Koninklijk Besluit van 02 november 2017
gepubliceerd op 27 november 2017
OpenJustice.be: Open Data & Open Source

Koninklijk besluit betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor, met uitzondering van ontplofbare en radioactieve stoffen

bron
federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer
numac
2017013157
pub.
27/11/2017
prom.
02/11/2017
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&(...)
Document Qrcode

Numac : 2017013157

FEDERALE OVERHEIDSDIENST MOBILITEIT EN VERVOER


2 NOVEMBER 2017. - Koninklijk besluit betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor, met uitzondering van ontplofbare en radioactieve stoffen


Spoorvervoer FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, artikel 1, eerste lid;

Gelet op de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake het vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg, artikel 1, gewijzigd bij de wetten van 21 juni 1985, 28 juli 1987 en 15 mei 2006 en artikel 3, gewijzigd bij de wet van 3 mei 1999;

Gelet op de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex, de artikelen 74, § 1, 14° en 213;

Gelet op het koninklijk besluit van 6 september 2013 tot aanduiding van sommige personeelsleden van de Dienst Veiligheid en Interoperabiliteit van de Spoorwegen en van de Dienst Regulering van het Spoorwegvervoer en van de Exploitatie van de Luchthaven Brussel-Nationaal, die belast worden met de controle op de naleving van diverse wetten en reglementen inzake spoorwegvervoer;

Gelet op het koninklijk besluit van 28 juni 2009 betreffende het vervoer via de weg of per spoor van gevaarlijke goederen, met uitzondering van ontplofbare en radioactieve stoffen;

Gelet op de impactanalyse van de regelgeving, uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging;

Gelet op de betrokkenheid van de gewestregeringen;

Gelet op het advies van de Inspecteur van financiën, gegeven op 19 januari 2017;

Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op 16 mei 2017;

Gelet op advies nr. 61.758/2/V van de Raad van State, gegeven op 9 augustus 2017, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Overwegende het Boek VIII, Titel 2, van het Wetboek van economisch recht;

Op de voordracht van de Minister van Economie, de Minister van Binnenlandse zaken, de Minister van Justitie, de Minister van Volksgezondheid, de Minister die het gezag uitoefent over de Dienst Veiligheid en Interoperabiliteit der Spoorwegen, de Minister van Mobiliteit en de Staatssecretaris voor Noordzee en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Dit besluit voorziet in de omzetting van Richtlijn 2008/68/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 24 september 2008 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land voor wat betreft het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor, met uitzondering van ontplofbare en radioactieve stoffen, zoals laatst gewijzigd bij richtlijn 2016/2309 van 16 december 2016 tot vierde aanpassing aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang van de bijlagen bij Richtlijn 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land. HOOFDSTUK 1. - Toepassingsgebied

Art. 2.§ 1. Tenzij uitdrukkelijk anders wordt bepaald, is dit besluit zowel van toepassing op nationaal vervoer als op internationaal vervoer van gevaarlijke goederen per spoor, met inbegrip van het laden en lossen, de overbrenging van of naar een andere vervoersmodaliteit en de noodzakelijke haltes tijdens het vervoer. § 2. Dit besluit is niet van toepassing op: 1° het vervoer per spoor van ontplofbare en radioactieve stoffen;2° het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor door wagons die eigendom zijn van of onder de verantwoordelijkheid vallen van de strijdkrachten;3° het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor dat volledig binnen een afgesloten gebied plaatsvindt. § 3. Bijlage 2 voorziet in bepalingen inzake: 1° het toezicht op de vervaardiging, reconstructie of reconditionering van verpakkingen, IBC's en grote verpakkingen;2° de periodieke beproevingen op IBC's;3° de goedkeuring van tanks. § 4. De Minister kan voor het nationale en internationale vervoer van gevaarlijke goederen per spoor specifieke reglementaire veiligheidsvoorschriften vaststellen met betrekking tot: 1° het vervoer van gevaarlijke goederen met wagons, voor zover dit niet onder het toepassingsgebied van dit besluit valt;2° voor zover van toepassing, het gebruik van voorgeschreven routes, of het gebruik van voorgeschreven vormen van vervoer;3° specifieke voorschriften voor het vervoer van gevaarlijke goederen met reizigerstreinen. De Minister stelt de veiligheidsinstantie, het Spoorwegbureau van de Europese Unie en de Europese Commissie in kennis van deze voorschriften en hun motivering. HOOFDSTUK 2. - Definities

Art. 3.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: 1° "Minister": de Minister bevoegd voor het spoorwegvervoer;2° "Gemachtigde van de Minister": de Directeur-generaal van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer die bevoegd is voor het spoorwegvervoer";3° "veiligheidsinstantie": de instantie bedoeld in artikel 72 van de Spoorcodex en in het koninklijk besluit van 22 juni 2011 tot aanwijzing van de veiligheidsinstantie van de spoorwegen;4° "onderzoeksorgaan": het orgaan bedoeld in artikel 110 van de Spoorcodex en in het koninklijk besluit van 22 juni 2011 tot aanwijzing van het onderzoeksorgaan voor ongevallen en incidenten op het spoor;5° "RID": het Reglement betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen per spoor, opgenomen als bijlage aan Aanhangsel C van het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF), gesloten te Vilnius op 3 juni 1999, opgenomen in bijlage 3;6° "wagon": elk spoorvoertuig zonder eigen aandrijving dat op eigen wielen op rails rijdt en wordt gebruikt voor het vervoer van goederen; 7° "klassen": de klassen van gevaarlijke goederen opgesomd in de onderafdeling 2.1.1.1 van het RID; 8° "UN-nummer" : het uit vier cijfers bestaande identificatienummer van de gevaarlijke goederen overeenkomstig de "Model Regulations", opgenomen als bijlage bij de "Recommendations on the Transport of Dangerous Goods", gepubliceerd door de Verenigde Naties, in zijn meest recente uitgave; 9° "gevaarlijke goederen": de in afdeling 1.2.1. van het RID als dusdanig gedefinieerde goederen die behoren tot de klassen: - 2, 4.2, 4.3, 5.2, 6.1, 6.2, 8, - 3, behalve de UN-nummers die ingedeeld zijn bij de classificatiecode D, - 4.1, behalve de UN-nummers die ingedeeld zijn bij de classificatiecodes D of DT, - 5.1, behalve de UN-nummers 1942, 2067, 2426 en 3375, - 9, behalve het UN-nummer 3268; 10° "verpakking, drukrecipiënt, IBC (grote houder voor losgestort vervoer), grote verpakking, tank, tankwagon, vacuümtank voor afvalstoffen en mobiele tank" : verpakking, drukrecipiënt, IBC (grote houder voor losgestort vervoer), grote verpakking, tank, tankwagon, vacuümtank voor afvalstoffen en mobiele tank gedefinieerd in afdeling 1.2.1 van het RID; 11° "belader": de belader zoals gedefinieerd in afdeling 1.2.1. van het RID; 12° "vuller": de vuller zoals gedefinieerd in afdeling 1.2.1. van het RID; 13° "vervoerder": de vervoerder zoals gedefinieerd in afdeling 1.2.1. van het RID; 14° "geadresseerde": de geadresseerde zoals gedefinieerd in afdeling 1.2.1. van het RID; 15° "beheerder van de spoorweginfrastructuur": de beheerder van de spoorweginfrastructuur zoals gedefinieerd in afdeling 1.2.1. van het RID; 16° "afzender": de afzender zoals gedefinieerd in afdeling 1.2.1. van het RID. HOOFDSTUK 3. - Algemene bepalingen

Art. 4.Onverminderd de afwijkingen bedoeld in hoofdstuk 5, worden gevaarlijke goederen niet vervoerd wanneer dat door het RID verboden is.

Onverminderd de algemene regels inzake markttoegang of de algemeen toepasselijke regels op het vervoer van goederen, is het vervoer van gevaarlijke goederen toegelaten onder voorbehoud van de naleving van de voorwaarden van het RID en van de bepalingen opgenomen in dit besluit.

De bevoegde overheden bedoeld in de afdeling 1.2.1 van het RID zijn aangeduid in bijlage 1. HOOFDSTUK 4. - Beperkingen

Art. 5.Met het oog op de veiligheid van het vervoer kan de Minister, behalve wat constructievoorschriften betreft, strengere bepalingen toepassen voor binnenlands vervoer van gevaarlijke goederen per spoor dat wordt verricht door wagons die in België ingeschreven of in het verkeer gebracht zijn.

Wanneer de Minister na een ongeval of incident op Belgisch grondgebied van oordeel is dat de toepasselijke veiligheidsvoorschriften onvoldoende zijn gebleken om de gevaren van vervoer te beperken en er dringend maatregelen moeten worden genomen, brengt hij de Europese Commissie, tijdens de voorbereidingsfase, op de hoogte van de maatregelen die hij van plan is te nemen.

Art. 6.De Minister kan, uitsluitend om andere dan redenen van veiligheid tijdens het vervoer, het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor op nationaal grondgebied regelen of verbieden.

Art. 7.Iedere beperking genomen op grond van de artikelen 5 en 6 wordt meegedeeld aan de veiligheidsinstantie. HOOFDSTUK 5. - Afwijkingen

Art. 8.Op voorwaarde dat de veiligheid niet in het gedrang komt en op voorwaarde dat de Europese Commissie voorafgaand zijn akkoord verleent, kan de veiligheidsinstantie bij wijze van besluiten van algemene aard voor het nationaal vervoer van kleine hoeveelheden van bepaalde gevaarlijke goederen afwijkingen toestaan op de bepalingen van het RID op voorwaarde dat de voorschriften van dergelijke transporten niet strenger zijn dan deze bepaald in het RID.

Art. 9.Op voorwaarde dat de veiligheid niet in het gedrang komt en op voorwaarde dat de Europese Commissie voorafgaand zijn akkoord verleent, kan de veiligheidsinstantie voor het nationaal vervoer afwijkingen van individuele aard toestaan op de bepalingen van het RID in geval van: 1° plaatselijk vervoer van gevaarlijke goederen per spoor over een korte afstand, of;2° plaatselijk vervoer per spoor op specifieke trajecten dat deel uitmaakt van een welbepaald industrieel proces dat onder duidelijk omschreven voorwaarden streng gecontroleerd wordt.

Art. 10.De afwijkingen bedoeld in de artikelen 8 en 9 gelden voor een periode van maximum zes jaar vanaf de datum van de toelating. De nationale veiligheidsinstantie vermeldt de geldigheidsdatum in de toelatingsbeslissing. Tenzij anders is vermeld, zijn afwijkingen geldig voor een periode van zes jaar.

De veiligheidsinstantie past de afwijkingen zonder discriminatie toe.

Art. 11.De veiligheidsinstantie kan een overeenkomstig artikel 8 of 9 verleende afwijking verlengen, mits voorafgaand akkoord van de Europese Commissie.

Art. 12.De veiligheidsinstantie kan, bij wijze van uitzondering en mits de veiligheid niet in gevaar komt, individuele toelatingen verlenen voor transporten van gevaarlijke goederen per spoor op Belgisch grondgebied die krachtens dit besluit ofwel verboden zijn ofwel verricht worden onder andere dan in dit besluit vastgestelde voorwaarden, op voorwaarde dat deze transporten duidelijk zijn gedefinieerd en van tijdelijke aard zijn.

Art. 13.Als een transport wordt verricht met toepassing van een afwijking die werd verleend overeenkomstig dit hoofdstuk wordt een kopie van deze afwijking bij het vervoerdocument gevoegd.

Art. 14.De tijdelijke afwijkingen die zijn overeengekomen tussen België en één of meerdere andere lidstaten of Verdragsstaten, naargelang het geval, in toepassing van de afdeling 1.5.1 van het RID, zijn ook geldig voor het nationaal vervoer.

Art. 15.De lijsten van afwijkingen toegestaan op basis van de artikelen 8, 9 of 14 worden gepubliceerd op de website van de veiligheidsinstantie. HOOFDSTUK 6. - Plichten van de betrokkenen

Art. 16.§ 1. Het is de afzender, de commissionair-expediteur, de vervoerscommissionair en de vervoerder verboden gevaarlijke goederen te laden, te vervoeren, te doen laden of te doen vervoeren indien het vervoer niet voldoet aan de bepalingen van het RID en van dit besluit.

De eventuele commissionairs-expediteurs en de vervoerscommissionairs zijn onderworpen aan dezelfde verplichtingen als de afzender. § 2. Wanneer de goederen bij de fabrikant of bij de handelaar zelf worden geladen, is deze eveneens onderworpen aan de voorschriften van paragraaf 1.4.2.1.1 van het RID die op de afzender van toepassing zijn.

De afzender vergewist er zich van dat het vervoerdocument aan de eisen van de afdeling 5.4.1. van het RID beantwoordt. § 3. De werkgever houdt de opleidingsgeschiedenis van de werknemer zoals bepaald in de afdeling 1.3.3 en de onderafdeling 1.10.2.4 van het RID gedurende een periode van minimum vijf jaar bij en deelt deze op verzoek mee aan de veiligheidsinstantie.

Art. 17.De belader, de vuller, de vervoerder of de geadresseerde en, eventueel, de beheerder van de spoorweginfrastructuur maken respectievelijk de ongevalsrapporten opgesteld in toepassing van de afdeling 1.8.5 van het RID over aan de veiligheidsinstantie en aan het onderzoeksorgaan.

Indien nodig kunnen de veiligheidsinstantie en het onderzoeksorgaan bijkomende inlichtingen vragen. HOOFDSTUK 7. - Erkenning van instellingen

Art. 18.De Minister erkent de instellingen die bevoegd zijn om de volgende activiteiten uit te voeren: 1° de goedkeuringen van het type, de beproevingen en het toezicht op de vervaardiging en het programma voor kwaliteitsborging voorzien in het RID en de bijlage 2 voor de verpakkingen beschreven in de hoofdstukken 6.1 en 6.3 van het RID; 2° de overeenstemmingsbeoordelingen, de goedkeuringen van het type, de onderzoeken, de beproevingen, het toezicht op de vervaardiging en het toezicht op de interne inspectiedienst voorzien in het RID voor de drukrecipiënten beschreven in hoofdstuk 6.2 van het RID; 3° de typehomologaties, de beproevingen, de inspecties, het toezicht op de vervaardiging en op het programma voor kwaliteitsborging evenals het toezicht op de periodieke keuringen voorzien in het RID en de bijlage 2 voor de grote recipiënten voor losgestort vervoer (IBC) beschreven in hoofdstuk 6.5 van het RID; 4° de goedkeuringen van het type, de beproevingen en het toezicht op de vervaardiging en het programma voor kwaliteitsborging voorzien in het RID en de bijlage 2 voor de grote verpakkingen beschreven in hoofdstuk 6.6 van het RID; 5° de overeenstemmingsbeoordelingen, de goedkeuringen van het type, de controles, de beproevingen en het toezicht op de bouw voorzien in het RID en de bijlage 2 voor de tanks beschreven in hoofdstuk 6.7 van het RID; 6° de overeenstemmingsbeoordelingen, de goedkeuringen van het type, de controles, de beproevingen en het toezicht op de bouw voorzien in het RID en de bijlage 2 voor de tanks beschreven in hoofdstuk 6.8 van het RID; 7° de goedkeuringen van het type, de controles en de beproevingen voorzien in het RID en de bijlage 2 voor de tanks beschreven in hoofdstuk 6.9 van het RID; 8° de goedkeuringen van het type, de controles en de beproevingen voorzien in het RID en de bijlage 2 voor de vacuümtanks voor afvalstoffen beschreven in hoofdstuk 6.10 van het RID; 9° de goedkeuringen, de controles en de beproevingen voorzien in het RID voor de containers voor losgestort vervoer beschreven in hoofdstuk 6.11 van het RID.

Art. 19.Om erkend te worden voldoet de instelling aan volgende voorwaarden: 1° voor elke activiteit waarvoor hij om zijn erkenning verzoekt, geaccrediteerd zijn overeenkomstig de bepalingen van de verordening (EG) nr.765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93 overeenkomstig de EN ISO/ICE norm 17020 of 17025, naargelang de activiteit; 2° beantwoorden aan de verplichtingen opgenomen in het RID;3° een rechtspersoon zijn die een exploitatiezetel heeft in België.

Art. 20.§ 1. De erkende instellingen zijn gehouden de instructies na te leven die hen door de gemachtigde van de Minister worden gegeven. § 2. De erkende instellingen sturen voor de activiteiten vermeld in artikel 19 jaarlijks een activiteitenverslag aan de gemachtigde van de Minister. In dit verslag vermelden ze het aantal verrichtet activiteiten en de resultaten van de vaststellingen.

Art. 21.De erkende instellingen melden onverwijld aan de gemachtigde van de Minister: 1° elke wijziging van de statuten van de instelling;2° elke wijziging van organisatorische of technische aard die de naleving van de erkenningsvoorwaarden kunnen beïnvloeden;3° elke intrekking of wijziging van de in artikel 19, 1° bedoelde accreditatie;4° elke aanvraag tot uitbreiding van de in artikel 19, 1° bedoelde accreditatie. De erkende instellingen verstrekken onverwijld, op aanvraag van de gemachtigde van de Minister, alle informatie die betrekking heeft op de activiteiten en de werking van de instelling, of die van belang is voor het toezicht op de naleving van de bepalingen van dit besluit.

Art. 22.De erkenningsaanvraag: 1° wordt gericht aan de gemachtigde van de Minister;2° bevat een gedetailleerde opsomming van de activiteiten waarvoor de erkenning wordt aangevraagd;3° wordt vergezeld van: a) stukken waaruit blijkt dat de instelling voldoet aan de bepalingen opgenomen in artikel 19, inbegrepen een kopie van de accreditatiecertificaten;b) een verklaring waarin de instelling zich ertoe verbindt te voldoen aan de bepalingen van artikel 20 en 21.

Art. 23.§ 1. Indien een instelling niet meer voldoet aan de in artikel 19 opgenomen voorwaarden, of artikel 20 of 21 niet naleeft, of de bepalingen van de bijlage 2 of de voorschriften van het RID niet naleeft, nodigt de gemachtigde van de Minister de instelling uit om zich te schikken naar deze bepalingen. Bij gebrek aan antwoord binnen de maand, te rekenen vanaf de kennisgeving, of in geval van onbevredigend antwoord brengt de Minister bij aangetekend schrijven de instelling op de hoogte van de vastgestelde nalatigheden en verzoekt haar haar standpunt ter zake uiteen te zetten. § 2. Indien de betreffende instelling haar standpunt niet kenbaar maakt binnen de maand na ontvangst van deze brief, of indien de gegeven uitleg de vaststelling van de nalatigheden niet weerlegt, kan de Minister de erkenning intrekken. § 3. De Minister kan de erkenning intrekken indien, na een periode van drie jaar te rekenen van de datum van erkenning blijkt dat de instelling geen enkele activiteit heeft uitgeoefend in het domein waarop de erkenning betrekking heeft of dat deze activiteiten verwaarloosbaar zijn. HOOFDSTUK 8. - Controles

Art. 24.Voor het vaststellen van overtredingen van de bepalingen van het RID en van dit besluit zijn, behalve de officieren van gerechtelijke politie, bevoegd: 1° de personeelsleden van het operationeel kader van de lokale politie en van de federale politie en de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën Administratie der douane en accijnzen bij de uitoefening van hun dienst;2° de ambtenaren en beambten van de veiligheidsinstantie die door de Koning zijn aangeduid overeenkomstig artikel 213 van de Spoorcodex.

Art. 25.§ 1. De ambtenaren en beambten bedoeld in artikel 24 kunnen op om het even welk moment ter plekke nagaan of de voorschriften met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke goederen worden nageleefd.

Deze controles worden evenwel uitgevoerd zonder dat personen, bezittingen of het milieu in gevaar gebracht worden en zonder dat het spoorvervoer aanmerkelijk verstoord wordt. § 2. De betrokkenen bij het vervoer van gevaarlijke goederen, bedoeld in hoofdstuk 1.4 van het RID, verschaffen onverwijld, ieder in het kader van hun respectievelijke verplichtingen, aan de personeelsleden, de ambtenaren en de beambten, bedoeld in artikel 24, de voor de uitvoering van de controles noodzakelijke inlichtingen. § 3. De personeelsleden, de ambtenaren en de beambten bedoeld in artikel 24 kunnen voor controledoeleinden ook in de installaties van ondernemingen die bij het vervoer van gevaarlijke goederen, bedoeld in hoofdstuk 1.4, betrokken zijn, inspecties uitvoeren, de nodige documenten inzien en monsters van gevaarlijke goederen of verpakkingen nemen voor beproevingsdoeleinden, voor zover dit geen risico voor de veiligheid met zich meebrengt.

De betrokkenen bij het vervoer van gevaarlijke goederen, bedoeld in hoofdstuk 1.4, maken wagons, wagonelementen en inrichtingen van de uitrusting en van de installatie voor controledoeleinden toegankelijk voor zover dit mogelijk en redelijk is. Ze kunnen, wanneer zij dit nodig achten, een persoon uit de onderneming aanwijzen om personen die met de controle belast zijn, te begeleiden. § 4. De personeelsleden, de ambtenaren en de beambten die vaststellen dat de voorschriften betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen niet nageleefd worden, kunnen de zending verbieden of het vervoer onderbreken tot aan de vastgestelde gebreken is verholpen, of andere passende maatregelen treffen. Het immobiliseren kan ter plekke geschieden of op een andere plaats, die door de personeelsleden, de ambtenaren of de beambten op grond van veiligheidsoverwegingen is gekozen. Deze maatregelen mogen het spoorverkeer niet aanmerkelijk verstoren. HOOFDSTUK 9. - Wijzigingsbepalingen

Art. 26.In artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 6 september 2013 tot aanduiding van sommige personeelsleden van de Dienst Veiligheid en Interoperabiliteit van de Spoorwegen en van de Dienst Regulering van het Spoorwegvervoer en van de Exploitatie van de Luchthaven Brussel-Nationaal, die belast worden met de controle op de naleving van diverse wetten en reglementen inzake spoorwegvervoer, vervangen door het koninklijk besluit van 26 september 2016, en gewijzigd door het koninklijk besluit van 2 november 2017, wordt de bepaling onder 3° vervangen als volgt: « 3° het koninklijk besluit van 2 november 2017 betreffende het vervoer per spoor van gevaarlijke stoffen, met uitzondering van ontplofbare en radioactieve stoffen;". HOOFDSTUK 1 0. - Overgangsbepalingen

Art. 27.De instellingen die erkend zijn op grond van het koninklijk besluit van 28 juni 2009 betreffende het vervoer via de weg of per spoor van gevaarlijke goederen, met uitzondering van ontplofbare en radioactieve stoffen, behouden hun erkenning. HOOFDSTUK 1 1. - Opheffingsbepalingen

Art. 28.De bepalingen met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor van het koninklijk besluit van 28 juni 2009 betreffende het vervoer via de weg of per spoor van gevaarlijke goederen, met uitzondering van ontplofbare en radioactieve stoffen worden opgeheven. HOOFDSTUK 1 2. - Slotbepalingen

Art. 29.De Minister van Economie, de Minister van Binnenlandse zaken, de Minister van Justitie, de Minister van Volksgezondheid, de Minister die het gezag uitoefent over de Dienst Veiligheid en Interoperabiliteit der Spoorwegen, de Minister van Mobiliteit en de Staatssecretaris voor Noordzee zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Ciergnon, 2 november 2017.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Economie, K. PEETERS De Minister van Binnenlandse Zaken, J. JAMBON De Minister van Justitie, K. GEENS De Minister van Volksgezondheid, M. DE BLOCK De Minister van Mobiliteit, Fr. BELLOT De Minister belast met het Beleid inzake het Spoorwegsysteem en met de Regulering van het Spoorverkeer, D. DUCARME De Staatssecretaris voor Noordzee, Ph. DE BACKER

Bijlage 1 bij het koninklijk besluit van 2 november 2017 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor, met uitzondering van ontplofbare en radioactieve stoffen

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 2 november 2017 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor, met uitzondering van ontplofbare en radioactieve stoffen FILIP Van Koningswege : De Minister van Economie, K. PEETERS De Minister van Binnenlandse Zaken, J. JAMBON De Minister van Justitie, K. GEENS De Minister van Volksgezondheid, M. DE BLOCK De Minister van Mobiliteit, Fr. BELLOT De Minister belast met het Beleid inzake het Spoorwegsysteem en met de Regulering van het Spoorverkeer, D. DUCARME De Staatssecretaris voor Noordzee, Ph. DE BACKER

Bijlage 2 bij het koninklijk besluit van 2 november 2017 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor, met uitzondering van ontplofbare en radioactieve stoffen

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 2 november 2017 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor, met uitzondering van ontplofbare en radioactieve stoffen FILIP Van Koningswege : De Minister van Economie, K. PEETERS De Minister van Binnenlandse Zaken, J. JAMBON De Minister van Justitie, K. GEENS De Minister van Volksgezondheid, M. DE BLOCK De Minister van Mobiliteit, Fr. BELLOT De Minister belast met het Beleid inzake het Spoorwegsysteem en met de Regulering van het Spoorverkeer, D. DUCARME De Staatssecretaris voor Noordzee, Ph. DE BACKER

Bijlage 3 bij het koninklijk besluit van 2 november 2017 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor, met uitzondering van ontplofbare en radioactieve stoffen

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 2 november 2017 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor, met uitzondering van ontplofbare en radioactieve stoffen FILIP Van Koningswege : De Minister van Economie, K. PEETERS De Minister van Binnenlandse Zaken, J. JAMBON De Minister van Justitie, K. GEENS De Minister van Volksgezondheid, M. DE BLOCK De Minister van Mobiliteit, Fr. BELLOT De Minister belast met het Beleid inzake het Spoorwegsysteem en met de Regulering van het Spoorverkeer, D. DUCARME De Staatssecretaris voor Noordzee, Ph. DE BACKER


begin


Publicatie : 2017-11-

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^