Koninklijk Besluit van 01 juli 2008
gepubliceerd op 23 juli 2008
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994

bron
federale overheidsdienst sociale zekerheid
numac
2008022380
pub.
23/07/2008
prom.
01/07/2008
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

1 JULI 2008. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, inzonderheid op de artikelen 32, eerste lid, 15°, vervangen bij het koninklijk besluit van 25 april 1997 en gewijzigd bij de wet van 26 maart 2007, 32, tweede lid, vervangen bij het koninklijk besluit van 25 april 1997 en gewijzigd bij de wetten van 13 december 2006 en 26 maart 2007, 53, § 1, twaalfde lid, ingevoegd bij de wet van 24 december 1999 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2004, 118, derde lid, 119, 121, gewijzigd bij de wetten van 13 december 2006 en 26 maart 2007, 122, vervangen bij het koninklijk besluit van 25 april 1997, 123 tot 125, vervangen bij het koninklijk besluit van 25 april 1997 en gewijzigd bij de wet van 26 maart 2007, 126, vervangen bij de wet van 26 maart 2007 en 218, § 2;

Gelet op het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, inzonderheid op de artikelen 123, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 29 december 1997 en 26 februari 2003, 124, § 1, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 29 december 1997, 7 mei 1999 en 17 september 2005, 125, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 29 december 1997, 126, 127, vierde lid, 128ter, 128quinquies, § 2, 129, vervangen bij het koninklijk besluit van 29 december 1997 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 16 maart 1999 en 3 augustus 2007, 130, 131, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 29 december 1997 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 16 maart 1999 en 3 augustus 2007, 132, 160, 252, vervangen bij het koninklijk besluit van 29 december 1997 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 8 april 2003, 253, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 10 november 1999, 276, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 29 december 1997 en 290, eerste lid, A ;

Gelet op het advies van het Technisch Comité voor de Zelfstandigen, gegeven op 22 november 2007;

Gelet op het advies van het Comité van de Verzekering voor Geneeskundige Verzorging, gegeven op 10 december 2007;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 7 januari 2008;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën wat betreft artikel 14, gegeven op 19 mei 2008;

Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting van 11 januari 2008;

Gelet op de akkoordbevinding van de Staatssecretaris voor begroting wat betreft artikel 14 van 20 mei 2008;

Gelet op de hoogdringendheid gemotiveerd door het feit dat artikel 37 van de wet van 26 maart 2007 houdende diverse bepalingen met het oog op de integratie van de kleine risico's in de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging der zelfstandigen de kleine risico's toekent aan alle rechthebbenden van de verzekering voor geneeskundige verzorging op 1 januari 2008; dat de administratieve instanties die belast zijn met de toepassing van de wet de nodige schikkingen moeten kunnen nemen om het recht op tegemoetkomingen der zelfstandigen te openen en te verlengen vanaf 1 januari 2008; dat omwille van de politieke toestand van de laatste maanden, het niet mogelijk is geweest dit besluit vroeger te nemen en bekend te maken; dat het dus geboden is dat deze bepalingen zo snel mogelijk genomen en bekendgemaakt worden;

Gelet op het advies nr. 44.069/1 van de Raad van State, gegeven op 5 februari 2008, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, Onze Minister van Zelfstandigen en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Artikel 123 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 29 december 1997 en 26 februari 2003, wordt aangevuld met het volgend lid : « Voor de toepassing van dit artikel wordt geacht in te staan voor het onderhoud van het kind, de persoon die met het kind samenwoont. Het bewijs van dat samenwonen volgt uit de informatie bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en die is verkregen bij het Rijksregister. »

Art. 2.In artikel 124, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 29 december 1997, 7 mei 1999 en 17 september 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° In 1° wordt tussen de leden acht en negen het volgende lid ingevoegd : « Er wordt evenmin rekening gehouden met : het beroepsinkomen uit de zelfstandige activiteit van de echtgenote van wie de meewerkende echtgenoot, in plaats van voornoemde echtgenote, aan het sociaal statuut van de zelfstandigen is onderworpen, met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr.38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen; het deel van het beroepsinkomen dat met toepassing van artikel 86 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 wordt toegekend aan de meewerkende echtgenoot van de gerechtigde zelfstandige, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°bis van de gecoördineerde wet; de uitkeringen voor arbeidsongeschiktheid die worden toegekend aan de meewerkende echtgenoot van de gerechtigde zelfstandige die enkel onderworpen is aan de sectoren der uitkerings- en moederschapsverzekering van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, overeenkomstig artikel 7bis, §§ 2 en 3, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen »; 2° In het negende lid van 1°, dat het tiende lid is geworden, wordt het tweede streepje opgeheven;3° In het eerste lid van 2° worden de woorden « en 21° » ingevoegd tussen de woorden « 1° tot 16° » en de woorden « van de gecoördineerde wet »;4° Het tweede lid van 2° wordt aangevuld met een zin, luidend als volgt : « Evenzo kunnen de gerechtigden, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 7° tot 11°ter en 16°, ervoor kiezen om als persoon ten laste te worden ingeschreven indien zij een pensioen genieten dat overeenstemt met een beroepsloopbaan die korter is dan een derde van een volledige of als zodanig beschouwde loopbaan.»; 5° In 3° worden de woorden « die luidens de in artikel 125 bedoelde volgorde voorrang heeft op de hoedanigheid waarin zij als persoon ten laste aanspraak kunnen maken op verstrekkingen in vernoemde regeling voor verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen georganiseerd in het kader van een nationale, internationale of supranationale publiekrechtelijke instelling » geschrapt;6° Punt 4° wordt opgeheven.

Art. 3.Artikel 125 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 29 december 1997, wordt vervangen als volgt : «

Art. 125.Bij betwisting tussen gerechtigden omtrent de vraag bij wie een kind als persoon ten laste moet worden ingeschreven, wordt het kind, overeenkomstig artikel 126 van de gecoördineerde wet bij voorrang ingeschreven als persoon ten laste van de oudste gerechtigde.

Bij gerechtigden die niet onder hetzelfde dak wonen, wordt het kind bij voorkeur ingeschreven als persoon ten laste ten aanzien van de gerechtigde die met hem samenwoont. »

Art. 4.Artikel 126 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : «

Art. 126.§ 1. De rechthebbende die op 1 januari 2008 zijn hoedanigheid van persoon ten laste behoudt, blijft ingeschreven als persoon ten laste van de persoon bij wie hij op 31 december 2007 was ingeschreven, behalve indien de inschrijving ten laste van een andere gerechtigde schriftelijk aan de verzekeringsinstelling van die andere gerechtigde wordt aangevraagd. § 2. Wanneer een kind ten laste van verschillende gerechtigden in de hoedanigheid van kind kan worden ingeschreven, zal het verzoek om hem ten laste van een andere gerechtigde in te schrijven, pas uitwerking hebben op 1 januari van het jaar dat volgt op dat waarin dat verzoek werd ingediend bij de verzekeringsinstelling van die andere gerechtigde.

In geval van wijziging van de situatie van het kind tijdens de periode tussen de indiening van het voormelde verzoek en 1 januari van het jaar dat volgt op dat waarin het verzoek werd ingediend, zal het verzoek echter onmiddellijk uitwerking hebben met inachtneming van de reglementaire bepalingen die van toepassing zijn. »

Art. 5.In artikel 127, vierde lid, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° De woorden « en 20° » worden vervangen door de woorden « , 20° en 21° »;2° De laatste zin wordt geschrapt.

Art. 6.In artikel 128ter van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 29 december 1997, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het tweede streepje worden de woorden « aan gehandicapten » vervangen door de woorden « aan personen met een handicap »;2° het derde streepje wordt aangevuld met de woorden : « of in artikel 20 van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen.»

Art. 7.§ 2 van artikel 128quinquies van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 29 december 1997 wordt opgeheven.

Art. 8.In artikel 129 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 29 december 1997 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 16 maart 1999 en 3 augustus 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° In het eerste lid worden de woorden « 1° tot 16°, 20° en 22° » vervangen door de woorden « 1° tot 16°, 20°, 21° en 22° »;2° Het derde lid wordt vervangen als volgt : « De gerechtigden van wie het recht in 2007 werd geopend overeenkomstig artikel 26 van het koninklijk besluit van 29 december 1997 houdende de voorwaarden waaronder de toepassing van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, tot de zelfstandigen en de leden van de kloostergemeenschappen wordt verruimd, zoals het op 31 december 2007 van toepassing was, hebben recht op de tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging voor alle verstrekkingen die in artikel 34 zijn opgesomd.»

Art. 9.In artikel 130 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° In § 1 wordt het zevende lid opgeheven;2° In § 2, 6, worden de woorden « 7° tot 11° » vervangen door de woorden « 7° tot 11°ter ».

Art. 10.In artikel 131 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 29 december 1997 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 16 maart 1999 en 3 augustus 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° In § 1, eerste lid worden de woorden « 1° tot 16°, 20° en 22° » vervangen door de woorden : « 1° tot 16°, 20°, 21° en 22° »;2° Het derde lid van § 1 wordt vervangen als volgt : « In afwijking van het eerste lid wordt het recht op geneeskundige verzorging verlengd vanaf de eerste dag van het kalenderkwartaal in de loop waarvan opnieuw een hoedanigheid van gerechtigde wordt verworven voor zover die hoedanigheid tijdens de geldigheidsduur van een reeds bestaande inschrijving werd verworven en voor zover de bijdrageplicht met betrekking tot het refertejaar werd vervuld.Dat recht wordt aldus verlengd tot het einde van het lopende jaar. »; 3° § 2 wordt vervangen als volgt : « § 2.Het recht kan eveneens worden verlengd voor 2008 indien er tijdens het laatste kwartaal van 2006 of in de loop van 2007 een hoedanigheid van gerechtigde bestond krachtens het koninklijk besluit van 29 december 1997 houdende de voorwaarden waaronder de toepassing van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, tot de zelfstandigen en de leden van de kloostergemeenschappen wordt verruimd, zoals het op 31 december 2007 van toepassing was, en indien de bijdrageplicht voor 2006, opgelegd bij hetzelfde besluit, voor de verlenging van het recht werd vervuld. »; 4° Een § 3 wordt toegevoegd, luidend : « § 3.Evenzo kan het recht ook voor 2009 worden verlengd indien tijdens het laatste kwartaal van 2007 of in de loop van 2008 een hoedanigheid van gerechtigde bestond krachtens het voormelde koninklijk besluit van 29 december 1997 en indien de bijdrageplicht voor 2007, opgelegd bij hetzelfde besluit, voor de verlenging van het recht werd vervuld. »

Art. 11.Het opschrift van de afdeling IV van hoofdstuk III van Titel II van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 29 december 1997 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 augustus 2007, wordt vervangen door het volgende opschrift : « Persoonlijke bijdrage van de gerechtigden, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 12°, 14°, 15°, 21° en 22° van de gecoördineerde wet ».

Art. 12.Artikel 132 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.

Art. 13.In de afdeling IV van Hoofdstuk III van Titel II van hetzelfde besluit wordt een artikel 136bis ingevoegd, luidend : «

Art. 136bis.De gerechtigde, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 21°, van de gecoördineerde wet is een driemaandelijkse bijdrage van 65,12 euro verschuldigd. Dat bedrag wordt verlaagd tot 18,62 euro voor de gerechtigden die de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt. Dat bedrag is van toepassing vanaf het kwartaal waarin zij die leeftijd hebben bereikt.

Die bedragen zijn gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen 104,06 (basis 1996 = 100) bereikt op 31 oktober 1999. Die bedragen worden op 1 januari van elk jaar aangepast aan de hoegrootheid die het indexcijfer van de consumptieprijzen heeft bereikt op 31 oktober van het voorgaande jaar. Worden echter vrijgesteld van de betaling van elke bijdrage, de voormelde gerechtigden die recht hebben op een van de voordelen die zijn gespecificeerd in artikel 37, § 19, 1°, 2° of 3°, van de gecoördineerde wet. De voormelde gerechtigden zijn vrijgesteld van de betaling van bijdragen onder dezelfde voorwaarden en voor dezelfde periode als die welke, overeenkomstig de artikelen 6 tot 9 van het besluit van 1 april 2007 tot vaststelling van de voorwaarden voor de toekenning van de verhoogde verzekeringstegemoetkoming, bedoeld in artikel 37, §§ 1 en 19, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994. en tot invoering van het OMNIO-statuut, van toepassing zijn voor de toekenning van het recht op een verhoogde verzekeringstegemoetkoming in geval van recht op een van de voormelde voordelen.

Die bijdrage is verschuldigd voor elk kwartaal tijdens hetwelk de voornoemde hoedanigheid van gerechtigde bestaat en vanaf het kwartaal in de loop waarvan die hoedanigheid is verworven. De bijdrage is evenwel niet verschuldigd gedurende de periode tijdens welke de gerechtigde door de geestelijke overheid waarvan hij afhangt, naar het buitenland wordt gestuurd. »

Art. 14.In hoofdstuk III van Titel II van hetzelfde besluit wordt een afdeling IVbis ingevoegd, luidend : « Afdeling IVbis. - Bijdragen die door de gerechtigden, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 6°bis en 11°quater van de gecoördineerde wet, zijn verschuldigd.

Art. 136ter.De gerechtigde bedoeld in artikel 32, eerste lid, 6°bis, van de gecoördineerde wet, moet naast de vervulling van de bijdrageplicht met het oog op de vrijwaring van zijn pensioenrechten voor de betreffende periode, het bewijs leveren van de betaling van een jaarlijkse bijdrage die wordt berekend als volgt : - 7,66 pct. op het deel van het referte-inkomen in de zin van artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, dat niet hoger is dan het bedrag dat in artikel 12, § 1, eerste lid, 1°, van hetzelfde besluit is opgenomen, met dien verstande dat dit inkomen geacht wordt het bedrag, bedoeld in artikel 12, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit te bereiken indien het referte-inkomen dat bedrag niet bereikt; en - 4,94 pct. op het deel van het voormelde referte-inkomen, bedoeld in artikel 12, § 1, eerste lid, 2°, van het voormelde koninklijk besluit nr. 38.

Voor de berekening van die bijdrage worden de bedragen, bedoeld in artikel 12 van het voormelde koninklijk besluit nr. 38 geïndexeerd overeenkomstig artikel 14 van hetzelfde besluit.

Art. 136quater.De gerechtigde bedoeld in artikel 32, eerste lid, 11°quater van de gecoördineerde wet moet, naast de vervulling van de bijdrageplicht met het oog op de vrijwaring van zijn pensioenrechten voor de betreffende periode, het bewijs leveren van de betaling van een jaarlijkse bijdrage die wordt berekend als volgt : - 7,66 pct. op het bedrag, bedoeld in artikel 12, § 1, tweede lid, van het voormelde koninklijk besluit nr. 38.

Voor de berekening van die bijdrage worden de bedragen, bedoeld in artikel 12 van het voormelde koninklijk besluit nr. 38, geïndexeerd overeenkomstig artikel 14 van hetzelfde besluit. »

Art. 15.In Hoofdstuk IVbis van Titel II van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 22 februari 1998 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 8 december 1998, 8 april 2003 en 10 februari 2006, wordt een artikel 159ter ingevoegd, luidend : «

Art. 159ter.In het geval waarin met toepassing van artikel 159bis de derdebetalersregeling wordt toegepast overeenkomstig de omschrijving van de verzekerbaarheidsgegevens die tot en met 1 januari 2008 overeenstemmen met het recht op tegemoetkoming voor de verstrekkingen, bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 29 december 1997 houdende de voorwaarden waaronder de toepassing van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, tot de zelfstandigen en de leden van de kloostergemeenschappen wordt verruimd, zoals het op 31 december 2007 van toepassing was, geldt de betalingsverbintenis bedoeld in artikel 159bis, vanaf 1 januari 2008 voor de ganse draagwijdte van het recht op tegemoetkomingen waarover de rechthebbende beschikt.

In afwijking van artikel 253 dient de SIS-kaart niet te worden aangepast indien de wijziging van de draagwijdte van het recht louter en alleen voortvloeit uit de toepassing van de wet van 26 maart 2007 houdende diverse bepalingen met het oog op de integratie van de kleine risico's in de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging voor de zelfstandigen. »

Art. 16.In punt 2° van artikel 160 van hetzelfde besluit worden de woorden « in de artikelen 32 en 33 » vervangen door de woorden « in artikel 32 ».

Art. 17.In artikel 252 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 29 december 1997 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 8 april 2003 en 3 augustus 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° In het eerste lid worden de woorden « 1° tot 16°, 18°, 20° en 22° » vervangen door de woorden « 1° tot 16°, 18°, 20° tot 22° »;2° In het zesde lid worden de woorden « artikel 32, eerste lid, 12°, 14° en 15° » vervangen door de woorden « artikel 32, eerste lid, 12°, 14°, 15°, 21° en 22° »;3° In het zevende lid worden de woorden « artikel 32, eerste lid, 12°, 14° en 15° » vervangen door de woorden « artikel 32, eerste lid, 12°, 14°, 15° en 21° »;4° Het tiende lid wordt vervangen als volgt : « Een rechthebbende mag slechts aangesloten zijn bij één ziekenfonds of ingeschreven zijn bij één gewestelijke dienst van de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering of bij de Kas der Geneeskundige Verzorging van de NMBS Holding.»

Art. 18.In artikel 253 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 10 november 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° Het derde lid wordt opgeheven.2° In het vierde lid worden tussen de woorden « kaart » en « echter » de woorden « onverminderd de bepalingen van artikel 159ter, » ingevoegd.

Art. 19.In artikel 276 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 29 december 1997, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1 wordt aangevuld met het volgende lid : « De documenten bedoeld in §§ 3 tot 8 worden gelijkgesteld met de bijdragebescheiden.»; 2° In § 2, derde lid, worden de woorden « met uitzondering van de personen bedoeld in §§ 5 of 6, » ingevoegd tussen de woorden « en 20° van de gecoördineerde wet verkrijgen » en de woorden « en in voorkomend geval »;3° In § 2, derde lid, derde streepje worden de woorden « met uitzondering van de personen bedoeld in §§ 5 of 6, » ingevoegd tussen de woorden « gerechtigden, » en de woorden « een uittreksel van de overlijdensakte »;4° In § 2, derde lid, vierde streepje worden de woorden « aan gehandicapten » vervangen door de woorden « aan personen met een handicap »;5° De volgende paragrafen worden toegevoegd : « § 3.Voor de zelfstandigen, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°bis, van de gecoördineerde wet, wordt de hoedanigheid van gerechtigde bewezen door de mededeling aan hun verzekeringsinstelling van de gegevens betreffende de vervulling van de bijdrageplicht met betrekking tot elk verstreken kalenderjaar door de Vrije Sociale Verzekeringskas of door de Nationale Hulpkas waarbij zij met toepassing van het voormelde koninklijk besluit nr. 38 zijn aangesloten.

De personen die voor het eerst de voormelde hoedanigheid van gerechtigde verkrijgen, bewijzen hun hoedanigheid van gerechtigde door middel van de gegevens die worden meegedeeld door de voormelde kassen binnen de maand na de aansluiting en waaruit blijkt dat deze personen met toepassing van het voormelde koninklijk besluit nr. 38 onderworpen zijn aan de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit.

Ingeval de gerechtigde zijn zelfstandige activiteit beëindigt, delen de voormelde kassen dit feit en de gegevens betreffende de vervulling van de bijdrageplicht mee aan de verzekeringsinstelling binnen de maand na het laatste kwartaal waarin het voormelde koninklijk besluit nr. 38 op hem van toepassing was.

Wanneer een gerechtigde met toepassing van artikel 22 van het voormelde koninklijk besluit nr. 38 volledige vrijstelling van bijdragebetaling heeft gekregen, wordt dit gegeven vermeld als één van de gegevens die door de Sociale Verzekeringskassen worden meegedeeld. § 4. De bepalingen van § 3 zijn van toepassing op de gerechtigden, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 6°bis, 6°ter en 11°quater van de gecoördineerde wet. De personen die de bepalingen van artikel 32, eerste lid, 6°ter genieten, worden echter geacht hun bijdrageplicht te hebben vervuld tijdens de daarin vastgestelde periode. § 5. De bepalingen van § 3 zijn eveneens van toepassing op de gerechtigden, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 11°bis en 11°ter van de gecoördineerde wet, en op de personen die gerechtigden zijn krachtens artikel 32, eerste lid, 16°, omdat zij weduwen of weduwnaars zijn van een zelfstandige, die een activiteit als zelfstandige uitoefenen en die met toepassing van de artikelen 12 of 13 van het voormelde koninklijk besluit nr. 38 bijdragen moeten betalen. § 6. Voor de zelfstandigen die onder de voorwaarden, vastgesteld krachtens de wetgeving betreffende het rust- en overlevingspensioen van zelfstandigen, hun beroepsbezigheid hebben onderbroken wegens ziekte of invaliditeit en die in die hoedanigheid hun rechten vrijwaren met toepassing van dezelfde wetgeving, wordt de hoedanigheid van gerechtigde bewezen door de mededeling van het bezit ervan door het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen aan hun verzekeringsinstelling. § 7. De gerechtigden, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 11°bis en 11°ter, en de personen die gerechtigden zijn krachtens artikel 32, eerste lid, 16°, omdat zij weduwen of weduwnaars zijn van een zelfstandige, en die geen beroepsbezigheid uitoefenen als zelfstandige, of wier beroepsbezigheid als zelfstandige geen aanleiding geeft tot de betaling van een bijdrage met toepassing van de artikelen 12 of 13 van het voormelde koninklijk besluit nr. 38, bewijzen hun hoedanigheid van gerechtigde door een verklaring die hun wordt afgeleverd door het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen. § 8. De gerechtigden, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 21°, van de gecoördineerde wet, bewijzen dat ze de hoedanigheid van gerechtigde bezitten door de afgifte van een getuigschrift dat hun door hun geestelijke overheid wordt bezorgd.

Dat getuigschrift wordt door de gerechtigde aan zijn verzekeringsinstelling bezorgd.

De persoon die de voormelde hoedanigheid van gerechtigde niet meer bezit, bezorgt aan de verzekeringsinstelling waarbij hij is aangesloten of ingeschreven, een document dat het verlies van die hoedanigheid bevestigt en dat wordt afgeleverd door de geestelijke overheid waarvan hij afhing. § 9. De Ministers, bevoegd voor het sociaal statuut van de zelfstandigen en sociale zaken, stellen gezamenlijk de wijze vast waarop de gegevens, bedoeld in §§ 3 tot 6, worden opgemaakt en overgezonden, en stellen eveneens de termijn vast voor de overzending van deze gegevens. Ingeval de zelfstandigen, bedoeld in §§ 3 tot 6, niet zijn aangesloten bij een verzekeringsinstelling of indien de gegevensoverdracht buiten de gerechtigde om niet mogelijk blijkt, worden de gegevens, bedoeld in de voormelde bepalingen, aan de betrokken zelfstandigen bezorgd, die ze binnen één maand na ontvangst ervan aan de verzekeringsinstelling bezorgen waarbij ze zich aansluiten. »

Art. 20.In artikel 290, eerste lid, A van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 13 april 1997, 29 december 1997, 10 juni 2001, 25 april 2004, 4 mei 2005 en 3 augustus 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) 1° van punt 2 wordt vervangen door de volgende bepaling : « 1° het tijdvak tijdens hetwelk de gerechtigde zich in een periode van moederschapsbescherming bevindt, in de zin van de gecoördineerde wet, alsook het tijdvak waarin de gerechtigde, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wet als arbeidsongeschikt werd erkend »;b) in 7° worden de woorden « , bedoeld in artikel 32, eerste lid, 6°, van de gecoördineerde wet » ingevoegd na de woorden « voortgezette verzekering »;c) in 9° worden de volgende wijzigingen aangebracht : - de woorden « 7° tot 11° » worden vervangen door de woorden « 7° tot 11°ter » - de tweede zin wordt vervangen als volgt : « voor de berekening van de aanvullende bijdrage die voor de refertejaren 2006 en 2007 is verschuldigd, wordt het voormelde tijdvak in aanmerking genomen indien de persoonlijke bijdragen die zijn verschuldigd door de voormelde gerechtigden en de gerechtigden, bedoeld in artikel 4, 7°, 8° en 9° van het voormelde koninklijk besluit van 29 december 1997, zoals het op 31 december 2007 van toepassing was, werden betaald;»; d) in 10° worden de woorden « of in toepassing van een regeling ingesteld in uitvoering van artikel 33 van de gecoördineerde wet » geschrapt;e) 12° wordt vervangen als volgt : « 12° voor de berekening van de aanvullende bijdrage die verschuldigd is voor 2008 en de volgende jaren, het tijdvak gevormd door de werkdagen tijdens welke de betrokkene de hoedanigheid van gerechtigde bezat, zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°bis van de gecoördineerde wet, op voorwaarde dat hij, ofwel een sociale bijdrage heeft betaald die minstens gelijk is aan de minimumbijdrage die, met toepassing van artikel 12, § 1, van het koninklijk besluit nr.38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, is verschuldigd, ofwel de bijdragen die zijn verschuldigd met toepassing van artikel 12, § 1bis of § 1ter van hetzelfde besluit, heeft betaald, ofwel ten slotte een vrijstelling van bijdrage met toepassing van artikel 22 van hetzelfde besluit heeft verkregen. »; f) een 12°bis wordt ingevoegd, luidend als volgt : « 12°bis voor de berekening van de aanvullende bijdrage die verschuldigd is voor 2006 en 2007, het tijdvak gevormd door de werkdagen van onderwerping aan de regeling van verzekering voor geneeskundige verzorging, ingesteld bij het koninklijk besluit van 29 december 1997 houdende de voorwaarden waaronder de toepassing van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, tot de zelfstandigen en de leden van de kloostergemeenschappen, wordt verruimd, zoals het op 31 december 2007 van toepassing was, voor zover de gerechtigde zijn bijdrageplicht, opgelegd bij hetzelfde besluit, heeft vervuld, om het recht te verwerven op de verstrekkingen die in artikel 1 ervan zijn opgesomd.»; g) de volgende punten worden toegevoegd : « 19° het tijdvak gevormd door de werkdagen tijdens welke de betrokkene de hoedanigheid van gerechtigde bezat, zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, 6°bis en 11°quater, van de gecoördineerde wet, op voorwaarde dat hij de verplichtingen, bedoeld in respectievelijk artikel 136ter en 136quater, heeft nageleefd;20° het tijdvak gevormd door de werkdagen tijdens welke de betrokkene de hoedanigheid van gerechtigde bezat, zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, 6°ter, van de gecoördineerde wet;21° het tijdvak gevormd door de werkdagen tijdens welke de zelfstandige onder de voorwaarden die zijn vastgesteld krachtens de wetgeving betreffende het rust- en overlevingspensioen van de zelfstandigen, zijn beroepsbezigheid heeft onderbroken wegens ziekte of invaliditeit en in die hoedanigheid zijn rechten vrijwaart met toepassing van dezelfde wetgeving;22° het tijdvak gevormd door de werkdagen tijdens welke de betrokkene de hoedanigheid van gerechtigde bezat, zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, 21°, op voorwaarde dat hij de verplichtingen, bedoeld in artikel 136bis, heeft nageleefd.»

Art. 21.Het koninklijk besluit van 3 januari 1983 tot vaststelling van het bedrag van de aanvullende bijdrage zoals bepaald in bijlage VI sub. A. 1. b) van de Verordening (EEG) nr. 1390/81 van de Raad, van 12 mei 1981, houdende uitbreiding van de Verordening nr. 1408/71 (EEG) betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregeling op loontrekkenden en hun gezinnen die zich binnen de gemeenschap verplaatsen, tot de zelfstandigen en hun gezinsleden wordt op 1 januari 2008 opgeheven.

Art. 22.Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2008. Artikel 132 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, zoals het op 31 december 2007 van toepassing was, blijft van toepassing voor de verlenging van het recht op geneeskundige verzorging wanneer het refertejaar 2006 of 2007 is.

Art. 23.Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en Onze Minister van Zelfstandigen zijn belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 1 juli 2008.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, Mevr. L. ONKELINX De Minister van Zelfstandigen,Mevr.

Mevr.S. LARUELLE

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^