Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 02 augustus 2002
gepubliceerd op 14 september 2002

Koninklijk besluit ter uitvoering van artikel 55bis van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994

bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
numac
2002022718
pub.
14/09/2002
prom.
02/08/2002
ELI
eli/besluit/2002/08/02/2002022718/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

2 AUGUSTUS 2002. - Koninklijk besluit ter uitvoering van artikel 55bis van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, inzonderheid op artikel 55bis , ingevoegd bij wet van 2 augustus 2002;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 23 mei 2002;

Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting van 6 juni 2002;

Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, vervangen bij de wet van 4 juli 1989 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid;

Overwegende dat het Participatiefonds met toepassing van artikel 74, § 1, 7°, van de wet van 28 juli 1992 houdende fiscale en financiële bepalingen met ingang van 1 mei 2002 toelagen voorschiet die toegekend worden ten behoeve van zelfstandige kinesitherapeuten in het kader van reconversiemaatregelen; dat het nodig is dat zonder verwijl de elementen op grond waarvan voormelde toelagen vastgesteld kunnen worden, kenbaar worden gemaakt, ook al ontstaat het recht op de toelagen pas vanaf 1 januari 2003, teneinde de voorfinanciering door het Participatiefonds in het passende kader te laten verlopen; dat het bovendien aangewezen is dat de betrokken zelfstandige kinesitherapeuten zonder verwijl zouden kunnen nagaan of de toelagen die zij bij wijze van voorfinanciering uitbetaald krijgen, in overeenstemming zouden kunnen zijn met de toelagen waarop zij in rechte aanspraak zullen kunnen maken op grond van dit besluit;

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : - kinesitherapeutische verstrekkingen : alle verstrekkingen die zich in de loop van de refertejaren voordeden in artikel 7, § 1, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering; - geobserveerde uitgaven : de door de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen verschuldigde bedragen voor kinesitherapeutische verstrekkingen verleend tijdens de refertejaren, en die opgenomen zijn in de bij Titel VI, Hoofdstuk VI van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, bedoelde statistische tabellen; - refertejaren : de jaren 1998, 1999 en 2000; - gemiddeld bedrag : het rekenkundige gemiddelde van de geobserveerde uitgaven voor het geheel van de refertejaren. Wanneer het RIZIV voor een bepaald jaar geen bedrag ten laste genomen heeft, is het bedrag dat voor dat jaar ingebracht wordt in de berekening van het rekenkundig gemiddelde gelijk aan nul, tenzij het feit dat het RIZIV geen bedrag ten laste genomen heeft te wijten is aan het nog niet ingeschreven zijn van de kinesitherapeut bij het RIZIV in dat jaar, in welk geval dat jaar in de berekening van het rekenkundig gemiddelde geneutraliseerd wordt. Het jaar van inschrijving van de kinesitherapeut bij het RIZIV wordt het bedrag dat door het RIZIV ten laste genomen werd bovendien vermenigvuldigd met 12 en gedeeld door het aantal volle kalendermaanden dat de betrokkene bij het RIZIV in dat jaar ingeschreven was.

Art. 2.Het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering wordt ermee belast om de kost voortvloeiend uit de artikelen 3 tot 5 van dit besluit, die ertoe geleid hebben dat het aantal kinesitherapeuten is verminderd, ten laste te nemen van de begroting inzake de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.

Art. 3.Het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekeringen betaalt aan het Participatiefonds, overeenkomstig de bepalingen van het ministerieel besluit van 2 augustus 2002 ter uitvoering van artikel 74, § 1, 7°, laatste lid, van de wet van 28 juli 1992 houdende fiscale en financiële bepalingen, de kosten terug die voortvloeien uit : 1° de voorfinanciering van de toelagen aan zelfstandigen bedoeld in artikel 4;2° de voorfinanciering van de toelagen voorzien in overeenkomsten bedoeld in artikel 5;3° de behandeling van de dossiers zoals bepaald in voormeld ministerieel besluit van 2 augustus 2002;4° de aanrekening van interesten zoals bedoeld in voormeld ministerieel besluit van 2 augustus 2002.

Art. 4.§ 1. De voorgefinancierde toelagen, bedoeld in artikel 3, 1°, moeten voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° de toelage is het gevolg van een aanvraag die bij aangetekende brief door een zelfstandige die op 1 augustus 2002 nog geen 60 jaar oud was, ingediend werd bij het Participatiefonds uiterlijk op 31 december 2002 overeenkomstig het model dat als bijlage gaat.De aanvraag is definitief; 2° het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsuitkeringen heeft over de jaren 1998, 1999 en 2000 gemiddeld ten minste 4.462 euro ten laste genomen van de prestaties die de aanvrager als kinesitherapeut verricht heeft; 3° de toelage is gelijk aan : a) 7.883 euro wanneer de aanvrager gekozen heeft voor de uitbetaling van een éénmalige premie en er voor de refertejaren een gemiddeld bedrag van ten minste 18.592 euro werd geregistreerd; b) 5.912,25 euro wanneer de aanvrager gekozen heeft voor de uitbetaling van een éénmalige premie en er voor de refertejaren een gemiddeld bedrag van ten minste 13.882 euro maar niet meer dan 18.591 euro werd geregistreerd; c) 3.941,5 euro wanneer de aanvrager gekozen heeft voor de uitbetaling van een éénmalige premie en er voor de refertejaren een gemiddeld bedrag van ten minste 6.941 euro maar niet meer dan 13.881 euro werd geregistreerd; d) 1.970,75 euro wanneer de aanvrager gekozen heeft voor de uitbetaling van een éénmalige premie en er voor de refertejaren een gemiddeld bedrag van ten minste 4.462 euro maar niet meer dan 6.940 euro werd geregistreerd; e) 2.627,67 euro wanneer de aanvrager gekozen heeft voor de uitbetaling van een maandelijkse premie en er voor de refertejaren een gemiddeld bedrag van ten minste 18.592 euro werd geregistreerd; f) 1.970,75 euro wanneer de aanvrager gekozen heeft voor de uitbetaling van een maandelijkse premie en er voor de refertejaren een gemiddeld bedrag van ten minste 13.882 euro maar niet meer dan 18.591 euro werd geregistreerd; g) 1.313,84 euro wanneer de aanvrager gekozen heeft voor de uitbetaling van een maandelijkse premie en er voor de refertejaren een gemiddeld bedrag van ten minste 6.941 euro maar niet meer dan 13.881 euro werd geregistreerd; h) 656,92 euro wanneer de aanvrager gekozen heeft voor de uitbetaling van een maandelijkse premie en er voor de refertejaren een gemiddeld bedrag van ten minste 4.462 euro maar niet meer dan 6.940 euro werd geregistreerd.

Het bedrag van de toelage bedoeld in het eerste lid, 3°, e) , f) , g) en h) wordt vermenigvuldigd met zes. Wanneer de aanvrager evenwel gekozen heeft voor het volgen van een opleiding worden die bedragen vermenigvuldigd met negen.

Onverminderd het vorige lid, wordt het bedrag van de toelage bedoeld in het eerste lid, 3°, e) , f) , g) en h) gedeeld door twee wanneer de aanvrager een zelfstandige in bijberoep is. § 2. De aanvaarding door het RIZIV van de voorfinanciering van de toelagen doet een recht ontstaan in hoofde van de aanvrager op die toelagen.

Het RIZIV stelt de aanvrager in kennis van die beslissing.

Art. 5.De voorgefinancierde toelagen bedoeld in artikel 3, 2°, moeten voldoen aan volgende voorwaarden: 1° de toelage is het gevolg van een overeenkomst afgesloten tussen de federale overheid en de bevoegde gewestinstanties met het oog op de begeleiding van kinesitherapeuten;2° het totaal van de toelagen mag niet hoger zijn dan het bedrag dat in de overeenkomst bedoeld in 1° overeengekomen werd.

Art. 6.Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2003.

Art. 7.Onze Minister van Sociale Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Punat, 2 augustus 2002.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Sociale Zaken, F. VANDENBROUCKE


Bijlage bij het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 2 augustus 2002.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Sociale Zaken, F. VANDENBROUCKE

^