Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 02 april 1998
gepubliceerd op 11 april 1998

Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 33 van de wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor werkgelegenheid

bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
numac
1998022241
pub.
11/04/1998
prom.
02/04/1998
ELI
eli/besluit/1998/04/02/1998022241/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

2 APRIL 1998. Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 33 van de wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor werkgelegenheid


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor werkgelegenheid, inzonderheid op artikel 33, § 2, gewijzigd bij de wet van 22 februari 1998;

Gelet op de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg, inzonderheid op artikel 15;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 2 maart 1998;

Gelet op het akkoord van de Minister van Begroting, gegeven op 5 maart 1998;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid, gemotiveerd door de omstandigheid dat de wet van 22 februari 1998 houdende sociale bepalingen, inzonderheid artikelen 269 tot 271, die uitwerking heeft op 1 januari 1998, zowel de persoonlijke als de materiële werkingssfeer van de bepalingen van artikel 33 van de wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor werkgelegenheid verruimt; dat de uitvoeringsmaatregelen met uitwerking op dezelfde datum onverwijld moeten genomen worden om de O.C.M.W.'s zo snel mogelijk de inhoud ervan ter kennis te brengen;

Iedere vertraging bij de bekendmaking van dit besluit zou negatieve gevolgen hebben voor een van de essentiële taken van de O.C.M.W.'s, die concreet tot uiting komt in een beleid van maatschappelijke dienstverlening door tewerkstelling;

Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 10 maart 1998, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, van Onze Minister van Volksgezondheid, van Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid, van Onze Minister van Sociale Zaken en van Onze Staatssecretaris voor Maatschappelijke Integratie, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.§ 1. De bijkomende financiële middelen voortvloeiend uit de vrijstelling van de werkgeversbijdragen, bedoeld in artikel 33, § 1, van de wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor werkgelegenheid, dienen volledig besteed te worden aan het tewerkstellingsbeleid van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, de sociaal-professionele vorming inbegrepen, en zulks op de wijze bepaald in de volgende paragrafen. § 2. De openbare centra voor maatschappelijk welzijn die, op 1 januari van het voorlaatste jaar, als werkgever minder dan tien personen tewerkstelden in het kader van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, dienen de financiële middelen voortvloeiend uit de vrijstelling van de werkgeversbijdragen volledig te besteden aan het realiseren van betrekkingen door middel van gelijk welke tewerkstellingsformule en/of aanvullende vorming in verband met tewerkstelling, die toegankelijk zijn voor gerechtigden op het bestaansminimum of op financiële maatschappelijke dienstverlening. § 3. De openbare centra voor maatschappelijk welzijn die, op 1 januari van het voorlaatste jaar, als werkgever ten minste tien personen tewerkstelden in het kader van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, dienen de financiële middelen voortvloeiend uit de vrijstelling van de werkgeversbijdragen verplicht in onderstaande volgorde aan te wenden : 1. Bij voorrang ofwel het voltijds aanwerven van ten minste één begeleider voor de personen tewerkgesteld in het kader van voornoemd artikel 60, § 7, ofwel het voltijds aanstellen van een personeelslid van het centrum voor deze taak, gecompenseerd door een nieuwe voltijdse aanwerving.2. Het saldo van de financiële middelen volledig besteden aan het realiseren van betrekkingen door middel van gelijk welke tewerkstellingsformule en/of aanvullende vorming in verband met tewerkstelling, die toegankelijk zijn voor gerechtigden op het bestaansminimum of op financiële maatschappelijke dienstverlening.

Art. 2.Het koninklijk besluit van 28 mei 1996 tot uitvoering van artikel 33 van de wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor werkgelegenheid, wordt opgeheven.

Art. 3.Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1998.

Art. 4.Onze Minister van Binnenlandse Zaken, Onze Minister van Volksgezondheid, Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Onze Minister van Sociale Zaken en Onze Staatssecretaris voor Maatschappelijke Integratie zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 2 april 1998.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, J. VANDE LANOTTE De Minister van Volksgezondheid, M. COLLA De Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Mevr. M. SMET De Minister van Sociale Zaken, Mevr. M. DE GALAN De Staatssecretaris voor Maatschappelijke Integratie, J. PEETERS

^