Koninklijk Besluit van 01 juli 2013
gepubliceerd op 09 augustus 2013
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 26 mei 1994 over de inhouding en de vergoeding van de roerende voorheffing overeenkomstig hoofdstuk I van de wet van 6 augustus 1993 betreffende de transacties met bepaalde effecten

bron
federale overheidsdienst financien
numac
2013003193
pub.
09/08/2013
prom.
01/07/2013
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

1 JULI 2013. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 26 mei 1994 over de inhouding en de vergoeding van de roerende voorheffing overeenkomstig hoofdstuk I van de wet van 6 augustus 1993 betreffende de transacties met bepaalde effecten


VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het besluit dat ter ondertekening aan Uwe Majesteit wordt voorgelegd, strekt ertoe het koninklijk besluit van 26 mei 1994 over de inhouding en de vergoeding van de roerende voorheffing overeenkomstig hoofdstuk I van de wet van 6 augustus 1993 betreffende de transacties met bepaalde effecten (hierna "de wet van 6 augustus 1993" en "het koninklijk besluit van 26 mei 1994" genoemd) aan te passen teneinde : - artikel 2, dat de effecten vastlegt die kunnen aangehouden worden in een vereffeningstelsel bedoeld in artikel 1, 1° van de wet van 6 augustus 1993, duidelijker te formuleren; - de berekeningsregels van de lopende rente te verduidelijken voor de toepassing van de inhouding en de bonificatie van de roerende voorheffing.

Bij dezelfde gelegenheid wordt tevens een actualisering van de tekst voorgesteld zonder een wijziging ten gronde.

Bespreking van de artikelen Artikel 1 Dit artikel maakt de referentie-terminologie eenvormig en verduidelijkt ze, wetende dat het gezamenlijke gebruik in de Franse tekst van de begrippen "titres à revenus fixes" en "valeurs mobilières à revenus fixes" vragen zou kunnen doen rijzen.

De in artikel 2, § 1, 8°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 gedefinieerde vastrentende effecten bevatten onder andere obligaties, kasbons en andere soortgelijke effecten.

Deze definitie maakt geen standaardprofiel op voor de vergoeding van kapitaal. Ze schrijft geen enkele manier of specifiek ritme voor de interestberekening voor, welke vrij bepaald worden door de contracterende partijen (lener en ontlener).

De term "vast" die gebruikt wordt in het algemeen begrip "vastrentende effecten" kan in geen enkel geval betekenen dat slechts effecten bedoeld worden met een vaste en onveranderlijke interestvoet gedurende de volledige looptijd van het effect (voorbeeld : een obligatie uitgegeven aan een progressieve rentevoet, natuurlijk vooraf bepaald maar niettemin periodiek variabel tot de eindvervaldag).

Het is hier van belang om de bewoording van een begrip, dat enkel dient om een algemene benaming in de wetgeving in te voeren, niet te verwarren met de betekenis die eraan wordt toegekend.

Hetzelfde geldt bijvoorbeeld wat het begrip "vennootschap" betreft, dat niet enkel de handelsvennootschappen in de zin van het gemeen recht omvat, maar ook ondermeer verenigingen van om het even welke aard die rechtspersoonlijkheid bezitten (cf. artikel 2, § 1, 5°, WIB 92).

De invoering van dergelijke definities heeft enkel tot doel om het lezen van de fiscale wetgeving, in dit geval van het WIB 92 (en de daaraan verbonden regelgeving), te vergemakkelijken door het gebruik van eigen begrippen.

Dit artikel past ook de tekst aan van paragraaf 2, 2°, en 3°, van artikel 2 van het koninklijk besluit van 26 mei 1994 wat de uitbreiding van de Europese Gemeenschap naar de Europese Economische Ruimte betreft.

In diezelfde paragraaf, worden de bemiddelaars nu aangeduid met verwijzing naar de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten na de opheffing van artikel 3 van de wet van 4 december 1990.

Paragraaf 4 van hetzelfde artikel wordt opgeheven tengevolge van de opheffing van het koninklijk besluit nr. 185 van 9 juli 1935 op de Commissie voor het Bank- en Financiewezen.

Artikelen 2 en 3 Deze artikelen hebben tot doel om, in artikel 5, tweede lid en in artikel 6, § 1, tweede lid, de huidige terminologie aan te passen aan het nieuwe schema dat voortvloeit uit de nieuwe organisatiestructuur van de Federale Overheidsdienst Financiën.

Artikel 4 Dit artikel verduidelijkt de modaliteiten om de gelopen rente te berekenen van bepaalde vastrentende effecten waarvan de kenmerken een belemmering zouden kunnen vormen om te worden opgenomen in het vereffeningstelsel.

In het stelsel kunnen reeds effecten zonder vaste rentevoet opgenomen worden. Dit is het geval voor bepaalde effecten waarvan de nominale rentevoet niet gekend is op het ogenblik van de uitgifte voor de volledige looptijd maar vastgelegd wordt in functie van variabele parameters bij het begin van elke renteperiode.

Ten gevolge van de evolutie van de vraag van beleggers en de financieringsbehoeften, hebben de financiële markten obligaties aangeboden waarvan het exacte rendement steeds minder vanaf het tijdstip van de uitgifte vastgesteld kan worden. Evenzo is bij bepaalde van deze obligaties de terugbetaling van de hoofdsom gekoppeld aan de evolutie van een index. Deze index kan de evolutie van één of andere beurs, de evolutie van de goudkoers, de evolutie van de koers op lange termijn in vergelijking met de koers op korte termijn, de evolutie van de inflatie, enzovoort, weergeven.

Naast obligaties is er op de effectenbeurzen eveneens plaats voor effecten die vergelijkbaar zijn met obligaties en kasbons. De verwantschap vloeit voort uit de karakteristieken van het effect dat een vordering vertegenwoordigt die voortkomt uit het ter beschikkingstellen aan de uitgever van een kapitaal tegen vergoeding en/of terugbetaling op basis van bepaalde bijzondere modaliteiten waardoor deze effecten in een bepaalde financiële risicoklasse ingedeeld worden. Het betreft eveneens verhandelbare effecten.

Worden aldus beschouwd als effecten vergelijkbaar met obligaties : de Notes met inbegrip van de EMTN (Euro medium term Notes), de vastgoedcertificaten, de depositobewijzen, de thesauriebewijzen, enzovoort.

Er wordt eraan herinnerd dat wat de vastrentende effecten betreft, de inkomsten iedere som omvatten die boven de uitgifteprijs wordt betaald of toegekend, ongeacht of de toekenning al dan niet plaatsheeft op de bij overeenkomst vastgestelde vervaldag (cf. artikel 19, § 2, eerste lid, WIB 92).

Om zulke vastrentende effecten in het vereffeningstelsel toe te laten, is het, overeenkomstig artikel 16, eerste lid, 4°, van de wet van 6 augustus 1993, noodzakelijk het koninklijk besluit van 26 mei 1994 te vervolledigen door te bepalen hoe het bedrag van de lopende rente van deze effecten op de valutadag wordt berekend, bedrag waarop de roerende voorheffing verschuldigd is of waarop de vergoeding, gelijk aan de roerende voorheffing wordt betaald.

In de lijn van wat vermeld wordt in artikel 8, eerste lid, van het koninklijk besluit van 26 mei 1994, zal de lopende rente bepaald worden met inachtneming van de parameters, die vastgesteld werden bij de uitgifte van het effect, om de inkomsten te bepalen op de overeengekomen vervaldag. Gelet op het plaatsvinden van de transactie, zal de berekening echter uitgaan van de waarden van deze parameters op het ogenblik van de transactie (valutadag).

Nemen we bijvoorbeeld een obligatie die terugbetaalbaar is in functie van de evolutie van de prijs van een ons goud tussen de uitgifte (prijs van een ons : 1100 USD) en het ogenblik van de terugbetaling (5 jaar later) en waarbij de rente gelijk is aan 70 % van de evolutie van de referentieprijs.

In geval van verkoop tijdens de looptijd van een effect van 1.000 EUR, dient men rekening te houden met de prijs van een ons goud op het ogenblik van de transactie (valutadag). Als op het ogenblik van de verkoop, de prijs van een ons goud 1.210 USD bedraagt, zal de lopende rente gelijk zijn aan : 70 % x [(1210 - 1100) / 1100] x 1.000 EUR = 70,00 EUR. Hetzelfde geldt voor de berekening van de jaarlijkse coupon als het bedrag a posteriori bepaald wordt.

Voorbeeld : de coupon van een effect met een nominale waarde van 1.000 EUR wordt bepaald door de jaarlijkse evolutie van de consumptieprijsindex - basis 2004 - van de maand februari vermeerderd met 1,5 per cent; de betaling van de coupon heeft plaats op 15 april van elk jaar.

Een verkoop van het effect heeft plaats op 25 november 2011. Het bedrag van de gelopen rente is gelijk aan : [(118,31 - 116,33) / 116,33] + [(270/366) x 1,5 %] x 1000 EUR = 28,12 EUR Waarbij : - 118,31 staat voor het tarief van de consumptieprijsindex voor de maand september 2011 - 2e maand voorafgaand aan de verrichting; - 116,33 staat voor het tarief van de referte-consumptieprijsindex (februari 2011); - 270 staat voor het aantal gelopen dagen vanaf het begin van de periode; - 366 staat voor het aantal dagen die de periode telt; - 1,5 % staat voor de vaste verhoging van de rentevoet over de volledige periode; - 1.000 EUR staat voor de nominale waarde van het effect.

Aldus liggen twee grote beginselen, eventueel gecumuleerd, aan de basis van de evaluatie van de gelopen rente. 1) als het een vaste rentevoet betreft, wordt de gelopen rente prorata berekend op de gelopen dagen;2) als het rendement verbonden is aan de evolutie van een index, wordt de gelopen rente berekend door de valutadag van de verrichting als de vervaldag in de oorspronkelijke formule van het rendement op te nemen. Gelet op het groot aantal mogelijkheden van voorgestelde formules en de praktische problemen die dit kan stellen voor de beheerder van het vereffeningstelsel (bijvoorbeeld, beschikbaarheid van indexen, problemen met het programmeren van formules enzovoort), zal deze laatste het recht hebben om een voorstel te weigeren indien het vereffeningstelsel dit operationeel niet kan behandelen.

Artikel 5 Dit artikel past artikel 10 van het koninklijk besluit van 26 mei 1994 aan omwille van het nieuwe artikel 9/1.

Artikel 6 Dit artikel bepaalt dat dit besluit in werking treedt de tiende dag na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad en dat artikel 4 van toepassing is op effecten met uitgifte vanaf 1 januari 2013.

Ik heb de eer te zijn, Sire, Van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Minister van Financiën, K. GEENS

ADVIES 53.187/2 VAN 6 MEI 2013 VAN DE RAAD VAN STATE, AFDELING WETGEVING, OVER EEN ONTWERP VAN KONINKLIJK BESLUIT 'TOT WIJZIGING VAN HET KONINKLIJK BESLUIT VAN 26 MEI 1994 OVER DE INHOUDING EN DE VERGOEDING VAN DE ROERENDE VOORHEFFING OVEREENKOMSTIG HOOFDSTUK I VAN DE WET VAN 6 AUGUSTUS 1993 BETREFFENDE DE TRANSACTIES MET BEPAALDE EFFECTEN' Op 12 april 2013 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Financiën verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een koninklijk besluit 'tot wijziging van het koninklijk besluit van 26 mei 1994 over de inhouding en de vergoeding van de roerende voorheffing overeenkomstig hoofdstuk I van de wet van 6 augustus 1993 betreffende de transacties met bepaalde effecten'.

Het ontwerp is door de tweede kamer onderzocht op 6 mei 201 3.

De kamer was samengesteld uit Yves Kreins, kamervoorzitter, Pierre Vandernoot en Martine Baguet, staatsraden, Sébastien Van Drooghenbroeck en Jacques Englebert, assessoren, en Bernadette Vigneron, griffier.

Het verslag is uitgebracht door Jean-Luc Paquet, eerste auditeur.

De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Pierre Vandernoot.

Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 6 mei 2013.

Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals het is vervangen bij de wet van 2 april 2003, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.

Wat deze drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.

Onderzoek van het ontwerp Aanhef Eerste en tweede lid Het ontworpen besluit ontleent zijn rechtsgrond aan artikel 16 van de wet van 6 augustus 1993 'betreffende de transacties met bepaalde effecten'.

Alleen dat artikel 16 behoort dus aan het slot van het tweede lid te worden vermeld en het eerste lid moet worden weggelaten.

Derde en vierde lid Het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 biedt evenmin een rechtsgrond voor het ontworpen besluit en wordt erdoor ook niet gewijzigd. Het derde lid moet dan ook worden weggelaten (1).

Bovendien moeten de woorden ", de artikelen 2 en 10" aan het slot van het vierde lid worden weggelaten (2).

Dispositief In de inleidende zin van artikel 1 en in artikel 3 van het ontwerp moet melding worden gemaakt van de vroegere, nog geldende wijzigingen (3) aangebracht in de artikelen 2 en 6 van het koninklijk besluit van 26 mei 1994. Het dient dan ook te worden gepreciseerd dat artikel 2 van dat besluit is gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 23 januari 1995, 7 mei 1996 en 11 december 1996, terwijl artikel 6 van dat besluit is gewijzigd bij het koninklijk besluit van 11 december 1996.

De griffier, B. Vigneron.

De voorzitter, Y. Kreins. _______ Nota's (1) Beginselen van de wetgevingstechniek - Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, www.raadvst-consetat.be, tab "Wetgevingstechniek", aanbevelingen 24 en 29. (2) Ibid., aanbeveling 30. (3) Ibid., aanbeveling 113.

1 JULI 2013. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 26 mei 1994 over de inhouding en de vergoeding van de roerende voorheffing overeenkomstig hoofdstuk I van de wet van 6 augustus 1993 betreffende de transacties met bepaalde effecten (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 6 augustus 1993 betreffende de transacties met bepaalde effecten, artikel 16;

Gelet op het koninklijk besluit van 26 mei 1994 over de inhouding en de vergoeding van de roerende voorheffing overeenkomstig hoofdstuk I van de wet van 6 augustus 1993 betreffende de transacties met bepaalde effecten;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën gegeven op 10 januari 2013;

Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting van 28 februari 2013;

Gelet op advies 53.187/2 van de Raad van State, gegeven op 6 mei 2013, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op de voordracht van de Minister van Financiën, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.In artikel 2 van het koninklijk besluit van 26 mei 1994 over de inhouding en de vergoeding van de roerende voorheffing overeenkomstig hoofdstuk I van de wet van 6 augustus 1993 betreffende de transacties met bepaalde effecten, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 23 januari 1995, 7 mei 1996 en 11 december 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in de inleidende zin, worden de woorden "de volgende :" vervangen door de woorden "de hierna opgesomde vastrentende effecten, in de zin van artikel 2, § 1, 8°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 :";2° in paragraaf 1, 4°, wordt het woord "vastrentende" opgeheven;3° in de inleidende zin van paragraaf 2, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 7 mei 1996, worden de woorden "De hierna vermelde vastrentende effecten die uitgegeven zijn" vervangen door de woorden "De hierna vermelde effecten die uitgegeven zijn"; 4° in paragraaf 2, 2°, wordt het woord "vastrentende" opgeheven en worden de woorden "de Europese Gemeenschap" vervangen door de woorden "de Europese Economische Ruimte" en de woorden "één van de in artikel 3 van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten bedoelde bemiddelaars, die gevestigd zijn in een Lidstaat van de EG;" vervangen door de woorden "één van de bemiddelaars gevestigd in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte in de zin van artikel 2, 10° van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;"; 5° in paragraaf 2, 3°, wordt het woord "vastrentende" opgeheven en worden de woorden "de Europese Gemeenschap" vervangen door de woorden "de Europese Economische Ruimte";6° in paragraaf 3, 1°, worden de woorden "vastrentende effecten" vervangen door het woord "effecten";7° in paragraaf 3, 2°, worden de woorden "bedoelde vastrentende effecten" vervangen door de woorden "bedoelde effecten";8° paragraaf 4, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 23 januari 1995, wordt opgeheven.

Art. 2.In artikel 5, tweede lid, van hetzelfde besluit, worden de woorden "Administratie der directe belastingen" vervangen door de woorden "administratie bevoegd voor de vestiging of de inning en de invordering van de inkomstenbelastingen".

Art. 3.In artikel 6, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 11 december 1996, worden de woorden "Administratie der Directe Belastingen" vervangen door de woorden "administratie bevoegd voor de vestiging of de inning en de invordering van de inkomstenbelastingen".

Art. 4.In hetzelfde besluit, wordt een artikel 9/1 ingevoegd, luidend als volgt : "

Art. 9/1.In afwijking van de artikelen 8 en 9, en wat de effecten betreft waarvan de inkomsten niet bepaalbaar zijn op het ogenblik van de uitgifte of in het begin van de intrestperiode, wordt het bedrag van de gelopen rente op de valutadag van de transactie met vastrentende effecten, waarop de roerende voorheffing is verschuldigd of waarop de vergoeding, gelijk aan de roerende voorheffing wordt betaald, bepaald aan de hand van de formule van berekening van de interesten die is vastgesteld bij de uitgifte, rekening gehouden met de op de valutadag van de transactie vastgestelde waarde van de in deze formule bepaalde parameters, mits de beheerder van het systeem deze formule op operationeel gebied goedkeurt.".

Art. 5.In artikel 10, eerste lid, van hetzelfde besluit, worden de woorden "8 en 9" telkens vervangen door de woorden "8, 9 en 9/1".

Art. 6.Dit besluit treedt in werking op de tiende dag na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.

Artikel 4 is van toepassing op effecten met uitgifte vanaf 1 januari 2013.

Art. 7.De minister bevoegd voor Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 1 juli 2013.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Financiën, K. GEENS _______ Nota (1) Verwijzingen naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 6 augustus 1993, Belgisch Staatsblad van 18 augustus 1993. Koninklijk besluit van 26 mei 1994, Belgisch Staatsblad van 3 juni 1994.

Wetten op de Raad van State, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 12 januari 1973, Belgisch Staatsblad van 21 maart 1973.

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^