Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 19 mei 2021

Uittreksel uit arrest nr. 14/2021 van 28 januari 2021 Rolnummer 7232 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 1717, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 102 van de wet van 25 december 2016 « tot wijzi Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en L. Lavrysen, en de rechters (...)

bron
grondwettelijk hof
numac
2021202074
pub.
19/05/2021
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

Uittreksel uit arrest nr. 14/2021 van 28 januari 2021 Rolnummer 7232 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 1717, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 102 van de wet van 25 december 2016Relevante gevonden documenten type wet prom. 25/12/2016 pub. 30/12/2016 numac 2016009669 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot wijziging van de rechtspositie van de gedetineerden en van het toezicht op de gevangenissen en houdende diverse bepalingen inzake justitie sluiten « tot wijziging van de rechtspositie van de gedetineerden en van het toezicht op de gevangenissen en houdende diverse bepalingen inzake justitie », gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en L. Lavrysen, en de rechters J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques en Y. Kherbache, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 19 juni 2019, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 12 juli 2019, heeft de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 1717, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in voorkomend geval in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in zoverre het een vervaltermijn invoert die het een partij bij een arbitrageprocedure niet langer mogelijk maakt de uitspraak opnieuw in het geding te brengen wanneer zij meer dan drie maanden na de mededeling ervan ontdekt dat die uitspraak door bedrog is verkregen, terwijl, krachtens de artikelen 1132 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek, een partij bij een gerechtelijke procedure beschikt over een termijn van zes maanden vanaf het ontdekken van het bedrog om een verzoek tot herroeping van het gewijsde in te stellen ? ». (...) III. In rechte (...) B.1.1. Artikel 1717, §§ 2, 3, b), iii), en 4, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « § 2. Een arbitrale uitspraak kan slechts worden bestreden voor de rechtbank van eerste aanleg, na dagvaarding. Zij beslist in eerste en laatste aanleg overeenkomstig artikel 1680, § 5. De uitspraak kan slechts worden vernietigd in de in dit artikel genoemde gevallen. § 3. De arbitrale uitspraak kan slechts worden vernietigd indien : [...] b) de rechtbank van eerste aanleg vaststelt : [...] iii) dat de uitspraak is verkregen door bedrog. § 4. Behalve in het in artikel 1690, § 4, eerste lid, bedoelde geval, kan een vordering tot vernietiging niet worden ingesteld na verloop van een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de datum waarop de uitspraak overeenkomstig artikel 1678 werd meegedeeld aan de partij die deze vordering instelt, of, wanneer een vordering werd ingesteld krachtens artikel 1715, te rekenen van de datum waarop mededeling overeenkomstig artikel 1678 werd gedaan van de beslissing van het scheidsgerecht over de vordering ingesteld krachtens artikel 1715 aan de partij die de vordering tot vernietiging instelt ».

B.1.2. De artikelen 1132, 1133, 1134 en 1136 van hetzelfde Wetboek bepalen : «

Art. 1132.De beslissingen die in kracht van gewijsde zijn gegaan en gewezen zijn door het burgerlijk gerecht, en door het strafgerecht in zover dit over burgerlijke belangen uitspraak heeft gedaan, kunnen worden herroepen op verzoek tot herroeping van het gewijsde van diegenen die partij zijn geweest of behoorlijk werden opgeroepen, onverminderd de rechten van het openbaar ministerie ». «

Art. 1133.Een verzoek tot herroeping van het gewijsde kan worden ingediend om de volgende redenen : 1° indien er persoonlijk bedrog is geweest;2° indien er, sedert de beslissing, beslissende stukken zijn aan het licht gekomen die door toedoen van de partij waren achtergehouden; [...] 4° indien recht gedaan is op stukken, getuigenissen, verslagen van deskundigen of eden, die na de beslissing vals zijn bevonden of verklaard; [...] ». «

Art. 1134.Het verzoek, ondertekend door drie advocaten, van wie er ten minste twee meer dan twintig jaren bij de balie zijn ingeschreven bevat alle middelen tot staving ervan en wordt betekend met dagvaarding in de gewone vorm vó6r het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gewezen, een en ander op straffe van nietigheid. [...] ». «

Art. 1136.Onder voorbehoud van de termijnen die worden voorzien in dwingende supranationale en internationale bepalingen, wordt het verzoek tot herroeping van het gewijsde]1, op straffe van verval, ingediend binnen zes maanden na het ontdekken van de ingeroepen grond ».

B.2. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van artikel 1717, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het een vervaltermijn invoert die het een partij bij een arbitrageprocedure niet langer mogelijk maakt de vernietiging van de uitspraak te vorderen wanneer zij, meer dan drie maanden na de mededeling van de uitspraak, ontdekt dat die door bedrog is verkregen. De verwijzende rechter verzoekt het Hof de situatie van die partij te vergelijken met die van een partij bij een gerechtelijke procedure, die beschikt over een termijn van zes maanden vanaf het ontdekken van het bedrog om een verzoek tot herroeping van het gewijsde tegen een vonnis in te stellen, op grond van de artikelen 1132 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek.

B.3.1. Uit het verwijzingsvonnis blijkt dat, te dezen, de vordering tot vernietiging van de in het geding zijnde arbitrale uitspraken is ingesteld na het verstrijken van een termijn van drie maanden vanaf het ontdekken van het vermeende bedrog. In die omstandigheden lijkt de verwijzende rechter ervan uit te gaan dat een controle van de verenigbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre die bepaling de termijn voor het instellen van de vordering tot vernietiging doet ingaan op de datum waarop de uitspraak is meegedeeld, alleen relevant zou zijn indien het Hof oordeelt dat het bestaan van verschillende termijnen voor het instellen van een vordering tot vernietiging van een arbitrale uitspraak, enerzijds, en voor het instellen van een verzoek tot herroeping van het gewijsde, anderzijds, niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De Ministerraad en de eisende partij voor de verwijzende rechter besluiten hieruit dat, indien dat niet het geval is, het Hof het verschil in behandeling met betrekking tot het aanvangspunt van de termijn niet moet onderzoeken.

B.3.2. Gelet op de bewoordingen van de prejudiciële vraag en het onlosmakelijke verband dat bestaat tussen de duur van een termijn en het aanvangspunt ervan, beantwoordt het Hof de prejudiciële vraag zoals die is gesteld door de verwijzende rechter, door de twee hem voorgelegde aspecten van het verschil in behandeling te onderzoeken.

B.4.1. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan : de grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de niet-discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten en alle vrijheden, met inbegrip van die welke voortvloeien uit internationale verdragen die België binden.

B.4.2. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is.

Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

B.5.1. Artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens waarborgt het recht op toegang tot een bevoegde rechter en het recht op een eerlijk proces.

B.5.2. Het recht op toegang tot de rechter is echter niet absoluut.

Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens « leent het zich tot impliciet aangenomen beperkingen aangezien het door de aard zelf ervan, een regeling door de Staat vereist », waarbij die Staat ter zake een zekere beoordelingsmarge geniet (EHRM, 2 oktober 2018, Mutu en Pechstein t. Zwitserland, § 93).

B.5.3. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelt dat artikel 6 van het Verdrag zich niet verzet tegen de oprichting van scheidsgerechten om te oordelen over bepaalde geschillen van vermogensrechtelijke aard tussen particulieren (ibid., § 94). Aldus, wanneer zij vrij instemmen met een arbitrageclausule, « zien de partijen vrijwillig af van sommige door het Verdrag gewaarborgde rechten. Een dergelijke afstand druist niet in tegen het Verdrag op voorwaarde dat die vrij, geoorloofd en eenduidig is » (ibid., § 96). « Bovendien, om in aanmerking te komen in het licht van het Verdrag, dient de afstand van sommige door het Verdrag gewaarborgde rechten gepaard te gaan met een minimum aan waarborgen die overeenstemmen met de ernst ervan » (ibid.; beslissing, 1 maart 2016, Tabbane t.

Zwitserland, § § 24-27; beslissing, 15 september 2009, Eiffage SA en anderen t. Zwitserland).

B.5.4. Het recht op toegang tot de rechter kan worden onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden. Die beperkingen mogen geen afbreuk doen aan de essentie zelf van het recht op toegang tot de rechter (EHRM, 12 november 2002, Zvolsky en Zvolskß t. Tsjechische Republiek, § 47; 2 juni 2016, Papaioannou t. Griekenland, § 40). Zij moeten ook een gewettigd doel nastreven en redelijk evenredig zijn met dat doel (EHRM, 24 februari 2009, L'Erablière ASBL t. België, § 35; 10 maart 2009, Anakomba Yula t. België, § 31; 29 maart 2011, R.T.B.F. t.

België, § 69; grote kamer, 5 april 2018, Zubac t. Kroatië, § 78). De toepassing van de ontvankelijkheidsvoorwaarden zoals die zijn bepaald door het toepasselijke recht, is overigens noodzakelijk wegens het beginsel van de rechtsstaat (EHRM, grote kamer, Zubac t. Kroatië, voormeld, § § 96 en 123). Het recht op toegang tot de rechter is in essentie aangetast wanneer de reglementering ervan niet langer de doelstellingen inzake « rechtszekerheid » en « behoorlijke rechtsbedeling » nastreeft en een zekere hindernis vormt die belet dat het geschil van de rechtzoekende ten gronde door het bevoegde rechtscollege wordt beslecht (ibid., § 98).

B.6.1. Arbitrage is een manier van geschillenbeslechting die steunt op de autonomie van de partijen, die beslissen om de bevoegdheid om recht te spreken toe te vertrouwen aan een of meer scheidsrechters teneinde definitief een einde te maken aan een geschil tussen hen. Krachtens artikel 1681 van het Gerechtelijk Wetboek is « een arbitrageovereenkomst [...] een overeenkomst waarin de partijen alle geschillen of sommige geschillen die tussen hen gerezen zijn of zouden kunnen rijzen met betrekking tot een bepaalde, al dan niet contractuele, rechtsverhouding aan arbitrage voorleggen ». Met toepassing van artikel 1682, § 1, van hetzelfde Wetboek verklaart « de rechter bij wie een geding aanhangig is gemaakt waarop een arbitrageovereenkomst betrekking heeft, [...] zich, op verzoek van een partij, zonder rechtsmacht, tenzij de overeenkomst ten aanzien van dat geschil niet geldig is of geëindigd is ».

B.6.2. Door hun geschil aan arbitrage voor te leggen, wensen de partijen, na afloop van een snelle procedure en, in voorkomend geval, volgens procedurele regels die zijn aangepast aan hun situatie, een beslissing te verkrijgen die op definitieve wijze een einde maakt aan hun geschil en die alle waarborgen biedt die noodzakelijk zijn wat betreft de rechtszekerheid.

Om die reden zijn de rechtsmiddelen tegen een arbitrale uitspraak beperkt. Aldus is een arbitrale uitspraak alleen vatbaar voor hoger beroep indien de partijen in die mogelijkheid hebben voorzien in de arbitrageovereenkomst (artikel 1716 van het Gerechtelijk Wetboek). Een uitspraak kan eveneens het voorwerp uitmaken van een beroep tot vernietiging voor de rechtbank van eerste aanleg (artikel 1717 van hetzelfde Wetboek). Het gaat niet om een beroep met volle rechtsmacht.

Daarnaast kan de rechtbank de uitspraak alleen vernietigen om limitatief opgesomde redenen, en met name wanneer zij vaststelt dat de uitspraak door bedrog is verkregen (artikel 1717, § 3, b), iii), van hetzelfde Wetboek). In beginsel moet de vordering tot vernietiging worden ingesteld binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de datum waarop de uitspraak werd meegedeeld aan de partij die deze vordering instelt (artikel 1717, § 4, van hetzelfde Wetboek).

B.7. Het verzoek tot herroeping van het gewijsde is een buitengewoon rechtsmiddel dat een partij bij een gerechtelijke procedure toelaat een zaak aanhangig te maken bij het burgerlijk rechtscollege dat een in kracht van gewijsde gegane beslissing heeft gewezen, teneinde de herroeping ervan te verkrijgen (artikelen 1132 en 1134 van het Gerechtelijk Wetboek). In beginsel moet het verzoek tot herroeping van het gewijsde, op straffe van verval, worden ingediend binnen zes maanden na het ontdekken van de ingeroepen grond (artikel 1136 van hetzelfde Wetboek). Het staat open voor limitatief opgesomde gronden, waaronder het persoonlijk bedrog (artikel 1133 van hetzelfde Wetboek).

B.8.1. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen.

B.8.2. De gerechtelijke geschillenbeslechting en de arbitrage zijn onderscheiden manieren van geschillenbeslechting die onderworpen zijn aan verschillende procedureregels. Door te kiezen voor arbitrage aanvaarden de partijen hun geschil te onderwerpen aan specifieke procedureregels, met name ten aanzien van de mogelijkheden en modaliteiten van beroep tegen de arbitrale uitspraak, met volle kennis van de voor- en nadelen die uit die keuze resulteren. Hieruit vloeit evenwel niet voort dat de partijen, door te kiezen voor arbitrage, afstand hebben gedaan van alle waarborgen betreffende het recht op toegang tot de rechter en het recht op een eerlijk proces. Het staat aan het Hof na te gaan of de beperking van de rechten van die partijen een gewettigd doel nastreeft en of die redelijk evenredig is met dat doel.

B.9.1. De termijn van drie maanden om de vernietiging te vorderen van een arbitrale uitspraak, is ingevoerd bij de wet van 4 juli 1972 « tot goedkeuring van de Europese Overeenkomst houdende een eenvormige Wet inzake arbitrage, ondertekend te Straatsburg op 20 januari 1966, en tot invoering van het Gerechtelijk Wetboek van een zesde deel betreffende de arbitrage ».

Uit de parlementaire voorbereiding van die wet blijkt dat « de vordering [....] binnen een betrekkelijk korte termijn [moet] worden ingesteld om de partij die zich op de uitspraak wil beroepen niet te lang in de onzekerheid te laten omtrent de geldigheid ervan » (Parl.

St., Kamer, 1970-1971, nr. 988/1, p. 28). Oorspronkelijk moest het beroep tot vernietiging van een door bedrog verkregen uitspraak worden ingesteld binnen drie maanden na het ontdekken van het bedrog, op voorwaarde evenwel dat een termijn van vijf jaar na de kennisgeving van de uitspraak niet verlopen is (vroeger artikel 1707, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek, vóór de vervanging ervan bij artikel 39 van de wet van 24 juni 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 24/06/2013 pub. 28/06/2013 numac 2013009310 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot wijziging van het zesde deel van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de arbitrage sluiten « tot wijziging van het zesde deel van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de arbitrage »).

B.9.2. Bij de voormelde wet van 24 juni 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 24/06/2013 pub. 28/06/2013 numac 2013009310 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot wijziging van het zesde deel van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de arbitrage sluiten heeft de wetgever de arbitrageregeling hervormd, naar het voorbeeld van de modelwet van de Commissie van de Verenigde Naties voor het internationaal handelsrecht van 21 juni 1985 inzake de internationale handelsarbitrage (hierna : de model wet van 21 juni 1985Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/06/1985 pub. 15/02/2012 numac 2012000076 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten).

Ten aanzien van het nagestreefde doel wordt in de memorie van toelichting van die wet aangegeven : « Het voorliggend wetsontwerp heeft tot doel om [de model wet van 21 juni 1985Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/06/1985 pub. 15/02/2012 numac 2012000076 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten van de Commissie van de Verenigde Naties voor het internationaal handelsrecht inzake de internationale handelsarbitrage], met inbegrip van de wijzigingen die op 7 juli 2006 werden goedgekeurd, in het zesde deel van het Gerechtelijk Wetboek over te nemen. Het is nodig om onze wetgeving af te stemmen op de meest vooruitstrevende wetgevingen inzake arbitrage. Naar het voorbeeld van andere landen, zullen evenwel enkele van de huidige bijzonderheden van het Belgisch recht behouden blijven wanneer zij beantwoorden aan een grote bezorgdheid. [...] Door het grootste deel van de Modelwet en vaak met de bewoordingen ervan over te nemen in het Gerechtelijk wetboek, wil België zich een open land tonen voor arbitrage en in het bijzonder voor de internationale arbitrage en als een land dat beschikt over een vooruitstrevende wetgeving inzake arbitrage. Dit zou van ons land een aantrekkelijke plaats voor internationale arbitrages moeten maken met de positieve gevolgen die daaruit volgen zowel inzake dienstverleningen op hoog intellectueel niveau als inzake economische en financiële doorwerkingen » (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2743/001, pp. 5-6).

Artikel 51 van de voormelde wet van 24 juni 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 24/06/2013 pub. 28/06/2013 numac 2013009310 bron federale overheidsdienst justitie Wet tot wijziging van het zesde deel van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de arbitrage sluiten voegt een nieuw artikel 1717 in het Gerechtelijk Wetboek in. Met betrekking tot die bepaling wordt in de parlementaire voorbereiding aangegeven : « Dit artikel voegt artikel 1717 in in [het] nieuwe Deel van het Gerechtelijk wetboek betreffende de arbitrage.

Artikel 1717 in ontwerp zet artikel 34 van de Modelwet om dat, behoudens enkele nuances, werd overgenomen door de Duitse, de Oostenrijkse en de Spaanse wet. De ontwerptekst voegt aan de vernietigingsgronden voorzien in de Modelwet nog het gebrek aan motivering toe conform ons huidig recht (art. 1704, § 2, litt i), Ger.W.). De motivering is een vereiste van interne openbare orde, maar belet niet dat een niet met redenen omklede arbitrale uitspraak in België kan erkend worden, wanneer volgens het toepasselijk procedurerecht de motivering niet vereist is » (ibid., p. 40).

Het nieuwe artikel 1717 van het Gerechtelijk Wetboek is dus grotendeels overgenomen van artikel 34 van de voormelde model wet van 21 juni 1985Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/06/1985 pub. 15/02/2012 numac 2012000076 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten. De wetgever heeft aan de vernietigingsgronden waarin die modelwet voorziet, verschillende gronden die specifiek zijn voor het Belgisch recht toegevoegd, waaronder de hypothese van de door bedrog verkregen uitspraak. Hij heeft de vereiste volgens welke de vordering tot vernietiging moet worden ingesteld binnen een termijn van drie maanden vanaf de mededeling van de uitspraak aan de betrokken partij echter als dusdanig overgenomen, zonder te voorzien in een bijzondere termijn wanneer de vernietiging wordt gevorderd om reden dat de uitspraak door bedrog is verkregen (artikel 1717, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek).

B.10.1. De relatief korte termijn van drie maanden om de vernietiging te vorderen van een arbitrale uitspraak, is redelijk verantwoord door de wil van de wetgever om de partijen die vrij beslissen om gebruik te maken van arbitrage, snel een definitieve beslissing te geven over het geschil tussen hen, zoals in B.9.1 is vermeld. Die termijn is niet overdreven kort en kan de betrokkenen niet beletten een vordering tot vernietiging in te stellen.

B.10.2. De vaststelling van het aanvangspunt van die termijn op de datum waarop de arbitrale uitspraak wordt meegedeeld, is in beginsel relevant ten aanzien van dat doel. In zoverre zij echter de partij die meer dan drie maanden na de mededeling van de uitspraak ontdekt dat die door bedrog is verkregen niet toelaat de vernietiging van de in het geding zijnde uitspraak te vorderen, en zulks in elke hypothese, leidt de in het geding zijnde bepaling tot een onevenredige beperking van de rechten van de partij die het slachtoffer is van het bedrog.

Daar artikel 1717 van het Gerechtelijk Wetboek de partijen toelaat de vernietiging van een arbitrale uitspraak te vorderen om reden dat die door fraude zou zijn verkregen, dienen die partijen te beschikken over een nuttige termijn om een dergelijke vordering in te stellen, anders wordt hun een beroep ontzegd waarop zij in beginsel recht hebben.

B.11. In die mate dient de prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord.

B.12. Wanneer de vaststelling van een lacune is uitgedrukt in voldoende nauwkeurige en volledige bewoordingen die toelaten de in het geding zijnde bepaling toe te passen met inachtneming van de referentienormen op grond waarvan het Hof zijn toetsingsbevoegdheid uitoefent, geeft het Hof aan dat het aan de rechter staat een einde te maken aan de schending van die normen.

Zulks is te dezen niet het geval. Het Hof kan de vaststelling van een lacune immers niet nader preciseren aangezien het niet beschikt over een beoordelingsbevoegdheid die gelijkwaardig is aan die van de wetgever. Het komt aan de wetgever toe om een einde te maken aan de vastgestelde ongrondwettigheid.

In afwachting van het optreden van de wetgever, dient de rechter naar gelang van de omstandigheden te oordelen of de vordering tot vernietiging van een arbitrale uitspraak is ingesteld binnen een redelijke termijn na de vaststelling dat de uitspraak is verkregen door bedrog.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 1717, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het een partij bij een arbitrageprocedure niet toelaat de vernietiging van een uitspraak te vorderen wanneer die partij, meer dan drie maanden na de mededeling van de uitspraak, ontdekt dat die is verkregen door bedrog.

Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten op het Grondwettelijk Hof, op 28 januari 2021.

De griffier, P.-Y. Dutilleux De voorzitter, F. Daoût

^