° de soorten handicaps waarvoor het centrum of de dienst bestemd is. In voorkomend geval, moet de aanvraag vergezeld gaan van een exemplaar van de statuten.

Art. 866.De erkenning wordt verleend, met of zonder voorbehoud, geweigerd of ingetrokken door het beheerscomité van "AWIPH", na advies van het technisch-medisch comité. "AWIPH" mag elk onderzoek dat het nodig acht en inzonderheid het centrum of de dienst doen bezoeken. Het geniet dezelfde bevoegdheden om na te gaan of het erkend centrum of de erkende dienst blijft voldoen aan de voor waarden van erkenning. HOOFDSTUK III. - Subsidiëring Afdeling 1 - Subsidies voor de oprichting, de uitbreiding

of de inrichting van centra of diensten voor functionele revalidatie Onderafdeling 1 - Algemene bepalingen

Art. 867.De toelagen voor de oprichting, de vergroting of de inrichting van centra of diensten voor revalidatie, verleend door "AWIPH", worden toegekend volgens de bij deze afdeling vastgestelde criteria. " AWIPH " verleent deze toelagen binnen de perken van de op zijn begroting uitgetrokken kredieten.

Art. 868.De toelagen voor de oprichting betreffen de uitgaven die noodzakelijk zijn voor het in werking stellen van nieuwe centra of diensten voor revalidatie; de toelagen voor de vergroting betreffen de uitgaven die noodzakelijk zijn voor de uitbreiding van bestaande centra of diensten voor revalidatie.

Deze uitgaven omvatten : 1° voor wat de onroerende goederen betreft, hetzij de kosten van aankoop van de grond en de kosten van de opbouw van de gebouwen, hetzij de kosten van de aankoop en de verbouwing van de gebouwen, hetzij de huurprijs en de kosten van de verbouwing van de gebouwen;2° voor wat de uitrusting betreft, de kosten van aankoop van apparaten en van meubilair.

Art. 869.De toelagen voor de inrichting betreffen de uitgaven die noodzakelijk zijn voor de modernisering van de bestaande centra of diensten voor revalidatie. Deze uitgaven omvatten : 1° voor wat de onroerende goederen betreft, de kosten van de verbouwing van de gebouwen;2° voor wat de uitrusting betreft, de kosten van aankoop van apparaten en van meubilair. Onderafdeling 2 - Voorwaarden

Art. 870.Voor de toekenning van de toelagen wordt er slechts rekening gehouden met de aankopen, de werken en de huren die noodzakelijk zijn voor de werking van de installaties en technieken voor revalidatie die in aanmerking worden genomen voor de toekenning van de toelagen voor onderhoud aan de centra of diensten voor revalidatie. Geen toelage wordt verleend voor de aankopen, de werken en de huren die aanleiding hebben gegeven tot het verlenen van een toelage toegekend door de Minister tot wiens bevoegdheid de volksgezondheid behoort.

Het bedrag van de toegekende toelage is gelijk aan 60 t.h. van de kosten van de aankopen, van de werken en van de huren die door "AWIPH" als noodzakelijk worden erkend, zoals die kosten volgens de bepalingen van deze afdeling zijn vastgesteld.

Wanneer "AWIPH" het nodig oordeelt, vraagt het aan het centrum of de dienst voor revalidatie alle rechtvaardigingsstukken waaruit de werkelijkheid van deze kosten blijken.

Art. 871." AWIPH " bepaalt voor elk centrum of voor elke dienst voor revalidatie waarvoor het een toelage voor de oprichting, de vergroting of de inrichting toekent, het aantal gehandicapte personen in functie waarvan het in de kosten van de aankopen, de werken en de huren tegemoetkomt.

Art. 872.De kosten van de werken voor de opbouw van de gebouwen worden in aanmerking genomen ten belope van hun werkelijk bedrag en zulks onder de volgende voorwaarden : 1° er wordt rekening gehouden met het werkelijk bebouwd aantal m2; evenwel mag, rekening gehouden met het aantal gehandicapte personen in functie waarvan "AWIPH" tegemoetkomt, het in aanmerking genomen aantal m2 niet meer bedragen dan 12 m2 per gehandicapte persoon; 2° er wordt rekening gehouden met de werkelijke kostprijs per m2; evenwel mag, onder voorbehoud van het bij het derde en het vierde lid bepaalde, de in aanmerking genomen kostprijs 210,00 € per m2 niet overschrijden.

Deze maximumprijs van 210,00 € per m2 is van toepassing op de bouwwerken uitgevoerd in de loop van het jaar 1967. Hij stemt overeen met het peil van de kostprijs van het handwerk in de bouwsector per 1 april 1967.

Wat de in de loop van de volgende jaren uitgevoerde bouwwerken betreft, varieert de in het 2° van het eerste lid vastgestelde maximumprijs van jaar tot jaar in verhouding met de schommeling van het peil van de kostprijs van het handwerk in de bouwsector en zulks volgens de hiernavolgende regels : 1° er wordt van uitgegaan dat de kostprijs van het handwerk 40 pct.in de kostprijs van de bouw uitmaakt; 2° de in aanmerking te nemen schommeling van het peil van de kostprijs van het handwerk is deze opgetekend op 1 april van het beschouwd jaar, zoals zij blijkt uit de gegevens opgemaakt door het Ministerie van Openbare Werken. Wanneer de bouwwerken gespreid zijn over meerdere jaren, wordt toepassing gemaakt van een gemiddelde maximumprijs proportioneel aan het respectief aantal volle maanden gedurende welke, in de loop van elk der beschouwde jaren, de bouwwerken werden voortgezet. § 1bis. Voor de toepassing der bepalingen van § 1 wordt geen rekening gehouden met volgende installaties : 1° de gymnastiekzalen, 2° de sportzalen, 3° de installaties voor collectieve hydrotherapie met zwembad, of gelijkaardige installaties, 4° de sportvelden. De kosten van de werken voor de opbouw van de gebouwen worden in aanmerking genomen ten belope van hun werkelijk bedrag.

Art. 873.De kosten van aankoop van de grond worden slechts in aanmerking genomen ten belope van : 1° a) de oppervlakte of het gedeelte van de oppervlakte nodig voor de opbouw van de gebouwen die door "AWIPH" als noodzakelijk worden erkend in toepassing van artikel 870, vermeerderd met 25 t.h.; b) de oppervlakte gebruikt voor de installaties en technieken voor revalidatie in openlucht, inzonderheid de wandelpaden en de sportterreinen.2° een maximumprijs van 37,00 € per m2.

Art. 874."AWIPH" kan afwijken van de bij artikel 872, § 1, 1°, en artikel 873, 1°, voorziene beperkingen inzake de de in aanmerking te nemen oppervlakte, wanneer de aanvrager doet blijken dat het onontbeerlijk is inzonderheid omwille van de categorie minder-validen waartoe hij zich richt, van de activiteiten die hij uitvoert of van de voorschriften van stedenbouw, dat het centrum of de dienst beschikt over een oppervlakte, bebouwd of niet-bebouwd, die groter is dan de maximumoppervlakte voorzien bij deze bepalingen.

Alleen de oppervlakte vereist voor het aanleggen van binnenstraten en de aansluiting ervan op het openbaar domein, van parkeerruimten voor voertuigen en van garages worden in aanmerking genomen.

In dat geval wordt de berekening van het bedrag van de toe te kennen toelagen op afzonderlijke wijze gedaan voor de bouwwerken en de aankoop van de grond in aanmerking genomen binnen de perken vastgesteld bij artikel 872, § 1,1°, en artikel 873, 1°, en voor deze in aanmerking genomen krachtens deze paragraaf.

Art. 875.De kosten van aankoop van de gebouwen worden slechts in aanmerking genomen ten belope van de prijs waarop "AWIPH" het onroerend goed schat; het niet bebouwde gedeelte van de grond wordt bij deze schatting slechts in aanmerking genomen ten belope van een oppervlakte gelijk aan 25 t.h. van de oppervlakte ingenomen door de gebouwen en van de oppervlakte gebruikt voor de installaties en de technieken voor revalidatie in openlucht.

Art. 876.De kosten van de verbouwingswerken worden slechts in aanmerking genomen ten belope van een maximumbedrag gelijk aan 20 t.h. van de prijs waarop "AWIPH" het onroerend goed schat; het niet bebouwde gedeelte van de grond wordt bij deze schatting slechts in aanmerking genomen ten belope van een oppervlakte gelijk aan 25 t.h. van de oppervlakte ingenomen door de gebouwen en van de oppervlakte gebruikt voor de installaties en technieken voor revalidatie in openlucht.

Art. 877.De huurkosten der gebouwen worden slechts in aanmerking genomen gedurende de periode die "AWIPH" noodzakelijk oordeelt voor de uitvoering van de verbouwingswerken.

Art. 878.De kosten van aankoop van de apparaten en van het meubilair worden slechts in aanmerking genomen ten belope van de prijs door "AWIPH" vastgesteld op basis van de verkoopsvoorwaarden overgelegd door ten minste drie verschillende leveranciers.

Art. 879.De toelage toegekend voor de aankoop en de verbouwing van gebouwen mag in geen geval hoger zijn dan het maximumbedrag van de toelage die, rekening houdende met het aantal minder-validen in functie waarvan "AWIPH" tegemoetkomt, bij toepassing van deze afdeling verleend ware geweest voor de aankoop van de grond en de opbouw van de gebouwen.

Art. 880.De toelage voor de huur en het verbouwen van de gebouwen wordt slechts toegekend voor zover de duur van de huur, gelet op de belangrijkheid van de uit te voeren verbouwingswerken, door "AWIPH" als voldoende wordt geacht.

Art. 881.De toelagen worden slechts toegekend voor zover de aanvrager, binnen de termijn opgelegd krachtens artikel 886, tweede lid, 2°, "AWIPH" volgende stukken voorlegt : 1° een volledig plan van de aankopen, werken en huren en inzonderheid : a) voor wat de onroerende goederen betreft : een uittreksel uit de stafkaart waarop de ligging van de aan te kopen gronden, de aan te kopen, te bouwen, te huren of te verbouwen gebouwen, is vermeld; een uittreksel uit het kadastraal plan dat de percelen, honderd meter in de omtrek van het centrum of de dienst, opgeeft : de plannen, doorsneden en gevels, op de schaal van 1/100, van de aan te kopen, op te bouwen of te verbouwen gebouwen; een kostenbegroting van de prijs van de aan te kopen grond, van de aan te kopen, te huren of te verbouwen gebouwen, van de uit te voeren opbouw- of verbouwingswerken; b) voor wat de uitrusting betreft : een memorie die, gelet op de installaties en technieken voor revalidatie die in het centrum of de dienst zullen gebruikt worden, het nut van de aankoop van de apparaten en de noodzakelijkheid van de aankoop van het meubilair rechtvaardigt; een kostenbegroting van de kosten van aankoop van de apparaten en het meubilair, vergezeld van de verkoopsvoorwaarden overgelegd door ten minste drie verschillende leveranciers; 2° het bewijs dat hij over de nodige sommen beschikt om het verschil te dekken tussen de in de kostenbegrotingen voorziene kosten van de aankopen, werken en huren en het maximumbedrag van de eventuele toelage van "AWIPH".Wanneer deze sommen geheel of gedeeltelijk door een lening moeten gevormd worden, moet de aanvrager er een principiële belofte van een geldschieter bijvoegen betreffende het bedrag van de lening die moet worden toegestaan en de jaarlijkse rentevoet; 3° de verbintenis om de procedure in acht te nemen ingesteld bij het besluit van de Regent van 11 februari 1946 houdende goedkeuring van de titels I en II van het algemeen reglement voor de arbeidsbescherming;4° de verbintenis voorzien bij artikel 83 van het koninklijk besluit van 5 juli 1963 betreffende de sociale reclassering van de minder-validen;de bestemming van de apparaten en het meubilair voor de aankoop waarvan een toelage wordt verleend moet behouden blijven gedurende de door "AWIPH" bepaalde afschrijvingstermijn; 5° de verbintenis om aan de voorwaarden van voorlopige en definitieve erkenning te voldoen;6° de verbintenis om het geheel van de onroerende goederen en van de uitrusting te verzekeren tegen brand- en aanverwante risico's;7° de verbintenis om de afgevaardigde van "AWIPH" toe te laten ter plaatse de overeenstemming na te gaan van de aankopen en de opbouw- en verbouwingswerken met het door "AWIPH" goedgekeurd plan, alsook de bestemming gegeven aan de toegekende toelage, en daartoe alle registers, boeken, staten, boekhoudkundige bescheiden, briefwisseling en andere nuttige documenten raadplegen;8° de aanduiding van de goederen waarop hij een hypotheek kan toestaan ter waarborging van de verbintenissen bedoeld bij 3° tot 7°.

Art. 882.De reeds gedane aankopen, werken en huren kunnen het voorwerp van de toekenning van de bij deze afdeling voorziene toelagen slechts uitmaken voor zover de datum van de aankoop, deze van het begin der werken en deze van de aanvang van de huur niet meer dan twee jaar het jaar voorafgaan voor hetwelk de aanvraag om toelage geldig is ingediend.

Onderafdeling 3 - Procedure

Art. 883."AWIPH" beslist over de aanvragen om toelage rekening houdend met de orde van belangrijkheid van de behoeften der diverse categorieën van gehandicapte personen en der verschillende gewesten van het land, alsook, met de respectieve mogelijkheden tot herstel van de fysische en geestelijke geschiktheid van de gehandicapte personen die, gelet op de installaties en de technieken voor revalidatie die het centrum of de dienst zal aanwenden, door de verschillende aanvragen geboden worden.

Art. 884.De aanvraag moet de naam en het adres van de aanvrager specificeren en wanneer het om een rechtspersoon van privaat recht gaat, gepaard gaan met : 1° de aanduiding van de naam en het adres van de personen die hem in de gerechtelijke en buitengerechtelijke akten vertegenwoordigen;2° een voor eensluidend verklaard afschrift van zijn statuten;3° een getuigschrift van goed zedelijk gedrag voor ieder persoon die deel uitmaakt van zijn beheersorganen. Wanneer de aanvrager een fysiek persoon is, moet hij bij zijn aanvraag een getuigschrift van goed zedelijk gedrag voegen.

Art. 885.De aanvraag om toelage moet nauwkeurig haar voorwerp specificeren en het bewijs leveren van het belang dat de toekenning van de gevraagde toelage heeft voor de sociale reclassering van de gehandicapte personen en inzonderheid : 1° de toestand inzake de geneeskundige uitrusting voor revalidatie preciseren, waarin het gewest, waar het centrum of de dienst wordt opgericht, vergroot of ingericht, zich bevindt;2° de ruimte aangegeven in functie waarvan het centrum of de dienst wordt opgericht, vergroot of ingericht. Daarenboven moet de aanvraag de termijn vermelden binnen welke de gevraagde toelage zal aangewend worden en vergezeld zijn van een voorontwerp dat de beoogde aankopen, werken en huren, met een schatting van hun kostprijs, aanduidt.

Art. 886.Voor elke aanvraag neemt "AWIPH" een principiële beslissing betreffende de toekenning van een toelage.

Ingeval de principiële beslissing gunstig is, vermeldt "AWIPH" : 1° het aantal gehandicapte personen in functie waarvan "AWIPH" zal tegemoetkomen;2° de termijn binnen welke de documenten, inlichtingen en verbintenissen, bepaald in artikel 881, toegezonden moeten worden.

Art. 887.In de definitieve beslissing tot toekenning vermeldt "AWIPH" het bedrag van de toegekende toelage met nadere bepaling van : 1° de elementen op basis waarvan het bedrag van de toelage, overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling, werd berekend;2° de wijzigingen die het eventueel acht te moeten doen aanbrengen in het plan der aankopen, werken en huren en van de aanvaarding waarvan het de vereffening van de toelage afhankelijk stelt;3° het bedrag en de rangorde van de hypothecaire inschrijving die het eventueel ter waarborging van de door de aanvrager aangegane verbintenissen vereist. Onderafdeling 4 - Vereffening

Art. 888.Het bedrag van de toegekende toelage wordt slechts vereffend voor zover de aankopen, werken of huren overeenkomstig het door "AWIPH" goedgekeurd plan uitgevoerd zijn.

Art. 889.§ 1. De toelage betreffende de aankoop van de grond wordt vereffend bij de voltooiing van de funderingen van de gebouwen die hierop gebouwd moeten worden. § 2. De toelage voor de opbouw van de gebouwen wordt vereffend : 1° ten belope van 50 t.h. op het ogenblik van de voltooiing van de ruwbouw; 2° ten belope van 50 pct.op het ogenblik van de inwerkingstelling van het centrum of de dienst; deze betaling wordt eerst gedaan nadat de aanvrager een afschrift heeft doen geworden van de betekening die hij, in voorkomend geval, gehouden is te doen in toepassing van artikel 18 van het algemeen reglement voor de arbeidsbescherming, goedgekeurd bij het besluit van de Regent van 11 februari 1946. § 3. De toelage voor de aankoop van de gebouwen wordt vereffend op het ogenblik van de aankoop. § 4. De toelage betreffende de huur van de gebouwen wordt vereffend op de in de huurceel bepaalde vervaldagen. § 5. De toelage betreffende de verbouwing van de gebouwen wordt vereffend op het ogenblik van de inwerkingstelling van het centrum of de dienst; deze betaling wordt eerst gedaan nadat de aanvrager een afschrift heeft doen geworden van de betekening die hij, in voorkomend geval, gehouden is te doen in toepassing van artikel 18 van het algemeen reglement voor de arbeidsbescherming, goedgekeurd bij het besluit van de Regent van 11 februari 1946. § 6. De toelage betreffende de aankoop van apparaten en van meubilair wordt vereffend na overlegging door de aanvrager van een afschrift van de factuur en van een verklaring die bewijst dat de apparaten of het meubilair hem in degelijke staat werden geleverd.

Onderafdeling 5 - Terugbetaling

Art. 890.In geval van niet-naleving van de verbintenissen, bedoeld bij artikel 881, 3° tot 7°, is de aanvrager gehouden de hem toegekende toelage terug te betalen. Afdeling 2 - Subsidies voor het onderhoud van extramurale centra of

diensten voor functionele revalidatie Onderafdeling 1 - Algemene bepalingen

Art. 891."AWIPH" kent aan de extramurale centra of diensten voor revalidatie onderhoudssubsidies toe volgens de criteria vastgesteld bij deze afdeling.

Art. 892.§ 1. Voor elk kwartaal van het kalenderjaar wordt aan het centrum of de dienst voor revalidatie een toelage toegekend, berekend in functie van de belangrijkheid van de installaties en de technieken voor revalidatie en van het personeel, door het centrum of de dienst aangewend in de loop van het vorige kwartaal. § 2. De periodes van inactiviteit van het centrum of de dienst in de loop van het voorgaande kwartaal, inzonderheid deze welke te wijten zijn aan vakantie, vormen geen beletsel voor de toekenning van de driemaandelijkse toelage voor zover deze periodes van inactiviteit zich rechtvaardigen gelet inzonderheid op de voorwaarden van erkenning waaraan het centrum of de dienst moet beantwoorden en op de verschillende categorieën gehandicapte personen tot welke het centrum of de dienst zich richt.

In dat geval wordt het bedrag van de driemaandelijkse toelage evenwel verminderd ten belope van een zesde van haar bedrag per volle maand inactiviteit in de loop van het beschouwd voorgaande kwartaal. § 3. Wanneer "AWIPH" van oordeel is dat de periode van inactiviteit geheel of gedeeltelijk ongerechtvaardigd is, wordt het bedrag van de toegekende driemaandelijkse toelage proportioneel verminderd tot het aantal volle maanden van werkelijke activiteit en, in voorkomend geval, van gerechtvaardigde inactiviteit van het centrum of de dienst in de loop van het voorgaande kwartaal. Evenwel kan "AWIPH" in geval van herhaling, de toekenning van de driemaandelijkse toelage weigeren.

Art. 893.§ 1. Voor elk van de installaties en technieken voor revalidatie en voor elk van de medewerkers aan de revalidatie, vermeld in de als bijlage opgenomen nomenclatuur en in de loop van het voorgaande kwartaal door het centrum of de dienst regelmatig aangewend, wordt aan het centrum of de dienst het aantal punten toegekend dat naast elk van deze installaties en technieken voor revalidatie en naast elk van deze medewerkers aan de revalidatie is aangeduid. § 2. De toekenning van de in de als bijlage opgenomen nomenclatuur aangeduide punten geschiedt rekening houdend met de bepalingen van de §§ 3 en 4. § 3. Onder uitrusting moet worden verstaan, een ingerichte en uitgeruste ruimte, waarin de gehandicapte personen individuele behandelingen ondergaan.

Onder zaal moet worden verstaan, een ingerichte en uitgeruste ruimte, waarin de gehandicapte personen individuele en/of collectieve behandelingen ondergaan.

Onder zitting moet worden verstaan, de verstrekking inzake revalidatie zoals zij bepaald is in de nomenclatuur, vastgesteld ter uitvoering van artikel 69 van het voornoemd koninklijk besluit van 5 juli 1963.

Onder regelmatig ingerichte discipline moet worden verstaan, een activiteit die plaats heeft gedurende de gehele klimatologisch gunstige periode, wanneer het een activiteit in open lucht betreft, of gedurende het gehele jaar, wanneer het een in een zaal uitgeoefende activiteit betreft, en die wordt uitgevoerd onder de leiding van een bevoegde verantwoordelijke, in aangepaste installaties en met het nodige collectief en individueel materieel. § 4. De installaties en technieken voor revalidatie worden slechts in aanmerking genomen voor zover zij bediend worden door bevoegd personeel, dat full-time door het centrum of de dienst wordt te werk gesteld.

Het aantal in aanmerking te nemen dagelijkse zittingen is het rekenkundig gemiddelde van het totaal der zittingen dat in de loop van het beschouwd kwartaal werd uitgevoerd.

Art. 894.Het bedrag van de voor elk kwartaal toegekende toelage wordt berekend door een som van 0,2652 euro uit te keren voor elk toegekend punt.

Onderafdeling 2 - Voorwaarden

Art. 895.§ 1. De toelage voor het onderhoud wordt slechts toegekend op voorwaarde dat het centrum of de dienst : 1° de erkenning geniet gedurende het gehele kwartaal, waarvoor de toelage wordt gevraagd;2° de erkenning heeft genoten gedurende het kwartaal dat voorafgaat aan datgene waarvoor de toelage wordt gevraagd;wanneer het centrum of de dienst slechts gedurende een gedeelte van het vorige burgerlijk kwartaal is erkend geweest, wordt het bedrag van de toelage verminderd met een of met twee derden naargelang het centrum of de dienst de erkenning respectievelijk gedurende ten minste twee volle maanden of ten minste een volle maand van het kwartaal heeft genoten. § 2. Voor de centra of de diensten voor revalidatie die voor de eerste maal worden erkend of die, na een onderbreking van hun erkenning, opnieuw worden erkend, wordt het bedrag van de eerste driemaandelijkse toelage die hun na deze erkenning wordt verleend, vermenigvuldigd met twee, twee en een half of vier naargelang, bij toepassing van § 1, respectievelijk drie, twee of één maand activiteit voor de berekening van deze eerste driemaandelijkse toelage in aanmerking werden genomen.

Art. 896.§ 1. Voor elk kwartaal waarvoor de toelage wordt gevraagd, moet het centrum of de dienst "AWIPH" een verklaring op eer laten geworden, die, in functie van de als bijlage opgenomen nomenclatuur, de installaties en technieken voor revalidatie en de medewerkers aan de revalidatie nauwkeurig opsomt, die in de loop van het vorige kwartaal regelmatig werden aangewend. § 2. De bij § 1 bedoelde verklaring moet worden ingediend vóór het verstrijken van de tweede maand van het kwartaal waarvoor de toelage wordt gevraagd.

De verklaring moet evenwel worden ingediend : vóór het verstrijken van een periode van dertig dagen, te rekenen vanaf de betekening van de beslissing tot erkenning, wanneer het gaat om centra of diensten die voor de eerste maal worden erkend of die, na een onderbreking van hun erkenning, opnieuw worden erkend.

Het beheerscomité van " AWIPH " kan, bij gemotiveerde beslissing, afwijken van de termijnen voorzien bij het eerste en het tweede lid, zo het centrum of de dienst doet blijken dat de vertraging te wijten is aan een oorzaak onafhankelijk van zijn wil. § 3. De bepalingen van het koninklijk besluit van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen te doen in verband met subsidies en vergoedingen van elke aard, die geheel of gedeeltelijk ten laste van de Staat zijn, zijn van toepassing op de bij dit artikel bedoelde verklaring.

Art. 897.De bij deze onderafdeling voorziene toelagen worden slechts toegekend voor zover het centrum of de dienst "AWIPH" : 1° een afschrift bezorgt van zijn eindeboekjaarsrekeningen betreffende de jaren voor welke hem toelagen worden verleend;2° de verbintenis laat geworden de afgevaardigden van "AWIPH" toe te staan ter plaatse de juistheid van de bij artikel 896 bedoelde verklaringen te controleren, alsook de aan de toegekende toelage gegeven bestemming en daartoe alle registers, boeken, staten, boekhoudkundige bescheiden en andere nuttige documenten te raadplegen. TITEL IX. - Voorzieningen voor integratie in het arbeidsproces HOOFDSTUK I. - Centra en diensten voor gespecialiseerde voorlichting bij beroepskeuze Afdeling 1 - Erkenningsvoorwaarden

Art. 898.Om erkend te worden, moeten de centra en diensten voor gespecialiseerde voorlichting bij beroepskeuze : 1° opgericht zijn als openbare dienst of als vereniging zonder winstgevend doel of een andere wettelijke vorm vertonen die het nastreven van een materieel voordeel uitsluit of deel uitmaken van een universiteit;wanneer de inrichtende macht van het centrum of van de dienst opgericht is onder de vorm van een rechtspersoon van privaatrecht, mag het beheersorgaan geen aantal personen bevatten behorend tot dezelfde familie, echtgenoten en bloed- of aanverwanten tot de tweede graad inbegrepen, dat hoger is, voor elke familie, dan een derde van het totale aantal leden waaruit dit beheersorgaan is samengesteld; 2° zich werkelijk bezighouden met de voorlichting bij studie of beroepskeuze van de gehandicapte personen die behoren tot de categorie tot welke zij zich richten, zonder zich evenwel strikt te moeten beperken tot het onderzoek van de mindervaliden alleen;3° rekening gehouden met de categorie gehandicapte personen tot dewelke zij zich richten, beschikken over adviseurs of raadgevers die beantwoorden aan de bij artikel 899 bedoelde voorwaarden;4° zich de medewerking verzekeren van een geneesheer erkend als specialist in de geneeskundige tak waartoe de categorie gehandicapte personen behoort tot dewelke het centrum of de dienst zich richt;5° beschikken over een uitrusting die een volledig onderzoek van de gehandicapte persoon mogelijk maakt en die inzonderheid bevat : a) een stel verbale, niet-verbale, performantie- en motivatieproeven aangepast aan elk niveau van de beoogde voorlichting bij beroepskeuze, b) een stel proeven voor elke graad van het lager onderwijs met het oog op het onderzoek van de pedagogisch achterlijken, c) een testbatterij aangepast aan het onderzoek van de gehandicapte personen, die behoren tot de categorie tot dewelke zij zich richten;6° beschikken over lokalen waarvan zij het uitsluitend gebruik hebben tijdens de uren van raadpleging, lokalen die voldoende hygiëne en veiligheid bieden en die gemakkelijk toegankelijk zijn voor de gehandicapte personen die behoren tot de categorie tot dewelke zij zich richten;7° zich verbinden om aan "AWIPH" alle rechtvaardigende documenten, vereist voor de uitoefening van zijn controle, ter beschikking te stellen en zich aan zijn toezicht onderwerpen.

Art. 899.De adviseurs en assistenten die in de centra of diensten voor gespecialiseerde voorlichting bij beroepskeuze de onderzoekingen uitvoeren moeten beantwoorden aan de volgende voorwaarden : 1° drager zijn : a) van het diploma van licentiaat in de beroepsoriëntering en selectie, van licentiaat in de psychologische wetenschappen, van licentiaat in de toegepaste psychologie of van licentiaat in de opvoedkundige wetenschappen, voor wat de adviseurs betreft, b) van het getuigschrift van bekwaamheid tot het ambt van adviseur of van assistent inzake beroepskeuze afgeleverd overeenkomstig het koninklijk besluit van 22 oktober 1936 betreffende het getuigschrift van bekwaamheid tot het ambt van assistent inzake beroepskeuze, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 28 mei 1958 en 13 augustus 1962, voor wat de assistenten betreft : 2° een voldoende specialisatie inzake voorlichting bij beroepskeuze van de minder-validen, die behoren tot de categorie waarmede zij zich bezighouden, rechtvaardigen door het bewijs te leveren een voldoende stage gedaan te hebben zowel wat de duur als wat het aantal uitgevoerde gespecialiseerde onderzoekingen betreft. Kunnen in aanmerking genomen worden, de stages gedaan : 1° hetzij in een centrum of dienst voor gespecialiseerde voorlichting bij beroepskeuze opgericht door "AWIPH" voor sociale reclassering van de gehandicapte persoon of erkend overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk;2° hetzij in een dienst voor voorlichting bij studie- en beroepskeuze of in een psycho-medisch-sociaal centrum, opgericht of gesubsidieerd door de minister tot wiens bevoegdheid de nationale opvoeding behoort;3° hetzij, onder de leiding van een geneesheer, van een psycholoog of van een adviseur inzake voorlichting bij beroepskeuze, in een instelling, een centrum of een dienst gespecialiseerd inzake observatie, diagnose, herscholing of verpleging. Afdeling 2 - Erkenningsprocedure

Art. 900.De aanvragen tot voorlopige erkenning moeten ingediend worden, bij een ter post aangetekend schrijven, bij "AWIPH".

Zij vermelden de benaming, de zetel en het taalstelsel van het centrum of de dienst, specificeren de categorie of de categorieën gehandicapte personen tot dewelke zij zich richten, duiden de dagen en uren van raadpleging aan en zijn vergezeld : 1° van alle nuttige aanduidingen betreffende de statuten van het centrum of de dienst en, in voorkomend geval, van een exemplaar van deze statuten;2° voor elk van de adviseurs of assistenten die gespecialiseerde onderzoekingen verrichten, van een curriculum vitae dat zijn juiste identiteit aanduidt en dat inzonderheid alle passende elementen bevat om vast te stellen dat hij beantwoordt aan de voorwaarden bedoeld bij artikel 899;3° van alle passende elementen om vast te stellen dat het centrum of de dienst voldoet aan de verplichting bedoeld bij artikel 898, 4° ;4° van een beschrijving van de testbatterij die gebruikt wordt voor het onderzoek van de categorie gehandicapte personen tot dewelke het centrum of de dienst zich richt;5° van een beschrijving van de aangewende lokalen;6° van de verbintenis bedoeld bij artikel 898, 7°.

Art. 901.De voorlopige erkenning wordt verleend, geweigerd of ingetrokken door het beheerscomité van "AWIPH".

De aanvangsdatum van de erkenning of van de intrekking van erkenning wordt vermeld in de beslissing. HOOFDSTUK II. - Tegemoetkoming in de kosten van de onderzoekingen inzake voorlichting bij studie- of beroepskeuze Afdeling 1 - Tarieven

Art. 902.§ 1. De onderzoekingen inzake gespecialiseerde voorlichting bij studie- of beroepskeuze die gedaan worden door de centra of diensten voor gespecialiseerde voorlichting bij beroepskeuze bedoeld bij artikel 283, tweede lid, 3°, van het decreetgevend deel van het Wetboek worden vergoed volgens het tarief dat voorkomt op de volgende tabel.

Prestatie ten laste van " AWIPH " :


Categorie gehandicapte personen

Onderzoek voor gespecialiseerde voorlichting bij studie- of beroepskeuze zonder gespecialiseerd geneeskundig onderzoek

I


a) motorisch of fysiologisch gehandicapte personen

9,91 euro; b) Epileptici

24,79 euro

c) tbc-lijders in sanatorium

14,87 euro

d) hersenverlamden

14,87 euro

II


a) Blinden

24,79 euro

b) Doven

24,79 euro

III.

a) Debielen

24,79 euro

b) Karaktergestoorden

24,79 euro

Categorie gehandicapte personen

Onderzoek voor gespecialiseerde voorlichting bij studie- of beroepskeuze zonder gespecialiseerd geneeskundig onderzoek

IV.

Geesteszieken

24,79 euro

Prestatie ten laste van " AWIPH " :


Categorie gehandicapte personen

Onderzoek voor gespecialiseerde voorlichting bij studie- of beroepskeuze zonder gespecialiseerd geneeskundig onderzoek

I


a) Motorisch of fysiologisch gehandicapte personen

15,87 euro

b) Epileptici

30,74 euro

c) tbc-lijders in sanatorium . 20,82 euro

d) hersenverlamden

20,82 euro

II


a) Blinden

30,74 euro

b) Doven

30,74 euro

III.

a) Debielen

30,74 euro

b) Karaktergestoorden

30,74 euro

Categorie gehandicapte personen

Onderzoek voor gespecialiseerde voorlichting bij studie- of beroepskeuze zonder gespecialiseerd geneeskundig onderzoek . IV. Geesteszieken

30,74 euro


De kosten van het onderzoek voor gespecialiseerde voorlichting bij studie- of beroepskeuze met gespecialiseerd geneeskundig onderzoek en inobservatiestelling worden, voor de categorieën van gehandicapte personen voor welke deze kosten niet gespecifieerd zijn in boven bedoelde tabel, vastgesteld door "AWIPH" met verwijzing tot de kosten bepaald in voormelde tabel voor de andere categorieën van gehandicapte personen. § 2. De exploraties, navorsingen of bijzondere geneeskundige onderzoekingen die eventueel nodig zijn worden gehonoreerd overeenkomstig het tarief bepaald bij artikel 1 van het ministerieel besluit van 3 april 1964 houdende vaststelling van de voorwaarden voor betaling van de kosten van de geneeskundige onderzoekingen gedaan ter uitvoering van de artikelen 8, 14 en 30 van het koninklijk besluit van 5 juli 1963 betreffende de sociale reclassering van de minder-validen. § 3. De kosten van deze onderzoekingen zijn volledig ten laste van "AWIPH" dat ze rechtstreeks betaalt.

Geen enkele tussenkomst in de kosten van deze onderzoekingen mag van de gehandicapte persoon worden geëist. Afdeling 2 - Procedure

Art. 903.De aanvragen tot onderzoek gericht aan de centra of diensten voor gespecialiseerde voorlichting bij beroepskeuze bedoeld bij artikel 283, tweede lid, 3°, van het decreetgevend deel van het Wetboek, specificeren of een gespecialiseerd geneeskundig onderzoek, exploraties, navorsingen of bijzondere geneeskundige onderzoekingen of een inobservatiestelling kunnen of moeten uitgevoerd worden.

De gespecialiseerde geneeskundige onderzoekingen, de exploraties, navorsingen en bijzondere geneeskundige onderzoekingen en de inobservatiestellingen mogen, op straffe van uitgesloten te worden van de betaling voor deze prestaties, slechts uitgevoerd worden mits voorafgaande toestemming van "AWIPH".

Art. 904.De verslagen en protocollen van onderzoek worden aan "AWIPH" gezonden door bemiddeling van de gehandicapte persoon of van zijn wettelijke vertegenwoordiger.

De rekeningen worden rechtstreeks aan "AWIPH" toegezonden. HOOFDSTUK III. - Centra voor beroepsopleiding Afdeling 1 - Algemene bepalingen

Art. 905.Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder : 1° de begunstigde : de gehandicapte persoon zoals omschreven in artikel 261 van het tweede deel van het decreetgevend deel van het Wetboek en die ten minste 18 jaar oud is;2° de beroepsopleiding : het proces voor sociale integratie en inschakeling in het beroepsleven met mogelijk volgende fases : a) een waarnemingsfase bestaande uit ofwel afzonderlijk ofwel opeenvolgend : - een onderdompelingperiode van de begunstigde, met het oog op kennismaking van betrokkene met de werkelijkheid van de vooropgestelde beroepsopleiding, met als doel de bevestiging dat zijn project voor beroepsopleiding relevant is; - een module voor de bewustwording en de inschakeling van de stagiair, met tot doel het opmaken van de balans van zijn vaardigheden, het ontdekken van een beroep, het verduidelijken van het project voor zijn beroepsleven en het bewerkstelligen dat hij actor van zijn inschakelingtraject wordt; b) een vooropleiding van de stagiair bestaande uit de verwerving van de basisvaardigheden die noodzakelijk zijn voor het aanvangen van het proces van sociale integratie en inschakeling in het beroepsleven;c) het aanleren door de stagiair van een beroep of een functie;d) een voortgezette opleiding door de bijwerking van de vaardigheden al naar gelang van de evoluerende behoeften van de begunstigde of de stagiair en de bedrijven. Beroep of functie dienen te worden aangeleerd op grond van een aangepaste pedagogie die berust op het begrip van de afwisselende opleiding bedoeld onder 6°.

Voor de andere fases van de beroepsopleiding kan het centrum eveneens voorzien in opleidingsperiodes in opleidingsbedrijven.

De beroepsopleiding kan plaatsvinden in het kader van een opleiding voor beginners of van een beroepsomschakeling; 3° het centrum : het centrum voor beroepsopleiding erkend door "AWIPH", dat voorziet in de beroepsopleiding ten voordele van de begunstigden;4° de overeenkomst : de overeenkomst waarbij de beroepsopleiding bedoeld onder 2°, a), tweede streepje, b) en c) en, in voorkomend geval, 1°, geformaliseerd wordt;5° de stagiair : de begunstigde die een beroepsopleidingovereenkomst met het centrum ondertekend heeft;6° de afwisselende opleiding : elke actie waarbij één of meerdere opleidingsmedewerkers en één of meerdere werkgevers betrokken worden bij de doorvoering van een programma inzake kwalificerende opleiding waarbij een praktische opleiding met een theoretische opleiding gecombineerd wordt, die algemeen en/of professioneel van aard zijn;7° het opleidingsbedrijf : elk bedrijf uit de privé- of de overheidssector die in een samenwerkingsverband met het centrum bijdraagt tot de beroepsopleiding van de stagiair;8° het einddoel : het beroep of de functie beoogd door de opleiding;9° de omscholingsovereenkomst : de overeenkomst bedoeld in afdeling 3 van hoofdstuk 5 van dit boek;10° de opvolging na opleiding : elke actie die door het centrum ondernomen wordt en die via een overeenkomst geformaliseerd wordt, in een periode van drie jaar te rekenen van het vertrek van de stagiair uit het centrum, met als doel de begeleiding van de stagiair tijdens het proces van sociale integratie en inschakeling in het beroepsleven, waarbij diens inschakeling na opleiding beoogd of ondersteund wordt;11° de inschakeling na opleiding : elke beroepsactiviteit met een duur van minstens drie jaar die in de privé- of in de overheidssector dan wel als zelfstandige uitgeoefend wordt in een periode van drie jaar volgend op het einde van de beroepsopleiding;12° de directeur : de als dusdanig betaalde natuurlijke persoon gemachtigd om krachtens een schriftelijke bevoegdheidsoverdracht van de raad van bestuur en onder diens verantwoordelijkheid het dagelijks beheer van het centrum op zich te nemen, minstens voor wat betreft : a) de doorvoering en de opvolging van het pedagogisch project bedoeld in de artikelen 915 en 916;b) het personeelsbeheer;c) het financieel beheer;d) de toepassing van de geldende regelgevingen;e) de vertegenwoordiging van het centrum in diens betrekkingen met "AWIPH";13° het integratiepersoneel : de personeelsleden bevoegd voor beroepsintegratie;14° het maatschappelijk personeel : de maatschappelijke assistenten;15° het pedagogisch personeel : de opleiders en de psychologen. Afdeling 2 - Opdrachten

Art. 906.De opdracht van de centra bestaat erin : 1° in een beroepsopleiding te voorzien zoals bedoeld in artikel 905, 2°, die aangepast is aan de categorieën begunstigden voor wie het centrum erkend is, waarbij indien mogelijk erover gewaakt wordt dat het opgevangen publiek wat de handicap betreft zo heterogeen mogelijk samen is gesteld;2° de stagiairs de opvolging na opleiding voor te stellen en op hun verzoek deze dienst bedoeld in artikel 905, 10°, te verlenen, in een samenwerkingsverband met de plaatselijke actoren van de inschakeling in het beroepsleven, alsmede met elke instelling en/of plaatselijke overheid die de beroepsintegratie van gehandicapte personen bevordert;3° indien er een omscholingsovereenkomst is ondertekend met personen die in aanmerking zijn gekomen voor een opleiding in een centrum, de opmaak van het programma en de opleiding door het bedrijf of de overheidsinstelling die mede de overeenkomst ondertekend hebben, te ondersteunen;4° indien er een omscholingsovereenkomst is ondertekend met personen die niet in aanmerking zijn gekomen voor een opleiding in een centrum, de opmaak van het programma en de opleiding door het bedrijf of de overheidsinstelling die mede de overeenkomst ondertekend hebben, te ondersteunen op verzoek van "AWIPH". In de gevallen bedoeld in het eerste lid, 3° en 4°, dient de ondersteuning gewaarborgd te worden door een opleider in het betrokken einddoel.

Art. 907.§ 1. De onderdompelingsperiode bedoeld in artikel 905, 2°, a), eerste streepje, heeft een maximumduur van 38 uur. Op verzoek van "AWIPH" of van het centrum dan wel van de begunstigde na instemming van "AWIPH" kan die duur verlengd worden met maximum 38 uur. § 2. Het centrum en, in voorkomend geval, het opleidingsbedrijf verzekeren de begunstigde tegen mogelijke ongevallen op de plaatsen waar de onderdompeling zijn beslag krijgt en tijdens de verplaatsing naar die plaatsen.

Het centrum en, in voorkomend geval, het opleidingsbedrijf verzekeren de begunstigde eveneens op het vlak van de burgerlijke aansprakelijkheid zowel voor de schade aan machines en gereedschap als voor de materiële of lichamelijke schade die aan derden toegebracht zou worden tijdens de onderdompelingperiode.

De eventuele schadeloosstelling wordt berekend volgens hierna volgende modaliteiten : 1° de medische, farmaceutische, ziekenhuis-, prothese-, orthopedische kosten, de daarmee verbonden verplaatsingskosten, evenals de begrafeniskosten worden vastgesteld overeenkomstig de arbeidsongevallen wet van 10 april 1971Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/07/1975 pub. 30/06/2010 numac 2010000387 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten0, na aftrek van de bijdrage van de ziekte- en invaliditeitsverzekering;2° wat betreft de vergoeding voor tijdelijke onbekwaamheid, wordt het maximumbedrag van de vergoeding, geïndexeerd overeenkomstig voormelde wet van 10 april 1971Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/07/1975 pub. 30/06/2010 numac 2010000387 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten0, vastgelegd op 90 % van het gewaarborgd gemiddeld maandelijks minimuminkomen van toepassing op het ogenblik van het ongeval, na aftrek van elke andere wettelijke en reglementaire tegemoetkoming;3° de schadeloosstelling wegens permanente arbeidsongeschiktheid of overlijden wordt vastgesteld overeenkomstig de wet van 10 april 1971Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/07/1975 pub. 30/06/2010 numac 2010000387 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten0 voornoemd, waarbij het referentieloon uitsluitend bestaande uit het gemiddeld gewaarborgd minimummaandinkomen op het ogenblik van het ongeval of, in voorkomend geval, van het overlijden. § 3. De module voor de bewustwording en de inschakeling bedoeld in artikel 905, 2°, a), tweede streepje, heeft een maximumduur van 456 uur.

Art. 908.De vooropleidingsperiode bedoeld in artikel 905, 2°, b), heeft een maximumduur van 1 824 uur.

Art. 909.§ 1. De fase waarin een beroep of een functie wordt aangeleerd bedoeld in artikel 905, 2°, c), kan over de vier hierna volgende inwerkingscycli gespreid worden : 1° een bijscholing en/of een initiatie van de stagiair;2° het aanleren van de vooraf vereiste vaardigheden;3° een kwalificerende opleiding;4° een vervolmaking en een inschakeling in het beroepsleven, in voorkomend geval, in het kader van een omscholingsovereenkomst. De totale maximumduur voor de aanleerfase bedraagt 5 472 uur.

De totale maximumduur voor de periodes 1° en 2° bedraagt 912 uur. § 2. De inwerkingcycli bedoeld in § 1, eerste lid, 3° en 4°, dienen in een opleidingsbedrijf plaats te vinden ten belope van minstens 30 % en hoogstens 70 % van hun duur. § 3. De stagiairs die naast hun opleiding een beroepsactiviteit uitoefenen in de privé- of in de overheidssector dan wel als zelfstandige, zijn vrijgesteld van de periodes in een opleidingsbedrijf, voorzover hun beroep verband houdt met de gevolgde opleiding. § 4. Voor de stagiairs wier evaluatie in de inwerkingcycli bedoeld in § 1, eerste lid, 1° en 2°, erop wijst dat ze een aangepaste werkbegeleiding nodig hebben, kunnen de latere opleidingsperiodes in een opleidingsbedrijf plaatsvinden in een bedrijf voor aangepast werk, in andere functies dan die waarvoor de begeleiding geldt.

Art. 910.De voortgezette opleiding bedoeld in artikel 905, 2°, d), heeft een maximumduur van 912 uur. Afdeling 3 - Erkenning

Onderafdeling 1 - Voorwaarden A. : Algemene voorwaarden

Art. 911.Naast de erkenningsvoorwaarden bedoeld in de artikelen 436 en 458 van het decreetgevend deel van het Wetboek voldoen de inrichtingen aan de erkenningsvoorwaarden opgenomen in de artikelen 911 tot en met 920.

Art. 912.De centra moeten : 1° minstens voor 70 % van het aantal erkende uren : a) de waarneming op zich nemen bedoeld in artikel 905, 2°, a), eerste streepje en tweede streepje, van de begunstigden en de stagiairs;b) de vooropleiding of het aanleren van een beroep of een functie bedoeld in artikel 905, 2°, b) en c), van de stagiairs voor wie het gewestelijke bureau van "AWIPH" een gunstige beslissing getroffen heeft krachtens artikel 929, 2°, of artikel 931 op zich nemen;c) zorgen voor de voortgezette opleiding bedoeld in artikel 905, 2°, d), van de gerechtigden; daarnaast kunnen maximaal 30 % van de erkende uren gebruikt worden voor de beroepsopleiding van personen die niet in aanmerking komen voor tussenkomsten van "AWIPH", voorzover de opleiding is aangevraagd door een openbare instelling die onder de federale overheid, de Gemeenschap of het Gewest ressorteert, en onder het voorbehoud dat laatstgenoemde instelling de kosten van de opleiding op zich neemt; 2° de opdrachten omschreven in afdeling 2 van dit hoofdstuk naleven;3° hun werking ontplooien met inachtneming van de beginselen gedragen door de beschikkende teksten die in het Waalse Gewest van kracht zijn en die de inschakeling van werkzoekenden in het beroepsleven beogen, ofwel in het kader van het handvest over het inschakelingtraject ondertekend op 15 mei 1997, ofwel in het kader van elke andere overeenkomst die "AWIPH" mede ondertekend zou hebben, ofwel in het kader van een decreet of een reglementaire tekst;4° over de aangepaste uitrusting beschikken, alsmede over lokalen die toegankelijk zijn voor de begunstigden en de stagiairs;5° volgende stukken ter beschikking van "AWIPH" stellen : een jaarlijks activiteitenverslag volgens een schema dat door "AWIPH" is vastgelegd, uiterlijk tegen 15 februari van het jaar volgend op het afgelopen werkjaar.Daarin dienen te worden opgenomen : a) een analyse van het publiek dat het centrum bezoekt;b) een kwalitatieve evaluatie van de maatregelen die getroffen zijn om de algemene doelstellingen van het pedagogisch project bedoeld in artikel 915 te halen;c) een kwalitatieve evaluatie van de maatregelen die getroffen zijn om de doelstellingen die vooropgesteld zijn door de systemen voor inschakeling in het beroepsleven, bedoeld onder 3°, te halen;d) de resultaten die behaald zijn wat betreft het verwerven van de vaardigheden;e) de resultaten die behaald zijn over een periode van drie jaar wat betreft de vooruitgang geboekt door de stagiairs in de verschillende fases van de beroepsopleiding en wat betreft de opvolging en de inschakeling na opleiding;f) de kwantitatieve en de kwalitatieve evaluatie van de in het leven geroepen plaatselijke samenwerkingsverbanden;g) de kwantitatieve en de kwalitatieve evaluatie van de acties in verband met de voortgezette opleiding van het personeel bedoeld in artikel 919;h) een synthese van de werkzaamheden van de pedagogische raad en van de deelnemingsrad bedoeld in artikel 920, §§ 1 en 2;i) in voorkomend geval, de perspectieven waarin het pedagogisch project en/of het opleidingsaanbod aangepast kunnen worden;2° de jaarrekeningen van het afgelopen boekjaar, zoals omschreven door "AWIPH", uiterlijk tegen 31 januari van het jaar volgend op het boekjaar;6° opgericht zijn in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk overeenkomstig de wet van 27 juni 1921Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/07/1975 pub. 30/06/2010 numac 2010000387 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten3 over de verenigingen zonder winstoogmerk;7° onder de leden van de vereniging geen personeelsleden of met hen tot en met de derde graad verwante personen tellen voor meer dan één vijfde van de leden;8° in diens raad van bestuur geen personen tellen van hetzelfde gezin, echtgenoten, wettelijk samenwonenden en bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad, waarvan het aantal voor elk gezin hoger is dan één derde van het totaal aantal leden van de raad van bestuur, noch personen die deel uitmaken van het personeel van het centrum;de directeur van het centrum dient evenwel met raadgevende stem alle vergaderingen van de raad van bestuur in verband met de organisatie van het centrum bij te wonen, behalve voor de agendapunten waarvoor er een belangenconflict bestaat; 9° in hun raad van bestuur minstens één vertegenwoordiger van het bedrijfsleven tellen;10° geleid worden door een directeur. In geval van tekortkomingen of onregelmatigheden in de uitvoering van het mandaat dat aan de directeur is toevertrouwd overeenkomstig artikel 905, 12°, nodigt "AWIPH" de raad van bestuur bij aangetekend schrijven uit om de schikkingen te treffen die in die omstandigheden vereist zijn; 11° een boekhouding voeren overeenkomstig de bepalingen van de wet van 17 juli 1975Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/07/1975 pub. 30/06/2010 numac 2010000387 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten met betrekking tot de boekhouding en jaarrekening van de ondernemingen, en de uitvoeringsbesluiten daarvan; 12° de vakbondsafvaardiging de sociale balans zoals omschreven bij het koninklijk besluit van 4 augustus 1996 betreffende de sociale balans meedelen, alsmede het jaarlijks activiteitenverslag bedoeld onder 5.1°, de jaarrekeningen bedoeld onder 5.2°, het pedagogisch project bedoeld in artikel 916 en het plan voor voortgezette opleiding bedoeld in artikel 919; 13° een personeel tewerkstellen wiens functies, profielen en kwalificaties overeenstemmen met de functies, profielen en kwalificaties bedoeld in bijlage 90, behalve in de gevallen bepaald in de punten 2.2 en 2.3 van bijlage 93.

B. : Voorwaarden betreffende de begeleiding

Art. 913.De centra moeten minstens over het volgende begeleidingspersoneel beschikken : 1° een halve voltijds equivalent of een voltijds equivalent als de erkende uren meer bedragen dan 35 000, die het directeursambt uitoefent;2° een halve voltijds equivalent die belast is met administratieve taken;3° een halve voltijds equivalent die de functie van personeelslid bevoegd voor integratie in het beroepsleven uitoefent;4° een halve voltijds equivalent die de functie van maatschappelijk assistent uitoefent;5° een voltijds equivalent die de functie van opleider uitoefent, per schijf van 11 000 erkende uren;6° een halve voltijds equivalent die de functie van psycholoog uitoefent, in de centra die erkend zijn voor de ontwikkeling van een module voor bewustwording en inschakeling bedoeld in artikel 905, 2°, a), tweede streepje.

Art. 914.De centra moeten onder hun personeel een pedagogische coördinator tellen.

Die functie wordt uitgeoefend door de directeur of door een door laatstgenoemde afgevaardigde-opleider die onder diens verantwoordelijkheid handelt. In dit geval dient de opleider houder te zijn van het getuigschrift pedagogische bekwaamheid.

Het aantal uren dat aan de opdracht van de pedagogische coördinator besteed wordt, wordt door de directeur bepaald na advies van de pedagogische raad.

C. : Voorwaarden betreffende de pedagogie

Art. 915.De centra zijn ertoe verplicht een pedagogisch project uit te werken. Daarmee worden minstens volgende doelstellingen beoogd : 1° de begunstigden en de stagiairs helpen bij het bepalen en het verwezenlijken van hun socio-professioneel project;2° ervoor zorgen dat elke stagiair op zijn eigen leerritme een geïndividualiseerde opleiding volgt in functie van zijn behoeften en mogelijkheden;3° het mogelijk maken dat de stagiair een begeleiding krijgt die aangepast is aan zijn handicap, meer bepaald wat de uurregeling en de medische opvolging en/of de psychologische opvolging extra muros betreft;4° op een continue wijze de ontwikkeling van de stagiair waarnemen en evalueren ten opzichte van de regelingen die in het Waalse Gewest van kracht zijn, bedoeld in artikel 912, 3°.

Art. 916.In het pedagogisch project moeten aan bod komen : 1° de in aanmerking genomen einddoelen wat betreft de beroepsopleiding, een voorstel voor het aantal desbetreffende uren en hun verband met : a) het bestaan van het opleidingenaanbod in het Waalse Gewest en de toegangsmogelijkheden voor de gehandicapte personen tegenover dat aanbod;b) de perspectieven van de arbeidsmarkt in de desbetreffende sector;2° het model voor de toelatingstest bedoeld in artikel 929, derde lid, waarbij per einddoel de vooraf bepaalde vereisten geëvalueerd worden, alsmede de afstemming van de per centrum ontwikkelde methodologieën op diens project;3° de beoogde beroepsopleidingsprogramma's, met bepaling van : a) de noodzakelijke vooraf bepaalde vereisten;b) de beoogde algemene doelstellingen;c) de inhoud van de te ontwikkelen vaardigheden, omschreven in te bereiken operationele doelstellingen;d) de modaliteiten van de tussentijdse evaluatie;e) de modaliteiten voor de evaluatie van de algemene doelstellingen en de mate waarin verwacht wordt dat deze beheerst worden. De beroepsopleidingsprogramma's met betrekking tot het aanleren van een beroep of van een functie bedoeld in artikel 905, 2°, c), moeten : a) uitgewerkt worden op grond van referenties inzake kwalificatie en tewerkstelling, in samenwerking met de overheidsdiensten bevoegd voor tewerkstelling en de sociale partners, in een Europese, federale, communautaire en gewestelijke optiek;b) gericht zijn op het behalen van een mate van beheersing van de algemene doelstellingen die de validering van de vaardigheden door de daartoe gemachtigde gewestelijke instellingen mogelijk maakt of die het in rekening brengen ervan in een certificeringproces mogelijk maakt;4° de in aanmerking genomen pedagogische methodes en het aantonen dat ze specifiek zijn ten opzichte van : a) de kenmerken en de behoeften van de stagiairs;b) de fases en de modaliteiten van de beroepsopleiding, meer bepaald wat betreft de afwisselende opleidingen bedoeld in artikel 905, 6°. De centra die productieactiviteiten ontwikkelen, moeten aantonen dat laatstgenoemden nauwkeurig aansluiten op de pedagogische doelstelling van de geïmplementeerde beroepsopleidingsprogramma's en voor de stagiairs van enig pedagogisch nut zijn; 5° de modaliteiten voor de pedagogische en sociale begeleiding van de stagiairs tijdens de hele duur van hun opleiding, alsmede de modaliteiten van de opvolging na opleiding;6° de afstemming van het organogram van het pedagogisch personeel en van de beoogde materiële middelen op het pedagogisch project. Indien de centra een beroep doen op ander personeel dan het personeel bedoeld in artikel 913 onder de voorwaarden bedoeld in de punten 2.3 en 2.3 van bijlage 93, dienen ze de profielen en de kwalificaties waaraan dat personeel moet beantwoorden, te bepalen, alsmede de specifieke rol die van dat personeel verwacht wordt; 7° de beschrijving van de samenwerkingsverbanden, zowel in het kader van de beroepsopleiding als in het kader van de opvolging na opleiding;8° de modaliteiten voor de evaluatie van het pedagogisch project en de implementering ervan;9° het verband tussen het pedagogisch project en de opdrachten omschreven in afdeling 2 van dit hoofdstuk.

Art. 917.De pedagogische coördinator bedoeld in artikel 914 heeft als opdracht toezicht te houden over de implementering van het pedagogisch project.

Die opdracht bestaat erin : 1° de werkzaamheden van de pedagogische raad bedoeld in artikel 920 te coördineren;2° de beroepsopleidingsprogramma's bedoeld in artikel 916, 3°, in overleg met de pedagogische raad uit te werken;3° de afstemming van de opleiding van de stagiair op de operationele doelstellingen bedoeld in artikel 916, 3°, c, te controleren;4° de verantwoordelijkheid voor de implementering van het plan voor voortgezette opleiding bedoeld in artikel 919 op te nemen;5° de communicatie met de Directie opleidingen van "AWIPH" in te vullen, met het oog op een gemeenschappelijke pedagogische cultuur;6° samen met "AWIPH" en de pedagogische coördinatoren van alle centra een gemeenschappelijk beleid op het vlak van beroepsopleiding uit te werken.

Art. 918.§ 1. Voor elke stagiair maakt het centrum een pedagogisch dossier op waarin minstens melding gemaakt wordt van : 1° de resultaten die behaald zijn bij de toelatingstest bedoeld in artikel 932, derde lid;2° de doelstellingen en het proces van de opleiding, alsmede van de modaliteiten voor de daarop betrekking hebbende evaluatie. Over het opleidingsproces wordt tussen het centrum en de stagiair onderhandeld. Voor de periodes waarin een opleiding in een bedrijf plaatsvindt, wordt er onderhandeld tussen het centrum, de stagiair en het opleidingsbedrijf; 3° de maandelijkse tussentijdse evaluaties;4° het uiteindelijke evaluatieverslag waarin de stand van zaken wordt opgemaakt wat betreft de vaardigheden van de stagiair aan het eind van de opleiding;5° een opname van de aanwezigheden van de stagiair in het centrum en in het opleidingsbedrijf;6° in voorkomend geval, de overeenkomst betreffende de overeenkomst na opleiding;7° de resultaten van een eventuele inschakeling na opleiding. § 2. Het pedagogisch dossier wordt uitgewerkt en opgevolgd in onderlinge samenwerking met de stagiair en, in voorkomend geval, met het opleidingsbedrijf. Het kan op verzoek van één der partijen worden herzien.

Art. 919.§ 1. Het bedrijf voor aangepast werk maakt voor het kaderpersoneel een vormingsprogramma op dat minimum twee jaar duurt.

Dat plan berust op het pedagogisch project bedoeld in de artikelen 915 en 916.

Het wordt opgebouwd in de pedagogische raad bedoeld in artikel 920, § 1, en het bepaalt de nagestreefde doelstellingen.

Het omschrijft de banden tussen de globale omgeving van de dienst, de dynamiek van het project van de dienst en de ontwikkeling van de vaardigheden van het personeel. Het definieert de evaluatiecriteria, -modaliteiten en de periodiciteit ervan voor die drie aspecten. § 2. Wat betreft de ontwikkeling van de technische vaardigheden, beoogt het opleidingsplan de bijwerking van de vaardigheden van de opleiders en de personeelsleden bevoegd voor de beroepsintegratie tegenover de evoluerende behoeften van de bedrijven. § 3. Wat betreft de pedagogische vaardigheden, wordt het opleidingsplan opgemaakt op grond van de behoeften van het centrum op dat vlak. Het wordt aan "AWIPH" overgemaakt volgens de modaliteiten die door laatstgenoemde zijn vastgelegd. "AWIPH" brengt ze samen, onder de voorwaarden bepaald door diens beheerscomité, in de opleidingsprogramma's die het instelt ter attentie van het personeel van de erkende en gesubsidieerde diensten.

Het personeel bedoeld in § 1 wordt ertoe verplicht aan de opleidingsmodules die door "AWIPH" worden georganiseerd, deel te nemen.

Art. 920.§ 1. Het centrum wordt voorzien van een pedagogische raad waarin de directeur, het pedagogisch, het maatschappelijk en het integratiepersoneel zetelen.

Die raad is ermee belast, een met redenen omkleed advies uit te brengen over : 1° het pedagogisch project zoals het aan "AWIPH" zal worden voorgelegd;2° het investeringsprogramma dat aan het pedagogisch materieel gekoppeld is;3° het plan voor de voortgezette opleiding van het personeel, bedoeld in artikel 919; 4° het jaarlijkse activiteitenverslag bedoeld in artikel 912, 5.1° ; 5° het aantal uren betreffende de opdracht van de pedagogische coördinator bedoeld in artikel 914 die door de directeur voorgedragen wordt. De pedagogische raad vergadert minstens vier keer per jaar. Het wijst in eigen kring een werker aan die ermee belast wordt toe te zien op het vlotte verloop van de werkzaamheden en op de zorgvuldige informatieverlening aan elke deelnemer. § 2. Het centrum wordt voorzien van een deelnemingsrad waarin de stagiairs die een beroepsopleiding en een opvolging na opleiding volgen, en de leden van de pedagogische raad samenkomen.

Die raad zorgt ervoor dat de stagiairs aan een periodiek overleg deelnemen in verband met het verloop van hun opleiding en met hun evolutie ten opzichte van de systemen bedoeld in artikel 912, 3°.

De deelnemingsraad vergadert minstens vier keer per jaar. Het wijst in eigen kring een werker aan die ermee belast wordt toe te zien op het vlotte verloop van de werkzaamheden en op de zorgvuldige informatieverlening aan elke deelnemer.

Onderafdeling 2 - Toekenningsprocedure

Art. 921.Samen met de erkenningsaanvraag wordt een dossier opgestuurd waarin verplicht melding wordt gemaakt van : 1° de statuten van het centrum;2° het huishoudelijk reglement bedoeld in artikel 467, 13°, en waarin minstens volgende clausules opgenomen zijn : a) de uurregeling van de theoretische en de praktische cursussen;b) de lijst van de verlofdagen;c) de modaliteiten voor de toewijzing van de vergoedingen van de stagiair en de bijdragen in de reis- en verblijfkosten;d) de verplichtingen inzake veiligheid en hygiëne;e) de verplichting voor de stagiair om zich aan het onderzoek door de arbeidsgeneesheer waarmee het centrum voor beroepsopleiding samenwerkt, te onderwerpen, alsmede om zich aan de vaccinaties die krachtens de regelgeving opgelegd zijn, te onderwerpen;f) de modaliteiten voor de organisatie van de pedagogische raad en van de deelnemingsrad bedoeld in artikel 920;g) de eventuele beroepsprocedures die de stagiair kan inschakelen voor elke sanctie of maatregelen die tegen hem zou worden getroffen;h) de voorwaarden waaronder het huishoudelijk reglement gewijzigd kan worden;3° het pedagogisch project bedoeld in de artikelen 915 en 916 en het advies terzake door de vakbondsafvaardiging uitgebracht;4° een lijst van het personeel dat tewerkgesteld wordt door het centrum met vermelding voor elk personeelslid van diens kwalificaties alsmede van zijn functies in het centrum;5° wat betreft de directeur, een bewijs van goed zedelijk gedrag, vrij van veroordelingen tot correctionele straffen betreffende misdrijven die onverenigbaar zijn met de functie, of tot criminele straffen;6° het plan voor de voortgezette opleiding van het personeel, bedoeld in artikel 919;7° een afschrift van de overeenkomsten waarmee de implementering van de samenwerkingsverbanden bedoeld in artikel 906, 2°, worden geconcretiseerd;8° een met redenen omkleed advies van het subgewestelijk comité voor tewerkstelling en vorming over de relevantie van de te ontwikkelen einddoelen, al naar gelang van de mogelijkheden voor de reconversie op de arbeidsmarkt.Indien er geen advies wordt voorgelegd binnen een termijn van twee maanden, wordt het advies als gunstig beschouwd; 9° een met redenen omkleed advies van de bevoegde subgewestelijke coördinatiecommissie bedoeld in artikel 297 van het tweede deel van het decreetgevend deel van het Wetboek over de geschiktheid van de organisatie van de gewenste opleidingen ten gunste van de gehandicapte personen.Indien er geen advies wordt voorgelegd binnen een termijn van twee maanden, wordt het advies als gunstig beschouwd; 10° een investeringsprogramma voor de komende drie jaar; 11° het recentste jaarlijkse activiteitenverslag bedoeld in artikel 912, 5.1° ; 12° de verbintenis om zich aan het toezicht door "AWIPH" te onderwerpen, overeenkomstig onderafdeling 7 van deze afdeling.

Art. 922.Indien het beheerscomité van "AWIPH" krachtens artikel 472 op grond van het dossier bedoeld in artikel 921 beslist, worden minstens volgende criteria in acht genomen : 1° de samenhang tussen het pedagogisch project bedoeld in de artikelen 915 en 916 en de opdrachten bedoeld in afdeling 2 van dit hoofdstuk;2° de kwaliteit en de relevantie van de pedagogische methodes die in aanmerking zijn genomen rekening houdend met het specifiek karakter van de opgevangen bevolkingsgroep;3° het bestaan van het opleidingenaanbod in het Waalse Gewest en de mogelijkheden voor de gehandicapte personen om toegang tot dat aanbod te krijgen;4° de arbeidsmarktperspectieven in de ontwikkelde bedrijvigheidsector;5° de strategie van het centrum in termen van organisatie, van pedagogische en sociale opvolging, opvolging na opleiding, inschakeling na opleiding en bijdrage van de begeleidingsploeg van het centrum tot de toekomstige inschakeling van de stagiairs;6° de naleving van de beginselen vastgeschreven in de systemen bedoeld in artikel 912, 3°. Onderafdeling 3 - Berekening van het aantal erkende uren

Art. 923.Het centrum wordt erkend op grond van de voorwaarden bedoeld in onderafdeling 1 van deze afdeling en krijgt een aantal erkende uren.

Art. 924.Het globaal aantal erkende uren voor elk centrum is vastgelegd in bijlage 92.

Voor het eerste erkenningsjaar wordt dat aantal uren door "AWIPH" per einddoel opgedeeld, op grond van de bestaande toestand zoals deze bestaat op 1 januari 2003. Voor de twee volgende jaren wordt dat aantal uren door "AWIPH" opgedeeld in functie van de verschillende einddoelen en/of fases bedoeld in artikel 905, 2°, op grond van de voorstellen omschreven in het pedagogisch project bedoeld in de artikelen 915 en 916 en die uiterlijk op het einde van het eerste erkenningsjaar aan "AWIPH" worden overgemaakt. Bij ontstentenis wordt de erkenning van het centrum door "AWIPH" ingetrokken.

Art. 925.§ 1. Onverminderd artikel 924 betreffende de eerste drie erkenningsjaren wordt aan elk centrum een aantal erkende uren toegekend.

Het totaal aantal uren voor alle centra samen mag niet meer bedragen dan 863 811.

Dat totaal aantal uren wordt verdeeld in functie van het bezoekcijfer dat in elk centrum per stagiair wordt verwezenlijkt per einddoel en/of per fase bedoeld in 905, 2°.

Voor de begunstigden wordt dat cijfer bepaald op grond van een maandelijkse opname van de gepresteerde en daarmee gelijkgestelde uren, binnen de perken bepaald in de artikelen 907, § 1, en 910.

Voor de stagiairs wordt dat cijfer bepaald op grond van het aantal gepresteerde en daarmee gelijkgestelde uren die op de maandelijkse prestatiestaten worden vermeld, zonder dat dat aantal meer mag bedragen dan 1 824 uren per jaar per stagiair.

De daadwerkelijke en de gelijkgestelde prestaties bedoeld in het vierde en het vijfde lid worden in rekening gebracht op grond van een wekelijkse dienstregeling van 38 gepresteerde uren.

Indien de wekelijkse dienstregeling minder dan 38 gepresteerde uren bedraagt, kan op de daadwerkelijke en gelijkgestelde prestaties een valoriseringscoëfficiënt toegepast worden die door "AWIPH" bepaald wordt en waarbij rekening gehouden wordt met het arbeidsstelsel van het begeleidingspersoneel zoals bestaande op 1 januari 2003. § 2. Naast het aantal uren bedoeld in § 1 zijn in het bezoekcijfer eveneens inbegrepen : 1° de opvolging door een opleider van een begunstigde of van een stagiair die door een door "AWIPH" erkende omscholingsovereenkomst gebonden is, die forfaitair gevaloriseerd wordt à rato van 40 uur per maand;2° de opvolging na opleiding bedoeld in artikel 905, 10°, en waarvoor een overeenkomst is opgemaakt, die maximaal gevaloriseerd wordt à rato van 144 uur;3° volgens de modaliteiten bedoeld in § 1e,de beroepsopleiding van de andere personen dan de begunstigden en de stagiairs, binnen de perken bepaald in artikel 912, 1°, en voorzover de beroepsopleiding niet financieel gedragen wordt door "AWIPH".

Art. 926.Met het oog op de toepassing van artikel 925 wordt om de vijf jaar per einddoel het jaargemiddelde van het bezoekcijfer per periode berekend.

Als het gemiddelde waarvan sprake in vorig lid gelijk is aan of hoger is dan 75 % van het voorheen erkende uurvolume, komt het centrum voor hetzelfde uurvolume in aanmerking voor de volgende erkenning. Dat cijfer wordt op 60 % teruggebracht in de gevallen waarin het centrum voor het eerst één van de fases bedoeld in artikel 905, 2°, a), tweede streepje, en b) tot c) in werking heeft gesteld.

Als dat gemiddelde lager is dan 65 % van het uurvolume, staat het aantal erkende uren voor de periode van de nieuwe erkenning gelijk met 125 % van het werkelijke bezoek zoals waargenomen na afloop van de voorgaande erkenningsperiode.

Als dat gemiddelde minstens gelijk is aan 65 % en lager is dan 75 % van het uurvolume, kan "AWIPH" op verzoek van het centrum en volgens criteria die het zelf bepaalt het bereikte aantal uren vermeerderen in functie van het verwezenlijkte inschakelingcijfer.

Art. 927.Met het oog op de toepassing van artikel 926 wordt om de vijf jaar per einddoel het jaargemiddelde van het bezoekcijfer per periode berekend.

Daartoe wordt rekening gehouden met het aantal overeenkomsten voor opvolging na opleiding bedoeld in artikel 905, 10°, die afgesloten zijn in elk einddoel met de personen die de fase van het aanleren van een beroep of een functie bedoeld in artikel 905, 2°, c), hebben gevolgd.

Gelijkgesteld met de overeenkomsten voor opvolging na opleiding worden de inschakelingen na opleiding bedoeld in artikel 905, 11°, waaraan geen overeenkomst is voorafgegaan.

Het aantal overeenkomsten dat is afgesloten na afloop van elke erkenningsperiode dient gelijk te zijn aan of hoger te zijn dan 75 % van het aantal personen die de fase bedoeld in artikel 905, 2°, c), hebben gevolgd.

Het te bereiken inschakelingcijfer is de uitkomst van de vermenigvuldiging van het werkelijke percentage der afgesloten overeenkomsten met één der volgende percentages, in functie van het werkloosheidscijfer per arrondissement waarin het centrum zich bevindt :

Werkloosheidspercentage;

Percentage inschakeling na opleiding

Van 4 tot 6 %

80 %

Van 7 tot 9 %

70 %

Van 10 tot 12 %

60 %

Van 13 tot 14 %

55 %

Van 15 tot 17 %

50 %

Van 18 tot 20 %

45 %

Van 21 tot 22 %

40 %

Van 23 tot 25 % en hoger

35 %


Als het aantal afgesloten overeenkomsten lager is dan 75 % van het aantal personen die de fase bedoeld in artikel 905, 2°, c), hebben gevolgd of als het inschakelingcijfer lager is dan het cijfer dat berekend is overeenkomstig het vijfde lid, wordt het centrum ertoe verplicht "AWIPH" binnen de zes maanden na hernieuwing van de erkenning een heroriënteringplan voor het (de) betrokken einddoel(en) voor te leggen. Bij ontstentenis wordt de erkenning ingetrokken voor het (de) betrokken einddoel(en) alsmede eventueel voor de betrokken uren.

Onderafdeling 4 - Toelating van de begunstigden A. : Voorwaarden

Art. 928.Naast de algemene ontvankelijkheidsvoorwaarden die elke door een begunstigde ingediende aanvraag moet vervullen voor een beroepsopleiding, onderzoekt het bevoegde gewestelijk bureau van "AWIPH" : 1° of de begunstigde niet meer onder de leerplicht valt;2° of de begunstigde al dan niet in staat is om de opleidingen voorgesteld door de opleidingsmedewerkers en die op de gehele bevolking gericht zijn te volgen, omdat ze minder aangepast zijn wegens : a) de ontoegankelijkheid van de accommodatie voor de begunstigde;b) het niet bezitten door de begunstigde van een basis- of schoolopleiding zoals vereist;c) het feit dat zij na afloop van een tegensprekelijk debat tussen het bevoegde gewestelijke bureau van "AWIPH" en de begunstigde als minder gunstig voor de ontplooiing van laatstgenoemde en voor diens persoonlijke ontwikkeling worden beschouwd;d) het feit dat zij gebaseerd zijn op een methodologie en/of pedagogie die weinig of niet aangepast is aan de begunstigde.

Art. 929.Indien de voorwaarden bedoeld in artikel 928 vervuld zijn, wordt de fase van het integratieproces bedoeld in artikel 905, 2°, waarin de begunstigde zich moet inschrijven door het bevoegde gewestelijke bureau van "AWIPH" in onderlinge samenwerking met het eventueel gepolste centrum aangewezen : 1° als blijkt dat de begunstigde zijn beroepsproject wenst te verduidelijken of dat het wenselijk geacht wordt dat de begunstigde met de concrete invulling van het beroep geconfronteerd wordt : a) geeft het gewestelijk bureau zijn toelating voor de inschrijving van de begunstigde in een bewustwordings- en inschakelingmodule zoals bedoeld in artikel 905, 2°, a), of stelt hem voor om zich tot de oriëntatie- en balanseenheden van de Gemeenschaps- en Gewestdienst voor Beroepsopleiding en Arbeidsbemiddeling (FOREm) te richten, waarbij laatstgenoemde eenheden overnemen;b) stelt het gewestelijk bureau hem voor om een onderdompelingsperiode zoals bedoeld in artikel 905, 2°, a), te volgen.In dat geval onderwerpt het gewestelijk bureau de begunstigde aan een onderzoek dat verricht wordt door de dienst van de arbeidsgeneeskunde erkend door het benaderde centrum om zich te kunnen uitspreken over eventuele medische tegenindicaties; 2° als blijkt dat de begunstigde een duidelijk beroepsproject voor ogen heeft zonder dat hij evenwel over de noodzakelijke vooraf vereiste vaardigheden beschikt voor het aanvangen van een kwalificerende opleidingsfase, staat het gewestelijk bureau toe dat hij ingeschreven wordt in een vooropleidingfase zoals bedoeld in artikel 905, 2°, b);3° als blijkt dat de begunstigde een duidelijk beroepsproject voor ogen heeft en dat hij over de noodzakelijke vooraf vereiste bekwaamheden beschikt, wordt hij door het gewestelijk bureau onderworpen aan een medisch onderzoek door de arbeidsgeneeskundige dienst die door het gepolste centrum erkend is, met als doel zich uit te spreken over eventuele medische tegenaanwijzingen. Indien deze dienst een negatieve beslissing treft, wordt door het gewestelijk bureau aan de begunstigde een beslissing tot weigering voor de in het vooruitzicht gestelde opleiding medegedeeld en wordt over een nieuwe oriëntatie nagedacht.

Indien deze dienst een positieve beslissing treft, wordt de begunstigde door het gewestelijk bureau aan een toelatingstest onderworpen in het gepolste centrum.

Daarnaast laat het gewestelijk bureau, als de begunstigde wenst zijn opleidingsproject aan de werkelijke invulling van het in het vooruitzicht gestelde beroep te toetsen, toe dat hij voor een onderdompelingperiode wordt ingeschreven zoals bedoeld in artikel 905, 2°, a), eerste streepje. In dat geval vindt de toelatingstest in die periode plaats. In de daarop volgende week wordt het verslag, dat wordt opgemaakt volgens een door "AWIPH" vastgesteld schema, aan het gewestelijk bureau overgemaakt.

Art. 930."AWIPH" beschikt over een termijn van vijfenveertig dagen om de procedures bedoeld in de artikelen 928 en 929 door te voeren.

Art. 931.Indien de begunstigde voor de toelatingstest slaagt, geeft het gewestelijk bureau van "AWIPH" kennis van een beslissing tot toelating tot de gepolste opleiding aan betrokkene.

Indien de begunstigde niet voor de toelatingstest slaagt, geeft het gewestelijk bureau van "AWIPH" kennis van een beslissing tot weigering van de toelating tot de vooropgestelde opleiding aan betrokkene en stelt hem voor om een vooropleiding of een bewustwordings- en inschakelingmodule te volgen of, in voorkomend geval, denkt met hem na over een andere oriëntatie.

Art. 932.In het geval van de voortgezette opleiding bedoeld in artikel 905, 2°, d), wordt geen nieuwe beslissing van het bevoegde gewestelijk bureau van "AWIPH" vereist als de begunstigde al het voorwerp is van een gunstige beslissing inzake beroepsintegratie die nog steeds geldig is.

B. : Contract

Art. 933.Om de opdrachten bedoeld in afdeling 2 van dit hoofdstuk uit te voeren, sluiten de centra met de begunstigden een overeenkomst af in de zin van artikel 893, 4°. Die overeenkomst dient door "AWIPH" aanvaard te worden. Bij ontstentenis kan het centrum geen aanspraak maken op de subsidiëring bedoeld in onderafdeling 5 van deze afdeling.

Art. 934.De overeenkomst wordt schriftelijk afgesloten en opgesteld in drie exemplaren, waarvan één overgemaakt wordt aan elke partij en één aan "AWIPH".

Art. 935.De overeenkomst kan voor elke periode, module of inwerkingscyclus bedoeld in de artikelen 907, § 3, 908 en 909, § 1, niet meer bedragen dan de maximumduur vastgelegd in deze bepalingen.

Art. 936.In de overeenkomst worden bepaald : 1° de identiteit of de benaming en de woonplaats of de zetel van de partijen;2° de aanvangsdatum en de duur van de overeenkomst;3° het voorwerp van de overeenkomst;4° de respectievelijke verplichtingen van de partijen, opgesomd in de artikelen 937 en 938.

Art. 937.Het centrum moet : 1° de stagiair een echte beroepsopleiding geven, waarvoor hij de nodige theoretische en praktische beroepskennis moet opdoen;2° de eventuele uitrusting voor de opleiding, meer bepaald het materieel, het gereedschap, de werkkledij en de in goede staat van werking verkerende en regelmatig onderhouden veiligheids- en beschermingsuitrustingen ter beschikking van de stagiair te stellen;3° erover waken dat de overeenkomst goed wordt uitgevoerd, het gedrag van de stagiair waarnemen met het oog op de beoordeling van diens evolutie en de waarnemingen mededelen zowel aan de stagiair als aan de afgevaardigde van het "AWIPH";4° de stagiair een opvolging na opleiding voorstellen en daar op zijn verzoek voor zorgen;5° zorgvuldig waken over de gezondheid en de veiligheid van de stagiair;6° vermijden dat de stagiair taken worden opgelegd die vreemd zijn aan het beroepsopleidingproces of die een gevaar inhouden voor diens veiligheid en gezondheid of die verboden zijn krachtens de arbeidswetgeving;7° de stagiair in die hoedanigheid inschrijven in het personeelsregister;8° de stagiair de vergoedingen betalen bedoeld in artikel 956 alsmede de reis- en verblijfkosten, die berekend worden overeenkomstig het ministerieel besluit van 9 april 1964 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder de lasten die voor de mindervaliden voortvloeien uit de verplaatsing naar en het verblijf op de plaats die aangewezen werd voor hun beroepsopleiding, omscholing of herscholing, worden gedragen door "AWIPH";9° het bewijs leveren dat het ten overstaan van de stagiair de verplichtingen nakomt die voortvloeien uit de op het centrum toepasselijke wets-, decretale of regelgevende bepalingen, meer bepaald de bepalingen voortvloeiende uit de wet op de sociale zekerheid der werknemers, op de schadevergoeding voor arbeidsongevallen of beroepsziekten, op de wettelijke feestdagen, de arbeidsregelgeving, het welzijn van de werknemers bij de uitoefening van hun taak en op de betaling van de vergoedingen; 10° "AWIPH" onmiddellijk in kennis stellen van iedere betwisting i.v.m. de uitvoering van de overeenkomst; 11° de vordering van de opleiding met de stagiair, de afgevaardigde van "AWIPH" en, in voorkomend geval, het opleidingsbedrijf bespreken, minstens één maand vóór de contractueel voorziene einddatum;12° de stagiair aan het einde van diens overeenkomst een attest afleveren waarin de duur en de aard van diens overeenkomst worden vermeld.

Art. 938.De stagiair moet : 1° alles in het werk stellen om de beroepsopleiding tot een goed einde te brengen;2° zich schikken naar het huishoudelijk reglement en, in voorkomend geval, het vertrouwelijkheidbeginsel in verband met de informatie waartoe hij toegang zou hebben gehad, naleven;3° de welvoeglijkheid en de goede zeden in acht nemen;4° de veiligheids- en hygiënevoorschriften naleven;5° handelen overeenkomstig de instructies die hem door het centrum of het opleidingsbedrijf zijn gegeven met het oog op de uitvoering van zijn contract;6° het gereedschap, de uitrusting, het materieel en de niet-gebruikte grondstoffen die hem door het centrum zijn toevertrouwd, in goede staat teruggeven; 7° "AWIPH" onmiddellijk in kennis stellen van iedere betwisting i.v.m. de uitvoering van de overeenkomst; 8° deelnemen aan de evaluatie bedoeld in artikel 937, 11°.

Art. 939.Het bevoegde gewestelijk bureau van " AWIPH " moet : 1° de overeenkomst aanvaarden;2° indien de evaluatie bedoeld in artikel 937,11°, positief is, de verlenging van de overeenkomst voor de duur bepaald in het opleidingsprogramma aanvaarden;3° het bedrag van de vergoedingen en van de reis- en verblijfkosten vastleggen zoals bedoeld in artikel 973,8° ;4° een overleggende rol tussen de partijen spelen, mocht er betwisting zijn.

Art. 940.§ 1. De uitvoering van de overeenkomst wordt geschorst indien één der partijen tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert om aan de overeenkomst uitvoering te verlenen, meer bepaald in geval van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of ongeval, moederschapverlof, wederoproeping onder de wapens, wegens een tijdelijke tewerkstelling of wegens het volgen van een aanvullende opleiding bij een andere opleidingsmedewerker.

De betrokken partij is ertoe verplicht het bewijs voor deze onmogelijkheid voor te leggen en, indien zij voortvloeit uit een arbeidsongeschiktheid van de stagiair, een medisch attest voor te leggen, uiterlijk de tweede werkdag volgend op de aanvang van de ongeschiktheid.

Indien de uitvoering van de overeenkomst geschorst wordt, wordt de overeenkomst met een periode van dezelfde duur als de schorsing verlengd door middel van een aanhangsel bij de overeenkomst.

Over de schorsing en de hervatting van de uitvoering van de overeenkomst tijdens de periode die gedekt wordt door de aanvankelijke overeenkomst of door een aanhangsel, dient "AWIPH" te worden ingelicht door het centrum, binnen een termijn van hoogstens tien kalenderdagen. § 2. De overeenkomst voorziet enkel in een proefperiode als de duur ervan gelijk is aan of meer bedraagt dan zes maanden.

In dat geval wordt de proefperiode op één maand vastgesteld. Deze periode wordt verlengd met de periodes waarin de uitvoering van de overeenkomst geschorst is.

Art. 941.§ 1. Onverminderd de algemene wijze waarop verplichtingen vervallen, wordt de overeenkomst vóór afloop van de voorziene termijn beëindigd indien "AWIPH" daarover wordt ingelicht : 1° als beide partijen het wensen;2° omdat één der partijen het tijdens de proefperiode aldus wil, ongeacht het ogenblik ervan;3° als er een gewichtige reden tot verbreking bestaat, zoals bedoeld in de artikelen 942 en 943;4° als de uitvoering van de overeenkomst meer dan drie maanden wordt opgeschort en één van de partijen wenst dat de overeenkomst wordt voortgezet;5° omdat het centrum het aldus wil, indien verschillende evaluaties zoals bedoeld in artikel 918, § 1, 3°, negatief blijken;in dat geval kan het centrum de overeenkomst verbreken middels een vooropzeg van zeven kalenderdagen die bij aangetekend schrijven mede wordt gedeeld en in werking treedt de maandag volgend op de week waarin de vooropzeg plaatsvond; 6° omdat de stagiair het aldus wil, indien hij een beroepsactiviteit in de privé-sector, bij de overheid of als zelfstandige aanvangt;7° wegens de ontbinding van het centrum;8° wegens overmacht, indien daardoor de uitvoering van de overeenkomst definitief onmogelijk is geworden;9° na kennisgeving aan de partijen bij ter post aangetekend schrijven van de intrekking van de aanvaarding van de overeenkomst door "AWIPH", indien één der partijen "AWIPH" valse of vervalste documenten heeft voorgelegd. § 2. Elke ongegronde verbreking kan ertoe leiden dat "AWIPH" de in dit hoofdstuk bedoelde diensten niet meer verstrekt aan de partij die verantwoordelijk is voor de verbreking.

Art. 942.De hierna vermelde omstandigheden vormen een ernstige, de stagiair toerekenbare reden voor de ontbinding van rechtswege van de overeenkomst : 1° indien hij zich schuldig maakt aan een daad van onrechtschapenheid, aan ernstige feitelijkheden of ernstige beledigingen aan het adres van het personeel van het centrum;. 2° hij hen opzettelijk materiële of immateriële schade berokkent bij de uitvoering van de overeenkomst;3° indien hij het vertrouwelijkheidbeginsel betreffende de informatie waartoe hij toegang zou hebben, overtreedt;4° in het algemeen, indien hij blijk geeft van ernstige tekortkomingen tegenover zijn verplichtingen in verband met de goede orde, de veiligheid en de discipline in het centrum of de uitvoering van zijn contract;5° indien hij herhaaldelijk afwezig blijft en daardoor, samengeteld, meer dan veertien werkdagen afwezig is.In dat geval kan de verbreking van de overeenkomst enkel worden ingeroepen na een waarschuwing die hem per aangetekend schrijven wordt toegestuurd; 6° indien de stagiair valse documenten heeft voorgelegd met het oog op het afsluiten van de overeenkomst.

Art. 943.De hierna vermelde omstandigheden vormen een ernstige, het centrum toerekenbare reden voor de ontbinding van rechtswege van de overeenkomst : 1° indien het zich schuldig maakt aan een daad van onrechtschapenheid, aan ernstige feitelijkheden of ernstige beledigingen;2° indien het vanwege derden dergelijke daden tegenover de stagiair duldt;3° zijn moraliteit in gevaar wordt gebracht in de loop van de overeenkomst;4° zijn gezondheid en veiligheid in de loop van de overeenkomst blootgesteld worden aan gevaren die hij niet kon voorspellen bij het sluiten ervan;5° in het algemeen, indien het centrum blijk geeft van ernstige tekortkomingen aan zijn verplichtingen in verband met de uitvoering van de overeenkomst. Onderafdeling 5 - Subsidiëring A. Subsidie voor werkingskosten

Art. 944.Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten erkent het Agentschap voor elk centrum betreffende elke erkenningsperiode een aantal forfaitair gesubsidieerde uren à 10,62 euro per uur. Het aldus verkregen bedrag vormt het jaarlijkse krediet van het centrum. Het aantal gesubsidieerde uren beantwoordt aan het aantal krachtens artikel 923 erkende uren.

Art. 945.Het forfaitaire uurbedrag bedoeld in artikel 944 wordt geïndexeerd overeenkomstig de wet van 1 maart 1977Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten4 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld en wordt gekoppeld aan de spilindex 12.936 van 1 maart 2002.

Art. 946.§ 1. Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten kan het jaarlijkse krediet van elk centrum aangepast worden om de verhogingen veroorzaakt door de ontwikkeling van de op 1 januari 2008 bepaalde geldelijke anciënniteit van hun begeleidingspersoneel te financieren als het bij de controle van de toelaatbaarheid door "AWIPH" van de in artikel 948 bedoelde lasten blijkt dat het krediet betreffende het boekjaar waarop de controle betrekking heeft, onvoldoende is om de nettowerkingsuitgaven met uitzondering van de lasten en buitengewone producten te dekken. § 2. Het jaarlijkse krediet wordt aangepast door het enerzijds te vermenigvuldigen met het uitgavenpercentage dat het centrum bij het betrokken boekjaar gebruikt heeft voor de financiering van de loonsom zonder 90 % van het jaarlijkse krediet te mogen overschrijden en, anderzijds, met het ontwikkelingspercentage van de brutoloonschalen exclusief indexering van de personeelsleden bezoldigd van 1 januari tot 31 december van het betrokken boekjaar. § 3. De in § 2 bedoelde loonsom bestaat uit de brutobezoldigingen, de sociale lasten, de eindejaarspremies en vakantiegelden, na aftrek van de tewerkstellingstegemoetkomingen die het centrum geniet.

Art. 947.Een bedrag dat overeenstemt met minstens 70 % van het jaarlijkse krediet wordt toegerekend aan de lasten van het personeel dat middels een arbeidsovereenkomst door het centrum wordt tewerkgesteld en aan het ereloon dat aan prestatieverleners gestort wordt die van buiten het centrum komend door laatstgenoemde aangesproken worden voor de uitvoering van administratieve, boekhoudkundige en onderhoudstaken.

Art. 948.De lasten die middels het jaarlijkse krediet worden gefinancierd, worden door "AWIPH" toegelaten op grond van de toelaatbaarheidsbeginselen betreffende de lasten bedoeld in bijlage 93.

De lasten van het personeel dat door het centrum wordt tewerkgesteld middels een arbeidsovereenkomst, worden in aanmerking genomen op grond van de functies, profielen, kwalificaties en weddeschalen die vastliggen in bijlage 90.

Die lasten zijn toelaatbaar op grond van de weddeschalen en volgens de berekeningsmethode van de anciënniteit die toepasselijk zijn op de werknemer krachtens de artikelen 13 en 17 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 16 september 2002 tot bepaling van de indeling van de functies en de bezoldigingsvoorwaarden voor de sectoren van de paritaire commissie betreffende de onder het Waalse Gewest ressorterende sociaal-culturele sector (versie van 16 september 2002).

Art. 949.De centra worden ertoe gemachtigd de eventuele inkomsten uit hun productie-activiteiten voor hun maatschappelijk doel aan te wenden, mist naleving van de toelaatbaarheidbeginselen voor de lasten bepaald in bijlage 93. De inkomsten uit de opleidingsactiviteit van de centra worden geheel door "AWIPH" teruggevorderd.

Art. 950."AWIPH" betaalt aan het begin van elk kwartaal 25 % van het jaarlijkse krediet uit.

De uitgaven van de centra worden jaarlijks aan een boekhoudkundige controle door de diensten van "AWIPH" onderworpen, waarbij laatstgenoemde in voorkomend geval het niet-gebruikte gedeelte van het jaarlijkse krediet terugvordert.

Art. 951.§ 1. Binnen de perken van de beschikbare kredieten verleent "AWIPH" een specifieke toelage aan de centra krachtens de kaderovereenkomst van 16 mei 2000 voor de Waalse non-profit sector om de financiering van de uit bedoelde overeenkomst resulterende weddeschaalharmonisering te waarborgen. § 2. "AWIPH" verdeelt de toelage onder de centra volgens onderstaande tabel.

IN EUR

van 1/10/00 tot 31/12/00

van 1/10/00 tot 31/12/01

van 1/10/00 tot 31/12/02

van 1/10/00 tot 31/12/03

van 1/10/00 tot 31/12/04

van 1/10/00 tot 31/12/05

9

Formios

636,15

3.115,67

3.727,93

5.865,98

8.380,32

9.859,20

11

Géronsart

485,64

1.834,76

4.690,39

4.360,21

8.302,15

9.767,23

18

CRT Tinlot

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

19

CERAT

823,90

4.596,64

6.647,89

9.185,41

10.996,59

12.937,16

23

Warchin

857,29

4.004,55

8.564,68

11.644,05

14.699,03

17.292,97

25

Le Mosan

719,03

4.864,10

7.419,93

11.029,20

15.264,53

17.958,27

26

Le Plope

947,69

3.933,02

8.635,04

10.363,95

13.976,63

16.443,10

27

CFP Pondromois

227,99

902,83

1.176,47

1.728,18

1.985,03

2.335,33

31

Le Tilleul

376,62

1.534,45

2.416,69

5.670,32

5.189,86

6.105,72

33

Aurélie

246,99

2.037,50

3.492,04

5.162,85

7.265,93

8.548,16

35

Polybat

878,91

3.872,07

8.610,73

11.716,04

17.632,48

20.744,09

38

Camec

213,80

2.160,25

3.716,37

6.088,59

7.465,33

8.782,74

41

Espace Formation

407,12

2.098,98

3.994,19

7.830,64

7.933,38

9.333,39

48

Le Réseau

491,74

1.609,48

2.723,39

4.421,74

5.227,24

6.149,82

7.312,86

36.564,29

65.815,73

95.067,17

124.318,60

146.257,18


Die bedragen zijn gekoppeld aan de schommelingen van de prijzenindex (gezondheidsindex), overeenkomstig de regels voorgeschreven bij de wet van 1 maart 1977Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten4 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld.

Ze worden gekoppeld aan basisindex 105,21 van 1 juli 2000. § 3. De toelage is die krachtens de Kaderovereenkomst van 16 mei 2000 ten gunste van de Waalse non-profit sector toegekend wordt dezelfde als die van 2005, onder voorbehoud van een wijziging die eventueel aangebracht zou worden bij de hernieuwing van de erkenning.

Art. 952.§ 1. Binnen de grenzen van de beschikbare begrotingskredieten, verleent "AWIPH", krachtens de driedelige raamovereenkomst voor de Waalse privé-non-profit sector 2007-2009 gesloten op 28 februari 2007, een specifieke jaarlijkse toelage aan de centra die onder die sector ressorteren, naar rato van het aantal erkende uren die zij krachtens dit besluit genieten, om de financiering te waarborgen van een bijkomende compenserende indienstneming of van één of meerdere uurroosteraanvullingen, verbonden aan de toekenning van bijkomende verlofdagen voor hun personeel. § 2. Het jaarlijks bedrag van de toelage bedoeld in § 1 bedraagt 80.114,05 EUR en is samengesteld als volgt : - een bedrag van 42.568,68 EUR, gebonden aan de schommelingen van het indexcijfer der comsuptieprijzen en gekoppeld aan het spilindexcijfer 1,0834 van december 2007 (coëfficiënt 1,4002). Dit bedrag wordt naar rato van de bedoelde maanden automatisch aangepast in de loop van de tweede maand na de overschrijding van de basisindex die als referentie dient voor de indexering van de lonen bij de overheid; - een bedrag van 37.545,37 euro, gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen en gekoppeld aan het spilindexcijfer 1,1272 van december 2008 (coëfficiënt 1,4860). Dit bedrag wordt naar rato van de bedoelde maanden automatisch aangepast in de loop van de tweede maand na de overschrijding van de basisindex die als referentie dient voor de indexering van de lonen bij de overheid. § 3. Indien het aantal uren bedoeld in de artikelen 923 tot 925 en in bijlage 92 niet wordt toegekend, wordt het gedeelte van het jaarlijks globaal bedrag bedoeld in § 2 betreffende de beschikbare uren voorbehouden voor het (de) centrum (a) voor beroepsopleiding dat (die) deze erkende uren zou krijgen. § 4. De centra kunnen de toegekende toelagen globaliseren om over een voldoende werktijd te beschikken om personeelsleden aan te werven die deel uitmaken van één van de centra of die een functie uitvoeren gemeen aan alle centra die de globalisering hebben aanvaard.

In dit geval sluiten de betrokken centra een overeenkomst tot overdracht van de toelage af. Deze wordt door het begunstigde centrum aan "AWIPH" ter voorafgaande goedkeuring overgezonden en gevoegd bij het dossier met bewijsstukken betreffende het gebruik van de toelage. § 5. De besteding van de toelage wordt jaarlijks aan een boekhoudkundige controle onderworpen door de diensten van "AWIPH", waarbij laatstgenoemd in voorkomend geval het niet-gebruikte gedeelte van de toelage terugvordert.

Art. 953.§ 1. Binnen de grenzen van de beschikbare begrotingskredieten, verleent "AWIPH", krachtens de driedelige raamovereenkomst voor de Waalse privé-non-profit sector 2007-2009 gesloten op 28 februari 2007, een specifieke jaarlijkse toelage om de financiering op zich te nemen van de syndicale premies van de werknemers van de centra voor beroepsopleiding die in aanmerking komen voor gesubsidieerde betrekkingen, met inbegrip van de APE, PTP en Maribel betrekkingen.

Voor de werknemers die reeds een vakbondspremie genieten, wordt de toelage beperkt tot het verschil tussen de reeds bestaande premie en de aan de ambtenaren toegekende premie, verhoogd met 2 euro voor de beheerskosten. § 2. De jaarlijkse toelage bedraagt 2.883,12 euro. § 3. De toelage wordt gestort aan de VZW "Fonds intersyndical des Secteurs de la Région wallonne" (BE 865.327.892). § 4. Voorafgaand aan de storting van de toelage, controleert "AWIPH" de betaling van de premies door het Fonds, op basis van een schuldvorderingsverklaring vergezeld van een afschrift van de bankoverschrijvingen.

De schuldvorderingsverklaring en de bijlagen moeten voor 1 september van elk jaar aan "AWIPH" worden overgemaakt, op straffe van onontvankelijkheid.

Art. 954.Binnen de perken van de beschikbare kredieten verleent het Agentschap een bijkomende toelage aan de centra voor de opleiding van hun werknemers krachtens de driedelige kaderovereenkomst voor de Waalse privé non profit sector 2010-2011, die op 24 februari 2011 is gesloten.

Die toelage van het eerste lid wordt toegekend op de volgende wijze : 1° in 2010 : 6.201,00 euro; 2° in 2011 : een bedrag van 6.273,35 euro.

Dat bedrag wordt geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1 maart 1977Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten4 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, en gekoppeld aan de spilindex 114,97 van april 2011 (basis 2004 = 100).

Het aan elk centrum te storten bedrag wordt bepaald op grond van zijn aantal erkende uren. § 2. De opleiding bedoeld in § 1 maakt deel uit van het opleidingsplan bedoeld in artikel 919. § 3. Bij de aanwending van de toelage bedoeld in het eerste lid besteden de centra aandacht : 1° bij voorrang aan de kwalificerende, classificerende en certificerende opleiding;2° aan de voortgezette opleiding ten aanzien van de uitgeoefende functie;3° in het bijzonder aan de vervanging van de werknemer in opleiding.

Art. 955.Binnen de perken van de beschikbare kredieten verleent "AWIPH" krachtens de driedelige kaderovereenkomst voor de Waalse privé non-profit sector 2010-2011, die op 24 februari 2011 is gesloten, een bijkomende toelage aan de centra met het oog op de toekenning aan hun werknemers van een toeslag bovenop de eindejaarspremie, werkgeverslasten inbegrepen.

Die toelage van het eerste lid wordt toegekend op de volgende wijze : 1° in 2010 : 23.992,00 euro; 2° in 2011 : een bedrag van 24.271,91 euro.

Dat bedrag wordt geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1 maart 1977Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten4 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, en gekoppeld aan de spilindex 114,97 van april 2011 (basis 2004 = 100).

Voor de jaren 2010 tot 2012 verdeelt "AWIPH" deze toelage onder de centra volgens de tabel opgenomen in bijlage 94.

Vanaf het jaar 2013 wordt de verdeling van het aan elk bedrijf voor aangepast werk te storten bedrag bepaald op grond van het aantal voltijdsequivalent werknemers ervan, vastgelegd op 31 december van het vorige boekjaar.

B. Subsidiëring van de vergoedingen van de stagiair

Art. 956.De vergoedingen van de stagiair bestaan uit : 1° een basisvergoeding;2° een aanvullende premie.

Art. 957.De basisvergoeding bedoeld in artikel 956, 1°, wordt vastgesteld op 40 % van het gemiddeld minimum- maandinkomen zoals gewaarborgd bij de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988, ondertekend in de Nationale Arbeidsraad.

Het bedrag bedoeld in vorig lid wordt op 60 % gebracht indien de stagiair het bewijs levert dat hij zich in één der volgende toestanden bevindt : 1° samenwonen met een persoon van wie de inkomsten lager zijn dan het forfaitaire bedrag van de werkloosheidsuitkeringen voor samenwonenden;2° samenwonen, zonder echtgeno(o)t(e) en uitsluitend met : a) één of meer kinderen, op voorwaarde dat hij voor ten minste één van hen aanspraak kan maken op kinderbijslag, of dat de inkomsten van de kinderen lager zijn dan het forfaitaire bedrag van de werkloosheidsuitkeringen voor samenwonenden;b) één of meer kinderen en andere bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad, op voorwaarde dat hij voor ten minste één van de kinderen aanspraak kan maken op kinderbijslag en dat de inkomsten van de andere bloed- of aanverwanten lager zijn dan het forfaitaire bedrag van de werkloosheidsuitkeringen voor samenwonenden;c) één of meer bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad van wie de inkomsten lager zijn dan het forfaitaire bedrag van de werkloosheidsuitkeringen voor samenwonenden.

Art. 958.De basisuurvergoeding is gelijk aan driemaal het in artikel 957 bedoelde basismaandbedrag, gedeeld door 13 x 38.

Art. 959.De basisvergoeding bedoeld in artikel 956, 1°, wordt verminderd met het bedrag van de wettelijke en regelgevende tegemoetkomingen die de stagiair worden toegekend, vastgesteld overeenkomstig artikel 960 en tegen 75 % van het bedrag ervan.

Art. 960.De wettelijke en regelgevende tegemoetkomingen waarvan sprake in artikel 959 zijn : 1° de pensioenen, alsmede alle plaatsvervangende voordelen dan wel de voordelen die als aanvulling worden toegekend : a) hetzij bij of krachtens een Belgische of een buitenlandse wet;b) hetzij door een overheid of een instelling van openbaar nut;2° de vergoedingen, toelagen en lijfrenten die toegekend worden aan slachtoffers van arbeidsongevallen of beroepsziekten, krachtens de wetgeving betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen of krachtens de wetgeving betreffende de schadevergoeding voor beroepsziekten en de voorkoming ervan;3° de vergoedingen die toegekend worden aan een gehandicapte persoon die het slachtoffer is van een ongeval, krachtens de artikelen 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, of krachtens elke andere gelijksoortige buitenlandse wetgeving;4° de uitkeringen voor arbeidsongeschiktheid, toegekend krachtens de wetgeving betreffende de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering;5° de werkloosheidsuitkeringen die toegekend worden krachtens de reglementering betreffende de tewerkstelling en de werkloosheid;6° de inkomensvervangende toelagen die toegekend worden in toepassing van de wet van 27 februari 1987Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten5 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten, of de gewone en bijzondere tegemoetkomingen die toegekend worden in toepassing van het koninklijk besluit van 17 november 1969 houdende algemeen reglement betreffende het toekennen van tegemoetkomingen aan de minder-validen;7° de belastbare beroepsinkomsten. Indien de bijdrage bedoeld in het eerste lid, 2°, uitbetaald wordt in de vorm van kapitaal of van terugkoopwaarde wordt artikel 30 van de wet van 27 februari 1987Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten5 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten toegepast.

Er wordt in geen enkel geval rekening gehouden met het gedeelte van de wettelijke of regelgevende bijdragen die als gezinsbijslag, als integratietoeslag in toepassing van voornoemde wet van 27 februari 1987Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten5 of als schadevergoeding voor de hulp van een derde in toepassing van het koninklijk besluit van 17 november 1969 houdende algemeen reglement betreffende het toekennen van tegemoetkomingen aan de mindervaliden worden toegekend.

Art. 961.De aanvullende premie bedoeld in artikel 956, 2°, wordt vastgesteld op 1,1040 euro per daadwerkelijk gepresteerd of daarmee gelijkgesteld uur.

Deze premie wordt geïndexeerd overeenkomstig de wet van 1 maart 1977Relevante gevonden documenten type wet prom. 10/07/2008 pub. 31/03/2011 numac 2011000186 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Gecoördineerde wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen type wet prom. 10/07/2008 pub. 04/06/2010 numac 2010000299 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen. - Duitse vertaling sluiten4 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk en is gekoppeld aan de spilindex 1.2936 van 1 maart 2002.

Art. 962.Het centrum is ertoe verplicht de vergoedingen bedoeld in artikel 956 regelmatig met niet meer dan één maand afstand te betalen.

Art. 963.§ 1. De sociale zekerheidsbijdragen die verschuldigd zijn door de stagiair worden ingehouden op de basisvergoeding zoals berekend in artikel 959 en op de aanvullende premie bedoeld in artikel 956, 2°, en door het centrum gestort aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid. § 2. De sociale zekerheidsbijdragen die door het centrum verschuldigd zijn, worden door het centrum aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid gestort als contract voor beroepsopleiding. § 3. Het centrum richt aan "AWIPH" een driemaandelijkse staat van de werkgeversbijdragen in de sociale zekerheid die het aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid gestort heeft.

Art. 964.Het centrum betaalt de premie verzekering-wet voor alle stagiairs samen en de arbeidsgeneeskundige kosten.

C. Infrastructuursubsidies

Art. 965.Voor de toepassing van dit punt wordt verstaan onder : het centrum : het beroepsopleidingscentrum zoals omschreven in artikel 905, eerste lid, 3°.

Art. 966.Overeenkomstig de bepalingen van dit punt kunnen de centra infrastructuursubsidies genieten binnen de perken van de daartoe voorziene begrotingskredieten.

Art. 967.De volgende investeringen kunnen het voorwerp uitmaken van infrastructuursubsidies : 1° de aankoop van een grond;2° de aankoop van een gebouw, met inbegrip van het terrein dat nodig is voor de werking van het centrum;3° de oprichting van een gebouw;4° de inrichting van een gebouw;5° de aankoop van uitrustingen;6° de aankoop van een voertuig dat nodig is voor de werking van het centrum, behalve dienstvoertuigen. De uitrusting bedoeld in het eerste lid, 5°, bestaat uit machines, meubilair en materieel waarvan de aankoopprijs hoger is dan 247,89 euro, excl. btw.

De uitrusting kan per partij besteld worden. Onder partij wordt verstaan : a) de gezamenlijke uitrustingsgoederen bestemd voor hetzelfde gebruik en die het voorwerp hebben uitgemaakt van een éénmalige globale bestelling;b) de gezamenlijke uitrustingsgoederen die nodig zijn voor de vlotte werking van één van hen;c) een globale bestelling van roerende goederen die een eenmalig functioneel geheel vormen.

Art. 968.De subsidie kan, bij wijze van uitzondering en na voorafgaande beslissing van het beheerscomité van "AWIPH", ook aangewend worden voor de terugbetaling, als kapitaal, van een lening die het centrum heeft gesloten voor de verwezenlijking van één van investeringen bedoeld in artikel 967, op voorwaarde dat de aankoopprijs ervan hoger is dan 50.000 euro, excl. btw.

Art. 969.De subsidies worden toegekend voor zover de volgende voorwaarden vervuld zijn : 1° het centrum leeft de gezamenlijke bepalingen van dit hoofdstuk na;2° het centrum verzekert het geheel van de gebouwen en de uitrusting tegen brand, bijkomende risico's en diefstal, en de machines tegen glasbreukrisico en diefstal; 3° het centrum verstrekt gegevens over de gebouwen i.v.m. de grondslag van de zakelijke rechten die "AWIPH" opeist als waarborg van de nakoming van de verplichtingen die in dit punt vastliggen.

Art. 970."AWIPH" bepaalt jaarlijks het maximumbedrag van de subsidies waarop elk centrum aanspraak kan maken. Dat bedrag stemt overeen met het erkende aantal opleidingsuren voor elk centrum, bedoeld in onderafdeling 3, van deze afdeling, vermenigvuldigd met 0,26 euro. "AWIPH" geeft elk centrum kennis van het jaarlijkse maximumbedrag waarop het recht heeft.

Als een centrum bovenbedoeld bedrag, dat hem overeenkomstig artikel 974 voor één boekjaar is uitbetaald, niet integraal opgebruikt, mag het het saldo naar de volgende boekjaren overdragen, ondanks de subsidie waarop het krachtens het eerste lid recht heeft voor die boekjaren.

Art. 971.Het subsidiebedrag wordt berekend als volgt : 1° het investeringsbedrag voor de oprichting van een gebouw, de inrichting ervan, de aankoop van uitrusting en de aankoop van een voertuig bedoeld in artikel 967 wordt met de btw verhoogd voor de centra die er niet aan onderworpen zijn;2° het investeringsbedrag voor de aankoop van een terrein en van een gebouw is gelijk aan het aankoopbedrag, verhoogd met de aktekosten, maar het aankoopbedrag mag niet hoger zijn dan de waarde geraamd door het Comité voor de aankoop van gebouwen of door de bevoegde ontvanger van de registratie. Als het aankoopbedrag hoger is dan de geraamde waarde, is het investeringsbedrag gelijk aan die waarde, verhoogd met de aktekosten die verminderd worden tot beloop van de verhouding tussen het aankoopbedrag en de geraamde waarde.

Art. 972.De subsidie is gelijk aan 80 % van het investeringsbedrag, berekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 971.

Art. 973.Het centrum bezorgt "AWIPH" uiterlijk 1 maart van het lopende jaar de zakelijke of persoonlijke zekerheden of de akten tot vestiging van zakelijke rechten waarbij de nakoming van de verplichtingen bedoeld in de artikelen 969, 981 en 984 wordt gewaarborgd.

Bij gebreke daarvan wordt het jaarlijkse maximumbedrag niet aan het centrum gestort.

Art. 974.In de loop van het eerste kwartaal van elk boekjaar stort "AWIPH" het jaarlijkse maximumbedrag op een rekening die door het centrum is geopend en die uitsluitend bestemd is voor verrichtingen betreffende krachtens dit besluit gesubsidieerde investeringen.

Art. 975.Binnen een maand na de kennisgeving van de storting van het jaarlijkse maximumbedrag bezorgt het centrum "AWIPH" in voorkomend geval een uitvoerig investeringsprogramma voor het lopende jaar.

Het investeringsprogramma bevat de volgende stukken : 1° de statuten van de VZW;2° de beraadslaging van de raad van bestuur van de VZW waarbij het jaarlijks investeringsprogramma wordt goedgekeurd;3° als de aanvraag onroerende investeringen betreft, het bewijs dat het centrum ter plaatse beschikt over een zakelijk recht of een recht van genot voor minstens 33 jaar;4° de aard en de nauwkeurige raming van de investeringskost;5° een dossier waarin de voorgestelde investeringen worden gerechtvaardigd op grond van een door "AWIPH" verstrekt schema, vergezeld van een advies van de pedagogische raad bedoeld in artikel 920;6° een attest waarbij bevestigd wordt dat de investeringen die in het investeringsprogramma voorkomen, nog niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een bestelling of een aankoop, onverminderd de toepassing van artikel 978;7° in geval van aankoop van een terrein, van aankoop van een gebouw of van oprichting van een gebouw, een uittreksel uit de kadastrale legger en, in voorkomend geval, een voorontwerp van de inrichtingswerken met de volgende gegevens : a) de plannen van de verschillende verdiepingen;b) een aanzicht van de gevels en de voornaamste doorsneden op 1 of 2 %;c) de opmeting van de te bebouwen, bestaande en per verdieping bebouwde bruto-oppervlakten;d) de lijst van de ramingen van de verschillende soorten technieken;8° een bankuittreksel waarbij de stand van de in artikel 974 bedoelde rekening wordt bevestigd;9° in voorkomend geval, een simulatie van het aflossingsplan opgesteld door de kredietinstelling in het kader van de lening bedoeld in artikel 968.

Art. 976.Als een door een centrum ingediend programma niet alle in artikel 975 bedoelde stukken bevat, wijst "AWIPH" het centrum binnen vijftien dagen bij aangetekend schrijven op de ontbrekende stukken.

Het centrum beschikt vanaf de datum van kennisgeving over maximum vijftien dagen om zijn dossier aan te vullen. Bij gebreke daarvan wordt het investeringsprogramma voor het bedoelde jaar niet in aanmerking genomen.

Art. 977.Een principiële toezegging, waarin de weerhouden investeringen en het bedrag ervan vermeld worden, wordt door "AWIPH" aan het centrum meegedeeld binnen een termijn van hoogstens drie maanden, met ingang van de vervaldatum van de termijn bedoeld in artikel 975. "AWIPH" spreekt zich uit over de gezamenlijke programma's van de centra rekening houdende met het feit dat de voorgestelde investeringen overeenstemmen met hun door "AWIPH" erkend pedagogisch project, bedoeld in de artikelen 915 en 916.

Art. 978.Bestellingen mogen niet plaatshebben of het bevel tot aanvatting van de werken mag niet gegeven worden vóór de kennisgeving van de principiële toezegging bedoeld in artikel 977. "AWIPH" mag van de bepaling van het eerste lid afwijken als het centrum hem een gemotiveerd verzoek toestuurt waarbij de noodzaak en het dringende karakter van de investering worden bevestigd : 1° hetzij omdat de noodzaak aangetoond werd door een instelling bevoegd inzake veiligheid of erkend door de inspectiedienst van "AWIPH";2° hetzij omdat de investering dient voor de vervanging van een uitrusting die nodig is voor de activiteit van het centrum en onverwacht onbruikbaar is geworden. "AWIPH" geeft het centrum kennis van zijn beslissing binnen maximum vijftien dagen, te rekenen van de datum van ontvangst van de aanvraag.

In geval van positieve beslissing wordt de investering in het investeringsprogramma van het volgende boekjaar opgenomen.

De investering mag hoe dan ook niet vóór de kennisgeving van de beslissing van "AWIPH" uitgevoerd worden.

Art. 979.Wat de aankoop van uitrusting betreft, maakt het centrum de originele factuur, het betalingsbewijs en het proces-verbaal van voorlopige oplevering over aan "AWIPH" binnen een termijn van drie maanden, te rekenen van de datum van kennisgeving van de principiële toezegging.

Wat de aankoop van een terrein of van een gebouw betreft, maakt het centrum de geregistreerde aankoopakte over aan "AWIPH" binnen een termijn van drie maanden, te rekenen van de datum van kennisgeving van de principiële toezegging.

Wat de aankoop van een terrein of de inrichting van een gebouw betreft, maakt het centrum in voorkomend geval de stedenbouwkundige vergunning, de eerste factuur, het betalingsbewijs en de desbetreffende en door het centrum goedgekeurde staat van vordering over aan "AWIPH" binnen een termijn van zes maanden, te rekenen van de datum van kennisgeving van de principiële toezegging.

Daarenboven maakt het centrum binnen een termijn van drie maanden, te rekenen van de datum van kennisgeving van de principiële belofte, het (de) in artikel 969 bedoelde verzekeringscontract(en) over en, in voorkomend geval, het door de kredietinstelling gecertificeerde afschrijvingsplan betreffende de lening bedoeld in artikel 968 en conform de simulatie bedoeld in artikel 975.

Voor bestellingen worden geen voorschotten betaald.

Om aangerekend te worden, moeten de materialen in gebruik genomen worden.

Als de termijnen die in dit artikel vastliggen niet in acht worden genomen, wordt de aan het centrum verleende principiële toezegging van ambtswege vernietigd.

Art. 980.Na afloop van de termijn bedoeld in artikel 979 geeft "AWIPH" elk centrum kennis van het bedrag van de subsidie bedoeld in artikel 972, alsook van de stand van de rekening bedoeld in artikel 974. De kennisgeving geldt als definitieve beslissing tot subsidiëring.

Art. 981.In geval van aankoop van een terrein voor de oprichting van een gebouw waarvoor een subsidie wordt toegekend, moet het centrum de bouw ondernemen binnen een termijn van drie jaar, te rekenen van de aankoopdatum.

Bij gebreke daarvan moet het centrum de subsidie integraal terugbetalen.

Art. 982.Aan het einde van elke periode van vijf jaar, waarvan de eerste ingaat op de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, controleert het Agentschap het gebruik van de toegekende subsidies en gaat het eventueel over tot de invordering van het saldo van de rekening bedoeld in artikel 974.

Het subsidiebedrag betreffende een investering die het voorwerp is van een principiële toezegging in de loop van het vijfde jaar en die aan het einde van dat jaar niet verricht is om een reden vreemd aan het centrum, is evenwel niet terugvorderbaar. Het centrum moet zijn onschuld bewijzen vóór het verstrijken van het vijfde jaar.

Als de investering nog steeds niet verricht is in de loop van het volgende jaar, wordt het bedrag hoe dan ook teruggevorderd aan het einde van dat jaar.

De door de rekening opgebrachte interesten worden jaarlijks door "AWIPH" gerecupereerd.

Art. 983.Het centrum laat de afgevaardigden van "AWIPH" ter plaatse nagaan of de aankopen, bouwwerken en inrichtingen overeenstemmen met de beslissing tot toekenning van de subsidie en te dien einde elk nuttig document inkijken.

Art. 984.Het centrum mag een gesubsidieerd goed niet aan zijn bestemming onttrekken noch de bestemming ervan wijzigen zonder de voorafgaande toestemming van "AWIPH".

Als een gesubsidieerd goed aan zijn bestemming wordt onttrokken of als de bestemming ervan zonder toestemming wordt gewijzigd, moet het centrum de ontvangen subsidie integraal terugbetalen.

Als een gesubsidieerd goed aan zijn bestemming wordt onttrokken of als de bestemming ervan met toestemming wordt gewijzigd, moet het centrum 80 % van de verkoopprijs terugbetalen aan "AWIPH", waarbij, maximum, het bedrag van de ontvangen subsidie en, minimum, het niet-afgeschreven gedeelte ervan.

Onderafdeling 6 - Terugbetaling van onkosten

Art. 985.Door "AWIPH" worden aan het centrum terugbetaald : 1° de vergoedingen bedoeld in artikel 956;2° de reis- en verblijfkosten die aan de stagiairs en aan de begunstigden worden gestort overeenkomstig de artikelen 1161 tot en met 1171;3° de werkgeversbijdragen in de sociale zekerheid bedoeld in artikel 963;4° de premie en de kosten bedoeld in artikel 964. Onderafdeling 7 - Controle

Art. 986.De Directie opleiding van "AWIPH" wijst in eigen kring een pedagogisch referent aan.

Diens opdracht bestaat erin : 1° ervoor te zorgen dat er een pedagogische cultuur eigen aan de gehandicapte persoon ontstaat die door alle centra gedeeld wordt;2° de actie van de verschillende pedagogische coördinatoren van de centra te coördineren;3° te waken over de afstemming van het opleidingsaanbod op de behoeften van de arbeidsmarkt.

Art. 987.De pedagogische inspectie van "AWIPH" is ermee belast te waken over de naleving van het pedagogische project bedoeld in de artikelen 974 en 975.

Daartoe evalueert "AWIPH" de toepassing van het project en legt het aan de administratie een omstandig verslag voor, binnen de drie maanden voorafgaand aan het verstrijken van elke erkenningsperiode.

Art. 988."AWIPH" heeft als taak de evaluatie bedoeld in artikel 937 door te voeren.

Art. 989.Overeenkomstig artikel 315 van het tweede deel van het decreetgevend deel van het Wetboek voert "AWIPH" de onderzoeken uit bij het centrum of het opleidingsbedrijf en legt het de bezoeken af die het nodig acht. "AWIPH" kan van elk centrum eisen dat het elk stuk dat het verantwoord acht, overlegt.

Art. 990.De Minister belast de administrateur-generaal van "AWIPH" ermee hem jaarlijks tegen 31 maart een evaluatie over te maken in verband met de toepassing van dit hoofdstuk. HOOFDSTUK IV. - Bedrijven voor aangepast werk Afdeling 1 - Begripsomschrijvingen

Art. 991.Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder : 1° Fonds voor bestaanszekerheid : het Fonds voor bestaanszekerheid voor de door het Waalse Gewest gesubsidieerde bedrijven voor aangepast werk, opgericht door de collectieve arbeids overeenkomst van 29 maart 2010Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/06/1969 pub. 24/01/2011 numac 2010000730 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten9 die gesloten werd binnen het paritair subcomité voor de bedrijven voor aangepast werk van het Waalse Gewest en van de Duitstalige Gemeenschap (PSC 327.03); 2° Sociaal Fonds : het Sociaal Fonds voor de bevordering van tewerkstelling in de bedrijven voor aangepast werk, opgericht bij de arbeidsovereenkomst van 10 september 2006 die gesloten werd binnen de pari