Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 03 mei 1999
gepubliceerd op 18 december 1999

Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 26 mei 1997, gesloten in het Paritair Comité voor het kleding- en confectiebedrijf, betreffende de sociale vorming en voorlichting

bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
numac
1999012391
pub.
18/12/1999
prom.
03/05/1999
ELI
eli/besluit/1999/05/03/1999012391/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

3 MEI 1999. - Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 26 mei 1997, gesloten in het Paritair Comité voor het kleding- en confectiebedrijf, betreffende de sociale vorming en voorlichting (1)


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel 28;

Gelet op het verzoek van het Paritair Comité voor het kleding- en confectiebedrijf;

Op de voordracht van Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Algemeen verbindend wordt verklaard de als bijlage overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 26 mei 1997, gesloten in het Paritair Comité voor het kleding- en confectiebedrijf, betreffende de sociale vorming en voorlichting.

Art. 2.Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 3 mei 1999.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Mevr. M. SMET _______ Nota (1) Verwijzingen naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 5 december 1968, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969. Bijlage Paritair Comité voor het kleding- en confectiebedrijf Collectieve arbeidsovereenkomst van 26 mei 1997 Sociale vorming en voorlichting (Overeenkomst geregistreerd op 16 september 1997 onder het nummer 45071/CO/109)

Artikel 1.Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op de werkgevers en op de werklieden en werksters van de ondernemingen die onder het Paritair Comité voor het kleding- en confectiebedrijf ressorteren.

Art. 2.Deze overeenkomst regelt de toepassing van punt 7 van het interprofessioneel akkoord van 15 juni 1971 inzake de door de syndicale organisaties ingerichte opleidingscursussen.

Art. 3.De werkende en plaatsvervangende leden van de ondernemingsraden, van de comités voor preventie en bescherming op het werk en van de syndicale afvaardigingen mogen op het werk afwezig zijn ten einde de bij artikel 2 bedoelde cursussen en seminaries te volgen.

In de ondernemingen waar geen van de hierboven vermelde organen bestaan en die minstens twintig werklieden of werksters tewerkstellen, mogen maximum drie militanten, aangeduid door de werknemersorganisaties voor het geheel van de werknemersorganisaties die vertegenwoordigd zijn in het Paritair Comité voor het kleding- en confectiebedrijf, aan de in artikel 2 bedoelde cursussen deelnemen.

Art. 4.Het aantal dagen afwezigheid, toegestaan op het vlak van iedere onderneming, wordt vastgesteld op acht arbeidsdagen per effectief mandaat en per periode van vier jaar.

De aldus begrensde afwezigheidsdagen worden onder de betrokken werknemersorganisaties verdeeld naar rata van het aantal mandaten dat zij in de drie in elke onderneming bestaande vertegenwoordigingsorganen hebben verkregen.

In de ondernemingen waar geen van de in artikel 3 vermelde organen bestaan en die minstens twintig werknemers tewerkstellen, hebben de in het paritair comité vertegenwoordigde werknemersorganisaties samen maximaal recht op vijftien afwezigheidsdagen per periode van vier jaar.

Het behoort aan elke betrokken werknemersorganisatie te beslissen volgens welke modaliteiten zij de aldus omschreven afwezigheidstijd onder haar individuele vertegenwoordigers verdeelt.

Art. 5.§ 1. De ondertekenende werknemersorganisaties organiseren geen sociale vormingscursussen in het kader van het stelsel van het betaald educatief verlof, bedoeld in afdeling 6 van Hoofdstuk IV van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen. § 2. In de schoot van het "Sociaal Waarborgfonds voor de kleding en confectienijverheid" wordt een protocol gesloten met betrekking tot aanwezigheid van werknemers met een syndicaal mandaat in de onderneming bij statutaire bijeenkomsten van de werknemersorganisaties.

Art. 6.Elk jaar delen de werknemersorganisaties de inhoud van hun vormingsprogramma's, op welk vlak deze ook worden ingericht, aan de werkgeversorganisatie mede.

De vorming beoogt de sociale, economische en technische problemen, teneinde de werknemersafgevaardigden in de gelegenheid te stellen hun taak behoorlijk waar te nemen in het belang van alle partijen op het vlak van de onderneming. Die cursussen zullen geen eisend karakter vertonen.

Art. 7.De werknemersorganisaties dienen bij de betrokken werkgevers, vier weken vooraf, hun schriftelijke aanvraag in tot het bekomen, voor hun betrokken leden, van de toelating afwezig te zijn voor het bijwonen van opleidingscursussen.

Die aanvraag moet omvatten : - de naamlijst van de mandatarissen van de werknemersorganisaties voor wie een toelating van afwezigheid wordt gevraagd, alsmede de duur ervan; - de datum en duur van de ingerichte cursussen; - de thema's die worden onderwezen en bestudeerd.

Art. 8.De werknemersorganisaties voorkomen dat door de gelijktijdige afwezigheid van verscheidene werklieden en werksters de arbeidsorganisatie wordt verstoord. De gelijktijdige afwezigheid van twee werklieden of werksters per in het Paritair Comité voor het kleding- en confectiebedrijf vertegenwoordigde werknemersorganisatie, kan in geen geval als een verstoren van de arbeidsorganisatie worden beschouwd.

Bepaalde omstandigheden, zoals de afwezigheid van andere werklieden of werksters op dezelfde werkpost, kunnen de afwezigheid van de werknemersafgevaardigden onmogelijk maken wil men de goede gang van de onderneming niet in het gedrang brengen. In dat geval stellen de werkgever en de werknemersafvaardiging of, bij ontstentenis van laatstbedoelde, elk syndicaal vertegenwoordigingsorgaan in de onderneming, zich akkoord over het maximum toelaatbaar aantal afwezigen. De betwistingen die dienaangaande kunnen rijzen, worden onderzocht in het raam van de normale verzoeningsprocedure.

Art. 9.Teneinde het loonverlies voor de bij toepassing van deze collectieve arbeidsovereenkomst toegestane afwezigheid te compenseren, keert het "Sociaal Waarborgfonds voor de kleding- en confectienijverheid" aan de werklieden en werksters een vergoeding uit die wordt berekend volgens de modaliteiten van toepassing op de wettelijke feestdagen.

De werkgever betaalt deze vergoeding uit als voorschot aan de werklieden en werksters, evenals de hiermede verband houdende bijdragen voor sociale zekerheid. Hij kan het volledige bedrag bij hogerbedoeld sociaal fonds terugvorderen.

Het sociaal waarborgfonds verrekent de vergoedingen met de werknemersorganisatie, uitgekeerd in uitvoering van lid 1 en 2 van dit artikel.

Art. 10.Voor elk lid dat deelneemt aan de in het raam van deze collectieve arbeidsovereenkomst ingerichte cursussen, leveren de werknemersorganisaties een ondertekend attest af waarop de dagen, gewijd aan de cursussen die de belanghebbende heeft gevolgd, precies worden aangeduid.

Dit document wordt in tweevoud door de werknemersorganisatie aan de werkgever overgemaakt, zulks binnen de vijftien dagen die volgen op het einde van de cursussen.

Een exemplaar van dit document wordt door de werkgever bewaard. Het andere exemplaar wordt door de werkgever gevoegd bij zijn tot het sociaal waarborgfonds gerichte aanvraag om terugbetaling.

Art. 11.Deze collectieve arbeidsovereenkomst heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1997 en houdt op van kracht te zijn op 31 december 1998. Zij wordt van jaar tot jaar verlengd, indien zij vóór haar jaarlijkse vervaldag niet door één van de contracterende partijen wordt opgezegd. Deze opzegging wordt bij aangetekende brief aan de voorzitter van het Paritair Comité voor het kleding- en confectiebedrijf betekend.

Art. 12.Deze collectieve arbeidsovereenkomst vervangt de collectieve arbeidsovereenkomst van 18 september 1972 gesloten in het Nationaal Paritair Comité voor het kleding- en confectiebedrijf, betreffende sociale vorming en voorlichting, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 6 maart 1973.

Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 3 mei 1999.

De Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Mevr. M. SMET

^