Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 02 december 2011
gepubliceerd op 27 december 2011

Koninklijk besluit betreffende de kritieke infrastructuren in de deelsector van het luchtvervoer

bron
federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer
numac
2011014317
pub.
27/12/2011
prom.
02/12/2011
ELI
eli/besluit/2011/12/02/2011014317/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

2 DECEMBER 2011. - Koninklijk besluit betreffende de kritieke infrastructuren in de deelsector van het luchtvervoer


VERSLAG AAN DE KONING Sire, Inleiding Het ontworpen koninklijk besluit heeft tot doel de omzetting in Belgisch recht van de Richtlijn 2008/114/EG van de Raad van 8 december 2008 inzake de identificatie van Europese kritieke infrastructuren, de aanmerking van infrastructuren als Europese kritieke infrastructuren en de beoordeling van de noodzaak de bescherming van dergelijke infrastructuren te verbeteren (1) (hieronder "de Richtlijn"). Zij stelt een mechanisme van beveiliging en van bescherming voor Europese kritieke infrastructuren in.

Een kritieke infrastructuur is "in de deelsector van het luchtvervoer, (een) voorziening, (een) systeem of (een) deel daarvan dat van essentieel belang is voor het behoud van vitale maatschappelijke functies, de gezondheid, de veiligheid, de beveiliging, de economische welvaart of het maatschappelijk welzijn, waarvan de verstoring of vernietiging in een lidstaat aanzienlijke gevolgen zou hebben doordat die functies ontregeld zouden raken".

Het gaat er dus om te waken over het behoud van, in de deelsector van het luchtvervoer, de vitale knooppunten van het vervoer waarvan de voornaamste luchthavens en de infrastructuur van het luchtverkeer deel uitmaken.

De Richtlijn legt de lidstaten de verplichting op beveiligingsmechanismen te implementeren voor de Europese kritieke infrastructuren.

Dit heeft betrekking op de kritieke infrastructuren die zich op het grondgebied van de Europese Unie bevinden en waarvan de verstoring van de werking of de vernietiging een aanzienlijke grensoverschrijdende weerslag zou kunnen hebben.

Het doel is een gemeenschappelijke benadering in werking te stellen, waarbij rekening wordt gehouden met het specifieke karakter van de sectoren waarop de Richtlijn vandaag wil toegepast worden.

Daarom moeten de Europese kritieke infrastructuren geïdentificeerd worden op basis van enerzijds criteria die eigen zijn aan de betrokken sector - de zogenaamde sectorale criteria - en anderzijds door rekening te houden met de gemeenschappelijke intersectorale criteria, die bepaald worden op gemeenschapsniveau.

Een deel van het voorwerp van dit ontwerp is dus deze Richtlijn om te zetten en de gepaste beveiligingsmechanismen voor Europese kritieke infrastructuren in de deelsector van het luchtvervoer te implementeren.

De deelsector van het luchtvervoer beschikt reeds over een ingewikkelde regeling inzake de bescherming van alle luchthavens of delen van luchthavens op het grondgebied van een lidstaat die niet uitsluitend voor militaire doeleinden gebruikt worden alsook alle entiteiten die normen voor de beveiliging van de luchtvaart toepassen en die werkzaam zijn vanuit locaties die binnen of buiten luchthavens zijn gelegen en goederen en/of diensten leveren aan of via deze luchthavens.

Deze specifieke beschermingsregeling werd opgelegd en geharmoniseerd door de Verordening (EG) nr. 300/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart (2) (hieronder "de Verordening 300/2008") en door haar uitvoeringsbesluiten.

Om de doelstelling inzake het implementeren van beveiligingsmechanismen voor de Europese kritieke infrastructuren opgelegd door de Richtlijn te verzoenen met de maatregelen opgelegd door de Europese regelgeving in het domein van de beveiliging van de luchtvaart, blijkt dat een algemene wet (3) die tot doel heeft om op alle deelsectoren van toepassing te zijn onvoldoende was.

Vandaar dat het raadzaam geacht wordt om de omzetting van de Richtlijn voor de deelsector van het luchtvervoer vast te leggen in een specifieke reglementaire handeling.

Naast de maatregelen opgelegd door de Verordening 300/2008 vallen de Belgische luchthavens ook onder andere beschermingsmaatregelen. De wet van 10 juli 2006 betreffende de dreigingsanalyse (4) en haar uitvoeringsbesluiten vertrouwen immers aan het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse (hieronder "OCAD") in het bijzonder de opdracht toe de dreiging die op die infrastructuren rust te analyseren. De Richtlijn geeft echter een nieuwe definitie aan kritieke infrastructuren waardoor een aanpassing van de bestaande beschermingsmechanismen zich opdringt.

Daarnaast is de dreigingsanalyse momenteel door het artikel 3 van de wet van 10 juli 2006 beperkt tot terrorisme en extremisme. Welnu, gelet op de weerslag die een incident in een kritieke infrastructuur op heel de bevolking kan hebben, wordt best een "alle risico's" omvattende aanpak aangenomen voor de luchthavens, zoals de Richtlijn voor ogen heeft als ze het heeft over een "alle risico's omvattende aanpak, waarbij de bestrijding van terroristische dreigingen als prioriteit zou gelden".

Met de omzetting van de Richtlijn wordt hier de gelegenheid gegeven het nieuwe concept kritieke infrastructuur te integreren, de beveiliging en de bescherming van kritieke infrastructuren zo goed mogelijk te normaliseren en de opdrachten van het OCAD op gebied van de dreigingsanalyse voor de luchthavens en de diensten inzake het luchtverkeer die als kritieke infrastructuur aangewezen worden uit te breiden.

Dit ontwerp regelt dus op een specifieke wijze de beveiliging en de bescherming van de kritieke infrastructuren in de deelsector van het luchtvervoer.

Deze regelgeving situeert zich in het domein van de preventie. Het gaat om de organisatie van het nemen van beschermingsmaatregelen door de bevoegde overheden en, in voorkomend geval, beveiligingsmaatregelen door de exploitant, teneinde elk voorval dat van aard is om schade te brengen aan de infrastructuur te voorkomen of te verhinderen.

Dit wetsontwerp situeert zich dus niet in het raam van de voorbereiding op het beheer van een noodsituatie, waarvoor de ter zake reeds bestaande wettelijke en reglementaire bepalingen dienen te worden toegepast (5).

Op het vlak van de beveiliging van kritieke Europese infrastructuren zijn de verplichtingen voorzien door de Richtlijn reeds uitgevoerd in de deelsector van het luchtvervoer, zij zijn gepreciseerd in de Verordening 300/2008 en haar uitvoeringsbesluiten.

De federale overheid moet zorgen voor de externe bescherming van de infrastructuur. Aldus beslist de ADCC over passende beschermingsmaatregelen, die vervolgens door de politiediensten worden uitgevoerd.

Vooraleer beveiligings- en beschermingsmaatregelen worden genomen, is het aangewezen nationale en Europese kritieke infrastructuren te identificeren en aan te duiden zoals voorgeschreven door de Richtlijn.

Deze opdracht is toevertrouwd aan de zogenaamde "sectorale" overheid, dit is de federale overheid die geheel of gedeeltelijk voor een welbepaalde sector bevoegd is. In de deelsector van het luchtvervoer is deze overheid de Minister bevoegd voor de Luchtvaart of, bij delegatie door deze, een leidend personeelslid van het Directoraat-generaal Luchtvaart. In de mate van het mogelijke werken de sectorale overheden samen met de vertegenwoordigers van de sector en zelfs met de exploitanten van potentiële kritieke infrastructuren, aangezien ze inderdaad samen over de expertise beschikken met betrekking tot de beveiliging van hun sector.

De sectorale overheid werkt eveneens samen met de gewesten voor zover de kritieke infrastructuren onder hun bevoegdheden vallen.

Men zal opmerken dat dit ontwerp de openbare veiligheid betreft en dus valt onder de bevoegdheid van de federale staat. De gewesten worden betrokken voor de kritieke infrastructuren waarvan het beheer onder hun bevoegdheden valt. Een samenwerking met deze laatsten wordt voorzien in verschillende stadia van identificatie en aanduiding van deze kritieke infrastructuren, alsook in het bepalen van de regels van controle en daarbij in voorkomend geval rekening houdend met de regelgeving inzake de beveiliging van de burgerluchtvaart.

Opdat België deze dubbele verplichting zou kunnen nakomen, wordt deze regelgeving best van kracht vóór 12 januari 2011, opdat het proces van identificatie en aanduiding verplicht wordt, opdat de aanduidingen effectief kunnen plaatsvinden en opdat dit proces tegen die datum kan afgerond worden.

Artikel 4.6 van de Richtlijn bepaalt immers dat het proces voor identificatie en aanduiding van de Europese kritieke infrastructuren uiterlijk zijn beslag moet krijgen op 12 januari 2011 voor de sectoren energie en vervoer en dat vanaf die datum er regelmatig een nieuw onderzoek plaatsvindt. Welnu, dezelfde termijn is bepaald voor de omzetting van de Richtlijn. De overheden die voor die sectoren bevoegd zijn, hebben nu dus al stappen moeten zetten om deze termijnen te respecteren.

De Wet van 1 juli 2011 betreffende de beveiliging en de bescherming van de kritieke infrastructuren die gepubliceerd is in het Belgisch Staatsblad op 15 juli 2011 is de algemene omzettingswet van de Richtlijn en de wet die aan de Koning de machtiging geeft voor de omzetting van diezelfde Richtlijn in de deelsector van het luchtvervoer. Geen enkele reglementaire bepaling gebaseerd op deze wet kon aangenomen worden vooraleer de wetgevende vergaderingen hierover gestemd hebben.

De Raad van State heeft haar advies over dit ontwerp gegeven op 21 september 2011. Er dient nu reeds te worden opgemerkt dat niet met alle gegeven opmerkingen rekening gehouden kon worden.

De Raad van State, die de opmerking gegeven in haar advies 48.989/VR van 9 december 2010 van het voorontwerp van wet betreffende de beveiliging en de bescherming van de kritieke infrastructuren herneemt, merkt op dat het eensluidend advies zoals voorzien in artikel 3, § 1, tweede alinea en de eenvoudige adviezen voorzien in artikelen 4, §§ 1 en 3, 5, tweede alinea de autonomie van de diverse bevoegdheidsniveaus niet eerbiedigen.

Er werd rekening gehouden met de opmerking en de eenvoudige en eensluidende adviezen werden vervangen door een eenvoudige raadpleging. De opmerking van de Raad van State kon echter niet gevolgd worden voor het artikel 5, eerste alinea. Er is immers geen sprake van een advies. De sectorale autoriteit stuurt enkel de lijst met mogelijke ECI's die zij heeft geïdentificeerd aan, in voorkomend geval, de betrokken gewesten. Dit is slechts een eenvoudige inlichting gegeven aan de gewesten die over de materiële bevoegdheden voor de bedoelde mogelijke ECI's beschikken. Daarnaast is er voor de gewesten, in de deelsector van het luchtvervoer en in het bijzonder in de regionale luchthavens, een rol weggelegd inzake de interne veiligheidsmaatregelen van de mogelijke ECI's. Het advies van de Raad van State verwijst naar de analyse in haar advies 48.989/VR van 9 december 2010 dat zij in overvloed herneemt in haar advies van 21 september 2011. Artikel 5, eerste alinea, valt niet onder deze hernomen redenering.

Artikel 1 Artikel 1 van het ontwerp omschrijft het voorwerp van het koninklijk besluit en geeft aldus uitvoering aan de verplichting van artikel 12, tweede lid, van de Richtlijn om naar deze laatste te verwijzen bij de publicatie van de aangenomen bepalingen door een lidstaat om zich aan deze te conformeren.

Artikel 2 Dit artikel bevat de definities die in het ontwerp van koninklijk besluit zijn gebruikt en voorziet eveneens in de omzetting van artikel 2 van de Richtlijn. Niettemin werd rekening gehouden met advies van de Raad van State dat opmerkt dat de machtiging verleend aan de Koning door artikel 4, § 3 van de wet van 1 juli 2011 betreffende de beveiliging en de bescherming van de kritieke infrastructuren (hierna "de wet") geen betrekking heeft op de definities van hoofdstuk I van de wet. Bijgevolg definieert dit ontwerp slechts de specifieke termen gebruikt in het uitvoeringsbesluit.

Sommige definities van de Richtlijn zijn aangepast om ervoor te zorgen dat de tekst van het koninklijk besluit coherent is in Belgisch recht.

Andere werden hier niet hernomen, hetzij omdat ze niet gebruikt worden in het ontwerp, hetzij omdat ze hernomen werden in het dispositief vanwege hun normatieve draagwijdte. De definitie van "gevoelige informatie in verband met de bescherming van kritieke infrastructuur" die voorkomt in artikel 2, d) van de Richtlijn werd niet hernomen omdat het begrip niet gebruikt wordt in het ontwerp van koninklijk besluit. Dit begrip wordt overigens enkel in artikel 9 van de Richtlijn gebruikt, dat de relaties tussen de lidstaten en de Europese Commissie behandelt en dat dus niet omgezet moet worden. De vermelde gevoelige informatie is overigens reeds het voorwerp van een regelgeving in Belgisch recht, krachtens de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen. 1° "sectorale overheid" : deze definitie bepaalt welke overheid voor een bepaalde sector bevoegd is.Het is, voor de deelsector van het luchtvervoer, de minister die bevoegd is voor de Luchtvaart of het leidend personeelslid van het Directoraat-generaal Luchtvaart die hij delegeert. 2° : bij deze definitie is geen bijzondere opmerking nodig. Punten 3° en 4° geven twee definities van kritieke infrastructuren.

Punt 3° beschrijft het begrip in zijn geheel. Dit is de definitie die in de Richtlijn staat. Daaruit vloeit voort dat de aldus beschreven vitale functies verzekerd moeten zijn om te vermijden dat hun werking verstoord wordt of dat ze vernietigd worden. Het begrip dekt de Europese kritieke infrastructuren die zijn beschreven het punt 4°, waarbij deze infrastructuren een grensoverschrijdend element vertonen.

De definities die de Richtlijn geeft, liggen aan de oorsprong van de herziening van het concept van de bescherming van kritieke infrastructuren in België, beschreven door het koninklijk besluit van 28 november 2006 tot uitvoering van de wet van 10 juli 2006 betreffende de dreigingsanalyse.

Het past op te merken dat de definitie gegeven door de Richtlijn niet in haar geheel kon worden hernomen omdat zij normatieve bepalingen bevat die, conform de regels van wetgevingstechniek uitgevaardigd door de Raad van State, in het corpus zelf staan en niet in de definities.

Het is daarom dat de verwijzing naar de toepassing van de intersectorale criteria verder in het ontwerp staat. 5° "verantwoordelijke" : deze term wordt in het ontwerp van koninklijk besluit gebruikt om rekening te houden met de specifieke verdeling van de opdrachten inzake de luchtvaartbeveiliging binnen de luchthavens tussen enerzijds de eigenlijke exploitant zoals gedefinieerd in de wet en anderzijds de autoriteit verantwoordelijk voor de coördinatie van de implementatie van de controles en procedures inzake beveiliging in het kader van de regelgeving inzake de bescherming van de burgerluchtvaart tegen wederrechtelijke gedragingen die haar in gevaar brengen.Het beheer van de luchthaveninfrastructuur verschilt van gewest tot gewest en er zijn verschillende actoren betrokken bij de bescherming van deze infrastructuren. Alle onduidelijkheden omtrent de actoren betrokken bij de bescherming van de Europese kritieke infrastructuren dienen dan ook opgelost te worden. 6° en 7° : bij deze definitie zijn geen bijzondere opmerkingen nodig. Artikel 3 Artikel 3 zet artikel 3.1. van de Richtlijn om.

Paragraaf 1 omschrijft de verplichting voor de sectorale overheid om voor de deelsector van het luchtvervoer de Europese kritieke infrastructuren te bepalen.

De raadpleging van de gewesten vervangt het eensluidend advies voorzien in het ontwerp neergelegd voor de Raad van State ten gevolge van de opmerking van deze laatste volgens dewelke men enerzijds de gewesten niet kan opleggen samen te werken en anderzijds, het aannemen van maatregelen door de federale overheid, in een materie die exclusief federaal is, niet kan verhinderen in geval van afwezigheid van eensluidend advies van de gewesten.

De raadpleging komt zo tegemoet aan de kritieken van de Raad van State aangezien de gewesten betrokken zijn op een niet dwingende wijze en ze het nemen van maatregelen door de federale overheid niet kunnen blokkeren door een afwezigheid van advies, aangezien de voorwaarde is om hun advies te verzoeken en niet om het te verkrijgen.

Zulks geldt mutatis mutandis eveneens voor de paragrafen 1 en 3 van artikel 4 en voor artikel 5, tweede alinea, waarin een eenvoudig advies voorzien wordt.

Om dit te doen, zal de sectorale overheid de gewesten moeten raadplegen, indien de potentiële kritieke infrastructuren onder hun bevoegdheden vallen.

Eveneens zal de sectorale overheid, indien zij dit nuttig acht in het identificatieproces, de vertegenwoordigers van de deelsector en zelfs de exploitanten van de potentiële kritieke infrastructuren kunnen raadplegen. Een dergelijke raadpleging zal immers toelaten aan de sectorale overheid om te beschikken over een duidelijke visie op de deelsector en de betrokken activiteiten en zal eveneens een betere uitvoering van deze regelgeving door de exploitant moeten toelaten, die in eerste instantie zal betrokken zijn in het proces.

Het identificatieproces is in de bijlage van dit ontwerp omschreven.

Het betreft de omzetting van bijlage III van de Richtlijn, aangepast aan het Belgische systeem en aan de deelsector van het luchtvervoer.

Dit proces heeft plaats door de toepassing van de sectorale en intersectorale criteria hierna gedefinieerd.

Artikel 4 Artikel 4 regelt de bepaling van sectorale criteria en de drempelwaarden van intersectorale criteria, waardoor de Europese kritieke infrastructuren geïdentificeerd kunnen worden. Deze opdracht is aan de sectorale overheid toevertrouwd die, gelet op haar kennis van de deelsector, het meest in staat is om ze te volbrengen.

De intersectorale criteria waaraan de Europese kritieke infrastructuren moeten voldoen, zijn omschreven bij artikel 3.2 van de Richtlijn en zijn omgezet bij artikel 4, § 2, van dit ontwerp. Het komt aan de sectorale overheid toe om, in het raam van de identificatie van de kritieke infrastructuren de drempelwaarden van deze intersectorale criteria te definiëren.

Zoals voorzien is bij de Richtlijn, moeten, voor de Europese kritieke infrastructuren, de drempelwaarden van de intersectorale criteria geval per geval worden vastgelegd voor een gegeven infrastructuur, in overleg met de betrokken lidstaten. De raadpleging van de gewesten wordt daarnaast vereist wanneer het hun bevoegdheden betreft. Opnieuw wordt in dit verband verwezen naar het commentaar betreffende artikel 3, § 1.

Om de sectorale criteria en de drempelwaarden van toepassing op de intersectorale criteria vast te leggen, laat de sectorale overheid zich leiden door de niet-dwingende richtlijnen die de Europese Commissie heeft uitgewerkt.

Artikel 5 Na de kritieke infrastructuren te hebben geïdentificeerd, moet de sectorale overheid overgaan tot hun aanduiding.

De gewesten zullen moeten worden geraadpleegd vóór de aanduiding voor wat de infrastructuren betreft van sectoren die onder hun bevoegdheden vallen. In dit verband wordt verwezen naar het commentaar betreffende artikel 3, § 1.

Artikel 5 beschrijft verder het aanduidingsmechanisme dat eigen is aan de Europese kritieke infrastructuren waarvoor er besprekingen moeten plaatsvinden tussen de betrokken lidstaten, opdat zij hun akkoord zouden kunnen geven overeenkomstig artikel 4 van de Richtlijn. De aanduiding kan pas na dit akkoord plaatsvinden.

Het overleg met de lidstaten wordt opgezet door het ADCC, aangeduid door artikel 2, tweede alinea van de wet als nationaal contactpunt voor de bescherming van Europese kritieke infrastructuren. Deze gesprekken vinden plaats in samenwerking met de sectorale overheid. Ze hebben betrekking op de infrastructuren gelegen op het grondgebied van deze lidstaten en waarvan de verstoring van de werking of de vernietiging een grote impact zou kunnen hebben in België. De gesprekken hebben eveneens betrekking op de potentiële kritieke infrastructuren gelegen op het grondgebied van het Rijk.

Indien België naar aanleiding van dit overleg meent dat ze aanzienlijk geraakt kan worden door een infrastructuur die niet geïdentificeerd werd door een andere lidstaat, zal ze dit laten weten en zal ze verzoeken dat bovenvermelde infrastructuur wordt geïdentificeerd en aangeduid als Europese kritieke infrastructuur door de betrokken lidstaat.

Indien deze lidstaat na de afloop van het overleg zou menen deze infrastructuur niet te moeten aanduiden, zal België de Europese Commissie kunnen inlichten over haar wens dat nieuw overleg aangaande bovenvermelde infrastructuur zou plaatsvinden overeenkomstig artikel 4.2, tweede lid, van de Richtlijn.

Artikel 6 Artikel 6 bepaalt de formaliteiten voor de aanduiding van een kritieke infrastructuur, namelijk de betekening van de beslissing aan de exploitant per drager met ontvangstbewijs.

Deze beslissing wordt in voorkomend geval eveneens betekend aan de verantwoordelijke. Wat de verantwoordelijke betreft wordt er verwezen naar het commentaar van artikel 2.

Het is inderdaad het beste als men precies kan bepalen op welke datum de betekening van de aanduiding is gebeurd, omdat dit het startpunt is van de termijn voor de verplichtingen van de exploitant, die zijn beschreven in het commentaar van de artikelen 10 en 11.

De betekening per drager garandeert overigens de veiligheid. Het feit dat een infrastructuur is aangemerkt als kritiek kan gevoelige informatie zijn die het noodzakelijk kan maken om beveiligingsmaatregelen te nemen in het raam van de communicatie van deze informatie.

Artikel 7 Artikel 4.6 van de Richtlijn bepaalt dat het identificatie- en aanduidingsproces regelmatig geëvalueerd wordt. Voor een doeltreffende bescherming van de kritieke infrastructuur lijkt het evenwel nodig dat dit proces permanent wordt opgevolgd, waarin artikel 7 van dit ontwerp voorziet.

De tweede alinea van artikel 7 van het ontwerp bepaalt onder andere dat de verplichting bevat in artikel 4.4 van de Richtlijn wordt waargenomen door de sectorale overheid die ieder jaar de Europese Commissie informeert over het aantal Europese kritieke infrastructuren dat als dusdanig voor de deelsector van het luchtvervoer werden aangemerkt, alsook over het aantal lidstaten dat betrokken partij is bij elk van deze infrastructuren.

Artikel 8 Artikel 8, § 1, zet artikel 7.1 van de Richtlijn om, dat erin voorziet dat de dreiging die weegt op een deelsector moet worden geëvalueerd binnen een termijn van één jaar na de aanduiding als kritieke infrastructuur. Deze analyse wordt uitgevoerd door het OCAD. Paragraaf 2 omschrijft de dreigingsanalyse in de zin van dit ontwerp.

De dreigingsanalyse, die door artikel 3 van de wet van 10 juli 2006 betreffende de dreigingsanalyse momenteel beperkt is tot dreigingen die ontstaan uit terrorisme en extremisme, wordt voor de bescherming van kritieke infrastructuren uitgebreid tot alle soorten van dreiging.

Dat is enerzijds gerechtvaardigd door het feit dat de Richtlijn zich niet beperkt tot terrorisme en extremisme en anderzijds door de aanzienlijke weerslag die de verstoring van de werking of van de vernietiging van een kritieke infrastructuur in het land zou hebben.

De analyse van de dreiging wordt hier gedefinieerd verwijzend naar de taken van de ondersteunende diensten bedoeld bij artikel 2, 2°, van de wet van 10 juli 2006 betreffende de analyse van de dreiging. De federale overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer maakt deel uit van de ondersteunende diensten.

Er wordt zo dus tegemoetgekomen aan het doel van de richtlijn om een "alle risico's omvattende aanpak" te beogen, zoals uiteengezet in de derde overweging.

Artikel 9 Dit artikel legt de sectorale overheid de verplichting op om verslag uit te brengen aan de Europese Commissie en aan het Nationaal comité voor de veiligheid van de burgerlijke luchtvaart.

Overeenkomstig artikel 7.2 van de Richtlijn moet de lidstaat dit verslag de classificatiegraad geven die ze nodig acht. Deze verslagen worden dus best geclassificeerd overeenkomstig de bepalingen van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen.

Artikel 10 De artikelen 5 en 6 van de Richtlijn voorzien voor de exploitant van een Europese kritieke infrastructuur in bepaalde verplichtingen.

Vooreerst legt de richtlijn aan de exploitant de verplichting op een "beveiligings-verbindingsfunctionaris" aan te duiden, die een rol van contactpunt vervult met de bevoegde overheden voor alle vragen die betrekking hebben op de beveiliging en bescherming van de infrastructuur.

Omdat het doel het verzekeren is van een permanent contactpunt tussen de infrastructuur en de autoriteiten, werd de keuze gemaakt om een contactpunt te beogen dat vierentwintig uur op vierentwintig beschikbaar is voor de bevoegde autoriteiten en de ADCC. Het is aan de exploitant om toe te zien dat er een permanentie verzekerd wordt door één of verschillende personen bevoegd om de veiligheidsvragen met betrekking tot de kritieke infrastructuur te behandelen.

De exploitant dient, krachtens het artikel 10, paragraaf 1 van dit ontwerp, dit beveiligingscontactpunt aan te duiden en de contactgegevens aan de sectorale overheid te communiceren binnen de zes maanden van zijn aanduiding als kritieke infrastructuur.

De laatste paragraaf van het artikel 10 legt een 24 uur op 24 beschikbaarheid op aan het contactpunt, aangezien een incident zich op elk ogenblik kan voordoen.

Artikel 11 Dit artikel zet artikel 5 van de Richtlijn om. Het legt aan de exploitant de verplichting op om een beveiligingsplan van de exploitant bedoeld in artikel 13 van de wet uit te werken.

De deelsector van het luchtvervoer is echter reeds onderwerpen aan een strike Europese regelgeving inzake de bescherming van de burgerluchtvaart tegen wederrechtelijke gedragingen. De Verordening 300/2008 en haar uitvoeringsbesluiten leggen de ontwikkeling en implementatie van een beveiligingsprogramma op voor de exploitanten van luchthavens, luchtvervoerders en, meer algemeen, alle entiteiten die verantwoordelijk zijn voor de implementatie van beveiligingsmaatregelen in het domein van de burgerluchtvaart.

De Verordening 300/2008 voorziet in haar artikelen 12, 13 en 14 dat in deze beveiligingsprogramma's wordt beschreven welke methoden en procedures men dient te volgen om te voldoen aan de Verordening 300/2008 en aan het nationaal programma voor de beveiliging van de burgerluchtvaart dat is opgesteld door de lidstaat waarin de luchthaven, de luchtvervoerder of de entiteit is gevestigd of van waaruit hij diensten verleent. Het beveiligingsprogramma omvat eveneens bepalingen inzake interne kwaliteitscontrole waarin wordt beschreven hoe de exploitant, de luchtvervoerder en de entiteit zelf toezicht dienen te houden op de naleving van deze methoden en procedures.

Artikel 11 van het ontwerp streeft er dus naar om de gelijkwaardigheid van de bestaande beveiligingsprogramma's in de deelsector van het luchtvervoer met het beveiligingsplan van de exploitant zoals voorzien in artikel 5 van de Richtlijn te erkennen.

Uit artikel 2 van de Verordening 300/2008 volgt : "1. Deze verordening is van toepassing op : a) alle luchthavens of delen van luchthavens op het grondgebied van een lidstaat die niet uitsluitend voor militaire doeleinden worden gebruikt;b) alle exploitanten, inclusief luchtvaartmaatschappijen, die diensten verlenen op de onder a) bedoelde luchthavens; c) alle entiteiten die normen voor de beveiliging van de luchtvaart toepassen en die werkzaam zijn vanuit locaties die binnen of buiten luchthavens zijn gelegen en goederen en/of diensten leveren aan of via de onder a) bedoelde luchthavens." Hoewel het toepassingsveld bepaald door artikel 2 van de Verordening 300/2008 heel groot is, is de hypothese dat infrastructuren aangewezen als Europese kritieke infrastructuren in de deelsector van het luchtvervoer niet onder het toepassingsveld van de Verordening 300/2008 zouden vallen voorzien om elke juridische leemte nadelig voor de beveiliging van deze infrastructuren te vermijden.

Artikel 12 De sectorale overheid is bevoegd om interne beveiligingsmaatregelen op leggen die van aard zijn om de gevolgen van een verstoring van de werking of de vernietiging van een kritieke infrastructuur te voorkomen of te beperken.

Dit is echter geen reden om de bescherming van de kritieke infrastructuur te ondermijnen door het niet toepassen van externe beschermingsmaatregelen, zeker wanneer er zich gebeurtenissen voordoen die de beveiliging van de kritieke infrastructuur kunnen bedreigen.

Artikel 4, § 4, sluit de deelsector van het luchtvervoer uit van het toepassingsveld van hoofdstuk II van de wet. Het is belangrijk om in het huidig ontwerp eraan te herinneren dat de exploitant de verplichting heeft het centrum voor informatie en communicatie, zoals voorzien in de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, te waarschuwen wanneer een gebeurtenis dat van aard is om de beveiliging van de infrastructuur te bedreigen zich voordoet, om de autoriteiten toe te laten in voorkomend geval de gepaste externe maatregelen te nemen.

Het is om deze reden dat artikel 12 van het huidig ontwerp expliciet bepaalt dat artikel 14 van de wet van toepassing is.

Artikel 13 Omwille van dezelfde overwegingen als artikel 12, bevestigt artikel 13 dat de ECI's het voorwerp uitmaken van de externe beschermingsmaatregelen zoals ingericht door artikelen 15 tot 19 van de wet.

Artikel 14 Dit artikel voorziet in de mogelijkheid dat de ADCC de sectorale overheid evenals de exploitant of, in voorkomend geval, de verantwoordelijke op de hoogte brengt van informatie over de dreiging of over de externe beschermingsmaatregelen, indien blijkt dat die informatie nuttig zou kunnen zijn voor de aanpassing van de interne beveiligingsmaatregelen. De ADCC dient de noodzaak van een dergelijk bericht te beoordelen, wat geval per geval wordt geëvalueerd, omdat systematische communicatie niet kan worden overwogen gelet op de gevoeligheidsgraad die sommige informatie kan hebben.

De tweede alinea van artikel 14 voorziet de mogelijkheid voor de sectorale overheid om bijkomende interne maatregelen op te leggen rekening houdend met de informatie die door de ADCC wordt meegedeeld.

De sectorale overheid is bevoegd om dergelijke maatregelen op te leggen gezien de bevoegdheden van de ADCC zich uitsluitend tot de externe beschermingsmaatregelen richten.

Het gaat erom een mechanisme in te stellen voor de uitwisseling van informatie, waardoor coördinatie mogelijk moet zijn tussen overheden en exploitanten en, in voorkomend geval, verantwoordelijken om te verzekeren dat er een zekere overeenstemming bestaat tussen de interne en de externe genomen maatregelen.

Dit mechanisme maakt het mogelijk te voldoen aan het voorschrift van artikel 6.4 van de Richtlijn dat voorziet in de implementatie door de lidstaten van "een passend communicatiemechanisme" tussen de overheden en de exploitant "voor de uitwisseling van informatie over vastgestelde risico's en dreigingen in verband met de betrokken ECI".

Er wordt verwezen naar het commentaar van artikel 2 voor de beschouwingen inzake de verantwoordelijke.

Artikel 15 Artikel 15 implementeert artikel 5 van de Richtlijn. De exploitant van een ECI moet een inspectiedienst oprichten zoals beschreven in artikel 24 en 25 van de wet.

Deze inspectiedienst is belast met het toezicht op de naleving van de bepalingen opgelegd aan de exploitant van de ECI. De Belgische luchthavens zijn reeds onderworpen aan de Verordening 300/2008 die aan de lidstaten de oprichting van een toezichtsorgaan op haar bepalingen oplegt. Een inspectiedienst bestaat dus reeds voor de Belgische luchthavens. Deze dienst bestaat uit gemandateerde personeelsleden die beschikken over bijzondere bevoegdheden om hun toezichtstaken uit te voeren. De tweede paragraaf implementeert dus de bepaling van artikel 5.4 van de Richtlijn waarin staat : "Dit artikel laat reeds bestaande regelingen voor toezicht en supervisie inzake ECI onverlet; de in die regelingen aangewezen toezichthouder is de in dit artikel bedoelde autoriteit van de lidstaat".

De tweede paragraaf specificeert verder aan de ECI's onderworpen aan de Verordening 300/2008 dat de luchthaven- en luchtvaartinspecties over de bevoegdheden beschikken hen verleend door de artikelen 38 en 39 van de wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november 1919, betreffende de regeling der Luchtvaart.

Artikel 16 In artikel 16 wordt de inwerkingtreding van het ontwerp vastgesteld op de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Dit is noodzakelijk om zonder vertraging het proces van het identificeren en aanwijzen van de ECI's uit te voeren. Het artikel 12 van de Richtlijn vereist immers dat de noodzakelijke bepalingen om te voldoen aan de Richtlijn ten laatste op 12 januari 2011 aangenomen worden. Een inbreukprocedure, ofwel omwille van laattijdige omzetting ofwel omwille van een gebrekkige uitvoering van het Europese recht, moet worden vermeden door te zorgen voor een uitvoering van het ontwerp vanaf haar bekendmaking.

We hebben de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaars.

De Eerste Minister, Y. LETERME De Minister van Binnenlandse Zaken, Mevr. A. TURTELBOOM De Minister van Justitie, St. DE CLERCK De Staatssecretaris voor Mobiliteit, E. SCHOUPPE _______ Nota's (1) P.B. L 345 van 23 december 2008, blz. 75 tot 82. (2) P.B. L 97 van 9 april 2008, blz. 72. (3) Wet van 1 juli 2011 betreffende de beveiliging en de bescherming van de kritieke infrastructuren, BS, 15 juli 2011.(4) BS, 20 juli 2006.(5) Wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming, BS, 16 januari 1964;Koninklijk besluit van 31 januari 2003 tot vaststelling van het noodplan voor de crisisgebeurtenissen en -situaties die een coördinatie of een beheer op nationaal niveau vereisen, BS, 21 februari 2003; Koninklijk besluit van 16 februari 2006 betreffende de nood- en interventieplannen, BS, 15 maart 2006

ADVIES 50.217/4 VAN 21 SEPTEMBER 2011 VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE De RAAD VAN STATE, afdeling Wetgeving, vierde kamer, op 24 augustus 2011 door de Staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de Eerste Minister verzocht hem, binnen een termijn van dertig dagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit "betreffende de kritieke infrastructuren in de deelsector van het luchtvervoer", heeft het volgende advies gegeven : Rekening houdend met het tijdstip waarop dit advies gegeven wordt, vestigt de Raad Van State de aandacht op het feit dat, wegens het ontslag van de regering, de bevoegdheid van deze laatste beperkt is tot het afhandelen van de lopende zaken. Dit advies wordt evenwel gegeven zonder dat wordt nagegaan of dit ontwerp in die beperkte bevoegdheid kan worden ingepast, aangezien de afdeling Wetgeving geen kennis heeft van het geheel van de feitelijke gegevens welke de regering in aanmerking kan nemen als ze te oordelen heeft of het vaststellen of het wijzigen van een verordening noodzakelijk is.

Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals het is vervangen bij de wet van 2 april 2003, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.

Wat deze drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.

Voorafgaande opmerking Artikel 4, § 3, tweede lid, van de wet van 1 juli 2011 " betreffende de beveiliging en de bescherming van de kritieke infrastructuren", waarvan het ontwerp de tenuitvoerlegging beoogt, machtigt de Koning om wetsbepalingen op te heffen, aan te vullen, te wijzigen of te vervangen.

Artikel 3bis, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt : "De ontwerpen van koninklijke besluiten die de van kracht zijnde wettelijke bepalingen kunnen opheffen, aanvullen, wijzigen of vervangen, worden voorgelegd aan het met redenen omkleed advies van de afdeling wetgeving.

Dat advies wordt samen met het verslag aan de Koning en het koninklijk besluit waarop het betrekking heeft, gepubliceerd.

De besluiten, het advies, het verslag aan de Koning en de tekst van de ontwerpen van besluiten die zijn voorgelegd aan de afdeling wetgeving, worden, voor hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, medegedeeld aan de Voorzitters van de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat".

De steller van het ontwerp moet bijgevolg een verslag aan de Koning opmaken, dat gelijktijdig met het ontworpen koninklijk besluit en dit advies bekendgemaakt zal worden.

Algemene opmerkingen 1. Wettelijkheidsbeginsel in strafzaken 1.Zoals vermeld in de voorafgaande opmerking geeft het ontworpen besluit voor zijn rechtsgrond te ontlenen aan artikel 4, § 3, tweede lid, van de wet van 1 juli 2011, dat het volgende bepaalt : "Onverminderd artikel 2, tweede lid, neemt de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de nodige maatregelen, met inbegrip van de opheffing, de aanvulling, de wijziging of de vervanging van wetsbepalingen, om de omzetting te verzekeren van de Richtlijn 2008/114/EG van de Raad van 8 december 2008 inzake de identificatie van Europese kritieke infrastructuren, de aanmerking van infrastructuren als Europese kritieke infrastructuren en de beoordeling van de noodzaak de bescherming van dergelijke infrastructuren te verbeteren wat het luchtvervoer betreft".

Wat die machtiging betreft, had de afdeling Wetgeving in haar advies 48.989/VR over het voorontwerp dat de voornoemde wet is geworden, de volgende opmerking gemaakt : "Aangezien de besluiten die zullen worden aangenomen ter uitvoering van paragraaf 2, tweede lid, de uitoefening van een aantal openbare vrijheden zouden kunnen inperken, zullen ze bij wet bekrachtigd moeten worden. De tekst moet dienovereenkomstig worden aangevuld" (1) In de memorie van toelichting is daarop geantwoord als volgt : "De Raad van State merkt tevens op dat de besluiten die genomen zullen worden ter uitvoering van de machtiging het voorwerp zouden moeten uitmaken van een bekrachtiging bij wet, gelet op de beperking die eruit zou kunnen voortvloeien voor de uitoefening van een aantal publieke vrijheden.

Aangezien het evenwel gaat over een machtiging die strikt beperkt is tot de omzetting van een Europese richtlijn en die bijgevolg weinig of zelfs geen appreciatiemarge toelaat aan de Koning, wordt een dergelijke bekrachtiging niet noodzakelijk geacht door de indieners van het ontwerp. Het betreft hier inderdaad enkel het toepasbaar maken van het beschermingsmechanisme van Europese kritieke infrastructuren op een bijkomende deelsector opgelegd door de Richtlijn" (2) De wet van 1 juli 2011 voorziet evenwel in geen enkele straf in geval van niet-naleving van de maatregelen die de Koning krachtens die wettelijke machtiging zou nemen. Artikel 26 van die wet, dat de straffen vaststelt door "de exploitant die de verplichtingen opgelegd door of krachtens deze wet betreffende de interne beveiligingsmaatregelen en de uitwisseling van informatie niet naleeft", of voor degene die "de uitvoering van de controle uitgevoerd door de leden van de inspectiedienst vrijwillig verhindert of belemmert, de informatie die hem gevraagd is naar aanleiding van deze controle weigert mee te delen, of opzettelijk foutieve of onvolledige informatie meedeelt" staat immers in hoofdstuk 2, dat, luidens artikel 4, § 3, eerste lid, niet van toepassing is "op de deelsector van het luchtvervoer".

Artikel 17 van het ontwerp bepaalt dat artikel 26 van de wet van toepassing zal zijn op de "Europese kritieke infrastructuur" in de deelsector van het luchtvervoer.

Daarmee schendt het evenwel het beginsel van de wettelijkheid van de tenlasteleggingen en van de straffen gehuldigd in de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, De rechtspraak van het Grondwettelijk Hof luidt immers als volgt : "Door aan de wetgevende macht de bevoegdheid te verlenen, enerzijds, om te bepalen in welke gevallen en in welke vorm strafvervolging mogelijk is en, anderzijds, om een wet aan te nemen op grond waarvan een straf kan worden bepaald en toegepast, waarborgen de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet aan elke burger dat geen enkele gedraging strafbaar zal worden gesteld en geen enkele straf zal worden opgelegd dan krachtens regels aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering.

Voormelde grondwetsbepalingen gaan evenwel niet zover dat zij de wetgever ertoe zouden verplichten elk aspect van de vervolging en de bestraffing zelf te regelen. Een delegatie aan de Koning is niet in strijd met het wettigheidsbeginsel in strafzaken voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgesteld" (3).

Vastgesteld moet worden dat artikel 4, § 3, van de voornoemde wet van 1 juli 2011, dat de rechtsgrond is van het ontworpen besluit, niet de aldus vereiste " voldoende nauwkeurige " machtiging vormt, noch de "essentiële elementen" vermeldt waarvan sprake. De verwijzing daarin naar Richtlijn 2008/114/EG van de Raad van 8 december 2008 "inzake de identificatie van Europese kritieke infrastructuren, de aanmerking van infrastructuren als Europese kritieke infrastructuren en de beoordeling van de noodzaak de bescherming van dergelijke infrastructuren te verbeteren" (hierna "Richtlijn 2008/114/EG") kan wat dat betreft geen afdoende rechtsgrond vormen, aangezien die richtlijn zelf niet in een sanctie voorziet.

Aangezien er geen uitdrukkelijke en a fortiori geen voldoende nauwkeurige machtiging voorhanden is, is de Koning dus niet gerechtigd straffen te bepalen voor de maatregelen waarin het voorliggende ontwerp voorziet. 2. Om dezelfde redenen roept ook artikel 15 van het ontwerp bezwaar op voor zover het voorschrijft dat exploitanten van kritieke infrastructuren onder het toepassingsgebied van het ontwerp vallen, aan het beroepsgeheim gebonden zijn.Zo legt het de genoemde exploitanten eenzelfde verplichting op als die welke, krachtens artikel 23 van de voornoemde wet van 1 juli 2011, geldt voor exploitanten van infrastructuren die onder het toepassingsgebied van die wet vallen, zoals dat is bepaald in afdeling 1, van hoofdstuk 2 daarvan.

De ontworpen verordeningsbepalingen en de voornoemde wetsbepalingen zijn volstrekt vergelijkbaar, op die ene verschil na dat de tweede categorie, in tegenstelling tot de eerste, uitdrukkelijk bepaalt dat op het niet in acht nemen van het daarin voorgeschreven beroepsgeheim, de straffen genoemd in artikel 458 van het Strafwetboek staan. In artikel 15 van het ontworpen besluit ontbreekt immers de uitdrukkelijke vermelding van die bepaling.

Indien het de bedoeling is van de steller van het ontwerp dat het niet-nakomen van die plicht strafrechtelijk wordt bestraft (4) -via een impliciete verwijzing naar artikel 458 van het Strafwetboek -, vormt het beroepsgeheim opgelegd aan de exploitant bijgevolg ook een schending van het beginsel van de wettelijkheid van de tenlasteleggingen en de straffen gehuldigd in de artikelen 12 en 14 van de Grondwet.

Het hierboven opgeworpen wettelijkheidsprobleem zou weliswaar, volgens een bepaalde rechtspraak (5), vervallen indien kon worden aangetoond dat artikel 458 van het Strafwetboek als zodanig van rechtswege van toepassing is op de exploitanten van kritieke infrastructuur in de deelsector van het luchtvervoer, zodat artikel 15 van het ontworpen besluit slechts "een bevestiging" zou zijn van een bestaande juridische toestand, en geen nieuwe juridische toestand "in het leven zou roepen". Die uitlegging van de ontworpen bepalingen wordt evenwel gelogenstraft door de aard zelf van sommige gegevens aangaande welke de exploitant het beroepsgeheim moet bewaren. Deze kunnen immers niet allemaal bestempeld worden als gegevens "die men toevertrouwt" aan de exploitant, in de zin van artikel 458 van het Strafwetboek. Dat geldt bijvoorbeeld voor het BPE, aangezien de exploitant dat zelf opgemaakt (artikel 11, § 1, van het ontworpen besluit), en dat niet aan hem wordt toevertrouwd.

II. Overzending van de omzettingstabellen aan de Raad van State Zoals blijkt uit artikel 1 van het voorliggende ontwerp, strekt dit ontwerp tot omzetting, voor de deelsector van het luchtvervoer, van Richtlijn 2008/114/EG van de Raad van 8 december 2008 inzake de identificatie van Europese kritieke infrastructuren, de aanmerking van infrastructuren als Europese kritieke infrastructuren en de beoordeling van de noodzaak de bescherming van dergelijke infrastructuren te verbeteren.

In de beginselen van de wetgevings-techniek opgesteld door de afdeling Wetgeving van de Raad van State worden de stellers van ontwerpen verzocht om bij de omzetting van richtlijn, omzettingstabellen op te maken : "191. Maak twee omzettingstabellen op. 191.1. Om te controleren of een richtlijn correct en volledig wordt omgezet, maak een concordantietabel op met de (onderdelen van de) artikelen van de richtlijn en van de ermee overeenstemmende (onderdelen van de) artikelen van de door u opgestelde tekst die in de omzetting voorziet. Vermeld eveneens in deze tabel : a) de (onderdelen van de) artikelen van de richtlijn die eventueel reeds zijn omgezet, alsmede de overeenstemmende teksten van intern recht en de (onderdelen van de) artikelen waarbij de richtlijn is omgezet;b) de (onderdelen van de) artikelen van de richtlijn die door een andere instantie nog moeten worden omgezet. 191.2. Om ieder artikel van de tekst die in de omzetting voorziet te kunnen lezen in het licht van de vereisten van de richtlijn, maak eveneens een concordantietabel op met de (onderdelen van de) artikelen van de tekst die in de omzetting voorziet en de (onderdelen van de) artikelen van de richtlijn" (6).

De stellers van het ontwerp worden verzocht die tabellen samen met het dossier data aan de Raad van State wordt bezorgd, over te zenden (7).

Aangezien die tabellen niet opgemaakt zijn tijdens het uitwerken van het ontwerp, moesten ze door de gemachtigde van de staatssecretaris worden opgemaakt. Er wordt evenwel aan herinnerd dat het opmaken van die tabellen tijdens de omzetting een waarborg is voor de kwaliteit van die omzetting, en dat het overzenden van de tabellen aan de Raad van State samen met het toesturen van de adviesaanvraag, het onderzoek van het ontwerp binnen de gestelde termijnen vergemakkelijkt.

III. Het betrekken van de gewesten Volgens de artikelen 3, § 1, 4 §§ 1 en 3, 5, eerste en tweede lid, van het voorliggende ontwerp hangt de besluitvorming door de federale overheid af van het eensluidend advies van de gewesten.

In hun advies 48.989/VR, gegeven op 9 december 2010 over een voorontwerp dat ontstaan heeft gegeven aan de wet van 1 juli 2011 "betreffende de beveiliging en de bescherming van de kritieke infrastructuren", hebben de verenigde kamers van de afdeling Wetgeving van de Raad van State de volgende algemene opmerking geformuleerd betreffende de bevoegdheid van de federale wetgever : "1. Het voorliggende voorontwerp voorziet, zoals te lezen staat in artikel 2, eerste lid, ervan, inzonderheid in de omzetting van Richtlijn 2008/114/EG van de Raad van 8 december 2008 inzake de identificatie van Europese kritieke infrastructuren, de aanmerking van infrastructuren als Europese kritieke infrastructuren en de beoordeling van de noodzaak de bescherming van dergelijke infrastructuren te verbeteren (hierna "de richtlijn" genoemd).

Artikel 1 van de richtlijn geeft aan dat bij deze richtlijn een procedure wordt ingesteld voor de identificatie en de aanmerking van Europese kritieke infrastructuren, om de bescherming van de mensen te bevorderen. De kritieke infrastructuur wordt in artikel 2, a), van de richtlijn in wezen gedefinieerd als "een voorziening (..., die) van essentieel belang is voor het behoud van vitale maatschappelijke functies, de gezondheid, de veiligheid, de beveiliging, de economische welvaart of het maatschappelijk welzijn, waarvan de verstoring of vernietiging (...) aanzienlijke gevolgen zou hebben doordat die functies ontregeld zouden raken". Artikel 3, lid 3, van de richtlijn bepaalt dat deze op dit ogenblik uitsluitend van toepassing is in de sectoren energie en vervoer. Volgens de eerste overweging van de richtlijn hebben de stellers ervan in de eerste plaats het aannemen van "voorstellen (beoogd) over de wijze waarop de preventie van, de paraatheid bij en de reactie op terreuraanslagen op kritieke infrastructuur in Europa kunnen worden verbeterd". In dat verband is besloten dat het Europese programma voor de bescherming van kritieke infrastructuren, waarvan de richtlijn een beleidsmiddel is, "gebaseerd moet zijn op een alle risico's omvattende aanpak, waarbij de bestrijding van terroristische dreigingen als prioriteit zou gelden", een aanpak waarbij "in het proces ter bescherming van kritieke infrastructuur rekening (dient) te worden gehouden met door mensen veroorzaakte dreigingen, technologische dreigingen en natuurrampen" (derde overweging).

Gelet op hetgeen voorafgaat, moet worden beschouwd dat de omzetting van deze richtlijn hoofdzakelijk leidt tot de tenuitvoerlegging van de aangelegenheid van de preventieve bescherming op het gebied van de openbare veiligheid, die tot de exclusieve restbevoegdheid van de federale wetgever behoort.

Hetzelfde geldt voor de overige bepalingen van het voorontwerp die weliswaar niet voorzien in de omzetting van de richtlijn, maar strekken tot het aannemen van analoge maatregelen met betrekking tot de nationale kritieke infrastructuren, de andere punten van federaal belang en de punten van lokaal belang. 2. De maatregelen die op basis van het voorontwerp zullen worden getroffen, kunnen evenwel een weerslag hebben op operatoren die een infrastructuur exploiteren welke, uit een ander oogpunt beschouwd, tot de bevoegdheid ratione materiae van de gewesten kan behoren, meer in het bijzonder wat betreft de sectoren energie en vervoer, waarop de richtlijn toepassing vindt (artikel 6, § 1, VII en X, van de bijzondere met van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen). De steller van het voorontwerp heeft overigens oog gehad voor dit aspect, daar hij de gewesten wenst te "betrekken" bij het uitwerken van de toepasselijke regelgeving en bij de uitvoering ervan, zoals blijkt uit de volgende bepalingen van het voorontwerp : artikel 5, § 1, tweede lid, naar luid waarvan de sectorale overheid de Europese kritieke infrastructuren identificeert "na eensluidend advies van de gewesten voor de potentiële kritieke infrastructuren die onder hun bevoegdheden vallen"; artikel 6, § 2, naar luid waarvan de sectorale overheid "de sectorale criteria (bepaalt) waaraan de Europese kritieke infrastructuren moeten beantwoorden, rekening houdend met de bijzondere karakteristieken van de betrokken sector, (...), in voorkomend geval, na eensluidend advies van de betrokken gewesten"; artikel 6, § 5, naar luid waarvan de sectorale overheid "geval per geval de drempelwaarden (bepaalt) die van toepassing zijn op de intersectorale criteria waaraan de Europese kritieke infrastructuren dienen te beantwoorden, (...), in voorkomend geval, na eensluidend advies van de betrokken gewesten"; artikel 7, § 2, tweede lid, naar luid waar-van de Algemene Directie Crisiscentrum van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken (hierna "ADCC" genoemd) "in samenwerking met (...), in voorkomend geval (...) de betrokken gewesten, belast (is) met het voeren van bilaterale of multilaterale besprekingen met de betrokken lidstaten van de Europese Unie, (...) inzake de potentiële Europese kritieke infrastructuren geïdentificeerd op Belgisch grondgebied (...)"; artikel 13, § 6, tweede lid, naar luid waarvan "de Koning bepaalt, in voorkomend geval, met instemming van de betrokken gewesten, voor een bepaalde sector of een deelsector, de frequentie van de oefeningen en van de bijwerkingen" van het beveiligingsplan van de exploitant van een Europese kritieke infrastructuur; artikel 24, § 2, tweede lid, naar luid waarvan de Koning "de nadere regels van (de controle van de inachtneming van de bepalingen van de ontworpen wet door de exploitanten van de bij deze wet bedoelde infrastructuren) kan vastleggen, in voorkomend geval met instemming van de betrokken gewesten". 3. Aangezien de gewesten bevoegdheden bezitten op het gebied van energie en vervoer, aangezien dit eveneens zou kunnen gelden voor andere sectoren waarop de ontworpen wet toepassing zou vinden en volgens de steller zelf van het voorontwerp bij de uitvoering van de wet de weerslag van sommige van de voorgenomen maatregelen voelbaar zou kunnen zijn in het beheer van infrastructuren die tot de bevoegdheid van de gewesten behoren, kan worden aanvaard dat de gewesten worden betrokken bij het aannemen van de uitvoeringsmaatregelen omschreven in de ontworpen tekst. De steller van het voorontwerp moet evenwel aldus te werk gaan dat de autonomie van de verschillende beleidsniveaus in acht wordt genomen.

De federale wetgever kan niet eenzijdig - bij wege van een gewone wet - een gedwongen medewerking van de gewesten aan het bij het voorontwerp uitgestippelde systeem opleggen. De medewerking van de gewesten kan dus indien nodig alleen facultatief zijn en op een zodanige wijze dat, indien ze dat verzuimen, zulks niet verhindert dat de bevoegde federale overheid de voorgenomen maatregelen kan nemen. 4. Indien de toekomst mocht blijken dat het aannemen van maatregelen ter uitvoering van de wet inhoudt dat bevoegdheden eigen aan de federale overheid en aan de gewesten gezamenlijk worden uitgeoefend, en niet meer dat uitsluitend de enkele federale bevoegdheid op het gebied van de openbare veiligheid wordt uitgeoefend, moet daaromtrent met de gewesten een samenwerkingsakkoord worden gesloten" (8). Teneinde deze opmerkingen in aanmerking te nemen, heeft de wetgever het eensluidend advies van de gewesten vervangen door een loutere raadpleging van de gewesten.

Doordat de artikelen 3, § 1, 4, § 1 en 3, en 5, eerste en tweede lid, van het voorliggende ontwerp eveneens voorzien in de procedure van het eensluidend advies, moeten ze worden herzien aan de hand van de opmerkingen die in advies 48.989/VR werden geformuleerd.

IV. Toekenning van verordeningsbevoegdheid aan een administratieve overheid die niet politiek verantwoordelijk is Artikel 2, 1° van het ontwerp geeft, net zoals artikel 3, 3°, van de wet, de minister de mogelijkheid om zijn bevoegdheden van "sectorale overheid" over te dragen aan een administratieve overheid die niet politiek verantwoordelijk is, in casu een leidend personeelslid van het directoraat-generaal Luchtvaart (9).

In haar advies 48.989/VR heeft de afdeling Wetgeving van de Raad van State gememoreerd dat bij elke overdracht "de hiërarchie in acht (moet) worden genomen tussen de overheidsdienst en de minister onder wie deze ressorteert, alsook het beginsel van de politieke verantwoordelijkheid die de uitvoerende macht draagt met betrekking tot handelingen van haar diensten".

Op zijn minst zou de overdracht van een verordeningsbevoegdheid aan een overheid die niet politiek verantwoordelijk is slechts kunnen worden aanvaard op voorwaarde dat de politiek verantwoordelijke overheid voorafgaandelijk haar goedkeuring hecht aan de betreffende verordeningen, zoals de afdeling Wetgeving herhaaldelijk heeft opgemerkt.

Bijzondere opmerkingen Aanhef De Nederlandse versie van het eerste lid dient in dezelfde bewoordingen te worden opgesteld als de Franse tekst.

Dispositief Artikel 2 Het gaat niet aan in het besluit de definities over te nemen die reeds in artikel 3 van de wet staan. Dit artikel behoort immers tot hoofdstuk 1, "Algemene bepalingen", van de wet. Overeenkomstig artikel 4, § 3, van de wet, is echter enkel hoofdstuk 2, "Beveiliging en bescherming van de kritieke infrastructuren", dat de artikelen 4 tot 26 bevat, niet toepasselijk op de deelsector van het luchtvervoer.

De interne verwijzingen van het ontwerp moeten dienovereenkomstig worden herzien.

Artikel 3 Dit artikel sluit aan bij artikel 5 van de wet. Over dit artikel 5, in ontwerpvorm, werd in advies 48.989/VR de volgende opmerking geformuleerd :" Er kan niet worden aanvaard dat de sectorale overheid de identificatie van een kritieke infrastructuur kan doen afhangen van het eensluidend advies van de vertegenwoordigers van de sector en van de exploitanten van de betrokken infrastructuren.

De bepaling moet dienovereenkomstig worden herzien".

In verband met het eensluidend advies van de gewesten wordt verwezen naar de algemene opmerking III. In verband met het raadplegen van de vertegenwoordigers van de deelsector en van de exploitanten van mogelijke ECI's is het de afdeling Wetgeving niet duidelijk hoe dit advies zowel eensluidend as facultatief zou kunnen zijn.

De tekst moet aan de hand van deze opmerking worden herzien.

Artikel 6 Artikel 6 sluit aan bij artikel 8 van de wet. Over dit artikel 8, in ontwerpvorm, werd in advies 48.989/VR de volgende opmerking geformuleerd : "De omstandigheid dat de beslissing die aan de exploitant "betekend" zal worden, "gemotiveerd" moet zijn, mag geen afbreuk doen aan het bepaalde in artikel 4, lid 5, van de richtlijn, luidende : "De informatie over het aanmerken van een infrastructuur als een ECI wordt op een passend niveau gerubriceerd"".

In de bespreking van het artikel wordt aldus aan deze opmerking tegemoetgekomen : "De "gemotiveerde" aard van de beslissing wordt hier vermeld omdat het hier gaat over een administratieve handeling onderworpen aan de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen". Artikel 4 van deze wet laat toe om het risico op inbreuk op artikel 4.5 van de Richtlijn te vermijden aangezien het toelaat af te wijken van de motiveringsverplichting "indien de motivering van de handeling : 1° de uitwendige veiligheid van de Staat in het gedrang kan brengen;2° de openbare orde kan verstoren;3° afbreuk kan doen aan de eerbied voor het privéleven;4° afbreuk kan doen aan de bepalingen inzake de zwijgplicht". De geclassificeerde informatie kan aldus weggelaten worden uit de motivering. De bescherming van de informatie die voorkomt in de beslissing van aanduiding wordt eveneens gewaarborgd door het artikel 23 van het ontwerp van wet dat vervolledigd werd om het beroepsgeheim dat opgelegd wordt aan de exploitant met betrekking tot de inhoud van deze beslissing, uit te breiden" (10).

Bepalen dat een beslissing moet worden gemotiveerd komt neer op een herhaling van wat reeds volgt uit de wet van 29 juli 1991 "betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen", zoals de afdeling Wetgeving herhaaldelijk heeft opgemerkt. Dit voorschrift is derhalve overbodig en kan tevens verwarring doen ontstaan omdat het ten onrechte de indruk zou kunnen wekken dat andere in het ontwerp geregelde administratieve beslissingen niet uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd. Het woord "gemotiveerde" dient te worden weggelaten.

Artikel 8 Artikel 8 van het voorliggende ontwerp sluit aan bij artikel 10 van de wet. Over dit artikel 10, in ontwerpvorm, werd in advies 48.989/VR de volgende opmerking geformuleerd : "1. Volgens artikel 7, lid 1, van de richtlijn moet de dreigingsanalyse verricht worden binnen de deelsectoren waaronder de Europese infrastructuren vallen. Derhalve moet artikel 10, § 1, worden gewijzigd, zodat het eveneens geldt voor de deelsector waarvan de kritieke infrastructuur deel uitmaakt.

Deze opmerking geldt mutatis mutandis eveneens voor artikel 10, § 2, tweede lid. 2. De afdeling Wetgeving van de Raad van State kan binnen de toegemeten tijd niet nagaan of de enkele verwijzing in artikel 10, § 2, eerste lid, naar de "bevoegdheid van de ondersteunende diensten bedoeld in artikel 2 van de wet van 10 juli 2006 betreffende de analyse van de dreiging" volstaat om te voldoen aan de strekking van artikel 7, lid 1, van de richtlijn, te weten het verrichten van een analyse van de dreiging in de deelsectoren vermeld in bijlage 1 bij de richtlijn waarvoor een Europese kritieke infrastructuur aangemerkt wordt in België. De memorie van toelichting moet worden aangevuld, waarbij nauwkeurig wordt bepaald hoe de ontworpen bepaling zich verstaat met de voornoemde wet van 10 juli 2006 om alle doelstellingen beoogd bij de richtlijn te kunnen vervullen".

De bespreking van artikel 10 bevat de volgende toelichtingen : "De Raad van State vraagt zich af of de definitie van de analyse van de dreiging geformuleerd in dit ontwerp voldoende tegemoetkomt aan het begrip van dreigingsanalyse hernomen in artikel 7.1 van de Richtlijn.

De analyse van de dreiging wordt hier gedefinieerd verwijzend naar de taken van de ondersteunende diensten bedoeld bij artikel 2, 2 van de wet van 10 juli 2006 betreffende de analyse van de dreiging.

Het gaat om : "a) de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, zoals bedoeld in artikel 2 van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst, hierna de "wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst" genoemd; b) de politiediensten zoals bedoeld in de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus;c) de federale overheidsdienst Financiën, in het bijzonder de Administratie der Douane en Accijnzen;d) de federale overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer;e) de federale overheidsdienst Binnenlandse Zaken, in het bijzonder de Dienst Vreemdelingenzaken;f) de federale overheidsdienst Buitenlandse Zaken;g) de door de Koning op voorstel van het Ministerieel Comité aangewezen overheidsdiensten". Wat betreft de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, preciseert het artikel 7, 1°, van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst dat "De Veiligheid van de Staat als opdracht heeft : het inwinnen, analyseren en verwerken van inlichtingen die betrekking hebben op elke activiteit die de inwendige veiligheid van de Staat en het voortbestaan van de democratische en grondwettelijke orde, de uitwendige veiligheid van de Staat en de internationale betrekkingen, het wetenschappelijk of economisch potentieel, zoals gedefinieerd door het Ministerieel Comité, of elk ander fundamenteel belang van het land, zoals gedefinieerd door de Koning op voorstel van het Ministerieel Comité, bedreigt of zou kunnen bedreigen;" en het artikel 11, § 1, 1° en 2°, dat " De Algemene Dienst inlichting en veiligheid als opdracht heeft. 1° het inwinnen, analyseren en verwerken van inlichtingen die betrekking hebben op elke activiteit die de onschendbaarheid van het nationaal grondgebied, de militaire defensieplannen, het wetenschappelijk en economisch potentieel met betrekking tot de actoren, zowel de natuurlijke als de rechtspersonen, die actief zijn in de economische en industriële sectoren die verbonden zijn met defensie en die opgenomen zijn in een op voorstel van de minister van Justitie en de Minister van Landsverdediging door het ministerieel Comité voor Inlichting en Veiligheid goedgekeurde lijst, de vervulling van opdrachten van de strijdkrachten, of de veiligheid van de Belgische onderdanen in het buitenland of elk ander fundamenteel belang van het land, zoals gedefinieerd door de Koning op voorstel van het Ministerieel Comité, bedreigt of zou kunnen bedreigen, en er de bevoegde ministers onverwijld over inlichten alsook de regering, op haar verzoek, advies te verlenen bij de omschrijving van haar buitenlandse defensiebeleid;2° het zorgen voor het behoud van de militaire veiligheid van het personeel dat onder de Minister van Landsverdediging ressorteert, de militaire installaties, wapens, munitie, uitrusting, plannen, geschriften, documenten, informatica- en verbindingssystemen of andere militaire voorwerpen en, in het kader van de cyberaanvallen op militaire informatica- en verbindingssystemen of systemen die de Minister van Landsverdediging beheerst, de aanval neutraliseren en er de daders van identificeren, onverminderd dat recht onmiddellijk met een eigen cyberaanval te reageren overeenkomstig de bepalingen van het recht van de gewapende conflicten". De dreigingen die vallen onder de bevoegdheden van deze diensten zijn dus divers.

Het vloeit overigens voort uit de opdrachten van de politiediensten gedefinieerd door de artikelen 14 en 15 van de wet op het politieambt, om namelijk misdrijven te voorkomen, de daders ervan op te sporen of nog personen en goederen te beschermen, zijnde opdrachten die gelijk welk type van dreiging dekken.

Er wordt dus tegemoetgekomen aan het doel van de richtlijn om een "alle risico's omvattende aanpak" te beogen, zoals uiteengezet in de derde overweging" (11).

Gelet op deze toelichtingen is artikel 8 aanvaardbaar.

Artikel 18 De Franse en de Nederlandse versie stemmen niet overeen.

Bijlage Het tweede lid neemt de tekst over van de Franse versie van bijlage 3 van Richtlijn 2008/114/EG die het bijwoord "considérablement" bezigt.

Ter wille van de samenhang met andere taalversies van dezelfde richtlijn doet men er beter aan de Franse versie van een ontworpen bijlage te formuleren naar het voorbeeld van punt IV van de bijlage van de wet van 1 juli 2011.

De kamer was samengesteld uit : De heren : P. LIENARDY, kamervoorzitter, J. JAUMOTTE, L. DETROUX, staatsraden, S. VAN DROOGHENBROECK, Assessor van de afdeling Wetgeving, Mevr. C. GIGOT, griffier.

Het verslag werd uitgebracht door de Heer X. DELGRANGE, eerste auditeur-afdelingshoofd.

De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de Heer. P. LIENARDY. DE GRIFFIER G. GIGOT DE VOORZITTER P. LIENARDY _______ Nota's (1) Parl.St., Kamer 2010-11, nr. 53-1357/1, 53-64. (2) Memorie van toelichting, ibid., 14-15. (3) GwH., 27/2005, 2 februari 2005, B.3 en B.4 ; zie ook GwH., nr. 37/2010, 22 april 2010, B.4 en B.5. (4) In het tegenovergestelde geval zouden de ontworpen bepalingen moeilijk verenigbaar zijn de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.Het is de afdeling Wetgeving immers op het eerste gezicht niet duidelijk waarom er geen specifieke strafrechtelijke of andere sanctie zou staan op het niet-nakomen van de geheimhoudingsplicht die de exploitanten van kritieke infrastructuur in de deelsector van het luchtverkeer hebben, terwijl het niet nakomen van de geheimhoudingsplicht die rust op de exploitanten van kritieke infrastructuur die valt onder het toepassingsgebied van de wet van 1 juli 2011, zijnerzijds bestraft wordt met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van honderd euro to vijhonderd euro, overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek. Een verschil in de strafmaat zou in het licht van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet aanleiding geven tot dezelfde kritiek. (5) Rb.Brussel (KG), 6 mei 2011, intercommunale coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Tecteo t. stichting van openbaar nut Onderzoeks- en Informatiecentrum van de Verbruikersorganisaties (OIVO), niet gepubliceerd, nr. 11/647/C. (6) Beginselen van de wetgevingstechniek - Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, www.raadvst-consetat.be, tab Wetgevingstechniek. (7) Ibid., aanbeveling 241.

Zie, was het nut van die tabellen betreft bij aanvragen om een advies binnen welbepaalde termijnen, het jaarverslag 2008-2009, www.raadvst-consetat.be, tab De instelling, blz. 47 e.v.

Zie ook het genoemde advies 48.989/VR, algemene opmerking 2. (8) Parl.St. Kamer 2010*11, nr. 1357/1. (9) Zie inzonderheid de artikelen 4, § 1, en 16, § 1. (10) Memorie van toelichting, bespreking van artikel 8, Parl.St.Kamer 2010-11, nr 53 1357/001, 19. (11) Memorie van toelichting, bespreking van artikel 10, Parl.St.Kamer 2010-11, nr. 53 1357/001, 20-22.

2 DECEMBER 2011. - Koninklijk besluit betreffende de kritieke infrastructuren in de deelsector van het luchtvervoer ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 1 Juli 2011 betreffende de beveiliging en de bescherming van de kritieke infrastructuren, artikel 4, § 3;

Gelet op de wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november 1919 betreffende de regeling der luchtvaart, artikel 5 gewijzigd door de programmawet van 2 januari 2001;

Gelet op de wet van 10 juli 2006 betreffende de analyse van de dreiging;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, van 17 december 2010;

Gelet op de omstandigheid dat de gewestregeringen bij het ontwerpen van dit besluit betrokken zijn;

Gelet op het advies 50.217/4 van de Raad van State, gegeven op 21 september 2011, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1° van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Overwegende Verordening (EG) nr. 300/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart;

Overwegende het koninklijk besluit van 3 mei 1991 houdende regeling van de beveiliging van de burgerluchtvaart;

Op de voordracht van de Eerste Minister, van de Minister van Binnenlandse Zaken, van de Minister van Justitie en van de staatssecretaris voor Mobiliteit en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Dit besluit voorziet voor de deelsector van het luchtvervoer in de omzetting van Richtlijn 2008/114/EG van de Raad van 8 december 2008 inzake de identificatie van Europese kritieke infrastructuren, de aanmerking van infrastructuren als Europese kritieke infrastructuren en de beoordeling van de noodzaak de bescherming van dergelijke infrastructuren te verbeteren.

Art. 2.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° "sectorale overheid" : de Minister bevoegd voor de Luchtvaart, of bij delegatie door deze, een leidend personeelslid van het Directoraat-generaal Luchtvaart;2° "deelsector" : de deelsector van het luchtvervoer binnen de sector vervoer;3° "kritieke infrastructuur" : binnen de deelsector van het luchtvervoer, een installatie, systeem of een deel daarvan dat van essentieel belang is voor het behoud van vitale maatschappelijke functies, de gezondheid, de veiligheid, de beveiliging, de economische welvaart of het maatschappelijk welzijn, waarvan de verstoring van de werking of de vernietiging een aanzienlijke weerslag zou hebben doordat die functies ontregeld zouden raken;4° "Europese kritieke infrastructuur" of "ECI" : binnen de deelsector van het luchtvervoer, een kritieke infrastructuur waarvan de verstoring van de werking of de vernietiging een aanzienlijke weerslag in ten minste twee lidstaten van de Europese Unie zou hebben;5° "verantwoordelijke" : de overheid die in een luchthaven verantwoordelijk is voor de coördinatie van de uitvoering van de veiligheidscontroles en -procedures inzake de bescherming van de burgerluchtvaart tegen wederrechtelijke daden die deze in gevaar brengen;6° "wet" : de wet van 1 Juli 2011 betreffende de beveiliging en de bescherming van de kritieke infrastructuren;7° "verordening" : Verordening (EG) nr.300/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart.

Art. 3.§ 1. De sectorale overheid identificeert de mogelijke ECI's die beantwoorden aan de definities vermeld in artikel 2, 3° en 4°.

Ze gaat over tot deze identificatie na raadpleging van de gewesten voor de potentiële ECI's die onder hun bevoegdheden vallen en, indien ze dit nuttig acht, met de vertegenwoordigers van de deelsector en van de exploitanten van potentiële ECI. § 2. De potentiële ECI's die terzelfder tijd voldoen aan de sectorale en intersectorale criteria worden door de sectorale overheid vastgesteld in overeenstemming met de procedure die voorzien is in de bijlage.

Art. 4.§ 1. De sectorale overheid bepaalt de sectorale criteria waaraan de ECI's moeten beantwoorden rekening houdend met de bijzondere karakteristieken van de deelsector en, in voorkomend geval, na raadpleging van de betrokken gewesten. § 2. De intersectorale criteria waaraan de Europese kritieke infrastructuren moeten beantwoorden, zijn : 1° het aantal potentiële slachtoffers, meer bepaald het aantal doden en gewonden, of 2° de potentiële economische weerslag, met name de omvang van de economische verliezen en van de kwaliteitsvermindering van producten of diensten, met inbegrip van de weerslag op het milieu, of 3° de potentiële weerslag op de bevolking, met name de weerslag op het vertrouwen van de bevolking, het fysieke lijden en de verstoring van het dagelijkse leven, met inbegrip van het uitvallen van essentiële diensten. § 3. De sectorale overheid bepaalt geval per geval de drempelwaarden die van toepassing zijn op de intersectorale criteria waaraan de ECI's dienen te beantwoorden., in overleg met de betrokken lidstaten en, in voorkomend geval, na raadpleging van de betrokken gewesten.

De voor de intersectorale criteria geldende drempelwaarden worden gebaseerd op de ernst van de gevolgen van de stopzetting of vernietiging van een ECI.

Art. 5.De sectorale overheid maakt de lijst van de mogelijke ECI's die zij heeft geïdentificeerd over aan de ADCC en, in voorkomend geval, aan de betrokken gewesten.

De ADCC is, in samenwerking met de sectorale overheid en, in voorkomend geval, na raadpleging van de betrokken gewesten, belast met het voeren van bilaterale of multilaterale besprekingen met de betrokken lidstaten van de Europese Unie, zowel inzake de potentiële ECI's geïdentificeerd op Belgisch grondgebied als degene geïdentificeerd door de andere lidstaten op hun grondgebied.

Wanneer een akkoord is bereikt betreffende de ECI's op Belgisch grondgebied, gaat de sectorale overheid over tot de aanduiding van deze infrastructuren..

Art. 6.De sectorale overheid betekent aan de exploitant en, in voorkomend geval, aan de verantwoordelijke, per drager met ontvangstbewijs, de beslissing tot aanduiding van zijn infrastructuur als ECI.

Art. 7.De sectorale overheid zorgt voor de permanente opvolging van het identificatie- en aanduidingsproces van de ECI's.

Ieder jaar informeert de sectorale overheid de Europese Commissie over het aantal ECI's dat als dusdanig voor de deelsector werd aangemerkt, alsook over het aantal lidstaten dat betrokken partij is bij elk van deze ECI's.

Art. 8.§ 1. Binnen een termijn van één jaar te rekenen vanaf de betekening van de aanduiding van een infrastructuur als ECI, verzoekt de ADCC het OCAD om een dreigingsanalyse voor die infrastructuur en voor de sector waarvan ze deel uitmaakt. § 2. De dreigingsanalyse in de zin van de eerste paragraaf slaat op elk type van dreiging die onder de bevoegdheid van de ondersteunende diensten valt, bedoeld in het artikel 2, 2°, van de wet van 10 juli 2006 betreffende de analyse van de dreiging.

De dreigingsanalyse bestaat uit een evaluatie die moet toelaten te beoordelen of de dreigingen met betrekking tot een ECI of een deelsector zich kunnen voordoen of, indien ze reeds gedetecteerd werden, hoe deze evolueren en welke maatregelen in voorkomend geval noodzakelijk blijken.

Art. 9.§ 1. Tweejaarlijks bezorgt de sectorale overheid een verslag aan de Europese Commissie over de risicotypes, dreigingen en kwetsbaarheden die werden vastgesteld in de deelsector op voorwaarde dat de deelsector een ECI bevat die als dusdanig werd aangemerkt en die gelegen is op het grondgebied van het Koninkrijk. § 2. Jaarlijks bezorgt de sectorale overheid aan het Nationaal Comité voor de veiligheid van de burgerlijke luchtvaart een verslag over de risicotypes, dreigingen en kwetsbaarheden die in de deelsector werden vastgesteld. § 3. De verslagen bedoeld in de paragrafen 1 en 2 worden geclassificeerd conform de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen.

Art. 10.§ 1. De exploitant van een ECI duidt een beveiligingscontactpunt aan en maakt de contactgegevens ervan over aan de sectorale overheid binnen een termijn van zes maanden vanaf de betekening van de aanduiding bedoeld in artikel 6, alsook na elke bijwerking van deze gegevens.

In voorkomend geval gebeurt deze benoeming door de exploitant in samenspraak met de verantwoordelijke. § 2. De beveiligingsverbindingsfunctionaris oefent de functie als contactpunt uit voor beveiligingsgerelateerde aangelegenheden tussen de exploitant, de sectorale overheid de ADCC en in voorkomend geval, de verantwoordelijke. § 3. De beveiligingsverbindingsfunctionaris is vierentwintig uur op vierentwintig beschikbaar.

Art. 11.§ 1. In de mate waarin een exploitant van een ECI niet aan de bepalingen van de verordening alsook aan de bijbehorende uitvoeringsmaatregelen is onderworpen, werkt hij zelf een beveiligingsplan van de exploitant uit zoals voorzien in artikel 13 van de wet. § 2. Het luchthavenbeveiligingsprogramma van een verantwoordelijke wordt geacht in overeenstemming te zijn met het in de eerste paragraaf bedoelde beveiligingsplan van de exploitant.

Art. 12.Wanneer er zich een gebeurtenis voordoet die van aard is om de veiligheid van de ECI te bedreigen, dan is artikel 14 van de wet van toepassing.

Art. 13.De ECI's maken het voorwerp uit van externe beschermingsmaatregelen zoals deze worden georganiseerd krachtens de artikelen 15 tot 19 van de wet.

Art. 14.De ADCC kan aan de sectorale overheid evenals aan de exploitant of, in voorkomend geval, aan de verantwoordelijke informatie overmaken over de dreiging en over de externe beschermingsmaatregelen die de exploitant of de verantwoordelijke toelaten zijn graduele interne beveiligingsmaatregelen op gepaste wijze toe te passen en ze in overeenstemming te brengen met de externe beschermingsmaatregelen.

De bepalingen van het eerste lid gelden onverminderd de bevoegdheid van de sectorale overheid om bijkomende interne maatregelen op te leggen rekening houdend met de informatie die door de ADCC wordt meegedeeld.

Art. 15.§ 1. In de mate waarin een exploitant van een ECI niet aan de bepalingen van de verordening alsook aan de bijbehorende uitvoeringsmaatregelen is onderworpen, richt de sectorale overheid een inspectiedienst op conform de artikelen 24 en 25 van de wet. § 2. Wanneer een ECI aan de bepalingen van de verordening alsook aan de bijbehorende uitvoeringsmaatregelen is onderworpen, dan zijn de luchthaveninspectie en de luchtvaartinspectie belast met het toezicht op de naleving van de bepalingen van de wet en zijn uitvoeringsbesluiten.

In het raam van de opdrachten bedoeld in het eerste lid, beschikt de luchthaveninspectie over de bevoegdheden vermeld in artikel 39 van de wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november 1919, betreffende de regeling der luchtvaart.

In het raam van de opdrachten bedoeld in het eerste lid, beschikt de luchtvaartinspectie over de bevoegdheden vermeld in artikel 38 van de wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november 1919, betreffende de regeling der luchtvaart.

Art. 16.Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Art. 17.De Minister bevoegd voor de Luchtvaart is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 2 december 2011.

ALBERT Van Koningswege : De Eerste Minister, Y. LETERME De Minister van Binnenlandse Zaken, Mevr. A. TURTELBOOM De Minister van Justitie, S. DE CLERCK De Staatssecretaris voor Mobiliteit, E. SCHOUPPE

Bijlage - Procedure van toepassing voor wat betreft de inventarisering van ECI's De identificatie van ECI's is onderworpen aan de inventariseringsprocedure die de onderstaande stappen omvat : I. de sectorale overheid past de definities van artikel 2, 3° en 4° toe, teneinde een eerste selectie te maken van de infrastructuren die binnen haar sector bestaan. De potentiële ECI's die op grond van deze definities worden geselecteerd, zijn onderworpen aan de volgende stap van de procedure.

II. Op de potentiële ECI's die in de eerste stap zijn geïdentificeerd, past de sectorale overheid de sectorale criteria bedoeld in artikel 4, eerste paragraaf, toe. De potentiële ECI's die aan deze criteria beantwoorden, zijn onderworpen aan de volgende stap van de procedure.

III. De sectorale overheid past het grensoverschrijdende element van de definitie van de ECI''s zoals bedoeld in artikel 2, 4°, toe. De potentiële ECI's die aan deze definitie beantwoorden, zijn onderworpen aan de volgende stap van de procedure.

IV. De sectorale overheid past de intersectorale criteria bedoeld in artikel 4, paragrafen 2 en 3, toe op de resterende potentiële ECI's.

De intersectorale criteria houden rekening met de ernst van de impact en het bestaan van vervangende oplossingen, alsook met de duur van het stilleggen/van het heropstarten van de activiteit.

De identificatie van potentiële ECI's die alle stappen van de procedure doorstaan, wordt enkel meegedeeld aan de lidstaten die mogelijk in aanzienlijke mate met de genoemde infrastructuren te maken krijgen.

Gezien om gevoegd te worden bij ons besluit van 2 december 2011 betreffende de kritieke infrastructuren in de deelsector van het luchtvervoer.

Gegeven te Brussel, 2 december 2011.

ALBERT Van Koningswege : De Eerste Minister, Y. LETERME De Minister van Binnenlandse Zaken, Mevr. A. TURTELBOOM De Minister van Justitie, S. DE CLERCK De Staatssecretaris voor Mobiliteit, E. SCHOUPPE

^